{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In aanvulling op artikel 3.35 worden de kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde investeringskosten als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de recreatieve openbare infrastructuur.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de subsidieontvanger de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid geldt niet voor de subsidies verleend voor het beheer van en het onderhoud aan de recreatieve openbare infrastructuur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies bedoeld in deze paragraaf in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.47</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">59[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW. In het eerste lid van artikel 3.47 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen – meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap – of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen. Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld. In het tweede lid van artikel 3.47 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit’. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.] 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten behoren niet tot het werk van de aanvrager dat op andere wijze wordt gefinancierd; de aanvrager heeft geen winstoogmerk met de activiteiten; de aanvrager bestemt voor verbreiding van de leerervaringen, ten minste 5% van de totale lasten; de aanvrager toont aan dat de financiële opzet sluitend is indien de gevraagde provinciale subsidie wordt toegekend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">60 [Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS, en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen posten van de begroting voor de activiteiten buiten beschouwing laten indien zij van mening zijn dat deze niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">61[Toelichting: In artikel 3.50 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’ is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.11 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn; e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt; g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">62[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond. Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden.] Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">63[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project. Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen.] 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag dit toestaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Subsidie kan worden gevraagd voor: een activiteit met een experimenteel of innovatief karakter die tot doel heeft of ertoe kan leiden dat de hoeveelheid huishoudelijk afval vermindert of op een hoogwaardiger wijze wordt verwerkt, of een activiteit die past binnen het beleidskader als vastgelegd in de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB. 64[Toelichting: Bij te subsidiëren activiteiten onder sub a gaat het om projecten gericht op de uitvoering van het huishoudelijk afvalstoffenbeleid. Vooral activiteiten die gericht zijn op het bereiken van een hogere trede op de zogenaamde Ladder van Lansink komen voor subsidiëring in aanmerking. Het hoogst op de ladder van Lansink staat preventie (voorkomen) van afvalstoffen. Daarna komt hergebruik, verbranden en als laatste storten van afval. Bij activiteiten onder sub b gaat het om projecten ter stimulering van preventie van bedrijfsafvalstoffen. Het gaat hierbij om het ondersteunen van projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.] 2. Een subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: er vindt nulmeting en eindmeting plaats naar de bereikte milieueffecten; hierover wordt gerapporteerd; voor de voorgenomen activiteit is niet eerder een subsidie ontvangen op basis van deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit; de activiteit wordt kosteneffectief uitgevoerd; kennisoverdracht van relevante resultaten is mogelijk; de activiteit voorziet in een behoefte van de doelgroep(en) van het project; de activiteit is gericht op het bevorderen van een zo efficiënt mogelijk gebruik van afvalstoffen, water en energie bij het industriële MKB.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">65[Toelichting: Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten ter stimulering van de uitvoering van het huishoudelijke afvalstoffenbeleid. De hoogte van het maximumbedrag heeft te maken met de omvang van de subsidiepot. Het in het tweede lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB. Hierna volgt een samenvatting van de Beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB. ‘Voorkomen is verdienen’ was de afgelopen jaren het credo voor het beleid gericht op het verminderen van gebruik van grondstoffen, water en energie en het voorkomen van milieuschadelijke emissies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering werd vooral opgepakt vanuit de milieu-invalshoek. De komende periode richten wij ons nog steeds op hetzelfde uitgangspunt, met dat verschil dat wij de uitvoering vanuit een breder perspectief gaan inzetten. Wij stellen ons ten doel te streven naar een duurzame ontwikkeling van de Overijsselse industrie. Hieronder verstaan wij een gelijktijdige versterking van de industriële structuur en een afname van de milieudruk in Overijssel. Hiermee geven wij invulling aan onze ambitie om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie (Bestuursakkoord 1999-2003). Deze beleidsnotitie is de nadere uitwerking van het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor de beleidsvoornemens gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijsselse Midden- en Kleinbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het streven naar zoveel mogelijk synergie tussen milieu- en economiethema’s binnen het provinciale beleid gaan wij ons in de komende periode richten op die sectoren die de speerpuntsectoren van de Overijsselse Innovatiestrategie zijn. Het gaat dan om de volgende sectoren: kunststofverwerkende industrie, metaalproducten industrie, machine- en apparatenbouw, voedingsmiddelenindustrie, grafische en media-industrie, transportmiddelenindustrie ((vracht)auto’s, schepen, treinen en fietsen). Binnen deze branches koppelen wij daar waar mogelijk onze aanpak aan bestaande initiatieven en houden wij in ieder geval rekening met afspraken uit het doelgroepenbeleid Industrie. Kansrijke ontwikkelingen zijn momenteel te ontdekken op de volgende terreinen: milieugerichte productontwikkeling, productgerichte milieuzorg en integraal ketenbeheer.] 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.800,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 18.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Niet subsidiabel zijn de kosten van: vaste personeelslasten en omzetbelasting, voorzover deze laatste niet door de subsidieontvanger kan worden teruggevorderd; voorbereiding en ontwikkeling, administratie en accountant; dat deel van de activiteit dat voorafgaand aan de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten is gestart.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.3 Bio-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.55</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Subsidie kan worden gevraagd voor de externe kosten van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies voor de realisatie van: bio-energie installaties; inzamelingsstructuren voor regionale biomassa.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan het criterium dat de subsidieontvanger zelf voor minimaal 20% bijdraagt in de totale subsidiabele kosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.55, eerste lid onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.55, eerste lid onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 10.000.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap</h3>\n<p class=\"lf-p\">66 [Toelichting: Bij de vormgeving van dit hoofdstuk is nadrukkelijk geanticipeerd op invoering van het ILG en het nieuwe Europese verordening voor plattelandontwikkeling in 2007. Dat blijkt onder meer uit de indeling in paragrafen waarmee wordt aangesloten bij de ‘priority axes’ uit het Europese beleid. Daarmee beogen we het inzetten van provinciale middelen als cofinanciering te vereenvoudigen en daarmee de beschikbare Europese middelen optimaal te benutten. Bovendien hoeft in het geval sprake is van staatssteun in een aantal gevallen geen bijzondere goedkeuring in Brussel te worden verkregen en waar wel goedkeuring dient te worden gevraagd zal deze vermoedelijk eenvoudiger worden verkregen.]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Staatssteun en landbouwbedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">67[Toelichting: Voor subsidie aan ondernemingen geldt het EG-verbod op staatssteun. In het algemeen maakt Overijssel daarbij gebruik van de vrijstelling voor de minimissteun. Zie artikel 6 lid 2 van de Algemene subsidieverordening en de toelichting daarop. Die vrijstelling geldt evenwel niet voor Landbouwbedrijven, kort gezegd ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken of afzetten. Voor kleine en middelgrote landbouwbedrijven geldt wel de hier genoemde vrijstellingsregeling. In de regeling zijn in het bijzonder de artikelen 1 tot en met 5, artikel 7 en de artikelen 17, 18 en 19 van belang. Uit de genoemde artikelen vloeit onder meer voort dat bij een aanvraag voor subsidie voor investeringen de economische levensvatbaarheid van het bedrijf moet worden aangetoond en/of dat er in de toekomst voor betrokken producten op de markt normale afzetmogelijkheden bestaan. Daarvoor moet allerlei informatie worden overlegd. Zie artikel 5. Verder moet de aanvrager beschikken over voldoende agrarische vakbekwaamheid. Ook dat moet door schriftelijke informatie worden gestaafd. Uitzondering hierop vormen de subsidies genoemd in § 4.2 van dit uitvoeringsbesluit. Voor de subsidies die in dit kader worden verleend wordt hiertoe een aparte melding richting de Europese Commissie voorbereid.] Subsidie aan landbouwbedrijven, bedoeld in paragraaf 2 en 3 wordt uitsluitend verstrekt indien voldaan is aan het bepaalde in de verordening (EG) nr. 1/2004 van de Europese Commissie van 23 december 2003 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten, Publ. 2004, L 1/1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de onderstaande subsidies in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Ontwikkeling van perspectiefvolle landbouw</h3>\n<p class=\"lf-p\">68[Toelichting: Een perspectiefvol landbouwbedrijfsleven is belangrijk voor Overijssel. Onder perspectiefvolle landbouwerstaat de provincie een toekomstgericht en marktconform landbouwbedrijfsleven, die bijdraagt aan de regionale economie, het beheer van het landelijk gebied en de leefbaarheid van het platteland. Daarom zien wij het als onze taak om, binnen de mogelijkheden, te zorgen voor goede randvoorwaarden voor de ontwikkeling van duurzame landbouw. De doelen in dit verband zijn: • verbetering van de ruimtelijke structuur van de intensieve landbouw Intensieve veehouderij en glastuinbouw); • verbetering van de ruimtelijke structuur van de grondgebonden landbouw; • verbreding en versterking van de economische basis van de landbouw door het stimuleren van ondernemerschap en innovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rol van de provincie in het bereiken van deze doelen betreffen met name een goede afstemming met andere overheden, strategische plannen en vooral een passend instrumentarium. Het belangrijkste provinciale instrument is het stimuleringsbeleid. Subsidieverstrekking is hiervan het belangrijkste onderdeel. Ten behoeve van de landbouw in het algemeen worden gelden beschikbaar gesteld door de Europese Unie, het Rijk, de provincie en het landbouwbedrijfsleven zelf. Deze regeling heeft alleen betrekking op de subsidieverlening vanuit provinciale middelen. Voor situaties waar voor een activiteit een bijdrage kan worden verkregen uit een subsidieregeling van een andere overheid of een Europees Programma, is deze subsidieregeling niet bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subsidieregeling is uitdrukkelijk bedoeld als aanvulling op bestaande subsidieregelingen van andere overheden en Europese Programma’s. In deze context zullen subsidieaanvragen ook worden beoordeeld.