{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Personeelskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereidingskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Reis- en verblijfkosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor promotie en publiciteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaalkosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 200.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingOm voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 50% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.24</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.25</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Selectiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit: de geleverde bijdrage aan een aantrekkelijk leefklimaat; de geleverde bijdrage aan nieuw ondernemerschap; de geleverde bijdrage aan nieuwe samenwerkingsvormen en -verbanden (innovatief ontmoeten).</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van de volgende kenmerken: aanpak van onderop; integraal; innovatief; samenwerkend; gebiedsgericht; meerwaarde voor Noordoost Twente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaarheid is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt hetgeen blijkt uit een projectmatige aanpak met de volgende kenmerken: deugdelijke transparante begroting; sluitend dekkingsplan, inclusief onderbouwing/toezegging co-financiering; aanwijsbare projectleiding; aanwijsbaar projectteam; beschrijving van de verantwoordelijkheden van de leden van het projectteam; de borging van de realisatie van de projectdoelen; maatschappelijk verantwoorde/duurzame uitvoering van het project; communicatie: intern en extern; uitgewerkte projectplanning met mijlpalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit: de kwaliteit van het project; de kosten-baten verhouding; het lange termijnperspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingAd. Lid 1In hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de LOS, vanaf pagina 29, zijn per speerpunt de doelen van deze LOS geformuleerd. Belangrijk is dat aangetoond kan worden dat het project bijdraagt aan één of meer doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 7, paragraaf 7.2 subparagraaf 7.2.2, vanaf pagina 51, zijn deze criteria uitgebreid beschreven evenals de uitgangspunten ten aanzien van inpasbaarheid van projecten in de LEADER werkwijze.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.26, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit: artikel 2.3.26 lid 1 bedraagt 30 punten; artikel 2.3.26 lid 2 bedraagt 50 punten; artikel 2.3.26 lid 3 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.26 lid 4 bedraagt 15 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.3.26 lid 1 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.26 lid 2 bedraagt 22 punten; artikel 2.3.26 lid 3 bedraagt 10 punten; artikel 2.3.26 lid 4 bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 48 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Lokale Aktiegroep Noord OverijsselToelichtingDe LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noord_overijssel.pdf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de volgende doelstellingen van de Lokale Ontwikkelingsstrategie (LOS) van LEADER Noord Overijssel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Jongeren en onderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijetijdseconomie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbinden van de samenleving met de toekomst van de landbouw en water.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingIn hoofdstuk 3 van de LOS, vanaf pagina 15, zijn de thema’s beschreven waarop de Lokale Aktie Groep in deze Leaderperiode haar focus op legt. De maatregelen die voor subsidie in aanmerking kunnen komen zullen moeten bijdragen aan deze doelen. In dit artikel worden de prestaties aangegeven die de LAG wil realiseren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Publieke rechtspersonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Private rechtspersonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, met name eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en maatschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.30</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.12 zijn de volgende kosten ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS subsidiabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van architecten en ingenieurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van externe adviseurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van haalbaarheidsstudies;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijdragen in natura;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verrekenbare BTW;</p>\n<p class=\"lf-p\">Personeelskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereidingskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Reis en verblijfkosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor promotie en publiciteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaalkosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.31</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om voor subsidie in aanmerking te komen dient op moment van de subsidieverlening de subsidie per project minimaal € 30.000,- te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de totale subsidiabele projectkosten het bedrag van € 250.000,- overstijgen bedraagt de maximale subsidie € 100.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.32</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1 genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingOm voor subsidie in aanmerking te komen zal per project minimaal sprake moeten zijn van een subsidie van € 30.000,- en maximaal € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten (waarvan 50% EU-subsidie, 25% provinciale subsidie en 25% subsidie van gemeente of waterschap). Van de aanvrager wordt verwacht dat 60% van de totale subsidiabele kosten door de aanvrager zelf wordt geïnvesteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.33</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt, behalve wanneer het de benodigde nationale cofinanciering betreft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.34</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 derde lid bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.35</span><span class=\"lf-art-t\">Selectiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.15 hanteren Gedeputeerde Staten, op basis van het advies van de LAG, voor de rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS, hetgeen blijkt uit de omschrijving van: de ambitie; speerpunten; thema's van de LOS.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER, hetgeen blijkt uit: de bottom-up aanpak; de integraliteit; innovativiteit; samenwerking; gebiedsgerichtheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt, hetgeen blijkt uit: de organisatiebeschrijving; de bijdrage aan het doel van de LOS; de expertise van de initiatiefnemer; het realisme van het tijdpad; het zicht op continuïteit; een sluitende en transparante begroting; het dekkingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project hetgeen blijkt uit: de balans tussen investeringen en de verwachte opbrengst in brede zin; de meerwaarde die het project krijgt door gebruikmaking van de LEADER-subsidie; het zicht op de continuïteit na realisatie van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingIn Bijlage 4 bij de LOS, vanaf pagina 43, zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan de projecten zullen worden beoordeeld. Daarbij zijn de vier in dit artikel genoemde criteria leidend. Bij elk van deze criteria zijn hulpvragen geformuleerd die de LAG in het projectplan beantwoord wil zien. De LAG beoordeelt de criteria aan de hand van deze overwegingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.3.36</span><span class=\"lf-art-t\">Puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter advisering aan Gedeputeerde Staten worden de projecten door de LAG beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.3.35, waarbij per criterium het volgend aantal punten wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal toe te kennen punten voor het criterium uit: artikel 2.3.35 lid 1 bedraagt 3 punten; artikel 2.3.35 lid 2 bedraagt 12 punten; artikel 2.3.35 lid 3 bedraagt 6 punten; artikel 2.3.35 lid 4 bedraagt 12 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.3.35 lid 1 bedraagt 2 punten; artikel 2.3.35 lid 2 bedraagt 8 punten; artikel 2.3.35 lid 3 bedraagt 4 punten; artikel 2.3.35 lid 4 bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 20 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4Regeling voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken van geschikte partners en gebieden daarvoor;</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van samenwerkingsactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingBinnen deze regeling kunnen plaatselijke groepen gezamenlijk activiteiten voorbereiden en uitvoeren met een andere “Leader”-groep, of met een groep die een vergelijkbare aanpak heeft, in een andere regio, lidstaat of zelfs een derde land (geen EU-lidstaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie (in het Engels) over transnationale samenwerking is te vinden op de volgende website: enrd.ec.europa.eu/leader/transnational-cooperation_en De Richtsnoeren voor samenwerkingsprojecten (de richtsnoeren zijn niet wettelijk verplicht, het is een handreiking) zijn te vinden op de volgende website: enrd.ec.europa.eu/sites/enrd/files/20141119_leader_cooperation_guide_2014-20.pdf Algemene informatie over transnationale samenwerking met o.a. voorbeeldprojecten, etc. Is te vinden op de volgende website: enrd.ec.europa.eu/leader/tnc_guide_en</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door:</p>\n<p class=\"lf-p\">De LAG;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtspersonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De samenwerkingsactiviteit past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten minste een van de partners in de samenwerkingsactiviteit is de LAG;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in artikel 2.4.1 onder 1. en 2. bedoelde samenwerkingsactiviteiten moeten gericht zijn op verbetering van de LOS en vinden plaats binnen Nederland (inter-territoriale samenwerking) of tussen gebieden in verschillende lidstaten of met gebieden in derde landen (transnationale samenwerking).</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingIn Hoofdstuk 4 van de LOS voor Zuidwest-Twente, vanaf pagina 23, staat een uitgebreide beschrijving van de doelen met betrekking tot samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_zuidwest_twente.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Hoofdstuk 4 van de LOS voor Noordoost-Twente, op pagina 34 staat een uitgebreide beschrijving van de doelen met betrekking tot samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noordoost-twente.