{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 - Openbaar water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, het algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland of de Provinciale Landschapsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid en 5.3.3 bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verboden is met een vaartuig te varen of zich daarmee op genoemde plaatsen te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op het verrichten van het noodzakelijke onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde oevers, vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 - Crossterreinen en verkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens of een bromfiets een wedstrijd dan wel ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Hij kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, of met een bromfiets, fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college wethouders aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de Verordening op de stiltegebieden Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 - Verbod vuur te stoken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 - Straatnaamborden, huisnummers e.d.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gedoogplicht aanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijdering e.d. aanduidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5.6.1, eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 - Lijkbezorging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begraafplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder begraafplaats: een begraafplaats als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdvak voor begraven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden te begraven of urnen met asbus bij te zetten buiten het tijdvak van 08.00 uur tot 17.00 uur op werkdagen en van 11.00 tot 16.00 uur op zaterdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan toestaan dat begraven plaatsvindt op andere dan in het eerste lid aangegeven uren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onbetamelijk gedrag op een begraafplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een begraafplaats nodeloos rumoer te maken of zich anderszins onbetamelijk te gedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ieder is verplicht de aanwijzingen op te volgen, die door of namens de rechthebbende op een begraafplaats gegeven worden met betrekking tot het uitvoeren van werkzaamheden of in het belang van de orde en rust op de begraafplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen grafzerken e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college op een begraafplaats een grafkelder of graftuin aan te leggen, een gedenkteken, zerk of kruis te plaatsen of een boom of ander gewas te planten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een in artikel 5.7.5 genoemd object op een begraafplaats is verplicht dit naar behoren te onderhouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 - Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-581\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-582\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-583\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9 - Gebruik gemeentewapen en gemeentelogo</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-591\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik gemeentewapen en gemeentelogo</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan anderen dan de gemeente Pijnacker-Nootdorp verboden het gemeentewapen dan wel gemeentelogo van de gemeente Pijnacker-Nootdorp te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 - Straf-, overgangs- en slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.1.1 samenscholing en ongeregeldheden 2.1.1.2 ordeverstoring 2.1.2.2 kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 2.1.3.1 beperking aanbieden van stukken of afbeeldingen 2.1.5.1 voorwerpen e.d. aan de weg 2.1.5.2 aanleggen, beschadigen van een weg 2.1.5.3 maken veranderen van een weg 2.1.6.1 veroorzaken van gladheid 2.1.6.2 winkelwagentjes 2.1.6.4 openen straatkolken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.6.5 kelderingangen, koekoeken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.6.6 rookverbod in bossen en natuurgebieden 2.1.6.7a dragen gevaarlijke voorwerp 2.1.6.8 vallende voorwerpen 2.1.6.10 verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en verlichting 2.1.6.11 objecten onder hoogspanninglijn 2.1.6.12 veiligheid op het ijs 2.2.2 evenementen 2.2.3 ordeverstoring 2.3.1.2 exploitatievergunning horecabedrijf 2.3.1.9 sluitingsuur 2.3.1.10 afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 2.3.1.11 aanwezigheid in gesloten inrichting of terras 2.3.1.14 ordeverstoring 2.3.1.14a zwarte lijst 2.3.1.15 toegang ambtenaren politie 2.3.2.2 kennisgeving exploitatie 2.3.2.4 verschaffing gegevens nachtregister 2.3.3.1 speelgelegenheden 2.4.1 betreden gesloten woning of lokaal 2.4.2 plakken en kladden 2.4.7c uitnodigen of aanlokken tot ontuchtige handelingen 2.4.13 bespieden van personen 2.4.19 gevaarlijke honden 2.4.20 houden van hinderlijke of schadelijke dieren 2.4.25 bedelarij 2.5.5 handel in horecabedrijven 2.6.2 afleveren van vuurwerk 2.6.3 bezigen van vuurwerk 2.7.1 drugsoverlast 3.2.1 vergunningplicht seksinrichtingen en escortbedrijven 3.2.3 sluitingsuur 3.2.5 aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 3.2.6 straat- en raamprostitutie 3.2.7 sekswinkels 3.2.8 tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 3.5.2 sluiting 4.1.4 verboden incidentele festiviteiten 4.1.5 (geluid)hinder 4.1.5a (geluid)hinder door dieren 4.1.5b (geluid)hinder door bromfietsers e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.5c (geluid)hinder door vrachtauto’s 4.2.3 