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">69[Toelichting: Centraal criterium om voor subsidie in aanmerking te komen is dat de activiteit past binnen de genoemde speerpunten voor de ontwikkeling van een perspectiefvolle landbouw. Zowel individuele ondernemers als intermediaire organisaties moeten van de regeling gebruik kunnen maken. In dit artikel is nog aantal andere subsidiecriteria geformuleerd, waaronder in sub c dat het project waaruit de uitvoering van de activiteit voortvloeit een uitstraling heeft naar een groter gebied of naar (delen van) de landbouwsector. Achtergrond hiervan is dat het activiteiten moet betreffen die op enigerlei wijze het niveau van de individuele ondernemer overstijgen of door een relatie met een meeromvattend project dat een uitstraling heeft naar de landbouwsector als totaal of delen daarvan of een uitstraling heeft naar een gebied. In sub d is geregeld dat de activiteit uitvoeringsgereed moet zijn. Dit betekent onder andere dat de benodigde vergunningen c.q. ontheffingen of anderszins toestemmingen moeten zijn verleend en dat de financiering van de activiteit geregeld moet zijn. Hiermee wordt bedoeld dat de cofinanciering van de activiteit geregeld dient te zijn en de begroting sluitend dient te zijn.] 1. Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van de ontwikkeling van perspectiefvolle landbouw moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten moet bijdragen aan één van de volgende speerpunten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verbetering van de ruimtelijke structuur van de grondgebonden landbouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verbreding en versterking van de economische basis van de landbouw door het stimuleren van toekomstgericht ondernemerschap en innovatie; de activiteit moet zich richten op gemeenschappelijke problemen en/of kansen; de kennis, die vrijkomt in de activiteit moet ten goede komen aan de sector en/of keten; de activiteit moet uitvoeringsgereed zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering in een landbouwbedrijf moet, in aanvulling op de criteria in genoemd in het eerste lid, ook worden voldaan aan de bepalingen als genoemd in artikel 4 van de Verordening van de Commissie (EG) 1/2004, PbEU 2004, L 1/1.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">70[Toelichting: Voor subsidie aan landbouwbedrijven is de hoogte mede bepaald door de maxima genoemd in de EG-verordening voor steun aan kleine en middelgrote landbouwbedrijven. Om het geheel overzichtelijk te houden hebben wij gekozen voor twee hoofdregels: 40% voor investeringen en 80% voor technische ondersteuning. Bovendien is de bijdrage gemaximeerd. De EG-verordening geeft in sommige gevallen overigens meer ruimte, bijvoorbeeld voor subsidie aan jonge landbouwers of voor de bescherming of verbetering van het milieu, van de hygiënische omstandigheden op dierenbedrijven of het welzijn van landbouwhuisdieren, steun voor vervroegde uittreding, bijdragen voor producentengroeperingen, bijdragen aan verzekeringspremies, steun voor ‘kwaliteitslandbouwproducten’ en tenslotte bepaalde steun aan de sector dierlijke productie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4 respectievelijk artikel 7 van de EG-verordening moeten investeringen gericht zijn op een of meerdere van de volgende doelstellingen: a. verlaging van de productiekosten; b. verbetering en omschakeling van de productie; c. verhoging van de kwaliteit; d. instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen inzake dierenwelzijn; e. bevordering van de diversificatie van landbouwactiviteiten; f. verwerking en afzet van landbouwproducten. Een belangrijke aandachtspunt is dat de genoemde steunintensiteiten gelden voor alle overheden gezamenlijk. Er moet derhalve nadrukkelijk worden geverifieerd of andere overheden – met inbegrip van de EG – een bijdrage leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is dat het geval dan moet daarmee bij de verstrekking rekening worden gehouden. Zie artikel 18 van de EG-verordening.] 1. De subsidie aan landbouwbedrijven ten behoeve van investeringen bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 100.000,-- per investering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie aan landbouwbedrijven voor technische ondersteuning bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per driejarige periode per eindbegunstigde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie op grond van dit artikel wordt verleend met inachtneming van artikel 18 van de Verordening van de Commissie(EG) 1/2004, PbEU 2004, L 1/1. 71[Toelichting: Let op: niet alle kosten zijn subsidiabel. Uit artikel 4, lid 4 van de EG-verordening dat alleen de volgende kosten subsidiabel zijn: a. de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; b. nieuwe machines en nieuw materieel met inbegrip van computerprogrammatuur; c. algemene kosten, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en voor het verkrijgen van octrooien en licenties, tot maximaal 12% van de bovenbedoelde uitgaven. Verder gelden de uitsluitingen genoemd in dit artikel. Sub a kan onder meer betekenen dat activiteiten of onderdelen daarvan die reeds wettelijk verplicht zijn niet voor subsidie in aanmerking komen.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">72 [Toelichting: Deze informatie is nodig in verband met het voldoen aan de eisen uit EG-regelgeving. Zie ook de toelichting bij artikel 4.1, lid 2.] Indien de aanvraag betrekking heeft op een subsidie ten behoeve van investeringen overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens de volgende documenten of informatie: a. een beschrijving van de huidige situatie van de betrokken bedrijven; b. een beschrijving van de beoogde structuurverbetering van de betrokken bedrijven na voltooiing van het plan; c. een overzicht van de eventuele gevolgen van de structuurverbetering voor de personele bezetting; d. een verklaring van een financierende derde, niet zijnde bloed- of aanverwant, in het geval de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd door deze derde geheel of ten dele zal worden gefinancierd. Hieruit dient de haalbaarheid van de gewenste investeringen ook in relatie tot de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf te blijken; e. indien geen financieringsverklaring, zoals onder sub d wordt bedoeld, kan worden overgelegd, dient bij de aanvraag tot subsidieverlening een exploitatiebegroting te worden overgelegd over het boekjaar volgend op het jaar waarin de subsidieaanvraag plaatsvindt, alsmede een meerjarenbegroting over een periode van 5 jaar. Uit de exploitatiebegroting dient te blijken dat het eigen vermogen nadat de investering waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, heeft plaatsgevonden, niet minder dan 15% van het totale vermogen uitmaakt. Gegevens waaruit blijkt dat het bedrijf waarvoor subsidie wordt aangevraagd gedurende de drie jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag, niet meer dan gedurende één jaar verlies heeft geleden; f. gegevens waarmee kan worden aangetoond dat er in de toekomst voor de betrokken producten op de markt normale afzetmogelijkheden bestaan. Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is de monitoring van het Landbouw Economisch Instituut met betrekking tot capaciteitsontwikkeling van markten voor agrarische producten; g. een getuigschrift waaruit blijkt dat de aanvrager een erkende landbouwkundige opleiding heeft afgerond dan wel een opleiding van gelijkwaardig niveau of dat hij kan aantonen ten minste drie jaren op een agrarisch bedrijf werkzaam te zijn geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Uitvoering van het reconstructieplan Salland Twente</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie voor activiteiten gericht op uitvoering van het reconstructieplan moet voldoen aan de volgende criteria: passen binnen het reconstructieplan Salland Twente en de daaruit voortvloeiende uitwerkings- en wijzigingsplannen; 73[Toelichting: het reconstructieplan is vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel op 16 september 2004, kenmerk PS/2004/738. In het reconstructieplan is aangegeven op welke wijze de provincie een perspectiefvolle ontwikkeling van het reconstructiegebied Salland en Twente wil realiseren. Daarbij vormen goed ondernemerschap en het ontwikkelen van toekomstperspectief (bedrijfsontwikkeling) de centrale aandachtspunten.] passen binnen het door Gedeputeerde Staten vast te stellen uitvoeringsprogramma Salland Twente; 74[Toelichting: Gedeputeerde Staten stellen het uitvoeringsprogramma in beginsel jaarlijks vast. Het Reconstructieplan is daarbij vanzelfsprekend leidend, samen met de bestuursovereenkomst reconstructie zoals bedoeld in artikel 33 van de reconstructiewet.] de activiteit moet starten binnen drie maanden nadat subsidie is verleend. 75[Toelichting: hiermee wordt vastgesteld of de activiteiten uitvoeringsgereed zijn. Dit betekent in ieder geval ook dat de financiering (vrijwel) rond is.] 2. In aanvulling op het eerste lid wordt subsidie aan landbouwbedrijven uitsluitend verstrekt mits is voldaan aan de bepalingen als genoemd in de artikelen 1 tot en met 7 en 17 tot en met 19 van de Verordening van de Commissie (EG) 1/2004, PbEU 2004, L 1/1. 76[Toelichting: Een belangrijk accent in dit plan ligt op de bescherming en herstel van natuur-, landschaps-, en milieuwaarden in gebieden die gesitueerd zijn in de Ecologische Hoofdstructuur. Rond deze kwetsbare gebieden zijn in het reconstructieplan extensiveringsgebieden aangewezen, waar (onder meer) als beleidsdoel wordt nagestreefd dat de intensieve veehouderij in deze gebieden wordt afgebouwd. Een belangrijk speerpunt is om bedrijven, die gelegen zijn in extensiveringsgebieden, en die voldoende economisch perspectief hebben en hun bedrijf willen verplaatsen en voortzetten op een andere wel geschikte duurzame locatie, daarvoor te compenseren. In de meeste gevallen zal de provincie de bedrijfslocatie in extensiveringsgebieden marktconform opkopen. Hiervoor hebben Gedeputeerde Staten een Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderij vastgesteld. Hiermee worden echter niet alle met verplaatsing gepaard gaande kosten gedekt. Om de verplaatsingen daadwerkelijk gerealiseerd te krijgen acht Gedeputeerde Staten het wenselijk ook een bijdrage in deze kosten te kunnen leveren. Deze subsidieregeling voorziet hierin.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidie in verband met het verplaatsen van intensieve veehouderijen wordt uitsluitend verstrekt indien ten aanzien van het te verplaatsen bedrijf (of delen daarvan) een voorlopige koopovereenkomst met de provincie Overijssel is gesloten, als bedoeld in de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van de werkelijke kosten van de activiteiten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor activiteiten gericht op het versterken van landschappelijke of cultuurhistorische waarden ten hoogste 75% van de werkelijk gemaakte kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor waterprojecten, die voldoen aan de criteria van artikel 6.10 ten hoogste 40% van de noodzakelijk geachte kosten tot een maximum van € 500.000, 4. De subsidie voor basisvoorzieningen en kulturhusen op grond van deze paragraaf bedraagt maximaal € 100.