{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3;10 eerste lid onder b niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Straatprostitutie en Sekswinkels</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Sekswinkels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-16-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:16</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit: het Activiteitenbesluit Milieubeheer; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; geluidsgevoelige ruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet Geluidhinder verblijfsruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel: dagperiode (07.00-19.00 uur) avondperiode (19.00-23.00 uur) nachtperiode (23.00-01.00/02.00 uur) LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 65 dB(A) 60 dB(A) 55 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A) 7.De geluidsnorm, als bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5: uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt; uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college stelt nadere regels voor het doen van de kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel: dagperiode (07.00-19.00 uur) avondperiode (19.00-23.00 uur) nachtperiode (23.00-01.00/02.00 uur) LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 65 dB(A) 60 dB(A) 55 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A) 5.De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening: uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt; uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidsplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gelet op artikel 2.18, eerste lid onder f en krachtens artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt onversterkte muziek tussen 19.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting en zijn de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit onverminderd van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Maximaal 2 uur per week, gedurende één avond, is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in het bebouwde deel van een inrichting tijdens de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) uitgezonderd van het gestelde in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan voor het gestelde in het eerste lid ontheffing verlenen. Het college kan aan deze ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale Milieuverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5b-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5b</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5c-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5c</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5d-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5d</span><span class=\"lf-art-t\">Routering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:5e, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5e-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5e</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden c.q. bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten op het bouwterrein na 19.00 uur en vóór 07.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Mosquito</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder mosquito wordt verstaan: een apparaat dat een vooral voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6b-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6b</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod oplaten ballonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon bedoeld voor personenvervoer.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-10-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat: één of meerstammig kan zijn, waarbij ingeval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds vertakken; een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van minimaal 10 centimeter, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. houtopstand: één of meer bomen en/of knotbomen, hakhout of een houtwal; hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; knotboom: periodiek tot op de stam teruggezette boom; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 sub a. van de Wet natuurbescherming; boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen (NVTB). vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.11d; achtertuinen niet groter dan 120 m2; voortuinen niet groter dan 20m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411b-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11b</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden verlenen, in het belang van: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411c-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11c</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële compensatie worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411d-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11d</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411e-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11e</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kan het college van burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekennen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11f-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11f</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding ziekte houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij aangegeven termijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11g-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11g</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding watermerkziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11h-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11h</span><span class=\"lf-art-t\">Afstand tot de erfgrens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor bomen, heesters en heggen op een openbare weg of langs openbaar water wordt de afstand tot de grenslijn van een anders erf, in afwijking van de afstanden genoemd in artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor bomen vastgesteld op 0,5 meter en voor heesters en heggen op nihil.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning van rechtswege</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervaltermijn vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13a</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of een Provinciaal wegenreglement van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit Milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lichtreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Parkeerexcessen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen; opgenomen in artikel 1:1)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</p>\n<p class=\"lf-p\">3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig te parkeren op de weg met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte en/of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid onder a gestelde verbod geldt niet van 1 juli tot 1 september.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen: van het in het eerste lid onder a gestelde verbod voor de overige maanden dan die genoemd in het tweede lid; van het in het eerste lid onder c gestelde verbod 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland of de Provinciale landschapsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6a-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 5:6 is het de eigenaar of houder van een geheel of ten dele voor recreatie bestemd voertuig of een aanhangwagen verboden deze te parkeren in een parkeerschijfzone, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, gedurende het (de) daarop aangegeven tijdvak(ken).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9a-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren anders dan op de rijbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op door het college, in het belang van het beheer van de openbare ruimte, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorwaarden plaatsvindt; door een andere, door het college aangewezen instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan bij het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Venten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en/of in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Venten en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorts is het verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag voor 9.00 uur en na 22.