{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Afbeelding 3.1.1.a.iv.a – Ligging Wildemanbuurt in Amsterdam Afbeelding 3.1.1.a.iv.b – Detailweergave van de Wildemanbuurt Bijlage II In artikel 6.4 van de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen wordt verwezen naar deze bijlage voor het bepalen van de deelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudsoverzicht Kantershof Rechte H-buurt Hakfoort-Huigenbos Hoptille G-buurt oost Holendrecht-Zuid Reigersbos centrum Venserpolder west Venserpolder oost Deelgebieden A. Kantershof Het deelgebied Kantershof wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel a aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de zuidoostzijde: tussen de denkbeeldige lijn die door de wegas van de ’s Gravendijkdreef loopt en de denkbeeldige lijn die loopt door de wegas van het deel van de Kouwenoordweg dat parallel ligt aan het Geerdinkhofpad, door het Kantershofpad; tussen de denkbeeldig lijn die loopt door de wegas van het deel van de Kouwenoordweg dat parallel ligt aan het Geerdinkhofpad en de Weespertrekvaart, door de Gaasperdammerweg (A9); aan de noordoostzijde door de Weespertrekvaart; aan de noordwestzijde door een denkbeeldige lijn die door de middelpunten van de bruggen met nummers 1134 en 1135 loopt; aan de zuidwestzijde: tussen de brug met nummer 1135 en het Kantershofpad, door een denkbeeldige lijn die door de wegas van de ’s Gravendijkdreef loopt; tussen het Kantershofpad en de Gaasperdammerweg (A9), door een denkbeeldige lijn die loopt door de wegas van het deel van de Kouwenoordweg dat parallel ligt aan het Geerdinkhofpad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen de Kantershof te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1103 RR alle 1104 GN alle 1104 HH alle 1103 SB 46 1104 GP alle 1104 HJ alle 1104 DN alle 1104 GR alle 1104 JA alle 1104 DP alle 1104 GS alle 1104 JB alle 1104 GA alle 1104 GT alle 1104 JC alle 1104 GB alle 1104 GV alle 1104 JD alle 1104 GC alle 1104 GW alle 1104 JE alle 1104 GD alle 1104 GX alle 1104 JG alle 1104 GE alle 1104 GZ alle 1104 JJ alle 1104 GG alle 1104 HA alle 1104 JH alle 1104 GH alle 1104 HB alle 1104 JK alle 1104 GJ alle 1104 HC alle 1104 JL alle 1104 GK alle 1104 HD alle 1104 JM alle 1104 GL alle 1104 HE alle 1104 JN alle 1104 GM alle 1104 HG alle 1104 RA alle Afbeelding 6.4.a.a – Ligging Kantershof in Amsterdam Afbeelding 6.4.a.b – Detailweergave van Kantershof B. Rechte H-buurt Het deelgebied Rechte H-buurt wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel b aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan noordwestzijde door de Hoogoorddreef; aan de noordoostzijde door de Flierbosdreef; aan de zuidoostzijde door de Karspeldreef; en aan de zuidwestzijde door het Abcouderpad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen de Rechte H-buurt te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1102 CA alle 1102 EH alle 1102 GM alle 1102 CB alle 1102 EJ alle 1102 GN alle 1102 CC alle 1102 EK alle 1102 GP alle 1102 CD alle 1102 EL alle 1102 GR alle 1102 CE alle 1102 EM alle 1102 HA alle 1102 CG alle 1102 EN alle 1102 HB alle 1102 CH alle 1102 EP alle 1102 HC alle 1102 CJ alle 1102 ER alle 1102 HD alle 1102 CK alle 1102 GA alle 1102 HE alle 1102 CL alle 1102 GB alle 1102 HG alle 1102 CM alle 1102 GC alle 1102 HH alle 1102 CN alle 1102 GD alle 1102 HJ alle 1102 EA alle 1102 GE alle 1102 HK alle 1102 EB alle 1102 GG alle 1102 HL alle 1102 EC alle 1102 GH alle 1102 HM alle 1102 ED alle 1102 GJ alle 1102 HN alle 1102 EE alle 1102 GK alle 1102 EG alle 1102 GL alle Afbeelding 6.4.b.a – Ligging Rechte H-buurt in Amsterdam Afbeelding 6.4.b.b – Detailweergave van de Rechte H-buurt C. Hakfoort-Huigenbos Het deelgebied Hakfoort-Huigenbos wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel c aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de noordnoordwestzijde door de Karspeldreef; aan de oostnoordoostzijde door de Huntumdreef; aan de zuidzuidoostzijde door de autosnelweg A9; en aan de westzuidwestzijde door het metrospoor waaraan het station Bullewijk is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen Hakfoort-Huigenbos te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer 1102 BX alle 1102 KA alle 1102 LA alle 1102 LB alle 1102 SB alle 1102 SC alle 1102 SE alle Afbeelding 6.4.c.a – Ligging Hakfoort-Huigenbos in Amsterdam Afbeelding 6.4.c.b – Detailweergave van Hakfoort-Huigenbos D. Hoptille Het deelgebied Hoptille wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel d aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de noordnoordwestzijde door de Hoogoorddreef; aan de oostnoordoostzijde door het Abcouderspad; aan de zuidzuidoostzijde door de Karspeldreef; en aan de westzuidwestzijde door het metrospoor waaraan het station Bullewijk is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen Hoptille te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1102 BK alle 1102 NH alle 1102 PG alle 1102 BS alle 1102 NJ alle 1102 PH alle 1102 CS alle 1102 NK alle 1102 PJ alle 1102 CX alle 1102 NL alle 1102 PL alle 1102 CZ alle 1102 NM alle 1102 PN alle 1102 NA alle 1102 NN alle 1102 PP alle 1102 NB alle 1102 NP alle 1102 PR alle 1102 NC alle 1102 PA alle 1102 PS alle 1102 ND alle 1102 PB alle 1102 PT alle 1102 NE alle 1102 PC alle 1102 NG alle 1102 PE alle Afbeelding 6.4.d.a – Ligging Hoptille in Amsterdam Afbeelding 6.4.d.b – Detailweergave van Hoptille E. G-buurt oost Het deelgebied G-buurt oost wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel e aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de noordwestzijde door het deel van de Provinciale weg dat in noordoostelijke richting loopt; aan de noordoostzijde door de Weespertrekvaart; aan de zuidoostzijde: tussen de Weespertrekvaart en ’s Gravendijkdreef door een denkbeeldige lijn die door de middelpunten van de bruggen met nummers 1134 en 1135 loopt; tussen de ’s Gravendijkdreef en het metrospoor waaraan het station Ganzenhoef ligt door de Bijlmerdreef aan de zuidwestzijde: tussen een denkbeeldige lijn die door de middelpunten van de bruggen met nummers 1134 en 1135 loopt en de Bijlmerdreef door ’s Gravendijkdreef; tussen de Bijlmerdreef en het deel van de Provinciale weg dat in noordoostelijke richting loopt door het metrospoor waaraan het station Ganzenhoef ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen G-buurt oost te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1103 JZ alle 1103 LG alle 1103 PL alle 1103 KA alle 1103 LH alle 1103 PM alle 1103 KB alle 1103 LJ alle 1103 PN alle 1103 KC alle 1103 LK alle 1103 PP alle 1103 KD alle 1103 LL alle 1103 PR alle 1103 KE alle 1103 LM alle 1103 PS alle 1103 KG alle 1103 LN alle 1103 PT alle 1103 KH alle 1103 LP alle 1103 PV alle 1103 KJ alle 1103 LR alle 1103 PW alle 1103 KK alle 1103 LS alle 1103 PX alle 1103 KL alle 1103 LT alle 1103 PZ alle 1103 KM alle 1103 LV alle 1103 RA alle 1103 KN alle 1103 LW alle 1103 RB alle 1103 KP alle 1103 LX alle 1103 RC alle 1103 KR alle 1103 LZ alle 1103 RD alle 1103 KS alle 1103 NA alle 1103 RE alle 1103 KT alle 1103 NB alle 1103 RG alle 1103 KV alle 1103 PA alle 1103 RH alle 1103 KW alle 1103 PB alle 1103 RJ alle 1103 KX alle 1103 PC alle 1103 RK alle 1103 KZ alle 1103 PD alle 1103 RL alle 1103 LA alle 1103 PE alle 1103 RM alle 1103 LB alle 1103 PG alle 1103 RN alle 1103 LC alle 1103 PH alle 1103 RP alle 1103 LD alle 1103 PJ alle 1103 SB Alle, behalve 46 1103 LE alle 1103 PK alle 1103 SE alle Afbeelding 6.4.e.a – Ligging G-buurt oost in Amsterdam Afbeelding 6.4.e.b – Detailweergave van G-buurt oost F. Holendrecht-Zuid Het deelgebied Holendrecht-Zuid wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel f aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de noordnoordoostzijde: tussen het metrospoor waaraan het station Holendrecht ligt en het Abcouderpad door de Holendrechtdreef; tussen het Abcouderpad en de Meerkerkdreef door het Meibergpad; aan de oostnoordoostzijde tussen de Holendrechtdreef en Meibergpad door het Abcouderpad; aan de oostnoordoosttzijde en aan de noordzijde tussen het Meibergpad en de Reigersbosdreef door de Meerkerkdreef; aan de oostzijde door de Reigersbosdreef; aan de zuidzijde door het metrospoor waaraan het station Reigersbos is gelegen; aan de zuidzijde door het metrospoor waaraan het station Reigersbos is gelegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen Holendrecht-Zuid noord te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1106 HX alle 1106 KS alle 1106 VE alle 1106 HZ alle 1106 KT alle 1106 VG alle 1106 JA alle 1106 KV alle 1106 VH alle 1106 JB alle 1106 KW alle 1106 VJ alle 1106 JC alle 1106 KX alle 1106 VK alle 1106 JD alle 1106 KZ alle 1106 VL alle 1106 JE alle 1106 LA alle 1106 VM alle 1106 JG alle 1106 LB alle 1106 VN alle 1106 JH alle 1106 LC alle 1106 VP alle 1106 JJ alle 1106 LD alle 1106 VR alle 1106 JK alle 1106 LE alle 1106 VS alle 1106 JL alle 1106 LG alle 1106 VT alle 1106 JM alle 1106 LH alle 1106 VV alle 1106 JN alle 1106 LJ alle 1106 VW alle 1106 JP alle 1106 LK alle 1106 VX alle 1106 JR alle 1106 LL alle 1106 VZ alle 1106 JS alle 1106 LM alle 1106 XA alle 1106 JT alle 1106 TG alle 1106 XB alle 1106 JV alle 1106 TH alle 1106 XC alle 1106 JW alle 1106 TJ alle 1106 XD alle 1106 JX alle 1106 TK alle 1106 XE alle 1106 JZ alle 1106 TL alle 1106 XG alle 1106 KA alle 1106 TM alle 1106 XH alle 1106 KB alle 1106 TN alle 1106 XJ alle 1106 KC alle 1106 TP alle 1106 XK alle 1106 KD alle 1106 TR alle 1106 XL alle 1106 KE alle 1106 TS alle 1106 XM alle 1106 KG alle 1106 TT alle 1106 XN alle 1106 KH alle 1106 TV alle 1106 XP alle 1106 KJ alle 1106 TW alle 1106 XR alle 1106 KK alle 1106 TX alle 1106 XS alle 1106 KL alle 1106 TZ alle 1106 XT alle 1106 KM alle 1106 VA alle 1106 XV alle 1106 KN alle 1106 VB alle 1106 XW alle 1106 KP alle 1106 VC alle 1106 XX alle 1106 KR alle 1106 VD alle 1106 XZ alle Afbeelding 6.4.f.a – Ligging Reigersbos noord in Amsterdam Afbeelding 6.4.f.b – Detailweergave van Reigersbos noord G. Reigersbos centrum Het deelgebied Reigersbos centrum wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel g aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de noordzijde door het Ruiseveenpad totdat deze samengaat met het Puiflijkpad, daarna door het Puiflijkpad; aan de oostzijde door het Ravenswaaipad ; aan de westzijde door de Reigersbosdreef; aan de zuidzijde en oostzijde door het waterlichaam met de naam Snellerwaardgracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen Reigersbos Centrum te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode huisnummer Postcode huisnummer 1106 AM alle 1107 EB alle 1106 AN alle 1107 EC alle 1106 AP alle 1107 EG alle 1106 AR alle 1107 EJ 3, 7, 9, 11 1106 AS alle 1107 ES alle 1106 AT alle 1107 ET alle 1106 AV alle 1107 EV alle 1106 AX alle 1107 EW alle 1107 EA alle 1107 EX alle Afbeelding 6.4.g.a – Ligging Reigersbos centrum in Amsterdam Afbeelding 6.4.g.b – Detailweergave van Reigersbos centrum H. Venserpolder west Het deelgebied Venserpolder west wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel h aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de zuidwestzijde door het treinspoor dat in noordwestelijke richting door het station Duivendrecht loopt. aan de westzijde door het uit zuidoostelijk richting komende in oostelijke richting afbuigende treinspoor dat het dichtst tegen de Dalsteindreef, de Alexander Dumaslaan en de Boris Pasternakstraat aan ligt en dat de treinsporen die in noordwestelijke en noordoostelijke richting lopen verbindt; aan de noordwestzijde door het trein spoor dat in noordoostelijke richting vanuit het station Duivendrecht loopt; aan de noordoostzijde door de Dolingadreef; en aan de zuidoostzijde door de Burgemeester Stramanweg;</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen Venserpolder west te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1102 RA alle 1102 TC alle 1102 VH alle 1102 RB alle 1102 TD alle 1102 VJ alle 1102 RC alle 1102 TE alle 1102 VK alle 1102 RD alle 1102 TG alle 1102 VN alle 1102 RE alle 1102 TH alle 1102 VM alle 1102 RG alle 1102 TJ alle 1102 VL alle 1102 RH alle 1102 TK alle 1102 VP alle 1102 RJ alle 1102 TL alle 1102 VR alle 1102 RK alle 1102 TM alle 1102 VS alle 1102 RL alle 1102 TN alle 1102 VT alle 1102 RM alle 1102 TP alle 1102 VV alle 1102 RS alle 1102 TR alle 1102 VX alle 1102 RT alle 1102 TS alle 1102 VW alle 1102 RV alle 1102 TT alle 1102 VZ alle 1102 RW alle 1102 TV alle 1102 WB alle 1102 RX alle 1102 TW alle 1102 WD alle 1102 RZ alle 1102 TX alle 1102 WE alle 1102 SR alle 1102 TZ alle 1102 WG alle 1102 ST alle 1102 VA alle 1102 WH alle 1102 SV alle 1102 VB alle 1102 WJ alle 1102 SW alle 1102 VC alle 1102 WK alle 1102 SX alle 1102 VD alle 1102 WL alle 1102 TA alle 1102 VE alle 1102 WN alle 1102 TB alle 1102 VG alle Afbeelding 6.4.h.a – Ligging Venserpolder west in Amsterdam Afbeelding 6.4.h.b – Detailweergave van de Venserpolder west I. Venserpolder oost Het deelgebied Venserpolder oost wordt, onder verwijzing naar deze bijlage, in artikel 6.4, onderdeel i aangewezen. Dit deelgebied wordt als volgt begrensd: aan de noordwestzijde door de Dalsteindreef; aan de zuidwestzijde door de Dollingadreef; aan de zuidoostzijde door de Daalwijkdreef; aan de noordoostzijde door de Dubbelinkdreef;</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende postcode en huisnummercombinaties worden geacht binnen Venserpolder oost te vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1102 AG alle 1102 XE alle 1102 ZA alle 1102 AJ alle 1102 XG alle 1102 ZB alle 1102 AL alle 1102 XH alle 1102 ZC alle 1102 AM alle 1102 XJ alle 1102 ZD alle 1102 AR alle 1102 XK alle 1102 ZE alle 1102 AS alle 1102 XL alle 1102 ZG alle 1102 WP alle 1102 XM alle 1102 ZH alle 1102 WR alle 1102 XN alle 1102 ZJ alle 1102 WS alle 1102 XP alle 1102 ZK alle 1102 WT alle 1102 XR alle 1102 ZL alle 1102 WV alle 1102 XS alle 1102 ZM alle 1102 WX alle 1102 XT alle 1102 ZN alle 1102 WZ alle 1102 XV alle 1102 ZP alle 1102 XA alle 1102 XW alle 1102 ZR alle 1102 XB alle 1102 XX alle 1102 ZS alle 1102 XC alle 1102 XZ alle 1102 ZT alle 1102 XD alle Afbeelding 6.4.i.a – Ligging Venserpolder oost in Amsterdam Afbeelding 6.4.i.b – Detailweergave van de Venserpolder oost Bijlage III In artikel 3a.1 van de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen wordt verwezen naar deze bijlage voor het bepalen van deelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudsoverzicht de Bernard Loderbuurt de Reimerswaalbuurt de Banne Noord de Molenwijk de Gentiaanbuurt de Wildemanbuurt de Bernard Loderbuurt Het deelgebied Bernard Loderbuurt is als volgt begrensd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de noordzijde door de Antony Moddermanstraat, tussen de Jan de Louterstraat en de Burgemeester de Vlughtlaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de noord- en oostzijde door de Slotermeerlaan, tussen aan de westzijde de burgemeester de Vlughtlaan en aan de zuidzijde de Burgemeester Vening Meineszlaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de noordzijde door de Burgemeester Vening Meineszlaan, tussen de Slotermeerlaan en de Jacob Melkmanstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de oostzijde door de Jacob Melkmanstraat, tussen de Burgemeester Vening Meineszlaan en de David Vosstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de zuidzijde door een lijn die zowel het noordelijke uiteinde van de David Vosstraat en het oostelijke uiteinde van de Nieuwenhuysenstraat raakt, tussen de Slotermeerlaan en Jacob Melkmanstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de oostzijde door de Slotermeerlaan, tussen de Nieuwenhuysenstraat en Jan de Louterstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de zuid- en westzijde door de Jan de Louterstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart Detailkaart Postcodes en huisnummer De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het deelgebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcodes Huisnummers Postcodes Huisnummers 1063 BA alle 1063 JV alle 1063 BB alle 1063 JW 150 1063 BK alle 1063 KS alle 1063 BL alle 1063 KT alle 1063 BM alle 1063 KV alle 1063 BN alle 1063 KW alle 1063 BP alle 1063 KX 2 t/m 92 (even) 1063 BT alle 1063 LB alle 1063 HZ alle 1063 LC alle 1063 JA alle 1063 LD alle 1063 JB alle 1063 NZ alle 1063 JC alle 1063 PA alle 1063 JD alle 1063 PB alle 1063 JE alle 1063 PC alle 1063 JG alle 1063 PD 55, 57 1063 JH alle 1063 PJ alle 1063 JJ alle 1063 PK alle 1063 JK alle 1063 PL alle 1063 JL alle 1063 PM alle 1063 JM alle 1063 PN alle 1063 JN 105 t/m 133 (oneven) 1063 PP alle 1063 JP Alle 1063 PR alle 1063 JR Alle 1063 PS alle 1063 JS alle 1063 PT alle 1063 JT alle de Reimerswaalbuurt Het deelgebied Reimerswaalbuurt is als volgt begrensd: aan de noordzijde door de Ookmeerweg; aan de oostzijde door het Wevelswalepad; aan de zuidzijde door de Osdorperban; en aan de Westzijde door de Baden Powellweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart Detailkaart Postcodes en huisnummers De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het deelgebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcodes Huisnummers Postcodes Huisnummers 1069 AA alle 1069 BP alle 1069 AB alle 1069 BR alle 1069 AC alle 1069 BS alle 1069 AD alle 1069 BT alle 1069 AE alle 1069 BV alle 1069 AG alle 1069 BW alle 1069 AJ alle 1069 BX alle 1069 AL alle 1069 MP alle 1069 AT alle 1069 MR alle 1069 BB alle 1069 MS alle 1069 BC alle 1069 MT alle 1069 BD alle 1069 MV alle 1069 BE alle 1069 MX alle 1069 BG alle 1069 MZ alle 1069 BH alle 1069 ZR 130 tot en met 138, 698 tot en met 840 (even) 1069 BJ alle 1069 ZT alle 1069 BK alle 1069 ZW alle 1069 BL alle 1069 ZZ alle 1069 BM alle 1069 BN alle de Banne Noord Het deelgebied van Banne Noord is volgt begrensd: aan de zuidwestzijde door de IJdoornlaan; aan de zuidoostzijde door het Noord-Hollandsch Kanaal; aan de noordoostzijde door de Ringweg A10; en aan de noordwestzijde door de sloot die overbrugd wordt door de bruggen met nummers 1729 en 1731.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart Detailkaart Postcodes en huisnummers De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het deelgebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1034JE Alle 1034MX Alle 1034RK Alle 1034KL Alle 1034MZ Alle 1034RL Alle 1034KM Alle 1034NA Alle 1034RM Alle 1034KN Alle 1034NB Alle 1034RN Alle 1034KP Alle 1034NC Alle 1034RP Alle 1034KP Alle 1034ND Alle 1034RR Alle 1034KR Alle 1034NE Alle 1034RS Alle 1034KS Alle 1034NG Alle 1034RT Alle 1034KT Alle 1034NH Alle 1034RV Alle 1034KV Alle 1034NJ Alle 1034RW Alle 1034KW Alle 1034NK Alle 1034RX Alle 1034KX Alle 1034NL Alle 1034RZ Alle 1034KZ Alle 1034NM Alle 1034SB Alle 1034LA Alle 1034NN Alle 1034SC Alle 1034LB Alle 1034NP Alle 1034SE Alle 1034LC Alle 1034NR Alle 1034SG Alle 1034LD Alle 1034NS Alle 1034SH Alle 1034LE Alle 1034NT Alle 1034SJ Alle 1034LG Alle 1034NV Alle 1034SK Alle 1034LH Alle 1034NX Alle 1034SL Alle 1034LJ Alle 1034NZ Alle 1034SM Alle 1034LK Alle 1034PA Alle 1034SN Alle 1034LL Alle 1034PB Alle 1034SP Alle 1034LM Alle 1034PC Alle 1034SR Alle 1034LN Alle 1034PD Alle 1034ST Alle 1034LP Alle 1034PE Alle 1034SV Alle 1034LR Alle 1034PG Alle 1034SW Alle 1034LS Alle 1034PH Alle 1034SX Alle 1034LT Alle 1034PJ Alle 1034SZ Alle 1034LV Alle 1034PL Alle 1034TA Alle 1034LW Alle 1034PK Alle 1034TB Alle 1034LX Alle 1034PM Alle 1034TC Alle 1034LZ Alle 1034PN Alle 1034TD Alle 1034MA Alle 1034PP Alle 1034TE Alle 1034MB Alle 1034PR Alle 1034TG Alle 1034MC Alle 1034PS Alle 1034TH Alle 1034MD Alle 1034PT Alle 1034TJ Alle 1034ME Alle 1034PV Alle 1034TK Alle 1034MG Alle 1034PW Alle 1034TL Alle 1034MH Alle 1034PX Alle 1034TM Alle 1034MJ Alle 1034PZ Alle 1034TN Alle 1034MK Alle 1034RA Alle 1034TP Alle 1034ML Alle 1034RB Alle 1034TR Alle 1034MN Alle 1034RC Alle 1034TS Alle 1034MP Alle 1034RD Alle 1034TT Alle 1034MR Alle 1034RE Alle 1034TV Alle 1034MS Alle 1034RG Alle 1034VA Alle 1034MT Alle 1034RH Alle 1034VB Alle 1034MV Alle 1034RJ Alle 1034VC Alle de Molenwijk Het deelgebied Molenwijk is als volgt begrensd: aan de noordzijde door de Molenaarsweg; aan de oostzijde, door de Molenaarsweg; tussen de Molenaarsweg en de Stellingweg door de sloot tussen basisschool de Krijtmolen en de gebouwen aan het Zuideinde ligt door de delen van de Stellingweg die niet bij de Molenflats eindigen; aan de zuid- en westzijde door de delen van de Stellingweg die niet bij de Molenflats eindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart Detailkaart Postcodes en huisnummers De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het deelgebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummers Postcode Huisnummers Postcode Huisnummers 1035AA alle 1035BJ alle 1035CV alle 1035AB alle 1035BK alle 1035CW alle 1035AC alle 1035BL alle 1035CX alle 1035AD alle 1035BM alle 1035CZ alle 1035AE alle 1035BN alle 1035EA alle 1035AG alle 1035BP alle 1035EB alle 1035AH alle 1035BR alle 1035EC alle 1035AJ alle 1035BS alle 1035ED alle 1035AK alle 1035BT alle 1035EE alle 1035AL alle 1035BV alle 1035EG alle 1035AM alle 1035BW alle 1035EH alle 1035AN alle 1035CA alle 1035EJ alle 1035AP alle 1035CB alle 1035EK alle 1035AR alle 1035CC alle 1035EL alle 1035AS alle 1035CD alle 1035EM alle 1035AT alle 1035CE alle 1035EN alle 1035AV alle 1035CG alle 1035EP alle 1035AW alle 1035CH alle 1035ER alle 1035AX alle 1035CJ alle 1035ES alle 1035AZ alle 1035CK alle 1035ET alle 1035BA alle 1035CL alle 1035EV alle 1035BB alle 1035CM alle 1035BC alle 1035CN alle 1035BD alle 1035CP alle 1035BE alle 1035CR alle 1035BG alle 1035CS alle 1035BH alle 1035CT alle de Gentiaanbuurt Het deelgebied Gentiaanbuurt is als volgt begrensd: aan de noordoostzijde tussen de Gentiaanstraat en de Wingerdweg door het Mosveld; aan de zuidoostzijde tussen het Mosveld en de Hagedoornweg door de Wingerdweg; aan de oostzijde tussen de Wingerdweg en het Hagedoornplein door de Hagedoornweg; aan de zuidzijde tussen het Hagedoornplein en de Silenestraat door de Heimansweg; aan de westzijde tussen de Heimansweg en de Malvastraat door de Silenestraat; aan de noordzijde tussen de Silenestraat en de Hagedoornweg door de Malvastraat; aan de westzijde tussen de Malvastraat en de Gentiaanstraat door de Hagedoornweg; en aan de noordwestzijde tussen de Hagedoornweg en het Mosveld door de Gentiaanstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart Detailkaart De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het deelgebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummers Postcode Huisnummers 1031AB Alle 1031BB Alle 1031AC Alle 1031BC Alle 1031AD 49 t/m 71 oneven 1031BD Alle 1031AG Even 1031BE Alle 1031AL Alle 1031BG Alle 1031AP Alle 1031BH Alle 1031AR Alle 1031BJ Alle 1031AS Alle 1031BK Alle 1031AT Alle 1031BL Alle 1031AV Alle 1031BR Alle 1031AW Alle 1031BS Alle 1031AZ Alle 1031BT Alle 1031BA Alle 1031BW Alle 1031BM Alle 1031BX Alle 1031BN Alle 1031BZ Alle 1031TT Alle 1031TW 2 t/m 30 even 1031VA 2 t/m 16 even de Wildemanbuurt Het deelgebied Wildemanbuurt is als volgt begrensd: aan de Westzijde, tussen de Ookmeerweg en de Osdorpergracht, door de Hoekenesgracht; aan de Westzijde, tussen de Osdorpergracht en de winkelstraat binnen het Osdorpplein ten zuiden van bouwblokken GH15 en GH64, de westzijde van het Osdorpplein; aan de zuidzijde, tussen de Hoekenesgracht en de westzijde van het Osdorpplein, door de Osdorpergracht; aan de zuidzijde, tussen de westzijde van het Osdorpplein en de Meer en Vaart, door de winkelstraat binnen het Osdorpplein ten zuiden van bouwblokken GH15 en GH64; aan de oostzijde, tussen de winkelstraat binnen het Osdorpplein ten zuiden van bouwblokken GH15 en GH 64 en de Osdorperban, de Meer en Vaart; aan de oostzijde, tussen de Osdorperban en de Ookmeerweg, de Geer Ban; aan de noordzijde, tussen de Meer en Vaart en de Geer ban, de Osdorperban; aan de noordzijde, tussen de Geer Ban en de Hoekenesgracht, de Ookmeerweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart Detailkaart Postcodes en huisnummers Alle huisnummers binnen de volgende postcodes worden geacht binnen het deelgebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1068AB 1068XB 1068BA 1068LD 1068CA 1068MB 1068AC 1068XC 1068BB 1068LE 1068CB 1068MC 1068AD 1068XD 1068BC 1068LJ 1068CC 1068MD 1068AE 1068XE 1068BD 1068LK 1068DB 1068ME 1068AJ 1068XH 1068BE 1068LL 1068DC 1068MG 1068AG 1068XG 1068BG 1068LM 1068DD 1068MH 1068AH 1068XJ 1068BH 1068LN 1068DJ 1068MJ 1068AK 1068XK 1068BJ 1068LP 1068DG 1068MK 1068AL 1068XL 1068BK 1068LS 1068DH 1068ML 1068AM 1068XM 1068BL 1068LR 1068DK 1068MT 1068AN 1068XN 1068BM 1068LT 1068DL 1068SL 1068AP 1068XP 1068BN 1068LV 1068DE 1068SM 1068AR 1068XR 1068BP 1068LW 1068DM 1068SR 1068AS 1068XS 1068BR 1068LX 1068DN 1068ST 1068AT 1068XT 1068BS 1068LZ 1068DP 1068SW 1068AV 1068XV 1068BT 1068ZA 1068DR 1068PP 1068AW 1068XW 1068BV 1068ZB 1068DS 1068PR 1068AX 1068XX 1068BW 1068ZC 1068DT 1068PN 1068AZ 1068XZ 1068BX 1068ZD 1068DV 1068EA 1068EH 1068BZ 1068ZE 1068DW 1068EB 1068EN 1068ZG 1068DX 1068EC 1068EP 1068ZH 1068DZ 1068ED 1068ER 1068ZJ 1068MA 1068EE 1068ES 1068EJ 1068ET 1068EG 1068EV Bijlage IV In artikel 3b.1 van de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen wordt verwezen naar bijlage voor bepalen van de deelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudsoverzicht Buikslotermeer Noord Deelgebieden A. Buikslotermeer Noord Het deelgebied Buikslotermeer Noord, waarbinnen de subsidiabele activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3b.3, plaats dienen te vinden is als volgt begrenst: aan de noordwestzijde door de Nieuwe Leeuwarderweg; aan de noordoostzijde tussen de Wieden en de H.Cleyndertweg door de Bakkerswaal en tussen de H.Cleyndertweg en de Nieuwe Leeuwarderweg door een denkbeeldige rechte lijn die in het verlengde van weg-as van Bakkerswaal ligt; aan de zuidoostzijde tussen Bakkerswaal en Dijkwater door de Wieden en tussen Dijkwater en de IJdoornlaan door de H.Cleyndertweg; aan de zuidwestzijde tussen de Wieden en de H.Cleyndertweg door Dijkwater en tussen de H.Cleynderweg en de Nieuwe Leeuwarderweg door de IJdoornlaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 3b.a.a – overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Buikslotermeer Noord’ gemarkeerd Figuur 3b.a.a – detailkaart met het gebied Buikslotermeer Noord gemarkeerd De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het gebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummers 1025 CX Alle 1025 CZ Alle 1025 DA 2 t/m 42 even 1025 DE Alle 1025 DG Alle 1025 DH Alle 1025 DJ Alle 1025 DK Alle 1025 DL Alle 1025 EG Alle 1025 EH Alle 1025 EJ Alle Bijlage V:Prioriteitsbuurten van het isolatieoffensief De gemeente geeft binnen de isolatieoffensief prioriteit aan de verduurzaming van woningen met een hoge warmtevraag in buurten met veel sociaal maatschappelijke opgaven. In het Uitvoeringsplan van het isolatieoffensief en achterliggend onderzoek zijn deze buurten benoemd en wordt beargumenteerd hoe de selectie tot stand is gekomen. Het Uitvoeringsplan is op 17 oktober 2023 door het college van B&amp;W aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buurtnaam Stadsdeel Planciusbuurt-Zuid Centrum Osdorpplein e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw-West Riekerhaven Nieuw-West Ruys de Beerenbrouckbuurt Nieuw-West Lodewijk van Deysselbuurt Nieuw-West Van Tijenbuurt Nieuw-West Sloterpark Nieuw-West Noordoever Sloterplas Nieuw-West Overtoomse Veld-Noord Nieuw-West Jacob Geelbuurt Nieuw-West Middelveldsche Akerpolder Nieuw-West Johan Jongkindbuurt Nieuw-West Bedrijvencentrum Osdorp Nieuw-West Zuidwestkwadrant-gespebeNoord Nieuw-West Reimerswaal Nieuw-West Sloterdijk Stationskwartier Nieuw-West Staalmanbuurt Nieuw-West Wildeman Nieuw-West Eendrachtspark Nieuw-West Botteskerkbuurt Nieuw-West Confuciusbuurt Nieuw-West Dijkgraafpleinbuurt Nieuw-West Jan de Louterbuurt Nieuw-West Dobbebuurt Nieuw-West Osdorp-Zuidoost Nieuw-West Louis Chrispijnbuurt Nieuw-West Belgiëplein e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw-West Emanuel van Meterenbuurt Nieuw-West Delflandpleinbuurt-Oost Nieuw-West Calandlaan/Lelylaan Nieuw-West Nieuwe Meer Nieuw-West Ookmeer Nieuw-West Zuidwestkwadrant-Zuid Nieuw-West Oostoever Sloterplas Nieuw-West Meer en Oever Nieuw-West Bakemabuurt Nieuw-West Dudokbuurt Nieuw-West Wegener Sleeswijkbuurt Nieuw-West Dichtersbuurt Nieuw-West Louis Couperusbuurt Nieuw-West Arondeusbuurt Nieuw-West Coronelbuurt Nieuw-West Meerwaldtbuurt Nieuw-West Werengouw-Midden Noord Tuindorp Nieuwendam-Oost Noord Bloemenbuurt-Noord Noord Banne-Noordwest Noord IJplein e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noord Markengouw-Midden Noord De Kleine Wereld Noord Markengouw-Zuid Noord Banne-Zuidwest Noord Blauwe Zand Noord Tuindorp Nieuwendam-West Noord Plan van Gool Noord Terrasdorp Noord Molenwijk Noord Vogelbuurt-Zuid Noord Van der Pekbuurt Noord Bloemenbuurt-Zuid Noord Banne-Noordoost Noord Vogelbuurt-Noord Noord Tuindorp Oostzaan-Oost Noord Elzenhagen-Zuid Noord Werengouw-Zuid Noord Vliegenbos Noord NDSM terrein Noord Banne-Zuidoost Noord Tuindorp Oostzaan-West Noord Loenermark Noord Buikslotermeerplein Noord Betondorp Oost Makassarpleinbuurt Oost Sumatraplantsoenbuurt Oost Ambonpleinbuurt Oost Tuindorp Amstelstation Oost Van der Kunbuurt Oost Science Park-Zuid Oost Baaibuurt-West Oost Tuindorp Frankendael Oost Sportheldenbuurt Oost Havenkwartier IJburg Oost Transvaalbuurt-West Oost Dapperbuurt-Noord Oost Oostpoort Oost Oosterparkbuurt-Zuidwest Oost Nieuwe Oosterbegraafplaats Oost Oosterpark Oost Sportpark Middenmeer-Noord Oost Drieburg Oost Weesp-Zuid I Weesp Hogewey-Zuid Weesp Hogewey-Midden Weesp Mercatorpark West Gibraltarbuurt West Borgerbuurt West Kolenkitbuurt-Noord West Spaarndammerbuurt-Noordwest West Robert Scottbuurt-Oost West Spaarndammerbuurt-Zuidwest West Orteliusbuurt-Noord West Orteliusbuurt-Midden West Columbusplein e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">West Trompbuurt West Robert Scottbuurt-West West De Wittenbuurt-Zuid West Jan Maijenbuurt West Landlust-Noord West Bedrijventerrein Landlust West Pieter van der Doesbuurt West Van Brakelkwartier West Spaarndammerbuurt-Noordoost West Balboaplein e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">West Orteliusbuurt-Zuid West Spaarndammerbuurt-Midden West Geuzenhofbuurt West Staatsliedenbuurt-Noordoost West Erasmusparkbuurt-Oost West Landlust-Zuid West De Wester Quartier West John Franklinbuurt West Kolenkitbuurt-Zuid West Bosleeuw West Burgemeester Tellegenbuurt-Oost Zuid Burgemeester Tellegenbuurt-West Zuid Rijnbuurt-West Zuid Marathonbuurt-West Zuid Diamantbuurt Zuid Rijnbuurt-Midden Zuid Rijnbuurt-Oost Zuid IJsbaanpad e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuid Olympisch Stadion e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuid Marathonbuurt-Oost Zuid Kromme Mijdrechtbuurt Zuid Bertelmanpleinbuurt Zuid Van Tuyllbuurt Zuid IJselbuurt-West Zuid IJselbuurt-Oost Zuid Zorgvlied Zuid Bijlmermuseum-Zuid Zuidoost Venserpolder-West Zuidoost Amsterdamse Poort Zuidoost Reigersbos 1 Zuidoost Gein 2 Zuidoost De Kameleon e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuidoost K-buurt-Zuidwest Zuidoost Reigersbos 2 Zuidoost Holendrecht-Zuid Zuidoost Hakfort/Huigenbos Zuidoost Hoptille Zuidoost Amstel III deel A/B-Zuid Zuidoost Kelbergen Zuidoost Reigersbos 3 Zuidoost