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Hoofdstuk 4 van de LOS voor Noord-Overijssel, op pagina 23, staat een uitgebreide beschrijving van de doelen met betrekking tot samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De LOS kunt u downloaden van de website www.europaloket.nl/pop3 onder het kopje documenten in rechterbalk of direct via de link www.overijssel.nl/publish/pages/141302/los_noord_overijssel.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het daadwerkelijk samenwerken in een projectvorm binnen Nederland (inter-territoriale samenwerking) of in samenwerkingsprojecten tussen gebieden in verschillende landen of met gebieden in derde landen (transnationale samenwerking) moet gericht zijn op verbetering van de eigen strategie door het inbrengen van kennis en deskundigheid van elders of door het vergroten van kritische massa rond bepaalde gedeelde thema’s.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.12 zijn voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onder 1 de volgende kosten subsidiabel: de kosten van haalbaarheidsstudies voor inter-territoriale of transnationale samenwerking; de kosten voor het opstellen van een projectplan; administratieve kosten (operationele kosten en personeelskosten) voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op artikel 1.12 zijn voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onder 2 de volgende kosten subsidiabel: uitvoeringskosten; operationele kosten en personeelskosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.(wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager in het financieringsplan een subsidiebedrag aanvraagt dat lager is dan het bedrag dat verkregen wordt door de subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met het onder lid 1. genoemde percentage van de totale subsidiabele kosten, wordt dit gezien als het aangevraagde en maximaal te verlenen subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDe LEADER subsidie (EU 50%), provincie (25%) en een subsidie van gemeente of waterschap (25%) bedraagt 100% van de subsidiabele projectkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Selectiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt beoordeeld op basis van onderstaande selectiecriteria uit de door Gedeputeerde Staten op 24 november 2015 goedgekeurde LOS:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht);</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiency en doelmatigheid van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 2.4.6. Het puntentotaal per aanvraag wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">LAG Zuidwest-TwenteHet maximale aantal punten voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid a bedraagt 12 punten; artikel 2.4.6 lid b bedraagt 12 punten; artikel 2.4.6 lid c bedraagt 9 punten; artikel 2.4.6 lid d bedraagt 9 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid a bedraagt 8 punten; artikel 2.4.6 lid b bedraagt 8 punten; artikel 2.4.6 lid c bedraagt 6 punten; artikel 2.4.6 lid d bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">LAG Noordoost-TwenteHet maximale aantal punten voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid a bedraagt 30 punten; artikel 2.4.6 lid b bedraagt 50 punten; artikel 2.4.6 lid c bedraagt 10 punten; artikel 2.4.6 lid d bedraagt 15 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid a bedraagt 10 punten; artikel 2.4.6 lid b bedraagt 22 punten; artikel 2.4.6 lid c bedraagt 10 punten; artikel 2.4.6 lid d bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">LAG Noord OverijsselHet maximale aantal punten voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid a bedraagt 3 punten; artikel 2.4.6 lid b bedraagt 12 punten; artikel 2.4.6 lid c bedraagt 6 punten; artikel 2.4.6 lid d bedraagt 12 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimum aantal te behalen punten om voor subsidie in aanmerking te komen voor het criterium uit: artikel 2.4.6 lid a bedraagt 2 punten; artikel 2.4.6 lid b bedraagt 8 punten; artikel 2.4.6 lid c bedraagt 4 punten; artikel 2.4.6 lid d bedraagt 6 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk3Maatregelen 3.1Regeling Niet productieve investeringen water ToelichtingDe wettelijke basis wordt gevormd door Verordening (EU) Nr. 1305/2013, in het bijzonder artikel 5 lid 4 aanhef in combinatie met artikel 17 lid 1 (d) en de toepasselijke gedelegeerde – en uitvoeringshandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op niet productieve investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben. Productieve investeringen hebben dat wel. Het gaat bij niet-productieve investeringen bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de waterkwaliteit en -kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water, de Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijke toestand watersystemen, het duurzaam optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen en/of beperken van watertekorten, wateroverlast, verzilting en bodemdaling waaronder het vergroten van het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond en daarvoor noodzakelijke technische voorzieningen en het werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van maatregelen zijn aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die bijdragen aan doelen KRW en tevens een buffer vormen voor emissies naar oppervlaktewater, herstel watersystemen in of met invloed op landbouwgrond naar hun natuurlijke toestand, waaronder beekherstel, hermeandering waterlopen, herstellen migratiemogelijkheden, vernatting gronden, aanleg van bufferzone’s langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen in of met invloed op landbouwgrond vergroten, b.v. peilgestuurde drainage, aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan maatregelen in het waterlichaam (zoals gedefinieerd voor de Kaderrichtlijn Water) die zowel ten gunste van de doelen van de Kaderrichtlijn Water zijn en de landbouw in rond het waterlichaam ondersteunen, bijvoorbeeld wat betreft de hydrologie. Ook kunnen projecten werken aan innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen. Innovatieve maatregelen zijn verzameld op de BOOT-lijst, te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt op het integreren van verschillende wateropgaven, zoals Schoon en Voldoende water. Daarnaast is het van belang dat ook nieuwe innovaties, zoals de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling Niet productieve investeringen water’ is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidieaanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering’ van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<p class=\"lf-p\">CofinancieringIndien de provincie minder subsidie beschikbaar stelt dan het Europese ELFPO-budget, dient een aanvrager bij de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte aanvullende nationale overheidsfinanciering, van bijvoorbeeld gemeente of waterschap, ten behoeve van het project beschikbaar is gesteld (zie artikel 1.4). In deze regeling stelt de provincie geen cofinanciering ter beschikking en dient de gehele cofinanciering van een andere overheidslaag te komen. Indien de aanvrager een overheidsorgaan is, dan worden 50% van de subsidiabele kosten door die aanvrager zelf gedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied van Overijssel die betrekking hebben op de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe link met de landbouw.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouwers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondeigenaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondgebruikers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouworganisaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuur- en landschapsorganisaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provincies;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kaart waarop het projectgebied is aangegeven en indien sprake is van een bijdrage aan de Kader Richtlijn Water (KRW) of de EU-Nitraatrichtlijn: het inliggende KRW waterlichaam of de inliggende KRW waterlichamen; indien sprake is van een bijdrage aan Zoetwatervoorziening Oost Nederland (ZON): een aanduiding van het voorkeursgebied zoals opgenomen in “Wel goed water geven”, het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het projectplan als bedoeld in artikel 1.7 lid 2 sub f. dient als zelfstandig leesbaar document te worden toegevoegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Zelfstandig leesbaar betekent dat zonder naar bijlagen te verwijzen hetgeen onder artikel 1.7 lid 2 sub f.i tot en met sub f.vi gevraagde duidelijk moet zijn. Voor het projectplan wordt een format beschikbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten, voor zover de kosten direct samenhangen met de investering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende zaken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van projectmanagement en projectadministratie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor de koop van tweedehands installaties en machines tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verrekenbare of niet compensabele BTW;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12a lid 3 en 4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciale doelen en criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de doelen uit de KRW; doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen; zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van doelen voor het thema ZON zoals opgenomen in “Wel goed water geven”, het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; op basis van de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico’s (2015).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Rangschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ingediende aanvragen worden gerangschikt op basis de volgende criteria: de effectiviteit: dit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan het effect op of de mate waarin de doelstelling(en) zoals beschreven in artikel 3.1.6 worden behaald (zie toelichting); de kans op succes/haalbaarheid van de activiteit: dit zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en aan de hand van de situatie in het veld en het (aantoonbare) draagvlak voor het project (zie toelichting); de urgentie van het project: het gaat hierbij om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is (zie toelichting); de mate van efficiëntie: hierbij wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren (zie toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aanvragen worden gerangschikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.15a.