toestand van sloten en andere wateren 4.3.2 kapverbod 4.3.9 herplant-/instandhoudingsplicht 4.3.12 ziekte, aantasting, gevaar 4.5.1 opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1a stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen 4.5.2 ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3 opslagplaatsen 5.1.2 parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.2a te koop aanbieden van voertuigen 5.1.3 defecte voertuigen 5.1.4 voertuigwrakken 5.1.5 caravans e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.6 parkeren van reclamevoertuigen 5.1.7 parkeren van grote voertuigen 5.1.8 parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 5.1.9 parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 5.1.10 aantasting groenvoorziening door voertuigen 5.1.11 overlast van fiets of bromfiets 5.2.1 inzameling van geld of goed 5.2.2 venten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3 standplaatsen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.4 snuffelmarkten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.1 gebruik van openbaar water 5.3.2 ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 5.3.3 aanwijzingen ligplaats 5.3.4 verbod innemen ligplaats 5.3.5 vaarverbod 5.3.6 beschadigen van waterstaatswerken en oevers 5.3.7 reddingsmiddelen 5.4.1 crossterreinen 5.4.2 beperking verkeer in natuurgebieden 5.5.1 verbod vuur te stoken 5.7.2 tijdvak voor begraven 5.7.3 onbetamelijk gedrag op een begraafplaats 5.7.4 aanwijzingen 5.7.5 plaatsen van grafzerken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.6 onderhoud objecten 5.8.2 verbod incidentele asverstrooiing 5.8.3 hinder of overlast Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.3 straatartiest 2.1.6.3 hinderlijke belemmerende beplanting of voorwerp 2.4.3 vervoer plakgereedschap e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.4 vervoer inbrekerswerktuigen 2.4.5 betreden van plantsoenen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.6 rijden over bermen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.7 hinderlijk gedrag op of aan de weg 2.4.7b (nacht)verblijf op de weg 2.4.7d nachtvissen 2.4.8 hinderlijk drankgebruik 2.4.9 hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 2.4.10 gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten 2.4.11 neerzetten van fietsen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.12 overlast van (brom)fiets op markt en kermisterreinen 2.4.17 loslopende honden 2.4.18 verontreiniging door honden 2.4.21 loslopend vee en pluimvee 2.4.22 schade door duiven 2.4.23 bijen 2.4.24 verontreiniging door paarden en pony’s 4.2.1 straatvegen 4.2.2 natuurlijke behoefte 5.6.1 gedoogplicht aanduidingen 5.6.2 verwijdering e.d. aanduidingen 5.9.1 gebruik gemeentewapen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de personen die daartoe zijn aangewezen krachtens artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen en de personen die hiertoe zijn aangewezen krachtens de in de vergunning of ontheffing genoemde voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dat tijdstip wordt de Algemene plaatselijke verordening 2002 voor de gemeente Pijnacker- Nootdorp ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.3, tweede lid blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen in gevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6.3, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.3, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing -hoe ook genaamd- van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, zijn niet van toepassing: gedurende 24 weken na het in werking treden van deze verordening; ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel ‘Algemene plaatselijke verordening 2008 voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp’ of ‘APV 2008 Pijnacker-Nootdorp’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld in de openbare vergadering van 24 april 2008. de griffier, de voorzitter, drs. H.J. van der Graaff drs. F.H. Buddenberg Toelichting Algemene plaatselijke verordening 2008</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen en procedurevoorschriften</h3>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding Hoofdstuk 1 van de APV bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing regelt. De APV bevat slechts formele regels indien: een afwijking van de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk is; de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht; deze regels facultatief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen, te weten: algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen (bijv. artikel 5.3.2 lid 2); besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen op basis van een APV bepaling (bijv. artikel 2.4.20, 5.1.5 en 5.1.7); beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde beleidsvrijheid (bijv. artikel 5.2.3); beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit kan worden ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Zie met name de afdelingen: 'geluidhinder', 'bewaring van houtopstanden' en 'parkeerexcessen'. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van 'bebouwde kom' in de afdeling 'bewaring van houtopstanden' en de definitie van 'weg' in de afdeling 'parkeerexcessen'. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">A Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen 'op of aan de weg'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het eerste gezicht lijkt het duidelijk wat met deze term wordt bedoeld. Bij nadere beschouwing rijst ten aanzien van nogal wat plaatsen de vraag of deze ook onder het begrip 'weg' vallen. Daarnaast kan tot verwarring aanleiding geven het feit dat het begrip '(openbare) weg' ook in de Woningwet en in de WVW 1994 voorkomt en daar een duidelijk omlijnde/afgebakende betekenis heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip 'openbare weg' in de zin van de Wegenwet is voor een APV niet bruikbaar. Dit geldt minder voor het begrip 'weg' in de WVW 1994, maar dit is te beperkt. Er zijn namelijk vele plaatsen die geen verkeersfunctie hebben, maar die wel algemeen toegankelijk zijn voor het publiek dan wel zonder veel belemmeringen voor het publiek bereikbaar zijn. De in artikel 1.1 gegeven omschrijving van 'wegen' is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de wegenverkeerswetgeving (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de omschrijving van het begrip 'weg' in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1 Deze omschrijving stemt - met enige redactionele aanpassingen - overeen met die van het begrip 'weg' in artikel 1, eerste lid onder b WVW 1994. Buiten twijfel is gesteld dat ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen daaronder begrepen worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 Door opneming van de woorden 'al dan niet met enige beperking' is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van 'weg', indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken etc., welke 'uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven' (vgl. onder 3) en andere stoepen en trappen etc. (vgl. onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip 'weg' indien zij niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen etc. uitgezonderd gehouden van het begrip 'weg', óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ('afsluitbaar').</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomende gevallen zal verbaliserend opgetreden moeten kunnen worden tegen overtredingen als het bekladden van percelen en het verontreinigen van de weg. Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen 'op of aan de weg'. De term 'aan de weg' duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder valt echter niet hetgeen zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B Openbaar water Hier wordt het begrip 'openbaar' gebruikt. Bij water heeft dit begrip, anders dan bij wegen, geen juridische betekenis. In de toelichting op boek 5 van het Burgerlijk Wetboek wordt gesproken over: 'Een openbaar water in de zin van Boek 5 is ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek'. 'Openbaar' is hier dus synoniem aan 'feitelijk voor het publiek toegankelijk'.</p>\n<p class=\"lf-p\">C Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bepaalde artikelen is dit geschied, omdat het euvel dat de desbetreffende bepalingen beogen te voorkomen, zich buiten dat gebied niet of nauwelijks zal voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal andere artikelen heeft slechts betrekking op gedragingen binnen de bebouwde kom, omdat deze gedragingen voor zover zij plaatsvinden buiten de bebouwde kom reeds bestreken worden door provinciale verordeningen. Door beperking van de reikwijdte van deze artikelen tot de bebouwde kom wordt de werkingssfeer van deze artikelen ten opzichte van de provinciale verordeningen afgebakend. Voor het begrip 'bebouwde kom' is aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de 'bebouwde kom'. De grens bebouwde kom is op een topografische kaart weergegeven die als bijlage bij deze APV is gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">D Rechthebbende Zoals uit de omschrijving duidelijk wordt, hebben wij hier te maken met de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">E Voertuigen De omschrijving voertuigen omvat alle voertuigen, zoals aanhangers, fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen en wagens met uitzondering van trams, kinderwagens e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">F Vaartuigen Als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd: baggerwerktuigen, bokken, kranen en elevators, maar ook een surfplank of jetski’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">H Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de bouwverordening Pijnacker-Nootdorp.</p>\n<p class=\"lf-p\">I Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, eerste lid, onder c van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">L Handelsreclame Van handelsreclame moet het begrip ideële reclame worden onderscheiden. Onder handelsreclame valt niet het oproepen tot steun aan of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, geestelijk, godsdienstig, politiek of liefdadig karakter voor zover deze niet betrekking hebben op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, die in de handel verkrijgbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande betekent overigens niet dat handelsreclame niet beschermd wordt. Voorschriften betreffende handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissingstermijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Awb geeft als regel dat in een wettelijk voorschrift een termijn kan worden bepaald waarbinnen door het bestuursorgaan moet worden beslist. In de onderhavige bepaling is gekozen voor een termijn van acht weken. Het vaststellen van een termijn waarbinnen op een aanvraag moet zijn beslist, bevat echter een element van willekeurigheid. Het merendeel van de aanvragen kan ruimschoots binnen acht weken worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen geruime tijd, soms meer dan acht weken. In dat geval kan ingevolge het tweede lid de beslissingstermijn verlengd worden. Uitkomst kan deze mogelijkheid ook bieden, wanneer een verzoek om vergunning, gelet op het tijdstip van indiening, nog niet op zijn merites kan worden beoordeeld, bijvoorbeeld wanneer het een activiteit betreft die vele maanden later is gepland</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Te late indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het publiek zoveel