{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voorafgaande aan de inhoudelijke bepalingen in de verschillende thematische hoofd-stukken zijn bepalingen opgenomen waarin begripsomschrijvingen staan die alleen in dat hoofdstuk van toepassing zijn. Daarnaast komt het in een enkel geval voor dat in een afzonderlijk artikel een begripsomschrijving is opgenomen die alleen in dat artikel voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bevat bijvoorbeeld het derde hoofdstuk een aantal bepalingen van algemene aard over vergunningen voor het exploiteren van bedrijven zoals een algemene weigerings-grond. Bij de verschillende paragrafen worden vervolgens nog bijzondere weigerings-gronden genoemd die alleen van toepassing zijn voor het in die paragraaf behandelde onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het gebruik van de APV is het dus zaak om naast het toepassen van een bepaald artikel ook de algemene bepalingen aan het begin van het hoofdstuk én van hoofdstuk 1 er op na te slaan omdat algemene en bijzondere bepalingen elkaar aanvullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen worden numeriek aangeduid: artikel 4.2, eerste lid bijvoorbeeld betekent hoofdstuk 4, artikel 2, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte en inhoud De APV behoort tot de belangrijkste verordeningen in Amsterdam. Dat wordt niet alleen bepaald door de relatief grote omvang en het grote aantal verschillende onderwerpen die er in worden geregeld maar ook door het belang van die onderwerpen voor de orde en veiligheid in de stad, de zedelijkheid, het woon- en leefklimaat, het toezicht op de voor publiek toegankelijke gebouwen, het gebruik van de openbare ruimte en voor de leefomgeving in het algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV regelt de onderwerpen die tot het gemeentelijke publieke domein kunnen worden gerekend voor zover deze niet nader zijn uitgewerkt in bijzondere verordeningen zoals de Verordening op de straathandel, de Afvalstoffenverordening en de Verordening op de haven en het binnenwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV is daarmee bij uitstek een verordening die de gemeenteraad op basis van artikel 149 Gemeentewet in het belang van de gemeente kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grootste deel van de bepalingen in de APV berust op de autonome bevoegdheid van artikel 149 Gemeentewet. Een beperkt aantal bepalingen vloeit voort uit medebewinds-taken, verplicht of facultatief. Voorbeelden zijn onder andere de artikelen ter regulering van prostitutie (hoofdstuk 2), ter voorkoming van ongewenste mededinging door bedrijven die niet in de eerste plaats op de exploitatie van een horecabedrijf zijn gericht (zie hoofdstuk 3) en bepalingen in aanvulling op het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (zie hoofdstuk 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV wordt op een aantal plaatsen verwezen naar hogere regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het opnemen van afbakeningsbepalingen is aangegeven dat de betreffende APV-bepaling alleen beoogt dat te regelen wat niet reeds in hogere regelgeving is geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening naar andere gemeentelijke regelgeving is niet aangegeven omdat er van wordt uitgegaan dat bijzondere regelgeving in het algemeen prevaleert boven algemene regelgeving (“lex specialis prerogat lex generalis”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toedelen bevoegdheden De Gemeentewet bevat de basis voor het toedelen van bevoegdheden aan gemeente-lijke bestuursorganen. Voor uitvoerende taken zijn dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De burgemeester heeft op grond van de wet bijzondere bevoegdheden als het gaat om openbare orde en veiligheid en het toezicht op voor publiek toegankelijke gebouwen (artikelen 172 en 174 Gemeentewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeestersbevoegdheden komen met name in het tweede en derde hoofdstuk aan de orde. Daarbij is er consequent voor gezorgd om bevoegdheden bij de burge-meester te leggen zodra het gaat om de taken die tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheden vormen voor een groot deel ook de bepalingen die zijn opgenomen op de A-lijst van de Verordening op de stadsdelen, bepalingen waarvan de uitvoering niet is gedelegeerd aan de stadsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak Bestuursorganen hebben op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuurs-recht bevoegdheden om met bestuurlijke maatregelen handhavend op te treden tegen geconstateerde overtredingen van de regels zoals het intrekken van een vergunning, het opleggen van een dwangsom en het toepassen van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve de keuze voor een bestuursrechtelijke aanpak is het ook mogelijk om in geval van overtreding van het bij of krachtens de APV gestelde te opteren voor een strafrechte-lijke aanpak. Het zesde hoofdstuk geeft aan welke overtredingen tot strafrechtelijke vervolging kunnen leiden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden niet alleen voor dit ene hoofdstuk, maar voor de gehele APV; ze regelen namelijk onderwerpen die op meerdere terreinen relevant (kunnen) zijn. Hoofdstuk 1 is dus het algemene deel van de APV, terwijl de andere hoofdstukken de meer specifieke onderwerpen betreffen en daarmee het bijzondere deel van de APV vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel van het opnemen van een algemeen deel is dat het overbodig wordt om in de afzonderlijke hoofdstukken steeds dezelfde artikelen te herhalen. Bovendien is op deze manier de uniformiteit van de regels beter gewaarborgd. Het betekent echter wel dat het nodig kan zijn om heen-en-weer te bladeren tussen hoofdstuk 1 en de andere hoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grootste deel van hoofdstuk 1 heeft betrekking op vergunningen en ontheffingen. Er zijn regels opgenomen die zich richten tot de bevoegde bestuursorganen en regels die zich richten tot de Amsterdamse burgers. Het gaat om: begripsomschrijvingen, (procedurele) regels voor het indienen en behandelen van een aanvraag, een algemene beslistermijn, een algemene weigeringgrond, een bevoegdheid om voorschriften en beperkingen op te leggen, algemene gronden om te wijzigen of in te trekken, de toonplicht voor de houder van een vergunning of ontheffing, de niet-overdraagbaarheid van een vergunning of ontheffing en een algemene verplichting voor burgers om mededelingen aan het bevoegde gezag schriftelijk te doen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijvingen zijn mede bepalend voor de reikwijdte van een verordening. Ze zijn nodig als een bepaald woord een specifieke betekenisinhoud dient te krijgen, die niet hetzelfde is als de betekenis die men in het normale spraakgebruik geeft aan het woord.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV zijn op verschillende plekken begripsomschrijvingen terug te vinden. Dat is in hoofdstuk 1, aan het begin van elk ander hoofdstuk en een enkele keer in een specifiek artikel. De plek waar de begripsomschrijving staat vermeld bepaalt de geldigheid ervan. De definities uit hoofdstuk 1 gelden voor de hele APV, zij hebben overal dezelfde betekenis. De definities in de andere hoofdstukken gelden alleen voor het hoofdstuk waarin ze zijn opgenomen. De definities in de specifieke artikelen gelden uitsluitend voor het artikel waarin ze staan vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om ze eenvoudig terug te kunnen vinden staan de begripsomschrijvingen steeds op alfabet gerangschikt. Soms is er een bestaande definitie uit een andere regeling gebruikt. Dan wordt daar niet naar verwezen, maar is de tekst van die regeling, geheel of gedeeltelijk, overgenomen. Dat is ten behoeve van de leesbaarheid van de APV en met het oog op de samenhang met andere regelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan de Woningwet en moet in samenhang met de definitie van bouwwerk worden gelezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water: de definitie is ontleend aan de Verordening op de Haven en het Binnenwater. De term “openbaar” heeft geen bijzondere juridische betekenis. Het gaat om water dat feitelijk voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende: het eerste deel van de definitie knoopt aan bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Het gaat om een ruime omschrijving. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een pand rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame: reclame is in het algemeen iedere vorm van aanprijzing van een dienst, activiteit, een goed of een naam. Vanwege de toevoeging “commercieel belang” valt het openbaren van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet niet onder deze definitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stadsdeel: de Verordening op de stadsdelen geeft een opsomming van de Amsterdamse stadsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaartuig: de definitie is ontleend aan de omschrijving van schip uit de Verordening op de Haven en het Binnenwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voertuig: de definitie is (deels) ontleend aan het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en bestaat feitelijk uit een opsomming van mogelijke voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg: deze definitie geeft een ruime omschrijving van wat onder weg moet worden verstaan en valt uiteen in een aantal delen. In alle onderdelen gaat het om wegen en plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Onderdeel a betreft de weg in de zin van de Wegenverkeerswet, namelijk de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren, aangevuld met voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen. Onderdeel b betreft diverse plaatsen, zoals parken en pleinen, maar ook ijsvlakten, aanlegplaatsen en stegen. De zinsnede “al dan niet met enige beperking” in de onderdelen a en b geeft aan dat ook als er voorwaarden zijn gesteld voor de toegankelijkheid (bijvoorbeeld het betalen van entreegeld) er nog steeds sprake is van een weg, zolang de plek voor publiek toegankelijk is. Ook een steeg die vanwege de openbare orde is afgesloten, maar toegankelijk blijft voor bewoners en hun bezoekers, blijft voor publiek toegankelijk en valt daarmee onder de definitie van weg. Hetzelfde geldt voor een park dat ’s nachts is afgesloten of een gedeeltelijk toegankelijk plantsoen. De onderdelen c en d betreffen gedeelten van gebouwen die tot de openbare ruimte horen. Door deze onderdelen zijn verschillende APV-bepalingen ook van toepassing in galerijen van flatgebouwen, portieken van woningen, winkelgalerijen en winkelcentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal APV-bepalingen wordt de term “op of aan de weg gebruikt”. Als dat het geval is geldt de betreffende bepaling ook op plaatsen die strikt genomen geen weg zijn zoals gedefinieerd in artikel 1.1, maar zich wel in de nabijheid daarvan bevinden. Een bepaling kan dan ook gelden op een privé-terrein, omdat er een duidelijke relatie is met of een uitstraling naar de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaak: dit is een ruime definitie die aansluit bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Dat betekent dat alle mogelijke voorwerpen onder het begrip zaak kunnen vallen. De term “zaak” wordt bijvoorbeeld gehanteerd wanneer het niet goed mogelijk is om een concrete opsomming te geven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Algemene bepalingen over vergunningen en ontheffingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de APV kunnen het college en de burgemeester voor verschillende activiteiten een vergunning of ontheffing verlenen. De precieze uitwerking van die bevoegdheid staat niet in hoofdstuk 1, maar is terug te vinden in de andere hoofdstukken. Paragraaf 2 bevat wel de regels die standaard gelden bij het aanvragen van en het beslissen over vergunningen en ontheffingen. Dit betekent dat op verschillende plaatsen in de APV (en daarnaast ook in andere regelingen, zoals bijvoorbeeld de Algemene wet bestuursrecht) relevante bepalingen kunnen staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een vergunning wordt in een individueel geval een handeling toegestaan die anders verboden zou zijn. Het instrument vergunning wordt met name gebruikt voor het reguleren van activiteiten waarbij het nodig is om verschillende belangen tegen elkaar af te wegen en de activiteiten van geval tot geval te kunnen beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een ontheffing wordt in een individueel geval een uitzondering gemaakt op een algemeen geldend gebod of verbod. Het instrument ontheffing wordt gebruikt voor activiteiten die normaal gesproken verboden zijn en ook verboden moeten blijven, maar die in uitzonderingsgevallen toegestaan kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verschillende artikelen wordt niet expliciet de burgemeester of het college genoemd, maar wordt gesproken over “het bevoegde bestuursorgaan”. In dat geval geldt de betreffende bepaling zowel voor de burgemeester als voor het college (en in geval van mandaat of delegatie: de voorzitter van het dagelijks bestuur of het dagelijks bestuur van het stadsdeel).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestuursorgaan dat bevoegd is om op een aanvraag te beslissen kan een formulier vaststellen voor het indienen van een aanvraag en het verstrekken van gegevens. Deze bevoegdheid volgt niet uit de APV, maar uit een andere regeling, namelijk artikel 4:4 Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">APV regelt het vervolg op deze bevoegdheid. Dit artikel geldt voor de aanvrager van een vergunning of ontheffing en verplicht deze om, wanneer dat is vastgesteld, een aanvraagformulier te gebruiken Als een aanvrager desondanks géén gebruik maakt van het vastgestelde aanvraagformulier, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten om de aanvraag buiten behandeling te laten (4:5 Awb). Dat betekent dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Behandeling van een aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvrager is verplicht om leges te betalen. Het heffen van leges is geregeld in legesverordeningen. Afhankelijk van het onderwerp van de aanvraag is de toepasselijke legesverordening door de gemeenteraad of door een stadsdeelraad vastgesteld. Vandaar het gebruik van de term “vigerende Legesverordening”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om reden van efficiency moet de verschuldigde leges worden voldaan voordat met de behandeling van de aanvraag wordt begonnen. Wanneer een aanvrager niet de verschuldigde leges betaalt, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten om de aanvraag buiten behandeling te laten (4:5 Awb). Dat betekent dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de algemeen geldende beslistermijn gesteld op 8 weken. De dag van ontvangst van de aanvraag is de dag waarop de beslistermijn begint te lopen. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze termijn van 8 weken kunnen worden afgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor bepaalde soorten besluiten een langere beslistermijn nodig is of als er juist kan worden volstaan met een kortere termijn, dan wordt dat geregeld in de afzonderlijke hoofdstukken. Als dus in een ander hoofdstuk een afwijkende beslistermijn staat vermeld, dan heeft die bepaling voorrang boven artikel 1.4 eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan in een concreet geval niet in staat is om binnen de algemene termijn van acht weken te beslissen, dan kan het de beslistermijn verlengen (“verdagen”). Daarvoor geldt een maximumtermijn van opnieuw acht weken. De Algemene wet bestuursrecht regelt dat het bestuursorgaan de aanvrager schriftelijk op de hoogte brengt van een verlenging. Een reden om de beslistermijn te verlengen kan bijvoorbeeld zijn de complexiteit van de aanvraag of de noodzaak om advies in te winnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lidstaten van de Europese Unie hebben in december 2006 Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn) vastgesteld. De Dienstenrichtlijn beoogt onnodige drempels voor het vrije verkeer van diensten en de vrije vestiging van dienstverrichters weg te nemen. De Dienstenrichtlijn wordt door middel van de Dienstenwet geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De Dienstenwet bevat een aantal normen waaraan vergunningstelsels moeten voldoen die de vestiging van een dienstverrichter regelen of eisen stellen aan een dienstverrichter en die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. Eén van die normen betreft de introductie van de lex silencio positivo, de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Deze wordt geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze paragraaf dient van toepassing te worden verklaard op vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, wanneer er geen dwingende redenen van algemeen belang zijn die zich daartegen verzetten. De lex silencio houdt in dat wanneer niet binnen de wettelijke termijn een beslissing op een aanvraag om een vergunning is genomen, deze vergunning van rechtswege wordt geacht te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een groot deel van de vergunningstelsels die de APV bevat, geldt dat er dwingende redenen van algemeen belang in het spel zijn die aan de toepassing van de lex silencio positivo in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid geeft een opsomming van de vergunningen waarvoor deze dwingende redenen niet gelden en waarop dus de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid wordt tot uitdrukking gebracht dat deze dwingende redenen voor de overige vergunningstelsels in de APV wel aanwezig worden geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 bevat twee algemene gronden voor het bevoegde bestuursorgaan om een vergunning of ontheffing te weigeren. Naast deze algemene redenen zijn in de afzonderlijke hoofdstukken ook nog specifieke gronden opgenomen. Beide soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het weigeren van een vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel in het eerste als in het tweede lid wordt de term “kan” gebruikt. Hiermee is aangegeven dat het bestuursorgaan de bevoegdheid, niet de verplichting heeft om te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond die het eerste lid noemt is het belang (of de belangen) in verband waarmee het vereiste van een vergunning of ontheffing is gesteld. Dat kan uiteenlopen van het belang van de openbare orde tot het belang van de volksgezondheid. Om welk belang het in een concreet geval precies gaat, is terug te vinden in de afzonderlijke hoofdstukken. Zowel uit de tekst van de artikelen als uit de bijbehorende toelichting blijkt welk(e) belang(en) het desbetreffende hoofdstuk beoogt te behartigen. Als het verlenen van een vergunning of ontheffing niet bijdraagt aan de bescherming van dat belang, kan het bestuursorgaan om die reden de vergunning of ontheffing weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond van het tweede lid heeft te maken met een verwachte discrepantie tussen aanvraag en werkelijkheid. Er kunnen verschillende redenen zijn -de aanvrager heeft onjuiste gegevens overgelegd bijvoorbeeld- op grond waarvan het bestuursorgaan het niet waarschijnlijk acht dat de aanvraag in overeenstemming is met de feitelijke toestand. In zo’n geval moet het bestuursorgaan de bevoegdheid hebben om het gevraagde te weigeren. Of aan de aanvrager een verwijt te maken valt, is daarbij niet van doorslaggevend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet al bij het indienen van de aanvraag maar pas later blijkt dat de feitelijke situatie niet is zoals de aanvraag vermeldt, dan kan de vergunning of ontheffing worden ingetrokken (zie artikel 1.7 APV).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te verlenen, hoort tegelijk de bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of anderszins) te verbinden. Het eerste lid van artikel 1.6 maakt deze bevoegdheid expliciet. De bevoegdheid is niet ongelimiteerd: voorschriften en beperkingen moeten dienen ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing in het leven is geroepen. Om welk belang het precies gaat en hoeveel ruimte het bevoegde bestuursorgaan heeft, blijkt weer uit de afzonderlijke hoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingen worden doorgaans in de vergunning of ontheffing opgenomen. In sommige gevallen formuleert de APV zelf al voorschriften en beperkingen, zie bijvoorbeeld de openingstijden voor horecabedrijven in hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen zonder verplichte vergunning of ontheffing is verboden. Handelen met vergunning of ontheffing, maar in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen is eveneens verboden. Het tweede lid van artikel 1.6 regelt dat het niet-naleven van een voorschrift of een beperking een zelfstandige overtreding van de APV oplevert. Als reactie op deze overtreding zijn verschillende bestuursrechtelijke handhavinginstrumenten beschikbaar, zoals het intrekken van de vergunning of ontheffing. Strafrechtelijke handhaving is -via de strafbepalingen van hoofdstuk 6 APV- eveneens mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gronden voor wijziging of intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te wijzigen of in te trekken. Het gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het bestuursorgaan heeft in elk concreet geval de mogelijkheid om af te wegen of intrekking of wijziging een passende en noodzakelijke maatregel is. Verder is expliciet opgenomen dat gedeeltelijke (bijvoorbeeld tijdelijke) intrekking of wijziging mogelijk is. Ook voor artikel 1.7 geldt: hier zijn algemene gronden opgenomen, die van toepassing zijn naast de specifieke gronden die in de afzonderlijke hoofdstukken staan. Beide soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van een vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a (onjuiste gegevens): dit is vooral aan de orde als het bestuursorgaan een andere beslissing zou hebben genomen op de aanvraag als destijds wel de juiste gegevens bekend waren geweest. Het gaat dus om onjuistheden of onvolledigheden die van meer dan ondergeschikte aard zijn. Of er met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt is niet van doorslaggevend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b (veranderde wetgeving e.d.): regelgeving, beleid en omstandigheden kunnen veranderen. In sommige situaties moet dat invloed kunnen hebben op bestaande vergunningen of ontheffingen. Bijvoorbeeld als de bescherming van het algemene belang zwaarder weegt dan het belang van de houder bij een ongewijzigde beschikking. Deze grond kan ook worden gebruikt wanneer een vergunning – in strijd met de APV- privaatrechtelijk is overgedragen aan een ander, terwijl hij bijvoorbeeld een persoons- of een adresgebonden karakter heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c (niet nakomen van voorschriften of beperkingen): voorschriften en beperkingen worden niet voor niets aan een beschikking verbonden, maar dienen een (algemeen) belang. Het is dus van belang dat zij worden nageleefd. Niet-naleving levert een overtreding van de APV op en kan ertoe leiden dat het bestuursorgaan de vergunning of ontheffing wijzigt of intrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d (de beschikking wordt niet gebruikt): wanneer de houder een vergunning of ontheffing niet gebruikt, is het aannemelijk dat hij geen belang (meer) heeft bij het in stand laten van deze beschikking. Als het bestuursorgaan niet langer rekening wil blijven houden met een ongebruikte vergunning, kan het de vergunning intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e (op verzoek van de houder): intrekking of wijziging vanwege een van de andere gronden van artikel 1.7 zal doorgaans ambtshalve of op verzoek van een derde zijn. Deze grond daarentegen regelt dat het bestuursorgaan kan wijzigen of intrekken op verzoek van de houder, bijvoorbeeld bij een faillissement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f (beschikking is in strijd met de wet): deze grond is opgenomen omdat het bestuursorgaan de mogelijkheid moet hebben om fouten te herstellen. Hierbij kan de vraag aan de orde komen of de houder op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat een fout is gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toonplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt een algemene toonplicht. De toonplicht houdt tegelijk een draag- of aanwezigheidsplicht in. Tonen op eerste vordering (dat wil zeggen direct zodra erom wordt gevraagd) is immers alleen mogelijk wanneer de beschikking binnen handbereik is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden om te voorzien in deze plicht is het ondersteunen van het toezicht en de handhaving. Zonder inzage in de vergunning of ontheffing is de controle op de naleving niet goed mogelijk. Het niet-voldoen aan de toonplicht vormt een zelfstandige overtreding van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8 richt zich tot de houder van een vergunning of ontheffing. Daarnaast kan ook een ander, bijvoorbeeld de leidinggevende van een bedrijf, een toonplicht hebben. Dat volgt dan uit de afzonderlijke hoofdstukken. Deze toonplichten bestaan naast elkaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Overdraagbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning of ontheffing kan een vermogensrecht vertegenwoordigen en economische waarde hebben. Het is echter onwenselijk dat de houder van een vergunning of ontheffing deze kan overdoen aan een ander. Artikel 1.9 regelt daarom dat vergunningen en ontheffingen niet overdraagbaar zijn. Handelen in strijd met deze bepaling is een overtreding van de APV en kan daarnaast leiden tot intrekking van de beschikking. Aanvullend hierop is in de afzonderlijke hoofdstukken voor sommige vergunningen geregeld dat zij ook bedrijfs- of adresgebonden zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Schriftelijke mededeling</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is bedoeld om algemene (administratieve) verplichtingen in onder te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Schriftelijke mededeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen regelt de APV dat burgers verplicht zijn om een voornemen, een activiteit of een handeling te melden. Wat er precies moet worden gemeld en aan wie er moet worden gemeld, is beschreven in de afzonderlijke hoofdstukken. Dit artikel regelt uitsluitend dat die melding schriftelijk moet gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zinsnede “krachtens deze verordening” verwijst naar de situatie waarin niet de APV zelf, maar een voorschrift bij een besluit op grond van de APV een meldingsplicht bevat. Ook die melding moet dus schriftelijk gebeuren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. Orde en veiligheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het hoofdstuk is ingedeeld in zes paragrafen: begripsomschrijvingen (1), openbare orde, overlast en veiligheid (2), hinderlijk gedrag (3), preventie (4), openbare manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden en evenementen (5) en uitoefenen beroep op de weg (6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenschappelijke noemer in deze paragrafen is de gemeentelijke verantwoorde-lijkheid voor de openbare orde en veiligheid zoals die in de Gemeentewet is verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip openbare orde wordt in de literatuur niet eenduidig gedefinieerd. De bepalingen in dit hoofdstuk beogen over het algemeen de maatschappelijke rust en orde te helpen bewaren, gewelddadigheden tegen de persoonlijke levenssfeer te voorkomen en strafbare feiten te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoofdstuk bevat een ruim scala aan normen, in gradaties variërend van een absoluut verbod om bepaald gedrag te vertonen, dit ter voorkoming van ernstige overlast en hinder, tot een verbod op gedragingen die tot overlast kunnen leiden tenzij ze door middel van een vergunning of ontheffing en daaraan te verbinden voorschriften kunnen worden gereguleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de bijzondere rol die de Gemeentewet toekent aan de burgemeester als het gaat om handhaving van de openbare orde en om toezicht op voor publiek toegankelijke plaatsen en vermakelijkheden, zijn de bevoegdheden die in het hoofdstuk worden toegekend bijvoorbeeld voor het aanwijzen van gebieden waar bepaald gedrag is verboden consequent aan de burgemeester toebedeeld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 eerste lid Evenement De omschrijving van het begrip evenement is ruim gehouden vanwege de grote variatie in evenementen. Niet alleen buurtfeesten, straatfestivals, kermissen en concerten in de open lucht vallen er onder maar ook bijzondere huldigingen, herdenkingen, sportwedstrijden en grote spektakels met een nationale uitstraling zoals de Uitmarkt en Sail.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal elders geregelde activiteiten in de openbare ruimte wordt van het begrip uitgezonderd, zoals manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties, optochten en voetbalwedstrijden en markten, waarvoor een vergunningstelsel is opgenomen in de Verordening op de straathandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op sommige evenementen maakt het aanbieden en verkopen van waren vanuit kramen en stallen deel van de gebeurtenissen uit. Dit kan de vraag oproepen of het geheel als een markt of een evenement moet worden vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Verordening op de Straathandel 2008 geldt als ondergrens voor het instellen van een markt dat daarop door tenminste zeven marktkooplieden staanplaats wordt ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien daarvan bevat de Verordening op de Straathandel noch de APV criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald onder welke regeling de activiteiten vallen. Deze keuze is op voorhand ook niet eenvoudig te maken: de overgang van een evenement naar een markt en andersom is immers vaak vloeiend en niet goed af te bakenen. Het bevoegde orgaan moet dan ook per geval beoordelen of een gebeurtenis als markt of als evenement moet worden vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen ligt een aanwijzing als markt meer voor de hand als het gaat om een periodiek terugkerende gebeurtenis waarbij de commerciële handel in waren dominant is ten opzichte van de andere gebeurtenissen (bijvoorbeeld een kerstmarkt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelt de verkoop van waren daarentegen een ondergeschikte of ondersteunende rol, dan verdient het verlenen van een evenementenvergunning de voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is bijvoorbeeld het geval bij braderieën waarbij het niet zozeer gaat om de reguliere uitoefening van straathandel maar om het verkopen op straat door winkeliers van waren uit hun eigen assortiment meestal in combinatie met andere activiteiten die er op gericht zijn de aandacht van het winkelend publiek te vestigen op de aantrekkelijkheid van een bepaalde winkelstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip evenement als bedoeld in het eerste lid vallen niet de voor publiek toegankelijke gebeurtenissen in gebouwen; hiervoor is een aparte vergunningplicht in artikel 2.47 opgenomen. Die geldt ook voor overdekte markten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsomschrijving is er rekening mee gehouden dat evenementen ook op het water kunnen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het begrip evenement is tenslotte het element “met een openbaar of besloten karakter” toegevoegd. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat ook voor het publiek toegankelijke gebeurtenissen met een besloten karakter die op of aan de weg plaatsvinden (bijvoorbeeld het houden van een feest voor uitsluitend genodigden) onder de vergunningplicht vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 tweede lid Evenemententerrein Het hanteren van het begrip evenemententerrein maakt het mogelijk tot een duidelijke begrenzing te komen van de plaats waar het evenement zich afspeelt en daarmee tot een duidelijk juridische afbakening van op het terrein geldende regels, voorschriften en bevoegdheden. Al naar gelang de omstandigheden kan het evenemententerrein nader worden bepaald of kunnen de grenzen daarvan ruimer worden getrokken, bijvoorbeeld door voorzieningen voor toeschouwers erbij te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 vierde lid Samenscholing Onder samenscholing wordt verstaan het groepsgewijs bijeenkomen van mensen die een dreigende houding aannemen, kwade bedoelingen hebben of bedreigend op anderen overkomen. Het is afhankelijk van de concrete situatie en de feiten en omstandigheden of dit het geval is. Als er kennelijk kwade bedoelingen in het spel zijn kan er dus sprake zijn van een samenscholing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 vijfde lid Handelaar Bij algemene maatregel van bestuur van 6 januari 1992 (Staatsblad 1992, 36) zijn de handelaren aangewezen die ingevolge artikel 437, eerste lid Wetboek van Strafrecht aantekening moeten houden van door hen verworven en voorhanden gehouden zaken. Het gaat hierbij om opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Openbare orde, overlast en veiligheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2 strekt tot bescherming van de openbare orde en verbiedt ordeverstoringen, zowel individueel als collectief, op de weg en in voor het publiek toegankelijke gebouwen en vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een voor het publiek toegankelijk gebouw wordt elke gebouwde ruimte verstaan die in principe voor iedereen toegankelijk is, zoals een winkel, een postkantoor of een stationshal. Daarnaast vallen onder dit begrip ook gebouwen die met enige beperkingen openstaan. Hierbij valt te denken aan gebouwen die toegankelijk zijn voor personen die in het bezit zijn van een toegangs- of plaatsbewijs (bijvoorbeeld musea, theaters, perrons van metrostations) of voor personen die een bepaalde leeftijd hebben bereikt (bijvoorbeeld een speelautomatenhal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid verbiedt het onnodig opdringen. Hoewel de intentie onschuldig van aard kan zijn, bijvoorbeeld bij optochten en andere evenementen, kan hierdoor toch de openbare orde en veiligheid in gevaar komen. Verder zijn verboden het lastig vallen van personen en vechten, zowel individueel als collectief. Niet alleen individuele handelingen kunnen de orde en veiligheid bedreigen, maar ook het in en vanuit een groep lastig vallen van anderen, bijvoorbeeld door hangjongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid en in andere bepalingen van hoofdstuk 2 wordt het begrip “zaak” gebruikt. Met deze aan het privaatrecht ontleende term wordt elk stoffelijk voorwerp bedoeld, ongeacht de vorm, dat naar rellen en dergelijke wordt meegebracht om de orde te verstoren, zoals stenen, stokken en vloeistoffen. De bepaling geldt ook in of bij voetbalstadions. Het verbod richt zich niet alleen op meegenomen voorwerpen maar ook op bijvoorbeeld stenen die ter plaatse zijn opgeraapt om mee te gooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is voor gevallen van (dreigende) wanordelijkheden de plicht opgenomen zich te verwijderen als een politieambtenaar daartoe een bevel geeft. De politie heeft op grond van de Politiewet tot taak zo nodig met onmiddellijke maatregelen het leven in de openbare ruimte in ordelijke banen te leiden en direct te zorgen voor de veiligheid van personen of zaken. Die taak houdt ook de bevoegdheid in om in concrete gevallen de daarvoor benodigde bevelen te geven. Artikel 2.2 is een nadere concretisering daarvan op lokaal niveau. De bevoegdheid is in dit geval aan een bepaald doel gebonden. De politieambtenaar verricht de beoordeling die nodig is voor toepassing van de strafbepaling; de rechterlijke toetsing vindt plaats als vervolging wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van zaken bij samenkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld bij de jaarlijkse 4 mei-herdenking moeten op bepaalde plaatsen fietsen en andere voorwerpen kunnen worden verwijderd om de samenkomst goed te laten verlopen. Artikel 2.3 geeft hiervoor de juridische grondslag. Op grond van artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de uitvoering van (bepalingen van) verordeningen die betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, en op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. De aanwijzingsbevoegdheid komt hem daarom toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van afzettingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4 verbiedt het betreden van (tijdelijke) afzettingen die om verschillende redenen kunnen zijn geplaatst. De bepaling noemt specifiek openbare orde en veiligheid en verkeersbelangen en daarnaast kunnen andere algemene belangen een reden zijn om een afzetting te plaatsen. Zo valt niet alleen te denken aan het bestrijden van ongeregeldheden, maar ook aan een evenement of een staatsbezoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Messen en andere voorwerpen als steekwapen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze bepaling kan de burgemeester gebieden aanwijzen, waarin het voorhanden hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, verboden is. Een gebiedsaanwijzing voor het messenverbod gaat overigens vaak samen met de aanwijzing van een gebied als overlastgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet wapens en munitie is gericht op de bescherming van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit tegen wapengeweld, terwijl artikel 2.5 ziet op de bescherming van de openbare orde tegen aantasting daarvan. Vanuit dat motief mag men in een aangewezen gebied geen enkel mes of ander voorwerp dat als steekwapen kan worden gebruikt, op of aan de weg bij zich hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor messen en andere zaken waarvan het dragen al door de Wet wapens en munitie verboden is, en evenmin voor andere voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet direct als steekwapen gebruikt kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing veiligheidsrisicogebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 151b Gemeentewet, op grond waarvan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid krijgt om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied aan te wijzen als veiligheidsrisico­gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester brengt een gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de gemeenteraad en de officier van justitie. In een veiligheidsrisicogebied kan de politie op last van de officier van justitie wapen- en munitiecontroles uitvoeren op verpakkingen van goederen, op vervoermiddelen en aan de kleding van personen. De officier van justitie vermeldt in het bevel op grond van welke feiten en omstandigheden hij van zijn bevoegdheid gebruik wil maken. Het bevel is maximaal twaalf uur van kracht. Kenmerkend voor het fouilleren in een veiligheidsrisicogebied is dat er ten aanzien van de te controleren personen geen sprake hoeft te zijn van concrete verdenking van wapenbezit, of van het plegen van een strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester trekt de aanwijzing in als de verstoring van de openbare orde of de vrees voor de veiligheid van personen in het gebied niet meer aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Openlijk gebruik en handel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden van artikel 2.7 hebben een ander motief dan de Opiumwet, namelijk de bescherming van de openbare orde (het tegengaan van overlast en hinder die met het gebruik van harddrugs op voor publiek toegankelijke plaatsen gepaard gaan), en kunnen daarom bestaan naast deze wet. Overigens verbiedt de Opiumwet het openlijk gebruik van harddrugs als zodanig niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 2.7 beoogt het gebruik en het openlijk voorhanden hebben van harddrugs op straat en in voor het publiek toegankelijke gebouwen tegen te gaan. Het is een ervaringsfeit dat harddrugsgebruik ernstige overlast veroorzaakt, criminaliteit in de hand werkt en sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid oproept bij anderen die van de openbare ruimte gebruik maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet kan de burgemeester en de onder zijn gezag staande politie overtredingen van wettelijke voorschriften die op de openbare orde betrekking hebben, beletten en beëindigen. Artikel 2.7 is zo’n voorschrift, en geeft dus een directe grondslag om tegen het openlijk gebruik van harddrugs op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het bezit van voorwerpen en stoffen die als hulpmiddel dienen voor het gebruik van harddrugs vallen onder het verbod, zoals injectiespuiten, lepeltjes, aluminiumfolie of citroensap. Dit is gedaan om de bepaling uitvoerbaar te maken met het oog op de gewenste overlastbestrijding; het gaat niet om (de opsporing van) de voorwerpen als zodanig. Het moet voorts gaan om het openlijk voorhanden hebben van hulpmiddelen; een voorwerp dat opgeborgen wordt meegevoerd, valt niet onder het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid richt zich tegen de overlast die wordt veroorzaakt door het op bepaalde plaatsen aanbieden van harddrugs, softdrugs, nepdrugs, kalmeringsmiddelen, stimulerende middelen (bijvoorbeeld Viagra) en dergelijke. Ook de telkens terugkerende kopers moeten worden geweerd; immers niet alleen het aanbod, maar ook de vraag werkt de hardnekkigheid van het verschijnsel in de hand. Het dient aannemelijk te zijn dat een persoon zich ophoudt op straat met het doel drugs te kopen of verkopen. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het bij zich hebben van de bedoelde middelen, het hoorbaar aanbieden van drugs, ruzies tussen aanbieders en afnemers et cetera.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing overlastgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan de burgemeester een gebied aanwijzen als overlastgebied. Dat gebeurt als naar zijn oordeel de openbare orde in het gebied ernstig in gevaar is. De reden hiervoor kan zijn het gebruik van of de handel in harddrugs, maar ook andere omstandigheden kunnen tot aanwijzing van een overlastgebied leiden. Er dient in ieder geval sprake te zijn van een structurele overlastsituatie, die de openbare orde ter plaatse ernstig verstoort of bedreigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtsgevolgen van de aanwijzing worden geregeld in het tweede lid van artikel 2.8 en verder in de artikelen 2.9, 2.9A en 2.9B. In het aanwijzingsbesluit geeft de burgemeester aan welk regime van verblijfsverboden in dat betreffende overlastgebied van toepassing is. In één overlastgebied kunnen meerdere regimes gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid is het verboden zich in een overlastgebied in een groep van meer dan vier personen op te houden, als de openbare orde hierdoor in gevaar wordt gebracht. Dit laatste dient op basis van feitelijke omstandigheden te worden vastgesteld. De samenstelling of het gedrag van de groep kan daarbij een rol spelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.9 kan de burgemeester verblijfsverboden opleggen. Het eerste lid somt de gedragingen op die ertoe kunnen leiden dat iemand tijdelijk de toegang tot een overlastgebied wordt ontzegd. Het gaat uitdrukkelijk om gedragingen met een ordeverstorend karakter, zoals het openlijk gebruiken van en het handelen in harddrugs, het voorhanden hebben van wapens, het plegen van geweldsdelicten, straatprostitutie, bedelen en hinderlijk gedrag in of bij gebouwen. Het motief van een verblijfsverbod is dan ook niet het opleggen van een straf wegens het plegen van een strafbaar feit, maar het bestrijden van de ernstige overlast die in bepaalde delen van Amsterdam wordt ondervonden. Het gaat derhalve om een bestuurlijke maatregel, gericht op het herstel van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die in een overlastgebied één van de in het eerste lid genoemde bepalingen overtreedt, kan een bevel krijgen zich voor de duur van 24 uur uit het betreffende gebied te verwijderen. Het bevel wordt door de politie in mandaat namens de burgemeester gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die binnen een aaneengesloten tijdvak van zes maanden driemaal een 24-uursbevel heeft gekregen, komt in aanmerking voor een verblijfsverbod voor de duur van 14 dagen. De bevoegdheid tot het opleggen van bevelen die langer duren dan 24 uur is niet gemandateerd vanwege de zwaarte van de maatregel. Bij het tweede 24-uursbevel reikt de politie een schriftelijke waarschuwing uit, waarin wordt toegelicht hoe een verblijfsverbod uiteindelijk kan oplopen tot drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die binnen een jaar na een gegeven 14 dagen-bevel opnieuw een van de in het eerste lid genoemde overtredingen begaat, krijgt een verblijfsverbod van een maand voor het desbetreffende overlastgebied. Degene die binnen een jaar na dit bevel weer een overtreding begaat, komt in aanmerking voor een verblijfsverbod van 3 maanden. Degene die binnen een jaar daarna een volgende overtreding begaat komt opnieuw in aanmerking voor een verblijfsverbod van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het systeem van de APV gaat dus uit van twee stappen. Stap één is de constatering dat in een bepaald gebied de openbare orde zodanig is verstoord, dat de aanwijzing als overlastgebied nodig is. Hierdoor geldt in het gebied een bijzonder regime. Aan personen die in het aangewezen gebied de in het artikel genoemde ordeverstorende feiten plegen, kan vervolgens tijdelijk – oplopend van 24 uur tot 3 maanden - de toegang tot het gebied worden ontzegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">A Verblijfsverbod dealers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het regime van artikel 2.9, kan de burgemeester op grond van artikel 2.9A een verblijfsverbod opleggen voor de duur van drie maanden aan personen (dealers) die zich schuldig maken aan de handel in drugs of daarop gelijkende waar. Hieronder vallen dus ook slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden voor een afwijkend regime is drieledig. Primair wordt beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Daarnaast wordt beoogd “de loop uit het gebied” te halen. Door dealers voor langere tijd uit overlastgebieden te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tot slot is van belang dat de huidige systematiek van verblijfsverboden voor dealers vaak niet effectief is, omdat strafrechtelijk optreden de bestuurlijke maatregel doorkruist. Hierdoor wordt aan dealers veelal geen 24uurs verblijfsverbod opgelegd en wordt er derhalve geen dossier opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan alleen van de bevoegdheid van artikel 2.9A gebruik maken ten aanzien van personen die tevens antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Het kan daarbij gaan om veroordelingen, maar ook om politiemutaties. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij zogenaamde first-offenders. Het verblijfsverbod kan worden opgelegd indien wordt geconstateerd dat iemand zich schuldig maakt aan handel in drugs of daarop gelijkende waar, dan wel indien aannemelijk is dat iemand zich op straat ophoudt met het doel de hiervoor genoemde gedraging te plegen. