{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zonder de Leaderbijdrage kan het project niet doorgaan?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Er zijn geen andere financieringsbronnen die beter geschikt zijn voor dit project?</div>\n<p class=\"lf-p\">De LAG zoekt concrete, uitvoeringsgerichte projecten met die na de opstart op eigen benen kunnen staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectiecriteria (artikel 2.3.17) In de LOS, paragraaf 7.2, vanaf pagina 33 staat een uitgebreide beschrijving van de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zulen worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LAG zoekt concrete, uitvoeringsgerichte projecten die na de opstart op eigen benen kunnen staan. ] In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit: de stimulering van sociale innovaties en de toepassing ervan (\"People\") door middel van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Moderne en creatieve initiatieven die bijdragen aan sociale inclusie en slimme oplossingen om het voorzieningenniveau op peil te houden (\"Meedoen\") Initiatieven die bijdragen aan een gezond leven en een fijne leefomgeving (\"Gezond leven\") de stimulering van de duurzame ontwikkeling van Salland (\"Planet\") door middel van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewustwording en educatie op gebied van water, landschap, biodiversiteit, energie, grondstoffen, voedsel en gezond leven. (\"Landschap, water en landbouw\" en \"Circulaire economie\") Experimentele projecten met kennisoverdracht (\"Landschap, water en landbouw\" en \"Circulaire economie\") de versterking van de economie van Salland (\"Profit\") door middel van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezamenlijke initiatieven van ondernemers, WEconomy, maatschappelijk ondernemen (\"plattelandsWEconomy\") Experimentele projecten met kennisoverdracht tussen ondernemers en onderwijs (\"kennisdelen onderwijs-bedrijfsleven\") 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van de volgende kenmerken: bottom up, draagvlak; innovatief; gebiedsgericht, meerwaarde voor Salland; samenwerking; overdracht van kennis en ervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt hetgeen blijkt uit: een realistische, logische en transparante begroting; een sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing/toezegging cofinanciering; een exploitatiebegroting voor de eerste drie jaar na einddatum project waaruit blijkt dat het project na realisatie zonder subsidie kan voortbestaan; een beschrijving van de planning en projectorganisatie; een beschrijving van de verantwoordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit: een reële verhouding tussen de gevraagde bijdrage en de te verwachten resultaten; de bijdrage van eigen middelen of private middelen aan het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.18 puntenmethodiek Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.17, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit: artikel 2.3.17 lid 1 bedraagt 9 punten; artikel 2.3.17 lid 2 bedraagt 15 punten; artikel 2.3.17 lid 3 bedraagt 6 punten; artikel 2.3.17 lid 4 bedraagt 8 punten. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.3.17 lid 1 bedraagt 5 punten; artikel 2.3.17 lid 2 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.17 lid 3 bedraagt 4 punten; artikel 2.3.17 lid 4 bedraagt 5 punten. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen minimaal 24 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Lokale Aktiegroep Noordoost Twente Algemene toelichting De LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noordoost-twente.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.19 subsidiabele activiteiten 36 [Toelichting: In de lokale ontwikkelingsstrategie voor Noord Oost Twente zijn de prioriteiten demografie, economie en nieuwe samenwerkingsvormen naar voren gekomen. In een aantal gebiedsbijeenkomsten zijn deze prioriteiten in samenspraak met vele mensen uit het gebied uitgewerkt in een drietal speerpunten waar de komende periode op ingezet wordt. De volgorde geeft de mate van prioriteit en urgentie aan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Aantrekkelijk leefklimaat 2. Nieuw ondernemerschap 3. Innovatief ontmoeten Deze speerpunten sluiten met name aan bij de nationale LEADER-thema's ‘krimp, nu of in de nabije toekomst' en ‘minder verstedelijkte regio's met economische, ecologische en sociale innovatieve potentie wat moet blijken uit onder andere integrale samenwerkingsverbanden'.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteiten (Artikel 2.3.19) In hoofdstuk 3, paragraaf 3, subparagraaf 3.1.2 vanaf pagina 21 van de LOS is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de speerpunten en de daaraan gekoppelde activiteiten welke voor subsidie in aanmerking komen.] Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) van Noordoost Twente ‘Van stuwwal tot Dinkeldal: Samen leven in Nationaal Landschap Noordoost-Twente' waar: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze een bijdrage leveren aan een aantrekkelijk leefklimaat; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze een bijdrage leveren aan nieuw ondernemerschap; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze een bijdrage leveren aan nieuwe samenwerkingsvormen en - verbanden (innovatief ontmoeten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.20 aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: a. publieke rechtspersonen; b. private rechtspersonen; c. ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, met name eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen. d. samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.21 subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel: a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken; b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten; c. de kosten van architecten en ingenieurs; d. de kosten van externe adviseurs; e. de kosten van haalbaarheidsstudies. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; h. bijdragen in natura; i. niet verrekenbare BTW; j. personeelskosten; k. voorbereidingskosten; l. reis en verblijfkosten; m. de kosten voor promotie en publiciteit. n. materiaalkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.22 criteria 37 [Toelichting: De LEADER-subsidie (EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%) bedraagt 50% van de projectkosten. De overige 50% dient door de projectaanvrager zelf te worden gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt per aanvraag minimaal €30.000,- en maximaal €100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria en hoogte subsidie (Artikel 2.3.22 en 2.3.23) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.23 hoogte subsidie 38 [Toelichting: De LEADER-subsidie (EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%) bedraagt 50% van de projectkosten. De overige 50% dient door de projectaanvrager zelf te worden gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt per aanvraag minimaal €30.000,- en maximaal €100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria en hoogte subsidie (Artikel 2.3.22 en 2.3.23) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermeningvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.24 weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: a. indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft; b. indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.25 bevoorschotting Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.26 selectiecriteria In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">39 [Toelichting: In paragraaf 3.2 van de LOS zijn per speerpunt de doelen van deze LOS geformuleerd. Belangrijk is dat aangetoond kan worden dat het project bijdraagt aan één of meer doelen. De projectaanvrager dient te onderbouwen welke resultaten verwacht worden, hoe deze resultaten tot stand komen en welke risico's er zijn dat het resultaat niet wordt gehaald en wat wordt gedaan om deze risico's te verkleinen. Als een project aan meerdere doelen bijdraagt, krijgt het een hogere score. Deze LOS gaat uit van een olievlekwerking van de projecten. Onderbouwd dient te worden dat de projecten bijdragen aan de ontwikkeling van het gebied en een zekere voorbeeldfunctie vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectiecriteria (Artikel 2.3.26) Ad. Lid 1 In hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de LOS, vanaf pagina 29, zijn per speerpunt de doelen van deze LOS geformuleerd. Belangrijk is dat aangetoond kan worden dat het project bijdraagt aan één of meer doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 7, paragraaf 7.2 subparagraaf 7.2.2, vanaf pagina 51, zijn deze criteria uitgebreid beschreven evenals de uitgangspunten ten aanzien van inpasbaarheid van projecten in de LEADER werkwijze. ] de geleverde bijdrage aan een aantrekkelijk leefklimaat; de geleverde bijdrage aan nieuw ondernemerschap; de geleverde bijdrage aan nieuwe samenwerkingsvormen en - verbanden (innovatief ontmoeten).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">40 [Toelichting: In de LEADER-methode en - filosofie staan vernieuwing, samenwerking en de aanpak van onderop centraal. Deze methode en filosofie dienen ook in de projectaanvragen tot uiting te komen. De LAG beoordeelt dit aspect aan de hand van de volgende overwegingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Hoe bottom-up is het project? Is het draagvlak voor het project duidelijk aangetoond?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er sprake van een (nieuwe) samenwerking?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is het project nieuw/innovatief voor het gebied? Gaat dat gepaard met enige vorm van ‘risico' en is de aanvrager bereid en in staat die te dragen?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wordt er (economische) meerwaarde gecreëerd door het project?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maakt het project gebruik van of is het gericht op gebiedsspecifieke kwaliteiten, uitdagingen, streekidentiteit?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In hoeverre is het project integraal van opzet, bestrijkt het meerdere (sub)doelen? Welke partijen zijn betrokken?