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.8, derde lid, bedraagt: 77[Toelichting: Om de eenvoud van de uitvoering en transparantie is ervoor gekozen om te werken met normbedragen. De hoogte van de bedragen is ontleend uit praktijkervaring in deze, met name de onteigeningspraktijk.] een vergoeding voor de sloopkosten van bedrijfsgebouwen van de intensieve veehouderij op de te verlaten locatie van € 25,-- per m2 daadwerkelijk aanwezige oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte verplaatsingskosten van maximaal € 500,-- per NGE aanwezige productiecapaciteit op het moment van aanvraag, tot een maximum van € 100.000,--. Als verplaatsingskosten worden aangemerkt de kosten van advies, ontwerp en onderzoek ten behoeve van de hervestiging, met uitzondering van leges en de kosten van het verhuizen van bedrijfsmiddelen en dieren naar de hervestigingslocatie;</div>\n<p class=\"lf-p\">Indien de hervestiginglocatie een bestaande agrarische bedrijfslocatie is én er geen sprake is van samenvoeging: een vergoeding voor de sloopkosten van € 25,-- per m2 voor de sloop van op de hervestiginglocatie niet bruikbare bedrijfsgebouwen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Geen subsidie wordt verstrekt: 78[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 4.4, lid 3.] voor kosten die voortvloeien uit de normale taakuitoefening van aanvragers; voor planvorming, onderzoek, inventarisaties en deskstudies voorzover die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteit; voor activiteiten waarbij de uitvoering al is gestart voordat de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend; voor activiteiten, waarbij gebruik is gemaakt van de faciliteiten van het provinciale Beleidskader Rood voor rood.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Bij waterprojecten zijn, in afwijking van het vijfde lid, onder c, de kosten van grondverwerving subsidiabel, indien deze gronden maximaal vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag zijn verworven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor subsidie aan landbouwbedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">79 [Toelichting: zie de toelichting bij artikel 4.9] 1. In afwijking van artikel 4.9 bedraagt de subsidie aan landbouwbedrijven ten behoeve van investeringen, overeenkomstig artikel 4 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1 maximaal 40% van de subsidiabele kosten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie aan landbouwbedrijven voor investeringen gericht op de instandhouding van tot het erfgoed behorende elementen die tevens deel uitmaken van de productieve activa van een landbouwbedrijf, zoals landbouwbedrijfsgebouwen, bedraagt overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1, maximaal 60% van de subsidiabele uitgaven, mits de investering geen enkele stijging van de productiecapaciteit van het landbouwbedrijf meebrengt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie op grond van het eerste en tweede lid wordt verleend met inachtneming van artikel 18 van de Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing bij subsidie voor de verplaatsing van intensieve veehouderij.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">80 [Toelichting: Deze informatie is nodig in verband met het voldoen aan de eisen uit EG-regelgeving. Zie artikel 4.1.] 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een subsidie voor een investering in een landbouwbedrijf, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.11 tevens de documenten of informatie genoemd in artikel 4.6 voornoemd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de aanvraag betrekking heeft op verplaatsing van intensieve veehouderij overlegt de aanvrager in afwijking van artikel 1.11 de volgende gegevens: een opgave van de oppervlakte van de te slopen bedrijfsgebouwen van de intensieve veehouderij op de te verlaten locatie; een opgave van de daadwerkelijk gemaakte kosten van advies, ontwerp en onderzoek ten behoeve van de hervestiging én als gevolg van de verplaatsing opgetreden productieverliezen; indien van toepassing, een opgave van de oppervlakte van de te slopen niet bruikbare bedrijfsgebouwen op de hervestigingslocatie.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast voor uitvoering van het reconstructieplan of onderdelen daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien de subsidie een bijdrage in een investering betreft, mogen de goederen waarin is geïnvesteerd binnen een periode van 5 jaar na subsidiëring niet zonder toestemming van Gedeputeerde Staten worden vervreemd, bezwaard of aan de bestemming worden onttrokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voorschriften opleggen aan een toestemming tot het vervreemden, bezwaren of het onttrekken aan de bestaande bestemming.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Verbeteren van het milieu in het landelijk gebied</h3>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.1. Provinciale Ecologische Hoofdstructuur 81[Toelichting: Het Beleidsplan Natuur en Landschap Overijssel (BNLO) is het beleidskader voor het subsidiëren van grondaankopen voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Dit beleidsplan is op 21 oktober 1992 door provinciale staten vastgesteld. In dit BNLO geeft de provincie aan hoe de natuur- en landschapswaarden in onderlinge samenhang behouden en verder ontwikkeld kunnen worden. Voor de periode tot 2021 geeft het BNLO een streefbeeld van de realisering van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). De doelstellingen van het provinciale natuur- en landschapsbeleid zijn: • duurzaam behoud, herstel en ontwikkeling van de karakteristieke natuur- en landschapswaarden; • het bevorderen van de mogelijkheden om de natuur en het landschap op een verantwoorde wijze te beleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toekomst van belangrijke ecosystemen is de ontwikkeling vereist van een samenhangend stelsel van grote natuurgebieden die met elkaar verbonden zijn door verbindingszones. Het provinciale natuur- en landschapsbeleid richt zich in de eerste plaats op de totstandkoming van dit stelsel: de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). De concrete begrenzing van de PEHS tot op perceelsniveau vindt plaats in de natuurgebiedplannen, die in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer (Programma Beheer) zijn vastgesteld. Aankoop, inrichting en particulier) beheer zijn belangrijke middelen om het natuur- en landschapsbeleid te verwezenlijken. Voor aankopen van natuurterreinen, bossen en landgoederen kan – als voldaan is aan een aantal specifieke criteria - provinciale subsidie worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijk aspect is dat de aankopen plaatsvinden op vrijwillige basis. De provincie heeft in het proces van grondaankopen een regisserende rol, zij heeft namelijk het beleidskader geformuleerd. Deze regisserende rol is eveneens afgesproken in het IPO/LNV convenant waarin afspraken zijn gemaakt tussen het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het IPO over de realisering van het natuurbeleid. Daarnaast heeft de provincie een duidelijk stimulerende rol door het subsidiëren. Het subsidiëren van grondaankopen binnen de PEHS moet gezien worden als een van de krachtigste stimuleringsinstrumenten om de PEHS te realiseren. De provincie subsidieert maximaal 50% van de verwervingskosten, terwijl het Rijk de resterende 50% subsidieert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het behoud en ontwikkelen van natuurwaarden van natuurterreinen, bossen en landgoederen kan het gewenst zijn dat deze worden verworven door een van de terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties. Het gaat hier om door de minister van LNV als particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties erkende organisaties. In Overijssel hebben op dit moment Landschap Overijssel en de Vereniging Natuurmonumenten deze erkenning. Zij kunnen een subsidie aanvragen voor aankopen van natuurterreinen, bossen en landgoederen. Staatsbosbeheer wordt bij voorkomende aankopen door de rijksoverheid gesubsidieerd. Het aantal subsidieontvangers voor dit doel is bewust beperkt gebleven tot de genoemde organisaties, omdat zij in hun doelstelling primair hebben opgenomen behoud en ontwikkeling van natuur voor een al dan niet beperkt grondgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook beschikken deze organisaties over deskundig personeel voor het beheer en bovendien over een zodanige vermogenspositie dat verwacht mag worden dat zij deze doelstellingen ook voor de langere termijn kunnen blijven uitvoeren. Hiermee is de duurzaamheid van de subsidie goed gewaarborgd en mag verwacht worden dat op deze manier de realisatie van de PEHS via aankopen door deze organisaties een structureel karakter krijgt.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">82[Toelichting: De algemene lijn is dat er subsidie beschikbaar is voor de aankoop van nieuwe natuur. Via het Programma Beheer is in samenspraak met rijk en provincies, een subsidiemogelijkheid gecreëerd voor particulieren die via de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 grond willen verwerven en beheren indien deze gronden in de provinciale natuurgebiedsplannen ijn begrensd als nieuwe natuur. De onderhavige regeling ziet op de verwerving van grond van door het rijk als particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie zijn erkend. De grond moet gelegen zijn in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de grond moet zijn begrensd als nieuwe natuur in de natuurgebiedsplannen op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000. In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het criterium, dat gronden buiten de PEHS voor subsidie in aanmerking kan komen. De subsidieaanvrager moet bij de subsidieaanvraag aantonen dat de aankoop van de betreffende grond rechtstreeks bijdraagt aan de realisatie van de PEHS.(bijvoorbeeld ruilgrond). In bijzondere gevallen moet de mogelijkheid bestaan van de algemene lijn af te wijken. In dit artikel is geregeld in welke situaties van deze algemene lijn mag worden afgeweken. Indien dit aan de orde is zal de subsidieaanvrager gemotiveerd bij het subsidieverzoek moeten aangeven, waarom er sprake is van deze uitzonderingssituatie.] 1. De door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit als particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties erkende organisaties kunnen subsidie aanvragen voor de verwerving van gronden voor de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de te verwerven grond ligt in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur; de te verwerven grond ligt niet in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de aanvrager kan aantonen dat de aankoop van de betreffende grond rechtstreeks bijdraagt aan de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur; de te verwerven grond is begrensd als nieuwe natuur als bedoeld in het natuurgebiedsplan; de subsidieaanvrager komt, gelet op de door Gedeputeerde Staten vast te stellen eerstgegadigdenkaart, als eerste in aanmerking voor aankoop van de betreffende grond. 83[Toelichting: Bij de vaststelling van het BNLO is door de provincie in overleg met jet rijk (LNV) een kaart vastgesteld, die de invloedsferen van de natuurbeschermingsorganisaties Vereniging Natuurmonumenten en Landschap Overijssel in Overijssel weergeeft, de zgn. Eerstgegadigdenkaart. Deze kaart is bepalend voor welke natuurbeschermingsorganisatie een perceel grond, dat op de markt wordt aangeboden, aan zal gaan kopen. De Eerstgegadigdenkaart is van belang bij de beoordeling of de subsidieaanvrager als eerste in aanmerking komt voor aankoop van de betreffende grond. Als gevolg van belangrijke wijzigingen die ten behoeve van ruimere mogelijkheden voor particulier beheer worden doorgevoerd, kunnen Gedeputeerde Staten wijzigingen op deze kaart aanbrengen.]