{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Om te komen tot een archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de gemeente Nuenen is gebruik gemaakt van de regionale (historische) kennis over de bewoning in de regio en van de archeologische gegevens uit de gehele regio Zuidoost-Brabant (SRE regio), inclusief de vindplaatsen die vanuit de heemkundekringen ten behoeve van de Biografie van Peelland bijeen zijn gebracht. In totaal gaat het om 3403 vindplaatsen, die aangetroffen zijn bij veldverkenningen, grootschalige opgravingen, historisch (archief)onderzoek of toevallig werden gevonden bij niet-archeologisch graafwerk. De zogenaamde archeologische basiskaart geeft een overzicht van de archeologische vindplaatsen in Nuenen verdeeld naar tijdsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de locaties van deze vindplaatsen kunnen de eerste archeologische verwachtingen worden aangegeven. Kennis over de geomorfologische en bodemkundige (inclusief grondwatertrap) kenmerken van de vindplaatsen maakt het verder mogelijk de voorspellingen over de archeologische verwachting modelmatig te onderbouwen waardoor verwachtingen over de archeologische waarde van het hele grondgebied van de gemeente kunnen worden geformuleerd. De archeologische verwachting is daarbij bepaald aan de hand van de relatie tussen de bekende vindplaatsen in de regio en hun landschappelijke context: in vergelijkbare landschappelijke eenheden worden vergelijkbare resten uit dezelfde perioden verwacht. Door extrapolatie van de hoge onderzoeksintensiteit en hoge vondstdichtheid naar minder intensief onderzochte gebieden in de regio kunnen betrouwbare uitspraken over de archeologische verwachting gedaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gehanteerde verwachtingsmodel voor het SRE gebied is in bijlage 1 opgenomen en op de archeologische verwachtingen- en waardekaart van Nuenen weergegeven. In de database van het verwachtingsmodel zijn alle vindplaatsen verdeeld naar hun geomorfologische en bodemkundige ligging in het landschap. Meer dan de helft van alle vindplaatsen uit het SRE gebied zijn aangetroffen op de dekzandruggen, meestal bedekt door een plaggenpakket. De archeologische verwachting voor dekzandruggen is in deze regio dan ook hoog voor alle perioden. In onderstaande tabellen is de archeologische verwachting per landschappelijke eenheid (bodem en geomorfologie) op basis van de archeologische gegevens verdeeld naar de verschillende tijdsperioden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaruit wordt duidelijk dat de verwachting voor Steentijd en latere perioden van elkaar verschilt per landschappelijke geomorfologische en bodemkundige eenheid, alsook per grondwatertrap. Door de voorkomende geomorfologische eenheden met bodemeenheden, grondwatertrappen en met de ligging van de reeds bekende vindplaatsen te combineren, ontstaat een statistisch onderbouwd archeologisch verwachtingsmodel. De bepaling van de verwachtingen is gebaseerd op een berekening waarin per eenheid (bijvoorbeeld dekzandrug met hoge zwarte enkeerdgrond en met grondwatertrap VII) het percentage vindplaatsen is vergeleken met de oppervlakte van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Als er minder vindplaatsen in een eenheid liggen dan op basis van een evenredige verdeling over het landschap verwacht wordt, dan scoort die eenheid laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er meer vindplaatsen in een eenheid liggen, dan scoort de eenheid middelhoog of hoog. Daarbij is de regel gehanteerd dat een verschil van 0 tot 1 middelhoog scoort en een verschil van 1 of meer hoog scoort. Dit statistisch onderbouwde verwachtingsmodel vormt de basis voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de voorhanden zijnde vindplaatsgegevens niet representatief zijn voor het volledige bodemarchief van de regio en de gemeente Nuenen (niet overal is met dezelfde intensiteit naar archeologische resten gezocht), is het model op basis van expert judgement genuanceerd. De bekende archeologische en historische gegevens van Nuenen zelf en de resultaten van regionaal archeologisch onderzoek zijn gebruikt als toets en om preciseringen binnen de verwachtingen aan te brengen. De verwachting is verder verfijnd voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd op basis van historische informatie en het oudste beschikbare kaartmateriaal van Nuenen uit circa 1832 en voor alle perioden aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dus – zoals tegenwoordig meestal gebeurt bij de ontwikkeling van archeologische verwachtingskaarten – gebruik gemaakt van een hybride model. Wanneer als basis voor het formuleren van verwachtingen slechts de reeds bekende vindplaatsen gebruikt worden, zullen terreinen waar weinig waarnemingen zijn gedaan laag gewaardeerd worden. Geen waarnemingen betekent echter niet: geen archeologie. Er kan sprake zijn van afgedekte vindplaatsen, kleine of vondstarme vindplaatsen, terreinen die vanwege grondgebruik slecht toegankelijk zijn (bijvoorbeeld bosgebieden), etc. Omgekeerd, wanneer verwachtingen enkel vanuit het landschappelijke model vastgesteld worden, bestaat de mogelijkheid dat verschijnselen en periodes waarover weinig bekend is, over het hoofd gezien worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vandaar dat gekozen is voor een gecombineerd gebruik van de beschikbare informatie, en niet voor het werken met periode- of vindplaatsspecifieke verwachtingsmodellen. Er is dan ook uitgegaan van zowel de kwantitatieve hoeveelheid vondsten ten opzicht van de bodem (op basis van regionale cijfers) als op de wetenschappelijke archeologische resultaten en historisch onderzoek in de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschrijving STEEN-TIJD BRONS-TIJD IJZER-TIJD ROMEINSE TIJD MIDDEL-EEUWEN NIEUWE TIJD ONGEDAT-TEERD TOTAAL % aantal Verwachting Bebouwing 93 35 37 47 240 75 23 550 16,16 Hoog Overig 10 8 3 3 10 1 1 36 1,06 Middelhoog Laagte afgegraven 6 7 12 4 6 0 1 36 1,06 Middelhoog Dijk 2 0 0 0 0 0 0 2 0,06 Laag Plateaus 21 0 0 0 13 7 9 50 1,47 Middelhoog Dekzand-vlakte 82 13 24 19 117 19 9 283 8,32 Hoog Dekzand- rug 406 86 170 187 397 69 49 1364 40,08 Hoog Land- en stuif-duinen 203 40 19 5 13 5 11 296 8,70 Hoog Laagte, evt. moerassig 21 2 1 0 0 0 1 25 0,73 Laag Terras- afzetting 96 43 34 20 22 3 8 226 6,64 Hoog Laagten en beken, met veen 30 8 1 11 15 4 2 71 2,09 Middelhoog Glooiing van beekdalzijde 57 10 20 27 34 6 4 158 4,64 Middelhoog Laagten en beken, zonder veen 75 8 24 17 67 12 13 216 6,35 Hoog Beek-overstromings-vlakte 15 2 2 1 13 7 3 43 1,26 Middelhoog Dal-uitspoelings-waaier 2 1 0 0 1 0 0 4 0,12 Laag Veenvlakte 15 2 1 1 1 1 5 26 0,76 Laag Veenrestrug 5 0 0 0 0 0 0 5 0,15 Laag Water 6 1 0 0 4 0 1 12 0,35 Laag 1145 266 348 342 953 209 140 3403 100,00 Tabel 1: Verdeling van SRE-vindplaatsen naar geomorfologische eenheid en tijdsperiode Uit de totale inventarisatie en analyse blijkt dat het merendeel (bijna 45 %) van de 1145 Steentijd vindplaatsen op de dekzanden (plateau, vlakten en ruggen) te vinden is, meestal bedekt door een enkeerdgrond of podzolbodem (bijna 58 %). Het merendeel (bijna 54 %) van de 1909 vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen is eveneens te vinden op de dekzandruggen en -vlakten, meestal bedekt door een enkeerdgrond of podzolbodem (ruim 66 %). Ook voor de Nieuwe tijd scoren de dekzanden hoog (ruim 46 %) en enkeergronden/podzolen hoog (47 %). De dekzandruggen zijn hoger gelegen gronden die goed geschikt zijn voor bewoning en akkerbouw. Bovendien liggen ze vaak in een overgangszone van lager gelegen, vochtigere gronden naar drogere, hoge gronden. Zowel voor jagers-verzamelaars als boeren met gemengde landbouw is dit een aantrekkelijke landschappelijke situering, op de overgang van beide te exploiteren milieus. Verder valt het hoge percentage bij de bebouwing op, dat echter te verklaren is door de vele bodemverstoringen bij nieuwbouw en dergelijke, waarbij archeologische vondsten al dan niet door opgravingen zijn ontdekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodem en Grondwater-trap STEEN-TIJD BRONS-TIJD IJZER-TIJD ROMEINSE TIJD MIDDEL-EEUWEN NIEUWE TIJD ON-GEDAT-TEERD TOTAAL % aantal Verwachting Afgraving 2 1 1 1 5 0,15 laag Bebouwing 72 29 29 39 220 70 27 486 14,28 hoog Beekeerd-grond II-V 56 6 5 13 62 11 9 162 4,76 middelhoog Broekeerd-grond II-III 1 1 1 3 0,09 laag Duinvaag-grond VII 78 12 2 5 4 5 106 3,11 middelhoog Gooreerd-grond III-V 53 4 6 4 11 6 4 88 2,59 middelhoog Haarpodzol-grond VII 130 51 13 6 4 3 9 216 6,35 middelhoog Hoge bruine enkeerd-grond V 2 2 4 0,12 laag Hoge bruine enkeerd-grond VI-VII 38 2 29 21 69 15 5 179 5,26 hoog Hoge zwarte enkeerd-grond IV-V 31 5 21 13 43 9 2 124 3,64 middelhoog Hoge zwarte enkeerd-grond VI-VII 186 38 151 159 407 58 34 1033 30,36 hoog Holtpodzol-grond VII 9 17 14 11 1 52 1,53 middelhoog Laarpodzol-grond V 2 2 2 3 9 0,26 laag Laarpodzol-grond VI-VII 12 7 1 2 5 2 3 32 0,94 laag Lage enkeerd-gronden III 25 14 13 10 48 11 3 124 3,64 middelhoog Leek- Woudeerd-grond V 3 1 2 6 0,18 laag Leek- Woudeerd-grond VI-VII 1 1 1 3 0,09 laag Madeveen-grond II 24 1 1 8 12 1 1 48 1,41 middelhoog Meerveen-grond II-III 6 2 2 8 2 4 24 0,71 laag Moerpodzol-grond III-V 17 1 1 1 4 1 25 0,73 laag Ophoging 1 1 2 0,06 laag Poldervaag-grond III 1 1 0,03 laag Veldpodzol-grond III-V 119 11 6 7 8 7 158 4,64 middelhoog Veldpodzol-grond VI-VIII 199 46 18 6 19 10 13 311 9,14 hoog Venige beekdalgrond II 2 5 2 1 10 0,29 laag Vlakvaag-grond II-V 14 2 3 5 2 26 0,76 laag Vlakvaag-grond VI 11 1 2 2 3 1 20 0,59 laag Vlierveen-grond II-III 9 1 1 11 0,32 laag Vorstvaag-grond VII 35 10 22 31 15 3 6 122 3,59 middelhoog Water 6 3 1 2 1 13 0,38 laag Groeve 0 0,00 laag Moeras 0 0,00 laag Totaal 1145 266 348 342 953 209 140 3403 100,00 Tabel 2: Verdeling van SRE-vindplaatsen naar bodemkundige eenheid en tijdsperiode Het blijkt verder dat de grondwatertrap in Noord-Brabant een voorspellend karakter kan hebben voor het aantreffen van archeologische overblijfselen. In de regel worden de meeste archeologische vindplaatsen aangetroffen in gebieden met grondwatertrap VI of VII. Dit zijn de gronden die, vanuit landbouwtechnisch oogpunt, van nature de beste afwatering hebben. Maar ook in gebieden met grondwatertrap V worden vindplaatsen aangetroffen. Uit vergelijking van de ligging van de archeologische vindplaatsen in regio Zuidoost-Brabant met de begrenzing van de grondwatertrappen (GWT) blijkt dat de meeste vindplaatsen liggen in gebieden met een grondwatertrap van V of hoger. Op grond hiervan worden de bodemeenheden met grondwatertrap V of lager als 'nat' beschouwd en de bodemeenheden met grondwatertrap VI of hoger als 'droog' beschouwd. Bij de weging in het model is uitgegaan van een hoge trefkans bij grondwatertrap VI en hoger en een lagere trefkans bij een grondwatertrap van V en lager.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Beperkingen van de kaart De toepasbaarheid van het archeologische verwachtingsmodel kent enkele belangrijke beperkingen die voornamelijk hun oorzaak vinden in de beperkingen van het model:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het verwachtingsmodel maakt gebruik van locatiekeuzefactoren die voornamelijk gebaseerd zijn op economische motieven. Het model doet dan ook geen uitspraken over archeologische resten die niet of slechts beperkt gebonden zijn aan bepaalde landschappelijke eenheden. Daarnaast is de ligging van lijnobjecten (zoals [pre-]historische wegen en greppelstructuren) slechts in geringe mate gekoppeld aan landschappelijke eenheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De kartografische basis voor de archeologische verwachtingenkaart wordt gevormd door - een digitale versie van - de geomorfologische en bodemkaart (Alterra 2003). De kaart heeft een schaal van 1:50.000. De schaal van een kaart en de daaraan gekoppelde boordichtheid spelen een belangrijke rol bij de weergave van een gebied. Hoe kleiner het schaalmodel van de kaart, hoe meer de grenzen worden geschematiseerd. Hierdoor treden onzuiverheden in de kaart op en worden bodemkundige eigenschappen van relatief kleine gebieden niet meer weergegeven. Door echter gebruik te maken van de geomorfologische kaart, historische kaarten en het Actueel Hoogbestand Nederland (AHN) is het hier gehanteerde verwachtingsmodel een stuk beter onderbouwd dan de CHW en IKAW, die voor Pleistoceen Nederland kartografisch alleen is gebaseerd op de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het verwachtingsmodel is niet van toepassing op archeologische vindplaatsen uit het Midden Paleolithicum. Door geologische processen is het landschap met name in het Laat Paleolithicum aan voortdurende veranderingen onderhevig geweest. Uit het huidige landschap kan hierdoor niet of slechts ten dele worden herleid wat gunstige bewoningslocaties waren in het Midden Paleolithicum.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vanwege het ontbreken van gedetailleerde (gedigitaliseerde) informatie over de archeologische verwachting van gebieden buiten de gemeentegrenzen, is in het verwachtingsmodel geen informatie van aangrenzende gemeenten verwerkt. Vooral bij de grenzen van het gebied kan dit vertekening opleveren. Uitzondering hierop vormt de gemeente Geldrop-Mierlo, waar momenteel vanuit de SRE ook een archeologische verwachtingen- en waardenkaart wordt opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op hetzelfde verwachtingsmodel en opgesteld volgens de dezelfde werkwijze. Verder is overleg gevoerd met de gemeente Eindhoven en Helmond over het afstemmen van de archeologische kaarten. Hier ontbreekt voorzover bekend is, een gedetailleerd verwachtingsmodel en wordt uitgegaan van een hoge archeologische verwachting voor de hoge dekzandruggen met esdekkken en de bekende archeologische vindplaatsen.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.4 (Sub)recente bodemverstoringen Archeologische resten zijn zeer kwetsbaar voor allerlei ingrepen in de bodem. Bedreigend zijn graafwerkzaamheden in het kader van bijvoorbeeld bouw- en/of sloopactiviteiten, de aanleg van wegen en leidingen, natuurontwikkeling (bijvoorbeeld de aanleg van vijvers, poelen, natte oeverzones en beeklopen), agrarische grondbewerking (diepploegen, mengwoelen en/of frezen), egaliseren, de aanleg en het kappen van bos, ontgronden, de aanleg van drainage en het dempen en graven van sloten en greppels. Verlaging van het grondwaterpeil kan leiden tot het verdwijnen van organische archeologische resten die voorheen onder de grondwaterspiegel lagen. De verstoring van archeologische waarden komt in veel gevallen neer op het verdwijnen van grondsporen, verplaatsing van archeologisch materiaal en verstoring van de ruimtelijke context.