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Worden de projectresultaten uitgedragen? Is het project overdraagbaar en is daar in het communicatieplan concreet aandacht aan besteed?</div>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het LEADER-programma wordt veel waarde gehecht aan het innovatieve karakter van projecten. Innovatie kan verschillende vormen aannemen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud: nieuwe producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze: innovatie in de aanpak van het project en procesinnovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie: nieuwe vormen van samenwerking en organisatie; het leggen van nieuwe verbindingen tussen mensen, organisaties, sectoren en gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatie: nieuwe manieren om informatie uit te wisselen en te verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiering: innovatieve financiering van investeringen en/of exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LAG toetst of projectaanvragen op één of meer van deze terreinen innovatief zijn. Projecten dienen op minimaal één van deze terreinen innovatief te zijn.] Aanpak van onderop;</p>\n<p class=\"lf-p\">Integraal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatief;</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgericht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerwaarde voor Noordoost Twente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaarheid is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt hetgeen blijkt uit een projectmatige aanpak met de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">41 [Toelichting: Selectiecriterium 3 wordt door de LAG gezien als randvoorwaardelijk criterium: een project dient naar het oordeel van de LAG haalbaar te zijn, anders kan er geen bijdrage worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LAG sluit hierbij aan bij de standaard projectmatige aanpak. Dat wil zeggen dat in de projectaanvraag ingegaan dient te worden op de aspecten van projectmatig werken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Geld (sub a en b): o Deugdelijke transparante begroting die aan regels subsidieverordening voldoet. o Sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing / toezegging co-financiering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Organisatie (sub c, d en e): o Projectleiding: wie is trekker van het project? o Projectteam: wie voeren het project uit en waarom is het team zo samengesteld (expertise, netwerk, etc.)? o Beschrijving van de verantwoordelijkheden van de leden van het projectteam.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kwaliteit (sub f en g): o Wijze van borging van de realisatie van de projectdoelen. o Maatschappelijk verantwoorde uitvoering van het project (duurzaamheid).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Informatie (sub h): o Communicatie: intern en extern.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Tijd (sub i): o Uitgewerkte projectplanning met mijlpalen.] Deugdelijke transparante begroting;</div>\n<p class=\"lf-p\">Sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing / toezegging co-financiering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijsbare projectleiding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijsbaar projectteam;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschrijving van de verantwoordelijkheden van de leden van het projectteam;</p>\n<p class=\"lf-p\">De borging van de realisatie van de projectdoelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatschappelijk verantwoorde / duurzame uitvoering van het project;</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatie: intern en extern;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgewerkte projectplanning met mijlpalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">42 [Toelichting: Bij dit aspect gaat het om de kwaliteit van het project, de kosten-baten verhouding en het lange termijn perspectief van het project. De aanvrager dient te onderbouwen dat de voorgestelde aanpak de beste is om het gewenste resultaat te bereiken, wat de meerwaarde van subsidieverlening is en waarom het project zonder subsidie niet of onvoldoende uitgevoerd kan worden. Tevens dient de instandhouding na afronding van het project onderbouwd te worden met een exploitatie- of beheerplan. ] de kwaliteit van het project; de kosten-baten verhouding; het lange termijnperspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.27 puntenmethodiek Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.26, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit: artikel 2.3.26 lid 1 bedraagt 30 punten; artikel 2.3.26 lid 2 bedraagt 50 punten; artikel 2.3.26 lid 3 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.26 lid 4 bedraagt 15 punten. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.3.26 lid 1 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.26 lid 2 bedraagt 22 punten; artikel 2.3.26 lid 3 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.26 lid 4 bedraagt 6 punten. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 48 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Lokale Aktiegroep Noord Overijssel Algemene toelichting De LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noord_overijssel.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.28 subsidiabele activiteiten 43 [Toelichting: In de Lokale Ontwikkelingsstratie voor Noord Overijssel zijn de thema's beschreven waarop de Lokale Aktie Groep in deze Leaderperiode haar focus op legt. Het betreft drie thematische clusters:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Jongeren en onderwijs: hoe kan het onderwijs bijdragen aan meer kennis en kunde op het platteland en van waaruit economisch krachtige werkgelegenheid uit voort komt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vrijetijdseconomie: hoe kunnen kleine toeristische bedrijven meer samenwerken om meer gasten naar zich toe te halen waardoor er economisch sterkere bedrijven ontstaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De samenleving verbinden met de toekomst van water en landbouw: hoe kunnen we onze bewoners meer betrekken bij de toekomst van ons water (kwaliteit-kwantiteit, klimaateffecten) en hoe zorgen we dat de relatie ‘van grond tot mond' van ons voedsel meer tastbaar en zichtbaar wordt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De maatregelen die voor subiside in aanmerking kunnen komen zullen moeten bijdragen aan deze doelen. In dit artikel worden de prestaties aangegeven die de LAG wil realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteiten (Artikel 2.3.28) In hoofdstuk 3 van de LOS, vanaf pagina 15, zijn de thema’s beschreven waarop de Lokale Aktie Groep in deze Leaderperiode haar focus op legt. De maatregelen die voor subsidie in aanmerking kunnen komen zullen moeten bijdragen aan deze doelen. In dit artikel worden de prestaties aangegeven die de LAG wil realiseren. ] Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de volgende doelstellingen van de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) van LEADER Noord Overijssel: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jongeren en onderwijs; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijetijdseconomie; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbinden van de samenleving met de toekomst van de landbouw en water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.29 aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door: a. publieke rechtspersonen; b. private rechtspersonen; c. ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, met name eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen. d. samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.30 subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel: a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken; b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa met een maximum van 5% van de totale projectkosten; c. de kosten van architecten en ingenieurs; d. de kosten van externe adviseurs; e. de kosten van haalbaarheidsstudies. f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; g. de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; h. bijdragen in natura; i. niet verrekenbare BTW; j. personeelskosten; k. voorbereidingskosten; l. reis en verblijfkosten; m. de kosten voor promotie en publiciteit. n. materiaalkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.31 criteria 44 [Toelichting: De subsidiebijdrage die vanuit het Leaderprogramma aan projectvoorstellen worden toegekend bedragen 40%. Dat houdt in dat projectindieners zelf het grootste deel van de kosten zullen moeten dragen. De subsidie is vooral een aanvulling op het tekort. Een project dient een bepaalde omvang te hebben om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Derhalve moet de subsidie minimaal € 30.000,- bedragen en maximaal € 100.000,-. De subsidie bestaat uit: EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria en hoogte subsidie (Artikelen 2.3.31 en 2.3.32) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 60% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 250.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.32 hoogte subsidie 45 [Toelichting: De subsidiebijdrage die vanuit het Leaderprogramma aan projectvoorstellen worden toegekend bedragen 40%. Dat houdt in dat projectindieners zelf het grootste deel van de kosten zullen moeten dragen. De subsidie is vooral een aanvulling op het tekort. Een project dient een bepaalde omvang te hebben om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Derhalve moet de subsidie minimaal € 30.000,- bedragen en maximaal € 100.000,-. De subsidie bestaat uit: EU-subsidie (25%), provinciale subsidie (12,5%) en een subsidie van gemeente of waterschap (12,5%).