Gein 1 Zuidoost K-buurt-Zuidoost Zuidoost G-buurt-Noord Zuidoost Bijlmermuseum-Noord Zuidoost Kortvoort Zuidoost Venserpolder-Oost Zuidoost D-buurt Zuidoost Holendrecht-West Zuidoost Kantershof Zuidoost F-buurt Zuidoost Gein 4 Zuidoost Rechte H-buurt Zuidoost Reigersbos 4 Zuidoost G-buurt-West Zuidoost L-buurt Zuidoost Vogeltjeswei Zuidoost Toelichting Algemene toelichting Inleiding De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de stad versnellen. De op 3 maart 2020 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 geeft uitdrukking aan die ambitie en stippelt de weg erheen aan de hand van een viertal transitiepaden uit. Het woord transitie verwijst naar de transitie van CO2 (en equivalenten) uitstotende manieren van dingen doen naar manieren van dingen doen die geen CO2 (of equivalenten) uitstoten en daarmee een vrijwel verwaarloosbare invloed op het klimaat hebben, ook wel klimaatneutraal genoemd. De gebouwde omgeving is één van die transitiepaden. Dit transitiepad is verantwoordelijk voor 25% van de Amsterdamse CO2 uitstoot. Deze subsidieregeling is er op gericht om de versnelling op dit transitiepad te realiseren. In de verschillende hoofdstukken van deze regeling worden subsidies voor verschillende doelgroepen en verschillende aspecten van deze verduurzaming van de gebouwde omgeving geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorgeschiedenis De gemeente Amsterdam heeft al jaren verschillende subsidies beschikbaar om mensen aan te moedigen om hun in Amsterdam gelegen vastgoed te verduurzamen of het nu ging om isolatie, dubbel glas, duurzame nieuwbouw of aardgasvrij. De regeling zelf is het resultaat van een naamswijziging van de, op 19 november 2019 door het college van B&amp;W vastgestelde, subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij Amsterdam, naar subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen. Deze naamswijziging was nodig om de subsidieregeling een naam te geven die bredere inhoud (breder dan aardgasvrij) van de regeling en de toekomstige ontwikkelingen op dit gebied dekt. Ook komt de regeling dan beter te passen in het subsidielandschap op het gebied van duurzaamheid dat bestaat uit: Subsidieregeling duurzame Amsterdamse energie, duurzame Amsterdamse vervoersmiddelen, duurzame Amsterdamse gebouwen en Groen in Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient noot dat de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij Amsterdam op zichzelf al een opvolger was van de subsidieregeling Amsterdam aardgasvrij, die op 31 december 2019 is komen te vervallen en die op zichzelf weer het resultaat was van een naamswijziging van de subsidieregeling Amsterdam aardgasloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regelingsstructuur De regeling bevat in verschillende hoofdstukken subsidies voor verschillende onderwerpen. Hoofdstukken 1 tot 4 gaan over het aardgasvrij maken van bestaande gebouwen. Hoofstuk 5 gaat over de verduurzaming van de nieuwbouw in bepaalde delen van de stad. Hoofdstuk 6 gaat over het combineren van het wegwerken van achterstallig onderhoud en met het behalen van een aantal labelstappen in bestaande bouw in bepaalde delen van de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstukken 1 tot 4 Aardgasvrij Met de laatste naamswijziging zijn de structuur en inhoud van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij behouden gebleven. De aardgasvrij regeling heeft zijn plaats gekregen in hoofdstuk 1 tot 4 van deze regeling. Het gaat nadrukkelijk om tot 4, zodat hoofdstuk 4 en de eventuele vervolghoofdstukken er geen onderdeel van zijn, maar de hoofdstukken 3a, 3b, 3c enzovoort wel. Dit deel van de regeling voorziet in de ambitie om specifieke uitwerkingen van de regeling mogelijk te maken voor nader te bepalen gebieden in Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 1 bevat de algemene voorwaarden die gelden voor alle subsidies die op grond van hoofdstukken 1 tot 4 worden gegeven. Hoofdstuk 2 bevat de voorwaarden voor een stadsbrede die geldt voor alle delen van de stad die niet aangewezen zijn in een hoofdstuk waarvan het nummer met een 3 begint. Lees daarover meer bij het hoofdstuk stadsbrede subsidie. De hoofdstukken waarvan het nummer met 3 begint bevatten techniekafhankelijk voorwaarden die gelden subsidieaanvragen voor vastgoed dat gelegen is in de deelgebieden die dat hoofdstuk zijn aangewezen. In de bijlagen bij de regeling worden de deelgebieden, die samen het werkingsgebied van ieder van de hoofdstuk vormen, precies omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan op verschillende niveaus gevarieerd worden in de subsidievoorwaarden. 1. Op het niveau van de algemene voorwaarden, zoals bepaalt in hoofdstuk 1, zodat een voorwaarde voor alle subsidieaanvragen geldt. 2. Op gebiedsniveau, zodat een voorwaarde voor het gebied in dat hoofdstuk en dus voor alle gevallen waar die specifieke voorkeurstechniek bestaat geldt. 3. Op deelgebiedsniveau, zodat een voorwaarde uitsluitend voor één deelgebied geldt. Vanuit het oogpunt van de gelijke en eenvoudige behandeling van aanvragen is het streven om zoveel mogelijk zaken op het niveau van de algemene voorwaarden te regelen, maar sommige zaken moeten nu eenmaal iets specifieker bepaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepalen van die afwijkende subsidievoorwaarden gebeurt op basis van de uitkomsten van de voor dat gebied bepaalde wijkaanpak. In de wijkaanpak wordt samen met de eigenaren, gebruikers en partijen die de infrastructuur aanleggen en beheren gezocht naar de beste oplossing voor de hele wijk om de stap (en eventuele tussenstappen) naar aardgasvrij te maken. Dit vraagt om een complexe belangenafweging met betrekking tot de volgende zaken: de breed gedragen voorkeuren van eigenaren en gebruikers in een gebied voor een specifiek alternatief; de isolatiegraad van bestaand vastgoed; het beschermde of monumentale karakter van het bestaand vastgoed; renovatieplannen van vastgoedeigenaren; de geschiktheid van inpandige installaties in bestaand vastgoed voor bepaalde aardgas alternatieven; de geschiktheid van bestaande bouwkundige constructies voor bepaalde aardgas alternatieven; de mate van afschrijving die gedaan is op de aanwezige aardgasverbrandingsinstallaties; de mate waarin het eigendom van bestaande gebouwen is gefragmenteerd; de investeringsbereidheid en -gereedheid van eigenaren van de bestaande gebouwen; de mate waarin verhuurders instemming van huurders nodig hebben en kunnen krijgen voor alternatieven voor aardgas; de uitvoeringscapaciteit van installatiebedrijven; de ligging en nabijheid van potentiële alternatieve warmtebronnen; de beperkte beschikbaarheid van potentiële alternatieve warmtebronnen; de ontwikkeling en stimulering van alternatieve warmtebronnen; de ligging en nabijheid van potentiële alternatieve energieinfrastructuur; de geschiktheid van bestaande energieinfrastructuur voor de implementatie van alternatieven; de hoeveelheid vastgoed of het percentage van vastgoed dat minimaal moet kiezen voor een collectieve oplossing om de aanleg ervan rendabel en betaalbaar te maken. de mate van afschrijving op de bestaande energieinfrastructuur; de investeringsbereidheid en -gereedheid van partijen die energieinfrastructuur aanleggen en beheren; de uitvoeringscapaciteit bij de partijen die de energieinfrastructuur aanleggen en beheren; de onderhoudsplanning voor bestaande ondergrondse infrastructuur; de mate waarin de bestaande inrichting van de openbare ruimte is afgeschreven; de onderhoudsplanning voor de openbare ruimte in het gebied; de hoeveelheid beschikbare ruimte in de ondergrond voor de aanleg van alternatieve of supplementaire energieinfrastructuur; de ontwikkelingsplannen van de gemeente in nabijgelegen gebieden; de verkeerkundige consequenties van de aanleg van alternatieve infrastructuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">de bedrijfsvoeringsconsequenties voor bestaande ondernemers van de aanleg van alternatieve infrastructuur. het wettelijke kader en de beschikbare juridische instrumenten die betrekking hebben op de energietransitie; de algemene stand van de techniek voor alternatieve warmtebronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn er nog zaken die niet specifiek zijn voor ieder (deel)gebied, maar met het verstrijken van tijd kunnen veranderen en kunnen leiden tot aanzienlijke verschillen tussen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel van de voorgenoemde zaken treffen belangen die aanmerkelijk breder zijn dan het belang van de eigenaar of gebruiker van het vastgoed die subsidie kan aanvragen op basis van een gebiedsgerichte uitwerking. Deze belangen in overweging nemende, is het te rechtvaardigen dat verschillende voorwaarden worden bepaald in verschillende gebieden. Voorbeelden van voorwaarden waarin gevarieerd kan worden, zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het subsidieplafond voor een (deel)gebied, zodat dat aansluit bij het aantal gebouwen in het gebied en de te verwachten te verlenen subsidie per gebouw. Dit is ter voorkoming van reservering van grote hoeveelheden gemeentemiddelen voor gebouwen in (delen van) gebieden waarvan de uitvoering niet binnen afzienbare tijd zal beginnen of waar subsidieaanvragen niet mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten waarvoor subsidie aangevraagd kan worden, zodat gericht voorkeursalternatieven kunnen worden gestimuleerd en het subsidiëren van tussenoplossingen en deeloplossingen mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie, zodat deze beter aansluit bij de te verwachten kosten voor de installatie van het voorkeursalternatief in het vastgoed in het gebied of zodat een vast subsidiebedrag in plaats van een maximaal subsidiebedrag bepaald kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functies van de gebouwen waarvoor subsidie beschikbaar gesteld kan worden, zodat naast woningen ook bestaande maatschappelijke organisaties of kleine ondernemingen in een bepaald gebied gestimuleerd kunnen worden om de transitie te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragers, zodat bijvoorbeeld uitgesloten kan worden dat aanvragers een winstoogmerk hebben of zodat verzekerd kan worden dat aanvragen uitsluitend vanuit VvE verband gedaan kunnen worden om de besturen van de in het gebied aanwezige VvE’s in een stevigere positie te brengen ten opzichte van de deeleigenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in te dienen gegevens, zodat deze aansluiten bij de afwijkende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden, zodat deze beter aansluiten bij de concrete plannen en afspraken die uit de wijkaanpak volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn waarbinnen de subsidie kan worden aangevraagd, zodat eigenaren en bewoners in een gebied gestimuleerd worden om snel de overstap naar het alternatief te maken en de kosten die gemoeid zijn met een functionerend maar deels gebruikte alternatieve verwarmingsinstallatie worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende verplichtingen, zodat deze beter aansluiten bij eventuele andere activiteiten en de concrete afspraken die uit de wijkaanpak volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverklaring en staatssteun Op 2 juni 2020 heeft het college van B&amp;W met het oog op grotere aanvragen van vastgoedbezitters voor aardgasvrij subsidie (zoals geregeld in hoofdstukken 1 tot 4) besloten om minder dwingend te zijn met betrekking tot de de-minimisverklaring. Als gevolg daarvan is de de-minimisverklaring in deze gevallen geen gedwongen weigeringsgrond meer. Het voldoen aan de de-minimisvereisten is een ‘kan’ bepaling geworden. De bedoeling hiervan is dat het college aanvragers van subsidie, geen toegelaten instellingen zijnde, die subsidie aanvragen voor meerdere woningen of meerdere bedrijfs- of maatschappelijke ruimten, waardoor er meer dan €200.000,- gemoeid zou zijn, niet direct meer weigert. In de plaats daarvan onderzoekt en bepaalt het college in die individuele gevallen of er vanuit de artikel 107 of 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (of daarop gebaseerde regelgeving en richtlijnen) beperkingen worden opgelegd. Het college zal bij de verlening rekening houden met deze beperkingen en daardoor de subsidie mogelijk lager of zelfs op nihil verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stadsbrede subsidie (hoofdstuk 2) De eerste en uitzonderlijke gebiedsgerichte aardgasvrije subsidie ligt besloten in hoofdstuk 2. Het werkingsgebied voor dit hoofdstuk betreft de gehele stad, met uitzondering van gebieden die in andere hoofdstukken zijn aangewezen. Zodra er een gebiedsgerichte uitwerking voor een gebied bestaat, is het voor eigenaren en gebruikers van vastgoed in dat gebied dus in principe niet meer mogelijk om subsidie aan te vragen voor dat vastgoed op basis van de stadsbrede regeling in hoofdstuk 2. Als vanzelfsprekend is het ook niet mogelijk om subsidie aan te vragen op basis van de voorwaarden die voor een ander gebied gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stadsbrede hoofdstuk fungeert als een waarborg dat iedereen die slechts een appartement of enkele gebouwen bezit aanspraak kan maken op subsidie voor het aardgasvrij maken van zijn of haar gebouwen. Grote vastgoedbezitter met meer dan 20 verblijfsobjecten in hun bezit zijn kunnen geen gebruik maken van de stadsbrede subsidie. Deze partijen worden geacht mee te werken aan het stand brengen van gebiedsgerichte oplossingen. Het grote werkingsgebied van dit hoofdstuk laat weinig ruimte voor maatwerk en de maximale subsidiebedragen zijn aan de lage kant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de inwerkingtreding van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij voorzag de stadsbrede regeling uitsluitend in subsidie voor het aardgasvrij maken van woningen. Met de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit duurzame Amsterdamse gebouwen is het ook voor bedrijven en maatschappelijke organisaties, binnen het werkingsgebied van hoofdstuk 2, mogelijk geworden om aanspraak te maken op subsidie voor het aardgasvrij maken van bedrijfsruimten en maatschappelijk vastgoed. Scholen zijn uitgesloten van deze subsidie, omdat voor deze groep een andere subsidie is voorzien. De bedoeling is dat nieuwe gebiedsgerichte uitwerkingen ook zullen voorzien in subsidie voor bedrijfsruimten en maatschappelijk vastgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Warm Amsterdam (hoofdstuk 3) Het op 10 april 2022 door het college vastgestelde hoofdstuk 3 regelt de subsidie voor gebieden waar aansluiting op het stadwarmtenet de voorkeur geniet. Deze voorkeur is een direct gevolg van de Warmtemotor, een samenwerkingsverband gebaseerd op concrete afspraken tussen Vattenfal, de Amsterdamse woningcorporaties en de gemeente Amsterdam om voor 2030 10.000 van het aardgas te halen. Het gebied waar de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van toepassing zijn wordt in zogenaamde tranches uitgebreid. Elke tranche bestaat uit een aantal deelgebieden. Door de vraag in deze gebieden te bundelen onderhandelen de woningcorporaties samen sterker met de exploitant van het warmtenet over de prijs die voor de aansluiting wordt betaalt en de termijn waarbinnen zij hun vastgoed in die gebieden aan zullen sluiten. De gemeente stemt de hoogte van de beschikbare subsidies in elke tranches af op de hoogte van de kosten die geraamd worden. Particulieren en andere eigenaren van vastgoed kunnen onder dezelfde voorwaarden als de corporaties een aansluiting aanvragen en krijgen een gelijke subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Techniekneutraal