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij gelijke score worden de scores van betreffende projecten op het hoogst gewaardeerde criterium of de hoogst gewaardeerde criteria bezien. Wanneer de betreffende projecten hierop gelijk scoren wordt gekeken naar het op één na hoogst gewaardeerde criterium of de op één na hoogst gewaardeerde criteria om de rangschikking te kunnen bepalen. Wanneer daarna nog geen onderscheid te maken is, dan wordt tussen de betreffende projecten geloot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.1.7 en conform artikel 3.1.7 lid 2 op een prioriteitenlijst gerangschikt. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal te behalen punten voor het criterium uit: artikel 3.1.7 lid 1 sub a bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.1.7 lid 1 sub b bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 2; artikel 3.1.7 lid 1 sub c bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 2; artikel 3.1.7 lid 1 sub d bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 30 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingSelectiecriterium Weging Te behalen punten Te behalen minimumscore 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effectiviteit 3 0 - 5 30 punten van maximaal 50 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kans op succeshaalbaarheid 2 0 - 5 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Urgentie 2 0 - 5 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Efficiëntie 3 0 - 5 Effectiviteit van de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, met een maximaal te behalen score van 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De effectiviteit van de activiteit is afhankelijk van de te bereiken doelstellingen, zoals opgenomen in artikel 3.1.6., en de mate waarin de activiteit beoogt aan het bereiken van die doelstellingen bij te dragen. Hierbij wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling of iets matig, voldoende, goed of zeer goed bijdraagt aan de beleidsdoelen hangt af van het bereik van de activiteit. Bij de beoordeling van activiteiten gericht op verbetering van de waterkwaliteit (KRW) zou 1 punt toegekend kunnen worden ingeval de waterkwaliteit slechts in een water met een zeer beperkte omvang (bv. één sloot) wordt verbeterd, terwijl vier punten toegekend zullen worden indien de waterkwaliteit van een waterlichaam aanzienlijk verbeterd wordt. Bij waterkwantiteit kan het gaan om de mate waarin wordt bijgedragen aan het voorkomen of beperken van wateroverlast, watertekort en/of verzilting van grond- en of oppervlaktewater resp. om het herstel van verdroogde natuurgebieden/resp. om een gebied klimaatbestendig te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score0 punten: Zeer geringe bijdrage Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt: Geringe bijdrage Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: Matige bijdrage Het project draagt matig bij aan het criterium. Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: Voldoende bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: Goede bijdrage De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten: Zeer goede bijdrage Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van kans op succes/haalbaarheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 2, met een maximaal te behalen score van 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of een project haalbaar is, zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en aan de hand van de situatie in het veld / het (aantoonbare) draagvlak voor het project. In samenhang worden de volgende aspecten bezien: in projectplan opgenomen vereisten aan de kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider; hoe realistisch is het projectplan; zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken; kent het project een realistische planning, opzet en begroting; mate waarin het project al is voorbereid/snel in uitvoering kan worden genomen, waarbij wordt gekeken naar het al dan niet reeds verworven zijn van benodigde gronden, het draagvlak voor het plan en de mate waarin vergunningen reeds zijn verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score:0 punten: Zeer geringe bijdrage Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt: Geringe bijdrage Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: Matige bijdrage Het project draagt matig bij aan het criterium. Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: Voldoende bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: Goede bijdrage De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten: Zeer goede bijdrage Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Urgentie Dit criterium heeft een wegingsfactor 2, met een maximaal te behalen score van 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is. Zo zijn er (inter)nationale of provinciale doelstellingen die voor een bepaalde einddatum gerealiseerd dienen te zijn en waar het project aan bijdraagt of noodzakelijk voor is. Een en ander is daarmee gerelateerd aan de knelpunten en beleidsopgaven die bestaan in de provincie waar de openstelling plaatsvindt en die benoemd zullen worden in het openstellingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score0 punten indien er sprake is van een opgave die op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk is, maar die op grond van die plannen pas op zeer lange termijn aangepakt hoeft te worden 1 punt indien er sprake is van een opgave die op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk is, maar die op grond van die plannen pas op langere termijn aangepakt hoeft te worden 2 punten indien er sprake is van een noodzakelijke opgave op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen en die op grond van die plannen binnen afzienbare termijn aangepakt moet worden 3 punten indien er sprake is van een noodzakelijke opgave op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen en die op grond van die plannen op relatief korte termijn aangepakt moet worden 4 punten indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijke opgave die op grond van die plannen snel aangepakt moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten indien er sprake is van een op grond van in het openstellingsbesluit weergegeven provinciale plannen noodzakelijk opgave, die op grond van die plannen onmiddellijk aangepakt moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Efficiëntie Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, met een maximaal te behalen score van 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score:</p>\n<p class=\"lf-p\">0 punten = Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet. De opgevoerde projectkosten zijn te hoog. Er wordt geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager gaat opnieuw het wiel uitvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt = gering. De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig. Opgevoerde projectkosten zijn hoog. De aanvrager geeft wel blijk van kennis van bestaande kennis en kunde, maar gebruikt die kennis niet of nauwelijks bij de uitvoering van het project. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs in plaats van de bestaande kennis en kunde te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten = matig. Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan. De opgevoerde projectkosten zijn matig hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten= voldoende. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende. De opgevoerde projectkosten zijn redelijk. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten = goed. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie. Het project wordt efficiënt uitgevoerd. De aanvrager maakt ook tijdens de uitvoering van het project gebruik van de bestaande kennis en kunde, bijvoorbeeld als toetsingsmoment.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten = zeer goed. De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager maakt zeer goed gebruik van bestaande kennis en kunde. Bijvoorbeeld van innovaties heeft de aanvrager eerdere vergelijkbare innovaties in kaart gebracht en bouwt daar op voort. Het is voor de aanvrager helder waarom de eerdere projecten zijn misgelopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.23 dienen aanvragers bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting op basis van realisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.23 dient de aanvrager één keer per kalenderjaar bij het overeenkomstig artikel 1.17 lid 1 sub i jaarlijks in te dienen voortgangsverslag een aanvraag om een voorschot op basis van realisatie in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien na de inhoudelijke beoordeling blijkt dat de te verlenen subsidie lager is dan € 250.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval het subsidieplafond wordt overschreden door een aanvraag, waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, wijzen Gedeputeerde Staten de gehele aanvraag af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2Regeling Fysieke watergerelateerde investeringen voor innovatie van agrarische ondernemingen ToelichtingOm tot subsidiëring van projecten voor het uitvoeren van de thema's over te kunnen gaan maakt de provincie gebruik van subsidieregelingen. Met de ‘Regeling Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen' wordt fors ingezet op de verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt op het integreren van verschillende wateropgaven, zoals Schoon en Voldoende water. Daarnaast is het van belang dat ook nieuwe innovaties, zoals de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.);</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bij dragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de Waterprogramma's van de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige innovaties in landbouw en water. Deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling Fysieke watergerelateerde investeringen voor innovatie van agrarische ondernemingen' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen: voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen; of voor de bredere uitrol van innovaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema's: een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaat adaptatie; behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingSubsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema's:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid);</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaat adaptatie (door het tegengaan dan wel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten en -overschotten en toenemende verzilting);</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door landbouwers of groepen van landbouwers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten subsidiabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van haalbaarheidsstudies;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijdragen in natura;</p>\n<p class=\"lf-p\">Personeelskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verrekenbare of compensabele BTW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 40% van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen: de realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW); doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen. doelen tot het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel. de realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; zoals blijkt uit de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De minimale subsidiabele kosten per project bedragen €100.000,-.