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor tevens ‘hoogte subsidie' bij de algemeen inleiding bij paragraaf 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria en hoogte subsidie (Artikelen 2.3.31 en 2.3.32) Om voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 60% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd. ] 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabel kosten te vermeningvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.33 weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: a. indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft; b. indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.34 bevoorschotting Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.35 selectiecriteria 46 [Toelichting: De Lokale Aktie Groep heeft in de LOS onder paragraaf 2 bijlage 4 de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zullen worden beoordeeld. Daarbij zijn de vier in dit artikel genoemde criteria leidend. Bij elk van deze criteria zijn hulpvragen geformuleerd die de LAG in het projectplan beantwoord wil zien. De LAG beoordeelt de criteria aan de hand van de volgende overwegingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Draagt het bij aan ambitie, thema's/speerpunten?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Draagt dit bij aan de toekomst van het gebied? ‘Zitten we hier echt op te wachten?'.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Leent de probleemstelling van het project zich goed voor een LEADER-benadering?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Hoe bottom-up is het project?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er sprake van een (nieuwe) coalitie; hoe zit het met aantoonbaar draagvlak?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wat is nieuw voor het gebied? En wat is nieuw? Is er sprake van enige vorm van ‘risico' en is de aanvrager bereid en in staat die te dragen?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zijn de rolbeschrijvingen en verantwoordelijkheden duidelijk?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zijn er intentieverklaringen/steunbrieven bijgevoegd?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Of en hoe zijn overheden betrokken in de ontwikkeling, uitvoering?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er sprake van innovatie/vernieuwing voor gebied?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maakt het project gebruik van of is gericht op gebiedsspecifieke kwaliteiten, uitdagingen, streekidentiteit?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In hoeverre is het project integraal?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wie zijn er betrokken? Wie mis je?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Worden resultaten uitgedragen? Is het project overdraagbaar?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>En is daar in het communicatieplan concreet aandacht aan besteed?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er een heldere organisatiebeschrijving met duidelijke verantwoordelijkheden?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zit het project logisch in elkaar: dragen activiteiten echt bij aan het beoogde doel?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Heeft de aanvrager/organisatie voldoende expertise, netwerk?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is het tijdpad realistisch?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zijn vergunningen geregeld?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er zicht op en onderbouwing van continuïteit na afloop?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er openbare kennis over de betrouwbaarheid en/of kwaliteit van de aanvrager en/of partners (Goede of slechte ervaringen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wat is de motivatie van de aanvrager: vanuit het hart en gemeenschappelijk/ gebiedsbelang of sec vanuit de beurs/eigen belang?;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Welke (schijn van) belangenverstrengeling tussen wie zou mee kunnen gaan spelen?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Begroting: is er een sluitende en transparante begroting en dekkingsplan, bankgarantie, ondernemersplan, zijn toezeggingen cofinanciering bijgesloten; zijn er verklaringen voor risicodragen?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De mate van efficiency en doelmatigheid van het project</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Hoe ligt de balans tussen de investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zou het project zonder LEADER niet door kunnen gaan? Of een andere kwaliteit krijgen? Waar zit het ‘plusje'?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er zicht op continuïteit en draagkracht/ verantwoordelijkheid voor instandhouding en verspreiding resultaten na afloop van het project?</div>\n<p class=\"lf-p\">Selectiecriteria (Artikel 2.3.35) In Bijlage 4 bij de LOS, vanaf pagina 43, zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zullen worden beoordeeld. Daarbij zijn de vier in dit artikel genoemde criteria leidend. Bij elk van deze criteria zijn hulpvragen geformuleerd die de LAG in het projectplan beantwoord wil zien. De LAG beoordeelt de criteria aan de hand van deze overwegingen. ] In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit de omschrijving van: de ambitie; speerpunten; thema's van de LOS.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER, hetgeen blijkt uit de bottom-up aanpak; de integraliteit; innovativiteit; samenwerking; gebiedsgerichtheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt, hetgeen blijkt uit de organisatiebeschrijving; de bijdrage aan het doel van de LOS; de expertise van de initiatiefnemer; het realisme van het tijdpad; het zicht op continuïteit; een sluitende en transparante begroting; het dekkingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit de balans tussen investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin; de meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie; het zicht op de continuïteit na realisatie van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.36 puntenmethodiek Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.35, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit: artikel 2.3.35 lid 1 bedraagt 3 punten; artikel 2.3.35 lid 2 bedraagt 12 punten; artikel 2.3.35 lid 3 bedraagt 6 punten; artikel 2.3.35 lid 4 bedraagt 12 punten. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.3.35 lid 1 bedraagt 2 punten; artikel 2.3.35 lid 2 bedraagt 8 punten; artikel 2.3.35 lid 3 bedraagt 4 punten; artikel 2.3.35 lid 4 bedraagt 6 punten. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 20 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Regeling voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1 [Toelichting: Binnen deze regeling kunnen plaatselijke groepen gezamenlijk activiteiten voorbereiden en uitvoeren met een andere “Leader”-groep, of met een groep die een vergelijkbare aanpak heeft, in een andere regio, lidstaat of zelfs een derde land (geen EU-lidstaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie (in het Engels) over transnationale samenwerking is te vinden op de volgende website: enrd.ec.europa.eu/leader/transnational-cooperation_en De Richtsnoeren voor samenwerkingsprojecten (de richtsnoeren zijn niet wettelijk verplicht, het is een handreiking) zijn te vinden op de volgende website: enrd.ec.europa.eu/sites/enrd/files/20141119_leader_cooperation_guide_2014-20.pdf Algemene informatie over transnationale samenwerking met o.a. voorbeeldprojecten, etc. Is te vinden op de volgende website: enrd.ec.europa.eu/leader/tnc_guide_en] Subsidie kan worden verstrekt voor: de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken van geschikte partners en gebieden daarvoor; de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door: de LAG; rechtspersonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">lidnr 2.4.3 Toelichting In Hoofdstuk 4 van de LOS voor Zuidwest-Twente, vanaf pagina 23, staat een uitgebreide beschrijving van de doelen met betrekking tot samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LOS kunt u downloaden van de website www.euroaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_zuidwest_twente_2015-2020.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Hoofdstuk 4 van de LOS voor Noordoost-Twente, op pagina 34 staat een uitgebreide beschrijving van de doelen met betrekking tot samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LOS kunt u downloaden van de website www.euroaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noordoost-twente.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Hoofdstuk 4 van de LOS voor Noord-Overijssel, op pagina 23, staat een uitgebreide beschrijving van de doelen met betrekking tot samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LOS kunt u downloaden van de website www.euroaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noord_overijssel.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het daadwerkelijk samenwerken in een projectvorm binnen Nederland (inter-territoriale samenwerking) of in samenwerkingsprojecten tussen gebieden in verschillende landen of met gebieden in derde landen (transnationale samenwerking) moet gericht zijn op verbetering van de eigen strategie door het inbrengen van kennis en deskundigheid van elders of door het vergroten van kritische massa rond bepaalde gedeelde thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenwerkingsactiviteit past binnen een door Gedeputeerde staten goedgekeurd LOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste een van de partners in de samenwerkingsactiviteit is de LAG;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 2.4.1 onder 1. en 2. bedoelde samenwerkingsactiviteiten moeten gericht zijn op verbetering van de LOS en vinden plaats binnen Nederland (inter-territoriale samenwerking) of tussen gebieden in verschillende lidstaten of met gebieden in derde landen (transnationale samenwerking).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.12 zijn voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onder 1 de volgende kosten subsidiabel: de kosten van haalbaarheidsstudies voor inter-territoriale of transnationale samenwerking; de kosten voor het opstellen van een projectplan; administratieve kosten (operationele kosten en personeelskosten) voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.12 zijn voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onder 2 de volgende kosten subsidiabel: uitvoeringskosten; operationele kosten en personeelskosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.4.5 Toelichting De LEADER subsidie (EU 50%), provincie (25%) en een subsidie van gemeente of waterschap (25%) bedraagt 100% van de subsidiabele projectkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.