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17-400\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten , gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-401\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-402\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20-403\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22-404\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7 Evenementen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23-405\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7 Evenementen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6. Openbaar water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24-406\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Havenbeheersverordening gemeente Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-407\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het tweede lid aangewezen gebieden: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Havenverordening Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-408\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het krachtens het derde lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27-409\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26 tweede lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Waterwet, de Havenbeheersverordening gemeente Maassluis, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemmen in openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- en milieuwaarden; de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en fietsers of voor berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die zijn gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen binnen de bij of krachtens de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij het gestelde onder het vierde lid onder a. geldt voor ruiters dat de paarden voorzien moeten zijn van een uitwerpselen-opvangzak. De uitzonderingen zoals gesteld in het derde lid zijn hierbij van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming van de woon- en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9. Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledenen of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1 - samenscholing en ongeregeldheden artikel 2:1a - aanwijzing overlastgebied artikel 2:1b - wijkverbod artikel 2.1d - woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet artikel 2:3 - kennisgeving betogingen op openbare plaatsen artikel 2:6 - beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen artikel 2:9 - straatartiest en dergelijke artikel 2:10 - voorwerpen of stoffen aan, op, in of m.u.v. lid 2 boven een openbare plaats artikel 2:14 - winkelwagentjes artikel 2:15 - hinderlijke beplanting of voorwerp artikel 2:16 - openen straatkolken en dergelijke artikel 2:17 - kelderingangen en dergelijke artikel 2:19 - gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats artikel 2:20 - vallende voorwerpen artikel 2:20a - dragen gevaarlijke voorwerpen artikel 2:21 - voorzieningen voor verkeer en verlichting artikel 2:23 - veiligheid op het ijs artikel 2:23a - verbod op slapen op of aan de weg artikel 2:25 - evenementenvergunning artikel 2:25a - 0-evenementen artikel 2:26 - ordeverstoring artikel 2:26a - openbare orde en veiligheid artikel 2:28 - (tijdelijke) exploitatievergunning horecabedrijf artikel 2:28a - Vrijstelling vergunningplicht artikel 2:28b - eisen exploitant en leidinggevende artikel 2:28e - opheffing vergunningplicht artikel 2:29 - sluitingstijden artikel 2:31 - aanwezigheid in gesloten horecabedrijf artikel 2:31a - glazen drinkgerei artikel 2.32 - handel in horecabedrijven artikel 2:33 - ordeverstoring artikel 2:36 - kennisgeving exploitatie artikel 2:37 - nachtregister artikel 2:38 - verschaffen gegevens nachtregister artikel 2:40 - vergunning exploitatie bedrijf artikel 2:40b - tijdelijke sluiting artikel 2:40c - aanwezigheid exploitant en beheerder artikel 2:41 - betreden gesloten woning of lokaal artikel 2:42 - plakken en kladden artikel 2:42a - graffiti artikel 2:43 - vervoer plakgereedschap en dergelijke artikel 2:44 - vervoer inbrekerswerktuigen artikel 2:47 - hinderlijke gedrag op of aan een openbare plaats artikel 2:47a - hinderlijk voetballen en dergelijke artikel 2:48 - verboden drankgebruik artikel 2:49 - verboden gedrag bij of in gebouwen artikel 2:50 - hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten artikel 2:51 - hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 2:52 - overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d artikel 2:53 - bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen artikel 2:54 - bewakingsapparatuur artikel 2:57 - loslopende honden artikel 2:58 - overlast/verontreiniging door honden artikel 2:59 - gevaarlijke honden artikel 2:59a - gevaarlijke honden op eigen terrein artikel 2:60 - houden van hinderlijke of schadelijke dieren artikel 2:72 - ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen artikel 2:73 - bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling artikel 2:73a - carbidschieten artikel 2:74 - drugshandel op een openbare plaats artikel 2:74a - verzameling van personen in verband met drugs artikel 2:74b - openlijk drugsgebruik artikel 2:74c - weggooien van spuiten en dergelijke artikel 3:4 - seksinrichtingen, escortbedrijven artikel 3:6 - sluitingstijden artikel 3:7 - tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting artikel 3:8 - aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende artikel 3:11 - beëindiging exploitatie artikel 3:12 - wijziging beheer artikel 3:14 - straatprostitutie artikel 3:15 - sekswinkels artikel 3:16 - tentoonstellingen, aanbieden/aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke artikel 4:2 - aanwijzing collectieve festiviteiten artikel 4:3 - kennisgeving incidentele festiviteiten artikel 4:5 - onversterkte muziek artikel 4:5a - geluidhinder in de openlucht artikel 4:5b - geluidhinder door dieren artikel 4:5c - geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen artikel 4:5d - routering artikel 4:5e - geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden artikel 4:6 - overige geluidhinder artikel 4:6a - mosquito artikel 4:8 - natuurlijke behoefte doen artikel 4:9 - toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen artikel 4:9a - verbod oplaten ballonnen artikel 4:11d - herplant-/instandhoudingsplicht artikel 4:11f - bestrijding ziekte houtopstanden artikel 4:11h - afstand tot de erfgrens artikel 4:13 - opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. artikel 4:13a - verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats artikel 4:15 - verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames artikel 4:18 - recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen artikel 4:19 - aanwijzing kampeerplaatsen artikel 5:2 - parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke artikel 5:3 - te koop aanbieden van voertuigen artikel 5:4 - defecte voertuigen artikel 5:5 - voertuigwrakken artikel 5:6 - kampeermiddelen en andere</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5:6a - parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone artikel 5:7 - parkeren van reclamevoertuigen artikel 5:8 - parkeren van grote voertuigen artikel 5:9 - parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen artikel 5:9a - parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval artikel 5:10 - parkeren anders dan op de rijbaan artikel 5:11 - aantasting groenvoorzieningen door voertuigen artikel 5:12 - overlast van fiets of bromfiets artikel 5:13 - inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving artikel 5:15 - venten en dergelijke artikel 5:16 - vrijheid van meningsuiting artikel 5:18 - standplaatsen en weigeringsgronden artikel 5:19 - toestemming rechthebbende artikel 5:24 - voorwerpen op, in of boven openbaar water artikel 5:25 - ligplaats woonschepen en overige vaartuigen artikel 5:26 - aanwijzingen ligplaats artikel 5:27 - verbod innemen ligplaats artikel 5:28 - beschadigen van waterstaatswerken artikel 5:29 - reddingsmiddelen artikel 5.30 - veiligheid op het water artikel 5:30a - zwemmen in openbaar water artikel 5:31 - overlast aan vaartuigen artikel 5:32 - crossterreinen artikel 5:33 - beperking verkeer in natuurgebieden artikel 5:34 - verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken artikel 5:36 - verboden plaatsen artikel 5:37 - hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing 2.