{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke vrijstellingen de rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te vervallen. Het gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader 'kenbaar planologisch (nieuw) beleid'. Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20 Bro. Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in wettekst tot uitdrukking. Sub c:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant? Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740, BR 1982, p. 887;</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari 1984, Gst.</p>\n<p class=\"lf-p\">6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus 1985, BR 1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling 'een objectief bepaald, althans bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene waartoe de ontheffing kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot verlening van ontheffing in relatie moet zijn gebracht met een redelijke verwachting dat het bouwplan in overeenstemming zal zijn met 'een voldoende omlijnd, voor alle belanghebbenden kenbaar, toekomstig planologisch kader.' De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo'n 'pseudo-anticipatieregeling' in de bouwverordening niet als onverbindend aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB 1986, 501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996. De afdeling is er in ieder geval steeds van uitgegaan dat het materiële toetsingskader vergelijkbaar moet zijn met het toetsingskader dat wordt gehanteerd bij toepassing van artikel 19 WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO moet men bedenken dat de toepassing ervan zonder voorbereidingsbesluit slechts mogelijk is indien er een geldend bestemmingsplan is dat jonger is dan tien jaar en er bovendien een goede ruimtelijke onderbouwing is gegeven. In eerste instantie moet natuurlijk gedacht worden aan een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een basis vormen. Ook is ander 'vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid', evenals bij de toepassing van artikel 19 WRO, zonder meer mogelijk om de ontheffing op de baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. Nadrukkelijk wordt echter ook ander nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron genoemd. Immers enkel 'vastgesteld en bekendgemaakt beleid' zal verstarrend werken want het kan lang duren voordat zo'n beleid een feit is. Zo kan overeenstemming met een voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale Planologische Commissie heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit laatste spoort immers met de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud) en ook met de eerste uitspraken van lagere rechters inzake het nieuwe artikel 19 WRO (2000). Motivering De eis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' geldt voor de vrijstelling van</p>\n<p class=\"lf-p\">het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van het derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt voor een dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis van een goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch beleid. In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. Er is dus, gezien ook de tekst van artikel 19, lid 3 WRO en artikel 17 WRO, niet gekozen om een 'goede ruimtelijke onderbouwing' te eisen voor de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing. Wel geldt natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de relevante jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over artikel 2.5.29.' Milieuzonering Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders rekening houden met alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Lid 3 Bekendmaking/openbare kennisgeving Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen twee weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende bouwplan kan worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de MBV. Afdeling 3.4 Awb Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in de MBV. Er geldt derhalve geen wettelijke verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex artikel 2.5.29 MBV. Titel 4.1 Awb Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex specialis) hier niet van afwijkt. Horen Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet worden (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de aanvraag te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag betreft. Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de belanghebbende niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van een ontheffing toch wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen van een of meer buren voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval zullen zij gehoord</p>\n<p class=\"lf-p\">moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254). Inspraak Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid 3 WRO. Zienswijzen en fatale termijnen Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb zijn al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks is het inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in het systeem van fatale termijnen van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ontheffingsprocedure moet immers worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van de Woningwet. Zolang echter de aanvraag om een reguliere bouwvergunning kan worden verdaagd, lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het afwikkelen van de ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake hoeft te zijn van fictieve bouwvergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van jurisprudentie (VzARRvS, 25 november 1993 (Delft), BR 1994, p.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">497)</span>geldt echter nog steeds dat een fictieve bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als er geen vrijstelling van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet voorziet in de mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening vereiste vrijstelling van rechtswege wordt verleend. Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de aanvraag. Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet gaan van de rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen worden afgedaan met behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28. Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er geen knelpunten zijn met de termijn van zes weken. Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging en het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent dat het wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een lichte-bouwvergunningprocedure te doorlopen in combinatie met een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV. Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV wordt doorlopen in combinatie met een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase is het van belang dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als gevolg van de nieuwe wettelijke termijn voor het indienen van zienswijzen een beslissing op de bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is. In een dergelijke situatie zullen burgemeester en wethouders tijdig een verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een fictieve bouwvergunning eerste fase ontstaat. Monumenten en stads- en dorpsgezichten Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de MBV analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere categorie aangemerkt. Relatie met de gefaseerde bouwvergunning De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures, de bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de termijnen worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt gemaakt van de verdagingsmogelijkheid. Rechtsbescherming Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning.</div>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in gebouwen Algemeen Op veel plaatsen in Hilversum is de parkeerruimte in de openbare ruimte niet of nauwelijks toereikend. Uitbreiding van openbare parkeerplaatsen is veelal niet, of slechts tegen hoge kosten mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van het Hilversumse beleid is dat in parkeerruimte op eigen terrein moet worden voorzien als een bouwvergunning of ontheffing Wro wordt verleend ten gevolge waarvan de parkeerbehoefte toeneemt. Op deze wijze wordt de toename van de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen primair bij de ‘veroorzaker’ van de parkeervraag gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhavige artikel beoogt aansluiting te zoeken bij het rijksbeleid en bij de landelijke parkeerkencijfers. Zie hiervoor verder bij de toelichting onder lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het eerste lid formuleert de verplichting om voldoende parkeerruimte te realiseren op eigen terrein. Burgemeester en wethouders kunnen beleidsregels vaststellen voor de wijze waarop de parkeerbehoefte berekend wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór deze bouwverordening waren de beleidsregels een bijlage bij de verordening. Deze beleidsregels differentiëren globaal naar stedelijkheidsgraad/bereikbaarheid met openbaar vervoer, waarvoor Hilversum is opgedeeld in drie gebieden (centrum, schil/overloopgebied en rest bebouwde kom). De getallen zijn gebaseerd op de kengetallen van het CROW (landelijke parkeerkencijfers, uitgebracht in 2003 in de vorm van publicatie 182 “Parkeerkencijfers- Basis voor parkeernormering” van dit nationale kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur). Aan de hand van deze normen kan per aanvraag in de concrete situaties de parkeereis worden bepaald. Hierbij kan en dient rekening te worden gehouden met eventueel van belang zijnde specifieke omstandigheden, die van belang kunnen zijn om naar boven of naar beneden af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De bedoeling van het tweede lid is om te bereiken dat de te realiseren parkeerplaatsen feitelijk zodanige afmetingen hebben dat zij door een normale personenauto gebruikt kunnen worden en dat er ook voldoende ruimte is voor in- en uitstappen. Om die reden wordt de eis gesteld, dat ten behoeve van de bruikbaarheid rekening moet worden gehouden met de situatie en inrichting van de plek waar parkeerruimte wordt aangebracht (dit betreft een toegevoegde vermelding in vergelijking met de MBV). De in de MBV opgenomen minimum en maximum maten zijn ook hier opgenomen zodat de absolute grenzen, die in elk geval niet dienen te worden overschreden, concreet worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar reguliere parkeerplaatsen met de vermelde minimummaat in de lengterichting grenzen aan een trottoir of rijbaan kunnen deze eventueel aan het doel beantwoorden. Waar dit niet het geval is (bijvoorbeeld haaks op de rijbaan of trottoir gesitueerde parkeerplaatsen) zal deze maat voor gangbare personenauto’s niet snel toereikend zijn. Om te beoordelen of parkeerplaatsen in de gegeven situatie voor gangbare personenauto’s goed bruikbaar zijn (onder andere een reële grootte hebben), rekening houdend met</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zie hiervoor - de situatie en inrichting van de plek, kunnen als leidraad worden genomen de normen zoals opgenomen in de uitgave “Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen in de bebouwde kom” (ASVV) van de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Deze worden betreffende het aanbrengen van verkeersvoorzieningen landelijk als maatgevend wordt beschouwd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het derde lid verplicht tot het aanleggen van laad- en losplaatsen als het gebruik van het pand daar aanleiding toe geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De primaire verantwoordelijkheid voor het realiseren van parkeervoorzieningen ligt bij de aanvrager van de bouwvergunning of ontheffing. Er zijn echter gevallen denkbaar waarbij dit feitelijk onmogelijk is of financieel onhaalbaar. Het vierde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de parkeereisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het vijfde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de ontheffingen nader in te kaderen in beleidsregels. In dit artikel wordt expliciet aangegeven dat ook financiële voorwaarden mogelijk zijn. Hiermee wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid dat een vorm van parkeer- en/of mobiliteitsvoorziening wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorschrift en de toelichting hierop zoals nu is opgenomen valt inhoudelijk te beschouwen als een aangepaste versie van ‘alternatief 2’ uit de MBV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden wordt hieronder ten overvloede ook de toelichting weergegeven bij alternatief 2 van de VNG in de MBV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het A, B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig losgelaten. De Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet, decentraal wat kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk voor een voldoende en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties voor bedrijven en voorzieningen en volgen hierbij de principes van het integrale locatiebeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de decentrale overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en vervoerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald. Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, ad a De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden verleend onder financiële voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie (oud)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Diverse uitspraken over artikel 258, lid 1, van de (Model-) bouwverordening 1965 kunnen relevant worden geacht voor de toepassing zowel van het derde lid van artikel 2.5.30 (alternatief 1) als van het eerste lid van artikel 2.5.30 (alternatief 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Algemeen -Artikel 258 geldt uitsluitend bij het nemen van een beslissing op een aanvraag om bouwvergunning. Het artikel is geen grondslag voor de toepassing van de aanschrijvingsbevoegdheden krachtens de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 20 november 1981, BR 1982, 312; OB 1982, III.2.2.7, nr. 44033. -Wanneer niet wordt en ook niet kan worden voldaan aan artikel 258, lid 1, van de bouwverordening, dan voldoet het bouwwerk waarop de bouwaanvraag betrekking heeft niet aan de bouwverordening en kan - behoudens in het geval van vrijstelling - geen bouwvergunning worden verleend. Artikel 258 van de bouwverordening strekt slechts ter bescherming van de belangen die worden bedreigd door het ontbreken van voldoende parkeergelegenheid op een bouwperceel zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505. -De gemeente moet het stellen van parkeereisen motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 1 juli 1981, RO3.3219/S859. -Bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan artikel 258, lid 1, van de bouwverordening, kunnen niet in aanmerking worden genomen eventuele parkeermogelijkheden (i.c. een te bouwen parkeergarage) aan de overzijde van de weg waaraan men een verkeersaantrekkend gebouw wil oprichten. Een dergelijke parkeermogelijkheid kan wel een rol spelen bij het verlenen van de vrijstelling krachtens lid 3 (= MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1), lid 5, onder b, en artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 30 juli 1985; RO3.85.4382/S1097. -Een huurovereenkomst met kettingbeding (voor het gebruik van andermans grond als parkeerterrein) acht de ARRS in beginsel geen voldoende waarborg.