(wordt bepaald door Gedeputeerde staten, op basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in de door Gedeputeerde staten goedgekeurde LOS).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1. genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">selctiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag word beoordeeld op basis van onderstaande selectiecriteria uit de door Gedeputeerde Staten op 24 november 2015 goedgekeurde LOS:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER (bottum-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht);</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.4.6. Het puntentotaal per aanvraag wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">LAG Zuidwest-Twente Het maximale aantal punten voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid 1 bedraagt 12 punten; artikel 2.4.6 lid 2 bedraagt 12 punten; artikel 2.4.6 lid 3 bedraagt 9 punten; artikel 2.4.6 lid 4 bedraagt 9 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid 1 bedraagt 8 punten; artikel 2.4.6 lid 2 bedraagt 8 punten; artikel 2.4.6 lid 3 bedraagt 6 punten; artikel 2.4.6 lid 4 bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">LAG Noordoost-Twente Het maximale aantal punten voor het criterium uit: artikel 2.4.13 lid 1 bedraagt 30 punten; artikel 2.4.13 lid 2 bedraagt 50 punten; artikel 2.4.13 lid 3 bedraagt 10 punten; artikel 2.4.13 lid 4 bedraagt 15 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.4.13 lid 1 bedraagt 10 punten; artikel 2.4.13 lid 2 bedraagt 22 punten; artikel 2.4.13 lid 3 bedraagt 10 punten; artikel 2.4.13 lid 4 bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">LAG Noord Overijssel Het maximale aantal punten voor het criterium uit: artikel 2.4.20 lid 1 bedraagt 3 punten; artikel 2.4.20 lid 2 bedraagt 12 punten; artikel 2.4.20 lid 3 bedraagt 6 punten; artikel 2.4.20 lid 4 bedraagt 12 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.4.20 lid 1 bedraagt 2 punten; artikel 2.4.20 lid 2 bedraagt 8 punten; artikel 2.4.20 lid 3 bedraagt 4 punten; artikel 2.4.20 lid 4 bedraagt 6 punten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Maatregelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">3.1. Regeling Niet productieve investeringen water 47 [Toelichting: De regeling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben. Productieve investeringen hebben dat wel. Het gaat bij niet productieve investeringen bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de waterkwaliteit en -kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water, de Nitraatrichtlijn en het werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan maatregelen in het waterlichaam (zoals gedefinieerd voor de Kaderrichtlijn Water) die zowel ten gunste van de doelen van de Kaderrichtlijn Water zijn en de landbouw in rond het waterlichaam ondersteunen, bijvoorbeeld wat betreft de hydrologie. Ook kunnen projecten werken aan innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen. Innovatieve maatregelen zijn verzameld op de BOOT-lijst, te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt op het integreren van verschillende wateropgaven, zoals Schoon en Voldoende water. Daarnaast is het van belang dat ook nieuwe innovaties, zoals de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 [Toelichting: Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling Niet productieve investeringen water' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidieaanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cofinanciering De EU-subsidie (ELFPO) bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale doelen en criteria (artikel 3.1.6) De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen: a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW);</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel; b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kaderrichtlijn Water Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel hanteert de volgende ambities:] 50 1 [Toelichting: Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte). ] 51 [Toelichting: De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.] 52 1 [Toelichting: Geconsolideerde versie omgevingsvisie: http://www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/, onder downloads en links.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Waterbijlage: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/waterbijlage_omgevingsvisie_deel_4_geconsolideerde_versie_21_oktober_2015.pdf 3 Factsheets: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/appendix_bij_waterbijlage_omgevingsvisie_overijssel_factsheets_met_toelichting_21_oktober_2015_gecon.pdf] 53 [Toelichting: Zoetwatervoorziening Oost-Nederland In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde \"sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren\" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma \"Wel goed water geven\" en verdere ondersteunende documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nitraat Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparmeters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de selectiecriteria (artikel 3.1.7) en puntenmethodiek (artikel 3.1.8) Selectiecriteria Weging Te behalen punten Te behalen minimumscore 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosteneffectiviteit 3 1-4 22 punten 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van effectiviteit van de activiteit 3 1-4 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kans op succes/haalbaarheid 2 1-4 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Urgentie 2 1-4 1. Kosteneffectiviteit van de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, met een maximaal te behalen score van 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosteneffectiviteit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan het effect op of de mate waarin de doelstelling(en) zoals beschreven in de openstelling worden behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score 1 punt: de totale subsidiabele kosten zijn zeer hoog ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: de totale subsidiabele kosten zijn hoog ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: de totale subsidiabele kosten zijn redelijk ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: de totale subsidiabele kosten zijn zeer redelijk ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Mate van effectiviteit van de activiteit:</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, met een maximaal te behalen score van 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De effectiviteit van de activiteit is afhankelijk van de te bereiken, in het openstellingsbesluit gespecificeerde, doelstelling(en) in een gebied en de mate waarin de activiteit beoogt aan het bereiken van die doelstelling(en) bij te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt: Resultaten van het project dragen matig bij aan de doelstellingen 2 punten: Resultaten van het project dragen voldoende bij aan de doelstellingen 3 punten: Resultaten van het project dragen goed bij aan de doelstellingen 4 punten: Resultaten van het project dragen zeer goed bij aan de doelstellingen. De beoordeling of iets matig, voldoende, goed of zeer goed bijdraagt aan de beleidsdoelen hangt af van het bereik van de activiteit. Bij de beoordeling van activiteiten gericht op verbetering van de waterkwaliteit (KRW) zou 1 punt toegekend kunnen worden ingeval de waterkwaliteit slechts in een water met een zeer beperkte omvang (bv. één sloot) wordt verbeterd, terwijl vier punten toegekend zullen worden indien de waterkwaliteit van een waterlichaam aanzienlijk verbeterd wordt . Bij waterkwantiteit kan het gaan om de mate waarin wordt bijgedragen aan het voorkomen of beperken van wateroverlast, watertekort en/of verzilting van grond- en of oppervlaktewater resp. om het herstel van verdroogde natuurgebieden / resp. om een gebied klimaatbestendig te maken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Kans op succes / haalbaarheid Dit criterium heeft een wegingsfactor 2, met een maximaal te behalen score van 4.</div>\n<p class=\"lf-p\">Of een project haalbaar is, zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en aan de hand van de situatie in het veld / het (aantoonbare) draagvlak voor het project. In samenhang worden de volgende aspecten bezien: * in projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider, * hoe realistisch is het projectplan, * zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken, * kent het project een realistische planning, opzet en begroting, * mate waarin het project al is voorbereid / snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van benodigde gronden, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score 1 punt bij onvoldoende score op genoemde aspecten 2 punten bij redelijke score op genoemde aspecten 3 punten bij een goede score op genoemde aspecten 4 punten bij een zeer goede score genoemde aspecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De mate van urgentie Dit criterium heeft een wegingsfactor 2, met een maximaal te behalen score van 4.