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het grootste deel van de gemeente een agrarisch gebruik heeft, of heeft gehad, zijn de meeste archeologische vindplaatsen (voor een deel) verstoord. De verstoringsdiepte is gelijk aan de dikte van de bouwvoor, circa 30 cm. Voor vindplaatsen van jager-verzamelaars, die vooral bestaan uit vuursteenstrooiingen, betekent dit dat door de aanleg van een bouwvoor een groot deel van de informatiewaarde verloren gaat. De informatiewaarde van vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen bevindt zich voor een groot deel in grondsporen. Aangezien deze grondsporen dieper reiken dan de bouwvoor, bevatten niet afgedekte vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen toch nog een groot deel van de informatiewaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gebieden waar de bodemverstoring dieper is dan de bouwvoor, en waar vindplaatsen niet zijn afgedekt door een esdek, stuifzand of beekafzettingen, is ook de informatiewaarde van vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen voor een groot deel verdwenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Nuenen zijn reeds grote delen van de oude akkers afgegraven. Hier zijn in het verleden op diverse plaatsen ook bewoningssporen uit de Romeinse tijd of uit de Middeleeuwen aan het licht gekomen. Binnen de gemeente Nuenen liggen dan ook een aantal gebieden waarover uitspraken ten aanzien van de intactheid van de bodem gedaan kunnen worden. Dit zijn gebieden waar in het verleden bodemingrepen hebben plaatsgevonden die naar verwachting eventueel aanwezige archeologische resten ernstig verstoord zullen hebben. Hierdoor hebben deze gebieden een lage of zelfs geen archeologische verwachting. Tot deze gebieden behoren de geëgaliseerde en vergraven gebieden en ontgronde gebieden. De desbetreffende gebieden zijn op de archeologische basiskaart (kaartbijlage 5) aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de bodemkaart (Alterra 2004) zijn de gebieden aangegeven die vergraven en geëgaliseerd zijn. De vergraven gebieden zijn tot 40 à 60 cm diepte gespit om de verkitte B-horizont los te werken. Bij het egaliseren werd over het algemeen de humushoudende bovengrond in depot gereden, waarna de ondergrond werd geëgaliseerd of doorgespit. Zowel het vergraven als het egaliseren heeft ernstige gevolgen gehad voor het aanwezige bodemarchief. Ter controle zijn de vergraven en geëgaliseerde gebieden vergeleken met het Actueel Hoogte Bestand Nederland (AHN). Uit deze vergelijking bleek dat enkele 'geëgaliseerde gebieden' nog verrassend veel reliëf hebben. Deze gebieden zijn uiteindelijk niet als geëgaliseerd weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door ontgronding kunnen belangrijke delen van het bodemarchief aangetast zijn of zelfs verdwenen zijn. Daarom is getracht om op basis van de beschikbare informatie te achterhalen waar en in welke mate ontgrondingen in het de gemeente Nuenen hebben gevonden. Deze ontgrondinginformatie is vooral afkomstig uit het provinciaal ontgrondingsregister, waar gegevens over ontgrondingvergunningen van 1958 tot en met 1998 zijn bewaard. Volgens de provinciale ontgrondingenkaart zijn grote delen van de dekzandruggen en dekzandvlakten ten zuidwesten, zuiden en zuidoosten van Nuenen inmiddels ontgrond. Dat geldt ook voor dekzanden ten oosten en noorden van Gerwen. De desbetreffende gebieden zijn op de archeologische basiskaart en de archeologische verwachtingen- en waardenkaart (kaartbijlage 5 en 6) aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In welke mate bovenstaande activiteiten het bodemarchief aangetast hebben, valt niet altijd te achterhalen. De diepte van de ontgronding en of deze ook daadwerkelijk is uitgevoerd, ontbreekt namelijk in het register, waardoor deze gebieden voor archeologie niet kunnen worden afgeschreven. De vergunningvoorschriften van met name de oudere vergunningen bepaalde veelal slechts de fasering, de aansluiting van het te ontgronden perceel op de omliggende percelen en de uiteindelijk te realiseren maaiveldhoogte. De locaties van ontgrondingen lijken wel voor een groot deel overeen te stemmen met het Actueel Hoogtebestand van Nuenen, dat ter controle digitaal is geraadpleegd. Op plekken waar ontgrondingen hebben plaatsgevonden, is vaak een abrupte overgang zichtbaar van een natuurlijk reliëf naar een nagenoeg vlak terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gebieden zijn apart aangegeven op de beleidskaart (kaartbijlage 7). Als gevolg van de ontgronding worden in deze gebieden geen archeologische resten meer verwacht. Voor de overige gebieden is de archeologische verwachting niet gewijzigd, maar wordt aanbevolen om door middel van controleboringen de bodemverstoring in kaart te brengen. In deze verdachte percelen zijn voor het opstellen van deze archeologische kaarten verder geen controleboringen uitgevoerd. De gemeente kiest ervoor om deze controle pas bij een mogelijke planontwikkeling uit te (laten) voeren. De mogelijk ook ontgronde en daarmee verstoorde terreinen zijn daarom als gearceerde gebieden opgenomen op de beleidskaart. Verkennende grondboringen zullen de daadwerkelijke verstoring al dan niet moeten bevestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze terreinen geldt steeds de onderliggende lage, middelhoge of hoge verwachting. Datzelfde geldt voor terreinen die geregistreerd staan als gesaneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verleden zijn op het grondgebied van de gemeente Nuenen verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Dit kunnen oppervlaktekarteringen, booronderzoeken, proefsleuven onderzoeken en opgravingen zijn. Vanaf november 2005 geldt de verplichting om elk archeologisch onderzoek voorafgaand aan het veldwerk aan te melden bij de RACM. Deze zogenaamde onderzoeksmeldingen staan geregistreerd in ARCHIS. Een onderzoeksmelding bestaat uit een vlak en een aantal gegevens omtrent het onderzoek. De belangrijkste gegevens betreffen het onderzoeksmeldingsnummer, de centrumcoördinaten, locatie gegevens, datum aanvang, type onderzoek, motief, uitvoerder, projectleider en opdrachtgever. Voor november 2005 gold alleen voor opgravingen een meldingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijst met onderzoeksmeldingen in ARCHIS is dus incompleet; de (meeste) booronderzoeken die voor november 2005 zijn uitgevoerd zijn namelijk nergens geregistreerd. De onderzoeksmeldingen uit ARCHIS (peildatum 1-12-2008) zijn weergegeven op de archeologische basiskaart en in de vindplaatsencatalogus (kaartbijlage 5 en bijlage 3). De resultaten van reeds uitgevoerde onderzoeken zijn doorvertaald naar de verwachtingswaarde. Gebieden die zijn vrijgegeven en inmiddels zijn volgebouwd, zijn op de beleidskaart aangeduid als gebieden zonder archeologische verwachting. Ook de terreinen die zijn opgegraven zijn aangeduid als terrein zonder archeologische verwachting. Deze doorvertaling heeft plaatsgevonden op grond van de onderzoeksrapporten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoeksrapporten die zijn geraadpleegd zijn weergegeven in de literatuurlijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de archeologische beleidskaart worden de daadwerkelijk vastgestelde ontgrondingen en verstoringen weergegeven als gebieden zonder archeologische verwachting. Onder deze verstoorde gebieden vallen: de geëgaliseerde en afgegraven terreinen zoals deze staan aangegeven op de geomorfologische en bodemkundige kaarten en middels boorkarteringen zijn vastgesteld; de na 1980 gebouwde woningen (bron: WOZ-bestand 2007 gemeente Nuenen). Bij de huizenbouw vanaf 1980 gaan we ervan uit dat er standaard tot in het gele zand of de vaste bodem werd uitgegraven, waardoor mogelijk archeologische sporen hier als verloren beschouwd mogen worden. de door middel van archeologisch (voor)onderzoek vastgestelde verstoorde en daarmee uitgeselecteerde gebieden; de zichtbaar ontgronde en verstoorde gebieden zoals waterplassen, kanalen en percelen met diepe steilranden (bron: www.ahn.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Conclusie Ten behoeve van de archeologische beleidskaart voor Nuenen is een vertaling gemaakt van landschappelijke, bodemkundige, historische en archeologische informatie naar een vlakdekkende kaart van archeologische waarden en verwachtingen. Op basis van het ontwikkelde verwachtingsmodel en op grond van de verwachte dichtheid aan archeologische sporen en vondsten worden binnen het grondgebied van de gemeente Nuenen zes soorten archeologische verwachtingen of waarden aan terreinen toegekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder archeologische verwachting: terreinen waarvan is vastgesteld dat de archeologie verdwenen is door ontgronding, nieuwbouw, booronderzoek, opgravingen of diepe grondbewerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lage archeologische verwachting: binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter: op basis van de geomorfologie, grondwatertrap en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, beekeerd, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, visgronden, e.d.) zijn dergelijke arealen moeilijk archeologisch te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelhoge archeologische verwachting: deze categorie is ingevoerd omdat de gebruikte bodem- en geomorfologische kaarteenheden zonder nader veldonderzoek niet eenduidig aan één van de andere categorieën toegewezen kunnen worden. Het zijn vooral de lager gelegen dekzanden met lage enkeerdgronden en de drogere minder vruchtbare podzolbodems. Binnen deze zones kunnen terreinen liggen waar door erosie of uitloging alle archeologische waarden verdwenen zijn, naast terreinen waar door afdekking met plaggen eventueel aanwezige archeologische waarden juist zeer goed geconserveerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge archeologische verwachting: hieronder vallen die delen van de gemeente waar op basis van de in het model gebruikte aantallen met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden. Het grootste deel van alle bekende archeologische waarnemingen stamt uit deze zones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden van archeologische waarde: hieronder vallen die delen van de gemeente waar op basis van óf archeologisch onderzoek, óf de bekende archeologische waarnemingen en/of de bekende historische gegevens van het terrein (vrijwel) vaststaat dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermde archeologische monumenten: hieronder vallen alle terreinen die op basis van de Monumentenwet 1988 beschermd zijn. Dat zijn voor de gemeenten drie terreinen in het zuidoosten nabij Gulbergen, allen toebehorend aan een uitgestrekt terrein van grafheuvels met een urnenveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de archeologische beleidskaart zijn verder locaties weergegeven die mogelijk verstoord zouden zijn. Aangezien per locatie het niet geheel duidelijk is wat de aard en omvang van de verstoringen zijn, kunnen deze niet zondermeer gevrijwaard worden van archeologisch onderzoek. De specifieke kenmerken van deze verstoringen moeten indien er sprake is van bodemingrepen, gecontroleerd worden zodat het advies aangepast kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deel III, de beleidsuitvoering, wordt nader ingegaan op de beleidsvertaling die aan deze zes categorieën verwachtingen en waarden gegeven moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEELIIIBELEIDSUITVOERING 9Bouwstenen voor invulling van het gemeentelijke archeologiebeleid 9.1 Het ambitieniveau van Nuenen Bij de uiteindelijke inrichting van het archeologiebeleid binnen de gemeente zijn verschillende beleidsinstrumenten denkbaar. De kernvraag bij de keuze voor een bepaalde combinatie is hoe de gemeente haar nieuwe rol als bevoegd gezag voor de AMZ wil vormgeven. Daarbij spelen de aard en omvang van het eigen bodemarchief, het programma van ruimtelijke projecten en ingrepen in de bodem en de gemeentelijke ambitie op het gebied van cultuurhistorie en historische identiteit een belangrijke rol. De gemeente Nuenen streeft in ieder geval naar een zekere autonomie zowel bij het selecteren van archeologische waarden die beschermende maatregelen behoeven, als bij de daaruit voortvloeiende acties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herziene Monumentenwet geeft gemeenten de nodige beleidsruimte bij het vormgeven van de taken op het gebied van de archeologische monumentenzorg. De ruimtelijke ambities van de gemeente Nuenen in de komende jaren zijn relatief groot. Veel van de geplande projecten liggen in zones met een verhoogde kans op het aantreffen van nieuwe archeologische vindplaatsen of het aansnijden van reeds bekende. Enerzijds vormen de activiteiten binnen en buiten de bebouwde kom weliswaar een risico voor archeologisch erfgoed, gelijktijdig bieden ze mogelijkheden voor onderzoek naar het verleden, het in stand houden van monumenten en een betekenisvolle inrichting van de ruimte. Om te voorkomen dat de meest waardevolle delen van het bodemarchief ongezien verdwijnen, moeten de uitgangspunten van het archeologiebeleid aansluiten op de ruimtelijke ambities en andere voornemens op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, landbouw, cultuur, monumenten en toerisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom wil de gemeente Nuenen de archeologische monumentenzorg, inbedden in het ruimtelijk beleid, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gemeente. Uitgangspunt daarbij is het vinden van een verantwoorde balans tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid op gemeentelijk niveau. Het doel is te komen tot een archeologiebeleid dat voldoet aan de wettelijke eisen omtrent de integratie van archeologische waarden in de ruimtelijke ordening, maar waarin ook eigen cultuurhistorische accenten en prioriteiten worden gelegd, die de gemeente bij ruimtelijke planvorming voldoende zelfstandige beslissingsbevoegdheid biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente stelt zich daarbij concreet ten doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Centraal daarbij staat het behoud van representatieve delen ven het verleden landschap en de archeologische vindplaatsen die daarin verborgen liggen. Bij de afweging over het al dan niet voorschrijven van (voor)onderzoek bij bodemingrepen gaat Nuenen uit van een zo effectief mogelijke inzet op archeologie. Centraal daarbij staat de potentiële kenniswinst die daarbij te behalen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de uitwerking daarvan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemeentelijk grondgebied wordt onderverdeeld in zes zones met een verschillende waardering/verwachting van het bodemarchief (gebieden met archeologische verwachtingen en/of vastgestelde waarden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 41a van de Monumentenwet stelt de gemeente voor deze gebieden haar eigen vrijstellingsgrenzen vast waarbinnen ruimtelijke ingrepen en bodemingrepen (tot een diepte en/of oppervlakte) worden vrijgesteld van AMZ-eisen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 38 van de Monumentenwet stelt de gemeente een verordening vast waarin zij zelfstandig regels vaststelt met betrekking tot de archeologische monumentenzorg in de gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een gemeentelijke archeologische beleidskaart vastgesteld als ruimtelijke vertaling van het beleid en de bij verordening gestelde regels;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente gaat het mogelijk maken om terreinen als gemeentelijk archeologisch monument aan te wijzen (plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande resulteert in een combinatie van beleid en beleidsinstrumenten waarmee een maatschappelijk aanvaardbare balans wordt bereikt tussen mogelijkheden voor ruimtelijke en economische ontwikkeling enerzijds en een zorgvuldig beheer van het gemeentelijk bodemarchief anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Beleidsinstrumenten Een verantwoord gemeentelijk archeologisch monumentenzorgbeleid bestaat uit een combinatie van beleidsinstrumenten die de gemeente in staat stellen de vanuit het rijk opgedragen taken zo efficiënt mogelijk uit te voeren en, indien gewenst, de cultuurhistorische identiteit van de gemeente te versterken. Door archeologie van meet af aan in ruimtelijke procedures te betrekken en waar mogelijk af te stemmen met andere gemeentelijke inrichtings- en besluitvormingsprocessen wordt vertraging bij ruimtelijke planvorming voorkomen en kosten bespaard. “Onaangename” verrassingen, met alle gevolgen van dien, worden zoveel mogelijk uitgesloten, zoals een kostbare, onvoorziene opgraving. Door bekende en te verwachten archeologische waarden op tijd in planprocedures in te brengen wordt