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, het enkele vermoeden dat iemand drugs of daarop gelijkende waar verkoopt of te koop aanbiedt is derhalve niet voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 2.9A voorziet in een recidivebepaling. Degene die binnen een jaar na een gegeven drie maanden-bevel opnieuw de in het eerste lid genoemde overtreding begaat, krijgt een verblijfsverbod van zes maanden voor het desbetreffende overlastgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">B Verblijfsverbod uitgaansgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het regime van artikel 2.9, kan de burgemeester op grond van artikel 2.9B een specifiek verblijfsverbod opleggen aan personen die zich schuldig maken aan uitgaansgeweld en andere aan uitgaan gerelateerde delicten en overtredingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding voor het ontwikkelen van dit afwijkende regime is de verslechtering van de objectieve veiligheidsindex voor de uitgaanspleinen Leidseplein en Rembrandtplein. Ten aanzien van beide pleinen is geconstateerd dat het aantal geweldsincidenten de laatste jaren fors is toegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgaansgeweld en andere aan uitgaan gerelateerde overtredingen brengen een verstoring van de openbare orde met zich mee die met de mogelijkheden die het huidige regime van verblijfsverboden biedt niet effectief kan worden bestreden. Deze verstoring van de openbare orde en het gevoel van onveiligheid voor de aanwezigen in het uitgaansgebied, rechtvaardigt de duur van het verblijfsverbod. Het tijdvak waarover het verblijfsverbod zich uitstrekt is beperkt tot het uitgaansweekend waarin de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan de burgemeester voor het publiek toegankelijke gelegenheden sluiten als daar wordt gehandeld in strijd met de Wet op de kansspelen, (vuur)wapens aanwezig zijn, gestolen goederen worden verhandeld, of andere feiten plaatsvinden die tot het oordeel leiden dat het open blijven van de gelegenheid ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. In de opsomming van feiten die tot een sluiting kunnen leiden ontbreken de handel en de aanwezigheid van harddrugs. Om daartegen te kunnen optreden is in artikel 13b van de Opiumwet een afzonderlijke grondslag voor het toepassen van bestuursdwang opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van art. 2.10 is het niet relevant of de exploitant van de inrichting betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten, of dat hem daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. De sluiting beoogt geen straf op te leggen, maar is gericht op het herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht door feiten en omstandigheden die in de inrichting plaatsvinden. De schuldvraag is daarbij in principe niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als de voortzetting van de sluiting niet langer nodig is. De burgemeester beoordeelt of dat het geval is. Van belang hierbij is onder meer de bereidheid en de bekwaamheid van de exploitant om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van het gebeurde te voorkomen, bij voorbeeld door herinrichting van het bedrijf, verscherping van het toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel. Tijdens de sluiting is het de rechthebbende niet toegestaan om de ruimte zonder toestemming van de burgemeester te (laten) betreden. Dit verbod is van overeenkomstige toepassing op de sluiting van openbare gelegenheden en woningen krachtens de Opiumwet en de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting verkoopinrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid biedt de mogelijkheid om winkels te sluiten die aan verslaafden hulpmiddelen voor harddrugsgebruik verkopen, zoals mesjes, basepijpen, lepeltjes, zilverfolie en weegschaaltjes. Dergelijke verkooppunten werken overlast in de hand, zowel in de directe omgeving van het bedrijf als elders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingstermijn is bepaald op maximaal vier weken. Dit moet in beginsel voldoende zijn om de loop van verslaafden naar de zaak te doorbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid formuleert uitzonderingen op de sluitingsbevoegdheid. Voorzieningen waar met instemming van de overheid in het kader van hulpverlening of aids-bestrijding voorwerpen voor harddrugsgebruik worden verkocht of verstrekt, bijvoorbeeld via spuitverkoopautomaten, zijn toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Werven van klanten voor prostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke overheid heeft een taak ten aanzien van het reguleren van prostitutie. In de APV gebeurt dat, afhankelijk van de verschijningsvorm van de prostitutie, in hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prostitutie is het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten (zie artikel 3.1, tweede lid onder j). Het gaat dus niet alleen om het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen maar ook om dat wat daaraan vooraf gaat, namelijk het zich daartoe beschikbaar stellen. Ook het werven van klanten valt hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.12 richt zich tot de prostituee en geeft een aantal verbodsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 2.12 verbiedt, kort gezegd, straatprostitutie. Overigens geldt dit zogenaamde tippelverbod niet uitsluitend voor de openbare weg, maar ook in voor het publiek toegankelijke gebouwen. Dit is om te voorkomen dat prostituees klanten werven in bijvoorbeeld het Centraal Station. Het algemene uitgangspunt is dat straatprostitutie is verboden, tenzij het plaatsvindt op door het college aangewezen wegen (zie hiervoor verder artikel 2.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid betreft, kort gezegd, raamprostitutie. Het algemene uitgangspunt is dat raamprostitutie is verboden, tenzij het plaatsvindt in een raamprostitutiebedrijf, waarvan de exploitant bovendien beschikt over een vergunning op grond van hoofdstuk 3. Deze uitzondering op het verbod van raamprostitutie is terug te vinden in het derde lid van artikel 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot bevat het vierde lid een verbodsbepaling met als doel hinderlijk of aanstootgevend gedrag te voorkomen. Ook deze bepaling richt zich primair tot de prostituee, maar via bijvoorbeeld de verplichting van artikel 3.32 derde lid kan ook de exploitant van een prostitutiebedrijf op de naleving van dit verbod worden aangesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen prostituanten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.13 richt zich niet tot de prostituees, maar tot hun (potentiële) klanten en is daarmee complementair aan artikel 2.12. Kort gezegd verbiedt artikel 2.12 de prostituee om diensten aan te bieden, terwijl 2.13 de klant verbiedt om in te gaan op een aanbod. Dit betekent dat handhavend kan worden opgetreden tegen zowel de prostituee als tegen de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van 2.13 formuleert een aantal gedragingen die worden beschouwd als het ingaan op een aanbod van een prostituee. Dit is geen uitputtende opsomming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is uiteraard niet van toepassing in een prostitutiebedrijf, waarvan de exploitant beschikt over een vergunning op grond van hoofdstuk 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing tippelzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling maakt het mogelijk om op sommige plaatsen straatprostitutie toe te staan. Dat gebeurt aan de hand van een gebiedsaanwijzing (aanwijzing als tippelzone) en is een bevoegdheid van het college. Bij het aanwijzen van een gebied als tippelzone stelt het college ook tijden vast. Op grond van de omstandigheden ter plaatse wordt beoordeeld of aanwijzing als tippelzone kan gebeuren. Daarbij zijn niet alleen de openbare orde en het woon- en leefklimaat relevant, maar ook de verkeersveiligheid bijvoorbeeld. Op grond van het tweede lid is het college eveneens bevoegd om te regelen dat een beperkt aantal prostituees op de aangewezen tippelzone werkzaam mag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze tippelzone mogen uiteraard geen minderjarige prostituees werkzaam zijn, noch prostituees die niet beschikken over een geldige verblijfstitel en die geen arbeid mogen verrichten in Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving tippelzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de bepalingen van de Politiewet zijn politieambtenaren bevoegd om in het kader van de handhaving een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel gehoor te geven is geregeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.15 eerste lid geeft hier nog een aanvulling op. Deze bevoegdheden in samenhang maken dat politieambtenaren zowel op als buiten de tippelzone een verwijderingsbevel kunnen geven, aan zowel prostituees als aan andere personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en het derde lid regelen de bevoegdheid voor de burgemeester om een verblijfsverbod op te leggen. Dit houdt in dat het een persoon gedurende een bepaalde periode verboden wordt om zich op de tippelzone te bevinden. Het tweede lid van artikel 2.15 regelt dat deze periode niet langer kan zijn dan drie maanden. Een verblijfsverbod kan pas worden gegeven wanneer iemand al tenminste eenmaal een verwijderingsbevel van een politieambtenaar heeft gekregen. Het derde lid betreft eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in een concreet geval moeten worden gemaakt. De burgemeester heeft hierbij beoordelingsvrijheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteuning prostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van artikel 2.16 is primair gericht tot anderen dan de prostituee. Het tweede lid geeft aan welke gedragingen in ieder geval als ondersteunen worden beschouwd. De opsomming is echter niet uitputtend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Hinderlijk gedrag</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gebruik van drank of softdrugs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de in het tweede lid opgenomen regeling voor het instellen van een alcoholverbod op daartoe aangewezen plaatsen, bestaat behoefte aan een bepaling die zich richt tegen hinderlijk drankgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Op grond van het eerste lid kan dan ook worden opgetreden tegen drankgerelateerde overlast die niet tot bepaalde plaatsen beperkt is, of waarvoor het instellen van een absoluut verbod op het gebruik en bezit van alcohol vooralsnog een te zwaar middel is. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen van hinder door op straat drinkende toeristen, aan geluidsoverlast door overmatig drankgebruik op pleziervaartuigen, of aan overlast door overloopeffecten uit gebieden waar een alcoholverbod van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kunnen wegen en weggedeelten worden aangewezen waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen, of aangebroken flessen en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Deze bepaling richt zich op de aanpak van problemen op plaatsen waar groepen alcoholverslaafden, zwervers, hangjongeren et cetera structureel met alcoholgebruik samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, lastig vallen en intimideren van voorbijgangers, onderlinge ruzies en vechtpartijen, vervuiling van de omgeving, wildplassen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een in het aangewezen gebied gelegen terras van een horecabedrijf geldt het alcoholverbod uiteraard niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met toepassing van het vierde lid kunnen incidentele uitzonderingen op het alcoholverbod worden gemaakt, bijvoorbeeld voor het houden van een evenement in een park waar dit verbod normaliter van kracht is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van artikel 2.18 kan worden ingezet tegen degenen die zich zonder redelijk doel of anderszins hinderlijk ophouden bij of in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van gebouwen, en andere voor het publiek toegankelijke voorzieningen, zoals haltehuisjes, portieken en parkeergarages.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog daargelaten of dit gepaard gaat met concreet overlastgevend gedrag in de vorm van bijvoorbeeld schreeuwen, uitschelden, bedreigen of de doorgang versperren, roept het doelloos rondhangen van personen of groepen in voor het publiek bestemde ruimten dikwijls sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid op, waardoor een normaal gebruik van deze ruimten wordt belemmerd. Een verbod op dit gedrag is daarom op zijn plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging “zonder redelijk doel” beoogt uit te sluiten dat bijvoorbeeld een glazenwasser onder de verbodsbepaling zou vallen. Door gebruik van het woord “kennelijk” kan zo nodig tegen hinderlijk gedrag in publieksruimten worden opgetreden zonder dat daarover door belanghebbenden is geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met termen als “doelloos” en “hinderlijk” is artikel 2.18 een strafbepaling met tamelijk open normen. Hoewel het uit oogpunt van rechtszekerheid gewenst is om voorschriften zo specifiek mogelijk te formuleren, is het in sommige situaties echter onvermijdelijk dat gewerkt wordt met regels die een algemene typering van het verboden gedrag inhouden, omdat er een zo grote variëteit is aan gedragingen die de delictsomschrijving kunnen vervullen, dat het praktisch niet mogelijk is om deze concreet op te sommen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Spelen om geld op de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.19 beoogt de negatieve verschijnselen te bestrijden die in het algemeen gepaard gaan met het spelen om geld op of aan de weg: voorbijgangers worden gehinderd in hun bewegingsvrijheid, de toegankelijkheid van winkels en woningen wordt belemmerd, ruzies of vechtpartijen worden in de hand gewerkt. Ook kan het spelen om geld criminele vormen aannemen (zoals met \"balletje-balletje\" het geval kan zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling richt zich niet alleen tegen de spelers maar ook tegen degenen die de verboden activiteiten ondersteunen door bijvoorbeeld op de uitkijk te staan en voor de komst van de politie te waarschuwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan de burgemeester aan personen die het speelverbod herhaaldelijk overtreden een bevel tot verwijdering van maximaal twee weken uit een daartoe aangewezen gebied geven. Conform de handelwijze die wordt gevolgd bij het opleggen van verblijfsverboden in overlastgebieden kan de burgemeester ook hier op grond van politierapporten een verblijfsontzegging opleggen, mits uit deze rapporten voldoende overtuigend blijkt dat het speelverbod binnen een jaar twee keer is overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Slapen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel verbiedt – behoudens ontheffing - het gebruik van de weg als slaapplaats, of het gebruik van tenten, voertuigen, vaartuigen et cetera op of aan de weg of het openbaar water om te slapen of te overnachten. De centrale doelstellingen van het verbod zijn het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het slaapverbod strekt zich ook uit tot vaartuigen, zodat kan worden opgetreden tegen het gebruik van pleziervaartuigen als slaapplaats door drugsverslaafden, zwervers et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid worden woonboten van het verbod uitgezonderd. Door het intrekken van de Wet op de openluchtrecreatie per 1 januari 2008 gelden, afgezien van artikel 2.20, verder geen wettelijke beperkingen meer voor het kamperen buiten kampeerterreinen in de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedelarij is niet strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Omdat bedelen echter wel tot ernstige overlast kan leiden, bijvoorbeeld omdat opdringerig of agressief om geld wordt gevraagd of omdat bedelarij zelfs kan uitmonden in straatroof, bevat artikel 2.21 een verbod om te bedelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare fietsverkoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt normvervaging en verloedering van het straatbeeld door de verkoop en heling van gestolen fietsen tegen te gaan. Op grond van deze bepaling is het niet mogelijk fietsen op of aan de openbare weg voor de verkoop aan te bieden of om ze te kopen. Het verbod richt zich zowel tot de verkoper als de koper.