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is. Zo zijn er (inter)nationale of provinciale doelstellingen die voor een bepaalde einddatum gerealiseerd dienen te zijn en waar het project aan bijdraagt of noodzakelijk voor is. Een en ander is daarmee gerelateerd aan de knelpunten en beleidsopgaven die bestaan in de provincie waar de openstelling plaatsvindt en die benoemd zijn in het openstellingsbesluit (artikel 3.1.5). Niet noodzakelijke opgaven zijn niet urgent en zullen op grond van het openstellingsbesluit niet voor subsidie in aanmerking kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale- en waterbeheerplannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen pas op langere termijn aangepakt hoeft 2 punten indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale- en waterbeheerplannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen binnen afzienbare termijn aangepakt moet worden 3 punten indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale- en waterbeheerplannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen op korte termijn aangepakt moet worden 4 punten indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen onmiddellijk aangepakt moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.1 subsidiabele activiteit 1. Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied van Overijssel die betrekking hebben op de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe link met de landbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.2 aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door: a. landbouwers; b. grondeigenaren; c. grondgebruikers; d. landbouworganisaties; e. natuur- en landschapsorganisaties; f. provincies; g. waterschappen; h. gemeenten; i. samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een kaart waarop het projectgebied is aangegeven en indien sprake is van een bijdrage aan de Kader Richtlijn Water (KRW) of de EU-Nitraatrichtlijn: het inliggende KRW waterlichaam of de inliggende KRW waterlichamen; indien sprake is van een bijdrage aan Zoetwatervoorziening Oost Nederland (ZON): een aanduiding van het voorkeursgebied zoals opgenomen in “Wel goed water geven”, het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.4 subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel: a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; b. de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de marktwaarde; c. de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; d. de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; e. de kosten van haalbaarheidsstudies; f. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; g. niet verrekenbare of niet compensabele BTW; h. personeelskosten; i. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.5 hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.6 provinciale doelen en criteria De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de doelen uit de KRW; doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen; zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van doelen voor het thema ZON zoals opgenomen in “Wel goed water geven”, het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; op basis van de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico’s (2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.7 selectiecriteria 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 van de volgende criteria: de kosteneffectiviteit, dit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan het effect op of de mate waarin de doelstelling(en) zoals beschreven in artikel 3.1.6 worden behaald; de mate van effectiviteit van de activiteit. De effectiviteit van de activiteit is afhankelijk van de te bereiken doelstelling(en) in een gebied en de mate waarin de activiteit beoogt aan het bereiken van die doelstelling(en) bij te dragen. de haalbaarheid van het project. Dit zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en aan de hand van de situatie in het veld en het (aantoonbare) draagvlak voor het project; de mate van urgentie. Het gaat hierbij om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.15 worden de projecten gerangschikt op volgorde van de meest behaalde punten naar het laagst aantal behaalde punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gelijke score worden de scores van betreffende projecten op het hoogst gewaardeerde criterium of de hoogst gewaardeerde criteria bezien. Wanneer de betreffende projecten hierop gelijk scoren wordt gekeken naar het op één na hoogst gewaardeerde criterium of de op één na hoogst gewaardeerde criteria om de rangschikking te kunnen bepalen. Wanneer daarna nog geen onderscheid te maken is, dan wordt tussen de betreffende projecten geloot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.1.7 en conform artikel 3.1.7 lid 2 op een prioriteitenlijst gerangschikt. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal te behalen punten voor het citerium uit: artikel 3.1.7 lid 1 sub a bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.1.7 lid 1 sub b bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.1.7 lid 1 sub c bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 2; artikel 3.1.7 lid 1 sub d bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimum van 22 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1.9 verplichting In aanvulling op artikel 1.23 dienen aanvragers bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">bevoorschotting op basis van realisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.23 dient de aanvrager één keer per kalenderjaar bij het overeenkomstig artikel 1.17 lid 1 sub i jaarlijks in te dienen voortgangsverslag een aanvraag om een voorschot op basis van realisatie in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">samenstelling subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien na de inhoudelijke beoordeling blijkt dat de te verlenen subsidie lager is dan € 250.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval het subsidieplafond wordt overschreden door een aanvraag, waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, wijzen Gedeputeerde Staten de gehele aanvraag af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2. Regeling Fysieke watergerelateerde investeringen voor innovatie van agrarische ondernemingen 54 [Toelichting: Om tot subsidiëring van projecten voor het uitvoeren van de thema's over te kunnen gaan maakt de provincie gebruik van subsidieregelingen. Met de ‘Regeling Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen' wordt fors ingezet op de verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt op het integreren van verschillende wateropgaven, zoals Schoon en Voldoende water. Daarnaast is het van belang dat ook nieuwe innovaties, zoals de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Wanneer het project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bij dragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Overige innovaties in landbouw en water. Deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling Fysieke watergerelateerde investeringen voor innovatie van agrarische ondernemingen' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteit (artikel 3.2.1) Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema's: a. een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid); b. klimaat adaptatie (door het tegengaan dan wel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten en -overschotten en toenemende verzilting); c. behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale doelen (artikel 3.2.5) De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen: a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel; b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kaderrichtlijn Water Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel hanteert de volgende ambities:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).</p>\n<p class=\"lf-p\">De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Geconsolideerde versie omgevingsvisie: http://www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/, onder downloads en links.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Waterbijlage: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/waterbijlage_omgevingsvisie_deel_4_geconsolideerde_versie_21_oktober_2015.pdf 3 Factsheets: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/appendix_bij_waterbijlage_omgevingsvisie_overijssel_factsheets_met_toelichting_21_oktober_2015_gecon.pdf Zoetwatervoorziening Oost-Nederland In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde \"sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren\" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure \"Wel goed water geven\" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nitraat Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tendersystematiek (artikel 3.2.6 en 3.2.7) In de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief of op verzoek van RVO.nl te kunnen doorvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de selectiecriteria (artikel 3.2.6) Kosteneffectiviteit van de activiteit De kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen? a. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (incl. de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen). De activiteit draagt ook bij aan het verminderen van de risico's voor een duurzame drinkwatervoorziening in Overijssel. Deze zijn uitgewerkt in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van deze maatregelen zijn de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beekherstel en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden, de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzone's langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (b.v. peilgestuurde drainage), de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem. De daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen kunnen hierbij worden meegenomen. b. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. Deze doelen zijn uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Het project dient te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van maatregelen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 water vasthouden in/op de bodem (bv. reductie ontwateringsbasis, herprofilering watergang, functiecombinaties in natuurlijke laagtes/beekdalen en aanleg van waterretentie);</p>\n<p class=\"lf-p\">2 water vasthouden in watergangen (bv. bovenstrooms door meandering beken en peilverhoging).