bovendien de kans vergroot dat ze succesvol kunnen worden behouden. Vanuit dit voornemen is de keuze voor het hieronder beschreven pakket aan instrumenten te kwalificeren als een verantwoorde vorm van archeologisch risicomanagement:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opname van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van de archeologische beleidskaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfgoedverordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoeksagenda en selectiebeleid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlichting- en informatie voor betrokkenen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere financiële regelingen Deze instrumenten worden hieronder nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.1 Opname van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen Met de invoering van de Wamz is de verplichting ingegaan om in nieuwe of te wijzigen bestemmingsplannen archeologische waarden vast te leggen. Met de invoering van de nieuwe Wro (2008) is bovendien het bestemmingsplan ge(her)positioneerd als het centrale instrument binnen de ruimtelijke ordening voor de gemeente. Op grond van de Wamz dient de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Voor de integratie van de AMZ in de ruimtelijke ordening is de opname van archeologische waarden in het bestemmingsplan dus een essentiële eerste stap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een ‘archeologievriendelijk’ of ‘Malta-proof’ bestemmingsplan kan de gemeente van de aanvrager van een bouw-, sloop-, of aanlegvergunning (‘de veroorzaker’) verlangen dat (nader) archeologisch (voor)onderzoek wordt verricht. Een ‘archeologievriendelijk’ bestemmingsplan beschrijft welke terreinen vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen en welk beschermingsregime bij de verschillende soorten terreinen van toepassing is. Archeologisch waardevolle terreinen en gebieden met een hoge/middelhoge archeologische verwachting worden in het bestemmingsplan gekoppeld aan een aanlegvergunning en/of aan aanvullende voorschriften voor de verlening van bouw- en sloopvergunningen. De aanlegvergunning kan bijvoorbeeld het voorschrift bevatten dat voor bodemingrepen vanaf een bepaalde diepte en/of oppervlakte een vergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de verlening van een vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het overleggen van een rapport waarin de archeologische waarde nader wordt vastgesteld, of het (laten) verrichten van andere vormen van archeologisch onderzoek. De gemeente geeft via (standaard) richtlijnen of een Programma van Eisen (PvE) aan hoe dat onderzoek dient te worden uitgevoerd. De kosten daarvan komen voor rekening van de aanvrager (het veroorzakerprincipe). Het staat de opdrachtgever vervolgens vrij om voor de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek zelf een keuze te maken uit (erkende) aanbieders op de archeologische markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente houdt bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De op de plankaart opgenomen archeologische terreinen worden gekoppeld aan bouwvoorschriften en een aanlegvergunning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet verplicht om wettelijk beschermde archeologische terreinen (rijksmonumenten) op de plankaart aan te duiden. Met het oog op volledigheid van de informatie worden de contouren van rijksmonumenten op de plankaart opgenomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op het bestemmingsplan wordt aangegeven waarom de aangewezen terreinen vanuit archeologisch oogpunt bescherming verdienen. Hier ligt een belangrijke relatie met het archeologiebeleid zoals geformuleerd in het gemeentelijk beleidsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">In de planvoorschriften wordt vastgelegd welke gevolgen de gemeente verbindt aan de aanwezigheid van archeologische waarden of verwachtingen bij geplande bouwactiviteiten of andere bodemverstorende activiteiten. Die gevolgen kunnen zeer uiteenlopend zijn, variërend van “geen gevolgen voor bouwen” via “eerst onderzoeken, dan bouwen” tot en met “geen bodemverstoring, maar behoud in de bodem”;</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden voor het verlenen van bouw-, sloop en aanlegvergunningen worden hierop aangepast;</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet geeft de gemeente de bevoegdheid vrijstelling te verlenen voor het (laten) verrichten van archeologisch onderzoek voor kleine ruimtelijke ingrepen op “huis-, tuin- en keukenniveau”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan kosten moeten maken ten behoeve van archeologisch (voor)onderzoek, kan zij die kosten onder bepaalde condities verhalen in het kader van de grondexploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vastleggen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen, zal plaatsvinden bij de actualisering ervan of in het geval van wijzigingsbesluiten of ontheffingen. Dat kan betekenen dat in vigerende bestemmingsplannen archeologische informatie en voorschriften nog lange tijd blijven ontbreken. Zelfs al is de archeologische informatie op de beleidskaart opgenomen, dan heeft deze nog geen automatische geldigheid binnen het planologisch proces. Zolang de archeologische waarden en verwachtingen nog niet in het bestemmingsplan planologisch zijn vastgelegd, zal de bescherming voorlopig worden geregeld via de erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.2 Gebruik van archeologische beleidskaart De beleidskaart biedt enerzijds een actueel overzicht van de stand van kennis van het gemeentelijke bodemarchief, en anderzijds van de locaties en gebieden die in aanmerking komen voor planologische maatregelen gericht op behoud, inpassing en eventueel toekomstig onderzoek in het kader van verdere planontwikkeling. Op de archeologische verwachtingen- en waardenlkaart zijn alle archeologische waarnemingen, de belangrijkste uitgevoerde archeologische onderzoeken, bekende vindplaatsen en de gebieden waarvoor een verhoogde archeologische verwachting geldt aangegeven. Daarbij zijn tevens aangemerkt de archeologische monumenten en archeologische waardevolle locaties, waarvoor in de bestemmingsplannen, en op grond van de erfgoedverordening nadere voorwaarden gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste legenda-eenheden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijk beschermde monumenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden van archeologische waarde, waaronder ook historische kernen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden met een hoge archeologische verwachting (met of zonder esdek);</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (met of zonder esdek);</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden met een lage archeologische verwachting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden zonder archeologische verwachting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk verstoorde gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is dat de beleidskaart up-to-date wordt gehouden door het verwerken van nieuwe gegevens (selectiebesluiten, verricht archeologisch onderzoek, verstoringen, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.3 Erfgoedverordening De principes van het gemeentelijk archeologisch monumentenzorgbeleid worden niet alleen vastgelegd in de bestemmingsplannen, maar tevens in de gemeentelijke erfgoedverordening. Met deze geactualiseerde versie van de monumentenverordening van Nuenen creëert de gemeente in aanvulling op de planologische maatregelen, ook de mogelijkheid gemeentelijke archeologische monumenten aan te wijzen. Vooruitlopend op de noodzakelijke vastlegging van de archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen zal de gemeente Nuenen de uitgangspunten en instrumenten van het gemeentelijke archeologiebeleid voorlopig verankeren in de erfgoedverordening. Via de erfgoedverordening zal de gemeentelijke archeologische beleidskaart als uitgangspunt voor het gemeentelijke archeologiebeleid worden bekrachtigd en wordt de koppeling tussen het in dit beleidsplan geformuleerde AMZ-beleid, de planologische procedures en de archeologische beleidskaart geformaliseerd. In de erfgoedverordening worden in ieder geval de volgende onderdelen opgenomen: procedure voor de selectie en de aanwijzing van archeologische monumenten of planologisch beschermde archeologische gebieden; de onderverdeling van het gemeentelijke grondgebied in verschillende zones archeologische verwachtingen- en waardengebieden en de daarmee samenhangende beschermende maatregelen ten aanzien van bodemingrepen; de rol van monumentencommissie bij procedures en vergunningen voor planologisch beschermde archeologische gebieden, bijvoorbeeld in het kader van structuurvisies en bestemmingsplannen, en bij het afgeven van monumentenvergunningen; de inbreng van archeologische waarden in stedenbouwkundige, structuurvisies en beeldkwaliteitsplannen. de status van de gemeentelijke archeologische beleidskaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Na inwerkingtreding van de aangepaste Monumentenwet zijn niet direct alle bestaande bestemmingsplannen herzien. Juist in de overgangsfase kan een opname van bekende archeologische vindplaatsen (niet zijnde Rijksmonumenten) als ‘archeologisch waardevol gebied’ in de gemeentelijke archeologie- of erfgoedverordening een oplossing bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 38 in de aangepaste Monumentenwet biedt daar mogelijkheden toe.[1] Het middels een gemeentelijke archeologieverordening aanmerken van terreinen waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden als ‘archeologisch monument’ of ‘archeologisch waardevol terrein’ is geen verplichting, maar een keuze. Onder de huidige wetgeving, waarbij veel (nieuw ontdekte) archeologische vindplaatsen nog geen planologische bescherming genieten, gebruiken diverse gemeenten deze mogelijkheid vooral om locaties die gelegen zijn in het stedelijke gebied te kunnen beschermen. Verder kan zich in de toekomst ook de mogelijkheid voordoen dat nieuwe archeologische locaties ontdekt worden, die nog geen bescherming genieten binnen de bestaande bestemmingsplannen. In plaats van dat in dat geval (jaren) gewacht moet worden tot een herziening van het bestemmingsplan kan ook hier opname in de gemeentelijke archeologieverordening een (tijdelijke) oplossing bieden. Overigens is planologische bescherming alleen mogelijk indien ook de (vigerende) bestemmingsplannen op deze archeologische terreinen worden aangepast, door een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan op te nemen. Verder mag een verordening niet in strijd zijn met het bestaande bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle activiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden, dient een vergunning aangevraagd te worden. In de geldende bepalingen die betrekking hebben op het verlenen van een vergunning kan dan gesteld worden dat, indien College van Burgemeester en Wethouders dat nodig achten, de mogelijkheid tot archeologisch onderzoek geboden moet worden. In de archeologie- of erfgoedverordening kunnen verder bepalingen worden opgenomen die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vereist is. Hierbij kan, net als bij de procedure tot bestemmingsplanwijzigingen, gedacht worden aan ontheffing of vrijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.4 Onderzoeksagenda en selectiebeleid Het archeologiebeleid van de gemeente Nuenen is gericht op een verstandig beheer van de aanwezige archeologische waarden, om te voorkomen dat unieke informatie over het verleden van Nuenen, Gerwen en Nederwetten verloren gaat. Dit wordt geoperationaliseerd via het streven om behoudenswaardige archeologische resten in situ te behouden. Dit betekent inpassen in de ruimtelijke inrichting en vrijwaren van bodemverstorende ingrepen. Gezien de druk op de ruimte in de gemeente en andere maatschappelijke prioriteiten is dit niet altijd mogelijk. Is er sprake van behoudenswaardige archeologie dan zal deze op verantwoorde wijze opgegraven moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de koppeling van het archeologische monumentenzorgbeleid aan het ruimtelijke ordeningsbeleid is de gemeente in staat op tijd te signaleren waar zich mogelijk archeologische knelpunten voordoen en hier gepaste maatregelen voor te schrijven. De archeologische beleidskaart verbeeldt de huidige stand van kennis over het Nuenense bodemarchief en de keuzes die gemaakt zijn bij het aanwijzen van gebieden met hoge waarden of een hogere of minder hoge verwachting. De gemeente realiseert zich dat dit een momentopname is en dat we nog lang niet alle facetten van het bodemarchief in Nuenen kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door toekomstig onderzoek kunnen bestaande lacunes geleidelijk worden opgevuld, maar zullen ongetwijfeld nieuwe vragen gesteld worden. Dit zal zijn invloed hebben op onze waardering van het bodemarchief en op individuele monumenten. Nuenen realiseert zich dat er behoefte is aan een regie op de onderzoeken die in de gemeente worden uitgevoerd en aan een regelmatige evaluatie van de resultaten. Die evaluatie kan dan leiden tot een bijstelling van de beleidskaart. Een cyclus van vijf jaar lijkt daarin een realistische tijdspanne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afwegingen die de gemeente maakt over het al dan niet voorschrijven van (voor)onderzoek bij bouw- of inrichtingsplannen spelen de mogelijkheden tot kenniswinst een belangrijke rol. Archeologisch onderzoek is kostbaar en dient te leiden tot meer en betere kennis van het verleden. Natuurlijk is het resultaat niet altijd voorspelbaar, maar de gemeente wil in de komende jaren proberen het instrumentarium, om te komen tot een effectievere inzet op archeologie, uit te bouwen. Daarbij denkt de gemeente aan de ontwikkeling van een lokale of regionale onderzoeksagenda en daaraan gekoppeld het transparanter maken van het selectiebeleid voor archeologisch waardevolle gebieden. In zo’n onderzoeksagenda krijgt het opvullen van kennislacunes met betrekking tot het Nuenense bodemarchief extra aandacht. Omdat archeologisch onderzoek in Nuenen tot op heden vrij beperkt is geweest, zijn de onderzoeksvragen voor de komende jaren breed en vooral gericht op inventarisatie van kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aandachtspunten van het archeologisch onderzoek binnen Nuenen liggen op de late prehistorie, Romeinse tijd en de middeleeuwse ontwikkeling. In de dorpskernen en onder de oude esdekken is het bodemarchief het omvangrijkst. Het buitengebied is onlosmakelijk onderdeel van de diverse dorpskernen. Het zwaartepunt ligt hier in de bewoningsgeschiedenis in de omgeving van de stad (bewoningssporen uit de diverse cultuurperioden) en de innovaties in de landbouw door de eeuwen heen. Hieronder vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opsporen van vindplaatsen uit de vroege prehistorie, om meer grip te krijgen op de archeologische verwachting voor deze periode en onderzoek naar de leefwijze en nederzettingsstructuur van jagers en voedselverzamelaars;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vaststellen van de dichtheid en de verspreiding van de bewoning in de bronstijd en de ijzertijd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek van nederzettingen uit de periode kort voor, en rond de komst van de Romeinen, om meer grip te krijgen op de relatie inheemse bevolking – Romeinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek van Romeinse nederzettingen met aanwijzingen voor steenbouw en een religieuze functie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek van vindplaatsen uit de 4e - 6e eeuw na Chr. Over