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 23 augustus 1985; GS 6817. -De uitbreiding van de werkplaats hangt samen met een wijziging van de werkmethode. Vast staat dat er slechts één spuitcabine is en blijft; het maximaal te behandele n aantal auto’s zal na de uitbreiding gelijk blijven aan het huidige aantal. Er kan derhalve worden verwacht dat de parkeerdruk niet of nauwelijks zal verhogen. Geen strijd met artikel 258 (Model-)bouwverordening 1965.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 3 juli 1995, R03.91.1240.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Vrijstellingsbeleid en -criteria NB: MBV 1965, artikel 258, lid 3 = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1), lid 5, onder b, = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4. -Wil de gemeente vrijstelling verlenen krachtens artikel 258, lid 3, dan moet zij aantonen dat het scheppen van voldoende parkeerruimte op het terrein bij het betrokken verkeersaantrekkende gebouw zodanige bezwaren oplevert, dat aan deze bezwaren doorslaggevende betekenis moet worden gegeven ten opzichte van de belangen van derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 28 augustus 1981, BR 1982, 53. -Het weigeren van een vrijstelling op grond van motieven die niet in verband kunnen worden gebracht met genoemde belangen, is ongeoorloofd. Een beslissing omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 258, lid 3, van de bouwverordening moet zijn onderbouwd met onderzoek naar: a de te verwachten parkeerdruk (aantallen en aard bezoekers, piektijden, soorten middelen van vervoer); b de aanwezige parkeermogelijkheden (ook in een wijdere omgeving dan de straat waaraan het bouwperceel ligt).</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505. -In het algemeen is het redelijk vrijstelling te verlenen krachtens artikel 258, lid 3, wanneer: a een te bouwen gebouw zich niet leent voor het daarop of daaronder aanleggen van parkeerplaatsen, terwijl van een daarbij behorend terrein niet of nauwelijks sprake is; b zonder vrijstelling het aan het gebouw geven van een functie die aan het bestemmingsplan beantwoordt, moeilijk denkbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 9 oktober 1981, A-3.0132 (1980). -Parkeerbehoeften kunnen niet op alle tijden en plaatsen onder alle omstandigheden gelijkelijk worden beoordeeld. Daarom wordt van gemiddelden uitgegaan. Aan de overheid is voor het vaststellen van deze gemiddelden grote vrijheid gelaten. Afwijking van de gekozen gemiddelden is redelijkerwijs alleen geboden, als de noodzaak daartoe uit de feiten blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De problematiek van het parkeren in stadscentra pleegt te worden aangepakt in het geheel van voor stadscentra in te voeren verkeersreguleringen en andere maatregele n. Daarbij behoeft niet voorop te staan dat voor alle bezoekers van de stadscentra op koopavonden en zaterdagen te allen tijde en zonder dat enige wachttijd in acht genomen moet worden, parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 16 mei 1986, RO3.83.6416.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening (MBV 1992) -De behoefte aan parkeergelegenheid vloeit voort uit de aard en oppervlakte alsmede het aantal zitplaatsen van een inrichting. Pas bij de vrijstelling speelt de reeds aanwezige parkeergelegenheid in de omgeving een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 21 maart 1994, R03.90.6357. -Het kan niet worden ontkend dat het regelen van parkeergelegenheid uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening van belang is. Dit houdt echter niet in dat het bestemmingsplan uit dien hoofde op gedetailleerde wijze de parkeermogelijkheden zou dienen vast te leggen. De wegenverkeerswetgeving is het meest ge‘igende instrument om het verkeer naar de minst bezwarende parkeergelegenheid te verwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kroon 4 januari 1995, AB 1995, 337, m.nt. AWK. -Voor een reeds bestaand bedrijf moet bij de uitbreiding aansluiting worden gezocht bij de nieuwe parkeernormen, deze zijn niet zonder meer van toepassing. Het tekort aan parkeerplaatsen in de oude situatie mag niet meegerekend worden. Van de uitbreiding kan wel de extra verkoopruimte, maar niet de magazijnruimte meegerekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 17 januari 1995, R03.91.1986. -Parkeernormen. Slechts rekening houden met de parkeerbehoefte die verband houdt met uitbreiding van een kantoorgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Deventer hebben bij besluit van 20 oktober 1997 aan de Stichting Thuiszorg Zuidwest Overijssel met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (de anticipatieprocedure) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een kantoorgebouw op het perceel Zwolseweg 180 te Deventer. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van drie extra verdiepingen, alsmede een dakopbouw, op een gedeelte van dat gebouw. Appellanten hebben onder meer betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat niet is voldaan aan de parkeereis, welke voortvloeit uit artikel 2.5.30 van de gemeentelijke bouwverordening. Zij hebben in dit verband gesteld dat 20 van 77 parkeerplaatsen, waarover de Stichting Thuiszorg na uitvoering van het bouwplan zal kunnen beschikken, zijn gesitueerd op grond, waarop de bestemming ‘Spoorwegdoeleinden’ rust en die derhalve daarvoor niet gebruikt mogen worden en dat van 5 parkeerplaatsen niet vaststaat dat ze langdurig beschikbaar zullen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling overweegt dat appellanten door de door burgemeester en wethouders voor het bepalen van de parkeerbehoefte gehanteerde normen en uitgangspunten niet tekort zijn gedaan, nu daarbij niet slechts de parkeerbehoefte die aan de uitbreiding verbonden is is betrokken, maar van het gehele gebouw. Of de parkeerplaatsen op grond van de Nederlandse Spoorwegen mogen worden meegerekend kan in het midden blijven, nu het aantal beschikbare plaatsen ook zonder die toereikend is voor de vergunde uitbreiding. Dat, zoals appellanten stellen, de beschikbaarheid van de op het bestaande parkeerterrein bij Huize Corel gereserveerde parkeerplaatsen slechts van korte duur is, hebben zij niet aannemelijk gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 20 april 2000, nr. H01.99.0617. -Parkeerbehoefte wordt bepaald door bestemming en aard pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij besluit van 19 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders van Ter Aar vrijstelling en bouwvergunning verleend ten behoeve van de bouw van 21 appartementen (vijftien vrije sectorwoningen en zes huurwoningen). Wat de bij de te bouwen woningen gesitueerde parkeerplaatsen betreft, hebben appellanten betoogd dat het bouwplan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. De vergunde bouw voorziet in de realisering van 31 parkeerplaatsen. Het bouwpla n is gebaseerd op een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per vrije sector-woning (15 x 1,3) en van 1 parkeerplaats per huurwoning (6 x 1), zodat - afgezien van de vijf extra parkeerplaatsen die deels buiten het eigenlijke bouwperceel vallen – de bij de bouw betrokken grond reeds voldoet aan de parkeernorm van totaal 26 parkeerplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is - overeenkomstig artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Ter Aar - aansluiting gezocht bij de parkeercijfers en parkeernormen van de Stichting CROW te Ede. Onder deze omstandigheden wordt, gelet op artikel 2.5.30 van de bouwverordening, naar het oordeel van de Afdeling in voldoende mate in de parkeerbehoefte voorzien. De stelling van appellanten dat, gezien de krapte aan parkeerplaatsen bij de nabijgele gen kerk, de aan te leggen