</p>\n<p class=\"lf-p\">3 minder gebiedsvreemd water inlaten;</p>\n<p class=\"lf-p\">4 verbeteren van de bodemstructuur. c. De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-nitraatrichtlijn Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn. Deze doelen zijn uitgewerkt in de factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel) en daarin opgenomen toestandbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van effectgerichte maatregelen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 verhoging grondwaterstanden waardoor de uitspoeling afneemt;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 verbetering waterhuishouding, zodat gewassen meer voedingsstoffen kunnen opnemen en daarmee de uitspoeling vermindert;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 aanleg natuurvriendelijke oevers in/langs watergang, waardoor voedingsstoffen uit het water worden opgenomen. d. De ligging in een voorkeursgebied klimaat Het project dient te liggen in gebieden die zijn aangegeven op kaart 1 en 2 van het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. e. De ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn Het project dient te liggen in stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter ‘stikstof-totaal' niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater (toestandbeoording voor N-totaal van ‘ontoereikend' of ‘slecht/voldoet niet') . Deze informatie is opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandbeoordeling. Deze zijn onderdeel van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de KRW en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015). f. Innovatieve karakter In hoeverre bevat het project voldoende vernieuwende aspecten of komt het al elders in Nederland (of daarbuiten) voor? Zo kan bijvoorbeeld als innovatief aangemerkt worden een veel toegepaste innovatie in een andere sector maar die nog nieuw is voor de agrarische sector (bijvoorbeeld een nieuwe app voor de landbouw). Qua proces kan gedacht worden aan een nieuwe vorm van communicatie.] Artikel 3.2.1 subsidiabele activiteit 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen: voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen; of voor de bredere uitrol van innovaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema's: een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaat adaptatie; behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2.2 aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door landbouwers of groepen van landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2.3 subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel: a. de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; b. de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; c. de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa; d. kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; e. de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; f. de kosten van haalbaarheidsstudies; g. de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; h. bijdragen in natura; i. personeelskosten; j. niet verrekenbare of compensabele BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2.4 hoogte subsidie De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2.5 criteria 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW); doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen. doelen tot het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; zoals blijkt uit de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minimale subsidiabele kosten per project bedragen €100.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Selectiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria: a. de kosteneffectiviteit van de activiteit, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten; b. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid1 sub a.; c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub b.; d. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub c.; e. ligging in voorkeursgebied klimaat; zoals aangegeven op kaart 1 en 2 in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; f. ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn; (stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter \"stikstof totaal\" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater) zoals opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die onderdeel zijn van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015); g. de mate waarin de investering bijdraagt aan innovatie en modernisering van het landbouwbedrijf of de landbouwsector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2.7 puntenmethodiek Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.2.6 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal punten voor het criterium uit: artikel 3.2.6 sub a. bedraagt maximaal 2 punten; artikel 3.2.6 sub b. bedraagt maximaal 15 punten; artikel 3.2.6 sub c. bedraagt maximaal 15 punten; artikel 3.2.6 sub d. bedraagt maximaal 5 punten; artikel 3.2.6 sub e. bedraagt 2 punten; artikel 3.2.6 sub f. bedraagt 4 punten; artikel 3.2.6 sub g. bedraagt maximaal 5 punten. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 19 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria uit artikel 3.2.6 sub a. en g. dienen elk een minimumscore van 1 punt te behalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2.9 verplichting Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3. Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties waterbeheer 55 [Toelichting: Met de ‘Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties' wordt fors ingezet op de kennisoverdracht met betrekking tot de verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op de kennisoverdracht met betrekking tot investeringen en samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer. De stimulering van de kennisoverdracht kan bijdragen aan een versnelde uitvoering van innovatieprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is dat als uitvloeisel van de kennisoverdracht aansluiting wordt gezocht bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Overige innovaties in landbouw en water. Deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit de Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale doelen (artikel 3.3.7) De investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen: a. De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel; b. De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; c. De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kaderrichtlijn Water Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel hanteert de volgende ambities:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).</p>\n<p class=\"lf-p\">De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Geconsolideerde versie omgevingsvisie: http://www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/, onder downloads en links.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Waterbijlage: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/waterbijlage_omgevingsvisie_deel_4_geconsolideerde_versie_21_oktober_2015.pdf 3 Factsheets: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/appendix_bij_waterbijlage_omgevingsvisie_overijssel_factsheets_met_toelichting_21_oktober_2015_gecon.pdf Zoetwatervoorziening Oost-Nederland In ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde \"sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren\" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure \" Wel goed water geven\" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nitraat Beperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.] Tendersystematiek (artikel 3.3.8 en 3.3.9) 56 Selectiecriteria (artikel 3.3.8) en puntenmethodiek (artikel 3.3.9) Selectiecriterium Weging Te behalen punten Te behalen minimumscore 1 Kosteneffectiviteit 2 1 - 4 20 punten 2 Kans op succes/haalbaarheid 3 1 - 4 3 Mate van effectiviteit van de activiteit 3 1 - 4 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van innovativiteit 1 1 - 4 1. Kosteneffectiviteit van de activiteit Dit criterium heeft een wegingsfactor 2, er kunnen maximaal 4 punten voor worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosteneffectiviteit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan het effect op of de mate waarin de doelstelling(en) zoals beschreven in de openstelling worden behaald. Er kunnen meer punten worden gehaald naar mate de activiteit kosteneffectiever is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen? Bij kennisoverdrachtsprojecten gaat het bijvoorbeeld om het aantal deelnemers, momenten van kennisoverdracht en de intensiteit ervan (van folder tot workshop).</p>\n<p class=\"lf-p\">Score 1 punt: de totale subsidiabele kosten zijn zeer hoog ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: de totale subsidiabele kosten zijn hoog ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: de totale subsidiabele kosten zijn redelijk ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: de totale subsidiabele kosten zijn zeer redelijk ten opzichte van het effect op de doelstelling(en) van de openstelling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Kans op succes/haalbaarheid;</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, er kunnen maximaal 4 punten voor worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kans op succes wordt bij kennisoverdrachtsacties door verschillende aspecten beïnvloed. Deze aspecten zullen in samenhang worden bezien. Er zal in gelijke mate worden getoetst op: a. de kwaliteit van de aanbieder van de kennis. De volgende aspecten worden daarbij bezien: * de aanbieder moet aantoonbaar gekwalificeerd zijn voor het werk: * mate waarin de aanbieder – gelet op kennis, ervaring en netwerk van de docenten – kennis en ervaring inbrengt om de specifieke kennisoverdrachtsactie bedoeld in de openstelling te kunnen verzorgen. Algemeen vereiste is dat voldaan moet zijn aan minimumvereisten voor kennisoverdrachtacties. Binnen de groep aanbieders die daaraan voldoet, wordt bezien welke aanbieder de meeste kennis en ervaring in kan brengen voor de gevraagde kennisoverdracht. b. de kwaliteit van het projectplan. Hierbij wordt gekeken naar: * hoe realistisch is het plan, * zijn relevante partijen bij de ontwikkeling van de kennisoverdrachtsactie betrokken, * kent het project een realistische planning, opzet en begroting, * zijn risico’s geïdentificeerd en gereduceerd. c. Mate waarin uit het projectplan blijkt dat deelnemers uitgedaagd worden om de geleerde kennis daadwerkelijk in de praktijk toe te gaan en blijven passen .