</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In bijzondere gevallen kunnen de in het eerste lid bedoelde organisaties subsidie aanvragen voor de verwerving van gronden die als bestaande natuur is begrensd in het natuurgebiedsplan indien deze: een onlosmakelijk onderdeel is van de begrensde nieuwe natuur of; voor het beheer een essentieel onderdeel vormt voor het realiseren van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur; in redelijkheid niet als een zelfstandig te beheren object kan worden aangemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In bijzondere gevallen kunnen de subsidies als bedoeld in het eerste en tweede lid tevens kosten van achterstallig onderhoud behelzen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Beheerders van natuurgebieden in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur kunnen subsidie aanvragen voor kwaliteitsverbetering van natuur en landschap in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, bedraagt ten hoogste 50% van de verwervingskosten, waaronder wordt verstaan: 84[Toelichting: De subsidie bedraagt maximaal 50% van de verwervingskosten. In dit artikel is aangegeven welke kosten hieronder begrepen kunnen worden. Met betrekking tot de afkoopkosten van evt. lopende verplichtingen (onderdel e) wordt in eerste instantie gedoeld op landinrichtingsrente.] de kosten van de aan te kopen grond, gebaseerd op de marktwaarde van vergelijkbare gronden in de omgeving. Deze marktwaarde wordt bepaald op basis van een door of namens de Dienst Landelijk Gebied, door een beëdigd taxateur, uitgebrachte taxatie; de kosten van opstallen, die een onlosmakelijke eenheid met de aan te kopen grond vormen of waarbij de opstallen een duidelijke functie vervullen in het beheer van de grond. de taxatiekosten; de overdrachtskosten; de afkoopkosten van eventueel lopende verplichtingen, die rechtstreeks gekoppeld zijn aan de instandhouding van de onroerende zaak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.17, derde lid, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van achterstallig onderhoud.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.17, vierde lid, bedraagt ten hoogste 90% van de feitelijke uitvoeringskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lis, wordt de aankoop van productiequota of gebouwen aangemerkt als niet-subsidiabele kosten, tenzij de gebouwen een onlosmakelijke eenheid vormen met de aan te kopen grond of de gebouwen een duidelijke functie vervullen in het beheer van de grond. 85[Toelichting: In dit lid is geregeld dat er geen subsidie wordt verstrekt voor de aankoop van produktiequota en gebouwen. Alleen in die gevallen dat gebouwen een onlosmakelijke eenheid vormen met het te verwerven terrein of indien de opstallen een duidelijke functie vervullen in het beheer van de grond bestaat de mogelijkheid tot subsidiering.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, tevens de volgende informatie: een duidelijke topografische situatietekening, waarop de aan te kopen grond is aangegeven (schaal 1:25.000) de kadastrale gegevens van de aan te kopen grond; de naam van de verkoper(s); zakelijke rechten, die eventueel op de aan te kopen grond zijn gevestigd; een verklaring van de verkoper, waarin is aangegeven dat hij voor de betreffende percelen niet geïnteresseerd is in enige vorm van particulier beheer streekplan- en bestemmingsplansituatie van de aan te kopen grond; een kostenoverzicht, gespecificeerd naar de in artikel 3, lid 5, onderscheiden verwervingskosten; een door of namens de Dienst landelijk Gebied, door een beëdigd taxateur, opgesteld taxatierapport van de aan te kopen grond.; omschrijving van het beoogde natuurdoel, met daarbij de verwachte resultaten overeenkomstig het betreffende natuurgebiedsplan; de datum waarop de transactie notarieel zal worden gepasseerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.17, vierde lid, tevens de volgende informatie: de ligging van het object op een topografische kaart, schaal 1:25.000; een beschrijving van de huidige situatie met, indien aanwezig, verwijzing naar een beheers- of inventarisatierapport; omschrijving van het beoogde natuurdoel, met daarbij de verwachte resultaten overeenkomstig het betreffende natuurgebiedsplan; gegevens over de bestaande bodem en de waterhuishouding; de aard en omvang van de werkzaamheden, voorzien van schetsen, lengte- en of (eventueel) dwarsprofielen en een opgave op welke wijze de vrijkomende grond wordt verwerkt; het huidige en het vervolgbeheer dat na inrichting zal plaatsvinden; de bestemming die het object heeft en een afschrift van de vergunningen die nodig zijn voor het uitvoeren van de voorgestelde werkzaamheden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast voor de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De gronden en eventuele gebouwen waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, wordt verstrekt mogen niet zonder schriftelijke toestemming van Gedeputeerde Staten worden vervreemd, bezwaard of aan hun bestemming worden onttrokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen verplichtingen verbinden aan een toestemming tot het vervreemden, bezwaren of het onttrekken aan de bestaande bestemming.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verlenen de aanvrager ambtshalve een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.15 wordt een aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, ingediend binnen zes maanden na het verlijden van de akte van transport van de betreffende grond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.25</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, tevens de volgende gegevens: a. een kopie van de akte van transport; b. de nota van de aktekosten; c. een overzicht van de gemaakte kosten gespecificeerd naar de in artikel 4.18, eerste lid, onderscheiden verwervingskosten; d. deugdelijke (kopieën van) betalingsbewijzen van de gemaakte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.2. Bescherming van weidevogels 86[Toelichting: Het gaat niet goed met de weidevogelstand. Met name de grutto gaat sterk achteruit. Vooral in de kuikenfase is deze soort erg kwetsbaar voor maaien. Daarnaast worden vaak grote oppervlaktes in één keer gemaaid, waardoor gruttokuikens geen dekking tegen predatoren (lang gras) en voedsel (insecten zitten in het lange gras) meer kunnen vinden. Hierdoor worden veel te weinig grutto’s vliegvlug. Plaatselijk speelt daarbij ook predatie een belangrijke rol. Voor de grutto heeft Nederland een internationale verantwoordelijkheid. In het Actieplan ‘Boeren met weidevogels’ heeft de provincie Overijssel in 2003 aangegeven in te willen zetten op extra maatregelen om de weidevogelstand te verbeteren, met name voor kwetsbare soorten als grutto en tureluur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het weidevogelbeheer kent diverse pijlers. Een daarvan is de Natuurproductiebetaling. Dat is een vergoeding voor daadwerkelijk uitgekomen legsels van bedreigde weidevogels. Het gaat om de grutto, tureluur, wulp, solobeen, zomertaling, watersnip en kemphaan. De vergoeding van € 70,-- wordt uitgekeerd voor de extra inspanning die de ondernemer moet verrichten voor het beschermen van het legsel. Uit onderzoek komt naar voren dat actieve bescherming van de weidevogelnesten leidt tot een beter broedresultaat. Het blijkt dat bij bescherming 30% meer legsels succesvol uitkomen. Steun aan de weidevogels is zeer urgent vanwege afname van aantallen in het agrarisch gebied en ook in de natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén andere maatregel is het project Koplopers weidevogelboeren. In dit project worden extra maatregelen voor weidevogels mogelijk gemaakt. Grondgebruikers kunnen subsidie aanvragen indien zij extra maatregelen treffen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels. Deze maatregelen zijn vooral gericht op het verhogen van de kuikenoverleving. Dit project wordt in 2005 opgestart en gefinancierd door de provincie (€ 100.000,--) en vanuit een fonds (€ 430.000,-- voor 10 jaar), dat door Rijkswaterstaat beschikbaar is gesteld voor extra maatregelen voor weidevogels ter compensatie van de aanleg van de N 50. In Overijssel zijn de gebieden, waar nog relatief veel kritische soorten weidevogels (o.a. grutto, tureluur) voorkomen, op grond van het Programma Beheer begrensd als beheersgebied of nieuwe natuur voor weidevogels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het accent ligt hier op het IJsseldeltagebied en Noordwest-Overijssel. Daarnaast liggen er verspreid in Salland en Twente een aantal beheersgebieden voor weidevogels. Dit betekent dat hier subsidies mogelijk zijn voor weidevogels volgens de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) of de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN). Dit levert tot nog toe onvoldoende resultaat op. De weidevogelstand gaat nog steeds hard achteruit. Daarom willen we komen tot meer maatwerk en extra maatregelen voor behoud van de weidevogelstand. Deze maatregelen voor weidevogels willen we uitvoeren bij die boeren die nu door veel inzet nog hoge dichtheden aan weidevogels, en m.n. grutto’s, op hun bedrijf hebben (“de koplopers in het gebied”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier zullen aanvullende maatregelen het meeste rendement opleveren. De aanvullende maatregelen zullen m.n. gericht zijn op het verhogen van het broedsucces en de kuikenoverleving (o.a. strokenbeheer, mozaïekbeheer). We maken daarbij gebruik van de ervaringen van het landelijk project ‘Nederland, Gruttoland’. In het project ‘Nederland, Gruttoland’ is ervaring opgedaan met aanvullende maatregelen voor weidevogels (m.n. de grutto) bij een aantal boeren (53) in 6 clusters (Agrarische Natuurverenigingen) verspreid over Nederland (totaal 1600 hectare). Op basis van deze ervaringen én eigen ervaringen is het Koploperproject uitgewerkt in een aantal maatregelen dat sterk gericht is op het verhogen van de kuikenoverleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door een gezamenlijke aanpak, meer maatwerk en aanvullende maatregelen voor weidevogels (mozaïekbeheer) moet dit resulteren in een hogere reproductie (meer vliegvlugge weidevogelkuikens) en een toename van de weidevogelstand met 25% in 5 jaar bij de deelnemende bedrijven. Tevens geldt het als een voorbeeldfunctie voor andere gebieden. Deze regeling is als experiment opgezet. We streven er naar om de uitvoering van het project in de loop der jaren over te dragen aan bestaande of nog op te richten samenwerkingsverbanden van agrariërs in het gebied, waarbij de provincie meer een sturende en ondersteunende rol gaat spelen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor extra maatregelen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels (experiment koplopers weidevogelboeren) in de vorm van:87[Toelichting: De criteria waarvoor subsidie op dit onderdeel in aanmerking komt, betreffen extra activiteiten ter verhoging van het broedsucces en de kuikenoverleving van weidevogels. Het gaat hierbij om extra activiteiten die bepaalde agrariërs treffen bovenop het weidevogelbeheer en bescherming die zij uit eigen beweging reeds uitvoeren. In relatie tot lid 2, de zgn. instapcriteria, gaat het daarbij om agrariërs die (nog) relatief hoge dichtheden aan weidevogels op hun bedrijf hebben. Bij deze ‘koplopers’ in het gebied zullen de maatregelen het meeste rendement opleveren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Boeren komen alleen in aanmerking voor dit project als er in een samenhangend/aaneensluitend gebied minimaal 15 broedparen van grutto, tureluur en/of wulp aanwezig zijn met een minimale dichtheid van 15 broedparen per 100 hectare. Tevens is deelname mogelijk als het bedrijf in één van de voorgaande 3 jaren (individueel) minimaal 10 nesten gehonoreerd heeft gekregen in het kader van het project natuurproductiebetaling. Deze voorwaarden zijn opgenomen, omdat dit een hoge dichtheid van (kritische) soorten weidevogels garandeert. Bij hogere dichtheden van weidevogels zullen de maatregelen veel meer effect opleveren. Het project is gericht op versterking van de kuikenoverleving. Daarom wordt als instapeis een aanvraag van minimaal 1 hectare vluchtstroken en/of voorbeweiding .