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67, 2:68 en 2:69 (heling) wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 lid 2, 2:11, 2:12 en 4:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college dan wel door de burgemeester aan te wijzen toezichthouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van publicatie ervan in het Gemeenteblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op dat moment wordt de Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2017 ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 9 april 2019de griffier,mr. R. van der Hoek de voorzitter,dr. T.J. HaanToelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2019 Inleiding De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Maassluis is een belangrijke verordening van de gemeente op het gebied van de openbare orde en veiligheid. Regelmatig wordt de APV geactualiseerd om aan te sluiten bij ontwikkelingen in de rechtspraak en op het gebied van wetswijzigingen. Ook vanuit de gemeente komen in de loop van de tijd verzoeken en wensen die wijzigingen in de APV behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting is integraal onderdeel van de APV die, tegelijk met wijzigingen in artikelen, ook wordt aangepast. De toelichting geeft nadere uitleg bij de artikelen en/of geeft een artikelsgewijze omschrijving van de doorgevoerde wijzigingen. Dit betreft wijzigingen die dit jaar of die in eerdere jaren in de APV zijn doorgevoerd. Aangezien de toelichting op de model-­APV van de VNG uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening wordt ook verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte worden ook de artikelen toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3 (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de laatste jaren is de APV verschillende keren gewijzigd, namelijk in 2012, 2014, 2016, 2017 en 2018. De meest ingrijpende wijziging vond plaats in 2014, veel artikelsgewijze toelichtingen hebben daarom nog betrekking op de in 2014 doorgevoerde wijzigingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is een aantal definities overgeheveld van artikel 5:1 naar artikel 1:1, omdat deze begrippen in verschillende hoofdstukken terugkeren. Deze horen daarom onder de onder 1:1 genoemde en voor de gehele verordening geldende begripsbepalingen. Verder is een aantal definities geherformuleerd in aansluiting op de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip ‘bebouwde kom’ is een andere definitie gekozen: hiervoor was voorheen aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Een beter alternatief is om als definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Dat gebied wordt op grond van de WVW niet door gedeputeerde staten, maar door de gemeenteraad vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het vierde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te late indiening aanvraag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">APV komt te vervallen. In artikel 1:3 APV was opgenomen dat indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing te laat wordt ingediend het bevoegde bestuursorgaan kon besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Daar het onderwerp van inwilligen of weigeren van een aanvraag reeds in landelijke regelgeving (de Algemene wet bestuursrecht) is geregeld, past het niet om dit onderwerp met een aanvullende grond van buiten behandeling stelling, in een gemeentelijke verordening te regelen. In verband met het vervallen van artikel 1:3 APV is conform de model­APV van de VNG, aan artikel 1:8 APV waarin de weigeringsgronden van een aanvraag zijn opgenomen, een derde lid toegevoegd dat als weigeringsgrond kan dienen voor gevallen waarbij de aanvraag te laat is ingediend en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met het vervallen van artikel 1:3 APV is aan artikel 1:8 APV waarin de weigeringsgronden van een aanvraag zijn opgenomen, een derde lid toegevoegd dat als weigeringsgrond kan dienen voor gevallen waarbij de aanvraag te laat is ingediend en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo (LSP) Een belangrijke consequentie van de invoering van de Dienstenrichtlijn is de verplichte invoering van de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Lex Silencio Positivo houdt in dat wanneer op een vergunning­ of ontheffingsaanvraag, danwel een melding niet tijdig een beslissing wordt genomen, deze van rechtswege alszijnde een positieve beschikking wordt beschouwd. Dit is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht. Het gemeentebestuur kan hierbij aangeven welke vergunningen wel­ en niet onder de LSP vallen. Alleen vanwege dringende redenen van algemeen belang kan van de lex silencio positivo worden afgezien.Op die keuzevrijheid is één belangrijke uitzondering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een klein aantal bepalingen in de APV betreft omgevingsvergunningen. Voor deze vergunningen geldt altijd een LSP. Uitzonderingen daarop zijn niet mogelijk. De wijzigingen die verplicht nodig waren in verband met de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet zoals vervat in de modelapv VNG 2009 zijn bij wijziging van de APV Maassluis 2010 al doorgevoerd. De wijzigingen die de VNG in haar modelapv 2012 ten aanzien van de LSP voorstelt waren optioneel van aard. De aanpassing betrof het opnemen van informatie over de LSP bij ieder artikel afzonderlijk in plaats van twee artikelen in hoofdstuk 1. Wij hebben er om praktische redenen voor gekozen om de artikelen waarbij de LSP wel of niet van toepassing is in stand te laten onder twee artikelen (1:9 en 1:10) zoals in de APV Maassluis 2010, en de gewijzigde verordening 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is er in deze toelichting bij alle artikelen waarbij paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wel of niet van toepassing wordt verklaard een motivering opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1:9 is aangegeven dat de lex silencio positivo van toepassing is op de volgende artikelen: 2:6 lid 4, 2:9 lid 3, 2:10 lid 2, 2:11, 2:12, 2:25a, 2:29 lid 4, 2:67 lid 2, 4:11, 5:13 lid 1, 5:15, 5:16 lid 3 en 5:36 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Geen toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor die vergunningstelsels waar een lex silencio positivo vanwege dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk is, is thans in de APV aangegeven dat de lex silencio positivo niet van toepassing is. Het betreft de artikelen 2:1 lid 4, 2:10 lid 1, 2:23a lid 2, 2:25, 2:28, 2:31a lid 3, 2:40, 2:41 lid 4, 2:72, 3:4, 4:5, 4:5a lid 2, 4:5d lid 2, 4:5e lid 2, 4:6 lid 2, 4:18 lid 3, 5:6 lid 3, 5:8 lid 5, 5:11 lid 3, 5:18, 5:25, 5:33 lid 6 en 5:34 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare orde</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts hetgeen hieromtrent is opgenomen onder artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 zijn verschillende begripsbepalingen geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing overlastgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van de letter a aan het artikelnummer verklaart dat het een artikel is wat in de model­APV niet is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een groep jongeren die overlast veroorzaken, en waardoor omwonenden zich onveilig of zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied wanneer er slechts sprake is van incidentele overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt het tweede artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt, voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1b-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1b</span><span class=\"lf-art-t\">Wijkverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De titel bij dit artikel is in verband met harmonisering met de regiogemeenten gewijzigd van Gebiedsontzeggingen in Wijkverbod. Inhoudelijk komt dit artikel overeen met de gewijzigde APV 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel biedt de basis om personen die zich in strijd gedragen met de openbare orde een verbod op te leggen zich gedurende een bepaalde tijd in een aangewezen gebied te bevinden of zich daarin te begeven. De burgemeester kan dit doen in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon­ en leefklimaat; de veiligheid van personen en goederen; de gezondheid; de zedelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bij herhaling door een persoon verstoren van de openbare orde door het plegen van diverse strafbare feiten heeft twee belangrijke elementen: de herhaling; de inbreuk (de mate van geschoktheid van de