</p>\n<p class=\"lf-p\">Score 1 punt: de haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten matig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: de kans op succes / haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: de kans op succes / haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: de kans op succes / haalbaarheid is gelet op genoemde aspecten zeer goed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Mate van effectiviteit van de activiteit Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, er kunnen maximaal 4 punten voor worden toegekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">De mate van effectiviteit van een kennisoverdrachtsactie is gerelateerd aan de doelstelling van de openstelling. Bij de bepaling wat de bijdrage is die het ingediende project aan de doelstelling van de openstelling levert zal worden gelet op de volgende aspecten: a. de bijdrage die het project levert aan het bereiken van de beleidsdoelstelling / mate waarin de activiteit bijdraagt aan het doel van de openstelling. b. bereik van de activiteit. Hierbij wordt gekeken naar: * aantal bijeenkomsten, * aantal vervolgbijeenkomsten per individuele deelnemer, * aantal deelnemers, * breedte van de doelgroep van de specifieke actie of acties, * aantal contacturen per deelnemer c. wijze waarop en mate waarin (blijvende) toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd Score 1 punt: de effectiviteit is gelet op genoemde aspecten matig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: de effectiviteit is gelet op genoemde aspecten voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: de effectiviteit is gelet op genoemde aspecten goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: de effectiviteit is gelet op genoemde aspecten zeer goed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De mate van innovativiteit;</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 1. Er zijn maximaal 4 punten te behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deze maatregel wordt het begrip ‘innovativiteit’ relatief breed uitgelegd. Iets kan landelijk of wereldwijd gezien niet innovatief zijn, maar wel innovatief zijn binnen de provincie, sector of zelfs het bedrijf waar de nieuwe kennis toegepast gaat worden. Iets dat binnen een bepaalde provincie of sector al heel breed toegepast wordt, hoeft echter niet specifiek gestimuleerd te worden. Ook bestaande kennis die nog niet veel toegepast wordt, maar waarvan toepassing beleidsmatig wel wenselijk is, kan een ‘innovatieve kennisoverdrachtsactie’ zijn. Aanvragers dienen in de aanvraag onderbouwd aan te tonen wat het gebruik van de aangeboden kennis door bedrijven vergelijkbaar met de doelgroep van de actie in de provincie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de mate van innovativiteit te beoordelen wordt in samenhang gekeken naar * de aard van de innovatieve kennis * het vernieuwende karakter van de innovatieve kennis Er wordt als volgt gescoord 1 punt: de mate van innovativiteit is gelet op genoemde aspecten matig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: de mate van innovativiteit is gelet op genoemde aspecten voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: de mate van innovativiteit is gelet op genoemde aspecten goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: de mate van innovativiteit is gelet op genoemde aspecten zeer goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.1 subsidiabele activiteit 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties en tevens het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties en modernisering, en tevens het bevorderen van de toepassing rond één of meerdere van de volgende thema's: maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatadaptatie; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.2 aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert aan een groep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer en daarvoor aantoonbaar voldoende is gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.3 aanvraag 3.3.3 Toelichting Aanvragers dienen aan te tonen te beschikken over voldoende en adequate personele capaciteit (eigen personeel of inhuur) voor het verlenen van de kennisoverdrachtdiensten. Dit dient te worden aangetoond door het bij de aanvraag aanleveren van de curricula vitae van het personeel – waaronder minimaal de aanvrager zelf of een medewerker bij de aanvrager in loondienst – dat de kennisoverdrachtdiensten en voorlichtingsdiensten uit gaat voeren. Uit de curricula vitae moet blijken dat dit personeel een opleiding op ten minste MBO-niveau heeft afgerond. Tevens dient dit personeel te beschikken over minimaal drie jaar relevante werkervaring, waaronder relevante werkervaring binnen drie jaar voor de aanvraag van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie een omschrijving, waaruit blijkt dat de aanvrager over voldoende gekwalificeerd en getraind personeel beschikt om de activiteit uit te voeren. Dit moet blijken uit de curricula vitae van het personeel, waaronder minimaal de aanvrager zelf of een medewerker bij de aanvrager in loondienst, dat de kennisoverdrachtdiensten en voorlichtingsdiensten aan gaat bieden, waarbij minimaal een afgeronde opleiding op ten minste MBO-niveau en drie jaar relevante werkervaring, waaronder relevante werkervaring binnen drie jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voornemen is om voor deelname aan een subsidiabele activiteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de subsidieaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.4 subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel: a. personeelskosten van bij de uitvoering van de activiteit betrokkenen, voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van het project zijn gemaakt; b. kosten en reiskosten van procesbegeleiders en adviseurs; c. materiaalkosten; d. huur van ruimten en gebruik bijbehorende faciliteiten; e. kosten van drukwerk, mailings en de inrichting van websites gekoppeld aan de activiteit; f. kosten van afschrijving, huur of lease voor fysieke investeringen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een demonstratieactiviteit; g. bijdragen in natura die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een demonstratieactiviteit; h. niet verrekenbare of niet compensabele BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.5 niet subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 zijn de navolgende kosten niet subsidiabel: a. kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis; b. kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs; c. inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de subsidiabele activiteit deel te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.6 hoogte subsidie 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten voor het thema zoals benoemd onder artikel 3.3.1 tweede lid aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten voor de thema's zoals benoemd onder artikel 3.3.1 tweede lid aanhef en onder a en c.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er bij een subsidieaanvraag sprake is van een combinatie van thema's, als benoemd onder artikel 3.3.1 tweede lid, geldt het percentage van het thema met het laagste subsidiepercentage zoals bepaald in het eerste en tweede lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.7 criteria 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW): doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen. doelen tot het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; zoals blijkt uit de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.8 selectiecriteria 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria: de kosteneffectiviteit van de activiteit. Dit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan het effect op of de mate waarin de doelstelling(en) zoals beschreven in artikel 3.3.7 worden behaald. de haalbaarheid van het project. Dit wordt in gelijke mate beïnvloed door de kwaliteit van de aanbieder van de kennis, de kwaliteit van het projectplan en de mate waarin de deelnemers uitgedaagd worden om de geleerde kennis in de praktijk toe te passen. de mate van effectiviteit van de activiteit. Dit wordt bepaald door de bijdrage die het project levert aan het bereiken van de beleidsdoelstelling, het bereik van de activiteit en de wijze waarop en de mate waarin toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd; de mate van innovativiteit. Hierbij wordt in samenhang gekeken naar de aard van de innovatieve kennis en het vernieuwende karakter van de innovatieve kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.15 worden de projecten gerangschikt op volgorde van de meest behaalde punten naar het laagst aantal behaalde punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gelijke score worden de scores van betreffende projecten op het hoogst gewaardeerde criterium of de hoogst gewaardeerde criteria bezien. Wanneer de betreffende projecten hierop gelijk scoren wordt gekeken naar het op één na hoogst gewaardeerde criterium of de op één na hoogst gewaardeerde criteria om de rangschikking te kunnen bepalen. Wanneer daarna nog geen onderscheid te maken is, dan wordt tussen de betreffende projecten geloot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.9 puntenmethodiek Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.3.8 lid 1 en conform artikel 3.3.8 lid 2 op een prioriteitenlijst gerangschikt. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het aantal punten voor het criterium uit: artikel 3.3.8 lid 1 sub a. bedraagt 1 tot en met 4 punten;wegingsfactor 2; artikel 3.3.8 lid 1 sub b. bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.3.8 lid 1 sub c. bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.3.8 lid 1 sub d. bedraagt 1 tot en met 4 punten; wegingsfactor 1;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Projecten dienen een minimumscore van 20 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.10 verplichting Indien een prijs moet worden betaald om aan de subsidiabele activiteit te kunnen deelnemen is de subsidieontvanger verplicht om bij de berekening van de prijs die aan deelnemers in rekening wordt gebracht rekening te houden met de te ontvangen subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">bevoorschotting op basis van realisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.23 kan maximaal twee keer per kalenderjaar een aanvraag om een voorschot op basis van realisatie worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.13</span><span class=\"lf-art-t\">weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien na de inhoudelijke beoordeling blijkt dat de te verlenen subsidie lager is dan € 40.