</div>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDe investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW): die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen. het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaderrichtlijn WaterWatersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel hanteert de volgende ambities:</p>\n<p class=\"lf-p\">Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).</p>\n<p class=\"lf-p\">De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconsolideerde versie omgevingsvisie: http://www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/, onder downloads en links.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbijlage: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/waterbijlage_omgevingsvisie_deel_4_geconsolideerde_versie_21_oktober_2015.pdf Factsheets: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/appendix_bij_waterbijlage_omgevingsvisie_overijssel_factsheets_met_toelichting_21_oktober_2015_gecon.pdf Zoetwatervoorziening Oost-NederlandIn ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde \"sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren\" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure \"Wel goed water geven\" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">NitraatBeperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Selectiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosteneffectiviteit van de activiteit, hetgeen blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub a.;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub b.;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit artikel 3.2.5 lid 1 sub c.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligging in voorkeursgebied klimaat; zoals aangegeven op kaart 1 en 2 in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn; (stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter \"stikstof totaal\" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater) zoals opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die onderdeel zijn van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015);</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de investering bijdraagt aan innovatie en modernisering van het landbouwbedrijf of de landbouwsector.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingKosteneffectiviteit van de activiteitDe kosteneffectiviteit van de activiteit blijkt uit de verhouding tussen de mate van doelbereik en de hoogte van de kosten. In welke verhouding staat de gevraagde projectsubsidie tot de totale projectinvestering en de projectdoelen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze doelen zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel (incl. de factsheets KRW-oppervlaktewaterlichamen). De activiteit draagt ook bij aan het verminderen van de risico's voor een duurzame drinkwatervoorziening in Overijssel. Deze zijn uitgewerkt in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van deze maatregelen zijn de aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk oevers die tevens een buffer vormen tegen emissies naar oppervlaktewater, het herstel van watersystemen naar hun natuurlijke toestand waaronder beekherstel en de hermeandering van waterlopen. Daarnaast kan worden gedacht aan het herstellen van migratiemogelijkheden, de vernatting van gronden, de aanleg van bufferzone's langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten (b.v. peilgestuurde drainage), de aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem. De daarvoor noodzakelijke ict- of technische voorzieningen kunnen hierbij worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. Deze doelen zijn uitgewerkt in het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'. Het project dient te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw. Het innovatieve karakter wordt bepaald aan de manier waarop de in het project geformuleerde maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de landbouw en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van maatregelen zijn: water vasthouden in/op de bodem (bv. reductie ontwateringsbasis, herprofilering watergang, functiecombinaties in natuurlijke laagtes/beekdalen en aanleg van waterretentie); water vasthouden in watergangen (bv. bovenstrooms door meandering beken en peilverhoging); minder gebiedsvreemd water inlaten; verbeteren van de bodemstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de activiteit bijdraagt aan de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-nitraatrichtlijn Het project dient een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen van de EU-nitraatrichtlijn. Deze doelen zijn uitgewerkt in de factsheets KRW-oppervlakte- en grondwaterlichamen (uit de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel) en daarin opgenomen toestandbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van effectgerichte maatregelen zijn: verhoging grondwaterstanden waardoor de uitspoeling afneemt; verbetering waterhuishouding, zodat gewassen meer voedingsstoffen kunnen opnemen en daarmee de uitspoeling vermindert; aanleg natuurvriendelijke oevers in/langs watergang, waardoor voedingsstoffen uit het water worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ligging in een voorkeursgebied klimaat Het project dient te liggen in gebieden die zijn aangegeven op kaart 1 en 2 van het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021 ‘Wel goed water geven'.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ligging in voorkeursgebied nitraatrichtlijn Het project dient te liggen in stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter ‘stikstof-totaal' niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater (toestandbeoording voor N-totaal van ‘ontoereikend' of ‘slecht/voldoet niet'). Deze informatie is opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandbeoordeling. Deze zijn onderdeel van de partiële herziening van de Omgevingsvisie Overijssel voor de KRW en de Richtlijn Overstromingsrisico's (2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatieve karakter In hoeverre bevat het project voldoende vernieuwende aspecten of komt het al elders in Nederland (of daarbuiten) voor? Zo kan bijvoorbeeld als innovatief aangemerkt worden een veel toegepaste innovatie in een andere sector maar die nog nieuw is voor de agrarische sector (bijvoorbeeld een nieuwe app voor de landbouw). Qua proces kan gedacht worden aan een nieuwe vorm van communicatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.2.6 en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal punten voor het criterium uit: artikel 3.2.6 sub a. bedraagt maximaal 2 punten; artikel 3.2.6 sub b. bedraagt maximaal 15 punten; artikel 3.2.6 sub c. bedraagt maximaal 15 punten; artikel 3.2.6 sub d. bedraagt maximaal 5 punten; artikel 3.2.6 sub e. bedraagt 2 punten; artikel 3.2.6 sub f. bedraagt 4 punten; artikel 3.2.6 sub g. bedraagt maximaal 5 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 19 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria uit artikel 3.2.6 sub a. en g. dienen elk een minimumscore van 1 punt te behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingIn de openstelling is precies aangegeven welke termijn voor de indiening van aanvragen wordt gehanteerd. De start- en einddatum worden hierbij strikt in acht genomen. Na sluiting van de indieningstermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld en in een bepaalde rangorde op een lijst geplaatst. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat door de adviescommissie aan het project is toegekend. Voor elk project geldt dat een minimum aantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te selecteren. Als consequentie hiervan bestaat de mogelijkheid dat, indien binnen een tender het subsidieplafond wordt bereikt, de projecten met de lagere scores geen subsidie zullen ontvangen. Mocht het plafond niet worden bereikt dan worden alle projecten, die de minimumscore hebben behaald, gesubsidieerd. De systematiek staat het niet toe dat na sluiting van de indieningstermijn de aanvragen alsnog worden gewijzigd. Wij adviseren aanvragers de aanvragen minimaal veertien dagen vóór sluiting van de indieningstermijn in te dienen om eventuele wijzigingen en/of aanvullingen op eigen initiatief of op verzoek van RVO.nl te kunnen doorvoeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers dienen in aanvulling op artikel 1.23 bij de eerste aanvraag tot bevoorschotting op basis van realisatie de voor het project benodigde vergunningen te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties waterbeheer ToelichtingMet de ‘Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties' wordt fors ingezet op de kennisoverdracht met betrekking tot de verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op de kennisoverdracht met betrekking tot investeringen en samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. Alle investeringen en samenwerkingen dienen altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer. De stimulering van de kennisoverdracht kan bijdragen aan een versnelde uitvoering van innovatieprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is dat als uitvloeisel van de kennisoverdracht aansluiting wordt gezocht bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bijdragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige innovaties in landbouw en water. Deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Regeling Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties' is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit de Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties en/of het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties en modernisering, en de toepassing ervan te bevorderen rond één of meerdere van de volgende thema's: maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatadaptatie; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Het gaat om steun voor activiteiten gericht op meerdere landbouwers tegelijk. De activiteiten hebben een collectief karakter. Het gaat met name om activiteiten gericht op landbouwers, zoals trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstratieprojecten. Daarbij vindt kennisuitwisseling plaats rond een specifiek onderwerp. Het doel is om deze landbouwers te informeren over nieuwe kennis en innovaties in de landbouw die leiden tot toepassing ervan en bijdragen aan de verduurzaming van deze sector. Demonstratieactiviteiten vinden plaats