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedrijfsmatige handel in fietsen is in het tweede lid van het verbod uitgezonderd. Onder “bedrijfsmatig” wordt verstaan hetgeen het normale spraakgebruik daaronder verstaat, te weten de handel in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit vindt doorgaans plaats op een markt of in een winkel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanpak van grootschalige, bedrijfsmatige handel in gestolen fietsen moet worden teruggegrepen op het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is de APV-bepaling niet geschreven. Deze beoogt incidentele, niet-bedrijfsmatige, (ver)koop van gestolen fietsen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de formulering van het derde lid is gedacht aan bijvoorbeeld Koninginnedag. Het moet dan mogelijk zijn dat particulieren op de vrijmarkt fietsen (ver)kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzingsbevoegdheid komt vanwege het verband met de openbare orde aan de burgemeester toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">Veerponten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt de orde op veerponten. Een vergelijkbare regeling is opgenomen in artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000, die werkingskracht krijgt als tot aanbesteding van het veervervoer zou worden overgegaan (artikel 7 Besluit personenvervoer 2000). In dat geval treedt de APV-bepaling terug. Het tweede lid voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast artikel 2.23 kan ongewenst gedrag van passagiers (bijvoorbeeld roken) worden verboden in een huishoudelijk reglement voor de veerponten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Preventie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.24 strekt tot uitvoering van artikel 151c Gemeentewet, dat het mogelijk maakt om bij verordening de burgemeester de bevoegdheid te geven op openbare plaatsen cameratoezicht uit te oefenen. De burgemeester wijst de plaatsen aan waar het toezicht wordt uitgeoefend en bepaalt, na overleg met de officier van justitie, de plaatsingsduur van de camera’s en de periode waarin de beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling ziet op cameratoezicht in het belang van de openbare orde, waaronder wordt begrepen het voorkomen van strafbare feiten die nadelige invloed hebben op de orde en rust in de samenleving. Onder omstandigheden kunnen de opgenomen beelden ook worden gebruikt voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling heeft een exclusief karakter, dat wil zeggen dat alleen op de in de Gemeentewet omschreven wijze kan worden overgegaan tot langdurige plaatsing van vaste camera’s in het belang van de openbare orde. Andere vormen van cameratoezicht die ter handhaving van de openbare orde worden uitgeoefend, zoals kortstondig of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen of grootschalige ordeverstoringen, vallen niet onder deze regeling. De bevoegdheid hiervoor kan worden ontleend aan artikel 2 Politiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt evenmin voor situaties waarin camera’s voor bewakingsdoeleinden ter beveiliging van bijvoorbeeld panden en terreinen in de openbare ruimte zijn geplaatst. Hierop ziet artikel 2.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip openbare plaats is ontleend aan de Wet openbare manifestaties, die hieronder verstaat een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat een plaats openstaat voor het publiek houdt in dat in principe iedereen vrij is om daar te komen, te verblijven en te gaan, zonder dat het verblijf door de rechthebbende aan een bepaald doel is gebonden, of dat voor het betreden van de plaats beperkingen gelden in de vorm van een meldingsplicht, een voorafgaand verlof of een toegangsbewijs. Openbare plaatsen zijn in de eerste plaats de weg en de plaatsen die een daarmee vergelijkbare functie vervullen, zoals plantsoenen, parken en bijvoorbeeld de voor iedereen vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages en winkelgalerijen. Stadions, warenhuizen, postkantoren, kerken en gemeentehuizen zijn daarentegen geen openbare plaatsen in de zin van de WOM. Zie in dit verband ook de toelichting bij de artikelen 2.32 en 2.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verordening kunnen ook andere dan openbare plaatsen, mits zij voor een ieder toegankelijk zijn, worden aangewezen voor het uitoefenen van cameratoezicht (bijvoorbeeld park-and-rideterreinen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming van de privacy</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Het eerste lid gaat een te ruim gebruik van bewakingsapparatuur tegen. Op basis hiervan kan bijvoorbeeld worden gevraagd om een afschermkap aan te brengen op bewakingsapparatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid dient ook ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het verbiedt het begluren van personen vanaf de weg. Het vormt daarmee een aanvulling op artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen) strafbaar stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.26</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In samenhang met artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht heeft artikel 2.26 primair tot doel om met behulp van de in het nachtregister opgenomen gegevens de opsporing en aanhouding van door de politie gezochte personen te vergemakkelijken. Daarnaast beoogt de regeling mogelijk te maken dat statistische gegevens worden verzameld over het toeristische en recreatieve bezoek aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid regelt in aanvulling op artikel 438 Wetboek van Strafecht dat de exploitant van een inrichting een doorlopend register moet bijhouden, dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid ondersteunt de exploitant van de inrichting bij het nakomen van zijn verplichting, door van de bezoeker te verlangen dat hij onmiddellijk bij aankomst opgave doet van een aantal gegevens. Hierbij worden meer gegevens gevraagd dan in artikel 438 Wetboek van Strafrecht zijn opgesomd, namelijk ook de geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit van betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht van de exploitant om de politie inzage in het nachtregister te geven volgt uit artikel 5:20 in samenhang met artikel 5:17 Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan een toezichthouder bevoegd is om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.27</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid beoogt het plegen van misdrijven, zoals diefstal met braak, te bemoeilijken. Het geeft de politie een extra mogelijkheid verdachte personen aan te spreken en de meegevoerde bagage te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een verbod om in de nabijheid van winkels tassen en dergelijke bij zich te hebben die zijn geprepareerd voor het plegen van diefstal. Het voorschrift verhoogt de drempel om van dergelijke voorwerpen gebruik te maken, en kan zodoende een preventief effect hebben bij de bestrijding van winkeldiefstal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reikwijdte van de bepaling beperkt zich tot de openbare weg; in de winkels zelf kan het dragen van tassen en dergelijke door het stellen van huisregels worden verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.28</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2.28 tot en met 2.30 sluiten nauw aan bij de bepalingen inzake helingbestrijding in het Wetboek van Strafrecht. Bij gemeentelijke verordening kunnen –in medebewind- aanvullende regels over dit onderwerp worden gesteld. De handelaar die deze regels overtreedt is ingevolge artikel 437ter, eerste lid Wetboek van Strafrecht, strafbaar met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de derde categorie. Er is voorzien in dezelfde straf voor degene die van opkopen zijn beroep of gewoonte maakt zonder daarvan vooraf de burgemeester of een door hem aangewezen ambtenaar op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het al bij formele wet is geregeld, kan de APV geen eisen stellen met betrekking tot het inkoopregister. Dat kan wel ten aanzien van het verkoopregister. De regels over het verkoopregister vormen een nuttig aanvullend instrument voor de bestrijding van heling. Controle van registerplichten heeft een preventieve werking, vergemakkelijkt de opsporing van gestolen goederen en de aanpak van helers, en levert informatie op over de vragers en de aanbieders op de markt voor ongeregelde goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 geeft een omschrijving van het begrip handelaar. Handelaren in antiek en curiosa zijn tevens handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, zodat zij niet afzonderlijk vermeld hoeven te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van ongeregelde goederen is ontleend aan artikel 437, vierde lid, Wetboek van Strafrecht. Het gaat om goederen die buiten de reguliere kanalen om worden verhandeld. Hiervan is sprake bij het verwerven van of overdragen aan willekeurige onbekenden, dus anders dan van of aan de gevestigde, in de branche geordende leveranciers of handelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het register moet doorlopend zijn, dat wil zeggen: chronologisch bijgehouden met uitsluiting van de mogelijkheid latere inschrijvingen tussen te voegen. Evenmin mag het register onregelmatigheden en gapingen vertonen. De vermelding van de opgesomde gegevens dient ertoe de opsporing van ontvreemde goederen te vergemakkelijken. Elke niet-inschrijving levert een strafbaar feit op. De burgemeester kan een model voor het verkoopregister vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.29</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de handelaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van deze verplichtingen is, zoals onder 2.28 al is uiteengezet, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. De handelaar meldt de uitoefening van zijn bedrijf bij de burgemeester of een door hem aangewezen ambtenaar. Dit kan bijvoorbeeld de chef zijn van het politiedistrict waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Deze kan uiteraard de melding door de in het district werkzame ambtenaren laten opnemen en verwerken. Verstrekt worden gegevens als het woon- en ondernemingsadres en een pasfoto van de handelaar. De ervaring heeft geleerd dat dit voor de helingbestrijding van groot belang is. Het vierde lid draagt de handelaar op om de politie direct in kennis te stellen van een redelijk vermoeden, dat een hen aangeboden goed van misdrijf afkomstig is. De handelaar moet hierin het initiatief nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt de opsporing van gestolen goederen mogelijk te maken en te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is de bewaartermijn van een opgekocht goed op drie dagen gesteld om de handel niet al te zeer te belemmeren. Niettemin kan het in bepaalde gevallen nodig blijken om deze termijn te verlengen, zodat beter kan worden achterhaald of bij een handelaar aangetroffen zaken van misdrijf afkomstig zijn. Daarom is in het tweede lid de bevoegdheid gegeven om de bewaartermijn tot maximaal veertien dagen te verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-174\"><span class=\"lf-art-num\">Art 2.31</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.31 wordt het de exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar in dat bedrijf welke zaak dan ook verwerft, voorhanden heeft of op enige wijze overdraagt. Vanwege de geadresseerden van het verbod (de exploitant en de leidinggevende) strekt artikel 2.31 niet ter uitvoering van de artikelen 437 en 437ter Wetboek van Strafecht. Het berust dus op de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad en de strafbaarstelling is geregeld in artikel 6.1 APV.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden en evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.32</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare manifestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wet openbare manifestaties (WOM) is van toepassing op activiteiten die vallen onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet, namelijk betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, voor zover die worden gehouden op openbare plaatsen. De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen, dat wil zeggen uitingen van meer dan twee personen. De WOM kent bepaalde bevoegdheden toe aan de gemeenteraad en de burgemeester namelijk het hanteren van een kennisgevingstelsel, het geven van aanwijzingen, en - in het uiterste geval - het beëindigen van een manifestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2.32 en 2.33 geven nadere invulling aan het doen van een kennisgeving van een voorgenomen openbare manifestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM aan de burgemeester uitsluitend repressieve bevoegdheden toe. Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. De gedachte hierachter is dat voor manifestaties op niet-openbare plaatsen een terughoudende opstelling vooraf van de overheid op haar plaats is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WOM definieert wat een openbare plaats is: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat wil zeggen dat een ieder in beginsel vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Op een zodanige plaats is het verblijf niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden. Op grond hiervan kunnen bij voorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als openbare plaatsen worden aangemerkt, maar wel openbare wegen, pleinen, speelweiden, parken, en de voor ieder vrij toegankelijke gedeelten van bijvoorbeeld overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen en vliegvelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn allerlei activiteiten op of aan de weg die geen manifestaties zijn in de zin van de WOM. Deze worden aangeduid met de verzamelterm \"evenementen\". Het gaat daarbij om activiteiten die erop gericht zijn publiek aan te trekken of die feitelijk tot allerlei samenkomsten op of aan de weg leiden, zie de artikelen 2.40 en volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de in het tweede lid opgenomen verplichting is strafbaar gesteld in de WOM. Op grond van die wet kan de burgemeester onder omstandigheden de manifestatie verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is van de kennisgevingsplicht uitgezonderd een manifestatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de WOM. Het gaat hierbij om regelmatige samenkomsten op vooraf bepaalbare tijdstippen van kerkgenootschappen en dergelijke, waarbij met een eenmalige kennisgeving kan worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid heft de genoemde verplichting -en dus de strafbaarstelling- op, als naar het oordeel van de burgemeester van bijzondere omstandigheden sprake is, bijvoorbeeld bij een spontane publieke samenkomst naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Wel geldt dan de verplichting onverwijld mondeling kennis te geven van de manifestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke manifestatie is als een betoging op te vatten, omdat volgens de jurisprudentie van een betoging sprake is, wanneer een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep erop uit is een mening uit te dragen. Bij deelneming van twee personen kan al sprake zijn van een collectieve uiting. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het element van de meningsuiting moet voorop staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het uitdragen van de mening op de achtergrond raakt en dwangmiddelen jegens de overheid of derden domineren, bij voorbeeld bij blokkades van wegen, is grondwettelijke bescherming niet aan de orde: demonstreren mag, blokkeren mag niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV is geen verbodsbepaling voor manifestaties opgenomen. Een demonstratie of betoging kan slechts op grond van de WOM door de burgemeester worden verboden. Volgens jurisprudentie is er bij voorbeeld reden voor een verbod wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen. De enkele omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of tegendemonstraties uitlokt biedt dus onvoldoende basis voor een verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbod kan ook worden gegeven als de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan of de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen in strijd met het verbod is strafbaar ingevolge artikel 11 van de WOM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.33</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving manifestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kennisgeving bevat ten minste de in het eerste lid genoemde gegevens. Onder omstandigheden kan het nodig zijn dat nog andere gegevens moeten worden overgelegd. Het bewijs van kennisgeving vormt voor de organisator het bewijs dat hij aan zijn wettelijke verplichting heeft voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.34</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving optocht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Optochten zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten en parades kunnen doorgaans niet worden gezien als een middel tot het uiten van een mening, gedachten of gevoelens, en vallen als zodanig niet onder de bescherming van de Grondwet, het EVRM en de Wet openbare manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn in artikel 2.34 voor het melden van een optocht heeft tot doel de politie en het bestuur voldoende tijd te geven om de route en andere relevante aspecten te toetsen en, waar nodig, in overleg met de organisator, maatregelen te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de Wet openbare manifestaties niet van toepassing is bevatten de artikelen 2.35 en 2.36 de mogelijkheid om voorschriften te stellen aan de te houden optocht of om de optocht te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het houden van een optocht zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, in strijd met gestelde voorschriften dan wel met een opgelegd verbod om de optocht te houden, betekent een overtreding van de APV en is als zodanig strafbaar gesteld in artikel 6.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.37</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving voetbalwedstrijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde overwegingen als bij optochten gelden mutatis mutandis ook voor het verplicht vooraf in kennis stellen van een te houden wedstrijd in het betaald voetbal, voor het verbinden van voorschriften daaraan en voor het opleggen van een verbod om de wedstrijd te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het tweede lid van artikel 2.37 opgenomen afwijkende termijn is bedoeld om in te kunnen spelen op bijvoorbeeld onvoorziene afwijkingen in het speelschema of het houden van een vooraf niet geplande wedstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid om een verbod als bedoeld in artikel 2.39 op te leggen kan bijvoor-beeld gebruik worden gemaakt als de veiligheid van de toeschouwers niet voldoende kan worden gegarandeerd door onvoldoende politiecapaciteit of omdat voor ernstige wanordelijkheden tussen rivaliserende supportersgroepen of relschoppers moet worden gevreesd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.40</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen, van groot tot klein, vervullen een belangrijke functie in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beoordelen of een voorgenomen evenement doorgang kan vinden moet met veel verschillende belangen rekening worden gehouden. Gekozen is voor een vergunningstelsel omdat in dat kader het noodzakelijke vooroverleg, de benodigde advisering van betrokken diensten, de onderlinge afstemming van wensen en voorschriften en mogelijke belangen van derden het best gestalte kunnen krijgen. Door aan de vergunning voorschriften te verbinden kunnen al deze belangen worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel legt de vergunningplicht voor evenementen vast (zie voor uitzonderingen de artikelen 2.41 en 2.42) evenals de termijn die voor het indienen van een aanvraag in acht moet worden genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 174</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentewet kent het toezicht op evenementen exclusief aan de burgemeester toe, vandaar dat de burgemeester het vergunningverlenende orgaan is</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement wordt doorgaans georganiseerd. De vergunning wordt daarom aangevraagd door en verleend aan de organiserende (rechts)persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juist omdat voor evenementen ter voorbereiding vaak een periode van advisering en overleg nodig is tussen ambtelijke diensten en de organisator is voor het indienen van een aanvraag een termijn van ten minste acht weken voor de aanvang vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dient de organisator de aanvraag te laat in, dan loopt hij het risico dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht stelt regels ter zake. De burgemeester kan voor eenvoudige evenementen van de gestelde termijn afwijken. Ook kan hij voor bijzondere evenementen een afzonderlijke aanvraagtermijn vaststellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen zoals de Uitmarkt, Koninginnedag, Gay Pride, de marathon van Amsterdam en Sail.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-176\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2.41</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht eendaagse evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalige evenementen vallen niet onder de vergunningplicht van artikel 2.40 mits wordt voldaan aan de in het eerste lid genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld is om de vergunningplicht niet te hanteren voor kleine evenementen die van weinig of geen invloed zijn op de omgeving, in beginsel vrijwel altijd worden toegestaan en waarvoor standaardvoorschriften kunnen gelden. De administratieve lasten voor de organisator worden hiermee gereduceerd evenals de bestuurlijke lasten voor het stadsdeel dat de evenementenvergunning namens de burgemeester verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder a: ‘op enig moment’ impliceert dat het denkbaar is dat er, gerekend over de hele duur van het evenement, in totaal meer dan 100 bezoekers zijn geweest mits deze maar niet allemaal op hetzelfde moment aanwezig zijn; onder ‘bezoekers’ worden ook ‘deelnemers’ verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder b: als een evenement plaatsvindt op zondag vóór 13.00 uur is volgens de Zondagswet een ontheffing van de burgemeester nodig; ingeval bij het evenement zoals de wet dat formuleert ‘zonder strikte noodzaak gerucht wordt verwekt dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is’ is ook ná 13.00 uur ontheffing vereist; dit laatste zal geen rol spelen bij evenementen waarbij met een kennisgeving kan worden volstaan omdat in dat geval geen versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht die een dergelijk bereik heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder c: zodra de rijbaan wordt afgezet voor een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig; bij een klein evenement dat niet wordt gehouden in een drukke straat zal dit in het algemeen weinig problemen geven; vindt het evenement plaats op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten; als richtlijn wordt hierbij 1.50m aangehouden.0 Eerste lid onder d: deze norm wordt regelmatig gesteld bij vergunningplichtige evenementen waarbij versterkte muziek ten gehore wordt gebracht en verschaft helderheid indien handhaving toch nodig is. Een gevelbelasting van 70 dB(A) wordt als acceptabel beschouwd omdat hiermee, rekening houdend met een gemiddelde gevelisolatie van 20 dB(A), de verstaanbaarheid binnen in de woningen niet in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overschrijding met 20 dB(A) van de geluidsnormen die de Wet milieubeheer kent voor geluidsbelasting, afkomstig van reguliere bedrijven, op de gevels van woningen wordt voor evenementen als acceptabel gezien het kortstondige en incidentele karakter ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder e: bedoeld worden objecten zoals een kleine partytent, waaronder wordt verstaan een aan één of meer zijden open tent met een maximaal vloeroppervlak van 10 m², een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen en dergelijke; om de kleinschaligheid van het evenement te waarborgen is het maximaal toegestane aantal voorwerpen op twee gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder f: als dergelijke zaken wel te koop worden aangeboden is hiervoor toestemming nodig op grond van de Drank- en Horecawet respectievelijk de Verordening op de straathandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder g: onder ‘commercieel’ wordt in dit verband verstaan het maken van reclame die is bedoeld om het evenement onder de aandacht te brengen van anderen dan buurtbewoners, verenigingsleden et cetera en die is gericht op het aantrekken van belangstellenden van buiten; dat laatste geeft het evenement een commercieel karakter en daarvoor blijft een vergunning verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in de praktijk niet altijd gemakkelijk om aan te geven wanneer sprake is van buurtgebonden of verenigingsgebonden en wanneer niet meer. Relatief gemakkelijk is aan te geven wanneer dat wel het geval is: zo zal een barbecue zich meestal tot de eigen straat beperken en zal een klein buurtfestival waarschijnlijk een iets grotere radius hebben terwijl een roeiwedstrijd met name door leden van de roeivereniging en hun aanhang zal worden bezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de bepaling vallen eveneens kleinschalige evenementen met een besloten karakter waarvan het voor buitenstaanders duidelijk en zichtbaar moet zijn dat het evenement alleen toegankelijk is voor genodigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid benadrukt het belang dat de burgemeester tijdig in kennis wordt gesteld van het voornemen om een klein evenement te organiseren. Het betrokken stadsdeel en de hulpdiensten zijn op die manier op de hoogte waar en wanneer er iets in de openbare ruimte wordt georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een termijn van minstens twee weken wordt hiervoor voldoende geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkende termijn voor een evenement op het openbare water (derde lid) wordt ingegeven door de noodzaak om het scheepvaartverkeer door middel van de scheepvaartberichten ruimschoots van te voren op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften die de burgemeester kan stellen in verband met een ordelijke en veilig verloop van een evenement of ter voorkoming van hinder en overlast voor derden kunnen zowel algemene voorschriften zijn die betrekking hebben op alle kleine evenementen als specifieke voorschriften die zijn toegesneden op bepaalde categorieën evenementen zoals barbecues of buurtfestivals.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig kan het evenement in het belang van openbare orde, gezondheid en veilig-heid of in geval van uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte worden verboden (vijfde lid). Samenloop met gelijktijdige andere gebeurtenissen in de openbare ruimte of slechte ervaringen met een eerder evenement worden hier als voorbeeld genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het zesde lid bedoelde beperkingen kunnen zowel gelden voor gebieden of straten waarin slechts beperkt of helemaal geen evenementen mogen plaatsvinden als voor bepaalde periodes in het jaar waarvoor dit het geval is. Deze beperkingen worden per stadsdeel vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen in strijd met het verbod als bedoeld in het zevende lid is een overtreding van de APV en is als zodanig strafbaar gesteld in artikel 6.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.42</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht op evenemententerrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzien is in de mogelijkheid om geschikte locaties aan te wijzen waar de vergunningplicht eveneens wordt vervangen door een kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van een aangewezen plaats kunnen ook algemene regels worden vastgesteld. Omdat iedere plek zijn eigen specifieke lokale omstandigheden kent zijn hiervoor geen stadsbreed geldende regels opgesteld; de aanwijzing van bijvoorbeeld het Amstelveld verschilt nu eenmaal van een terrein in het Flevopark.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwel altijd zal maatwerk nodig zijn: aantal bezoekers, aard van de evenementen, geluidbelasting, het gewenste aantal keren per maand of per seizoen et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">De te maken keuzes hierbij zullen per stadsdeel kunnen verschillen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.43</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming van weigeringsgronden geeft aan welke belangen door de evene­mentenvergunningplicht worden gediend. Bij de vergunningverlening kan een integrale afweging van de bij het evenement betrokken belangen plaatsvinden. Daarbij kan het beslag dat het evenement legt op de inzet van hulpdiensten worden meegewogen. Naarmate het evenement een meer commercieel karakter krijgt is het minder vanzelfsprekend dat voor het evenement (gratis) overheidsdiensten worden verleend, zoals het reinigen van de weg na afloop. Bij evenementen die een meer algemeen belang vertegenwoordigen, zoals herdenkingen, kan de afweging anders liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonodig kan een hierop afgestemd beleid worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht geldt ook voor evenementen op het water. Om elk misverstand uit te sluiten is de belemmering van het scheepvaartverkeer als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.44</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de in artikel 2.43 genoemde belangen kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in het algemeen mogelijk om -hetzij als voorwaarde voor het verkrijgen van een vergunning hetzij als vergunningvoorschrift- financiële voorwaarden aan een vergunning te verbinden, mits deze het belang dienen waarvoor de vergunningeis geldt en de wet geen andere methoden voorschrijft om het beoogde resultaat te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat een borgsom kan worden verlangd om de nakoming van de vergunningvoorschriften te verzekeren. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor het herstel van de eventuele schade die het evenement aan openbare voorzieningen heeft veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.45</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.45 worden zoveel mogelijk andere gemeentelijke vergunningplichten die van toepassing zijn op het evenement en het evenemententerrein bij de aanvraag betrokken. De organisator ontvangt één geïntegreerde vergunning voor het hele evenement. Het woord vergunningen moet in dit verband ruim worden opgevat, ook ontheffingen en andere toestemmingen vallen hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voorwerpen op de weg zoals podia met de daarbij behorende voorschriften wordt aldus in de evenementenvergunning geregeld evenals bijvoorbeeld het (tijdelijk) innemen van een staanplaats op het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpak leidt tot een vergaande vereenvoudiging van procedures. Het belang van de organisator wordt hiermee gediend: zijn aanvraag wordt in haar geheel behandeld. Ook is gebleken dat organisatoren behoefte kunnen hebben aan meer armslag om tot de gewenste invulling van het evenement te komen, bijvoorbeeld door het maken van afspraken met derden. Daardoor kan hij in bepaalde gevallen meer inkomsten genereren ten behoeve van de organisatie. Dit heeft voor de gemeente het voordeel dat in redelijkheid meer eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van de door de organisator te treffen voorzieningen, bijvoorbeeld met betrekking tot het schoonhouden en schoonmaken van het evenemententerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het evenemententerrein zijn activiteiten van anderen dan die van de evenementvergunninghouder verboden, ook al zouden zij op grond van een vergunning ingevolge de APV of een andere gemeentelijke verordening mogen worden uitgeoefend. Het kan immers zijn dat die activiteiten strijdig zijn met de opzet, de aard of de organisatie van het evenement. Als dat niet het geval is, kunnen die activiteiten alleen worden uitgeoefend als zij in de vergunning worden vermeld en de betrokkenen zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen in de evenementenvergunning na te leven. In dat geval is voor hen geen afzonderlijke vergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangen van gevestigde vergunninghouders op het evenemententerrein moeten waar mogelijk worden gerespecteerd. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de organi-sator om hiervoor te zorgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.46</span><span class=\"lf-art-t\">Behoud privaatrechtelijke bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.46 geeft aan dat het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden van de gemeente bij een evenement op zichzelf geen doorkruising betekent van de publiekrechtelijke regeling in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dan ook mogelijk dat bij overeenkomst nadere (al dan niet financiële) voorwaarden worden gesteld aan het gebruik van de gemeentegrond als evenemententerrein Dit kan vooral bij commerciële evenementen van belang zijn. De vergunningplicht in de APV staat hieraan niet in de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.47</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.47 bevat een vergunningstelsel met betrekking tot voor het publiek toegankelijke gebeurtenissen die in een gebouw, tent of vaartuig worden gehouden. Hierdoor wordt voor zaken als houseparties, dancefeesten, overdekte markten, laserdoolhoven en dergelijke een regelingskader in het leven geroepen, onder andere om de belangen die met de leefbaarheid en veiligheid samenhangen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Film- theater- en muziekvoorstellingen zijn van de vergunningplicht uitgezonderd als zij worden gehouden in gebouwen die daarvoor specifiek zijn bestemd of in hoofdzaak worden gebruikt (bioscopen, theaters concertzalen en dergelijke). Ook voor het houden van openbare manifestaties en sportwedstrijden in gebouwen is geen evenementenvergunning nodig. Hiervoor gelden doorgaans andere wettelijke regelingen waarin de omgevings- en veiligheidsbelangen bescherming krijgen zoals de Wet milieubeheer en de regeling omtrent het brandveilig gebruik van gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen die plaatsvinden in horecabedrijven vallen op grond van het tweede lid, onder d, buiten de vergunningplicht voor zover zij in het kader van de uitoefening van het desbetreffende bedrijf gebruikelijk zijn. Onder het begrip horecabedrijven vallen, gelet op de ruime definitiebepaling in de APV, niet alleen inrichtingen in de gebruikelijke betekenis van het woord, zoals cafés, restaurants en discotheken, maar bijvoorbeeld ook sport- en congrescentra met horecafaciliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijstelling van de vergunningplicht voor het houden van sportwedstrijden binnen gebouwen kan op gespannen voet komen te staan met andere belangen zoals openbare orde en veiligheid. Zo wijst de praktijk uit dat er bij sommige grootschalige vechtsportevenementen zoals freefight- en kickboxgala's een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. Daarom is de mogelijkheid in de APV opgenomen om het organiseren van dergelijke evenementen van de vrijstelling in het tweede lid onder c uit te zonderen. Om te vermijden dat er meer vechtsportwedstrijden onder de vergunningplicht komen te vallen dan wenselijk is, is voorzien in een bevoegdheid die aan de burgemeester wordt toegekend om de categorieën aan te wijzen waarvoor de vergunningplicht geldt. De niet aangewezen categorieën blijven dan automatisch vrijgesteld van de vergunningplicht. De organisator van een evenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving daarvan. De eis van het levensgedrag wordt hier gesteld om te kunnen toetsen of de organisator van een dergelijk evenement op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan deze verantwoordelijkheid te voldoen. De burgemeester weigert de vergunning dan ook als deze toets negatief uitvalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.48</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op ordeverstorend gedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de voorafgaande artikelen die in eerste instantie zijn gericht tot de organisator van een evenement ziet dit artikel op de bezoekers van een evenement en verbiedt hen om gedrag te vertonen dat een goed verloop van een evenement, een optocht of een voetbalwedstrijd hindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet openbare manifestaties regelt dit voor manifestaties.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Uitoefenen beroep op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.49</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest en muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.49 wordt het op straat optreden geregeld van mimespelers, goochelaars, jongleurs, muziek- en zanggroepen, straattekenaars, theatergroepen et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een belangrijk deel vallen deze vormen van expressie onder de bescherming van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Op grond hiervan kan geen voorafgaand verlof worden gesteld aan het uiten van gedachten of gevoelens -anders dan via de drukpers- wegens de inhoud daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling in de APV heeft geen betrekking op de inhoud van de uiting. Gereguleerd wordt alleen de verspreiding van de activiteiten over de stad om overlast te voorkomen. De aspecten inhoud en verspreiding zijn in de praktijk moeilijk los van elkaar te zien. Een verbod op een bepaalde plaats betekent in feite dat daar geen uiting kan plaatsvinden. Voorop staat daarom dat er voldoende ruimte voor deze activiteiten moet overblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het belang van de vrijheid van expressie leveren straatartiesten ook een bijdrage aan een veelzijdig en aantrekkelijk stadsleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om plaatsen en tijden aan te wijzen waar optredens voor straatmuzikanten en straatartiesten verboden zijn; gedacht hierbij kan worden aan zeer drukke plaatsen in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de rest van de stad geldt een vergunningplicht voor het optreden van straatartiesten. Hierop worden in het derde lid belangrijke uitzonderingen gemaakt: het optreden is vergunningvrij mits met maximaal zes personen wordt opgetreden, een optreden niet langer duurt dan een half uur (exclusief 10 minuten voor het opbouwen van een straatact), niet na 23.00 uur wordt opgetreden en geen gebruik wordt gemaakt van draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten. Het criterium een half uur achtereen op dezelfde plaats geeft aan dat een optreden niet tussentijds een of meerdere keren mag worden onderbroken om het vervolgens voort te zetten totdat de totale speeltijd van een half uur is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder moet voor een volgend optreden een afstand van minimaal 100 meter in acht worden genomen. Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan is nog steeds een vergunning nodig. Het vijfde lid maakt het mogelijk om op te treden in gevallen waarin steeds van samenstelling wisselende gezelschappen elkaar op dezelfde locatie afwisselen en vervolgens hetzelfde soort repertoire ten gehore brengen. Het zesde lid geeft de burgemeester de mogelijkheid om op daartoe aangewezen plaatsen maxima te stellen aan het aantal optredens en desgewenst te differentiëren naar het soort artiesten en muzikanten; de bepaling is bedoeld om enige regulering te kunnen toepassen voor locaties die erg in trek zijn bij artiesten en muzikanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan is nog steeds een vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwegingsgronden bij het verlenen van de vergunning zijn gelijk aan die van de evenementenvergunning (zie artikel 2.43).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.50</span><span class=\"lf-art-t\">Diensten op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om het weren van commerciële activiteiten die er uit bestaan om in de openbare ruimte allerlei diensten aan te bieden. Vaak wordt dit door het publiek als hinderlijk ervaren. Daarnaast kunnen deze activiteiten onevenredig veel ruimte in beslag nemen ten koste van andere functies van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regulering is daarnaast bedoeld om negatieve gevolgen voor de openbare orde te voorkomen bijvoorbeeld als gevolg van onderlinge concurrentie en passanten die laten blijken niet gediend te zijn van de vaak bij verrassing opgedrongen diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming van beroepen en bedrijven onder a en b van het eerste lid strekt ter verduidelijking van het soort activiteiten dat onder het verbod valt en heeft derhalve geen limitatief karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het verbod in het tweede lid wordt om dezelfde redenen het buiten de reguliere kanalen om verkopen van entreebiljetten tegengegaan, bijvoorbeeld bij voetbalwedstrijden of popconcerten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzingsbevoegdheid in het derde lid biedt de mogelijkheid restricties te stellen aan de door velen als hinderlijk ervaren praktijk om in winkelstraten en op andere drukke punten voorbijgangers aan te spreken om hen bijvoorbeeld te bewegen een abonnement op een krant of tijdschrift te nemen, mee te doen aan een enquête, of lid of donateur te worden van een organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot artikel 2.49 gaat het in artikel 2.50 niet om vertoningen of vermakelijkheden, maar primair om commerciële activiteiten waarbij het element van vrije expressie ontbreekt of een ondergeschikte rol speelt. Dit verschil verklaart waarom het tot uitvoering bevoegde bestuursorgaan in artikel 2.50 verschilt van dat van artikel 2.49.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.51</span><span class=\"lf-art-t\">Personenvervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel biedt een regelingskader voor de fietstaxi en andere vormen van commercieel personenvervoer, zoals de paardenkoetsjes, dat hoofdzakelijk in het centrumgebied wordt uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de in het eerste lid gebruikte woorden “als ondernemer” wordt expliciet gemaakt dat de vergunningeis geldt voor de exploitant en niet voor de bestuurders, koetsiers of onder welke benaming de voertuigen ook worden bestuurd. De ondernemer kan immers via de exploitatievergunning en de bijbehorende voorschriften op de verrichtingen van zijn personeel worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt de bepaling afgegrensd van de Wet personenvervoer. De regeling in de APV ziet dus niet op taxivervoer per auto of enige andere vorm van betaald personenvervoer waarover bij of krachtens deze wet voorschriften zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid zijn de belangen genoemd die de vergunningplicht beoogt te dienen. In verband hiermee kunnen bijvoorbeeld voorschriften over het te gebruiken soort voertuigen in de vergunning worden opgenomen. Met het vergunningensysteem kan zo nodig een volumebeleid worden gevoerd, waarbij grenzen kunnen worden gesteld aan het aantal vergunningen dat voor een bepaalde vorm van personenvervoer wordt uitgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de aanwijzingsbevoegdheid in het vierde lid kan het innemen van staanplaats op bepaalde plaatsen worden verboden, bijvoorbeeld daar waar dit bezwaar zou opleveren in verband met de verkeersveiligheid of het beslag op de openbare ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.52</span><span class=\"lf-art-t\">Inzamelingen van geld of zaken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bedoeling van deze bepaling is om een zekere regulering tot stand te brengen van de inzamelingsacties voor goede doelen waarbij een beroep wordt gedaan op de liefdadigheidszin van de burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vergunningenbeleid gaat het gemeentebestuur uit van het jaarlijks door het Centraal Bureau Fondsenwerving opgestelde (landelijke) collecteplan. Dit vormt de leidraad voor het plaatselijke collecterooster. Alle gemeenten zijn aangesloten bij genoemd bureau, dat de activiteiten van de instellingen toetst. Alleen bonafide instellingen worden vermeld op het collecteplan. Instellingen die niet in het collecteplan voorkomen, zijn aangewezen op de in dit plan opengelaten vrije collecteperioden. Volgens jurisprudentie mag het gemeentebestuur alleen om zwaarwegende redenen van het plan afwijken. Daarom is in het vierde lid een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen en is de vergunningplicht voor de in het plan opgenomen instellingen geschrapt. Desgewenst kan het college voorschriften aan de vrijstelling verbinden, zoals een meldingsplicht en een legitimatieplicht voor de geldinzamelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om van een openbare inzameling te kunnen spreken is voldoende dat deze aan de weg of van de weg af zichtbaar is of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling ziet op de inzameling van geld en andere zaken. Er zijn namelijk ook acties die zich richten op de inzameling van bijvoorbeeld kleding. Ook als een inzameling beperkt is tot het op intekenlijsten zetten van een naam kan van een openbare inzameling sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling beoogt te bewerkstelligen dat bonafide instellingen die inzamelen buiten het landelijke collecteplan voldoende aan hun trekken kunnen komen. Een goede spreiding over het jaar en het voorkomen van overlast door te veel inzamelingen vormen hierbij toetsingscriteria. Het college is verder gehouden zich er van te vergewissen dat misbruik zoals het gebruik van de ingezamelde gelden en zaken voor eigen gewin wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen worden alleen rechtspersonen toegelaten. Een inzameling die gericht is op het inzamelen van geld of zaken ten behoeve van een persoon is geen inzameling in de zin van het artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het tweede lid blijkt dat als bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet meebrengt dat voor de inzameling geen vergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens jurisprudentie komt deze bepaling niet in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het tweede lid maakt immers uitsluitend het houden van een openbare inzameling van een vergunning afhankelijk, niet het aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit wordt door de bepaling onverlet gelaten. Wordt met andere woorden een aanvraag om een collectevergunning geweigerd en was de aanvrager voornemens om bij de inzameling gedrukte stukken te verspreiden, dan blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het om een regeling over het collecteren gaat en niet om een regeling over het venten of colporteren met gedrukte stukken blijkt mede uit de zinsnede: \"…als daarbij de indruk wordt gewekt dat de opbrengst is bestemd voor een liefdadig of ideëel doel…\".