rechtsorde);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bij herhaling verstoren van de openbare orde vormt door het herhalend karakter, een grotere inbreuk in de openbare orde. Het vergroot in feite de onveiligheid en tevens de gevoelens van onveiligheid. Op basis van het herhalend karakter is daarbij de dreiging extra groot dat de persoon in de (nabije) toekomst opnieuw de orde zal verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beleidslijn is aangegeven hoe de burgemeester van Maassluis omgaat met de mogelijkheden die artikel 2:1b hem biedt bij het beperken van de bewegingsvrijheid van personen om daardoor herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1c-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1c</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de regionale aanpak van Overvallen en andere situaties waarbij preventief fouilleren een aanvulling kan zijn op bestaande bestuurlijke mogelijkheden is besloten om dit nieuwe artikel op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: ­vervoermiddelen te onderzoeken; ­een ieder aan de kleding te onderzoeken en ­te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers(privacy); subsidiariteit en proportionaliteit; breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1d-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1d</span><span class=\"lf-art-t\">Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Die wet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan de overlastgever. Dat is gedaan in de APV-wijziging van 2017 met het toevoegen van artikel 2:1d.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 zijn het tweede en derde lid herschreven en gecombineerd tot een nieuw tweede lid in aansluiting op de model-APG van de VNG. In het tweede lid was opgenomen dat als de burgemeester een last onder dwangsom of bestuursdwang oplegt, hij aanwijzingen kan geven aan de overtreder. Deze aanwijzingen zijn echter (onderdeel van) de last, zodat dit niet uitdrukkelijk hoeft te worden genoemd. De verwijzing naar het geven van aanwijzingen is daarom geschrapt. Verder was in het tweede lid bepaald dat de burgemeester beleidsregels kan vaststellen. Dat is geschrapt, omdat op grond van artikel 4:81 van de Awb de burgemeester sowieso bevoegd is om beleidsregels vast te stellen. Ook wordt in het nieuwe tweede lid niet meer expliciet genoemd dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen en wordt enkel bepaald dat de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen als zich een van de onder lid twee genoemde situaties voordoet. Dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen, volgt immers al uit artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie, zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Betogingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In haar model heeft de VNG in dit artikel artikelleden opgenomen over een afwijkende termijn en te verstrekken gegevens. Daardoor zijn in dat model de artikelen 2:4 en 2:5 komen te vervallen. Bij deze nieuwe verordening is gekozen om deze bundeling van informatie in artikel 2:3 te volgen. Dientengevolge komen de artikelen 2:4 en 2:5 te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is lid twee van artikel 2:3 geschrapt. Het bepaalde onder lid 2 was overbodig, omdat in artikel 1:1 een definitie wordt gegeven van openbare plaats. Verder is qua formulering aangesloten bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Verspreiding van gedrukte stukken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besloten is dit artikel wederom op te nemen in de verordening om mogelijke situaties te kunnen reguleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Er zijn geen dringende redenen van algemeen belang ten aanzien van deze ontheffing voorts is de LSP van toepassing op de ontheffing. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daklozenkrant De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigen. Immers, niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 lid 4 Ontheffing verbod gedrukte of geschreven stukken Bij de ontheffingsaanvraag is geen reden om van het lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is daarom van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Vertoningen en dergelijke op een openbare plaats</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het opleggen van een beperking tot bepaalde dagen en uren door de burgemeester met betrekking tot de werking van het verbod, zal doorgaans op initiatief van het gemeentebestuur zelf gebeuren en niet op aanvraag. Een ontheffing van het verbod zal daarentegen bijna alleen op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van het lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is op het gehele artikel van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2 Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft; het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een tweede lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. Lid 2 is tekstueel aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG: aan een voorwerp als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo wordt immers een omgevingsvergunning verleend, het college kan daar niet voor kiezen. Ook lid 1 is tekstueel aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub g Containers In het kader van verdere deregulering van de vergunningverlening is er bij de APV-wijziging 2018 gekeken naar artikel 2:10 betreffende het plaatsen van voorwerpen op de openbare weg. Op basis van dit artikel worden vergunningen verleend voor het plaatsen van de meest uiteenlopende voorwerpen op de openbare weg. Het is wenselijk om het vergunningstelsel voor een groot aantal voorwerpen in stand te houden, dit om als gemeente meer controle en een betere handhaving te hebben. Hierbij gaat het om voorwerpen die een meer permanent karakter hebben, zoals winkeluitstallingen en bloembakken, en voorwerpen waarbij de toetsing op verkeersveiligheid een belangrijke factor is. Gezien de aansprakelijkheid van de gemeente voor de openbare weg is het gewenst het plaatsen van voorwerpen te blijven reguleren en daarbij niet teveel toe te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op deregulering is het evenmin wenselijk om teveel beperkingen op te leggen. Daarom is ervoor gekozen om het plaatsen van containers voor de opslag van puin of bouwmaterialen wel meldings- en vergunningsvrij te maken. Administratieve lastenverlichting is een van de redenen hiervoor: de tijd die wordt besteed aan een aanvraag wordt vaak niet gedekt door de leges, en daarbij zijn de te verrichten administratieve handelingen hoog in verhouding tot de kortstondige duur van de verleende vergunning. Ook is een vergunningsplicht voor containers niet noodzakelijk voor de handhaving, omdat ook landelijke wetgeving juridische handvaten biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als waarborgen voor de openbare orde en veiligheid gelden wel enkele voorwaarden voor het vergunnings- en meldingsvrij plaatsen van containers: ze mogen niet langer dan 30 dagen op de weg staan geplaatst, anders dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, ze leveren geen hinder of gevaar op voor het verkeer, ze hebben een maximale hoogte van 2,5 meter en een maximale lengte van 4,5 meter en per perceel worden niet meer dan twee containers geplaatst. Deze bepalingen zijn opgenomen in lid 3 sub g. In een later stadium kunnen, indien nodig, ook breed gestelde algemene regels voor het plaatsen van containers worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub h en i Evenementen en terrassen Met de toevoeging van sub h e i worden evenementen en terrassen, als bedoeld in de artikelen 2:24 en 2:27 lid 3 van de APV, vrijgesteld van de vergunningplicht op basis van artikel 2:10. Dat is omdat hieraan al vergunningen worden afgegeven op basis van andere APV-artikelen, en het daarom niet nodig is om hiervoor nog een vergunning te verlenen op basis van artikel 2:10. Wanneer er een evenement wordt gehouden, wordt hiervoor een vergunning verleend op basis van artikel 2:25. Wat terrassen betreft, werkt de gemeente Maassluis met horeca-exploitatievergunningen en verleent langs die weg, op basis van artikel 2:28, vergunningen voor de terrassen die bij een horecabedrijf horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sub i zijn de terrassen expliciet afgebakend en gaat het alleen om terrassen als bedoeld in artikel 2:27, lid 3. Dit zijn de terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. In het geval een terras niet hoort bij een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en is gelegen op de weg of een weggedeelte, zijn de in artikel 2:10 gestelde eisen wel van toepassing en dient voor zo’n terras wel een vergunning te worden aangevraagd. Voor dit soort terrassen wordt geen vergunning afgegeven op basis van een ander APV-artikel. Om dit soort terrassen wel vergunningplichtig te houden, is onder sub i de afbakeningsbepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub j, lid 4 en lid 6 Tevens zijn nieuwe bepalingen onder lid 3 sub j en lid 4 opgenomen, en is het bepaalde in lid 6 tekstueel aangepast. Op basis van lid 3 sub j kan het college andere voorwerpen aanwijzen waarvoor geen vergunningsplicht geldt, zonder dat daarvoor de APV hoeft te worden gewijzigd. Lid 4 geeft het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen voor de in lid 3 genoemde voorwerpen en categorieën van voorwerpen. Lid 6 benoemt expliciet dat ook op grond van artikel 1:8 de vergunningen, bedoeld in lid 1 en 2, kunnen worden geweigerd. Dit was al mogelijk aangezien in artikel 1:8 algemene weigeringsgronden voor alle APV-vergunningen staan. Met het gewijzigde lid 6 wordt aangesloten bij de model-APV en zijn de weigeringsgronden net wat duidelijker en vollediger geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Op de vergunning zoals opgenomen in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, en de verkeersveiligheid niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerder activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig; het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de formulering van een aantal leden aangepast conform de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wabo. Hier is de term “het college” vervangen door “bevoegd gezag”. Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1. Ook hier is gekozen voor het vergunningsstelsel. Hiervoor geldt dezelfde argumentatie als genoemd onder 2:10.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Veiligheid van/op een openbare plaats</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen. Dit artikel is conform de modelverordening APV 2012 gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de formulering in lid 1 en 2 aangepast conform de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de model APV is het artikel waarin een vergunningsplicht is opgenomen voor het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel 2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee verviel de noodzaak van het artikel over hinderlijke beplanting. Dit artikel was daarom geschrapt in de modelverordening. In de verordening van Maassluis is dit artikel wel gehandhaafd. Doordat meerdere gemeenten bij de VNG hebben aangegeven om praktische redenen dit artikel te willen handhaven, is de tekst teruggeplaatst in de modelverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt namelijk regelmatig voor dat burgers hun beplantingen zover laten doorgroeien, dat deze hinder veroorzaken voor de voetgangers of het uitzicht belemmeren voor het rijverkeer. Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel beoogt bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Bij besluit zou dan gedurende een bepaalde periode een gebied (bossen, heide of veengronden) moeten worden aangewezen waar roken niet is toegestaan. Het Wetboek van Strafrecht biedt in dit geval ook nog bescherming. Met het oog op de vereenvoudiging van de regelgeving is dit artikel niet overgenomen van het VNG­model.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is overwogen (net als in het model) dit artikel te schrappen. De politie heeft echter aangegeven hiervan geen voorstander te zijn omdat hierop in de praktijk wordt gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel moet ook in samenhang met (aanvulling op) artikel 2:10 worden gezien en gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad, puntdraad en dergelijke.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Vallende voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De VNG heeft dit artikel “gereserveerd”. In deze verordening is de oude bepaling gehandhaafd omdat het in de praktijk geen slapend artikel is gebleken. U moet hierbij denken aan het niet deugdelijk bevestigen van dekzeilen aan panden die verbouwd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20a</span><span class=\"lf-art-t\">Dragen gevaarlijke voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De politie hecht aan het hebben van een dergelijke bepaling omdat erop gehandhaafd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet overgenomen van de modelverordening omdat er in Maassluis geen bovengrondse hoogspanningslijnen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op slapen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een nieuw artikel dat bij de APV-wijziging 2017 wordt opgenomen. Het artikel dient voornamelijk de openbare orde. Het gebruik van de weg of een voertuig op of aan een weg als slaapplaats werkt potentiele overlast in de hand. Dergelijke overlast omvat voornamelijk activiteiten die doorgaans vóór of na een (langdurig) rustmoment kunnen plaatsvinden. Tevens draagt dit artikel bij aan de bestrijding van ongeregistreerd nachtverblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo artikel 2:23a lid 2 Ontheffing verbod slapen op of aan de weg Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 2 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Evenementen</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen behorend bij deze afdeling wijken enigszins af van de modelverordening. Onderstaand worden de belangrijkste afwijkingen en wijzigingen per artikel toegelicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Snuffelmarkt Bij deze wijziging van de APV is gekozen om een snuffelmarkt als evenement aan te merken. Gevolg hiervan is dat afdeling 5 Snuffelmarkten waarin de artikelen 5:22 en 5:23 waren opgenomen zijn komen te vervallen. Een snuffelmarkt is nu in de plaats gekomen van een klein evenement in artikel 2:24 lid 2e, Afdeling 7 Evenementen. Op openbare vermakelijkheden komen vaak veel bezoekers af. Deze evenementen kunnen in beperkte of juist grote mate van invloed zijn op de openbare orde. In verband met de toenemende openbare orde problematiek is dit vergunningenstelsel aangepast en ingedeeld op basis van een risicomodel A­, B, C en 0­evenementen. A­evenementen zijn evenementen met een laag risicoprofiel, B­evenementen gemiddeld risicoprofiel, C­ evenementen hoogrisicoprofiel en 0­evenementen laag risicoprofiel. Voor de A,B en C­ evenementen geldt een vergunningenstelsel. Controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, verlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelstel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. Voor de 0­evenementen (laag risicoprofiel) is een meldingsplicht van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vechtsportevenementen Er is voorzien in een bevoegdheid van de burgemeester om categorieën vechtsportwedstrijden of -gala’s aan te wijzen die als evenement worden aangemerkt. De populariteit van full-contact vechtsporten – ringcontactsporten zoals muay thai (Thaiboksen), kickboksen en MMA – is enorm toegenomen. Het zijn sporten die als zodanig deel uitmaken van de reguliere sportinfrastructuur. Enerzijds worden deze full-contact vechtsporten gezien als waardevolle sport met een maatschappelijke functie (zoals agressieregulering). Anderzijds is er kritiek op de organisatie van deze vechtsporten en op de beoefening zelf. Wedstrijden of demonstraties (‘demo's’) van full-contact vechtsporters vinden plaats in openbaar toegankelijke accommodaties en worden gala's of evenementen genoemd. De praktijk wijst uit dat er bij dit soort vechtsportevenementen of -gala’s een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kwaliteit van vechtsportevenementen en -gala's te vergroten en te waarborgen heeft de Nederlandse Vechtsportautoriteit in het najaar van 2017 een richtlijn voor vechtsportevenementen gepubliceerd (Regulering vechtsportgala's: handreiking voor gemeentelijk beleid). De Vechtsportautoriteit is een toezichthoudend orgaan dat door middel van regelmatige controles de evenementen toetst aan de criteria die in de richtlijn staan. Aan gemeenten wordt aangeraden een regeling in de APV op te nemen met een vergunnings- dan wel meldingsplicht, vooral vanwege de potentiele medische impact (bijvoorbeeld hersenschade als gevolg van stoten en trappen tegen het hoofd), de kwetsbare organisatie en begeleiding, geweldsincidenten en vermeende banden met criminele organisaties. Zo zijn er ook aanwijzingen voor verwevenheid tussen de full-contact vechtsportsector en de georganiseerde criminaliteit. De sector is door zijn versnipperde en broze organisatiestructuur extra kwetsbaar voor deze verwevenheid. Regulering via een vergunnings- of meldingsplicht is daarom gewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het toegestane aantal bezoekers op een 0-evenement wordt verhoogd van 100 naar 150 personen. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2:25a lid 2 sub b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementenvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 9 De organisator van of aanvrager van een vergunning voor een vechtsportevenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving daarvan. De voorwaarde over het levensgedrag wordt gesteld om te kunnen toetsen of de organisator of de aanvrager van de vergunning op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan deze verantwoordelijkheid te voldoen. De voorwaarde ziet alleen op de organisator(en) of de aanvrager van de vergunning, dus degene voor wiens rekening en risico het evenement wordt georganiseerd. De burgemeester kan de vergunning weigeren als de levensgedragtoets negatief uitvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Ten aanzien van de melding 0­evenementen en de evenementvergunning (A­, B­ of C­ evenementen) is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die dergelijke evenementen kunnen hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:25a 0-evenementen Artikel 2:25a heeft betrekking op het organiseren van kleine, zogenaamde 0-evenementen waarvoor geen vergunningplicht geldt. In de APV 2017 stonden de bepalingen over het 0-evenement onder artikel 2:26a. Voor een meer logische en heldere opbouw van de afdeling evenementen is ervoor gekozen om de bepalingen over 0-evenementen te plaatsen onder het nieuwe artikel 2:25a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijk zijn er enkele wijzigingen aangebracht: lid 2 sub b, c, e en g, lid 3 en lid 4 zijn gewijzigd en het nieuwe lid 6 is toegevoegd. Tevens wordt een toelichting op het al dan niet toepassen van lex silencio positivo toegevoegd, die ontbrak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 sub b Het toegestane aantal bezoekers op een 0-evenement wordt verhoogd van 100 naar 150 personen. Het aantal personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Door het aantal te verhogen naar 150 personen, wordt eenzelfde grenswaarde gehanteerd als in het Besluit Brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen, dat per 1 januari 2018 in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit geeft regels over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen. Het stelt, als een van die regels, dat een gebruiksmelding bij de gemeente moet worden ingediend indien een verblijfsruimte op die plaats is bestemd voor meer dan 150 personen tegelijk. De gemeente beoordeelt vervolgens de brandveiligheid van het evenement op basis van de gebruiksmelding. Door de grenswaarde van 150 te hanteren, is het indienen van een gebruiksmelding bij een 0-evenement niet nodig. Hiermee blijft het makkelijk en laagdrempelig, met zo min mogelijk administratieve lasten, om een 0-evenement te organiseren en is het tegelijk mogelijk om meer personen voor het evenement uit te nodigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 sub c Met de aanpassing van lid 2 sub c mogen vergunningsvrije evenementen hooguit één dag duren. In het verleden is het voorgekomen dat 0-evenementen meerdere dagen duurden. Gezien de impact van een langdurig evenement op de nabije omgeving is hiervoor de aanvraag van een evenementenvergunning wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 sub e Op grond van lid 2 sub e in de vorige APV mocht een 0-evenement niet plaatsvinden op de weg in de zin van de Wegenverkeerswet. In de praktijk heeft dit voor problemen gezorgd. Een straatfeest vindt immers per definitie plaats op de weg, en in Maassluis zijn er weinig groengebieden die geschikt zijn voor het houden van een straatfeest. Daarom is ervoor gekozen om lid 2 sub e zodanig te wijzigen dat er meer ruimte komt voor het organiseren van 0-evenementen op straat, bijvoorbeeld op de stoep of op hooguit een paar parkeerplaatsen, maar dat tegelijk geborgd blijft dat het 0-evenement zo min mogelijk belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. Hierdoor worden, onder specifieke voorwaarden, 0-evenementen op straat wel mogelijk. De specifieke voorwaarden worden verder uitgewerkt in nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 sub g Eerder heeft het college de totale oppervlakte van kleine objecten vastgesteld op maximaal 25 m², in plaats van de 10 m² die daarvoor gold. Deze wijziging is al opgenomen in het meldingsformulier van een 0-evenement maar was nog niet doorgevoerd in de APV. Dat wordt daarom nu gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt de verwijzing naar springkussens geschrapt. Hierdoor is het voortaan toegestaan om een 0-evenement met een springkussen (mits deze niet groter is dan 25 m²) te organiseren, zonder dat hiervoor een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Hiermee wordt het makkelijker om kinderfeestjes te organiseren. Om de veiligheid te waarborgen, mag een springkussen alleen onder bepaalde voorwaarden worden opgebouwd, deze voorwaarden worden uitgewerkt in nadere regels m.b.t. het organiseren van een 0-evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 en 4 Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een feest op eigen terrein of een straatfeest is in het kader van administratieve lastenvermindering en deregulering de meldingsprocedure, als bepaald in lid 3 en 4 van artikel 2:26a, aangepast. In de huidige situatie moet de organisator van een 0-evenement een aanvraagformulier invullen en wachten op de schriftelijke toestemming van de burgemeester alvorens hij het evenement mag organiseren. Voortaan dient de organisator via een formulier melding te doen van het evenement en daarbij akkoord gaan met de voorwaarden. De toestemming is verleend indien de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding kan tonen en na ontvangt van het formulier geen tegenbericht is verzonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een 0-evenement geen doorgang vinden. Het doen van een melding in combinatie met algemene regels geeft organisatoren van een 0-evenement meer vrijheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Door de meldingsplicht voor 0-evenementen niet van toepassing te verklaren op daartoe aangewezen categorieën vechtsportwedstrijden of -gala’s, geldt voor deze evenementen altijd een vergunningplicht op grond van artikel 2:25 eerste lid. Aanvragers moeten aan verschillende voorwaarden voldoen, op het gebied van VIP-tafels, alcoholschenking, leeftijdsgrenzen en toezicht van een erkende bond. Ook is het mogelijk om vergunningaanvragen te onderwerpen aan een Bibob-toets, waarbij screening plaatsvindt van de organisatie, financiering en zakenrelaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo artikel 2:25a Melding 0­-evenement Door een 0-evenement alleen te hoeven melden en dat uiterlijk vijf dagen van tevoren te doen, krijgen organisatoren meer vrijheid in het organiseren van een straatfeest. Zoals staat beschreven in artikel 2:25a, is het evenement toegestaan zolang er geen tegenbericht is ontvangen. Oftewel, bij het uitblijven van een reactie van de gemeente kan het evenement doorgaan. Het is daarom niet de bedoeling om de melding van rechtswege te weigeren indien binnen vijf dagen niet wordt gereageerd op de aanvraag. Op de melding is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht dus van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.26a</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare orde en veiligheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de nummering van de artikelen 2:26, 2:26a, 2:26b aangepast om een meer logische volgorde te hebben. Artikel 2:26a (0-evenementen) wordt artikel 2:25a, daarop volgt artikel 2:26 en het vorige artikel 2:26b wordt 2:26a.