op proefstations, agrarische bedrijven of elk willekeurige andere locatie waar nieuwe kennis kan worden gedemonstreerd, onder het motto ‘eerst zien dan geloven’. Het zal hier bijvoorbeeld gaan om demonstratievelden, nieuwe apparatuur en stalconcepten. In het kader van dit artikel komen ook activiteiten in aanmerking die betrekking hebben op de opzet en het in stand houden van studiegroepen waarbij een grote groep van landbouwers onderling en met adviseurs en andere partijen, waar nuttig, kennis en ervaring kunnen uitwisselen rond een specifiek thema of over een vakgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor het ontwikkelen van nieuwe kennis zijn in het kader van dit onderdeel van de regeling NIET subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert aan een groep van landbouwondernemers op het gebied van waterbeheer en daarvoor aantoonbaar voldoende is gekwalificeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie een omschrijving van de organisatie waaruit blijkt dat de organisatie beschikt over voldoende gekwalificeerd en getraind personeel om de activiteit uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het voornemen is om voor deelname aan een subsidiabele activiteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de subsidieaanvraag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het projectplan als bedoeld in artikel 1.7 lid 2 sub f. dient als zelfstandig leesbaar document te worden toegevoegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingAanvragers dienen aan te tonen te beschikken over voldoende en adequate personele capaciteit (eigen personeel of inhuur) voor het verlenen van de kennisoverdrachtdiensten. Dit dient te worden aangetoond door het bij de aanvraag aanleveren van een overzicht van relevante referentieprojecten, en de daarbij betrokken en in het subsidieproject in te zetten medewerkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig leesbaar betekent dat zonder naar bijlagen te verwijzen hetgeen onder artikel 1.7 lid 2 sub f. i tot en met sub f. vi gevraagde duidelijk moet zijn. Voor het projectplan wordt een format beschikbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor de inzet van procesbegeleiders en adviseurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaalkosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van ruimten en gebruik bijbehorende faciliteiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van drukwerk, mailings en de inrichting van websites gekoppeld aan de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van koop of huurkoop van fysieke investeringen die noodzakelijk zijn bij demonstratieactiviteiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor projectmanagement en projectadministratie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verrekenbare of niet compensabele BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingBij afschrijvingskosten gaat het om machines en installaties die voor het project worden ingezet. Het berekenen van de afschrijving gaat middels de Lineaire afschrijvingsmethode:</p>\n<p class=\"lf-p\">De lineaire afschrijvingsmethode is een eenvoudige methode om de afschrijvingskosten te bepalen. De aanschafwaarde van de investering wordt verminderd met de restwaarde en de uitkomst hiervan gedeeld door de levensduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanschafkosten €30.000,- Gebruiksduur 3 jaar Restwaarde €24.000,- Afschrijvingskosten: €30.000,- minus €24.000 / 3 jaar is €2.000,- per jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 zijn de navolgende kosten niet subsidiabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis; kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidiabele activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen: de realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW): doelen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen. doelen tot het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel; de realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn; zoals blijkt uit de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling, die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.</div>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDe investeringen dienen een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van de doelen uit de Kader Richtlijn Water (KRW): die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen; het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel;</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland zoals opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaderrichtlijn WaterWatersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel hanteert de volgende ambities:</p>\n<p class=\"lf-p\">Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit);</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).</p>\n<p class=\"lf-p\">De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconsolideerde versie omgevingsvisie: http://www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/, onder downloads en links.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbijlage: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/waterbijlage_omgevingsvisie_deel_4_geconsolideerde_versie_21_oktober_2015.pdf Factsheets: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/appendix_bij_waterbijlage_omgevingsvisie_overijssel_factsheets_met_toelichting_21_oktober_2015_gecon.pdf Zoetwatervoorziening Oost-NederlandIn ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde \"sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren\" weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure \" Wel goed water geven\" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">NitraatBeperken van het nitraatgehalte in grond- en oppervlaktewater is een doel van de Kaderrichtlijn Water en van een duurzame drinkwatervoorziening. De Kaderrichtlijn Water is hierboven toegelicht. Nitraat is één van de kwaliteitsparameters die in de factsheets per waterlichaam terug te vinden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de drinkwatervoorziening zijn gebiedsdossiers gemaakt voor alle 24 Overijsselse drinkwaterwinningen. Uit deze gebiedsdossiers blijkt dat in 5 kwetsbare winningen nitraat als probleem wordt aangemerkt. Hoewel het mestbeleid sinds de 80'er jaren sterk gericht is op verlaging van de stikstofbelasting, vormt nitraat nog steeds een probleem omdat het langzaam naar het diepere grondwater zakt. Uit metingen in de jaren 2000 t/m 2014 blijkt dat er jaarlijks bij 3-5 drinkwaterwinningen in Overijssel de nitraatnorm van 50 mg/l in het opgepompte water wordt overschreden. Voor dergelijk water geldt een extra zuiveringsinspanning om kraanwater te kunnen leveren dat voldoet aan de gezondheidseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsdossiers zijn te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/gebiedsdossiers/.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Rangschikking</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van de volgende criteria: de effectiviteit van de activiteit: daarbij wordt gelet op de bijdrage die het project levert aan het bereiken van de beleidsdoelstelling zoals beschreven in artikel 3.3.7, (zie toelichting, onder a.), naar het bereik van de activiteit (zie toelichting, onder b.) en naar de borging van de aangeboden kennis (zie toelichting, onder c.). de kans op succes/haalbaarheid van het project: dit wordt in gelijke mate beïnvloed door de kwaliteit van de aanbieder van de kennis (zie toelichting, onder a.), de kwaliteit van het projectplan (zie toelichting, onder b.) en de mate waarin de deelnemers uitgedaagd worden om de geleerde kennis in de praktijk toe te passen (zie toelichting, onder c.); de mate van innovativiteit van de activiteit: hierbij wordt in samenhang gekeken naar de aard van de innovatieve kennis en het vernieuwende karakter van de innovatieve kennis. Dit wordt bepaald door de bijdrage die het project levert aan het bereiken van de beleidsdoelstelling, het bereik van de activiteit en de wijze waarop en de mate waarin toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd (zie toelichting); de mate van efficiëntie: gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen) (zie toelichting).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvragen worden gerangschikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.15a.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij gelijke score worden de scores van betreffende projecten op het hoogst gewaardeerde criterium of de hoogst gewaardeerde criteria bezien. Wanneer de betreffende projecten hierop gelijk scoren wordt gekeken naar het op één na hoogst gewaardeerde criterium of de op één na hoogst gewaardeerde criteria om de rangschikking te kunnen bepalen. Wanneer daarna nog geen onderscheid te maken is, dan wordt tussen de betreffende projecten geloot.</div>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingSelectiecriterium Weging Te behalen punten Te behalen minimumscore 1 Effectiviteit 3 0 - 5 27 punten van maximaal 45 punten 2 Kans op succes/haalbaarheid 3 0 - 5 3 Mate van innovativiteit 1 0 - 5 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van efficiëntie 2 0 - 5 Effectiviteit de bijdrage die het project levert aan het bereiken van de beleidsdoelstelling / mate waarin de activiteit bijdraagt aan het doel van de Openstelling; bereik van de activiteit. Hierbij wordt gekeken naar: aantal bijeenkomsten, aantal vervolgbijeenkomsten per individuele deelnemer, aantal deelnemers, breedte van de doelgroep van de specifieke actie of acties, aantal contacturen per deelnemer wijze waarop en mate waarin (blijvende) toepassing van de aangeboden kennis wordt geborgd Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, er kunnen maximaal 5 punten voor worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De effectiviteit is gerelateerd aan de doelstelling van de openstelling. Bij de bepaling wat de bijdrage is die het ingediende project aan de doelstelling van de openstelling levert zal worden gelet op de volgende aspecten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de gevraagde subsidie wordt bij de beoordeling van de effectiviteit in ogenschouw genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score0 punten: Zeer geringe bijdrage Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt: Geringe bijdrage Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: Matige bijdrage Het project draagt matig bij aan het criterium. Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: Voldoende bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: Goede bijdrage De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten: Zeer goede bijdrage Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kans op succes/haalbaarheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit criterium heeft een wegingsfactor 3, er kunnen maximaal 5 punten voor worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kans op succes wordt bij kennisoverdrachtsacties door verschillende aspecten beïnvloed. Deze aspecten zullen in samenhang worden bezien. Er zal in gelijke mate worden getoetst op: de kwaliteit van de aanbieder van de kennis. De volgende aspecten worden daarbij bezien: de aanbieder moet aantoonbaar gekwalificeerd zijn voor het werk; mate waarin de aanbieder – gelet op kennis, ervaring en netwerk van de docenten – kennis en ervaring inbrengt om de specifieke kennisoverdrachtsactie bedoeld in de openstelling te kunnen verzorgen. de kwaliteit van het projectplan. Hierbij wordt gekeken naar: hoe realistisch is het plan; zijn relevante partijen bij de ontwikkeling van de kennisoverdrachtsactie betrokken; kent het project een realistische planning, opzet en begroting; zijn risico’s geïdentificeerd en gereduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate waarin uit het projectplan blijkt dat deelnemers uitgedaagd worden om de geleerde kennis daadwerkelijk in de praktijk toe te gaan en blijven passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Score0 punten: Zeer geringe bijdrage Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt: Geringe bijdrage Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: Matige bijdrage Het project draagt matig bij aan het criterium. Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: Voldoende bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: Goede bijdrage De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten: Zeer goede bijdrage Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van innovativiteit Dit criterium heeft een wegingsfactor 1, er kunnen maximaal 5 punten voor worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deze maatregel wordt het begrip ‘innovativiteit’ relatief breed uitgelegd. Iets kan landelijk of wereldwijd gezien niet innovatief zijn, maar wel innovatief zijn binnen de provincie, sector of zelfs het bedrijf waar de nieuwe kennis toegepast gaat worden. Iets dat binnen een bepaalde provincie of sector al heel breed toegepast wordt, hoeft echter niet specifiek gestimuleerd te worden. Ook bestaande kennis die nog niet veel toegepast wordt, maar waarvan toepassing beleidsmatig wel wenselijk is, kan een ‘innovatieve kennisoverdrachtsactie’ zijn. Aanvragers dienen in de aanvraag onderbouwd aan te tonen wat het gebruik van de aangeboden kennis door bedrijven vergelijkbaar met de doelgroep van de actie in de provincie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de mate van innovativiteit te beoordelen wordt in samenhang gekeken naar: de aard van de innovatieve kennis het vernieuwende karakter van de innovatieve kennis Score0 punten: Zeer geringe bijdrage Het project draagt slechts in zeer geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel waterbesparende maatregelen te stimuleren, waar subsidie wordt gevraagd voor één enkele regenton.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt: Geringe bijdrage Het project draagt in geringe mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met als doel de vermindering van emissies van milieubelastende stoffen, waar een aanzienlijke subsidie wordt gevraagd voor een investering waarbij de emissies iets verminderen, maar de emissies nog substantieel blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten: Matige bijdrage Het project draagt matig bij aan het criterium. Bijvoorbeeld omdat het project vergelijkbaar is met een eerder uitgevoerd project (in dezelfde regio) en slechts een beperkt effect op het criterium heeft. De aanvrager maakt bovendien weinig gebruik van de ervaringen uit het eerdere project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten: Voldoende bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt in voldoende mate bij aan het criterium. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een geringer grondstoffen gebruik als doel, waar subsidie wordt gevraagd voor een investering waardoor een grondstof (bv. fosfaat) nog wel nodig is, maar – gelet op de projectkosten - wel aanzienlijk minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten: Goede bijdrage De bijdrage van het project aan het criterium is goed. Bijvoorbeeld bij een openstelling met een meer gesloten kringloop als doel, waar een relatief beperkte subsidie wordt gevraagd terwijl het project er toe leidt dat de kringloop op bedrijfsniveau vrijwel volledig gesloten wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten: Zeer goede bijdrage Een project scoort zeer goed op het criterium als de bijdrage van een project meer is dan redelijkerwijs van een project verwacht mag worden. Bijvoorbeeld een project sluit meerdere kringlopen, waardoor er een bepaalde grondstof niet meer nodig is en er ook geen emissies van milieubelastende stoffen meer plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van efficiëntie Dit criterium heeft een wegingsfactor 2. Er zijn maximaal 5 punten te behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">0 punten = Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet. De opgevoerde projectkosten zijn te hoog. Er wordt geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager gaat opnieuw het wiel uitvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 punt = gering. De opgevoerde kosten en inzet middelen zijn onvoldoende doelmatig. Opgevoerde projectkosten zijn hoog. De aanvrager geeft wel blijk van kennis van bestaande kennis en kunde, maar gebruikt die kennis niet of nauwelijks bij de uitvoering van het project. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs in plaats van de bestaande kennis en kunde te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 punten = matig. Doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is matig. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan. De opgevoerde projectkosten zijn matig hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 punten= voldoende. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en middelen is voldoende. De opgevoerde projectkosten zijn redelijk. De bestaande kennis en kunde is in kaart gebracht en is gebruikt voor de basis van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 punten = goed. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten is goed, ze staan in goede verhouding tot het doel van de subsidie. Het project wordt efficiënt uitgevoerd. De aanvrager maakt ook tijdens de uitvoering van het project gebruik van de bestaande kennis en kunde, bijvoorbeeld als toetsingsmoment.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 punten = zeer goed. De opgevoerde kosten zijn zeer doelmatig, de opgevoerde kosten zijn zeer redelijk en er wordt op een zeer goede manier gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde. De aanvrager maakt zeer goed gebruik van bestaande kennis en kunde. Bijvoorbeeld van innovaties heeft de aanvrager eerdere vergelijkbare innovaties in kaart gebracht en bouwt daar op voort. Het is voor de aanvrager helder waarom de eerdere projecten zijn misgelopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Puntenmethodiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na sluiting van de indieningtermijn worden alle aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld op basis van de selectiecriteria uit artikel 3.3.8 lid 1 en conform artikel 3.3.8 lid 2 op een prioriteitenlijst gerangschikt. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal punten voor het criterium uit: artikel 3.3.8 lid 1 sub a. bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.3.8 lid 1 sub b. bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 3; artikel 3.3.8 lid 1 sub c. bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 1; artikel 3.3.8 lid 1 sub d. bedraagt 0 tot en met 5 punten; wegingsfactor 2;</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten dienen een minimumscore van 27 punten te behalen om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting op basis van realisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.23 kan maximaal twee keer per kalenderjaar een aanvraag om een voorschot op basis van realisatie worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 lid 2 bestaan de in deze regeling opgenomen subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien na de inhoudelijke beoordeling blijkt dat de te verlenen subsidie lager is dan € 40.000,-.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het geval het subsidieplafond wordt overschreden door een aanvraag, waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, wijzen Gedeputeerde Staten de gehele aanvraag af.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.4Regeling Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers ToelichtingVoor boeren in Nederland is het een grote uitdaging om rendement en duurzaam produceren (rekening houdend met milieu, klimaatbestendigheid, dierwelzijn, diergezondheid/volksgezondheid, biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit) met elkaar te combineren. De meeste boeren hebben voldoende rendement om daarin voortdurend te investeren. Voor jonge boeren levert dan na start of overname van een bedrijf vaak problemen op, ze hebben dan vanwege hoge investeringslasten te maken met een investeringsdip. Daardoor blijven zij achter met verduurzaming van hun bedrijven. Ook blijken ze te kampen met hogere financieringslasten die vaak het gevolg zijn van recente overname of start van het bedrijf. Om deze reden willen wij juist deze specifieke groep van jonge boeren steunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is een ontwikkeling dat boeren op steeds hogere leeftijd pas een eigen bedrijf starten of overnemen. Dit vinden we een ongewenste ontwikkeling omdat ondernemers hiermee langer afhankelijk blijven van hun voorgangers -meestal hun ouders- waardoor een kortere periode resteert om het bedrijf te moderniseren, de aflossingstermijn van de investeringen wordt immers sterk bekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze regeling willen we jonge boeren stimuleren om duurzaam te investeren in hun bedrijf. Het zal voornamelijk gaan om de aanschaf van modernere installaties en machines waarmee de jonge landbouwer een achterstand kan inlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervanging door dezelfde goederen die al op het bedrijf aanwezig waren, komen niet in aanmerking. De modernisering moet bijdragen aan verbetering van het milieu, klimaatbestendigheid, dierenwelzijn, volks- en diergezondheid, landschap/ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit. Investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op verbetering van de rentabiliteit van bedrijven komen niet in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Lijst van investeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst (zie Bijlage 1) op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die slechts of hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit van een landbouwbedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 