</p>\n<p class=\"lf-p\">Percelen waarop een beheersovereenkomst (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer) of een contract particulier natuurbeheer van kracht is (Subsidieregeling Natuurbeheer), komen niet in aanmerking voor subsidie. Dit geldt tevens voor percelen die in eigendom zijn van een natuurbeschermingsorganisatie. Hier worden al beheersmaatregelen gesubsidieerd. Stapeling met deze subsidies is aldus niet mogelijk.] vluchtstrokenbeheer: stroken met veel legsels en/of kuikens van minimaal 10 meter breed en 50 meter lang en met een totale oppervlakte van maximaal 1 hectare die minimaal 2 weken later worden gemaaid dan de rest van het perceel en niet eerder dan 22 mei; 88[Toelichting: De vluchtstroken worden daar neergelegd waar de meeste nesten van kritische weidevogels zijn gevonden en/of de meeste paren met kuikens aanwezig zijn. Om deze stroken goed te laten functioneren is een minimummaat van 10 m bij 50 m opgenomen. Voor de doelmatigheid voor het weidevogelbeheer (laagste kosten, meeste rendement) is gekozen voor een maximumoppervlakte van 1 hectare, zodat meerdere stroken op het bedrijf worden neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stroken zijn specifiek gericht op het vergroten van de kuikenoverleving. Gruttokuikens, en in mindere mate kuikens van tureluur en wulp blijven in het lange gras. M.n. kuikens, die niet net uit het ei zijn, hebben bij de huidige maaiapparatuur en het tempo van maaien nauwelijks kans te overleven. De meeste nesten van grutto, tureluur en wulp komen doorgaans uit in de periode 5 tot 15 mei. Daarom is gekozen om de stroken minimaal 2 weken later te laten maaien en niet eerder dan 22 mei. Als de stroken 2 weken later gemaaid worden dan de rest van het perceel, is er doorgaans in de rest van het perceel weer voldoende gras om dekking te vinden. De vergoeding is alleen gebaseerd op het verlies aan opbrengst (m.n. de kwaliteit loopt achteruit), en dat deze stroken weer apart moeten worden gemaaid, verwerkt en ingekuild.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze kosten kunnen nog hoger oplopen als hier een loonbedrijf voor wordt ingeschakeld.] voorbeweiding: in een periode tot uiterlijk 1 mei, met aansluitend een rustperiode tot 15 juni ofwel in een periode tot uiterlijk 24 april, met aansluitend een rustperiode tot 1 juni, waarbij in de betreffende rustperiode wordt afgezien van bemesten, rollen, slepen en maaien van het perceel. Ingeval deze activiteit wordt uitgevoerd met schapen, geldt een periode tot uiterlijk 15 april respectievelijk 8 april; uitstel van maaien: op percelen met veel kuikens, tenminste 4 paar met kuikens van grutto, wulp en/of tureluur met minimaal 2 weken en niet eerder dan 1 juni of met minimaal 3 weken en niet eerder dan 8 juni; nestbescherming waarbij:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>weidevogelnesten worden gemarkeerd en beschermd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op in te maaien percelen met kuikens, 1 tot 2 dagen voor het maaien stokken met plastic zakken worden geplaatst;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in te beweiden percelen nestbeschermers over de legsels worden geplaatst;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in de periode 15 april tot 15 juni niet ’s nachts wordt gemaaid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag is afkomstig van een landbouwonderneming of een andere onderneming, dan wel een samenwerkingsverband daarvan; er is sprake van onderling samenhangend gebied van minimaal 100 hectare, waar minimaal de soorten grutto, tureluur en/of wulp voorkomen, met een minimale dichtheid van 15 broedparen per 100 hectare ofwel de aanvraag is afkomstig van een landbouwbedrijf, een onderneming of een samenwerkingsverband daarvan, die in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 10 nesten gehonoreerd hebben gekregen in het kader van het project natuurproductiebetaling; zij minimaal betrekking heeft op 1 hectare van de maatregelen genoemd in artikel 4.28 van dit besluit; op de betreffende gronden rust geen beheersovereenkomst op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer of Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, noch is er een contract Particulier Natuurbeheer afgesloten; de betreffende gronden zijn niet in beheer bij of eigendom van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een grondgebruiker kan subsidie aanvragen voor een succesvol uitgekomen nest van één of meerdere van de soorten: grutto, tureluur, wulp, slobeend, zomertaling, watersnip en kemphaan (natuurproductiebetaling weidevogels). De subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: op de gronden rust geen beheersovereenkomst op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer of Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en ook geen contract Particulier Natuurbeheer; de gronden moeten liggen binnen beheersgebieden nieuwe natuur of gebieden met een weidevogeldoelstelling; het nest is gemarkeerd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.27</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, bedraagt: 89[Toelichting: In dit artikel zijn de grondslagen voor de subsidie neergelegd. Het betreft maximum subsidiebedragen per activiteit per hectare en is eveneens gekoppeld aan een maximum per bedrijf. De maatregelen zijn sterk gericht op het verbeteren van de kuikenoverleving (van uitkomen van legsel tot vliegvlugge kuikens).] voor vluchtstrokenbeheer € 442,-- per hectare; voor voorbeweiding:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>€ 273,-- per hectare voor de periode tot uiterlijk 1 mei of ingeval voorbeweiding wordt uitgevoerd met schapen tot uiterlijk 15 april, met een rustperiode tot 15 juni;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>€ 200,-- per hectare voor de periode tot uiterlijk 24 april of ingeval voorbeweiding wordt uitgevoerd met schapen tot uiterlijk 8 april, met een rustperiode tot 1 juni;90[Toelichting: De voorbeweidingspakketten zijn er eveneens op gericht op, dat in de periode van 5 mei tot 15 juni er percelen aanwezig zijn met langer gras, waarin kuikens van grutto, wulp en tureluur kunnen overleven. Daarnaast worden deze percelen zo ook geschikt gemaakt voor (her)vestiging van kritische soorten. Voorbeweiding met schapen leidt tot een kort afgevreten grasmat zonder structuur, vandaar dat hier een extra beperking (2 weken eerder de schapen er uit) is opgenomen. De beperkingen leiden tot een afname in opbrengst en beperkingen in de bedrijfsvoering. De vergoedingen zijn rechtstreeks gerelateerd aan de onderdelen voorbeweiding uit de collectieve weidevogelpakketten van de SAN.] voor uitstel van maaien:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>€ 155,-- per hectare ingeval van uitstel van minimaal 2 weken en niet eerder dan 1 juni;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>€ 205,-- per hectare ingeval van uitstel van minimaal 3 weken en niet eerder dan 8 juni; voor nestbescherming: € 150,-- per aanvrager, vermeerderd met € 4,-- per hectare gebied waarbij dit bedrag per hectare is gekoppeld aan de oppervlakte waarmee het landbouwbedrijf of de onderneming deelneemt in de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 91[Toelichting: Dit is, naast de deelname aan 1 hectare vluchtstroken en/of voorbeweiding, een verplicht onderdeel voor deelname aan het project. Deelnemers dienen zoveel mogelijk alle nesten op het bedrijf te markeren en te beschermen bij werkzaamheden. Bij maaien en andere landbouwwerkzaamheden ontzien ze de legsels en laten een pol staan, zodat het nest gespaard blijft. Bij beweiding dienen ze een nestbeschermer over de nesten te plaatsen, zodat geen vertrapping plaatsvindt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Eén tot 2 dagen voor het maaien plaatsen ze in percelen, waar geen vluchtstroken blijven staan, stokken met plastic zakken, zodat de paren met kuikens de percelen verlaten en een veilige plek vinden in vluchtstroken, voorbeweiden of nog niet gemaaide percelen. Daarnaast wordt verwacht dat ze de resultaten in kaart brengen en deelnemen aan een start- en evalutiebijeenkomst van het project. Om hieraan te kunnen voldoen, vraagt veel tijd. Met name het zoeken van legsels kost erg veel tijd, waarbij de agrariërs vaak ook derden (vrijwillige weidevogelbescherming) inschakelen. Bij de vergoeding is een vast deel genomen, omdat iedere deelnemer extra maatregelen en tijd moet vrijmaken voor de uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien een groot bedrijf meer inspanningen moet doen, is dit verwerkt in een variabel deel (€ 4,-- per hectare). Met name de tijd die het zoeken van legsels vraagt, is deze vergoeding dan ook niet meer als een tegemoetkoming in de kosten.] 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bedraagt de subsidie per onderneming, landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan maximaal € 3.000,-- per jaar. 92[Toelichting: Uit doelmatigheidsoverwegingen is de subsidie op bedrijfsniveau aan een maximum gesteld. Dit bedrag is gedifferentieerd naar dichtheid van kwetsbare weidevogelsoorten, met als criterium de deelname aan natuurproductiebetaling in de voorgaande 3 jaar. Deze dichtheid is aantoonbaar omdat deelname aan natuurproductiebetaling is geregistreerd en relatief eenvoudig te betrekken bij dit project.] 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie maximaal: 93[Toelichting: Voor een uitgekomen nest van een aantal kritische weidevogelsoorten wordt een subsidie van € 68,-- per succesvol uitgekomen nest betaald en € 100,-- indien op de aangrenzende gronden een beheersovereenkomst op grond van de SAN danwel een contract Particulier Natuurbeheer is afgesloten.] € 4.500,-- indien een onderneming, een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 10 nesten als natuurproductiebetaling gehonoreerd heeft gekregen; € 6.000,-- indien een onderneming, een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 15 nesten als natuurproductiebetaling gehonoreerd heeft gekregen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, bedraagt € 68,-- per succesvol uitgekomen nest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In afwijking van het vierde lid bedraagt de subsidie € 100,-- per succesvol uitgekomen nest indien op de aangrenzende gronden een beheersovereenkomst van toepassing is op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer of Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, dan wel indien een contract Particulier Natuurbeheer is afgesloten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.28</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">94 [Toelichting: Het uitvoeringsbesluit schrijft in artikel 1.10 voor dat aanvragen voor prestatiesubsidies worden ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. Juist het specifieke onderwerp waarop deze regeling betrekking heeft, noodzaakt tot een andere indieningstermijn. Vanaf circa 1 april start het broedseizoen van de kwetsbare soorten weidevogels. Met inachtneming van een korte behandeltermijn zullen de aanvragen dan ook voor 1 april moeten zijn ingediend. Voor natuurproductiebetaling geldt een termijn van 6 dagen na uitkomen van het legsel.] In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag: a. voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, ingediend voor 1 april van het betreffende kalenderjaar; b. voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, ingediend binnen 6 dagen na het uitkomen van het legsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">95 [Toelichting: Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vast. Het overschrijden van dit plafonds levert een weigeringsgrond op. Het plafond wordt jaarlijks voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft bekendgemaakt.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Daarbij kan het plafond worden verdeeld in deelplafonds voor subsidies als bedoeld in artikel 4.26, eerste, respectievelijk derde lid, alsmede in deelplafonds per gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.30</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">96 [Toelichting: Wie het eerst komt wie het eerst maalt. Indien de aanvraag onvolledig is, moet de aanvrager deze aanvullen alvorens de subsidieaanvraag kan worden beoordeeld. In dit artikel is bepaald dat de behandeltermijn niet eerder start dan nadat de aanvraag volledig is ontvangen.