deze periode is onze kennis uiterst summier;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de gehuchten, dorpen, kerken en kloosters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar nederzettingen van landbouwers en afstemming op landschappelijke mogelijkheden en technologische ontwikkelingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar de ontwikkeling en ruimtelijke spreiding van bijbehorende elementen als begraafplaatsen en landbouwsystemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar de productie, de distributie en het gebruik van hulpmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke archeologische thema’s in Nuenen zijn verder: kerken en kloosters, watermolens, bewoningscontinuïteit, landschapsreconstructie, ontginningen in de (hoge) middeleeuwen (11e-15e eeuw) en het ontstaan en de ontwikkeling van de verschillende dorpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologisch onderzoek in de gemeente Nuenen kan bijdragen aan het opvullen van leemten in de wetenschappelijke kennis over de bewoningsgeschiedenis en de ontwikkeling van het cultuurlandschap. Niet alleen vanuit lokaal perspectief, maar ook in regionaal verband is kennis over het verleden van Nuenen belangrijk, waaronder bijvoorbeeld het vergelijken van tal van culturele verschijnselen in de regio. Daarnaast is kennis over het Nuenense verleden van belang op het niveau van het Zuid-Nederlandse dekzandgebied als geheel, zoals verwoord in het universitaire onderzoeksprogramma ‘Zuid-Nederland project’ en de uitgebreide in 2006 gelanceerde Nederlandse onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). De website van de NOaA (www.noaa.nl) bestaat uit hoofdstukken over alle vormen van archeologisch onderzoek op het Nederlands grondgebied, onderverdeeld naar regio, archeologische periode of thema. Elk hoofdstuk is het product van een team van specialisten die spraakmakende thema’s formuleren waaraan nieuw uitvoerend onderzoek een bijdrage kan leveren. Zoveel mogelijk wordt aangegeven wat in de uitvoeringspraktijk de meest geschikte methoden zijn om deze vragen te onderzoeken en te beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toekomst wil de gemeente Nuenen graag toe naar een regionale onderzoeksagenda. Een regionale onderzoeksagenda geeft inzicht in de aanwezige archeologische kennis van een bepaalde regio en geeft aan wat nog belangrijke onderzoeksvragen en thema’s zijn die nader onderzoek behoeven. Met een regionale onderzoeksagenda kunnen de gemeenten binnen een samenhangende regio gebruik maken van resultaten van archeologisch onderzoek uit elkaars grensgebieden, met de mogelijkheid voor lokale accenten. De onderzoeksagenda geeft dus aan waar nieuw uitvoerend onderzoek een bijdrage aan kan leveren, alsook wat de meest geschikte onderzoeksmethoden zijn voor de beantwoording van deze vragen. Hiermee kan deze ingezet worden als instrument voor de selectie en waardering van vindplaatsen en het opstellen van Programma’s van Eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.5 Voorlichting- en informatie voor betrokkenen De gemeente voert een actief communicatiebeleid op het gebied van archeologie (loketfunctie), zodat de consequenties van haar beleid van meet af aan helder zijn voor grondeigenaren en gebruikers. Archeologische informatie wordt steeds up to date gehouden en is gemakkelijk toegankelijk, bijvoorbeeld door de meest actuele versie van de archeologische beleidskaart op te nemen in het gemeentelijk bodem- of vastgoedinformatiesysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de geest van Malta worden de resultaten van uitvoerend archeologisch onderzoek gebruikt om inwoners van de gemeente te informeren en bewust te maken van de geschiedenis van hun leefomgeving. Een goede samenwerking tussen enerzijds amateur-archeologen en lokale historici, en anderzijds de professionele uitvoerders wordt als onmisbaar gezien voor een goed functionerende archeologische zorg. De gemeente stimuleert daarbij dat locale amateur-archeologen en vrijwilligers kunnen participeren in archeologische opgravingen op het gemeentelijk grondgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een effectief informatie- en communicatiebeleid is het van groot belang dat: alle betrokkenen binnen de gemeentelijke organisatie op de hoogte zijn van het gemeentelijke archeologiebeleid en de eisen die dit met zich meebrengt ten aanzien van de ruimtelijke ingrepen; er op gemeentelijk niveau een nauwe afstemming en heldere werkafspraken worden gemaakt tussen de sectoren monumentenzorg, ruimtelijke ontwikkeling, milieu, e.d. hetzelfde geldt voor de diensten en sectoren die (ook kleinschalige) bodemverstorende ingrepen plegen (o.a. groenvoorziening, waterbeheer, riolering, kabels/leidingen); inwoners en potentiële bodemverstoorders helder en eenduidig worden geïnformeerd over het gemeentelijke archeologiebeleid. Dat wil zeggen de vastgestelde eisen op het gebied van de AMZ, het veroorzakersprincipe, eventuele gemeentelijke bijdrageregelingen, e.d. resultaten van archeologisch onderzoek beschikbaar komen voor presentatie aan het publiek c.q. de inwoners van de gemeente. In de “geest van Malta” wordt het gemeentelijke AMZ-beleid en de resultaten van uitvoerend archeologisch onderzoek gebruikt om inwoners van de gemeente te informeren en bewust te maken van de geschiedenis van hun leefomgeving; de gemeente stimuleert dat lokale amateur-archeologen en vrijwilligers kunnen participeren in de archeologische opgravingen op gemeentelijk grondgebied; er een vast aanspreekpunt voor archeologie binnen de gemeente is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.6 Nadere financiële reglingen Bij de bekostiging van de AMZ is het van belang een onderscheid te maken tussen de algemene uitvoeringskosten van het gemeentelijke beleid en projectgebonden uitvoeringskosten. De algemene uitvoeringskosten kunnen worden gezien als apparaatskosten (eventueel op te vatten als de bestuurslasten), noodzakelijk voor het nakomen van de generieke gemeentelijke taakstelling. Het Rijk verstrekt via een uitkering uit het gemeentefonds een bestuurslasten vergoeding aan gemeenten en provincies voor de aanloop- en uitvoeringskosten die gepaard gaan met de invoering van de wet op de archeologische monumentenzorg. Deze bestuurslasten vergoeding via het gemeentefonds heeft een structureel karakter. De gemeente is verder zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de AMZ in het gemeentebudget opneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De projectgebonden uitvoeringskosten zijn de kosten van het doorlopen van het archeologisch proces om het behoud van informatie te garanderen en/of te komen tot een verantwoorde afweging van belangen. In tegenstelling tot de generieke kosten, zijn deze in de meeste gevallen direct te relateren aan individuele bouw- en inrichtingsprojecten via het ‘verstoorder betaalt’-principe. Binnen deze projecten kan vervolgens weer een onderscheid gemaakt worden tussen gemeentelijke projecten (bijvoorbeeld voor de inrichting van de openbare ruimte), projecten van andere overheden, private initiatieven en alle gradaties daartussenin. Binnen de bestaande wet- en regelgeving staat de gemeente verschillende mogelijkheden voor het doorberekenen van de archeologiekosten in niet-gemeentelijke projecten ter beschikking. Te denken valt aan het verrekenen van archeologiekosten via de gronduitgifte, exploitatieovereenkomsten of een vorm van baatbelasting. Via het veroorzakerprincipe kan de gemeente de benodigde archeologische werkzaamheden in private projecten aan de initiatiefnemer van de ruimtelijke ingreep opdragen. De gemeente accordeert in dat soort gevallen overigens wel de randvoorwaarden waarbinnen die werkzaamheden dienen plaats te vinden (via een Programma van Eisen, en eventuele aanvullende kwaliteitseisen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de implementatie van het gemeentelijke beleid en de bijbehorende vergunningsvoorschriften kan de gemeente in belangrijke mate invulling geven aan het zogenaamde veroorzakerprincipe. Van initiatiefnemers tot ruimtelijke ingrepen kan op basis daarvan verlangd worden dat zij de kosten van benodigde archeologische maatregelen en werkzaamheden voor hun rekening nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de gemeente zelf is echter een belangrijke initiatiefnemer tot ruimtelijke ingrepen en zal daar dus ook naar moeten handelen. Dit betekent dat in de gemeentelijke projectbegrotingen voor projecten gelegen in de hoge en gematigde verwachtingsgebieden de benodigde reserveringen voor archeologisch vervolgonderzoek zullen moeten worden gemaakt. De gemeente heeft daarbij ook een belangrijke voorbeeldfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zal de gemeente na moeten denken over de wijze van financiering van onderzoekskosten indien archeologische (toevals)vondsten gedaan worden bij niet-vergunningplichtige en uitgeselecteerde projecten of bij ingrepen die binnen de vastgestelde vrijstelling van onderzoek vallen in de gebieden met een lage, middelhoge en hoge verwachting.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Het gemeentelijk archeologiebeleid in de praktijk Met het opstellen van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en de keuze voor de invulling van het AMZ-beleid is het kader geformuleerd voor de realisatie van het gemeentelijk beleid op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Voor een succesvolle archeologische monumentenzorg is echter meer nodig dan een kader. Het komt daarbij vooral aan op een zorgvuldige en pragmatische uitvoering. In het laatste deel van dit beleidsplan wordt daarom stilgestaan bij de wijze waarop de gemeente de komende jaren het beleid concreet wil gaan invullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instrumentarium Conform het rijks- en provinciaal beleid is behoud van archeologische waarden in situ het uitgangspunt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien behoud niet mogelijk is, wordt een archeologische vindplaats opgegraven. Daarbij geldt het principe van “de verstoorder betaalt”;</p>\n<p class=\"lf-p\">De archeologische beleidskaart wordt formeel richtinggevend bij ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologisch waardevolle terreinen binnen de gemeente worden planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan en gekoppeld aan een stelsel van aanlegvergunningen en bouwvoorschriften;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente stelt zich daarbij ten doel om, in overleg met de provincie, een inhoudelijk toetsingskader vast te stellen waarbij zij op het gebied van de AMZ zoveel mogelijk autonoom beslissingen kan nemen bij ruimtelijke planvorming;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden door de gemeente zelf archeologisch waardevolle gebieden geselecteerd, waarbij het behoud van een representatief beeld van het gemeentelijk bodemarchief (naar periode en vindplaatstype) het uitgangspunt is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van nieuw vrijgekomen informatie (bodemingrepen, vrijstellingen, onderzoek, e.d.) worden veranderingen in het bodemarchief (waarden en verwachtingen) jaarlijks geactualiseerd op de archeologische basiskaart, die de basis vormt voor de beleidskaart. Op basis van de wijzigingen wordt de kaart en het beleid om de 5 jaar geëvalueerd en verwerkt in een geactualiseerde beleidskaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te komen tot een verantwoorde afweging van de archeologische belangen bij beslissingen over ruimtelijke ingrepen zal het gemeentebestuur zich tijdens het doorlopen van het AMZ-proces bedienen van deskundig advies van een daartoe gekwalificeerd archeoloog. De eisen hiervoor staan omschreven in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar rol van bevoegd gezag ziet de gemeente er op toe dat bij de uitvoering van alle vormen van archeologisch onderzoek wordt gewerkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar rol van opdrachtgever van ruimtelijke ingrepen ontwikkelt de gemeente zich tot een goed opdrachtgever van archeologische werkzaamheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente ziet er op toe dat alle relevante informatie uit alle uitgevoerde archeologische projecten in de gemeente beschikbaar komt voor de verdere ontwikkeling van gemeentelijk beleid, alsmede voor presentatie en publicatie. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de vergaarde kennis over het bodemarchief versnipperd raakt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een handleiding archeologie voor alle betrokken gemeentelijke afdelingen opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende hoofdstukken wordt een aantal uitvoeringsaspecten uitgewerkt die voor de gemeente de meeste aandacht en inzet zullen vereisen. Achtereenvolgens zijn dit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 10: het AMZ-proces: de archeologische procedure en handleiding voor het gebruik van de archeologische beleidsadvieskaart bij ruimtelijke ingrepen en nieuwe ontwikkelingsprojecten;</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11: voorschriftcategorieën en wijze van opneming van archeologische waarden in bestemmingsplannen;</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12: voorbereiding en uitvoering van archeologische onderzoek in de gemeente en het toezicht op de kwaliteit;</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 13: archeologie en publiek: draagvlakverbreding, inpassing en visualisering van archeologie in nieuwbouw- en inrichtingsprojecten (behoud in situ);</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 14: Informatievoorziening- en publieksvoorlichting;</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 15: De positionering van AMZ-taken in de gemeentelijke organisatie;</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 16: Financiering.</h3>\n<p class=\"lf-p\">10Het AMZ-proces: onderzoek in stappen 10.1 Procedure Het AMZ-proces is een vorm van trechtering, waarbij begonnen wordt met betrekkelijk eenvoudige onderzoeksmethoden en de meer complexe en kostbare werkzaamheden pas later in het proces alleen worden toegepast op vindplaatsen die deze investeringen waard zijn. Zo wordt via een proportionele inzet van middelen gekomen tot een afweging van het archeologische belang in het kader van de ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces dat binnen de gemeente moet leiden tot de vraag of er een bouw-, sloop- of aanlegvergunning binnen een aangewezen archeologische zone kan worden verleend, is onder te verdelen in een aantal stappen, het zgn. archeologische stappenplan (zie bijlage 8: handleiding archeologische beleidskaart). Zolang archeologische terreinen en verwachtingszones niet in de bestemmingsplannen zijn opgenomen, geldt dit stappenplan ook bij bestemmingsplanwijzigingen en projectbesluiten. Iedere stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is om een verantwoorde beslissing over eventuele vervolgacties te kunnen nemen. Als er niet voldoende bekend is over de aard en kwaliteit van de archeologische resten (en dus over de gevolgen van de geplande ingreep) kan de gemeente verlangen dat de initiatiefnemer onderzoek laat verrichten waarmee de benodigde informatie wordt verzameld over de aard en kwaliteit van de aanwezige archeologische resten. Op basis van het onderzoeksrapport daarover neemt de gemeente een besluit over het al dan niet verlenen van een vergunning en of daaraan nadere voorwaarden worden verbonden (zoals het verrichten van verder onderzoek, aanpassing van het plan, of een eventuele opgraving).