3.4.1. (zie Bijlage 1 Lijst van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien: de investering op eigen grond van het landbouwbedrijf plaats vindt; of er voor de investering het recht van opstal is verleend indien een derde eigenaar is van de grond waarop de investering plaats vindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Begunstigden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding afgerond heeft of over ten minste drie jaar werkervaring op een landbouwbedrijf beschikt en die: zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt; en hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico's worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer: op basis van de statuten of een schriftelijke door alle maten of vennoten ondertekende overeenkomst tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-; en ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien: de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het betreffende landbouwbedrijf is; of de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan worden opgezegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor landbouwproductie, wordt in afwijking van het tweede lid subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om subsidie: de gemaakte keuze voor de wijze waarop de subsidie berekend wordt;</p>\n<p class=\"lf-p\">KvK nummer van het landbouwbedrijf; de notariële akte van overdracht van aandelen of van de oprichting van de bv en het aandelenregister of de door alle maten getekende maatschapakte met vermelding van alle maten; een projectplan als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid onder f, waarin opgenomen een beschrijving van de investeringen per categorie waaruit blijkt dat de betreffende investering voldoet aan de omschrijving van de categorie genoemd in de lijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden bevat de aanvraag om subsidie tevens een accountantsverklaring. De accountantsverklaring betreft een rapport van feitelijke bevindingen (COS 4400) over gegevens van het eigen vermogen van de onderneming en de verdeling daarvan onder de bedrijfshoofden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De peildatum voor de in het tweede lid genoemde accountantsverklaring is of 31 december 2016 of 30 april 2017 of 30 juni 2017.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag om subsidie kan maximaal betrekking hebben op drie investeringscategorieën.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.Per landbouwbedrijf wordt slechts één aanvraag om subsidie in behandeling genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDe aanvrager kan gebruik maken van een accountantsverklaring, een zogenoemd rapport van feitelijke bevindingen (COS 4400) over gegevens van het eigen vermogen van de onderneming en de verdeling daarvan onder de bedrijfshoofden. De aanvrager kan kiezen welke datum als peildatum voor de opstelling van deze accountantsverklaring wordt aangehouden. De keuzemogelijkheden voor deze datum zijn 31 december 2016 of 30 april 2017 of 30 juni 2017.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.4a</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 1.17 eerste lid onder e is de subsidieontvanger niet verplicht om binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking te starten met de uitvoering van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.17 eerste lid onder h is de subsidieontvanger niet verplicht om een maal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van de artikelen 1.23 en 1.25 verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien er op grond van deze paragraaf reeds subsidie is verstrekt voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6 paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit reeds een subsidie is verstrekt aan de aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor wordt verstrekt voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van architecten en ingenieurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van adviseurs duurzaamheid op milieu en economisch gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van haalbaarheidsstudies.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien er naast jonge landbouwers ook niet- jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn in het landbouwbedrijf wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet- jonge landbouwer. De verlaging bedraagt maximaal 80%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de onderneming, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid , 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge landbouwers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien de subsidie wordt verlaagd op basis van het aantal niet-jonge landbouwers als bedoeld in artikel 3.4.7 lid 2 van de regeling wordt de subsidie verlaagd op basis van het aantal niet-jonge landbouwers ten tijde van de aanvraag om subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien de subsidie wordt berekend op basis van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 3.4.7 lid 3 van de regeling wordt de subsidie berekend op basis van het aandeel van het eigen vermogen ten tijde van de aanvraag om subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Rangschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst als bedoeld in artikel 3.4.1 een punten aantal vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 het punten aantal als bedoeld in het eerste lid en rangschikken op basis van het gemiddelde van de investeringscategorieën.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben verkregen en hun plaats in de rangschikking is zodanig dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.5Regeling Samenwerking voor innovaties (water) ToelichtingMet de ‘Regeling Samenwerking voor innovaties (water)' wordt fors ingezet op het middels samenwerking verbeteren van de waterkwaliteit, vergroting van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en vermindering van schade door vochttekorten in Overijssel met gebruikmaking van innovatieve methoden, producten en/of technieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is gericht op samenwerkingsverbanden in het landelijk gebied die op een innovatieve wijze werken aan een project die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze regeling is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Overijssel, ook in gebieden met een meer intensieve landbouw die gekenmerkt worden door een lage waterkwaliteit en een daaruit voortvloeiende lage ecologische kwaliteit. De activiteit dient altijd een aangetoonde link met de landbouw te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de innovatie in de landbouw en het waterbeheer is het van belang dat de landbouwsector samen met de waterschappen gaat werken aan het realiseren van de waterdoelen binnen projecten die een integrale insteek hebben. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan gebiedsbrede aanpak waarbij meerdere agrariërs samenwerken ter ontwikkeling of uitvoering van innovatieve manieren om de milieubelasting te verminderen of projecten waarbij een combinatie van maatregelen uit de BOOT-lijst integraal worden opgepakt. De BOOT-lijst is te vinden op http://agrarischwaterbeheer.nl/content/agrarisch-waterbeheer en http://agrarischwaterbeheer.nl/document/boot-lijst-maatregelen-agrarisch-waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt op innovaties, waarbij verschillende wateropgaven worden geïntegreerd (zoals Schoon en Voldoende water). Hiermee kan de toepassing van nieuwe technieken en methodes, die nog niet vermeld staan op de BOOT-lijst, de ruimte krijgen. Verder valt onder de innovatie in de landbouw en water ook initiatieven die bestaande technieken en ideeën verbeteren. Kort samengevat vinden wij de volgende van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatie en samenwerking (meer eigen verantwoordelijkheid, innovatie, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe meer gebiedsgerichte maatregelen er zijn hoe meer punten men scoort (het verdient niet de voorkeur om subsidie te verstrekken aan individuele agrariërs, de voorkeur is voor gebiedsgerichte aanpak of gezamenlijke (studie)projecten). Subsidieverstrekking aan individuele agrariërs wordt evenwel niet uitgesloten, dit ter beoordeling door de individuele waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenwettelijke maatregelen (geen subsidie voor gangbare werkwijzen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer project onderdeel is van een groter programma scoort het hoger (extra score).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is aansluiting te zoeken bij het waterbeheerprogramma van het waterschap of de waterschappen waarbinnen het projectgebied valt. In hoofdlijnen zijn de doelen van de waterbeheerprogramma's en de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoende Water (Waterkwantiteit). Vooral maatregelen die in samenhang, op gebiedsniveau worden ontwikkeld en uitgevoerd passen hierbij. De essentie van de innovatie zit hierbij dan in de verkenning en praktisch vormgeven van de veranderende rol van de overheid (adviserend/kader stellend) en de agrariër (zelf verantwoordelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoon Water (Waterkwaliteit). Net als bij het thema voldoende water zit de innovatie niet in het sec toepassen van de genoemde maatregelen maar hoe met deze maatregelen door een innovatieve inzet bij dragen aan de doelen van de agrariër en het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klimaat doelstellingen. De maatregelen dienen te leiden tot een vergroting van de regionale (grond)watervoorraad én vermindering van schade door vochttekorten voor natuur en/of landbouw, zoals vastgelegd in de / Waterprogramma's van de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige innovaties in landbouw en water. In deze categorie overige/ diversen richt zich op alles met een innovatief karakter, slim combineren, verbeteren van techniek, bredere uitrol en wat op dit moment nog niet bekend is, maar wel bijdraagt aan waterdoelen en goede landbouwpraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regeling Samenwerking voor innovatie is een nadere invulling van de algemene bepalingen uit provinciale Regeling POP3 subsidies Overijssel. Aanvragen dienen dan ook te voldoen aan de criteria uit beide regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap. Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen worden getoetst op hun bijdrage aan de regionale waterbeheerplannen en moeten voldoen aan alle toepasselijke wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de subsidiabele kosten kan de aankoop van grond zijn. In dat geval zijn de voorwaarden uit artikel 1.10 van de Regeling POP3 subsidies provincie Overijssel onverkort van toepassing. Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering' van de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands installaties, bedraagt dit maximaal de marktwaarde van de activa.