</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid zijn uitgezonderd inzamelingen die in besloten kring worden gehouden. Daarmee worden situaties bedoeld waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon een bepaalde band bestaat bijvoorbeeld in kerkelijk verband of binnen een vereniging, welke band de achtergrond vormt van de actie. Het risico van misbruik is dan niet of nauwelijks aanwezig. Het bedoelde verband is nauwer dan alleen het bestaan van een gemeenschappelijk (papieren) lidmaatschap. Het begrip besloten kring veronderstelt een zekere bekendheid met elkaar. Een dergelijke inzameling zou in theorie in het openbaar, bij voorbeeld huis aan huis, kunnen plaatsvinden, maar is dus ingevolge het derde lid van de vergunningplicht uitgezonderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.53</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling biedt de mogelijkheid het verspreiden van gedrukte of geschreven stukken te verbieden op plaatsen waar dat bijvoorbeeld hinderlijk is voor het publiek, de doorstroming van het (voetgangers)verkeer belemmert of leidt tot vervuiling van de omgeving door weggeworpen papier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt uiteraard niet voor het huis-aan-huis verspreiden of bezorgen van gedrukte en geschreven stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gaat om via de drukpers geopenbaarde gedachten of gevoelens, valt het op straat aanbieden en uitgeven van gedrukte stukken als een zelfstandig middel van bekendmaking onder de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Dit betekent dat de verspreiding van stukken die gedachten of gevoelens bevatten niet aan voorafgaand verlof van de gemeente mag worden onderworpen. Evenmin mogen beperkingen aan de bekendmaking worden gesteld vanwege de inhoud van de stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel mogen beperkingen in plaats of tijd aan de verspreiding worden opgelegd in het belang van onder andere de openbare orde, het bestrijden van overlast, de gezondheid of een andere zaak die de huishouding van de gemeente aangaat, mits die beperkingen niet zover gaan dat van het middel van bekendmaking geen gebruik van enige betekenis meer kan worden gemaakt. Anders komt de beperking in feite neer op een algemeen verbod. Het is dan ook niet toegestaan om bijvoorbeeld een heel stadsdeel aan te wijzen als een plaats waar het verspreiden van stukken verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere bepalingen dan artikel 2.55 op het verspreiden van gedrukte stukken van toepassing zijn. Zo valt het verspreiden van gedrukte handelsreclame op straat onder het verbod van artikel 4.12, en wordt het aanbieden en verkopen van gedrukte stukken in het kader van de uitoefening van de ambulante handel geregeld in de Verordening op de straathandel 2008. Op grond van artikel 5.5 van die verordening kunnen door het college plaatsen en tijden worden aangewezen waar het venten met gedrukte stukken verboden is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. Exploitatie van bedrijven</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden. Daarnaast is een tweedeling gemaakt in algemene begripsomschrijvingen (zie artikel 3.1, eerste lid) en bijzondere begripsomschrijvingen (zie artikel 3.1, tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 eerste lid onder a Bedrijf De omschrijving bevat een opsomming van alle vormen van bedrijvigheid die in dit hoofdstuk worden gereguleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 eerste lid onder b Bezoekers De omschrijving is in overeenstemming met die van de modelverordening van de VNG. Het woord \"huishouding\" is toegevoegd om ook samenwonende partners onder de omschrijving te brengen. De omschrijving heeft als doel om in geval van twijfel nauwkeurig te kunnen bepalen, of de vergunninghouder of de bezoekers in overtreding zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het criterium van \"dringend noodzakelijke aanwezigheid\" is hanteerbaar; de omschrijving heeft als doel uit te sluiten dat bijvoorbeeld een monteur in overtreding zou zijn. In de praktijk is een overtreding van de sluitingstijden doorgaans gemakkelijk constateerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 eerste lid onder c Exploitant In het hele hoofdstuk wordt consequent hetzelfde begrip gehanteerd voor vergelijkbare functies. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 eerste lid onder d Leidinggevende In dit hoofdstuk wordt geregeld dat de naam van de leidinggevende verplicht op de vergunning moet worden vermeld. Deze verplichting is opgenomen in het belang van toezicht en controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering vormt de leidinggevende in een alcoholverstrekkend bedrijf omdat dit voor de drankwetvergunning al wordt geregeld in de Drank- en horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In kleine bedrijven is het niet ongebruikelijk dat exploitant en leidinggevende één en dezelfde persoon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het opnemen van de bestuurder van een rechtspersoon in de omschrijving wordt duidelijk gemaakt dat ook degene die op de achtergrond aan de touwtjes trekt onder het begrip leidinggevende wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid Bijzondere begripsomschrijvingen Artikel 3.1 tweede lid onder a en b Alcoholverstrekkend en alcoholvrij bedrijf Deze onderscheiding wordt gemaakt omdat voor deze categorieën verschillende openingstijden in de verordening zijn vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder d Besloten prostitutiebedrijf Deze definitie moet worden gelezen in samenhang met de omschrijving van prostitutiebedrijf (artikel 3.1, tweede lid onder k). Prostitutiebedrijf vormt het kernbegrip en daarnaast benoemt de APV nog een aantal varianten van prostitutiebedrijf, zoals besloten prostitutiebedrijf. Het meest voor de hand liggende voorbeeld van een besloten prostitutiebedrijf is een bordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder c, e en h Dag-, avond- en nachtzaak Deze driedeling voor alcoholverstrekkende bedrijven wordt al sinds de jaren zeventig gehanteerd en is indertijd ingevoerd in nauw overleg met het horecabedrijfsleven en ook zo in stand gebleven. De regelmatig weerkerende discussies over een andere opzet hebben hierin geen echte verandering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de laatste discussieronde in 2005 heeft de gemeenteraad er mee ingestemd dat avond- en nachtzaken hun exploitatie desgewenst mogen aanvangen om 09.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de benamingen avond- en nachtzaak hierdoor minder op zijn plaats lijken is besloten deze ingeburgerde termen voorlopig te blijven hanteren ook al omdat mag worden verwacht dat de exploitatie van deze bedrijven toch in hoofdzaak in de avond en nacht zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder f Escortbedrijf Kenmerkend voor escort is dat de bemiddeling in prostitutie op een andere plek gebeurt dan waar de prostitutie zelf vervolgens plaatsvindt. In deze definitie is verder tot uitdrukking gebracht dat er sprake moet zijn van bedrijfsmatige exploitatie. Er kan overigens in de praktijk op verschillende manieren blijken dat dit het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder g Horecabedrijf De omschrijving van het begrip horecabedrijf komt grotendeels overeen met die van de modelverordening van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de reikwijdte van het begrip horecabedrijf vallen een hotel, restaurant, café, cafetaria, snackbar, discotheek, koffiehuis en aanverwante inrichtingen zoals een afhaalrestaurant, automatiek, ijssalon, ontmoetingscentrum, buurthuis, zalenverhuurbedrijf, kiosk, bistro, crêperie, croissanterie, sociëteit, verenigingsgebouw en sportkantine. Deze opsomming zal nooit volledig zijn aangezien geregeld nieuwe horecaconcepten worden bedacht: cruciaal is dat het gaat om het bedrijfsmatig of in een mate alsof het bedrijfsmatig is dranken worden geschonken en spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt in een voor publiek toegankelijke besloten ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV worden de vaste staanplaatsen voor de ambulante handel waar eetwaren worden bereid en verkocht zoals patates-friteskramen uitgesloten omdat het uitgeven van staanplaatsen op en buiten de markten al apart wordt geregeld in de Verordening op de straathandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder i en j Prostituee en prostitutie Deze definities moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Prostitutie is ruim omschreven; het gaat niet alleen om het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen maar ook om dat wat daaraan vooraf gaat, namelijk het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen. Er is sprake van prostitutie als hier een vergoeding tegenover staat. De term prostituee is sekseneutraal bedoeld, zowel vrouwen als mannen kunnen prostituee zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder k, l en m Prostitutiebedrijf, prostitutiehotel en raamprostitutiebedrijf Prostitutiebedrijf (artikel 3.1, tweede lid onder k) vormt de kernbepaling en daarnaast beschrijft de APV nog een aantal mogelijke varianten van prostitutiebedrijven namelijk besloten prostitutiebedrijf (onder d), prostitutiehotel (onder l) en raamprostitutiebedrijf (onder m). Paragraaf 4.1 bevat regels die onverkort gelden voor alle prostitutiebedrijven en regels die daarnaast uitsluitend van toepassing zijn op een variant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder n, o, p en q Seksautomatenhal, seksbioscoop, seksinrichting en sekstheater Seksinrichting (artikel 3.1, tweede lid onder p) vormt het kernbegrip. Deze definitie bestaat uit een opsomming van drie mogelijke seksinrichtingen. Bij alle varianten van seksinrichtingen - seksautomatenhal (onder n), seksbioscoop (onder o) en sekstheater (onder q)- gaat het steeds om het geven van voorstellingen van erotisch-pornografische aard. De inhoud van die voorstellingen en de wijze waarop en de middelen waarmee ze worden gegeven kunnen uiteenlopen. Paragraaf 4.3 bevat vervolgens de regels die gelden voor seksinrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder r Sekswinkel De definitie van sekswinkel vermeldt “uitsluitend of hoofdzakelijk” om zo te benadrukken dat de verkoop of verhuur van deze artikelen de hoofdactiviteit van het bedrijf is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder s en u Serre en terras Terrassen en serres maken deel uit van een horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor twee aparte omschrijvingen om het onderscheid tussen losse terrassen in de openbare ruimte en geheel overdekte aanbouwen aan horecabedrijven beter aan te geven. Het oude onderscheid tussen niet-seizoengebonden overdekte terrassen en niet- overdekte terrassen leverde in de praktijk de nodige verwarring op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheidende element in de nieuwe omschrijvingen is of het bewuste deel van het horecabedrijf binnen (serre) of buiten (terras) de besloten ruimte van het bedrijf is gelegen. Met besloten ruimte wordt bedoeld de ruimte in het gebouwde perceel waarin het eigenlijke horecabedrijf wordt geëxploiteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een serre kan alleen worden aangebouwd als het bestemmingsplan daarin voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid is verder van belang voor de sluitingstijden en voor het verschil dat op een terras geen etenswaren mogen worden bereid. Zo is een barbecue op een terras niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de omschrijving is het criterium ‘als zodanig herkenbaar' opgenomen om aan te geven dat pas van een terras kan worden gesproken als uit de inrichting hiervan voor derden duidelijk blijkt dat bij het horecabedrijf een terras wordt geëxploiteerd. Dat is het geval door de aanwezigheid van voorwerpen zoals tafels en stoelen, banken, statafels, parasols etc. Dit sluit ook aan bij wat in het spraakgebruik onder een terras wordt verstaan. Dat betekent dat niet gesproken kan worden van een terras als er alleen groepen mensen buiten staan, al dan niet met een consumptie in de hand, zonder dat er in de openbare ruimte voorwerpen zijn geplaatst die het exploiteren van een terras tot doel hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder t Speelgelegenheid In deze definitiebepaling is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om bedrijfsmatige exploitatie van een speelgelegenheid. Het organiseren van zuiver recreatieve spelen waarbij een prijsje kan worden gewonnen valt niet onder de vergunningplicht van de APV. Dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie kan op meerdere manieren blijken. De woorden “winnen en verliezen” geven aan dat er sprake is van inleg van geld, op welke wijze dan ook. Een horecagelegenheid waarin een speelautomaat wordt opgesteld valt overigens niet onder de werking van de regels voor speelgelegenheden (zie de uitzonderingen op de vergunningplicht in artikel 3.53). In de Wet op de kansspelen en de Verordening op de speelautomaten(hallen) wordt de aanwezigheidsvergunning voor een speelautomaat in een horecabedrijf geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 tweede lid onder v Weekeinde De omschrijving is ingevoegd om misverstand uit te sluiten en de bepalingen over de tijdstippen van opening en sluiting korter en leesbaarder te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Algemene bepalingen over bedrijven</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 3.2 tot en met 3.7 zijn van toepassing op alle in dit hoofdstuk genoemde vormen van bedrijven. Daarnaast is voorzien in een paragraaf horeca, een paragraaf prostitutie (plus escort, seksinrichtingen en sekswinkels) en een paragraaf speelgelegenheden, waarin specifiek voor die vormen van bedrijven geldende regels zijn opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegde bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling voorziet in een juiste toedeling van bevoegdheden voor het geval een bedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de burgemeester is belast met het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat als in de APV bevoegdheden worden opgenomen over voor publiek openstaande gebouwen, deze bevoegdheden aan de burgemeester moeten worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen is het college in plaats van de burgemeester het bevoegde orgaan om de bepalingen van het hoofdstuk uit te voeren. Onder uitvoering is mede te verstaan het al of niet besluiten tot toepassing van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheidende criterium is of de inrichting geacht kan worden voor het publiek open te staan. Of aan de toelating beperkingen worden gesteld is niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten sociëteiten zijn doorgaans voor publiek toegankelijk als men lid kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling bevat een algemene weigeringsgrond die geldt voor alle vergunningen die in hoofdstuk 3 staan beschreven. Wanneer de situatie als bedoeld in artikel 3.3 zich voordoet is het bevoegde bestuursorgaan verplicht om de gevraagde vergunning te weigeren. Dat betekent dat er geen ruimte is voor een belangenafweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond van artikel 3.3 is van toepassing naast de eveneens algemene (maar niet verplichte) weigeringsgrond van artikel 1.5 en naast de bijzondere weigeringsgronden die in hoofdstuk 3 voor de verschillende vormen van bedrijven zijn opgenomen in de specifieke paragrafen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Toonplicht vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 1.8 heeft de houder van een vergunning (binnen het kader van hoofdstuk 3 is dat de exploitant van een bedrijf) de plicht om die vergunning op eerste vordering (direct zodra erom is gevraagd) te tonen. Artikel 3.4 legt deze plicht ook op aan de leidinggevende van een bedrijf. De houder van een vergunning is immers niet altijd zelf in het bedrijf aanwezig. De toonplicht houdt tegelijk een draag- of aanwezigheidsplicht in; tonen op eerste vordering is immers alleen mogelijk wanneer de vergunning binnen handbereik is. De reden om te voorzien in deze plicht is het ondersteunen van het toezicht en de handhaving. Het niet-voldoen aan de toonplicht vormt een zelfstandige overtreding van de APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overdraagbaarheid vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning kan een vermogensrecht vertegenwoordigen en economische waarde hebben. Het is echter onwenselijk dat de houder van een vergunning deze kan overdoen aan een ander. Het bestuursorgaan moet bij overgang van een bedrijf op een andere ondernemer een nieuwe vergunningaanvraag kunnen eisen en die op alle relevante aspecten toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9 legt vast dat vergunningen en ontheffingen in het algemeen niet overdraagbaar zijn. Daarnaast regelt artikel 3.5 dat een vergunning voor de exploitatie van een bedrijf ook is gebonden aan het bedrijf waarvoor zij is verleend. Handelen in strijd met de bepalingen betreffende de overdraagbaarheid van een vergunning is een overtreding van de APV en kan bijvoorbeeld leiden tot intrekking van de vergunning. Aanvullend hierop is in paragraaf 4.2 geregeld dat de vergunning voor een escortbedrijf ook nog adresgebonden is.</p></div>", "next": 239986}