</p>\n<p class=\"lf-p\">Randvoorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle stappen geldt dat de uitvoering ervan dient plaats te vinden conform specificaties vastgelegd in de protocollen en leidraden van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA);</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de onderdelen inventariserend veldonderzoek (IVO-overig en IVO-proefsleuven), opgraven en archeologische begeleiding geldt dat uitvoering alleen is voorbehouden aan bedrijven met een zgn. opgravingsvergunning;</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van inventariserend veldonderzoek (IVO-overig: o.a. boringen) vindt plaats op basis van een door een seniorarcheoloog opgesteld of goedgekeurd Plan van Aanpak. Het bevoegd gezag speelt hierin geen rol;</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van werkzaamheden in het kader van stappen 3 en 4 vindt plaats op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Dit geldt alleen voor proefsleuvenonderzoek, opgraving, inpassingsmaatregelen (behoud in situ middels een PvE) en archeologische begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten om een archeologische vindplaats op te geven (= geen nader onderzoek nodig; vaak aangeduid als “deselectie”) worden door het bevoegd gezag genomen op basis van een (KNA-conform) selectieadvies van een erkende archeologische instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schematische voorstelling van het AMZ-proces (bron: KNA 3.1). Het selectiebesluit wordt telkens genomen na een archeologische onderzoeksstap: bureauonderzoek en de diverse fasen van vooronderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Toelichting op de archeologische beleidskaart In bijlage 1 is behandeld hoe de archeologische verwachtingen- en waardenkaart c.q. beleidskaart is ontwikkeld uit de uitgevoerde inventarisatie en analyse van waarnemingen en geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het grondgebied van de gemeente Nuenen en de regio Zuidoost-Brabant, en wat de argumentatie is om te komen tot de benoeming van de verschillende verwachtingen. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe met terreinen van een bepaalde archeologische verwachting omgegaan moet worden in het ruimtelijk beleid, om te komen tot een juiste en zorgvuldige behandeling van de (mogelijke) cultuurhistorische waarden in de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op de beleidskaart aangegeven grenzen van de archeologische zones die onderscheiden worden, zijn in de eerste plaats bepaald op grond van de verspreiding van bekende archeologische gegevens uit het gebied en de verwachtingen op grond van het model. Daarnaast zijn de verwachte omvang van de archeologische sporen en de huidige perceelsgrenzen bepalend geweest om verwachtingszones op een voor het ruimtelijke beleid bruikbare wijze af te grenzen. In de volgende paragraaf beschrijven we de archeologische consequenties die de zones met de verschillende verwachtingen voor het beleid hebben. Hieronder wordt per geformuleerde verwachting kort ingegaan op de typering van de daartoe behorende terreinen en volgt een formulering van het archeologisch onderzoek dat op grond van deze typering geadviseerd wordt. We sluiten af met een samenvattend overzicht waarin verwachtingen en de hieruit voortvloeiende adviezen voor archeologische acties als basis voor het gemeentelijk archeologisch beleid benoemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen zonder archeologische verwachting Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart vallen verder onder terreinen zonder archeologische verwachting: gebieden waar archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden en waarbij is vastgesteld door veldonderzoek dat de archeologisch verwachting of archeologische waarde niet meer aanwezig is; gebieden waarvan is vastgesteld dat deze zijn afgegraven of ontgrond en waar geen behoudenswaardige archeologie meer aanwezig is; grotere waterpartijen, waaronder ook geen behoudenswaardige archeologie meer aanwezig is; grootschalige nieuwbouwwijken en huizen die gebouwd zijn na 1980.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologisch onderzoek is hier alleen noodzakelijk bij m.e.r. plichtige inrichtingsprojecten en projecten die onder de tracéwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen met een lage archeologische verwachting De trefkans op archeologische resten is in deze gebieden op landschappelijke gronden, in vergelijking met de overige zones, relatief laag. Het gaat meestal om lager gelegen en minder vruchtbare gronden. Toch werden deze gebieden incidenteel wel gebruikt. Zo kunnen hier grafvelden voorkomen, liepen er wegen en werd er vee geweid of plaggen gestoken; ook kunnen er nederzettingen uit de Steentijd voorkomen. In moerassige gebieden, met vennen en beekdalen kunnen rituele deposities aanwezig zijn. De conservering van organisch materiaal (bijvoorbeeld: hout, leer en bot) in deze natte zones is bovendien erg goed. Het probleem van deze vondstcategorieën is echter dat het uiterst geringe vondstdichtheden betreft die qua ruimtelijk beslag zeer klein zijn en zich ook nog eens zeer lastig laten opsporen. Over het gebruik van de beekdalen is weinig bekend, en incidenteel zijn spectaculaire en bijzondere vondsten zoals bronzen bijlen of goed geconserveerd organisch materiaal aangetroffen. Om die reden zijn deze gebieden tot speerpunt van rijksbeleid gemaakt, en zijn ze niet gevrijwaard van archeologisch onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste stap in het archeologisch onderzoek op dergelijke terreinen is een bureauonderzoek waarbij mogelijk bepaald kan worden of in het verleden reeds stukken van het terrein zijn verstoord en welke vindplaatsen in het verleden in de omgeving zijn aangetroffen. Indien vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht zal dit vaak plaats vinden in de vorm een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding aangezien de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen door middel van grondboringen erg klein is. Om de onzekere archeologische verwachtingen op een financieel aanvaardbare wijze te behandelen, wordt voor terreinen met een lage archeologische verwachting in beekdalen archeologische begeleiding aanbevolen bij grootschalige inrichtingsprojecten met een omvang van meer dan 1 ha, waaronder de aanleg van ecologische verbindingen, om verspreide archeologische resten te kunnen documenteren. Rekening moet worden gehouden met de doorstart van een archeologische begeleiding in een opgraving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen met een middelhoge archeologische verwachting Op basis van de landschappelijke, geologische en bodemkundige situatie en de verspreiding van de bekende archeologische vondsten is de trefkans op archeologische relicten in deze gebieden middelhoog. Deze gebieden waren in het verleden geschikt voor bewoning maar werden ook voor andere activiteiten gebruikt. Meestal gaat het hierbij om de dekzandvlakten en beekdalen. Deze gebieden zijn in het verleden niet zo sterk opgehoogd als de terreinen met een hoge archeologische verwachting. Toch is een substantieel deel van de archeologische vondsten die in het verleden zijn gedaan van dergelijk terreinen afkomstig. Met name in het beekdal kunnen eventuele sporen door de vrij natte omstandigheden erg goed geconserveerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze terreinen is geen of niet zo’n dik beschermend ophogingspakket aanwezig is dat eventuele resten goed beschermd heeft. Geadviseerd wordt daarom in geval van planontwikkeling op terreinen met een middelhoge archeologische verwachting in eerste instantie een bureau- en booronderzoek te laten uitvoeren waarbij mogelijk bepaald kan worden of in het verleden reeds stukken van het terrein zijn verstoord en welke vindplaatsen in het verleden in de omgeving zijn aangetroffen. Op basis van die verdere definiëring kan het verdere traject op het gebied van archeologisch beleid per locatie bepaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In als ‘mogelijk verstoorde gebieden’ gemarkeerde terreinen kunnen verkennende boringen in eerste instantie voldoende zijn. Rekening moet worden gehouden met vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en/of opgraving. Delen van deze zone zijn bebouwd. Bebouwing van na 1980 is op de kaart weergegeven als verstoord omdat ervan uitgegaan mag worden dat de bouwputten sinds die tijd standaard tot in het gele zand uitgegraven werden. Tussen de huizen bestaan echter nog grote open ruimtes bestaande uit bijvoorbeeld achtertuinen en pleintjes. Bij verschillende onderzoeken is gebleken dat op dergelijke deels bebouwde terreinen nog voldoende archeologische informatie aangetroffen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen met een hoge archeologische verwachting Deze terreinen liggen in zones van het landschap waar volgens het in hoofdstuk 6 beschreven model de meeste archeologische vindplaatsen verwacht mogen worden. De uitgestrektheid van het gebied met een hoge archeologische verwachting houdt een direct verband met de ligging van de gemeente Nuenen op een aantal langgerekte vruchtbare dekzandruggen langs de beekdalen van de Dommel en Kleine Dommel, met in de directe nabijheid volop heide- en beemdgebied. Deze ligging verklaart de grote archeologische rijkdom van de gemeente. Deze gebieden waren in het verleden geschikte locaties voor bewoning. Meestal gaat het hierbij om hogere zandruggen die relatief dicht bij de beken lagen. Vanaf de Late Middeleeuwen zijn deze terreinen vaak als akker gebruikt waarbij door plaggenbemesting de gronden langzamerhand zijn opgehoogd en een zogenaamd plaggen- of esdek is ontstaan. Dit ophogingspakket heeft oudere bewoningssporen vaak goed geconserveerd. Veel van de archeologische vondsten die in het verleden zijn gedaan zijn afkomstig van deze terreinen. Ook in naburige gemeenten is vastgesteld dat vergelijkbare gebieden vaak rijk zijn aan archeologische resten. De kans op het aantreffen van relatief goed bewaarde sporen van vroegere bewoners is derhalve vrij groot Een hoge archeologische verwachting betekent niet dat iedere vierkante meter ook daadwerkelijk resten uit het verleden zal herbergen, gesteld kan worden dat er een grote archeologische trefkans bestaat. Dit houdt in dat in deze delen van de gemeente bij voorgenomen bodemverstorende activiteiten in principe inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven wordt aangeraden. Het is echter niet verstandig voor iedere kleinschalige bodemingreep (bijvoorbeeld voor het uitbreiden van een woonhuis), een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De kosten zullen geen proportioneel deel uitmaken van de totale bouwkosten, de archeologische bevindingen zullen door het ontbreken van context een gedeelte van hun waarde verliezen. Geadviseerd wordt daarom om alleen bij grootschalige ingrepen in de bebouwde gebieden van voor 1980 een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven en/of boringen tussen de huizen te laten uitvoeren. Bij verbouwing van individuele huizen waarbij graafwerkzaamheden plaatsvinden, kan volstaan worden met het toestaan van archeologische waarnemingen en/of het laten uitvoeren van een archeologische begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In als ‘mogelijk verstoorde gebieden’ gemarkeerde terreinen kunnen verkennende boringen in eerste instantie voldoende zijn. Rekening moet worden gehouden met vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en/of opgraving. Delen van deze zone zijn bebouwd. Bebouwing van na 1980 is op de kaart weergegeven als verstoord omdat ervan uitgegaan mag worden dat de bouwputten sinds die tijd standaard tot in het gele zand uitgegraven werden. Tussen de huizen bestaan echter nog grote open ruimtes bestaande uit bijvoorbeeld achtertuinen en pleintjes. Bij verschillende onderzoeken is gebleken dat op dergelijke deels bebouwde terreinen nog voldoende archeologische informatie aangetroffen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen met archeologische waarde en archeologische monumenten (bijlage 3) Voor deze delen van de gemeente is het op basis van de reeds bekende archeologische gegevens en/of op basis van de landschappelijke of historische ligging van de terreinen vrijwel zeker dat er belangrijke archeologische waarden in de grond aanwezig zijn. Het betreft de (wettelijk) beschermde monumenten, en de delen van de gemeente die op basis van de bekende archeologische waarnemingen aantoonbaar vindplaatsen bevatten of die vanwege hun ligging een zeer grote kans op het herbergen van een vindplaats hebben. Bij bodemroerende activiteiten zullen vrijwel altijd archeologische resten voor de dag komen. Deze resten zijn bovendien meestal van hoge waarde. Het valt te overwegen een aantal van deze terreinen in de toekomst op te nemen op de lijst van gemeentelijke archeologische monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gemeente liggen drie wettelijk beschermde monumenten, die allen behoren tot de grafheuvels en het urnenveld rond Gulbergen en Hanenven. Op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Noord-Brabant zijn voor Nuenen 6 terreinen aangemerkt als terreinen van hoge archeologische waarde en 3 terreinen van archeologische waarde. Op de gemeentelijke kaart zijn deze terreinen samengebracht onder de categorie terrein van archeologische waarde. Verder zijn aan deze categorie de oude dorpskernen en andere bekende historische nederzettingen van archeologische waarde toegevoegd. De omtrek van de dorpskernen en historische gehuchten van Nuenen is vastgesteld aan de hand van zichtbare bebouwing en percelering op de kadastrale minuut van 1832 alsmede uit bestaande literatuur. Om de dorpskernen en gehuchten is een buffer van circa 100 meter aangehouden waaraan eveneens een archeologische waarde wordt toegekend. Op dezelfde wijze is aangemerkt de omgeving van enkele historisch bekende (omgrachte) boerderijen, watermolens, kloosters, kerken en kapellen. Rondom deze veronderstelde locaties is een buffer van 25 m gelegd. Omdat rond de (voormalige) dorpskernen en gehuchten over een wat grotere afstand archeologische relicten verwacht kunnen worden dan bij individuele objecten wordt bij de eerste een grotere bufferzone aangehouden dan bij de tweede.