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval het subsidieplafond wordt overschreden door een aanvraag, waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, wijzen Gedeputeerde Staten de gehele aanvraag af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4. Regeling Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers 57 [Toelichting: Voor boeren in Nederland is het een grote uitdaging om rendement en duurzaam produceren (rekening houdend met milieu, klimaatbestendigheid, dierwelzijn, diergezondheid/volksgezondheid, biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit) met elkaar te combineren. De meeste boeren hebben voldoende rendement om daarin voortdurend te investeren. Voor jonge boeren levert dan na start of overname van een bedrijf vaak problemen op, ze hebben dan vanwege hoge investeringslasten te maken met een investeringsdip. Daardoor blijven zij achter met verduurzaming van hun bedrijven. Ook blijken ze te kampen met hogere financieringslasten die vaak het gevolg zijn van recente overname of start van het bedrijf. Om deze reden willen wij juist deze specifieke groep van jonge boeren steunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is een ontwikkeling dat boeren op steeds hogere leeftijd pas een eigen bedrijf starten of overnemen. Dit vinden we een ongewenste ontwikkeling omdat ondernemers hiermee langer afhankelijk blijven van hun voorgangers -meestal hun ouders- waardoor een kortere periode resteert om het bedrijf te moderniseren, de aflossingstermijn van de investeringen wordt immers sterk bekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze regeling willen we jonge boeren stimuleren om duurzaam te investeren in hun bedrijf. Het zal voornamelijk gaan om de aanschaf van modernere installaties en machines waarmee de jonge landbouwer een achterstand kan inlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervanging door dezelfde goederen die al op het bedrijf aanwezig waren, komen niet in aanmerking. De modernisering moet bijdragen aan verbetering van het milieu, klimaatbestendigheid, dierenwelzijn, volks-en diergezondheid, landschap/ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit. Investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op verbetering van de rentabiliteit van bedrijven komen niet in aanmerking.] Artikel 3.4.1 lijst van investeringen In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst (zie Bijlage 1) op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die slechts of hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit van een landbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.2 activiteiten 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 3.4.1. (zie Bijlage 1 Lijst van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven) 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien: de investering op eigen grond van het landbouwbedrijf plaats vindt; of er voor de investering het recht van opstal is verleend indien een derde eigenaar is van de grond waarop de investering plaats vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.3 begunstigden 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding afgerond heeft of over ten minste drie jaar werkervaring op een landbouwbedrijf beschikt en die: zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt; en hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico's worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer: op basis van de statuten of een schriftelijke door alle maten of vennoten ondertekende overeenkomst tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-; en ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien: de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het betreffende landbouwbedrijf is; of de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan worden opgezegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor landbouwproductie, wordt in afwijking van het tweede lid subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd Artikel 3.4.4 aanvraag 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om subsidie: de gemaakte keuze voor de wijze waarop de subsidie berekend wordt;</p>\n<p class=\"lf-p\">KVK nummer van het landbouwbedrijf; de notariële akte van overdracht van aandelen of van de oprichting van de bv en het aandelenregister of de door alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van alle maten; een projectplan als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid onder f, waarin opgenomen een beschrijving van de investeringen per categorie waaruit blijkt dat de betreffende investering voldoet aan de omschrijving van de categorie genoemd in de lijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden bevat de aanvraag om subsidie tevens een accountantsverklaring. De accountantsverklaring betreft een rapport van feitelijke bevindingen (COS 4400) over gegevens van het eigen vermogen van de onderneming en de verdeling daarvan onder de bedrijfshoofden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De peildatum voor de in het tweede lid genoemde accountantsverklaring is of 31 december 2015 of 30 april 2016 of 30 juni 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 [Toelichting: De aanvrager kan gebruik maken van een accountantsverklaring, een zogenoemd rapport van feitelijke bevindingen (COS 4400) over gegevens van het eigen vermogen van de onderneming en de verdeling daarvan onder de bedrijfshoofden. De aanvrager kan kiezen welke datum als peildatum voor de opstelling van deze accountantsverklaring wordt aangehouden. De keuzemogelijkheden voor deze datum zijn 31 december 2015 of 30 april 2016 of 30 juni 2016. ] 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per landbouwbedrijf wordt slechts één aanvraag om subsidie in behandeling genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.4a verplichtingen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.17 eerste lid onder e is de subsidieontvanger niet verplicht om binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking te starten met de uitvoering van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.17 eerste lid onder i is de subsidieontvanger niet verplicht om een maal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 1.23 en 1.25 verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.5 weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien er op grond van deze paragraaf reeds subsidie is verstrekt voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6 paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit reeds een subsidie is verstrekt aan de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.6 subsidiabele kosten 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor wordt verstrekt voor: de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van architecten en ingenieurs; de kosten van adviseurs duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.12, tweede lid van de regeling, wordt geen subsidie verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.7 hoogte subsidie 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er naast jonge landbouwers ook niet- jongelandbouwers bedrijfshoofd zijn in het landbouwbedrijf wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet- jongelandbouwer. De verlaging bedraagt maximaal 80%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de onderneming, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid , 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum bedrag aan subsidiabele kosten per fysieke investering, als bedoeld in artikel 3.4.1 is € 20.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de subsidie wordt verlaagd op basis van het aantal niet-jonge-landbouwers als bedoeld in artikel 3.4.7 lid 2 van de regeling wordt de subsidie verlaagd op basis van het aantal niet-jonge-landbouwers ten tijde van de aanvraag om subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de subsidie wordt berekend op basis van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 3.4.7 lid 3 van de regeling wordt de subsidie berekend op basis van het aandeel van het eigen vermogen ten tijde van de aanvraag om subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4.8 rangschikking Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst als bedoeld in artikel 3.4.1 een punten aantal vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 het punten aantal als bedoeld in het eerste lid en rangschikken op basis van het gemiddelde van de investeringscategorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Regeling Samenwerking voor innovaties (water) 59 [Toelichting: Met de ‘Regeling Samenwerking voor innovaties (water)' wordt fors ingezet op het middels samenwerking verbeteren van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel met gebruikmaking van innovatieve methoden, producten en/of technieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die op een innovatieve wijze werken aan een project die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. De activiteit dient altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt op innovaties, waarbij verschillende wateropgaven worden geïntegreerd (zoals Schoon en Voldoende water). Hiermee kan de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Wanneer project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bij dragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Overige innovaties in landbouw en water. In deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Regeling Samenwerking voor innovatie is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.</p></div>", "next": 239925}