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.31</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 paragraaf 3 gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.13 beslissen Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 oktober op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.32</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidie-ontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, beschrijft de voortgang van de activiteiten op een zogenaamde bedrijfskaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.33</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">97 [Toelichting: In afwijking van hoofdstuk 1 wordt geen voorschot uitgekeerd.] In afwijking van artikel 1.14 verlenen Gedeputeerde Staten geen voorschot op een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.34</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.15 wordt voor subsidies als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, een aanvraag voor vaststelling ingediend uiterlijk 15 juli van het kalenderjaar ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.35</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">98[Toelichting: Monitoring van de resultaten van de activiteiten vindt o.m. plaats door intekening van de legsels op een bedrijfskaart. Gedeputeerde Staten zorgen in beginsel voor verstrekking van de kaarten. Ook zullen Gedeputeerde Staten tussentijds willen weten hoe bepaalde activiteiten zich ontwikkelen, welke resultaten zijn geboekt etc. Om deze controle mogelijk te maken dienen de kaarten op het bedrijf zelf aanwezig te zijn.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, tevens een afschrift van de bedrijfskaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.36</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.19 beslissen Gedeputeerde Staten binnen 4 weken op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 4.3. Soortenbescherming 99[Toelichting: Het soortenbeleid is een zelfstandig onderdeel binnen het algemene natuurbeleid. Naast de instrumenten van de gebieds- ofwel ecosysteembenadering zijn specifieke soortgerichte maatregelen noodzakelijk. Voor het onderdeel soortenbescherming hebben de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, de provincies en de soortenbeschermende organisaties in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid (MJP) 2000-2004 aangegeven hoe zij gezamenlijk uitvoering zullen geven aan het soortenbeleid in de periode 2000-2004. Inmiddels is deze periode verlengd tot en met 2006. Door de gezamenlijke aanpak wordt beoogd te komen tot een goed evenwicht en goede afstemming van landelijke en provinciale activiteiten. Daarnaast is het doel die maatregelen te treffen voor de soorten waarvoor de situatie op het moment het meest urgent is. Op basis van het DI-akkoord 1996 en de Bestuursovereenkomst IPO/LNV/VROM worden de bij het uitvoeringsprogramma behorende financiële middelen door het Rijk aan de provincie overgemaakt. Daarbij schenkt de provincie in haar beleid ook zelf aandacht aan provinciaal bedreigde soorten en stelt zij hiertoe financiële middelen beschikbaar. Op grond van haar eigen begroting zet de provincie ook zelf provinciale middelen in. Voornoemde geldstromen worden via de provinciale begroting als subsidie naar de betrokken partijen weggezet.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.37</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: Er wordt enkel subsidie verleend voor activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma soortenbeleid. Op deze wijze wordt de gebundelde bijdrage van de bij het soortenbeleid betrokken partijen gewaarborgd en wordt versnippering van inspanningen voorkomen. In dit artikel is aangegeven aan welke eisen een aanvraag moet voldoen wil deze in behandeling (kunnen) worden genomen. De regeling staat open voor aanvragen van ondernemers en overheden. In veel gevallen betreffen zijn laatstgenoemde organisaties natuur- en terreinbeherende organisaties die onder het overheidsbegrip kunnen vallen. De (Europese) ‘de minimis’-regeling van de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op ‘de minimis’-steun wordt op deze regeling van toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan dus slechts worden verleend ten behoeve van een onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 100.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voorzover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 100.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld. Voor de beoordeling hiervan wordt gekeken naar de eindbegunstigde van de subsidie. Subsidies die op dit besluit zijn gebaseerd voldoen daarmee aan de Europese regels betreffende staatssteun. Aanvragen beneden de € 500,-- worden niet behandeld: de kosten die met de behandeling zijn gemoeid staan niet in verhouding tot het bedrag waarvoor subsidie wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het hanteren van deze ondergrens wordt afgezien van het heffen van leges. Het is van groot belang dat de juiste informatie wordt meegestuurd bij de aanvraag. Hiermee wordt voorkomen dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen omdat niet alle benodigde informatie hiertoe beschikbaar is. In principe heeft het bestuursorgaan de plicht om de aanvraag aan te (laten) vullen. Dit geeft echter een vertraging in de behandeltermijn, met overigens als consequentie dat de aanvraag buiten behandeling blijft indien niet tijdig de gevraagde informatie wordt overlegd. Dit in dit artikel gevraagde informatie is overigens de basisinformatie om te kunnen beoordelen of de subsidie kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal kostencategorieën is uitgesloten van subsidiëring; deze staat opgenomen in het tweede lid van dit artikel. Voorzover deze kosten onderdeel uitmaken van de aanvraag worden ze bij de eventuele subsidieverlening buiten beschouwing gelaten.] Overheden of ondernemingen, niet zijnde landbouwbedrijven, kunnen subsidie aanvragen ten behoeve van: a. activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbescherming; b. overige activiteiten gericht op bescherming van in het wild voor komende plant- en diersoorten in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur waarbij deze activiteiten een eenmalig karakter hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.38</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">101[Toelichting: De bijdrage(n) die worden verleend zijn gebonden aan een maximumpercentage. In dit geval geldt het percentage van 100%. Hierbij is inbegrepen een redelijke vergoeding voor de door de onderneming zelf of diens werknemers verrichte werkzaamheden. Aldus wordt afgeweken van de meer algemene regel dat 50% van de werkelijke kosten van de activiteit subsidiabel is. Dit heeft als achterliggende reden dat de betrokken activiteiten vanuit economisch perspectief weinig (geen) terugverdieneffect hebben. Daarbij worden deze activiteiten worden veelal uitgevoerd door vrijwilligers(organisaties) die niet over een dusdanige liquiditeitspositie beschikken dat zij voor al is het maar een klein deel zelf zorg kunnen dragen. Andere financieringsbronnen zijn veelal niet aan te wenden zodat zij dan ook vaak enkel terug zullen moeten vallen op de onderhavige regeling. De hoogte van de bijdrage (in absolute) kunnen in veel gevallen een dergelijke percentage rechtvaardigen.] 1. De subsidie bedraagt ten minste € 500,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als niet-subsidiabele kosten worden aangemerkt: kosten die verband houden met de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen behoudens kosten voor specifieke soortgerichte maatregelen; kosten van controles door de ondernemer zelf; accountantskosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.39</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 worden aanvragen gedurende het hele kalenderjaar voorafgaand aan de uitvoering van de activiteiten ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.40</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.11 bevat de inhoudelijke verantwoording een topografische overzichtskaart schaal 1 : 25.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.41</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Daarbij kan het plafond worden verdeeld in deelplafonds voor de subsidies als bedoeld in artikel 4.37, onder a en b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.43</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">102[Toelichting: De volgorde van subsidieverlening is op basis van binnenkomst van de aanvraag. Wie het eerst komt wie het eerst maalt. Dit principe is van belang voor wanneer het (jaarlijks vast te stellen) subsidieplafond wordt overschreden. Overschrijding van het subsidieplafond geeft een grondslag om de subsidie te weigeren. Om tijdig subsidie te verlenen verbinden Gedeputeerde Staten zich aan een beslistermijn van drie maanden na indienen van de aanvraag. Hiertoe is bepaald dat drie maanden voordat de activiteiten starten de aanvraag moet zijn ingediend. Slechts in uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten de beslistermijn verdagen.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.44</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">103 [Toelichting: De regels met betrekking tot de betaling van de subsidie staan in dit artikel genoemd. Bij verlening wordt 90% bij wijze van voorschot uitbetaald. Hiermee heeft de subsidieontvanger de eerste kosten die veelal met de uitvoering van activiteiten is gemoeid, gedekt. Eerst na vaststelling vindt de rest van de betaling ofwel de verrekening plaats.] Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager bij subsidieverlening een voorschot van maximaal 90% van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.45</span><span class=\"lf-art-t\">Accountantsverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">104 [Toelichting: Nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn afgerond, moet verantwoording worden afgelegd. Dit artikel schrijft voor dat dit moet gebeuren binnen vier maanden na afloop van de activiteiten door middel van financiële en inhoudelijk verslag. Deze mogen onderdeel zijn van de jaarrekening van de subsidieontvanger, mits hierin voldoende informatie staat om tot beoordeling van de geleverde prestaties te kunnen overgaan. Voorzover de provinciale subsidie meer bedraagt dan € 40.000,-- wordt in ieder geval een goedkeurende accountantsverklaring overlegd.] Artikel 1.17 geldt indien de verleende subsidie € 40.000,-- of meer bedraagt en is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Verbeteren van de leefkwaliteit en diversificatie van de plattelandseconomie</h3>\n<p class=\"lf-p\">105[Toelichting: Per 1 april 2000 is het onderdeel landschap binnen de subsidieregelingen van het Programma Beheer van het Ministerie van LNV van kracht. Op deze regelingen is per 2001 de provinciale Regeling Onderhoud Landschapselementen Overijssel (ROLO) van kracht. Het provinciale beleid is erop gericht om de regelingen uit het Programma Beheer en de provinciale regeling zoveel mogelijk complementair te laten werken. De strategie achter de herziening is dat een zo compleet mogelijk systeem voor landschapszorg in Overijssel ontstaat. In dit systeem worden de mogelijkheden voor aanleg, herstel en regulier onderhoud uit het Programma Beheer zoveel mogelijk benut. De bedoeling is dat voor zoveel mogelijk elementen het vervolgbeheer wordt geregeld via een meerjarige beheerssubsidie. Dit betekent dat zoveel mogelijk elementen geselecteerd moeten worden die in principe voor een SAN-beheerssubsidie (of daarmee vergelijkbare meerjarige beheerssubsidie) in aanmerking kunnen komen. Achterstallige onderhoud wordt zoveel mogelijk op basis van landschapsbeleidsplannen in gemeentelijke projecten opgepakt. Met deze paragraaf wordt deze voormalige ROLO-praktijk in beperkt gewijzigde vorm gecontinueerd.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.46</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">106[Toelichting: Gedeputeerde Staten stelt een meerjarenprogramma en daarvan afgeleide jaarprogramma’s vast waarin de prioriteiten voor de inzet van de beschikbare middelen nader worden uitgewerkt. Dit biedt de mogelijkheid om onder andere nadere toetsingscriteria te formuleren, voorkeursgebieden of thema’s te benoemen en globale verdeelsleutels voor het beschikbare budget vast te leggen. Voordeel hiervan is dat meer sturing aan de inzet van de middelen kan worden gegeven en dat relatief snel op actuele ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Het meerjarenprogramma vormt de basis voor de subsidietoekenning. Er wordt geen bijdrage verstrekt voor werkzaamheden uitgevoerd door rechtspersonen waarvoor van overheidswegen een subsidiemogelijkheid bestaat. een beheerssubsidie in het kader van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer danwel de Subsidieregeling Natuurbeheer kan worden verkregen. Ook werkzaamheden die vallen onder de door het Rijk opgestelde voorwaarden van de Beschikking bijdragen achterstallig onderhoud historische parken, tuinen en buitenplaatsen of voor werkzaamheden die vallen onder de voorwaarden van de provinciale Regeling projectsubsidies monumenten. Subsidies voor aanleg en herstel zijn alleen mogelijk voorzover de SAN hiervoor geen mogelijkheden biedt. Dit betreft bijvoorbeeld erfbeplantingen en hoogstamboomgaarden.] 