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verstrekt voor: de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband of; gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie of; uitvoering van een innovatieproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De activiteiten zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie in het kader van één of meerdere van de volgende thema's: maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatadaptatie; behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit gericht op het waterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De activiteit heeft betrekking op de voortbrenging van landbouwproducten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingIn het kader van deze openstelling streeft de provincie naar grotere integrale projecten, die gericht zijn op zowel het oprichten van een projectmatig samenwerkingsverband, het formuleren van een op innovatie gericht projectplan als het uitvoering van het innovatieve projectplan. Daarom kan bij 3.5.1 lid 1 subsidie worden verstrekt voor al deze verschillende onderdelen van een innovatief samenwerkingsverband en is er bij artikel 3.5.6 voor gekozen om een breed spectrum aan subsidiabele kosten op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten hebben betrekking op de voortbrenging van landbouwproducten. Een definitie van landbouwproducten is: \"De voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden\" (Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap artikel 38, eerste lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenwerkingsverband</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bestaat het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.5.1 eerste lid, uit tenminste twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de projectaanvraag en bevat tenminste één landbouwer of een organisatie die hem vertegenwoordigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenwerkingsverband of De penvoerder van het samenwerkingsverband in oprichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie:</div>\n<p class=\"lf-p\">Een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het projectplan als bedoeld in artikel 1.7 lid 2 sub f. dient als zelfstandig leesbaar document te worden toegevoegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Zelfstandig leesbaar betekent dat zonder naar bijlagen te verwijzen hetgeen onder artikel 1.7 lid 2 sub f.i tot en met sub f.vi gevraagde duidelijk moet zijn. Voor het projectplan wordt een format beschikbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 2 van deze regeling (LEADER) subsidie is verstrekt; voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten; indien steun niet wordt aangevraagd voor een proefproject of de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen of technieken in de landbouw- de voedings- of de bosbouwsector; indien de aanvraag niet wordt gedaan door een pas opgericht samenwerkingsverband of netwerk of het niet gaat om een activiteit die nieuw is voor een reeds bestaand samenwerkingsverband of netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Op lid c: Indien het gaat om uitrol van innovatie, waarbij ook al in andere gebieden uitrol heeft plaatsgevonden (door een ander samenwerkingsverband) dient aanvrager duidelijk de meerwaarde van deze nieuwe uitrol in de nieuwe regio, en de nieuwe samenwerking te beschrijven in het projectplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor het werven van deelnemers en het schrijven van een projectplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van tweedehands zaken tot maximaal de marktwaarde;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Haalbaarheidsstudies;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;</p>\n<p class=\"lf-p\">Personeelskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van een innovatie in de praktijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verrekenbare of niet compensabele BTW;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijdragen in natura, voor zover dit inbreng eigen arbeid betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:Kosten voor de oprichting van een samenwerking en projectplan hebben betrekking op de oprichting van een samenwerkingsverband en het maken van een projectplan. Dus voordat het project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Kosten voor samenwerking en kennisverspreiding hebben betrekking op kosten die tijdens het project worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub b. en sub c., en sub k.;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub d. tot en met sub n., voor zover het kosten van niet-productieve investeringen betreft;</p>\n<p class=\"lf-p\">40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub d. tot en met sub n., voor zover het kosten van productieve investeringen betreft;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 3.5.6 onder sub a. en sub k. voor zover het kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingDe hoogte van de subsidie zoals in 3.5.7 weergegeven bestaat volledig uit EU-middelen (ELFPO), er is dus geen spraken van nationale (overheids)cofinanciering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciale doelen en criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De activiteit dient op een innovatieve manier vanuit de landbouw via een projectmatig samenwerkingsverband een bijdrage te leveren aan één of meer van de volgende doelen: het verbeteren van de waterkwaliteit, zoals beschreven in de Kader Richtlijn Water (KRW): deze zijn voor het oppervlaktewater uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de bijbehorende factsheets van de KRW-waterlichamen in Overijssel; voor grondwater geeft Overijssel prioriteit aan het verminderen van de risico's voor een duurzaam veilige drinkwatervoorziening zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel; het vergroten van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten. Voor Oost Nederland zijn de hierbij behorende doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland opgenomen in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021. Gebieden die liggen in een voorkeursgebied klimaat hebben daarbij extra prioriteit. Deze voorkeursgebieden zijn aangegeven op kaart 1 en 2 in \"Wel goed water geven\", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021; de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn. Hierbij hebben stroomgebieden van die KRW-waterlichamen, waar de parameter \"stikstof totaal\" niet voldoet aan de norm voor grond- en oppervlaktewater, extra prioriteit. Deze parameter is per waterlichaam opgenomen in de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling. Die factsheets zijn onderdeel van de Omgevingsvisie Overijssel.</div>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingKaderrichtlijn WaterWatersystemen met goede ecologische en -chemische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt ons nu maatregelen te nemen en ons voor te bereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel hanteert de volgende ambities:</p>\n<p class=\"lf-p\">Optimale watercondities - zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit - voor landbouw, wonen, natuur en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrouwbare drinkwatervoorziening (zowel kwaliteit als kwantiteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereid zijn op lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte).</p>\n<p class=\"lf-p\">De KRW doelen voor Overijssel zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel, inclusief de bijbehorende factsheets van de KRW-lichamen. De geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie van Overijssel bevat de uitwerking van de doelen en ambities voor de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2016-2021. De ambities en uitwerking zijn te vinden in paragraaf 4.6 en de waterbijlage. De factsheets van de waterlichamen bevatten een analyse van de toestand en trend van de KRW-kwaliteitsparameters en de voorgenomen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconsolideerde versie omgevingsvisie: http://www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/, onder downloads en links.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbijlage: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/waterbijlage_omgevingsvisie_deel_4_geconsolideerde_versie_21_oktober_2015.pdf Factsheets: http://www.overijssel.nl/publish/pages/88827/appendix_bij_waterbijlage_omgevingsvisie_overijssel_factsheets_met_toelichting_21_oktober_2015_gecon.pdf Zoetwatervoorziening Oost-NederlandIn ons waterbeheer zoeken we al eeuwenlang naar een balans tussen teveel en te weinig water. Die balans is aan het veranderen: lag de nadruk in het verleden op het zo snel mogelijk afvoeren van een teveel aan water, steeds vaker is er sprake van droogteschade door een tekort aan water. De uitdaging is om water op het goede moment vast te houden en daarna te benutten, zonder dat dit leidt tot een substantiële toename van wateroverlast. En dat terwijl door klimaatverandering de kans op wateroverlast eerder toe- dan afneemt. Dat vraagt om een nieuwe zoetwaterstrategie en een robuuster watersysteem dat een grotere bandbreedte van weersextremen aankan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van de zoetwatervoorziening kan in de volgorde \"sparen, aanvoeren, accepteren/adapteren weergegeven worden. Spaarzaam watergebruik en lokale zelfvoorzienendheid zijn het startpunt, aanvoer van water uit hoofdwatersysteem en/of grondwatervoorraad is aanvullend en soms zal een tekort aan zoetwater moeten worden geaccepteerd. De drie stappen zijn bij concrete keuzes tegelijk aan de orde. Daarbij passen we ons steeds aan aan zich wijzigende omstandigheden. De tijdhorizon van de strategie ligt op 2028 (korte termijn) en 2050 (middellange termijn). Tot die tijd is planvorming nog realistisch. Ook sluit deze termijn aan bij gebruikelijke termijnen voor ruimtelijke plannen en gebiedsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen tijd is op basis van onderzoek en gebiedskennis een dertigtal kansrijke maatregelen in beeld gebracht, waaronder verbeteren van de bodemstructuur, opzetten van het peil voorafgaand aan een periode van droogte en verhogen van de grondwaterstand in combinatie met peilgestuurde drainage, alsmede groen-blauwe structuren in stedelijk gebied en het omzetten van naaldbos in loofbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrondinformatie over de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland is te vinden op http://www.overijssel.nl/thema's/water/waterprojecten/zoetwatervoorziening/. Hier staan koppelingen naar het werkprogramma, de brochure \"wel goed water geven\" met voorbeelden van concrete projecten en maatregelen en verdere ondersteunende documenten.</p></div>", "next": 239808}