gebied (hoofdstuk 3a) Op 25 oktober 2022 stelde het college het nieuwe hoofdstuk 3a vast. Dit hoofdstuk was een bundeling van de gebiedsspecifieke uitwerkingen die voorheen in de hoofdstukken met nummers 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3z waren besloten. Bij de bundeling van deze hoofdstukken zijn de voorwaarden zoveel als redelijkerwijs mogelijk geüniformeerd. Dit betekent dat de subsidiabele activiteiten in sommige gevallen iets veranderd zijn. Een belangrijke vereenvoudiging is dat de systematiek van forfaitaire kosten niet meer wordt gebruikt, waardoor het voor aanvragers beter te begrijpen is hoeveel subsidie ze kunnen verwachten. De hoogte en de looptijden van de subsidieplafonds zijn gelijk gebleven. Een aantal uitzonderlijke bepalingen over subsidiabele kosten in de Gentiaanbuurt en de Wildemanbuurt, die voortkomen uit toezeggingen aan de vastgoedbezitters in die gebieden komen ook terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het hoofdstuk de naam techniekneutraal draagt zijn er vanuit de algemene voorwaarden in hoofdstuk 1 wel vereisten aan de techniek die gebruikt wordt om het vastgoed in het gebied van dit hoofdstuk aardgasvrij te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in hoofdstuk 3a gebundelde en dus vervallen hoofdstukken 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3z waren respectievelijk op 2 juni 2020, 2 juni 2020, 26 oktober 2021, 18 januari 2022, 18 januari 2022 en 19 november 2019 door het college vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Riothermie Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld Op 24 januari 2023 heeft het college van B&amp;W met het oog op de concrete plannen en afspraken die voorlagen voor het aardgasvrij maken van delen van het vastgoed in de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld, besloten om een specifieke (i.e. op die buurt gerichte) uitwerking van de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen vast te stellen. Deze subsidie is opgenomen in het nieuwe hoofdstuk 3b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in hoofdstuk 3b voor delen van de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld bepaalde subsidiabele activiteiten wijken af van die in hoofdstuk 2. Door deze afwijking is er uitsluitend subsidie op grond van hoofdstuk 3b als woningen aangesloten worden op het lokale bronnet dat gevoed wordt met behulp van riothermie. Er is gericht een klein gebied aangewezen waar grote zekerheid is over de investeringsbereidheid van de vastgoedbezitters in het lokale bronnet op Riothermie. Het is daarom uitsluitend mogelijk om in dit gebied subsidie te krijgen als aangesloten wordt op het te realiseren bronnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten in de aangewezen delen van de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld vereisen in afwijking van de subsidie in andere gebieden niet dat de woningen direct geheel aardgasvrij worden. Riothermie is een relatief nieuwe techniek, het in de praktijk ervaring opdoen met de toepassing er van op de beoogde schaal is onderdeel van het project. De planvorming het lokale bronnet voorziet in een gefaseerde ontwikkeling van installaties die de capaciteit van de het lokale bronnet om warmte te leveren vergroten. Tegelijkertijd is er sprake van een gefaseerd plan van betrokken vastgoedeigenaren om hun vastgoed aanvullend te isoleren. Dit zal op termijn leiden tot een daling van de warmtevraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totdat beide maatregelen getroffen zijn wordt het verstandig geacht om een gasgestookt alternatief voor de piekvraag en storing te gebruiken en achter de hand te houden. Normaliter wordt een dergelijke gasgestookte achtervang- en piekvoorziening als onderdeel van de installaties in de kosten van de aanleg van het lokale bronnet berekend. Om de kosten voor de aanleg van dit lokale bronnet laag te houden en om de vastgoedeigenaren de tijd te gunnen om de benodigde isolatiemaatregelen door te voeren is gekozen om de bestaande inpandige gasgestookte verwarmingsinstallaties in stand te houden. Aanvullend wordt voorzien in de mogelijkheid om een onzelfstandige woonruimten te subsidiëren om aan te sluiten op het lokale bronnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van deze subsidie wordt bepaald op basis van het aardgasverbruik van de onzelfstandige woonruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een potentieel hoger subsidiebedrag beschikbaar gesteld voor de subsidiabele activiteiten in deze buurt, dan op grond van de stadsbrede subsidie beschikbaar is. Om echter aanspraak te kunnen maken op dit hogere bedrag zullen ook aanzienlijk hogere werkelijk subsidiabele kosten gemaakt moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond voor deze delen van de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld is lager dan de som van de op basis van de afspraken en concrete plannen voor deze buurt verwachte aanvragen gedurende de beperkte periode dat het mogelijk is om subsidie aan te vragen. De reden hiervoor is dat verwacht wordt dat de aanvragers gebruik zullen maken van de Subsidieregeling Aardgasvrij Huurwoningen van het Rijk en daarom uiteindelijk minder subsidie van de gemeente nodig zullen hebben.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Duurzame Nieuwbouw</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Routekaart naar een Klimaatneutrale stad blijken de zeer hoge ambities van de gemeente Amsterdam op het gebied van de duurzaamheid van nieuwbouw. In vele gevallen leiden deze ambities ertoe dat de eisen die gemeente Amsterdam stelt aan deze gebouwen ver boven de wettelijke vereisten liggen. De bovenwettelijke maatregelen zijn vaak duur en voor organisatie die te maken hebben met maximale huurprijzen zijn de kosten voor het realiseren van deze gemeentelijke ambities moeilijk op te brengen. Tegelijkertijd heeft college de ambities om aanzienlijk aandeel van de nieuwbouw te laten bestaan uit sociale huurwoningen. Het college acht het onwenselijk om de duurzaamheidseisen voor sociale huurwoningen lager te maken en daarmee op termijn de minder bedeelden op te zadelen met hogere energierekeningen. Om de partijen die dergelijke woningen realiseren een steun in de rug te geven heeft het college daarom besloten om in specifieke gebieden waar dergelijke eisen van toepassing zijn aan partijen die te maken hebben met de maximale huurprijzen een subsidie beschikbaar te stellen die een deel van de hogere kosten dekt. De bepalingen die betrekking hebben op deze subsidie zijn opgenomen hoofdstuk 5 van deze regeling. Het doel van dit hoofdstuk is het in specifieke gebieden stimuleren van de realisatie van duurzame sociale nieuwbouw die bijzonder gunstige eigenschappen heeft qua energiehuishouding en een bijzonder lage milieubelasting tot gevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor duurzame sociale huurwoningen Strandeiland en Buiksloterham Op 23 november 2021 heeft het college besloten om voor het Strandeiland en de Buiksloterham subsidies beschikbaar te stellen aan corporaties om uiterst duurzame sociale huurwoningen te realiseren. Dit zijn twee gebieden waar uitzonderlijk hoge ambities gelden op het gebied van de duurzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is nadrukkelijk de bedoeling om in dit hoofdstuk voorwaarden te stellen die het voor de aanvrager eenvoudig maken om de subsidie binnen een jaar voor de start van de bouw aan te vragen. De lichte ingangsvereisten hebben als gevolg dat de gemeente weinig zekerheid heeft over hetgeen daadwerkelijke gerealiseerd zal worden. Er is daarom gekozen om bij de subsidieverlening een maximaal subsidiebedrag te bepalen dat afhankelijk van hetgeen daadwerkelijk wordt gerealiseerd lager vastgesteld kan worden. Na de oplevering van de bouw kan de subsidie worden vastgesteld en daarbij kan de aanvrager om aanmerkelijk meer informatie gevraagd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Verduurzamende woningverbetering</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam besloten om hoofdstuk 6 toe te voegen aan de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen. Het betreft een zelfstandig hoofdstuk dat geen juridische wisselwerking heeft met de andere hoofdstukken in de regeling. Het hoofdstuk is er op gericht om verenigingen van eigenaren met particuliere woningbezitters in specifieke gebieden te stimuleren om gelijktijdig achterstallig onderhoud aan gebouwen weg te werken en energiebesparende maatregelen te treffen. De eerste gebieden waar deze subsidie aan te vragen is liggen in Amsterdam Zuidoost. Het college zet met deze subsidie een stap in de richting van de realisatie van het Masterplan Zuidoost. De gemeente Amsterdam heeft op 14 juli 2021 financiële steun gekregen voor deze op Amsterdam Zuidoost gerichte subsidie vanuit het door de het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bestuurde Volkshuisvestingsfonds in de vorm van een specifieke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieregeling in hoofdstuk 6 wordt gekenmerkt door een relatief lage bewijslast voor verlening, stevige vereisten aan de in te dienen stukken voor een voorschot en stevige vereisten voor vaststelling van de subsidie. Lees hierover meer bij de artikelsgewijze toelichting bij respectievelijk artikelen 6.10, 6.12 en 6.14. De bedoeling van deze opzet is dat aanvrager snel duidelijkheid kunnen krijgen hoeveel steun ze van de gemeente kunnen verwachten en op basis van die duidelijkheid de nodige voorbereidingen treffen. De verwachting is dat deze vroege duidelijkheid vanuit de gemeente in combinatie met de duidelijke verplichtingen de besluitvorming binnen vve’s zal bespoedigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is nadrukkelijk gericht op het stimuleren van particulieren in aangewezen gebieden om hun woningen te verbeteren. De hoogte van de subsidie wordt voor het grootste deel bepaald door het aantal woningen in particulier bezit. Woningen die in het bezit zijn van een rechtspersoon en dus per definitie niet bewoond kunnen wordt door de eigenaar kunnen niet leiden tot een hogere subsidie. Uitzondering op dat laatste vormen de woningen en corporatiebezit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Extra Isolatie Subsidie Amsterdam</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op 16 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam besloten om hoofdstuk 7 toe te voegen aan de Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen. Net als hoofdstuk 6, betreft hoofdstuk 7 een zelfstandig hoofdstuk. Het hoofdstuk, Extra Isolatie Subsidie Amsterdam, ondersteunt eigenaar-bewoners en verenigingen van eigenaars bij het laten nemen van energiebesparende isolatiemaatregelen en energiezuinige ventilatiemaatregelen, met als doel de verduurzaming van slecht geïsoleerde woningen met een WOZ-waarde van maximaal € 370.000 in het peiljaar 2021.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Planvorming verduurzaming voor vve’s</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op 10 december 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam besloten om hoofdstuk 8 Planvorming verduurzaming voor vve’s toe te voegen aan de Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen (SDAG). Net als hoofdstuk 6 en 7, betreft hoofdstuk 8 een zelfstandig hoofdstuk. Het hoofdstuk ondersteunt verenigingen van eigenaars (vve’s) bij de voorbereiding van het verduurzamen van haar gebouw(en). Dit hoofdstuk heeft als doel om planvorming ter verduurzaming en verbeteren van slecht geïsoleerde woningen te stimuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen met betrekking tot gebiedsgericht aardgasvrij</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen in dit hoofdstuk zijn algemeen van aard en zijn van algemene toepassing binnen hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling. De artikelen in de daaropvolgende hoofdstukken hebben uitsluitend betrekking op het in het eerste artikel van dat hoofdstuk bepaalde gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn definities opgenomen van begrippen die in hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling gebruikt worden. Het is in mogelijk dat de betekenis van deze definities afwijkt van de betekenis die de gebruikte begrippen in het algemeen taalgebruik hebben. In dat laatste geval is, de definitie leidend. Een aantal begrippen wordt nader toegelicht, mede omdat in de uitvoeringspraktijk is gebleken dat er onduidelijkheid over de duiding ervan kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij: de definitie van een “aardgasvrij” omvat ook de mogelijkheid van groen gas in een gebouw. Ook is er ruimte voor verschillende soorten kookoplossingen, zolang deze minder fijnstof produceren dan aardgas. Reden daartoe is dat fijnstofproductie een zorg is voor de gemeente Amsterdam. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat de voorgestelde oplossing minder fijnstof produceert. De begrippen groen gas, verwijderen aardgas aansluiting, bestaand gebouw zijn later gedefinieerd. Het begrip gebouwgebonden verwijst naar de later gedefinieerde fysieke gebouwgebonden voorziening. Met fossiele brandstoffen wordt gedoeld op exotherm oxideerbare koolwaterstoffen die uit de aardkorst worden gewonnen, zoals o.a. kolen, aardolie en aardgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een verblijfsobject (bijv. een appartement), onderdeel is van een pand met meerdere woningen of een groter gebouw en aangesloten is op een collectieve gebouwgebonden warmte of warm water installatie (bijv. gasgestookte blokverwarming), dan worden deze installaties ook aan de verblijfsobject verbonden geacht. Dit heeft als gevolg dat een appartementseigenaar die aan blokverwarming is aangesloten geen subsidie kan ontvangen voor het aardgasvrij maken van de aardgas verbruikende installaties in het appartement, zolang het de blokverwarming niet ook aardgasvrij is. In samenhang met weigeringsgrond in artikel 1.8, tweede lid, onderdeel h worden eigenaren van appartementen met een collectieve verwarmingsinstallatie uitsloten van subsidie als ze niet de collectieve verwarmingsinstallatie aardgasvrij maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lees hierover meer bij artikel 1.8, tweede lid, onderdeel h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afsluiting: het verwijderen van de aardgasaansluiting wordt gedaan door de netbeheerder. De kosten die de netbeheerder in rekening brengt voor de afsluiting worden bepaald in lagere wet- en regelgeving die volgt uit de gaswet en worden gecontroleerd door de Autoriteit Consument en Markt. De kosten hiervoor worden in sommige gebieden aangemerkt als subsidiabele activiteiten. De netbeheerder levert de aanvrager een schriftelijk bewijs van afsluiting bijvoorbeeld in de vorm van een voldane factuur. Het college kan gebruik maken van de informatie in het EAN codeboek om te controleren of een woning daadwerkelijk afgesloten is van het aardgas. Bij het gebruik van Het EAN codeboek moet echter wel rekening gehouden worden met de relatieve lage updatefrequentie, waardoor deze soms verouderde informatie bevat. Het codeboek is beschikbaar via www.eancodeboek.nl. Afsluiting gaat nadrukkelijk over het permanent verwijderen van de gasmeter, niet het verzegelen van de meter om tijdelijk de gaslevering te stoppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke gebouwgebonden activiteiten: Met het begrip fysiek wordt gedoeld op het materiele en tastbare aspect van activiteiten. Immateriële zaken als bijvoorbeeld rechten, vergoedingen of afspraken vallen