1. Subsidie kan worden aangevraagd voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen, voor jaarlijks onderhoud van particuliere landschapselementen en voor herstel en achterstallig onderhoud van cultuurhistorische objecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten passen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde meerjarenprogramma Onderhoud Landschapselementen Overijssel en de daarvan afgeleide jaarprogramma’s waarin de prioriteiten voor de inzet van het beschikbare budget wordt aangegeven; voor de activiteiten onvoldoende andere subsidiemogelijkheden kunnen worden aangewend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Subsidie voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen wordt alleen verstrekt als het landschapselement is gesitueerd buiten de bebouwde kom.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Naast de criteria genoemd in het eerste lid moet een aanvraag voor subsidie voor herstel en achterstallig onderhoud van cultuurhistorische objecten eveneens voldoen aan de volgende criteria: het cultuurhistorische object is een bouwwerk, niet zijnde een gebouw; het cultuurhistorische object is openbaar toegankelijk dan wel zichtbaar vanaf de openbare weg; het cultuurhistorische object dateert van voor 1940;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Subsidie voor jaarlijks onderhoud van particuliere landschapselementen wordt alleen verstrekt indien er sprake is van: een aflopend onderhoudscontract op basis van de Regeling Onderhoud Landschapselementen Overijssel 1995; een element met bijzondere kwaliteit waarvoor in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer nog geen passend landschapspakket beschikbaar is;</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.47</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.46, leden 2 en 3, bedraagt ten hoogste 50% van de projectkosten. Eventuele opbrengsten uit het project zoals hout of zand zullen in mindering worden gebracht op het subsidiebedrag, indien deze meer dan 10% van de projectbegroting bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.46, lid 4, geldt voor een periode van maximaal 6 jaar en bestaat uit een vast bedrag per kalenderjaar en per lengte of oppervlakte landschapselement waarop de aanvraag betrekking heeft en is gebaseerd op de hiervoor geldende normbedragen uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. Indien Gedeputeerde Staten aan de subsidie voorwaarden verbinden die voor de aanvrager extra kosten met zich meebrengen kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie ophogen met een vergoeding voor die extra kosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.48</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">107 [Toelichting: Aanvragen dienen voor 1 juni ingediend te worden. Dit heeft te maken met de indieningstermijn van de aanvragen voor de SAN-regeling van het rijk. Na 1 juni worden de aanvragen beoordeeld. Hierbij zal voorrang word en gegeven aan projecten binnen de landschapsgebieden en aan elementen welke zullen doorstromen in de SAN. Aanvragen welke na 1 juni binnenkomen zullen op volgorde van binnenkomst worden behandeld.] In afwijking van artikel 1.10 moeten subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 4.46 voor 1 juni van het betreffende jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.49</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subsidies als bedoeld in artikel 4.46 vast. Dit subsidieplafond kan worden gedifferentieerd naar landschaps- en cultuurhistorisch project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.50</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 4.46, het eerste en tweede lid, genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde, waarbij voorrang wordt gegeven aan subsidieaanvragen die kunnen doorstromen in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.51</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting van de subsidieontvanger</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De ontvanger van een subsidie voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen moet het landschapselement gedurende 10 jaar na afronding van het project in stand houden en op verantwoorde wijze beheren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De ontvanger van een subsidie voor herstel en achterstallig onderhoud moet het cultuurhistorische object gedurende 25 jaar na afronding van het project in stand houden.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">108 [Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid: 109[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.] is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel; wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria:110[Toelichting: Met de in het tweede lid genoemde criteria wordt het volgende bedoeld:] uitvoeringsgerichtheid; 111[Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld.] bovengemeentelijke of regionale betekenis; 112[Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.] voorbeeldwerking; 113[Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject.] katalysatorwerking; 114[Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten.] integraliteit; 115[Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.] structureel effect. 116[Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor effectuering ruimtelijk beleid in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">117[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de begrote externe kosten van het project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1 genoemde criteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor effectuering ruimtelijk beleid vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">118 [Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing. Een aanvraag van een programmagemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, tweede lid, Wsv en het daarop gebaseerde beleidskader. Een aanvraag van een projectgemeente moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, vijfde lid, Wsv.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing; b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv; c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv; d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving; e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’; f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel; g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Reserve ISV</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de reserve ISV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aan de reserve ISV worden in ieder geval toegevoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid, Wsv.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de reserve ISV toevoegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Niet bestede middelen blijven in de reserve ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de reserve ISV toegevoegd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing aan programma- of projectgemeenten in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie en subsidieplafond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit: een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.9 bedoelde middelen en voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen; voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van artikel 5.11, eerste lid, sub a en b, voor deze gemeente beschikbaar is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het jaarlijkse subsidieplafond voor projectgemeenten bestaat uit één vijfde deel van het in overeenstemming met het in artikel 5.11, eerste lid, sub a en c, berekende beschikbare bedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor programma- en projectgemeenten vast.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidieverlening projectgemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten beslissen in afwijking van artikel 1.13 binnen zesentwintig weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed</h3>\n<p class=\"lf-p\">119[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed. Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">120[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: • inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; • het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering’ is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; • een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; • tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed.] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; 121[Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed.] b. de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; c. de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het reconstructieplan Salland-Twente; 122[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie.] d. bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); e. er is sprake van instemming van de gemeente en van de eigenaar met het opstellen van het transformatieplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">f. ontwerpende partijen dienen aantoonbare ervaring te hebben met transformatieplannen en te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit. 123[Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur, een stedenbouwkundige of een landschapsarchitect.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken bijdragen in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) transformatieplannen in de vorm van een prestatiesubsidie ten behoeve van de re-animatie van industrieel en agrarisch erfgoed in Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed, met een maximum van € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">124[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten. Voordat u het aanvraagformulier inlevert, is het raadzaam te overleggen met een van de medewerkers van het programmateam.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat gemeenten en eigenaar instemmen met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen één keer per jaar een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">125 [Toelichting: De aanvragen worden getoetst op volledigheid. De aanvrager krijgt de gelegenheid onvolledige aanvragen aan te vullen.De behandeling start als de aanvraag volledig is. Over de aanvraag brengt het programmateam advies uit aan Gedeputeerde Staten. Als regel krijgt de aanvrager uiterlijk na tien weken het besluit van Gedeputeerde Staten toegezonden.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een beleidsmedewerker.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">126 [Toelichting: De werkzaamheden voor het transformatieplan moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart. In de rapportage(s) van het transformatieplan wordt duidelijk vermeld dat het plan mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’.] 