parkeerplaatsen niet alle ten goede zullen komen aan de toekomstige bewoners van de appartementen, leidt niet tot een ander oordeel. De parkeerbehoefte van een pand wordt immers bepaald door vooral bestemming en de aard van het pand zelve, niet door de omgeving. Voor zover de vijf extra te realiseren parkeerplaatsen zijn gelegen op grond, waarvan de gemeente geen eigenaar is, komt daaraan geen betekenis toe, reeds omdat er niet aan behoeft te worden getwijfeld dat deze vijf parkeerplaatsen ook daadwerkelijk zullen worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 26 september 2000, nr. 199903418/1. -Reikwijdte van de in artikel 2.5.30, eerste lid, neergelegde (parkeer)eis Bij besluit van 31 maart 1998 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Zuid, thans stadsdeel Amsterdam Oud Zuid, van de gemeente Amsterdam het advocatenkantoor Höcker, Rueb &amp; Doeleman, onder oplegging van een dwangsom, aangeschreven om binnen zes weken na de bekendmaking van dat besluit het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de gronden rond de panden Van Eeghenstraat 94-98 te Amsterdam als parkeerterrein te staken. Voor zover Höcker, Rueb &amp; Doeleman betogen dat niet (meer) kan worden voldaan aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening neergelegde eis omtrent het voorzien in parkeerruimte op eigen terrein, overweegt de Afdeling dat dit artikel slechts in acht moet worden genomen bij het bepalen van het (minimum) aantal parkeerplaatsen waarin dient te worden voorzien bij de realisering van een gebouw met een welbepaalde functie, ten behoeve waarvan een aanvraag bouwvergunning is ingediend. Er is dan ook geen reden te oordelen dat appellant in het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, voornoemd, aanleiding had behoren te zien om af te zien van handhavend optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 8 februari 2000, nr. 199900281/1, AB 2000, 219 m.nt. Nijmeijer en Soppe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Financiële voorwaarden Een vrijstelling van de hoofdregel dat op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid wordt voorzien, leidt tot de vraag hoe de kosten van de op openbaar terrein aangelegde parkeerplaatsen kunnen worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ARRS stelt in een uitspraak van 30 augustus 1985 (AB 1986, nr. 243, BR 1985, p. 911) dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een bestuursorgaan de mogelijkheid heeft door middel van een financiële voorwaarde tot betaling van een tegemoetkoming of compensatie te verplichten, zij het onder een aantal voorwaarden: a de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust; b de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een geldbedrag; c de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbeschermingmeer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling overwoog voorts dat bij de besluitvorming omtrent de financiële compensatie moet worden afgewogen of bestaande wettelijke voorzieningen de gemeente ten dienste staan, die voor de betrokkene meer waarborgen bieden of die anderszins gunstiger zijn dan de onderhavige financiële voorwaarde. In verband met de onderhavige zaak wees de Afdeling op de parkeermetervoorziening en de baatbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling lijkt te twijfelen aan het recht van de gemeente op vergoeding voor de aanleg van een parkeerplaats door middel van een financiële voorwaarde aan de vrijstelling op grond van artikel 2.5.30. Algemene (en ook recentere) jurisprudentie ten aanzien van kostenverhaal van openbare voorzieningen doet vermoeden dat de twijfels van de Afdeling niet snel zullen verdwijnen (Zie ook: ‘Kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie; verhaal van kosten van voorzieningen van openbaar nut via de exploitatieverordening en via de verordening baatbelasting’, VNG, 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is deze publicatie mede verschenen naar aanleiding van de wijziging van de baatbelasting per 1 januari 1995; deze wijziging houdt in dat de bouwgrondbelasting opgaat in de baatbelasting-nieuwe-stijl, waarmee 100% van de kosten van openbare voorzieningen kunnen worden verhaald.) Lid 2 Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over ‘parkeerplaatsen van voldoende afmetingen’. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto’s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, ad a De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden verleend onder financiële voorwaarden. Zie hiervoor onder ‘Hoofdlijnen van de jurisprudentie’, punt 3.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en</h3>\n<p class=\"lf-p\">vluchtrouteaanduidingen De toelichting op deze paragraaf vervalt. Dit houdt verband met de inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de bouwverordening vervielen van rechtswege op het moment van inwerkingtreding van het gebruiksbesluit omdat dit besluit hetzelfde onderwerp regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder staan de diverse onderwerpen nog genoemd die in deze paragraaf werden geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Beginsel inzake brandmeldinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit van brandmeldinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Gelijkwaardigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Communicatiesysteem voor publieke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">hulpverleningsdiensten De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningenArtikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</h3>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld. Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt toegestaan. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de kans op ongevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder b Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische brandstof noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder c Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas. Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voorziening voor verwarming Dit artikel uit de MBV is niet opgenomen in de Bouwverordening Hilversum 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hilversum heeft tekstalternatief 2 van de VNG overgenomen. Ter informatie hier de gehele toelichting van de MBV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1 Algemeen De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak verspreide afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn (losbladig). Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de Woningwet gegeven bouwvergunningplicht en het herziene artikel 13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt. Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een individueel zuiveringssysteem toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen voor het lozen vanuit individuele zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de publicatie van het Ministerie van VROM: Individuele behandeling van afvalwater bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn (november 1991). Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten. Het is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van zeer grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het openbare riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op oppervlaktewater is echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder a Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd: om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering wordt aangesloten; om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuil-waterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder b Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen gelden voor: afvloeiend hemelwater; huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik; bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een vergunningsvereiste op grond van die wet. Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze wordt geloosd dan op het openbaar riool. In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften. In het algemeen zijn dit voor de complexe categorie'n bedrijven niet langer burgemeester en wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de toenmalige gemeentelijke lozingsverordeningen riolering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder a Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder b Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot aansluiting aan het openbare riool verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2 Lid 1 Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 tot en met 4 Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie m.b.t. artikel 2.7.4 De voorbeelden die hieronder worden gegeven van de jurisprudentie zijn na de vermelding in de vorige bouwverordening, daterend uit 2006, overigens niet bijgewerkt met actuele jurisprudentie en kunnen daarom zijn verouderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Woningwet 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) Een eventuele verplichting voor de gemeente op grond van artikel 240, eerste lid, van de bouwverordening (= artikel 2.7.4 in de MBV 1992) laat onverlet dat de wetgever - blijkens artikel 274 van de gemeentewet en artikel 42, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening - in beginsel aanvaardbaar heeft geacht dat een gemeente privaatrechtelijke middelen hanteert ter verkrijging van een bijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut, zoals de aanleg van riolering. Pres. Rb. Utrecht 13 augustus 1985.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissingen ten aanzien van het beheer en onderhoud van openbare riolering hebben een publiekrechtelijk karakter en worden derhalve door de Afdeling rechtspraak als beschikkingen getoetst. De gemeente is niet verplicht om in geval van wateroverlast voorzieningen te treffen die het terugstromen van rioolwater in lager gelegen woningen voorkomen, nu die woningen van latere datum zijn dan het riool.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 2 maart 1988, RO3.86.2877.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening (MBV 1992) -Het standpunt dat de historische lozingsvergunning krachtens artikel 31 WVO een aan het gestelde in artikel 91 Bouwbesluit gelijkwaardige voorziening is als bedoeld in artikel 99 van dit besluit, kan niet anders worden begrepen dan dat de aanwezigheid van een rioleringsstelsel dat op het openbaar riool moet worden aangesloten voor dit pand niet is vereist zolang door het Hoogheemraadschap die lozingsvergunning niet is ingetrokken. Nu voor dit pand de aansluiting aan de gemeentelijke riolering niet is vereist, is het bepaalde in artikel 5.3.4, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening voor eisers niet van betekenis en heeft verweerder ten onrechte de bestuursdwangaanschrijving doen gronden op laatstgenoemde bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 1 november 1995, 94/12569 GEMWT.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze toelichting behoort bij het door Hilversum overgenomen tekstalternatief 2 van de VNG Lid 2, onder b De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan van verdroging van het milieu. Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee gelijk te stellen voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting Bouwresearch (SBR), Rotterdam, september 2000 (telefoon 010-2065959). De aanvrager van de bouwvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3, onder b Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de terzake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kunnen burgemeester en wethouders dan ook ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanbrengen van een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven. Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank) daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">en terreinen Lid 3 In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is verschenen. Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in woningen en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De melding. vervallen Artikel 3.1 De wijze van melden vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Welstandscriteria vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk Algemeen Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein. Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub a), als het in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde systematiek van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met de 11e serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van niet-naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED).</p>\n<p class=\"lf-p\">Structuur van de voorschriften Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.6 en 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval. Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet. De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving van de voorschriften De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11. Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als</h3>\n<p class=\"lf-p\">bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast. Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief in artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari 2003 in de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een bouwvergunning tevens worden ingetrokken indien voorgeschreven gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de bouwvergunning is verleend. Voorts kan een bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts een gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van leges).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a van de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen. De termijn van 26 weken is gelijk aan die van de MBV 1965. De uit jurisprudentie voortkomende plicht om de vergunninghouder te horen alvorens wordt besloten tot intrekking van een vergunning is nu als voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het intrekken van een begunstigende beschikking zoals een bouwver-gunning dient omgeven te zijn met de nodige waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid van de houder der vergunning. Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van een integriteitsbeoordeling Wet BIBOB.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub a Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub b Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van de rijks- of provinciale overheid. Sub d Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de Woningwet. Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub e Zie de toelichting op artikel 8.3.2 lid 2</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigingen in gegevens bouwregistratie Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Het uitzetten van de bouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld bij een verbouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van) de bouwwerkzaamheden De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot tijdige controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub a Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter voorkoming van schade aan leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onderzoekingen Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente. Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel van de bouwverordening toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bemalen van bouwputten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid. De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedacht kan worden aan een waterwingebied. Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan: zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor de vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater staat in de Grondwaterwet en de provinciale grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het algemeen een uitzondering op het vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput, mits nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het bouwterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie en bij het elektriciteitsbedrijf. Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het indienen van een bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige artikel van de MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het bouwveiligheidsplan voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 en 3 Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Afscheiding van het bouwterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking: permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer. De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn gewaarborgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">hinder De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten aanzien van de arbeidsomstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwafval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met ander afval. a Gevaarlijke afvalstoffen Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; zie hierna ook bij de toelichting op lid 1), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van huishoudens. b en c Glaswol en steenwol Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter. De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn. d Overig afval Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te nemen. Wanneer is iets afval? Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak is er sprake van bouwafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restanten van materialen en stoffen die apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval. Acceptatievoorwaarden en marktwerking De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen. Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen daarin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvoeren en overdragen van bouwafval De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april 1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Particulieren die geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op zaterdagmorgen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest, waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugleveren aan de leverancier of fabrikant Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sorteerinrichting Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is - voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te ontvangen. Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting. Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een sorteerbedrijf volledig operationeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de retourname van reststoffen van gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het nietoperationeel zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen. Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing. De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R Recycling BV te Middelharnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mee terugnemen naar de werf Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele specifieke begrippen Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een milieuvergunning bij die wet verplicht is gesteld. Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing. Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) - in werking getreden op 1 mei 2002 - voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit. De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb. 1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van het BAGA.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nederlandstalige versie van de lijst werd als bijlage 5 opgenomen in de publicatie 'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van september 2001. De in deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers zijn gevaarlijke afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds de hiervoor bedoelde publicatie is tot stand gekomen de Regeling Europese afvalstoffenlijst, met een Afvalstoffenlijst als bijlage bij het artikel 1, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het tijdstip waarop deze Bouwverordening Hilversum 2009 tot stand kwam was van toepassing de Afvalstoffenlijst, bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) zijnde de regeling van 27 maart 2002, Scrt. 62, zoals deze regeling is gewijzigd bij de regeling van 27 maart 2002, Scrt. 76 (herplaatsing), inwerkingtreding 1 juni 2002). In de tekst van het artikel 4.11, eerste lid van de Bouwverordening Hilversum 2009 wordt overigens verwezen naar de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL), zonder hierbij de datum en vindplaats van publicatie van de regeling te vermelden. Het is namelijk de bedoeling te verwijzen naar deze regeling zoals die geldt op het tijdstip waarop dit artikel wordt toegepast (dus met inbegrip van sinds de eerste inwerkingtreding van kracht geworden wijzigingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verwijderen (slopen) van asbest en asbesthoudende materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Vergunningvoorwaarden Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren, uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit kan bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op de bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken - sommige typen onderverdeeld in compartimenten - zijn vaak eigendom van de inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop afstemmen. Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het derde lid van artikel 56 van de Woningwet. Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron. Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Gereedmelding van (onderdelen van) de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bouwwerkzaamheden De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk ingevolge artikel 7b Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. Overigens stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari 2007 een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij zijn bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raadpleeg, voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in onvoldoende exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving of neem contact op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem, gemeenten@senternovem.nl of 030 239 35 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Melden van werken bij lage temperaturen Voor de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot ingebruikneming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Merktekens voor brandwerend glas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om bouwvergunning. Op die plek fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om bouwvergunning. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan. Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Staat van onderhoud van open erven en terreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965. Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake, indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt. Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965 gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Brandblusvoorzieningen Zie de toelichting op artikel 2.5.3. Bij het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d, van de Woningwet, juncto het onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware rekening te houden met het bepaalde in artikel 12.3 van deze bouwverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Zie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de toelichting op artikel 2.5.4.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en</h3>\n<p class=\"lf-p\">vluchtrouteaanduidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vluchtrouteaanduidingen De toelichting op dit artikel vervalt. Dit houdt verband met de inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">woongebouwen van bijzondere aard De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">logiesverblijven en logiesgebouwen De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kantoorgebouwen De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan de waterleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op artikel 2.7.1. Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom vormen waarin het college van burgemeester en wethouders het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het college de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput, regenbak of watertank. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1. Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">openbare net van de nutsvoorzieningen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Reinheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Preventie Onreinheid die verband houdt met de wijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van gebruiken van een bouwwerk is geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Brandveilig gebruik De toelichting op hoofdstuk 6 vervalt. Dit houdt verband met de inwerkingtreding per 1 november 2008 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (‘gebruiksbesluit’).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de bouwverordening vervielen van rechtswege op het moment van inwerkingtreding van het gebruiksbesluit omdat dit besluit hetzelfde onderwerp regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder staan de diverse onderwerpen nog genoemd die in dit hoofdstuk werden geregeld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning gebruik bouwwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag gebruiksvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">In behandeling nemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn van beslissing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeren gebruiksvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken gebruiksvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplicht aanwezige bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en</h3>\n<p class=\"lf-p\">brandgevaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikseisen voor bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag brandgevaarlijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag en verwerking stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen</h3>\n<p class=\"lf-p\">bij brand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-632\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik middelen en voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder in verband met de brandveiligheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op dit artikel vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Overige gebruiksbepalingen Algemeen De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. Het brandveilig gebruik, genoemd in de opsomming van artikel 8 Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6 van deze verordening. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en woonketen Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te balanceren. Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden: 'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.' Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere woongebouwen die geen gewone één- en meergezinshuizen zijn, afhankelijk van het aantal aanwezige personen worden beschikt over een vergunning op grond van artikel 6.1.1 van deze bouwverordening ('vergunning brandveilig gebruik')</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overbevolking van woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overbevolking van woonwagens en woonketen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Staken van het gebruik</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van gebruik Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is gelegen. Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van burgemeester en wethouders. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningsplicht nachtverblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.11.1, eerste lid, onder a van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327; ook wel genaamd ‘gebruiksbesluit’) bepaalt dat het verboden is om zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken voor zover daarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen. In het tweede lid van genoemd artikel wordt bepaald dat in een bouwverordening van het genoemde aantal personen kan worden afgeweken. Voor de inwerkingtreding van het gebruiksbesluit was een vergelijkbaar gebruiksvergunningsvoorschrift opgenomen in artikel 6.1.1 (nu vervallen) van de bouwverordening. Het aantal personen in welk geval een gebruiksvergunning was vereist was daarbij bepaald op ‘vijf of meer’. In het onderhavige artikel 7.3.1 wordt overeenkomstig de in het gebruiksbesluit gegeven mogelijkheid afgeweken van het daarin genoemde aantal van 10 personen en wordt aangesloten op het aantal personen zoals ook in de hiervoor geldende bouwverordening werd bepaald (in de terminologie van het gebruiksbesluit: meer dan 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Oud:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor was een inmiddels vervallen artikel 7.3.1 opgenomen in de MBV, waarvan de toelichting hierna ter informatie nog wordt weergegeven. Reden is dat dit artikel was bedoeld als opvolger van artikel 352 MBV 1965. In Hilversum is het laatstgenoemde artikel echter als ‘bouwverordening 1968’ in stand gebleven en tot op heden niet vervallen. Derhalve – hoewel geen onderdeel van deze ‘Bouwverordening Hilversum 2009’ hieronder de toelichting die daar betrekking op heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">erven en terreinen in afwijking van de bestemmingDit artikel is vervallen. Reden tot vervallen van artikel 7.3.1 Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke bepaling. De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV. Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van 1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer is voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8 van de Woningwet. De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1 verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig eerdere jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352 ingetrokken. Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1 geschrapt. Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV niet is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft op het moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken. Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de toelichting die daarop betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 352</span><span class=\"lf-art-t\">MBV 1965</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk complement op de artikelen 10 en 12 van die wet. Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q. voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld, in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling vooralsnog nodig blijft. Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965. Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op grond van de Woningwet op grond van de Woningwet dus mogelijk maakt. Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een APV is geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de bouwverordening te worden opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model-APV (art. 4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening zal artikel 7.3.2 voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden gelegd met bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct behorende tot een bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde voor de omgeving hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in, op, aan of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening nodig. Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid betreft, ware in plaats van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt. Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het erf of terrein en de aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een</p>\n<p class=\"lf-p\">overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar. In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te rechtvaardigen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid produceren een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze vergunningplichtige inrichtingen. Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geldt het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn. Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer is de Model-APV herzien waarbij de burgemeester bevoegd is om voor het houden van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop horeca-inrichtingen de voorschriften met betrekking tot geluid- en trillinghinder niet hoeven na te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de periode dat deze zogenaamde twaalfdagenregeling geldt voor de geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geen toepassing te geven aan artikel 7.3.2 van de (Model-)bouwverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Reinheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-741\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Preventie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar. Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Watergebruik</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-751\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gebruik van water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en wethouders de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.3.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6 Installaties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-761\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiksgereed houden van installaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d. Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater. N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">7A Kamerbewoning Dit hoofdstuk maakte deel uit van de hiervoor geldende bouwverordening. Hier werden in hoofdzaak dezelfde onderwerpen geregeld als in de per 1 november 2008 in werking getreden Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (‘gebruiksbesluit’). Bepalingen in de bouwverordening die hetzelfde onderwerp regelden als het gebruiksbesluit vervielen met ingang van 1 november 2008 van rechtswege. Voor de duidelijkheid is nu het gehele hoofdstuk 7A vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Slopen Algemeen Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren van een nieuwe beschikking, de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest - voor zover niet kan worden volstaan met een melding - in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asbest In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het Asbestverwijderingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de bouwverordening zijn bindend voor de burger. Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. In de daarop volgende zin wordt het zinsdeel ‘de artikelen 2, 3, 4 en 9’ vervangen door ‘de artikelen 10 en 11. Artikel 8, negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft om dit deel van het besluit - in casu de artikelen 2, 3, 4 en 9 - in de bouwverordening op te nemen en dus uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht te doen zijn. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32)</span>.</div>\n<p class=\"lf-p\">Incident Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak asbestbranden”. Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak. Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de bij het incident passende spoed te gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Certificering Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl, fax: 0317-425725, website: www.ascert.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Risicoklasse Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning. De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensivering van de handhaving Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de handhaving van de sloopvoorschriften. De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving van de voorschriften over asbestverwijdering en de LOMprojecten over ketenhandhaving asbest. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste helft van 2007 de “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en handhaving”. Deze handreiking staat ook op de site van deze vereniging: www.vereniging-bwt.nl Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil, de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Sloopvergunning</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Sloopvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis voor de sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen, zonder afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel van wat behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van veranderingen van ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden onderworpen aan een sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat sloopafval. Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende interne verbouwingen. Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te controleren. Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker aanzienlijk minder kost dan storten op een stortplaats. Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering. Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2, tweede lid. Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter voorkoming van deze strijdigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en transpor-teurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen 'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn. De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen, asbest en overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen: steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; met PAKS verontreinigde materialen; asfalt; dakgrind; glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer. Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke voorschriften, wanneer en waarvoor Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit. Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen. Het is van belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst de hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten de volgende aspecten worden nagegaan: wat kan worden hergebruikt; wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie; kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet; aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen; wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders en inzamelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter f);</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat</p></div>", "next": 239927}