er dus niet onder. Met gebouwgebonden wordt gedoeld op het duurzaam schoef- of nagelvast met het gebouw of de bijbehorende gronden verbonden zijn. Een andere mogelijke indicator van het gebouwgebonden karakter van een activiteiten is of deze bij beëindiging van verhuring in de woning aanwezig blijft en dus als onderdeel van het gehuurde aangemerkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied: Gebieden in deze regeling komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de gebieden, zoals die gedefinieerd worden in artikel 1 van de Verordening op het lokaal bestuur in Amsterdam. Een gebied kan bestaan uit verschillende deelgebieden en deze deelgebieden zijn niet noodzakelijkerwijs aan elkaar verbonden. Een gebied of deelgebied is nooit kleiner dan één adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woning: Met het begrip woning wordt aangesloten bij de definities die gebruikt worden in de Wet Basisregistratie Adressen en Gebouwen. Dit maakt het bij de beoordeling eenvoudig om de in de basisregistratie beschikbare gegevens te gebruiken. Een burger kan deze informatie met betrekking tot zijn eigen woning controleren door zijn adres op te zoeken op data.amsterdam.nl. Als er voor het adres van de woning onder het kopje ‘verblijfsobject’ bij het gebruiksdoel ‘woonfunctie’ staat voldoet de woning aan deze voorwaarde. Als het adres niet te vinden is of een ander gebruiksdoel heeft, dan wordt het niet aangemerkt als woning. De begrippen verblijfsobject, stand- of ligplaats volgen de Catalogus Basisregistratie Adressen en Gebouwen 2018 die bijlage I vormt van de ministeriele Regeling BAG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruiksdoel woonfunctie sluit aan bij de Bijlage van het Besluit basisregistratie adressen en gebouwen. Het gebruiksdoel (bouwkundige bestemming) is initieel afgeleid uit de bouwkundige gebruiksfunctie conform de categorisering van het Bouwbesluit 2012. De Wet op de huurtoeslag en artikel 7:234 BW stellen dezelfde eisen aan zelfstandige woonruimte als de Wet bag aan adresseerbaar object met woonfunctie. Weliswaar kent de BAG alleen een gebruiksdoel toe aan een verblijfsobject, maar ook standplaatsen en bepaalde ligplaatsen kennen een BAG+-gebruiksdoel op grond van art. 2.1 lid 1 onder a, c of d, en art. 8.2a Wabo. Dit heeft als consequentie dat woonboten met ligplaatsvergunning en vergunde standplaatsen voor woonwagen ook in aanmerking komen voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regeling in hoofdstukken 1 tot 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de inleiding hiervoor. Om in 2040 een stad zonder aardgas te zijn, moet het aantal aardgasvrije bestaande woningen en nieuwe woningen binnen kleinschalige transformatie in Amsterdam fors stijgen. Door in plaats van aardgas te verwarmen met en te koken op een duurzaam alternatief wordt de CO2-uitstoot in de gemeente Amsterdam teruggedrongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling is daarom het stimuleren van het uitvoeren van activiteiten die het gebruik van aardgas gebiedsgericht terugdringen. Met een robuuste en laagdrempelige subsidieregeling wordt een zo groot mogelijk aantal eigenaren of gebruikers gestimuleerd om over te gaan tot het uitvoeren van activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Europees kader bij subsidie aan woningcorporaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstukken 1 tot 4 van de subsidieregeling Duurzame Amsterdamse gebouwen is getoetst aan de staatssteunregels. Onderscheid kan worden gemaakt tussen subsidie die wordt verstrekt aan i) woningcorporaties, ii) ondernemers, niet zijnde woningcorporaties en iii) niet-ondernemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van steun die aan woningcorporaties wordt verleend ten behoeve van hun taak op het gebied van sociale huurwoningen geldt het DAEB-vrijstellingsbesluit. Ingevolge de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 zijn woningcorporaties onder andere belast met het in stand houden van en uitvoeren van activiteiten aan haar woongelegenheden; het treffen van energiebesparende voorzieningen valt hier onder. Op grond van artikel 5, tweede lid, van het DAEB-vrijstellingsbesluit mag voor de uitvoering van deze taak maximaal tien jaar compensatie worden verleend, mits het compensatiebedrag niet hoger is dan nodig ter dekking van de nettokosten daarvan. In artikel 1.6 is geregeld dat de subsidie nooit hoger kan zijn dan de daadwerkelijke kosten die de aanvrager heeft. Lees bij de toelichting bij dat artikel meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het DAEB-vrijstellingsbesluit stelt ten aanzien van de compensatie in artikel 5, negende lid, wel de eis dat als activiteiten worden verricht, die zowel diensten van algemeen economisch belang (DAEB) als andere activiteiten betreffen, de met het uitvoeren van energiebesparende activiteiten verband houdende kosten gescheiden in de boekhouding worden opgenomen. Dit is geregeld in artikel 7, tweede lid. Dit betreft dus een verplichting die vanuit Europees recht wordt opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt voor de gehele regeling, tenzij er in specifieke hoofdstukken bepalingen zijn die hiervan nadrukkelijk afwijken, welke kosten als subsidiabele kosten worden aangemerkt. In de specifieke hoofdstukken wordt vaak bepaald welke percentage (tussen de 0% en 100%) van de subsidiabele kosten gesubsidieerd wordt en tot welk maximale bedrag. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake. De gemeente behoudt het recht voor om externe expertise in te schakelen voor de beoordeling van de kosten en haalbaarheid van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, eerste lid De voor subsidie in aanmerking komende kosten zijn de kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Er zijn echter specifieke kostensoorten uitgesloten van aanmerking als subsidiabele kosten. Dat gebeurt in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, aanhef Dit lid regelt welke kosten expliciet uitgesloten zijn van aanmerking als subsidiabele kosten. Voor de zaken die in de onderdelen bij dit lid opgesomd geldt dat de geen onderdeel zijn van de subsidiabele kosten en dat de aanvrager er dus ook geen subsidie voor kan krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel a Kosten voor eigen arbeid worden in geen enkel geval gesubsidieerd. De subsidieaanvrager kan dus geen uurtarief voor zijn eigen arbeid laten subsidiëren en dus ook geen facturen voor zijn eigen arbeid opvoeren. Indien een aanvrager zelf de werkzaamheden verricht zijn in de praktijk alleen de gebruikte materialen subsidiabel. Indien een subsidieaanvrager werknemers heeft, dan wordt het werk van de werknemers geacht onderdeel te zijn van de eigen arbeid. Als een rechtspersoonlijkheid een dochter-, zuster-, of moederorganisaties waarvan de winst uiteindelijk naar dezelfde partij gaat huurt, dan wordt de arbeid van medewerkers van deze dochter-, zuster-, of moederorganisaties ook aangemerkt als eigen arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel b De kosten voor isolatievoorzieningen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat het grootste deel van de investering in de isolatievoorziening zichzelf terugverdient door de daling in energielasten als gevolg van het afgenomen energieverbruik. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor isolatievoorzieningen betaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel c De kosten voor zonnepanelen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat zonnepanelen zichzelf in principe terugverdienen als gevolg van de besparing op de energierekening vanwege de vergoeding die gegeven wordt voor de levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet. Verder zijn er adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor zonnepanelen gefinancierd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel d Vanwege de negatieve effecten op de luchtkwaliteit komen hout- en pelletkachels en biomassaverbrandingsketels niet in aanmerking voor subsidiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel e Installaties met fossiele brandstof als olie, butaangas of kolen komen ook niet in aanmerking, omdat deze nog vervuilender zijn dan aardgas. ‘Olie, butaangas of kolen’ vormen als zodanig geen limitatieve opsomming, de/alle andere fossiele brandstoffen zijn ook uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel f De aanschaf van pannen en ander keukengerei is niet aan te merken als een fysieke gebouwgebonden voorziening en de kosten die daarmee gemoeid zijn dus niet subsidiabel. Deze uitsluiting is daardoor in principe overbodig. De ervaring leert echter dat met een expliciet vermelding in de regeling onduidelijkheid vermeden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel g Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen of minimum kwaliteitseisen. De gemeente wil hiermee uitsluiten dat zij daaraan meebetaalt, terwijl het aan de aanvrager zelf is om dit gat te dichten alvorens subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling. De voorzieningen moeten verder gaan dan het moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen. Het gaat erom dat de aanvrager die extra stap zet naar aardgasvrij, die zonder deze subsidie niet was gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel h Het elektrisch verwarmen van een woning brengt, als dit niet op de juiste manier gebeurt, hogere milieubelasting en veel hogere gebruikskosten met zich mee dan het gebruik van aardgas. Om de CO2 uitstoot te beperken en te voorkomen dat huurders opgezadeld worden met onredelijk hoge energielasten wordt met dit artikel daarom de minst efficiënte elektrische verwarmingsoplossingen uitgesloten van subsidie. Ook wordt op deze manier de belasting van de zwaar belaste elektriciteitsinfrastructuur in Amsterdam verminderd. Het gaat nadrukkelijk om verwarmingsinstallaties, dus ruimteverwarming en tapwaterverwarming en niet om de kookvoorziening. Voor kookvoorzieningen zijn er helaas geen praktisch bruikbare alternatieven. Met de uitsluiting van de kosten voor elektrische weerstandsverwarming wordt gedoeld op apparaten die een opwekrendement (= bruikbare warmte energie (J) gedeeld door verbruikte elektrische energie in (J)) hebben dat niet hoger is dan 1. Het gaat nadrukkelijk om het uitsluiten van de minst efficiënte elektrische verwarmingsoplossingen. Voor de helderheid worden de kosten voor warmtepompen, directe infraroodpanelen en elektrische boilers met een voldoende groot opslagvat worden wel als subsidiabele kosten aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel i De regeling is zowel vooraf als achteraf aan te vragen. Deze bepaling begrenst, via de factuurdatum, hoe lang na de uitvoering het nog zinnig is om subsidie aan te vragen. Kosten die meer dan een jaar voor de aanvraag zijn gerealiseerd zijn niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Maximering en stapeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt een concreet maximum aan de subsidie, zodat in alle gevallen voldaan wordt aan het compensatiecriterium dat volgt uit het Altmark-arrest. Het maximum dat uit dit artikel volgt staat in principe los van het maximale subsidiebedrag dat volgt uit de hoogte van de subsidie die wordt bepaald in de hoofdstukken die met een nummer 2 of 3 beginnen. Het betreft een onafhankelijk controle en waarborg tegen overcompensatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grens die de gemeente Amsterdam stelt om stapeling tegen te gaan heeft uitsluitend effect op de subsidies die gemeente Amsterdam verleent. Het is goed mogelijk dat de andere subsidieverstrekker er andere of strengere voorwaarden tegen stapeling op nahoudt. Daarop heeft de deze subsidieregeling geen invloed en daar wordt ook geen rekening mee gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6, eerste lid Het eerste lid regelt dat de subsidie niet hoger mag zijn dan de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Daadwerkelijk gemaakte kosten blijken uit de facturen die de aanvrager volgens artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a meestuurt bij zijn aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan in principe gestapeld worden, maar er is een grens. De zinsnede ‘met andere voor de subsidiabele activiteiten verleende of vastgestelde subsidies verminderde’ zorgt voor deze grens. De stapeling mag er niet toe leiden dat er in totaal meer subsidie betaalt wordt dan dat er daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten zijn. Het is niet de bedoeling dat aanvragers de subsidie kunnen benutten om winst te behalen op de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Deze vermindering kan uitgevoerd worden op grond van de informatie die de aanvrager aanlevert op grond van artikel 1.10, eerste lid, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6, tweede lid Dit lid regelt hoe omgegaan wordt met gevallen waar redelijkerwijs te verwachten is dat de andere subsidies voor dezelfde subsidiabele activiteiten lager uit zullen vallen. Het gaat hier nadrukkelijk om een discretionaire ruimte voor het college om te bepalen wat het verwachte lagere bedrag zal zijn. Het college laat zich daarbij informeren door de onderbouwing die de aanvrager aanlevert, maar kan er ook voor kiezen om de verstrekker van de andere subsidie hierover te benaderen. De uitwisseling van mogelijke tot een persoon herleidbare gegevens die in dit kader plaatsvind valt onder noodzakelijke verwerking voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de gemeente Amsterdam om de juiste subsidie te bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt welke gegevens en stukken de aanvrager in moet dienen in het kader van de subsidieaanvraag op grond van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling. De vereisten in dit artikel komen bovenop de vereisten die volgen uit artikel 6 van de ASA 2023. Het is niet uitgesloten dat in een hoofdstuk nummer dat begint met het getal 2 of 3 nog specifieke aanvullende stukken gevraagd kunnen worden, alhoewel het nadrukkelijk het streven is om dat te vermijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a De offertes voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten, waarop het deel van de kosten die subsidiabel zijn voldoende duidelijk uitgesplitst en aangemerkt zijn dienen als onderbouwing van de te verwachten kosten voor het plan waarvoor subsidie wordt aangevraagd en zijn een belangrijke basis voor de verlening. Het feit dat de aanvrager offertes aan moet leveren heeft als consequentie dat het plan voor de subsidiabele activiteiten al in een ver gevorderd stadium moet zijn voordat de subsidie kan worden aangevraagd. Er mag echter nog niet begonnen zijn met de uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevraagd wordt om kopieën van de offertes. De offertes dienen van een dusdanige kwaliteit te zijn dat hieruit de juistheid en betrouwbaarheid van de geraamde kosten kan worden afgeleid. Indicatoren van een kwalitatief goede offerte zijn als de vermelding van de volgende gegevens:</p>\n<p class=\"lf-p\">De volledige naam van de leverancier en die van de aanvrager De juridische naam is vermeld. De handelsnaam kan ook, als die in combinatie met het adres en woonplaats bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige adres van de leverancier en dat van de aanvrager Het adres waar de leverancier feitelijk is gevestigd is vermeld. Vermelding van alleen een postbusnummer is niet voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige btw-nummer van de leverancier Het KvK-nummer van de leverancier De datum dat de