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Praktische consequenties: wel of geen onderzoekseisen Binnen de archeologische monumenten, gebieden van archeologische waarde en gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachting zal, in lijn met de wijziging van de Monumentenwet 1988 (Wet op de Archeologische Monumentenzorg), van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een (financiële) inspanning gevraagd kunnen worden om resten uit het verleden op te sporen en zo nodig veilig te stellen. Deze terreinen en gebieden beslaan slechts een deel van het gemeentelijke grondgebied. Binnen deze gebieden gelden voor bepaalde ingrepen en activiteiten een aantal vrijstellingen. In zo’n vrijstellingssituatie kan soms tijdens de uitvoering van het werk op archeologische resten gestuit worden, en ook buiten de aangewezen gebieden kunnen soms archeologische resten gevonden worden. Uit de verspreiding van alle archeologische waarnemingen op de kaart blijkt bijvoorbeeld dat ook in de zones met een lage verwachting vondsten zijn gedaan. Het gaat hierbij met name om vondsten of vindplaatsen die, zoals eerder al is aangegeven, niet in een verwachtingsmodel zijn te vangen. In het geval dat in die gebieden toch archeologische resten worden aangetroffen zal de gemeente het initiatief nemen om tot een verantwoorde oplossing te komen. De Monumentenwet verplicht overigens grondeigenaren en vinders van archeologische waarden deze direct bij de gemeente te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een algemene vrijstelling van de in bestemmingsplannen vast te leggen onderzoekseis opgenomen voor bodemingrepen kleiner dan 100m2. Deze vrijstelling geldt niet voor bodemingrepen in aangewezen archeologische monumenten. Het valt om die reden te overwegen een aantal “gebieden van archeologische waarde” binnen de gemeente in de toekomst aan te wijzen als gemeentelijk monument. Bij bepaalde archeologische vindplaatsen kunnen namelijk ook ingrepen kleiner dan 100m2 tot aanzienlijke schade leiden en zou de gemeente in staat moeten worden gesteld dit soort ingrepen te beperken of daaraan voorwaarden te verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlaktecriteria voor de vrijstellingen zijn gebaseerd op de archeologische trefkans. Hoe kleiner deze is, hoe groter een onderzoeksgebied moet zijn om een redelijke kans te creëren archeologische relicten aan te treffen. Om nieuwe vindplaatsen op te kunnen sporen moet dus sprake zijn van een minimale omvang. In de gebieden van een middelhoge verwachting is sprake van de combinatie van onderzoekslacune en een geringe dichtheid aan vindplaatsen. De doelstelling is hier om bij grotere ingrepen in de toekomst vooronderzoek te realiseren zodat de bestaande kennislacune kan worden opgevuld. Vindplaatsen in deze gebieden nemen vaak een groot areaal in beslag waardoor ingrepen kleiner dan 500 en 2.500 m2 die dieper gaan dan 50 cm acceptabel worden geacht. Met de twee vrijstellingsdieptes van 30 en 50 cm is vervolgens een balans gezocht tussen archeologisch verantwoord handelen en dat wat maatschappelijk en praktisch haalbaar is. In sommige delen van het Nuenense grondgebied liggen archeologische vondsten dicht aan het oppervlak. Op de dekzandruggen bevindt zich veelal een beschermend ophogingspakket, een zogenaamd es- of plaggendek, dat eventuele archeologische resten goed beschermd heeft. Ondiepe ingrepen zullen dergelijke resten niet aantasten en zijn daarom toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kleine, en vrijstellingsvrije, ingrepen zou in aanvulling daarop tevens een algemene bepaling in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen, die het mogelijk maakt op initiatief van de gemeente archeologische waarnemingen te doen en interessante vondsten te documenteren. Op grond van de Monumentenwet is dit bij concrete aanwijzingen overigens ook door de Minister van OCW (onderwijs, cultuur en wetenschap) al afdwingbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het Verdrag van Malta geredeneerd, dat uitgaat van behoud in situ waar mogelijk, zou het advies zijn zoveel mogelijk over te gaan tot bescherming van deze terreinen. Dit betekent in theorie dat er geen bodemverstorende activiteiten in deze gebieden zouden kunnen plaatsvinden. In de praktijk is dit echter niet altijd haalbaar en wenselijk: economische en/of sociale belangen kunnen prevaleren boven de cultuurhistorische. Indien bodemverstorende activiteiten, die kunnen leiden tot aantasting van het bodemarchief, niet te voorkomen zijn, is een inventariserend veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven noodzakelijk. Op terreinen met een hoge archeologische verwachting heeft dergelijk onderzoek tot doel aan te tonen of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn, op terreinen met archeologische waarde wordt een IVO aangewend om de begrenzing en de mate van verstoring van de reeds bekende archeologische vindplaatsen vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij terreinen met een hoge archeologische verwachting zal lang niet altijd vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving als vervolg van het IVO geadviseerd worden. Bij terreinen met archeologische waarde volgt een opgraving automatisch, ténzij uit het vooronderzoek blijkt dat de rand van een vindplaats bereikt is of de archeologische resten sterk verstoord zijn. Bij monumenten met een wettelijke status dient bij beleidsvorming altijd rekening gehouden te worden met het beleid van de overheidsinstantie die het terrein deze wettelijke status heeft gegeven (Provincie Noord-Brabant of Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten).</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaande tabel wordt aangegeven in welke gebieden óf en wanneer archeologisch onderzoek vereist is. Daarnaast wordt aangegeven welke eerste onderzoeksstap uit het archeologische proces aanbevolen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Definitie Archeologisch onderzoek noodzakelijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste Onderzoekstap* 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied zonder archeologische verwachting Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek alleen bij MER-plicht en bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² Bureauonderzoek 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied met een lage archeologische verwachting Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek alleen bij MER-plicht en bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² Bureauonderzoek 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied met een middelhoge archeologische verwachting Bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm –maaiveld (50 cm bij esdek) Bebouwd Bureauonderzoek Grootschalige verstoringen Bureauonderzoek Onbebouwd Bureau- en booronderzoek 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied met een hoge archeologische verwachting Bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm –maaiveld (50 cm bij esdek) Bebouwd Bureauonderzoek Grootschalige verstoringen Bureauonderzoek Onbebouwd Proefsleuvenonderzoek 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied met archeologische waarde Bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm –maaiveld Proefsleuvenonderzoek 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologische monumenten Bij alle bodemingrepen ongeacht oppervlak of diepte Proefsleuvenonderzoek * Mogelijk verstoorde ondergrond: bij het archeologische vooronderzoek dient eerst de mate van verstoring dmv een verkennend booronderzoek te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Wijze van opnemen van archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen De gemeente streeft ernaar om in haar archeologisch monumentenzorgbeleid, en de vertaling daarvan in het ruimtelijke beleid, zoveel mogelijk aan te sluiten bij het vastgestelde Rijks- en Provinciale beleid. Het Rijk heeft vooral een rol als het gaat om de aanwijzing en bescherming van de Rijksmonumenten. De verdere ambities van het Rijk met betrekking tot het gemeentelijke bodemarchief zullen naar verwachting verwoordt worden in de aangekondigde selectienota van de Staatssecretaris voor Cultuur en Wetenschappen, die in 2008 wordt verwacht, en het beleidsplan van de nieuwe Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). De provinciale ambities met betrekking tot het archeologisch monumentenzorgbeleid zijn opgenomen in het Streekplan 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Streekplan is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgenomen, waarin zijn opgenomen de archeologische monumenten en verwachtingswaarden. Naast het streven naar verantwoord behoud en beheer van de bestaande monumenten en terreinen van archeologische waarden, heeft de provincie in de CHW een aantal regionale archeologische aandachts- en uitwerkingsthema ’s opgenomen. De provincie zal hiervoor in de komende jaren een actiever stimuleringsbeleid en toezichtregime gaan hanteren, gericht op het maximaal benutten van kansen om dit onderdeel van archeologisch bodemarchief beter te beheren en beleefbaar te maken. Veel gemeenten werken met verouderde bestemmingsplannen. Daardoor kunnen er nog jarenlang bodemverstorende activiteiten plaatsvinden zonder dat met het archeologisch belang rekening wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van de nieuwe Wro krijgen provincies instrumenten om de actualiteit van bestemmingsplannen te verhogen en zonodig af te dwingen via sanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1 Planologische bescherming In de nieuwe wetgeving zal archeologie meer dan voorheen ingebed moeten worden in het proces van de ruimtelijke ordening. Bij het bereiken van dit doel vormen structuurvisies en vooral het bestemmingsplan inclusief het daaraan verbonden bouw-, sloop- en aanlegvergunningenstelsel de belangrijkste instrumenten bij het behoud en beheer van het archeologisch erfgoed. Tot de bestemmingen die binnen een bestemmingsplan aan een gebied kunnen worden toegekend kan een bestemming als ‘archeologische waarde’ behoren. Deze bestemming zal meestal als dubbelbestemming worden toegekend. Dit houdt in dat als zodanig aangemerkte gebieden bestemd zijn voor behoud, versterking en herstel van de aan het gebied eigen zijnde archeologische waarden. Met nadruk zij vermeld dat het hier óók gaat om behoud van de naar verwachting aan te treffen archeologische waarden. Dit zijn dus waarden die nu nog niet bekend zijn en/of beschermd zijn als gevolg van de Monumentenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een gebied met een archeologische bestemming kunnen ook nog andere bestemmingen worden toegekend (dubbelbestemming). Het doel van de toegekende archeologische bestemming is namelijk niet het onmogelijk maken van de ontwikkeling van het gebied, maar het weren van activiteiten die een aantasting kunnen veroorzaken van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Indien een voorgenomen ontwikkeling geen bedreiging voor het bodemarchief vormt, dan moet deze doorgang kunnen vinden. Voor de gemeente Nuenen is per aangegeven archeologische bestemming een bescherming op maat gemaakt. Zo is een verschil gemaakt op basis van het gegeven of een locatie in een opgehoogd agrarisch buitengebied is gelegen of op een locaties met bekende, aanwezige archeologische waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden zullen er voorschriften gekoppeld worden aan de verschillende archeologische bestemmingen. Er kunnen bijvoorbeeld beperkingen gesteld worden aan het gebruik van het land of bouwvoorschriften worden opgenomen die aangeven aan welke beperkingen bouwactiviteiten eventueel onderhevig zijn, zoals geen bebouwing realiseren buiten de al bestaande bouwblokken. Vrijstelling wordt verleend als gebleken is dat de bouwactiviteiten of werkzaamheden, waarvoor ontheffing wordt aangevraagd, niet zullen leiden tot een verstoring van aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Ook kan gedacht worden aan vrijstelling als de omvang van het bouwwerk waarvoor de ontheffing aangevraagd wordt niet groter is dan een vastgesteld aantal vierkante meters of als de voorgenomen verstoring als gevolg van de aanleg van een bouwwerk niet dieper reikt dan een bepaalde diepte. Vrijstellingen zijn dus gebonden aan de omvang, diepe en locatie van de beoogde bodemingrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorschriften ten behoeve van het verkrijgen van een aanlegvergunning voor niet vrijgestelde activiteiten zal bepaald worden dat de aanvrager van de vergunning minimaal een rapport dient te overleggen, waarin de aard, omvang, diepteligging en datering van de eventueel aanwezige archeologische waarden is vastgesteld. Dat rapport dient ook een antwoord te geven op de vraag in hoeverre eventueel aanwezige archeologische waarden door de voorgenomen ontwikkeling bedreigd worden. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek en de waarde die aan de vindplaats gehecht wordt, kan vervolgens planinpassing of het behoud van de aanwezige archeologische waarden ex situ geëist worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de formulering van de onderstaande voorstellen voor een indeling in zes archeologische voorschriftcategorieën te gebruiken in bestemmingsplannen en vergunningenprocedures, is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds de wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en organisatorische uitvoerbaarheid. Ondanks de toegenomen aandacht voor archeologie en cultuurhistorie is het een illusie te trachten elk overblijfsel uit het verleden te onderzoeken of te beschermen. De voorgestelde voorschriften zijn daarbij zoveel mogelijk proportioneel afgestemd op de omvang van de eventuele ingreep, in combinatie met de kans dat daarbij belangwekkende en informatieve overblijfselen zullen worden aangetroffen. In deze waardevolle archeologische gebieden zal, in lijn met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg, van toekomstige initiatiefnemers een (financiële) inspanning gevraagd worden kunnen om resten uit het verleden veilig te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Bestemmingsplan categorieën In het bestemmingsplan zal, conform de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg, een regeling voor de omgang met archeologische waarden worden opgenomen. In het vigerende bestemmingsplan buitengebied is al een aantal voorschriften ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen opgenomen. Op basis van de archeologische beleidskaart, word de gemeente onderverdeeld in verschillende categorieën met daaraan gekoppelde voorschriften. De volgende 6 categorieën worden onderscheiden. Categorie 1 wordt beschermd door de voorschriften uit de Monumentenwet. De bescherming van de overige 5 categorieën wordt geregeld met behulp van voorschriften in de erfgoedverordening of in het bestemmingsplan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 1: Beschermd archeologisch monument. Archeologische resten die vanuit nationaal oogpunt behouden dienen te blijven en derhalve als monument beschermd zijn ingevolge art. 3 van de Monumentenwet of waar deze wordt voorbereid. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodemverstorende activiteiten, tenzij de Minister van OCW hiervoor vooraf vergunning verleent. Op grond van de gemeentelijke Monumentenverordening bestaat de mogelijkheid hieraan ook gemeentelijke monumenten toe te voegen en daar een vergelijkbaar beschermingsregime aan te verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 2: Gebied van archeologische waarde, inclusief historische kern. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,3 m –mv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 3: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m (0,5 m bij esdek) –mv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 4: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 m (0,5 m bij esdek) –mv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 5: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten uiterst klein wordt geacht. Op deze terreinen rust geen voorschrift om aanlegvergunning. Wel zal bij m.e.r. plichtige en grootschalige inrichtingsprojecten vanaf 10.000 m² en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Deze situaties vallen onder het regime van de Wet Milieubeheer en de Tracéwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 6: Gebied zonder archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Tenslotte vallen hieronder ook de zogenaamde gedeselecteerde gebieden (op basis van archeologisch onderzoek vrijgegeven gebieden). Op deze terreinen rusten in principe geen beperkingen. Wel zal bij m.e.r. plichtige inrichtingsprojecten en projecten die onder de tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd. Deze situaties vallen onder het regime van de Wet Milieubeheer en de Tracéwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het projectgebied betreft het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Omdat het verdrag van Malta van het principe bescherming in situ uitgaat is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Bij een bouw-, sloop- of aanlegvergunning wordt alleen het oppervlak van het projectgebied betrokken wat daadwerkelijk verstoord gaat worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitwerking van de verschillende categorieën in voorschriften met toelichting voor het bestemmingsplan zijn weergegeven in bijlage 2. De voorschriften voor categorie 3 en 4 zijn in feite identiek alleen dient daar steeds een groter gebied als minimum te worden opgenomen om buiten de vrijstelling te vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Implementatie archeologie in bestemmingsplannen in Nuenen Een methode om het beleid in één keer te implementeren is in theorie het opstellen van facetbestemmingsplan. Een facetbestemmingsplan kan van toepassing worden verklaard op bestaande vigerende bestemmingsplannen. Hierdoor zullen de in procedure zijnde plannen, die niet meer kunnen worden aangepast aan het archeologiebeleid, niet worden meegenomen. Indien het beleid voor langere tijd geïmplementeerd moet worden met een facetbestemmingsplan, moet er een moment zijn waarop er geen (grote) bestemmingsplannen in procedure zijn. Dit moment is niet te verwachten voor 1 juli 2009. Een dergelijk facetplan moet echter voor 1 juli 2009 in ontwerp ter visie hebben gelegen, daar het instrument facetbestemmingsplan na 1 juli 2009 vervalt. Met een facetbestemmingsplan kan dan ook maar een beperkt effect bereikt worden. De gemeente Nuenen kiest er dan ook voor om het archeologiebeleid gefaseerd via de reguliere herzieningen/actualisering van bestemmingsplannen te implementeren. Het archeologiebeleid zal echter wel worden gebruikt als afwegingskader voor ontheffingen, projectbesluiten etc. Hierdoor zullen gedurende een aantal jaren niet alle bestemmingsplannen gebaseerd zijn op het actuele beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een beeld te krijgen van de actuele stand van zaken met betrekking tot archeologie in de geldende bestemmingsplannen, zijn de grootste bestemmingsplannen van de gemeente Nuenen nagelopen en is gekeken wat in welk plan precies is opgenomen aan voorschriften en toelichting. Daarmee wordt een beeld verkregen van de huidige stand van zaken en het verloop van de implementatie van het voorgestelde archeologiebeleid voor bestemmingsplannen. In twee van de vier gecontroleerde bestemmingsplannen is archeologie opgenomen op de plankaart, toelichting en voorschriften. Voor gebieden met een hoge en middelhoge verwachting, zoals deze zijn weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart, wordt uitgegaan van de landelijk voorgeschreven plangrens van 100 m² en 30 cm onder maaiveld. Doordat de implementatie van het voorgestelde soepelere beleid zal worden uitgestreken over de komende tien jaar, betekent dit voor de gemeente Nuenen voorlopig:</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel (mogelijk deels zinloos) archeologisch onderzoek bij de aanvraag van aanleg-, sloop- en bouwvergunningen bij ingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het gebruik van de grofmazige Cultuurhistorische waardenkaart is er een verhoogd risico voor gemeente bij onverwachte vondsten in gebieden waar geen archeologisch onderzoek verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zal per bestemmingsplan moeten kijken hoe archeologie is opgenomen en welke eisen er dus gesteld worden aan wel of geen archeologisch onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar archeologische bepalingen in de bestemmingsplannen ontbreken, gelden de voorschriften die in de erfgoedverordening zijn opgenomen ten aanzien van archeologie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het archeologiebeleid zal als afwegingskader worden gebruikt voor ontheffingen, projectbesluiten etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Voorbereiding en uitvoering van archeologische (voor)onderzoek in de gemeente Nuenen Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen kan de nieuwe archeologiewetgeving en de beleidsmatige vertaling ervan door de gemeente grote financiële en/of organisatorische consequenties hebben. Niet alleen voor de gemeente zelf, maar ook voor grondeigenaren en -gebruikers, plannenmakers en initiatiefnemers van bodemingrepen. Gezien de grote financiële, planologische en cultuurpolitieke consequenties die aan archeologische selectiebesluiten verbonden kunnen zijn, is het van het grootste belang dat dit soort besluiten op een zorgvuldige, transparante, rechtvaardige en rechtmatige wijze tot stand komen. In ieder geval staan dit soort beslissingen open voor beroep- en bezwaar. Het bestemmingsplan moet dan ook voor alle betrokkenen inzichtelijk maken in welke gebieden archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is en waarom op andere plaatsen niet. In dat kader wordt ook gewezen op het belang van een goede voorlichting over de consequenties van het gemeentelijk AMZ-beleid aan potentiële bodemverstoorders in en buiten de gemeente. Een en ander is mede van belang in het kader van de naderende wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen Onroerende Zaken (Wkpb), waarmee gemeenten door rijk, provincie en private initiatiefnemers kan worden aangesproken op het aanleveren van betrouwbare inhoudelijke en beleidsmatige informatie over beperkingen die verbonden zijn aan een kadastraal perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.1 Maatwerk bij aanbesteding en uitvoering Archeologie blijft uiteindelijk maatwerk. Archeologische sporen die over het hoofd zijn gezien gaan ongezien verloren, of kunnen alleen via een kostbare last-minute reddingsoperatie worden gedocumenteerd. Bovendien kan een slecht uitgevoerd AMZ-proces leiden tot discussie en stagnatie in de planprocedure en het vergunningentraject, met alle gevolgen van dien. Een dergelijke situatie verkleint de kans op succesvolle inpassing van archeologische waarden. Door de tijdsdruk is een onvoorziene (en kostbare) opgraving vaak dan nog de enige mogelijkheid die overblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed uitgevoerd AMZ-proces is dus van belang voor alle partijen en voor het bodemarchief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente acht het daarom noodzakelijk om bij nieuw op te starten inrichtingsprojecten de noodzakelijke archeologische werkzaamheden van meet af aan op te nemen in de projectdefinitie, -scope en -begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het uitbesteden van uitvoerende archeologische werkzaamheden zal de gemeente zich opstellen als goed opdrachtgever. De opdrachtverantwoordelijke draagt in dat geval zorg voor de vastlegging van de uit te voeren werkzaamheden in een Plan van Aanpak of Programma van Eisen. Voor archeologische opgravingen en booronderzoeken is een dergelijk PvE danwel PvA altijd verplicht. Dat geldt overigens ook wanneer de gemeente de werkzaamheden in eigen beheer uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 Uit- en aanbesteden van archeologische werkzaamheden Voor vrijwel alle archeologische werkzaamheden gelden de volgende algemene uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologische werkzaamheden worden in concurrentie aanbesteed met als uitgangspunt een optimale prijs-kwaliteitverhouding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanbesteding van archeologische werkzaamheden gelden dezelfde (Europese) aanbestedingsregels als voor andere overheidsopdrachten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeren of uitbesteden van archeologische veldwerkzaamheden gebeurt op basis van een Plan van Aanpak (PvA) of Programma van Eisen (PvE). Hierin zijn de kwalitatief-inhoudelijke eisen verwoord;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gewerkt met archeologische bedrijven en instellingen die erkend zijn en werken volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verschillende fasen van het werk wordt toezicht gehouden op de uitvoering en waar nodig geëvalueerd en bijgestuurd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo mogelijk wordt de inbreng en participatie van lokale deskundigheid (amateurarcheologen, historische verenigingen, e.d.) als voorwaarde in de opdrachtverlening meegenomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente speelt een actieve rol bij het uitdragen van de onderzoeksresultaten, zowel aan de archeologische vakwereld als aan inwoners van de gemeente en belangstellenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3 Kwaliteitsborging Met de implementatie van de nieuwe Monumentenwet is eenieder die beroepshalve archeologische werkzaamheden verricht, gehouden aan de uitvoeringseisen, zoals geformuleerd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De gemeente heeft de plicht om bij het uitvoeren van archeologisch onderzoek erop toe te zien dat dit gebeurt door daartoe toegelaten bedrijven en conform de procedures en specificaties van de KNA. Dat geldt zowel voor de werkzaamheden waarvoor de gemeente als opdrachtgever fungeert als voor werkzaamheden die door de gemeente op grond van een vergunningaanvraag verlangd worden van initiatiefnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologisch (vervolg)onderzoek dient altijd plaats te vinden op basis van een Plan van Aanpak (PvA) of een goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Indien de gemeente (mede)initiatiefnemer is, wordt geadviseerd hieraan een financiële raming toe te voegen. In het betreffende document dient de specifieke vraagstelling voor het onderzoek gekoppeld te worden aan een op de locatie toegesneden onderzoeksstrategie. De archeologische vraagstellingen dienen aan te sluiten bij landelijke en regionale wetenschappelijke onderzoeksthema’s. De recent verschenen Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) kan hierbij een belangrijke inspiratiebron zijn. Op dit moment wordt bij het uit- en aanbesteden van archeologisch vervolgonderzoek meestal gewerkt op basis van richtlijnen van de provincie. Met de terugtredende rol van de provincie kan het nuttig zijn hiervoor een eigen set van richtlijnen op te (laten) stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 Informatievoorziening en kennismanagement Met de invoering van de Wamz heeft de archeologie binnen gemeenten niet langer een vrijblijvend karakter. Het is dan ook van het grootste belang dat: alle betrokkenen binnen de gemeentelijke organisatie op de hoogte zijn van het gemeentelijk archeologiebeleid en de eisen die dit met zich meebrengt ten aanzien van ruimtelijke ingrepen; er op gemeentelijk niveau nauwe afstemming en heldere werkafspraken worden gemaakt tussen de sectoren cultuur(historie), ruimtelijke ordening, milieu, e.d.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor diensten en sectoren die (ook kleinschalige) bodemverstorende ingrepen plegen (o.a. groenvoorziening); inwoners en andere potentiële bodemverstoorders helder en eenduidig worden geïnformeerd over het gemeentelijke archeologiebeleid. Dat wil zeggen de vastgestelde eisen op het gebied van de AMZ, het veroorzakerprincipe (de verstoorder betaalt de kosten van vooronderzoek en opgraving), eventuele gemeentelijke bijdrageregelingen, e.d. resultaten van archeologisch onderzoek beschikbaar komen voor het publiek c.q. de inwoners van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan door zowel Rijk, provincie, als particuliere initiatiefnemers aangesproken worden op het aanleveren van betrouwbare (inhoudelijke en beleidsmatige) informatie en een transparant en verantwoord selectiebeleid. Het is voor de gemeente in de nieuwe systematiek dus strategisch en organisatorisch van groot belang om zelf steeds over een zo volledig mogelijk en actueel overzicht van de samenstelling van het eigen bodemarchief te kunnen beschikken. De beleidskaart is in dat kader een belangrijk instrument, dat echter up-to-date moet worden gehouden. Alle relevante informatie uit archeologisch onderzoek binnen de gemeente dient beschikbaar te komen voor de verdere ontwikkeling van het gemeentelijk beleid en voor presentatie en publicatie. Uiteindelijk moet alle nieuwe informatie in een goed functionerend informatiesysteem terechtkomen en gebruikt kunnen worden voor het actualiseren van de gemeentelijke beleidskaart. De beleidskaart kan het beste eenmaal per vijf jaar worden aangepast, waarbij nieuw gegenereerde kennis en informatie wordt gebruikt voor het bijstellen van de grenzen van de verwachtingszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zal zelf een sturende rol gaan vervullen op het gebied van informatie- en kennismanagement. Archeologische onderzoeksrapporten en andere archeologische documentatie zal binnen de gemeente centraal worden gearchiveerd. Het Programma van Eisen kan daarbij een belangrijke rol vervullen. Daarin wordt immers vastgelegd hoe de overdracht van documentatie en vondstmateriaal aan de gemeente (en het provinciale archeologisch depot) plaatsvindt. De gemeente zorgt ervoor dat hierin een standaardeis wordt opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Archeologie en publiek 13.1 Draagvlakvergroting Archeologie heeft een duidelijke publieksfunctie. Veel mensen hebben belangstelling voor het leven dat zich vroeger afspeelde in hun eigen dorp of straat. Vooral het uitvoerende archeologische werk, zoals een opgraving, trekt vaak veel belangstelling. De resultaten daarvan leveren dan ook een belangrijke bijdrage aan het cultuurhistorisch besef en het leefklimaat binnen de gemeente. Publieksparticipatie vormt vanzelfsprekend een belangrijk onderdeel van de archeologische activiteiten in de gemeente. De betrokkenheid van de bewoners bij de resultaten van archeologisch onderzoek is meestal groot. Archeologie is namelijk spannend en appelleert sterk aan de behoefte van veel mensen om iets te weten te komen over de geschiedenis van hun leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgravingen zijn bij uitstek geschikt voor het enthousiasmeren van de schoolgaande generatie. Blijvende aanwezigheid van archeologische vondsten op locatie, in een lokaal informatiecentrum of archeologisch (digitaal) museum heeft een grote toegevoegde waarde. Gedacht kan worden aan het opzetten van een regionale website over archeologie om inzicht te geven aan zowel burgers, amateur-archeologen als uitvoerende archeologische bedrijven. In verband met de nieuwe taak van gemeenten als kennisverstrekker op het gebied van archeologische waarden binnen hun grondgebied, zullen ze hun archeologische kaarten actueel moeten houden. Het is verder verstandig om bij grotere archeologieprojecten in overleg met alle betrokken partijen een communicatieplan op te stellen en eventuele kosten voor blijvende herinneringen in de projectbegroting op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is de rol en de kennis van heemkundekring De Drijehornick ook van groot belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel publiciteit, vooral in plaatselijke media voedt de historische belangstelling. Het levert ook meer draagvlak op voor de archeologie. Vrijwilligers kunnen dat stimuleren en ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijkheden zijn: publiciteit over archeologische resultaten in de media, met vooral aandacht voor de lokale geschiedenis; mogelijkheid de opgraving te bezoeken; als vrijwilligers meewerken is er extra publiciteit en de drempel lager; gastles en/of excursies voor scholen; organiseren van tentoonstellingen; website over gemeentelijke/regionale archeologie archeologie zichtbaar maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2 Archeologie als inspiratiebron voor de nieuwe ruimte Nederland heeft een overvloed aan historie. Voor velen heeft de kwaliteit van de leefomgeving iets te maken met historische wortels. Vaak in de vorm van ankerpunten in het landschap als oude gebouwen, een boom of een sluisje, waaraan een historisch verhaal of gebeurtenis zijn verbonden. Het ontbreken van dit soort zaken wordt in nieuwe woon- en werkgebieden bewust of onbewust als een gemis ervaren. Archeologie en cultuurhistorie in het algemeen kan een tegenwicht bieden aan de toenemende eenvormigheid van onze leefomgeving. Ze draagt bij aan de identiteit die mensen ontlenen aan een gebied of plek en fungeren op die manier als inspiratiebron en kwaliteitsimpuls voor ruimtelijke opgaven. Deze denk- en werkwijze wordt ook wel ‘behoud door ontwikkeling’ genoemd, en komt voort uit de Rijksnota Belvedere.