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager op verzoek een voorschot van 50% van de verleende subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag om subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">127[Toelichting: Het uitgevoerde transformatieplan dient binnen twee maanden na gereedkomen te worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten. Dit gaat vergezeld met een verzoek tot vaststelling van de definitieve subsidie. Daartoe worden overzichten van de begrote en werkelijke uitgaven bijgevoegd. De financiële verantwoording wordt voorzien van bewijsstukken van inkomsten en uitgaven (kopieën van facturen, rekeningen, bankafschriften e.d.) Van het transformatieplan worden twee exemplaren toegezonden, zowel schriftelijk als digitaal. Deze stukken worden eigendom van de provincie, die het recht heeft om het geheel of onderdelen te publiceren.] In afwijking van artikel 1.15 wordt een aanvraag om subsidievaststelling ingediend binnen twee maanden na afronding van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">128[Toelichting: Het uitgevoerde transformatieplan dient binnen twee maanden na gereedkomen te worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten. Dit gaat vergezeld met een verzoek tot vaststelling van de definitieve subsidie. Daartoe worden overzichten van de begrote en werkelijke uitgaven bijgevoegd. De financiële verantwoording wordt voorzien van bewijsstukken van inkomsten en uitgaven (kopieën van facturen, rekeningen, bankafschriften e.d.) Van het transformatieplan worden twee exemplaren toegezonden, zowel schriftelijk als digitaal. Deze stukken worden eigendom van de provincie, die het recht heeft om het geheel of onderdelen te publiceren.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 en 1.17 bij de aanvraag tevens twee exemplaren van het transformatieplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Landelijke niet-reconstructie gebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om subsidie voor projecten binnen landelijke niet-reconstructiegebieden moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project of de activiteit draagt aantoonbaar bij aan het realiseren van de doelstellingen van het gebiedsprgramma in landelijke niet-reconstructiegebieden; b. het project past binnen de beschikbare kaders, zoals een gebiedsperspectief; c. aanvragen voor subsidie beneden € 5.000,-- worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor projecten binnen landelijke niet-reconstructie-gebieden in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie voor landbouwbedrijven</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hoogte van subsidie aan landbouwbedrijven wordt bepaald overeenkomstig artikel 4.11.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de aanvraag betrekking heeft op een subsidie voor een investering in een landbouwbedrijf, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.11 tevens de documenten of informatie genoemd in artikel 4.6.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.14 verlenen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening ambtshalve een voorschot van 80% van het subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het subsidiebedrag minder bedraagt dan € 25.000,-- verlenen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid bij subsidieverlening ambtshalve een voorschot van 100% van het subsidiebedrag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van het project start uiterlijk binnen twaalf maanden na verlening van de subsidie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">129[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over: • maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie; • en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">130[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband. Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor niet-infrastructele projecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd.] 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel; het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; het project is uitvoeringsgereed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">131[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties waar in een aaneengesloten periode van 3 jaren zes of meer letselongevallen zijn gebeurd. Als basis wordt gehanteerd de meest recente periodiek door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid (ROVO) en de provincie gezamenlijk uitgegeven lijst van Verkeersongevallenconcentraties Overijssel.] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten; ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn: verwerving (voorzover direct voor het project nodig);</div>\n<p class=\"lf-p\">50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting; bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt: kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend; voorbereiding en administratie; vervanging van kabels/leidingen/riolering; directievoering en toezicht; kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten; vervanging en beheer en onderhoud.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">132 [Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.] 1. In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 april van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-538\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.38</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">133 [Toelichting: In het jaarlijks door Gedeputeerde Staten definitief vast te stellen bestedingsplan BDU, (artikelen 6 t/m 9 Wet BDU), waarbij ook de gemeenten worden betrokken, zullen de financiële middelen worden opgenomen die beschikbaar zijn voor bijdragen in niet-infrastructurele en infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten van gemeenten of samenwerkingsverbanden. De vaststelling van het subsidieplafonds zal hiervan worden afgeleid.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Dit plafond kan worden onderverdeeld in deelplafonds voor infrastructurele en niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-539\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.39</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">134 [Toelichting: De in artikel 5.34 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.] Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.34 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-540\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">135 [Toelichting: De aanvraag om een voorschot voor infrastructurele projecten dient vergezeld te gaan van: a. procesverbaal van aanbesteding; b. inschrijfbiljet en inschrijfstaat; c. een bewijs van opdrachtverlening en d. desgevraagd een overzicht van de te verwachten uitgaven tijdens de uitvoering.] Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager op aanvraag een voorschot van maximaal 80% van de verleende subsidie, waarbij voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten de hoogte en het betalingsritme afhankelijk is van de werkelijke uitgaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Accountantsverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">136 [Toelichting: De Wet BDU verplicht de provincie om over de besteding van de BDU-middelen verantwoording af te leggen en deze te voorzien van een verklaring van een accountant. Op basis van het controleprotocol opgenomen in Bijlage II behorende bij artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer dient de controle zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten.] 1. Artikel 1.17 is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.17, tweede lid, betreft de accountantsverklaring eveneens de rechtmatige besteding van het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Bouwimpuls Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">137 [Toelichting: Om een snellere uitbreiding van de woningvoorraad in Overijssel te realiseren, in het bijzonder voor starters en ouderen, is naast de bestaande geldstromen extra geld beschikbaar gesteld. Bestaande geldstromen zijn niet altijd voldoende om woningbouwprojecten exploitabel te maken, door bijvoorbeeld hoge kosten bij bodemsanering en bij complexe binnenstedelijke problematiek.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gemeenten, woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars en privaatrechterlijke rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het doen van onderzoek of het ontwikkelen van plannen ter voorbereiding van woningbouwprojecten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: het moet gaan om een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw; het project moet aansluiten bij het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk en woonbeleid; het project moet aansluiten bij een of meer speerpunten van het provinciaal woonbeleid zoals omschreven in het Onderhandelingsakkoord provincie Overijssel 2003-2007 ‘Ruimte voor actie’.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Keuze subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies als bedoeld in artikel 5.42 in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.44</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: Het al dan niet subsidiabel zijn van kosten wordt bepaald op basis van Verordening 448/2004 van de Europese Commissie van 10 maart 2004. Hiervoor zijn de volgende algemene richtlijnen van toepassing: 1. subsidiabel zijn uitsluitend als zodanig goedgekeurde en rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten; 2. alleen kosten die (vooraf) in de begroting van het project zijn opgenomen zijn subsidiabel (mits ze voldoen aan de overige subsidiabiliteitscriteria); 3. de kosten dienen redelijk te zijn en in overeenstemming met beginselen van gezond financieel beheer; 4. de kosten moeten zijn gemaakt binnen de looptijd van het project; 5. de kosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt, in de boekhouding te zijn vastgelegd en moeten met bewijzen identificeerbaar en controleerbaar zijn; 6. ontvangsten of inkomsten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een project worden in mindering gebracht van de subsidiabele kosten; 7. BTW is slechts subsidiabel wanneer – zo nodig door middel van een verklaring van de Belastinginspectie – aantoonbaar is dat de BTW niet verrekenbaar is.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 5.42, eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het subsidiabele exploitatietekort met een maximum van € 500.000,-- per project.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.42, tweede lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per project.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.45</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.10 wordt een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.42, eerste lid, ingediend voor 1 maart en 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van het project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.10 kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.42, tweede lid, gedurende het gehele jaar worden ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-546\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.46</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens: a. het projectplan met daarin een beschrijving van de eigendomssituatie; b. exploitatierekening, inclusief een dekkingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-547\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.47</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-548\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.48</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten plaatsen de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.42, eerste lid, die voldoen aan de daar genoemde criteria in een prioriteitsvolgorde op basis van een afweging op de volgende aspecten: voorkeur voor bouwprojecten op de provinciale Aanjaaglijst Stimulering Woningbouwproductie; voorkeur voor inbreidingsprojecten boven uitbreidingsprojecten; voorkeur voor bouwprojecten met een groter aantal woningen; voorkeur voor bouwprojecten met (innovatieve) toepassingen van duurzaam bouwen (inclusief duurzaam energiegebruik).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-549\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.49</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De uitvoering van een bouwproject als bedoeld in artikel 5.42, eerste lid, start uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie als bedoeld in artikel 5.42, tweede lid, is het onderzoek afgerond of het plan ontwikkeld.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek</h3></div>", "next": 239283}