offerte is uitgereikt De aard van de goederen of diensten die de leverancier zal leveren de hoeveelheid van de goederen of de omvang van de diensten die de leverancier zal leveren de beoogde datum waarop de goederen of diensten worden geleverd het bedrag dat de leverancier in rekening brengt, exclusief btw het btw-tarief dat de leverancier in rekening brengt het btw bedrag Verzameloffertes waarvan slechts een deel van de kosten subsidiabel zijn dienen voldoende duidelijk uitgesplitst te zijn, zodat beoordeeld kan worden welk deel van de kosten subsidiabel is. De aanvrager dient er zorg voor te dragen dat de subsidiabele kosten op de offerte voldoende duidelijk aangemerkt zijn. De gegevens op de offertes dienen aan de sluiten bij de gegevens in de kostenraming en het dient eenvoudig te herleiden te zijn welke kosten bij de beoogde voorzieningen horen. Dit kan in sommige gevallen betekenen dat de aanvrager de opsteller van de offerte moet vragen om de offerte te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de werkzaamheden door aanvrager zelf uitgevoerd worden dienen offertes voor de aanschaf van de benodigde materialen geleverd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bewijs kan een recent bankrekeningafschift of een kopie van een bankpas overlegd worden, waaruit duidelijk moet blijken dat het bankrekeningnummer op naam staat van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b De aanvrager moet inzichtelijk maken welke eventuele andere subsidies zijn aangevraagd voor dezelfde activiteiten. Het begrip dezelfde activiteiten levert altijd een duidingsvraag op en het oordeel of en in hoeveel een activiteit overlapt ligt binnen de beslissingsruimte van het college. De subsidieaanvrager doet er daarom verstandig aan om een compleet overzicht aan te leveren en daarbij zelf te onderbouwen in hoeverre de activiteit daadwerkelijk overlapt. Deze informatie wordt gebruikt om de hoogte van de te verlenen subsidie te bepalen op basis van artikel 1.6, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel c Als er een subsidieaanvraag wordt gedaan voor omzetting van een collectieve installatie moeten extra gegevens aangeleverd worden. De reden hiervoor is hoofdzakelijk dat het bij een aanvraag met betrekking tot de omzetting van een collectieve installatie niet per sé noodzakelijk is dat alle verblijfsobjecten in het gebouw aardgasvrij worden, maar het is daarom voor het college van belang om goed inzicht te krijgen welke verblijfsobjecten nu wel of niet aardgasvrij zijn of zullen worden. De verschillende subonderdelen gaan hier op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen i, ii en ii Om inzicht te krijgen in de aantallen woning waar een collectieve aanvraag betrekking op heeft zijn de onder dit gevraagde gegevens noodzakelijk. Het gevraagde overzicht zou een tabelvorm aan kunnen nemen die lijkt op de onderstaande:</p>\n<p class=\"lf-p\">Straat Huis# Toev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na activiteiten verbonden aan collectieve tapwater installatie Na activiteiten verbonden aan collectieve verwarmingsinstallatie Individuele gasaansluiting Verwijderd individuele gasaansluiting Prinsengracht 342 HS 1 1 1 0 Prinsengracht 342 1A 1 1 1 1 Prinsengracht 342 1V 1 1 1 1 Prinsengracht 342 2A 1 1 0 0 Prinsengracht 342 2V 1 1 1 1 Prinsengracht 342 3 1 1 1 1 Prinsengracht 344 HS 1 1 1 0 Prinsengracht 344 1 0 1 1 0 Prinsengracht 344 2 0 1 1 1 Prinsengracht 344 3 0 1 0 0 Totaal 7 10 8 5 1 = ja 0 = nee Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel c, subonderdelen iv Bewijs dat de aanvrager gemachtigd is de aanvraag te doen kan verschillende vormen aannemen, Bij een VvE bijvoorbeeld een afschrift van de notulen van de VvE vergadering waaruit blijkt dat de leden instemmen met de activiteiten waar de subsidieaanvraag betrekking op heeft. Bij een stichting een handtekening van een daartoe volgens de Kamer van Koophandel bevoegd bestuurder op een begeleidend schrijven bij de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel d De ingevulde verklaring de-minimissteun is uitsluitend is uitsluitend vereist voor ondernemingen. Het begrip onderneming is gedefinieerd in artikel 1.1. Het wijkt af van de definitie in het dagelijks taalgebruik en sluit aan bij de definitie van onderneming die volgt uit het verdrag van de werking van de Europese Unie. De Europese definitie van onderneming is meeromvattend dan die in het dagelijks taalgebruik. Noch het feit dat een organisatie geen winstoogmerk heeft of het feit dat een organisatie geen BV of NV is zijn doorslaggevende feiten. Bepalend is of de organisatie zich mengt in een Europese markt en of de activiteiten van de organisatie een grensoverschrijdend effect hebben. Het is aan het oordeel van het college of een organisatie een onderneming is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Kort samengevat komt het erop neer dat de onderneming van de subsidieaanvrager in de voorgaande drie belastingjaren (bij indiening op 10 februari 2018 gaat dit om de jaren 2016, 2017 en 2018) niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun (dat wil zeggen subsidies verleend onder de de-minimisverordening) vermeerderd met de aangevraagde subsidies voor dit project mag hebben ontvangen. Steun onder deze drempel valt onder de de-minimisverordening, wat betekent dat de steun niet behoeft te worden aangemeld bij de Europese Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien twee ondernemingen een bepaalde band met elkaar onderhouden, kan het voor de toepassing van de de-minimisverordening zo zijn dat deze ondernemingen als één zelfstandige onderneming worden gezien. Bij het invullen van de Verklaring de-minimissteun wordt een onderneming geacht daar rekening mee te houden. Onder de de-minimisverordening kan ook steun vallen die is vervat in leningen en garantstellingen, waarbij het mogelijk is om deze, onder voorwaarden, ook toe te passen op leningen en garantstellingen die langer dan drie jaar lopen. De voorwaarden hiervoor zijn uiteengezet in artikel 4 van de de-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel e Onder geldende goedkeuringsverplichtingen wordt bijvoorbeeld bedoeld 70% van de huurders die moeten instemmen (eventuele kopers tellen niet mee) met een renovatievoorstel van de verhuurder, zoals een akkoord van de huurders wanneer de aanvrager een woningcorporatie is. Dan is volgens de wet sprake van een 'redelijk' voorstel waaraan de betrokken huurders zijn gebonden, ook de eventuele tegenstemmers (minder dan 30%). Het begrip goedkeuringsverplichting wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, tweede lid, aanhef Dit lid regelt de aanvullende gegevens en stukken die aangeleverd moeten worden als een aanvraag door een ander dan de eigenaar of een namens de eigenaar gemachtigde wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a Dergelijke aanvragers die geen eigenaar zijn, zijn verplicht is om een schriftelijk bewijs van instemming van de eigenaar met de subsidiabele activiteiten mee te sturen. In deze verklaring geeft de eigenaar toestemming dat de activiteiten die leiden naar het aardgasvrij maken van het verblijfsobject en de afsluiting van het gas in het betreffende gebouw uitgevoerd mogen worden. Zijn er meerdere eigenaren dan moeten zij allen deze toestemming in een verklaring geven. Al deze verklaringen moeten bij de subsidieaanvraag gevoegd worden. De eigenaar mag aan de toestemming om het verblijfsobject aardgasvrij te maken de voorwaarde verbinden dat huurder dit bij vertrekt ongedaan maakt. De aanvullende verplichting uit artikel 1.9, onderdeel b bevat voor dergelijke situaties een specifieke uitzondering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook mogelijk voor huurders om subsidie aan te vragen als een tussenkomst van de rechter noodzakelijk is geweest om de eigenaar te bewegen om de voorgestelde activiteiten uit te laten voeren. Artikel 7:243 BW voorziet op de mogelijkheid voor huurders om de eigenaar te dwingen om mee te werken met een redelijk voorstel tot het aanbrengen van isolerende voorzieningen en energie-efficiënte verwarmingsketels. Artikel 7:215 BW betreft de mogelijk voor huurders om zelf voorzieningen aan te brengen in een woonruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond in artikel 1.8, eerste lid, onderdeel b hangt samen met dit indieningsvereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b Een aanvrager die niet de eigenaar is moet wel aantonen dat hij of zij een direct belang heeft bij het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Een huurder of gebruiker van het vastgoed heeft een dergelijk belang. Bij het ontbreken van een dergelijk belang kan de subsidie geweigerd worden op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel k van de ASA 2023. Het belang van het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen wordt niet als een belang gezien. Het is geenszins de bedoeling dat partijen subsidie aan gaan vragen voor verblijfsobjecten waar ze niets mee te maken hebben. Als deze noch eigenaar, noch huurder, noch via een uitvoeringsovereenkomst een belang heeft bij het verblijfsobject is er reden om aan te nemen dat deze partij niet de capaciteit heeft om de subsidiabele activiteit uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, derde lid Deze bepaling regelt welke zaken aangeleverd moeten worden indien de subsidie wordt aangevraagd nadat de subsidiabele activiteiten al zijn uitgevoerd. In feite worden de indieningsvereisten voor vaststelling toegevoegd aan de indieningsvereisten bij de aanvraag. Vervolgens worden de indieningsvereisten ontdubbeld, zodat bijvoorbeeld niet zowel de facturen als de offertes ingediend hoeven te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen in de twee leden van dit artikel bevatten gronden voor weigering of gedeeltelijke weigering van subsidieaanvragen. Het wezenlijke verschil tussen de twee leden betreft de mate van beslissingsvrijheid die het college heeft. De gronden in het eerste lid zijn dwingend, terwijl de gronden in het tweede lid een ‘kan’ bepaling betreffen. De ‘kan’-bepaling heeft als gevolgd dat het college kan afwegen of zij de weigeringsgrond toepassen .</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, eerste lid De weigeringsgrond in dit lid is uitsluitend gericht op subsidieaanvragen waar een aanvrager niet de eigenaar is van het verblijfsobject waar de subsidiabele activiteiten plaats zouden moeten vinden. De gemeente moedigt in sommige delen van de stad huurders aan om zelf het initiatief te nemen om hun verblijfsruimte aardgasvrij te maken. Het is echter uiterst onwenselijk dat huurders dat doen, zonder dat er instemming van de verhuurder is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in dit lid nadrukkelijk aan het oordeel van het college om te bepalen wat zij een gegronde reden achten om aan te nemen dat de vereiste toestemming en het vereiste bevel van de rechter ontbreken. Als één van de twee documenten wel bestaat, dan wordt niet aan de vereisten van deze weigeringsgrond voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwoording van dit lid met gebruikmaking van ‘gegronde reden om aan te nemen’ hangt er mee samen dat het praktisch onmogelijk is voor het college om te bewijzen dat de gevraagde documenten niet bestaan. Er moet dus met gegronde reden aangenomen worden dat die zaken niet bestaan. Het onvermogen of onwillendheid van een aanvrager om de gevraagde bewijzen te leveren kan een gegronde reden om aan te nemen dat de documenten niet bestaan. Het kan ook bijvoorbeeld zijn dat de instemming onvoldoende duidelijk verwoord is, of dat het rechtelijke bevel onvoldoende duidelijke verwoord. Het college kan ter controle van een instemming in contact treden met de eigenaar en de uitkomsten van dat contact kan een gegronde reden vormen om aan te nemen dat de toestemming ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel a Deze optionele weigeringsgrond is er op gericht te voorkomen dat de het college subsidie moet verlenen voor excessieve en onredelijk kostbare maatregelen. In principe wordt de hoogte van de subsidiebedragen zodanig bepaalt dat er geen onredelijk hoge subsidie kan worden gegeven, maar desondanks kunnen zich situaties voordoen waar het verstrekken van de subsidie ongewenst is. Een voorbeeld hiervan waren elektrische warm-water installaties, naast het warm-water uit de CV-installatie, in de keuken werden geïnstalleerd om te zorgen dat er altijd direct water op 100 graden celsius beschikbaar is. Een ander voorbeeld is de installatie van exorbitant dure elektrische kookplaten. In deze gevallen wegen de kosten niet op tegen het resultaat en de duurzaamheid niet of nauwelijks gediend met de hoge kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel b Deze optionele weigeringsgrond is er op gericht te voorkomen dat een vastgoedbezitter aan voorwaarden probeert te ontkomen door andere partijen in zijn plaats de subsidieaanvraag te laten doen. Een voorbeeld waar deze weigeringsgrond zou kunnen worden toegepast is artikel 2.6. Als een natuurlijke persoon eigenaar is van 40 BV’s die ieder één pand met huurwoningen exploiteren, dan is het onwenselijk dat de BV de subsidie kan aanvragen. Het college kan in dat geval op grond van deze bepaling de subsidie weigeren te verlenen. De bepaling ziet er ook op te voorkomen dat vastgoedbezitter huurders als stroman gebruiken door huurders te stimuleren om subsidie aan te vragen voor activiteiten waarvan de vastgoedbezitter in werkelijkheid de opdrachtgever is. In het geval een woningcorporaties onderdeel is van een VvE en de VvE de subsidie aanvraagt wordt in de meeste gevallen afgezien van toepassing van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel c De optionele weigeringsgrond dient tot een algemene waarborgen van de doeltreffendheid van de subsidieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel d Deze weigeringsgrond wordt toegepast als al eerder subsidie werd verleend voor het aardgasvrij maken van het vastgoed en het college de redelijkerwijs de verwachting zou mogen hebben dat het vastgoed al aardgasvrij is, omdat er al eerder subsidie is verleend voor dat gebouw. Zeker als de verleende subsidie is vastgesteld is het redelijk voor het college om te verwachten dat het gebouw al aardgasvrij is. In dat geval is subsidie niet gepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college gebruikt deze weigeringsgrond ook om het subsidiebedrag voor voorzieningen in verblijfsobjecten binnen een pand met meerdere woningen te verlagen in het geval dat er al eerder voor een collectieve installatie in dat pand met meerdere woningen een subsidie is verleend. Het reeds verleende subsidiebedrag dat voor een soortgelijke activiteit per aardgasvrije woning is verleend voor de collectieve installaties wordt in mindering gebracht op het maximale subsidiebedrag voor die activiteit in het verblijfsobject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel e Deze weigeringsgrond borgt dat het college de subsidie kan weigeren als de verlening van de subsidie tot een overschrijding van de de-minimisvereisten zou leiden. Het betreft een optionele weigeringsgrond, omdat het college in sommige gevallen kan kiezen om te onderzoeken of op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening of het DAEB-vrijstellingsbesluit een uitzondering gemaakt kan worden. Het is college is nadrukkelijk niet verplicht om te onderzoeken of een dergelijke uitzondering mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel f Deze optionele weigeringsgrond is erop gericht te voorkomen dat een subsidieaanvrager voor dezelfde subsidiabele activiteit subsidie aanvraagt op basis van verschillende hoofdstukken. Het is onwaarschijnlijk dat dit kan gebeuren, omdat idealiter hoofdstukken geen overlappende gebieden bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel g In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat sommige mensen die al een aardgasvrij woning hebben, omdat deze op het stadwarmtenet is aangesloten alsnog wilden investeren in hun woning om zo van het stadswarmtenet af te sluiten. Om ingewikkelde discussies over de definitie van aardgasvrij en het gebruik van aardgas bij de opwek van elektriciteit en restwarmte te voorkomen is gekozen om een expliciete weigeringsgrond toe te voegen. Als je aangesloten bent op het warmtenet, dan acht de gemeente jouw woning (behalve voor mogelijk kookgas) aardgasvrij. Er is in dat geval dan ook geen subsidie voor omschakeling naar bijvoorbeeld een warmtepomp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel h Deze bepaling regelt dat er geen subsidie is voor werkzaamheden aan individuele installaties als er een collectieve installatie in het pand is. Collectieve installaties dragen bij aan de vereenvoudiging van de aansluiting van panden aan het stadswarmtenet en met deze bepaling wordt voorkomen dat afbreuk gedaan wordt aan de geschiktheid van die installatie voor een dergelijke omzetting. Bovendien kan het individueel afsluiten van een collectieve installatie tot grote moeilijkheden leiden voor de resterende gebruikers in die collectieve installatie. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat individuen met een collectieve installatie in hun gebouw zich inspannen om deze gehele installatie aardgasvrij te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is desondanks gekozen om in dit geval een optionele weigeringsgrond te maken. Er zijn immers gevallen denkbaar van zeer grote gebouwen waar een collectieve installatie een deel van de verblijfseenheden van warmte voorziet, maar dat er bepaalde later bijgevoegde verblijfseenheden een eigen installatie hebben. In die gevallen leidt de omzetting niet tot een afbraak van het draagvlak voor de collectieve oplossing en kan het college toch kiezen om subsidie te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt nadrukkelijk de mogelijkheid voor het college om subsidie te weigeren voor activiteiten die langer dan 1 jaar voor de subsidieaanvraag zijn uitgevoerd. In principe zijn kosten voor activiteiten waarvoor de factuur ouder dan 12 maanden is al niet subsidiabel op grond van artikel 1.5, onderdeel i. Er is echter geen sprake van overcompleet. De subsidie voor sommige subsidiabele activiteiten is niet afhankelijk van de hoogte van de subsidiabele kosten. Deze weigeringsgrond sluit uit dat er subsidie gegeven moet worden voor activiteiten die al lange tijd geleden zijn gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel i Deze bepaling regelt nadrukkelijk de mogelijkheid voor het college om subsidie te weigeren voor activiteiten die langer dan 1 jaar voor de subsidieaanvraag zijn uitgevoerd. In principe zijn kosten voor activiteiten waarvoor de factuur ouder dan 12 maanden is al niet subsidiabel op grond van artikel 1.5, onderdeel i. Er is echter geen sprake van overcompleet. De subsidie voor sommige subsidiabele activiteiten is niet afhankelijk van de hoogte van de subsidiabele kosten. Deze weigeringsgrond sluit uit dat er subsidie gegeven moet worden voor activiteiten die al lange tijd geleden zijn gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conform de ASA worden in dit artikel voor de aanvrager verplichtingen gesteld. Op grond van artikel 4:48, eerste lid, onder b AWB kan het college vóór de vaststelling van de subsidie overgaan tot intrekking als niet aan deze voorwaarden is voldaan. Op grond van artikel 4:49 ,eerste lid, onder c AWB kan het college na de vaststelling van de subsidie overgaan tot intrekking als niet aan deze voorwaarden is voldaan. Na intrekking vordert het college de eventuele uitbetaalde subsidie terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel a Binnen één jaar na de beschikkingsdatum dienen de activiteiten volledig te zijn uitgevoerd. Er zijn situaties denkbaar waarbij dit, bijvoorbeeld door externe factoren, niet haalbaar is. De aanvrager is verplicht om dit bij de subsidieaanvraag kenbaar te maken. Het college kan in dat geval akkoord gaan met de afwijkende uitvoeringsperiode. Indien na het afgeven van de verleningsbeschikking blijkt dat door onvoorziene omstandigheden de activiteiten niet binnen één jaar kunnen worden uitgevoerd, dient de aanvrager aan het college uitstel te verzoeken. Dit verzoek dient voorzien te zijn van een stevige onderbouwing waaruit o.a. blijkt dat de opgelopen vertraging niet redelijkerwijs te voorzien was. Als het verzoek ingediend is voor de gestelde termijn verstreken is kan het college kan hiermee akkoord gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel b De verplichting in dit onderdeel is erop gericht te zorgen dat een aanvrager het resultaat van de subsidiabele activiteiten niet ongedaan maakt. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de aanvrager opnieuw in gasaansluiting neemt. Het college vereist echter niet dat de volgende eigenaar van de woning de woning aardgasvrij houdt. Er is dus geen sprake van een verplichting om een kettingbedding te vestigen, dat het verblijfsobject aardgasvrij blijft. Eenzelfde situatie geldt voor huurders. Een huurder kan niet afdwingen dat de verhuurder na zijn vertrek het verblijfsobject aardgasvrij houdt. Er is zelfs nadrukkelijk geregeld dat als de verhuurder van de huurder heeft geëist dat deze de het verblijfsobject weer van aardgas voorziet na zijn vertrek, dat de huurder het verblijfsobject weer van aardgas mag voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen is echter via een andere weg uitgesloten dat er weer een gasaansluiting in een verblijfsobject komt. Op grond van artikel 10, lid 7, onderdeel b van de Gaswet kan het college gebieden aanwijzen waar de netbeheerder geen taak meer heeft om nieuwe gasaansluitingen te realiseren. Als een woning een dergelijk aangewezen gebied aardgasvrij is gemaakt kan een nieuwe eigenaar, een nieuwe huurder, of een vertrekkende huurder die de gasaansluiting terug moet brengen die gasaansluiting niet krijgen. Het is staande praktijk van het college van B&amp;W om gebieden die aangewezen worden in hoofdstukken waarvan het nummer begint met een 3 ook aan te wijzen als een gebied waar de netbeheerder geen taak heeft om een gasaansluiting te realiseren. Lees meer over de aangewezen gebieden in het besluit gasaansluitplicht netbeheerder Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel c Dit onderdeel is er op gericht te borgen dat de gemeente een inspecteur kan sturen om de voortgang van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten te controleren. De aanvrager wordt geacht binnen de grenzen van de redelijkheid medewerking te verlenen met deze controles. Als een aanvrager geen of onvoldoende medewerking verleend kan dat op zichzelf reden zijn tot een lager of zelfs nihil vaststelling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel d Dit artikel is er hoofdzakelijk op gericht te benadrukken dat het verkrijgen van subsidie niet geduid of geconstrueerd moet worden als een bevestiging dat het college instemt met de uitvoering van de voorgenomen plannen. Als er een vergunningplicht bestaat voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten moet de aanvrager zelf zorg dragen voor verkrijgen van de benodigde vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verkrijgen van vergunningen voor de subsidiabele activiteiten, kan bijvoorbeeld aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gedacht worden. Of en welke vergunning vereist is, zal sterk afhangen van het gebouw waarin de voorzieningen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een eigenaar of huurder van een woonboot met ligplaatsvergunning het voornemen heeft om de woonboot te gaan verbouwen naar aardgasvrij, zal deze aanvrager een omgevingsvergunning, of een gedoogbeschikking nodig kunnen hebben op grond van het Gedoogkader Woonboten Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel e Dit onderdeel is er op gericht te borgen dat woningcorporaties een administratie van voldoende kwaliteit voeren om te kunnen toetsen of aan de vereisten van het DAEB-vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Of aan deze verplichting is voldaan blijkt vaak tijdens de verantwoording van de subsidie pas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel f Dit onderdeel is er op gericht te zorgen dat een verhuurder die subsidie heeft aangevraagd maatregelen treft om te zorgen dat huurders niet alsnog de subsidiabele activiteiten ongedaan maken. In dat geval is immers de verplichting uit artikel 1.9, onderdeel b niet van toepassing, omdat het niet de aanvrager is de gesubsidieerde activiteiten ongedaan maakt. De vorm van deze borging is niet bepaald en deze borging wordt ook niet actief gecontroleerd. In het geval dat artikel 10, lid 7, onderdeel b van de Gaswet van toepassing is in het gebied is deze onmogelijkheid automatisch geborgd. In andere gevallen kan de verhuurder een bepaling in het huurcontract opnemen dat het verblijfsobject niet voorzien wordt van gas. De verhuurder stemt in ieder geval niet in met zelf aangebracht voorzieningen die ertoe leiden dat het verblijfsobject aangesloten wordt aan het aardgas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording en vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bestaat uit twee leden. Beide leden hebben betrekking op de documenten die een aanvrager, nadat de subsidie is verleend en nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd, bij een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vereisten in de leden en onderdelen van dit artikel komen nadrukkelijk bovenop de vereisten die volgen uit artikel 16 van de ASA 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a De aanvrager moet in ieder geval kopieën van de betaalde facturen meesturen bij een aanvraag tot vaststelling van de subsidie. De betaalde facturen worden gevraagd, omdat het college daaruit redelijkerwijs moet kunnen afleiden dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Gevraagd wordt in feite om kopieën van de facturen. Indicatoren van een kwalitatief goede offerte zijn als de vermelding van de volgende gegevens:</p>\n<p class=\"lf-p\">De volledige naam van de leverancier en die van de aanvrager De juridische naam is vermeld. De handelsnaam kan ook, als die in combinatie met het adres en woonplaats bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige adres van de leverancier en dat van de aanvrager Het adres waar de leverancier feitelijk is gevestigd is vermeld. Vermelding van alleen een postbusnummer is niet voldoende;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige btw-nummer van de leverancier;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het KvK-nummer van de leverancier;</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum waarop de factuur is uitgereikt; de aard van de goederen of diensten die de leverancier heeft geleverd; de hoeveelheid van de goederen of de omvang van de diensten die de leverancier heeft geleverd; de datum waarop de goederen of diensten zijn geleverd; het bedrag dat de leverancier in rekening brengt, exclusief btw het btw-tarief dat de leverancier in rekening brengt; en het btw bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzamelfacturen waarvan slechts een deel van de kosten subsidiabel zijn dienen voldoende duidelijk uitgesplitst te zijn, zodat beoordeeld kan worden welk deel van de kosten subsidiabel is. De aanvrager dient er zorg voor te dragen dat de subsidiabele kosten op de factuur voldoende duidelijk aangemerkt zijn. De gegevens op de facturen dienen aan de sluiten bij de gegevens in het verslag van uitvoering, zoals bedoeld onder artikel 16, eerste lid, onderdeel a van de ASA 2023 en het dient eenvoudig te herleiden te zijn welke kosten bij de beoogde voorzieningen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevraagde betaalbewijs kan bijvoorbeeld bestaan uit een bankrekeningafschrift van de betaling of een schriftelijke verklaring van de partij die de facturen heeft verstuurd dat de facturen die betrekking hebben op de subsidiabele activiteiten voldaan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betaalde factuur aan de netbeheerder dient aangeleverd te worden als er subsidie is verleend voor het laten verwijderen van de aardgasaansluiting uit het vastgoed. Deze factuur fungeert tevens als schriftelijke bewijs dat het vastgoed van het aardgas is afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, eerste lid, onderdeel b Bij de aanvraag tot vaststelling wordt de subsidieaanvrager opnieuw gevraagd om een overzicht aan te leveren van eventuele andere verleende of vastgestelde subsidies. Deze vereisten sluiten nauw aan bij de vereisten uit artikel 1.7, onderdeel d. Deze gegevens worden gebruikt bij de berekening van de maximering uit artikel 1.6. Lees bij de toelichting bij dat artikel meer over de omgang met verwachte lagere andere subsidies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, eerste lid, onderdeel c Dit indieningsvereiste is uitsluitend van toepassing als er subsidie aangevraagd wordt voor de realisatie van een collectieve verwarmingsinstallatie. In die gevallen is er meer informatie nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om inzicht te krijgen hoeveel woningen er bij een collectieve aanvraag nu daadwerkelijk aardgasvrij zijn geworden dient de aanvrager daarvan een overzicht in te dienen. Een dergelijk overzicht zou er als volgt uit kunnen zien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Straat Huis# Toev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele gasaansluiting verwijderd Prinsengracht 342 HS Was niet aanwezig Prinsengracht 342 1A Niet verwijderd Prinsengracht 342 1V SBA – 00012577 Prinsengracht 342 2A Was niet aanwezig Prinsengracht 342 2V SBA – 00012577 Prinsengracht 342 3 SBA – 00012590 Prinsengracht 344 HS Was niet aanwezig Prinsengracht 344 1 Was niet aanwezig Prinsengracht 344 2 Zie bijlage C1 Prinsengracht 344 3 Was niet aanwezig Als bewijs van afsluiting kunnen het SBA-nummer van de aanvraag van subsidie voor het afsluiten van het kookgas voor het verblijfsobject of een kopie van de betaalde factuur voor afsluiting van het aardgasnet van dat verblijfsobject dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, tweede lid Dit artikellid is uitsluitend van toepassing op aanvragen door woningcorporaties. Dit artikel stelt een aanvullende en concretiserende eis aan het financieel verslag dat op grond van de ASA 2023 bij een subsidieaanvraag moet worden ingediend. Deze concrete eis hangt samen met het goed inzichtelijk krijgen welk deel van de kosten nu daadwerkelijk met de subsidiabele activiteiten samenhangt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Directe vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 15, 16 en 17 van de ASA 2023 regelen o.a. dat subsidies onder een bepaald drempelbedrag direct vastgesteld worden en dat daar geen verantwoording voor hoeft te worden afgelegd. Het feit dat de subsidie in hoofdstukken 1 tot 4 meestal wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de gesubsidieerde activiteiten maakt dat het nodig is om inzichtelijk te krijgen welke kosten na de uitvoering daadwerkelijk zijn gemaakt. Verantwoording nadat de activiteiten zijn uitgevoerd is daarom nodig. Als de subsidie achteraf aangevraagd wordt worden de daadwerkelijk gemaakte kosten inzichtelijk gemaakt op basis van de stukken die op grond van artikel 1.7, derde lid van de regeling worden vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel regelt dat voor subsidies met een bedrag onder de drempelwaarde ook een verantwoording ingediend moet worden. Het tweede lid regelt welke stukken en gegevens voor dergelijke subsidies ingediend moeten worden, namelijk dezelfde als voor andere eenmalige subsidies met een bedrag boven de drempelwaarde. Het derde lid regelt wanneer aanvragen voor subsidies voor bedragen onder de drempelwaarde ingediend moeten worden, namelijk op hetzelfde moment als eenmalige subsidies met een bedrag boven de drempelwaarde.