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit deze doelstelling is het van belang dat bij het ontwerp en de voorbereiding van nieuwbouwplannen in gebieden waar archeologische waarden aanwezig zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium onderzocht wordt in hoeverre archeologische resten via civieltechnische maatregelen in situ kunnen worden veiliggesteld. Wat nodig is, is een aantrekkelijke vertaalslag waarin archeologen, stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en kunstenaars elkaar weten te vinden. Indien we erin slagen een stukje al dan niet opgegraven geschiedenis te visualiseren in het straatbeeld dan kan dit bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving en de identiteit van stad of dorp. Op die manier kost archeologie niet alleen geld, maar is er ook sprake van return on investment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij inpassingsmaatregelen en archeologievriendelijke bouwen kan concreet gedacht te worden aan het vermijden van de aanleg van (parkeer) kelders, het toepassen van zogenaamde zettingsvrije constructies, het bouwen op bestaande funderingen of het toepassen van draagconstructies boven archeologisch waardevolle lagen. Bij projecten in archeologisch waardevolle gebieden of zones met een hoge verwachting waar de gemeente als (gedeelde) opdrachtgever optreedt laat de gemeente dergelijke archeologische maatregelen opnemen in het Programma van Eisen van het civieltechnisch ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologische relicten, als onderdeel van het historisch- (steden-)bouwkundig en het landschappelijk erfgoed, vormen een zeer belangrijke bron van informatie en inspiratie voor de historiebeleving en lokale identiteit. Het bodemarchief van Nuenen bevat namelijk een aantal karakteristieke en “regio-eigen” bijzondere elementen, zoals meerdere watermolens en (verdwenen) kerken van middeleeuwse oorsprong. Archeologische resten die bijvoorbeeld bij opgravingen blootgelegd worden kunnen - samen met het historische verhaal dat daarmee verbonden is - een belangrijke toegevoegde waarde vormen voor de ruimtelijke kwaliteit en de ontwikkeling van de gemeente. Zij vormen de basis voor de historische identiteit en haar inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Historisch en archeologisch erfgoed herinnert er aan dat cultuur met al haar facetten en waarden niet slechts op dit moment bestaat, maar ook een betekenis heeft die decennia of zelfs eeuwen ver terug in de tijd kan reiken. Daarnaast is het ontdekken, herkennen en beleven van het verleden, vooral in de eigen omgeving, ook gewoon leuk, spannend en interessant. Op locaties die zich daartoe lenen (denk aan de watermolens, oude kerkplaatsen en grafheuvels) is het aan te bevelen aan die voorgeschiedenis op gepaste wijze aandacht te schenken. Ook hierin wil de gemeente Nuenen, behalve een stimulerende rol richting ontwikkelaars, ook zelf een concrete bijdrage leveren, bijvoorbeeld via de inrichting van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Biografie van Peelland staan daartoe al een aantal concrete ontwikkelingsrichtingen genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 Rol van heemkundekring en vrijwilligers In het verleden hebben vrijwilligers regelmatig zelf opgravingen uitgevoerd. Hier was wel toestemming van de Rijksdienst voor nodig en overleg met de provinciaal archeoloog. Hierin verandert niets. Wat wel zal veranderen is de aard van de opgraving. Wanneer er een opgraving uitgevoerd werd door vrijwilligers was dit vaak een soort ‘noodopgraving’, omdat bij grondwerkzaamheden bleek dat er archeologisch materiaal in de grond zat. Dat soort opgravingen zal zich in de toekomst minder voordoen, omdat er steeds meer vooronderzoek wordt gedaan en er meer financiering beschikbaar is voor onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwilligers zullen daardoor nog maar beperkt zelfstandig opgravingen doen. Het aantal onderzoeken gaat naar verwachting flink toenemen. Dit biedt veel kansen voor vrijwilligers om actief deel te nemen aan opgravingen. Daarnaast komen er taken bij. Vrijwilligers zullen hun kennis en betrokkenheid meer gaan inzetten voor het kritisch volgen en voeden van alle activiteiten op het gebied van de ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende rollen en taken zijn er voor vrijwilligers weggelegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Signaleren (ogen en oren van de archeologie) Belangenbehartiging archeologie (geweten van de archeologie) Het kritisch volgen van archeologisch onderzoek Meewerken aan archeologisch onderzoek Het zelfstandig uitvoeren – in bepaalde gevallen – van archeologisch onderzoek. Dat is alleen toegestaan nadat er een negatief selectiebesluit genomen is ten aanzien van verder onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologie zichtbaar maken en meewerken aan onderhoud en beheer van archeologische monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Presentatie, het geven van publieksvoorlichting zodat archeologisch erfgoed een groter draagvlak krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwilligersorganisatie kunnen onder auspiciën van de RACM onder een aantal condities toestemming voor een opgraving krijgen. Voor archeologische begeleiding (het 'leesbaar maken van archeologische sporen bij niet archeologische graafwerkzaamheden') is geen vergunning nodig. Het mag dus ook door vrijwilligers worden gedaan. Het verder afwerken van sporen (zoals potten uitgraven, een beerput legen e.d.) valt onder opgraven en daar is wel een vergunning voor nodig. Deze toestemming kan worden aangevraagd met het formulier “Aanvraag toestemming onderzoek door amateur- verenigingen onder opgravingsbevoegdheid RACM/art. 41”, wat te vinden is op de RACM website. Toestemming kan alleen worden verleend als sprake is van een negatief selectieadvies: dat wil zeggen dat een archeoloog in dienst van de overheid een professionele opgraving van een vindplaats niet nodig vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een selectieadvies kan in principe alleen worden gegeven als een vindplaats gewaardeerd is op basis van vastgestelde waarderingscriteria. Bij een negatief selectieadvies wordt de vindplaats niet zo waardevol gevonden dat professioneel onderzoek nodig is. Deze terreinen kunnen voor de lokale historie echter toch nog interessant zijn. De RACM neemt bij een aanvraag om toestemming altijd contact op met de provinciaal (gemeentelijk) archeoloog ter bevestiging van een negatief selectieadvies. Als er van beide kanten geen bezwaar bestaat tegen het onderzoek door een archeologische werkgroep, zal de Rijksdienst schriftelijk toestemming verlenen. Aan deze toestemming worden voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld voor rapportage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als geen toestemming voor het onderzoek kan worden verleend zal de Rijksdienst dat eveneens meedelen. Een afschrift van de brief gaat naar de provinciaal archeoloog en de Erfgoedinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laten begeleiden door vrijwilligers is een optie wanneer: de graafwerkzaamheden geen archeologisch doel hebben er door het bevoegd gezag geen archeologische belegleiding kan worden afgedwongen in het kader van voorschiften bij vergunningen of ontheffing van het bestemmingsplan de begeleiding niet is bedoeld voor archeologische selectie en waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een praktische voorwaarde is dat het om kleine projecten moet gaan, bijvoorbeeld bij de sloop van een huis of de bouw van een stal. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan heeft begeleiding door een professioneel bureau de voorkeur en kunnen vrijwilligers zonodig ondersteuning bieden. Een archeologische begeleiding door vrijwilligers kan eventueel als voorwaarde worden opgenomen bij het verlenen van sloop- of bouwvergunningen. Indien vervolgens archeologische sporen worden aangetroffen, waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat het gaat om een zaak van algemeen belang wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde, dient deze vondst verplicht gemeld te worden bij de Rijksdienst. Indien noodzakelijk kan dan alsnog professioneel archeologisch onderzoek afgedwongen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Nuenen wil de bestaande kennis en initiatieven op het gebied van archeologie behouden en daar waar mogelijk stimuleren. In het nieuwe archeologisch bestel kunnen amateur-archeologen alleen nog onder supervisie van een professionele uitvoerder archeologische werkzaamheden verrichten. Alleen in bijzondere gevallen kunnen amateur-archeologen nog zelfstandig gravend archeologisch onderzoek verrichten. Op plaatsen waarvoor het bevoegd gezag formeel een negatief selectiebesluit heeft genomen of in geval van een toevalsvondst wanneer er geen andere oplossing voorhanden is, aangezien het terrein op dezelfde dag of de dag erna zal worden vergraven. Hiervoor is toestemming van de RACM nodig en er zijn een aantal voorwaarden aan verbonden (zie hoofdstuk 5.4). Daarnaast is het aan te bevelen samenwerkingsafspraken te maken tussen de gemeente en de heemkundekring waarin geregeld wordt wanneer en hoe deze werkgroep betrokken wordt in de planfase voor ruimtelijke ordening, de uitwerking van die plannen en bij uitvoerend archeologisch onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente wil dus kansen bieden aan de lokale amateurs en heemkundekring, door in haar rol van bevoegd gezag of opdrachtgever van archeologische werkzaamheden: bij de verlening van vrijstelling van archeologisch onderzoek de aanvrager te verzoeken amateur-archeologen de gelegenheid te geven tijdens de uitvoering van de bodemingrepen aanwezig te zijn en verslag te leggen van eventuele archeologische waarnemingen. Per geval zal door de gemeente in overleg met de heemkundekring bekeken worden of er aanleiding bestaat voor zo’n verzoek. in het Programma van Eisen voor gravend onderzoek op te nemen dat lokale amateurs bij de uitvoering desgewenst moeten kunnen participeren. zorg te dragen voor de inbreng van kennis en participatie van lokale amateurs bij archeologisch vooronderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Nuenen zal met de heemkundekring nadere samenwerkingsafspraken maken waarin geregeld wordt wanneer en hoe deze werkgroepen betrokken worden in de planfase voor ruimtelijke ordening, de uitwerking van die plannen en bij uitvoerend archeologisch onderzoek in 'vrijgegeven' gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Positionering van de AMZ binnen de gemeentelijke organisatie De nieuwe wet op de AMZ en de implementatie van het gemeentelijke AMZ-beleid heeft consequenties voor verschillende afdelingen binnen de gemeentelijke organisatie: incalculeren van archeologische risico’s bij de aan- en verkoop van gemeentelijke gronden; inpassing van archeologisch waardevolle elementen in het landelijk gebied; de digitale verspreiding van de archeologische beleidskaart en de koppeling van de kaart aan andere gemeentelijke bodem- en geo-informatiesystemen; uitwerking van het opnemen van archeologische voorwaarden in vergunningverlening procedures, en het opstarten van een nader onderzoek naar verhaalmogelijkheden en fonds- of subsidieregeling; afstemming van AMZ-beleid met andere beleidsvelden, met name op het gebied van integraal cultuurbeleid en de relatie met recreatie, educatie en toerisme; integratie van het AMZ-beleid in het algemene voorlichtingsbeleid van de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld via de gemeentelijke website, brochures, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.1 Centraal aanspreekpunt voor AMZ-taken Binnen de Afdeling Ontwikkeling en Handhaving is het taakveld Archeologie ondergebracht bij één van de beleidsmedewerkers. Hij fungeert daar als centraal aanspreekpunt. Hij zorgt in nauw overleg met de projectleiders van de verschillende ruimtelijke plannen dat archeologie in projecten en planprocedures wordt opgenomen en begeleidt de uitvoering van de benodigde archeologische werkzaamheden in ruimtelijke projecten. Deze beleidsmedewerker heeft ook tot taak het AMZ-beleid verder te ontwikkelen. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om het vaststellen, implementeren en evalueren van het archeologiebeleid, beleidsontwikkeling, de voorbereiding en coördinatie van archeologische werkzaamheden in ruimtelijke ordeningsprojecten en procedures en het voorbereiden van selectiebesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de betrokken afdelingen is een handleiding (zie bijlage 8) opgesteld om interne procedures en wederzijdse informatievoorziening op het gebied van de archeologische monumentenzorg te stroomlijnen en af te stemmen bij: vergunningsprocedures bij bouw- en sloopplannen en ontgrondingen; het opstellen van structuurplannen of –visies; bestemmingsplannen, beheersverordeningen, ontheffingen en projectbesluiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">MER-trajecten (startnotities).</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2 Archeologische expertise Bij het nemen van formele beslissingen (selectie en waardering) in het kader van de verlening van archeologievergunningen zal het bestuur onafhankelijk deskundig advies inwinnen op de archeologische markt conform de eisen van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Ook bij de voorbereiding en begeleiding van archeologische uitvoerende werkzaamheden, waaronder het opstellen van Programma’s van Eisen en het houden van toezicht, zal een beroep op de archeologische markt worden gedaan en worden zonodig in concurrentie aanbesteed. De voorkeur gaat daarbij uit naar een regionaal seniorarcheoloog van de Milieudienst van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, omdat Nuenen deelt uitmaakt van dit samenwerkingsverband, maar ook vanwege de daar aanwezige regionale archeologische kennis. Deze seniorarcheoloog is in staat om een inhoudelijk-gefundeerde beslissing te nemen in het proces van afweging van archeologische belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Nuenen ligt in een landschappelijk samenhangende regio met een hoge mate van vergelijkbaarheid van de archeologische problematiek en er valt een onbetwiste meerwaarde te ontlenen aan een nauwe onderlinge samenwerking en onderlinge afstemming met de buurgemeenten op het gebied van de zorg voor het archeologische erfgoed. Bij een recent onderzoek naar de meest optimale organisatie en operationalisering van het archeologisch beleid op gemeentelijk niveau is geconcludeerd dat voor veel AMZ-taken een intergemeentelijke samenwerking te prefereren is boven het creëren van eigen voorzieningen op gemeentelijk niveau. Aanbevolen wordt een regionaal samenwerkingsverband op te richten waarbinnen de gemeenten de benodigde deskundigheid op het gebied van archeologie kunnen delen en gebruik kunnen maken van een aantal basisvoorzieningen. Geadviseerd wordt om de wenselijkheid en noodzaak te onderzoeken om via intergemeentelijke samenwerking een vaste archeoloog in dienst te nemen, een zgn. regioarcheoloog.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3 Vergunningverlening De volgende ontheffings- en vergunningprocedures kunnen voorschriften bevatten gericht op de bescherming van archeologische waarden:</p></div>", "next": 239474}