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Een goede horeca, zowel qua kwantiteit als kwaliteit, levert een enorme bijdrage aan de uitstraling van de gemeente. Reden waarom de gemeente Maassluis hecht aan een strikte vergunningverlening en handhaving. Samen met de gemeente Vlaardingen, politie en justitie is het zogenaamde Handhavingarrangement horeca vastgesteld. De exploitatievergunning maakt hiervan deel uit. Vooral door de hierin opgenomen aanpak kan de horecaoverlast binnen de gemeente effectief worden aangepakt. Het persoonsgebonden karakter is hierbij juist enorm belangrijk. Daarom zijn ook de eisen die de drank­ en Horecawet stelt aan een leidinggevende in de APV gelijkgesteld met die van de horeca exploitant. De gedragseisen van de Drank­ en Horecawet zijn expliciet in een AMvB geformuleerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsbepaling van inrichting is geschrapt en de begripsbepalingen van horecabedrijf en terras zijn aangepast in aansluiting op de model-APV van de VNG. Hiermee wordt de begripsbepaling in deze hele afdeling 8 duidelijker. In de APV 2017 werden de begrippen inrichting, openbare inrichting en horecabedrijf door elkaar gebruikt, terwijl alle drie de begrippen verwijzen naar het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 lid 1. Met de APV-wijziging 2018 zijn de begrippen inrichting en openbare inrichting overal vervangen door horecabedrijf om verwarring te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">(Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel is de mogelijkheid toegevoegd voor het afgeven van tijdelijke vergunningen voor ten hoogste één jaar (proefperiode). Dit is een goed aanvullend instrument om in praktijkgevallen waarbij de weigeringsgronden genoemd in artikel 2:28 lid 3 onvoldoende vaststaan, een tijdelijke vergunning af te kunnen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn ter verduidelijking de regels omtrent niet vergunningsplichtige horecabedrijven uit artikel 2:28 gehaald en ondergebracht in een nieuw artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht. De daarop volgende artikelen zijn daarom ook vernummerd tot 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende, 2:28c Beslistermijn, en 2:28d Weigerings­ en intrekkingsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 zijn enkele bepalingen geschrapt die al staan in artikel 2:28d of artikel 2:32. Ook is de term openbare inrichting vervangen door horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een nieuw artikel voortgekomen uit de splitsing van artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf en aanvraag(oud). In dit artikel zijn ter verduidelijking apart de horecabedrijven opgenomen die vrijgesteld zijn van vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de term inrichting vervangen door ruimte. De ruimte betreft hier het hele gebouw. De term inrichting is vervangen om verwarring met het horecabedrijf te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28b</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen exploitant en leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering gewijzigd van 2:28a naar 2:28 b. Voorts zijn de verwijzingen naar de Drank­ en Horecawet in de leden 1 en 2 in verband met de inwerkingtreding van de nieuwe Drank­ en horecawet per 1 januari 2013 gewijzigd. In lid 1 is de verwijzing naar artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank­ en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank­ en Horecawet. Voorts is in lid 2 de verwijzing naar artikel 8 , tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank­ en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank­ en Horecawet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28c</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met een andere indeling van afdeling 8 (zie voorgaande toelichting op afdeling 8) is dit artikel gewijzigd van 2:28b naar 2:28c. Voorts is ook de beslistermijn gewijzigd van 12 weken naar 8 weken. Dit in verband met gelijkschakeling met de nieuwe behandeltermijn van 8 weken voor een drank­ en horecavergunning vanuit de nieuwe Drank­ en Horecawet per 1 januari 2013. Voor gelijkschakeling is gekozen omdat Drank­ en horecavergunningen veelal tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden aangevraagd. Ook de verdagingstermijn in lid 2 is gewijzigd van 12 naar 8 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28d</span><span class=\"lf-art-t\">Weigerings­ en intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 zijn de verwijzingen in dit artikel naar andere artikelen in de afdeling passend gemaakt. In lid 1 sub b is artikel 2:28a eerste lid gestelde eisen gewijzigd in artikel 2:28b eerste lid gestelde eisen. Naast de algemene weigerings­ en intrekkingsgronden vermeld in artikelen 1:6 en 1:8 zijn in artikel 2:28d de meer specifieke weigerings­, en intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen opgenomen. In het eerste lid staan de imperatieve weigeringsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming te verwezenlijken tussen planologische en openbare orde­eisen die in afdeling 8 aan horecabedrijven worden gesteld, zijn aan lid 1 onderdeel a \"strijd met een geldend bestemmingsplan”, een aantal imperatieve weigeringsgronden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn de exploitatieplan, beheersverordening, een voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een horecagebiedsplan”. Zo wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. Ditzelfde geldt voor het feit dat de exploitant nog niet beschikt over een akoestisch rapport (geluidsrapportage). In dat geval is het niet wenselijk dat de burgemeester vooruitlopende op de gestelde en benodigde aanpassingen van een inrichting alvast een vergunning verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 zijn de termen inrichting en openbare inrichting overal vervangen door horecabedrijf om verwarring te voorkomen: alle drie de termen verwijzen naar het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 lid 1, maar werden voorheen in de artikelen m.b.t. horecabedrijven door elkaar gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is artikel 4 lid j gewijzigd. Op basis van de APV 2017 kon de vergunning van een horecabedrijf worden geweigerd of ingetrokken indien het terras van het horecabedrijf voor andere doeleinden werd gebruikt. Met de APV-wijziging 2018 is dit als volgt aangepast: nu kan de vergunning van een horecabedrijf worden geweigerd of ingetrokken indien het horecabedrijf voor andere doeleinden wordt gebruikt. Omdat op basis van artikel 2:27 lid 1 het terras ook tot het horecabedrijf wordt gerekend in deze afdeling, mogen onder de nieuwe formulering zowel het besloten gedeelte van het horecabedrijf als het terras niet voor andere doeleinden worden gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28e</span><span class=\"lf-art-t\">Opheffing vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering gewijzigd van artikel 2:28d naar 2:28e. Inhoudelijk zijn er geen wijzigingen doorgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn inhoudelijke wijzigingen aangebracht in lid 2, 4, 5 en 6. Verder zijn in de APV-wijziging 2018 de plaatsing en nummering van een aantal bepalingen enigszins aangepast vergeleken met de APV 2017 maar verder inhoudelijk ongewijzigd gebleven: dat geldt voor lid 1, 3, 7 en 8. Tevens wordt een toelichting op het al dan niet toepassen van lex silencio positivo toegevoegd, die ontbrak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De inhoudelijke wijziging in lid 2 heeft betrekking op het verlengen van de terrastijden. In overleg met de horecagelegenheden in Maassluis is besloten om de terrastijden te verlengen tot 01:00 (in plaats van 24:00 zoals voorheen). Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de horecaondernemers, die concurrerend kunnen blijven met omliggende gemeenten, en aan de bezoekers, die steeds vaker en langer buiten op het terras willen zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van overlast zijn er waarborgen voor de openbare orde en veiligheid. Mochten de langere openingstijden leiden tot overlast, heeft de burgemeester de bevoegdheid om hiertegen op te treden en kunnen ook aan de vergunningen voorschriften worden gebonden. Om de overlast te beperken, geldt ook dat het schenken van alcoholhoudende dranken een half uur voor sluitingstijd niet meer mag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4,5 en 6 De inhoudelijke wijzigingen in lid 4, 5 en 6 hebben betrekking op het verder dereguleren van de vergunningverlening. Op het moment kan de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf structureel afwijkende openings- en sluitingstijden laten opnemen in de vergunning of later een wijziging indienen van de bestaande exploitatievergunning. Horecaondernemers kunnen ook maximaal 5 keer per jaar een ontheffing aanvragen voor het afwijken van deze sluitingstijden, de afdoeningstermijn hiervoor is 10 werkdagen. In de praktijk wordt deze ontheffing een “verlaatje” genoemd, die de ondernemer de mogelijkheid biedt om zijn inrichting langer open te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de voorgestelde wijzigingen wordt ervoor gekozen om het aantal verlaatjes te verhogen van 5 naar 8 keer per kalenderjaar, de aankondigingstermijn te verkorten van 10 werkdagen naar 3 werkdagen en horecaondernemers de optie te bieden ontheffing aan te vragen door middel van het doen van een melding. Hiermee wordt de werkdruk voor de vergunningverlener verlicht en komt de gemeente tegelijkertijd de horecaondernemers tegemoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel wordt door de verkorte aankondigingstermijn het vooraf indienen van bezwaar door belanghebbenden lastiger dan voorheen, en kan het verhoogde aantal ontheffingen voor langere openingstijden risico’s met zich meebrengen voor de openbare orde en het leefklimaat. Hiermee rekening houdend, gelden er een aantal voorwaarden in het kader van de openbare orde en het leefklimaat die in lid 4, 5 en 6 worden genoemd: de ontheffing geldt slechts inpandig, de geluidsvoorschriften die gelden vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn onverminderd van toepassing, en de horecabedrijven zijn uitgezonderd van de ontheffingsverlening die niet over een exploitatievergunning beschikken, die over een kortlopende exploitatievergunning beschikken en die van een paracommercieel rechtspersoon zijn. Ook dient het doen van de melding op de juiste wijze te geschieden, hiervoor zullen nadere regels worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bieden huidige bepalingen in de APV naar verwachting voldoende middelen om op te treden in het geval van openbare ordeverstoringen. Indien een horecabedrijf als gevolg van de afwijkende sluitingstijden ongewenste cumulatie van hinder met zich meebrengt, kan de burgemeester maatregelen nemen op grond van artikel 2:29 lid 7 en artikel 2:30 lid 1. Uit deze bepalingen volgt dat de burgemeester het horecabedrijf, eerder dan de ontheffing toestaat en dus tijdens de festiviteit, kan sluiten als er overlast wordt geconstateerd, dat hij de ontheffing voor afwijkende sluitingstijden kan weigeren en dat hij ook de nog in het kalenderjaar resterende ontheffingen voor de betrokken onderneming(en) kan intrekken. Welke maatregel de burgemeester neemt, wordt nader uitgewerkt in een handhavingsarrangement. Wanneer de burgemeester een aanvraag tot een ontheffing sluitingstijden (verlaatje) weigert, is het verboden buiten de reguliere openingstijden in het horecabedrijf een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing sluitingstijden oftewel het verlaatje dient niet te worden verward met de incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:1, dat in de praktijk ook bekend staat als het zogenoemde “geluidje”. Het geluidje wordt aangevraagd wanneer de exploitant of leidinggevende van een horeca-bedrijf muziek ten gehore wil brengen en/of verlichting langer wil aanhouden waarbij de geluids- en verlichtingsnormen als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van de APV niet van toepassing zijn. Het geluidje wordt kortom aangevraagd wanneer de exploitant/leidinggevende meer geluid ten gehore wil brengen dan normaliter toegestaan, en het verlaatje wordt aangevraagd wanneer de exploitant/leidinggevende langere openingstijden wil dan normaliter toegestaan. De twee trajecten staan los van elkaar en de ontheffingen worden separaat aangevraagd. Natuurlijk kan de exploitant/leidinggevende een verlaatje en een geluidje voor dezelfde festiviteit aanvragen, maar dat hoeft niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de ontheffing sluitingstijden en de ontheffing geluids- en/of verlichtingsvoorschriften, oftewel de verlaatjes en de geluidjes, worden er jaarlijks door het college ook collectieve festiviteiten aangewezen (zie hiervoor artikel 4:2). Gedurende de collectieve festiviteiten gelden de geluids- en verlichtingsnormen als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van de APV niet. Op collectieve festiviteiten hoeft kortom geen geluidje te worden aangevraagd en is een hoger geluidsvolume toegestaan; wel dient er een verlaatje te worden aangevraagd, als de exploitant of leidinggevende langer open wil blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo artikel 2:29 lid 4 Ontheffing sluitingstijden Door de aankondigingstermijn te verkorten naar drie dagen, krijgen horecaondernemers de kans om kort van tevoren een ontheffing aan te vragen. Het zou averechts werken en niet wenselijk zijn om de ontheffing van rechtswege te weigeren indien binnen 3 dagen niet wordt gereageerd op de aanvraag. Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht daarom wel van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31a</span><span class=\"lf-art-t\">Glazen drinkgerei</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer zich op een weg relletjes of andere ongeregeldheden voordoen of zich hebben voorgedaan, kan deze weg door de burgemeester worden aangewezen. Door deze aanwijzing treedt voor exploitanten en leidinggevenden van de horecabedrijven die aan de aangewezen weg zijn gelegen, het verbod in werking om drank in een glas te verstrekken. Zo kan worden voorkomen dat er (nog meer) glas op straat komt, waardoor de veiligheid van personen beter kan worden gewaarborgd. In het aanwijzingsbesluit bepaalt de burgemeester de duur van de periode waarin het verbod van kracht is. De burgemeester zal van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruik maken om verstoring van de openbare orde te voorkomen of te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is de term inrichting vervangen door horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo artikel 2:31a lid 3 Ontheffing verbod drank in glas Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De formulering is in de APV-wijziging 2018 hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG en de definitie van horecabedrijf is geschrapt omdat deze ook staat in artikel 2:27.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De term openbare inrichting is in de APV-wijziging 2018 vervangen door horecabedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip horecabedrijf als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De formulering is daarom, in de APV-wijziging 2018, in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet en van de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidsduur vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de modelverordening is geen geldigheidsduur opgenomen. De geldigheidsduur voor onbepaalde tijd is overeenkomstig de vorige APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van de exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is nieuw toegevoegd in de APV-wijziging 2014. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet op grond van dit artikel worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter niet. Om een actueel overzicht te behouden, is in het eerste lid, onder b opgenomen dat de exploitatievergunning van rechtswege vervalt, indien de inrichting langer dan zes maanden niet wordt geëxploiteerd. Tenslotte is in het eerste lid onder c opgenomen dat de exploitatievergunning ook vervalt bij beëindiging van de onderneming. Hiermee wordt zowel de feitelijke beëindiging (uitschrijving Kamer van Koophandel) bedoelt alsmede het veranderen van bedrijfsvorm van de onderneming vermeld op de exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term openbare inrichting is in de APV-wijziging 2018 vervangen door horecabedrijf.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van afdeling 9 (toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf) primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de modelverordening is het nachtregister “gereserveerd”. In Maassluis wordt het om de aangegeven reden van belang geacht de verplichting van een nachtregister te handhaven. De verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken is vervallen. Door het vormvrij maken van het register is een verlichting van administratieve lasten beoogd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat</h3></div>", "next": 239838}