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Stadsbrede subsidie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Het gebied is voor dit hoofdstuk gelijk aan de gemeentegrenzen van de gemeente Amsterdam met uitzondering van de gebieden die in de hoofdstukken waarvan het nummer met een 3 begint zijn aangewezen, zoals hoofdstuk 3 en 3a. Naarmate er in de volgende hoofdstukken meer gebieden aangewezen worden zal het werkingsgebied van dit hoofdstuk dus kleiner worden. De bedoeling hiervan is te borgen dat er ook een subsidie is als het vastgoed niet ligt binnen een gebied waar de gemeente al met de wijkaanpak begonnen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2, eerste lid Voor woningen, panden met meerdere woningen, kleinschalige transformatie en collectieve installaties is in het eerste lid €3.000.000.- beschikbaar gesteld. Dit kan tussentijds worden aangepast door het college. Na het verlopen van het tijdvak of nadat het subsidieplafond is bereikt kan de subsidie niet meer worden aangevraagd. Aanvragen die na het verlopen van het tijdvak of het bereiken van het subsidieplafond worden ingediend zullen worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1, tweede lid Voor bedrijven en maatschappelijke organisaties is in het tweede lid € 500.000.- beschikbaar gesteld. Ook dit bedrag kan tussentijds worden aangepast door het college. Na het verlopen van het tijdvak of nadat het subsidieplafond is bereikt kan de subsidie niet meer worden aangevraagd. Aanvragen die na het verlopen van het tijdvak of het bereiken van het subsidieplafond worden ingediend zullen worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie, die als gevolg van een uitzonderingsbepaling in een ander hoofdstuk, voor verblijfsobjecten in andere gebieden voor activiteiten op grond van artikel 2.3, onderdelen d, e en f worden verleend tellen mee bij dit subsidieplafond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald welke activiteiten subsidiabel zijn. Een subsidieaanvraag kan in principe iedere mogelijke combinatie van de onder dit artikel genoemde activiteiten bevatten. Het is echter onmogelijk dat een pand met meerdere woningen tegelijkertijd ten dele en geheel aardgasvrije wordt, waardoor activiteiten uit onderdeel c de activiteiten uit onderdeel a uit sluiten voor zo ver die laatste betrekking hebben op het gehele pand met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel a De activiteiten onder dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een bestaande woning wordt omgezet in een aardgasvrije woning. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van activiteiten nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Ook is er een subsidie voor de afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening wordt gebracht. Het is essentieel dat de bestaande installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel b De activiteiten bij dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een woning die bij een kleinschalige transformatie ontstaat, er is in deze gevallen geen sprake van nieuwbouw en het gaat altijd om minder dan 25 woningen, aardgasvrij wordt. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van voorzieningen nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Er is bij kleinschalige transformatie geen subsidie voor afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening worden gebracht. Het is essentieel dat de bestaande installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel c De activiteiten onder dit onderdeel zien op panden met meerdere woningen met collectieve installaties, waar het als gevolg van gefragmenteerd bezit vaak erg moeilijk kan zijn om het gehele pand met meerdere woningen aardgasvrij te maken. Deze panden met meerdere woningen worden als gevolg van de onder dit onderdeel genoemde activiteiten ten dele aardgasvrij. Met “ten dele” wordt bedoelt dat een deel van de verblijfsruimten binnen het pand met meerdere woningen niet aardgasvrij wordt. In een pand met meerdere woningen met blokverwarming kan dit betekenen dit de collectieve installatie voor de gehele flat door een aardgasvrije vervangen wordt, maar dat slechts sommige van de verblijfsruimten ook de aan die verblijfsruimte verbonden aardgasaansluiting laten verwijderen. Met “ten dele” wordt niet bedoeld dat de individuele subsidiabele activiteiten slechts leiden tot een reductie in het aardgasgebruik, omdat er bijvoorbeeld een installatie wordt geplaatst uitsluitend tijdens piekbelasting aardgas gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdelen d en e Onderdelen d en e regelen een subsidie voor het aardgasvrij maken van respectievelijk bestaand maatschappelijke vastgoed of een bestaande bedrijfsruimte door het uitvoeren van één of meerdere van de volgende activiteiten: de gasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; de gasgestookte tapwaterverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is essentieel dat de bestaande en om te zetten installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrippen maatschappelijk vastgoed en bedrijfsruimte zijn gedefinieerd in artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel f Het zesde onderdeel regelt een subsidie om bestaande bedrijfsruimte of bestaande maatschappelijk vastgoed aardgasvrij te maken door bestaande aardgasverbruikende bedrijfsmiddelen om te zetten naar aardgasvrije. Ook hier is essentieel dat een bestaand bedrijfsmiddelen omgezet wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdstuk specifieke subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een specifieke bepaling over subsidiabele kosten die van toepassing is binnen dit hoofdstukken en in het bijzonder gericht is op de omzetting van aardgas gebruikende bedrijfsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel f. Alle andere bepalingen over subsidiabele kosten zijn opgenomen in artikel 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op de gebruikelijke praktijk zijn bij bedrijfsmiddelen uitsluitend de meerkosten subsidiabel. Meerkosten betreffen in dit geval het verschil tussen een nieuw gasverbruikend bedrijfsmiddel en een nieuw aardgasvrij bedrijfsmiddel. Er is bewust gekozen om een ‘nieuw’ gasverbruikend bedrijfsmiddel als referentie te nemen. Andere oplossingen waarbij meer rekening gehouden wordt met de huidige waarde van het bestaande bedrijfsmiddelen zijn in de praktijk niet uitvoerbaar, omdat er teveel sterk uiteenlopende bedrijfsmiddelen zijn, waardoor de bepaling van de waarde van het bedrijfsmiddel de kans op willekeur zou vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.8, tweede lid wordt de aanvrager gevraagd om een onderbouwde kostenraming te geven voor een nieuw aardgas verbruikend bedrijfsmiddel. De kosten van het aardgasvrije bedrijfsmiddel blijken uit de offertes die de aanvrager op grond van artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b moet overleggen. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.8, tweede lid kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als de onderbouwde raming van de investeringskosten van het aardgas gebruikende bedrijfsmiddel niet redelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt per activiteit in artikel 2.3 de hoogte van de subsidie die kan worden verleend. De leden 1 tot en met 6 van dit artikel corresponderen respectievelijk met de onderdelen a tot en met f van de artikel 2.3. De onderdelen van dit artikel corresponderen met de subonderdelen van artikel 2.3. De maximale subsidiebedragen voor woningen, leden 1, 2 en 3, zijn zo vormgegeven dat er maximaal €3000,- subsidie per aardgasvrije woning is. Daar komen de afsluitkosten van het aardgasnet nog bovenop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5, derde lid Dit lid regelt de maximale subsidie voor subsidiabele die ertoe leiden dat een gebouw met collectieve verwarmingsinstallatie gedeeltelijk aardgasvrij wordt. Omdat niet per definitie het gehele gebouw aardgasvrij wordt is een afwijkende en iets ingewikkeldere methode nodig om te bepalen hoeveel subsidie er is. De subsidiabele kosten zijn evenredig met het deel van het pand met meerdere woningen dat aardgasvrij wordt als gevolg van de activiteiten. Indien het niet redelijkerwijs mogelijk is om de kosten voor het aardgasvrij maken van de ruimteverwarming en het aardgasvrij maken van het warm tapwater te scheiden, dan kunnen de kosten bij elkaar opgeteld blijven en moet uitgegaan worden van een gecombineerd maximum van €2500,- per aardgasvrije woning voor beide activiteiten. Met behulp van een tweetal voorbeelden wordt deze bepaling van de hoogte van de subsidie nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VvE van een pand met 50 woningen en een collectieve verwarmings- en tapwaterinstallatie wil subsidie aanvragen. Alle 50 deze woningen zijn aangesloten op de installatie; 10 van de woningen koken al elektrisch en hebben geen individuele woning gebonden gasaansluiting. Na de uitvoering van de beoogde voorzieningen is de collectieve verwarmings- en tapwater installatie aardgasvrij. Bovendien hebben 20 woningeigenaren de intentie uitgesproken binnen een jaar elektrisch te gaan koken en de individuele woning gebonden gasaansluiting te laten verwijderen. Dit betekent dat er na alle activiteiten 30 aardgasvrije woningen in het pand zullen zijn. Het vervangen van de gasinstallatie met een WKO installatie voor het gehele pand met meerdere woningen kost €200.000,-. €150.000 daarvan is toe te schrijven aan de ruimteverwarming (2.5, derde lid, onderdeel a). € 50.000 aan het warm tapwater (2.5, derde lid, onderdeel b). De afsluiting van de aardgasaansluiting voor de collectieve installatie kost €5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij ruimteverwarming De kosten voor de WKO installatie die te maken hebben met de ruimteverwarming bedragen €150.000. Op grond van artikel 1.5, zijn al deze kosten aan te merken als de subsidiabele kosten voor deze subsidiabele activiteit. Er zijn 50 woningen in het pand en 30 daarvan worden aardgasvrij. Dit levert de volgende berekening van de maximale subsidie als gevolg van de subsidiabele kosten op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is echter hoger dan de maximale subsidie per aardgasvrije woning voor deze activiteit. Deze bedraagt immers €2000,- per aardgasvrije woningen. Waardoor het subsidiebedrag voor deze activiteit uitkomt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij tapwater De kosten voor de WKO installatie die te maken hebben met het warmte tapwater bedragen €50.000. Op grond van artikel 1.5, zijn al deze kosten aan te merken als de subsidiabele kosten voor deze subsidiabele activiteit. Er zijn 50 woningen in het pand en 30 daarvan worden aardgasvrij. Dit levert de volgende berekening op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is echter hoger dan de maximale subsidie per aardgasvrije woning. Deze bedraagt immers €500,- per aardgasvrije woningen. Waardoor het subsidiebedrag voor deze activiteit uitkomt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De collectieve aardgasaansluiting De kosten voor het afsluiten van de collectieve aardgasaansluiting bedragen €5.000. Deze hoogte de subsidie voor deze kosten bedraagt op grond van artikel 2.5, derde lid, onderdeel c dus € 5000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele kookgasaansluitingen De 20 eigenaren en bewoners (of de VvE namens hen) die de intentie hebben uitgesproken om elektrisch te gaan koken en hun individuele woning gebonden gasaansluiting laten verwijderen kunnen vervolgens ook nog subsidie aanvragen voor op grond van artikel 2.3, onderdeel a, subs iii en iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht voorbeeld 1 Dat levert het volgende overzicht op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteit Subsidiabele kosten Maximum als gevolg van subsidiabele kosten Maximum als gevolg van aantal woningen Subsidie voor activiteit Collectieve ruimteverwarming € 150.000 € 90.000 € 60.000 € 60.000 Collectief warm tapwater € 50.000 € 30.000 € 15.000 € 15.000 Collectief afsluiten aardgas € 5.000 € 5.000 - € 5.000 Collectief totaal € 205.000 - - € 80.000 Individuele kookvoorziening Kosten per woning variëren 100% subsidiabele kosten €500 per woning Onbekend Individuele aardgasaansluiting afsluiten Volgt uit Tarievencode ACM Door netbeheer in rekening gebrachte kosten €1.000 per woning Onbekend Voorbeeld 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VvE van een pand met meerdere woningen met 100 woningen en een gasgestookte collectieve ruimteverwarmingsinstallatie wil subsidie aanvragen. 95 van de woningen zijn aangesloten op de installatie en 5 van de woningen in het pand met meerdere woningen zijn al op eigen houtje aardgasvrij en drie daarvan willen niet overstappen naar de collectieve installatie. In 10 van de woningen in het pand met meerdere woningen, waaronder de 5 aardgasvrije, wordt elektrisch gekookt. De helft van de woningen heeft een gasgestookte tapwater voorziening. De ander helft heeft een elektrische tapwater voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VvE en alle bewoners behalve één besluiten om aardgasvrij te worden met behulp van stadwarmte. Deze éne bewoner zegt een emotionele verbinding met zijn geiser en gaskookplaat te hebben. Na de uitvoering van de beoogde voorzieningen is de collectieve ruimteverwarmingsinstallatie aardgasvrij. De tapwaterinstallaties zijn nog steeds individueel per verblijfsobject geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van de gasinstallatie met stadswarmte voor het gehele pand met meerdere woningen kost €250.000,-. De afsluiting van het aardgas voor de collectieve installatie kost €5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrije ruimteverwarming (collectief) De beschreven casus heeft als gevolg dat er na alle activiteiten 94 extra aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen zullen zijn. 5 van de woningen waren al aardgasvrij, daar is dus geen subsidie voor. 1 woning blijft aan het aardgas, omdat de eigenaar er zo aan gehecht is. Dat levert de volgende berekening van de maximale subsidie als gevolg van de subsidiabele kosten op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is hoger dan de maximale subsidie per woning. Deze bedraagt maximaal €2000,- per aardgasvrije woning voor de verwarmingsinstallatie. (artikel 2.3, derde lid, onderdeel a).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij warm tapwater Het warm tapwater wordt niet collectief aangepakt, dus dat is geen subsidiabele activiteit op grond van artikel 2.5, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aardgasaansluiting De kosten voor het afsluiten van de collectieve aardgasaansluiting bedragen €5.000. Deze hoogte de subsidie voor deze kosten bedraagt op grond van artikel 2.5, derde lid, onderdeel c dus € 5000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten aan individuele installaties</p></div>", "next": 239503}