mogelijk service moet worden geboden, zijn de mogelijkheden van het ambtelijk apparaat niet onbeperkt. In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van zes weken aangehouden. Verzoeken voor activiteiten genoemd in het derde lid van artikel 1.3 kunnen binnen drie weken worden afgewikkeld. Anderzijds zijn er ook soorten vergunningen waarvoor de termijn van zes weken niet toereikend is. Met het oog daarop is in het tweede lid een uitzondering gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gelet op de belasting die evenementen kunnen vormen voor de omgeving en eventuele risico’s die daarmee gepaard gaan, maken we een onderscheid naar de uitstralingseffecten die het betreffende evenement heeft. Op basis van een risicoanalyse wordt bepaald of een evenement wordt betiteld als evenement met grote, dan wel met beperkte uitstralingseffecten. Ieder evenement wordt daarbij getoetst op de volgende criteria: wel of geen verkoop of gebruik van alcoholhoudende drank. wel of geen gebruik van versterkte muziek of omroepactiviteiten. aantallen bezoekers en karakter van de doelgroep(en). tijdstippen van het evenement (overdag, avond, doordeweeks, weekend). wel of geen invloed/gevolgen op de verkeerssituatie (afsluitingen, omleidingen, parkeerdruk, e.d.). wel of geen extra inzet van gemeenteambtenaren, politie of brandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning/ontheffing is gesteld. Niet nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere administratieve sancties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningsstelsels gebaseerd dienen te zijn op criteria die beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uit oefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang, evenredig met die reden van algemeen belang, duidelijk en ondubbelzinnig, objectief, vooraf openbaar bekendgemaakt, transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Immers krachtens het eerste lid mogen deze slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in deze verordening opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6.1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor is ook het overtreden van aan een vergunning/ontheffing verbonden voorschriften met straf bedreigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beantwoording van de vraag of een vergunning (of ontheffing) overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning (of ontheffing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van onbesproken levensgedrag etc.). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de gronden genoemd waarop een vergunning/ontheffing kan worden ingetrokken resp. waarop de daaraan verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in genoemde intrekkings en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking c.q. wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook indien er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht vereist het beginsel van behoorlijk bestuur dat een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid (artikel 3:2 Awb). Dit betekent dat het bestuursorgaan, ook wanneer artikel 4:8 niet van toepassing is, de vergunninghouder moet horen voordat tot intrekking of wijziging van de vergunning wordt overgegaan. Ingeval van een wijziging of intrekking die het gevolg is van een algemene beleidsbeslissing van het bestuursorgaan, is het echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen te horen. Wel is het dan gewenst om met vertegenwoordigers van belanghebbenden te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vóór juni 2007 kende de model-APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd. Het moge duidelijk zijn dat er een forse administratieve lastenvermindering plaats heeft als een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd wordt verleend. Ook toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn leidt tot deze eis. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn: 'Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.' (PB L 376/36, nr. 62) Het gevolg van artikel 1.7 is dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd moeten beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de betekenis van 'een dwingende reden van algemeen belang' bij de toelichting onder artikel 1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningstelsels zijn in de model-APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vrijwel alle vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven hetgeen suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit is echter niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de model-APV is er voor gekozen om in Hoofdstuk I Algemene bepalingen algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen indien er voor een vergunning meer weigeringsgronden dan de in artikel 1.8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. De weigeringsgronden zijn geheel overeenkomstig de eisen van de Europese Dienstenrichtlijn geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Dienstenrichtlijn (EDR) Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende vergunningstelsels: evenementenvergunning, horeca-exploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, ventvergunning, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regiem valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 van de Richtlijn stelt eisen waaraan vergunningstelsels moeten voldoen: 1. zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning aanvraagt en 2. de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang en 3. het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met andere woorden: zij moeten voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid (2) en evenredigheid (3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigeringsgronden Er zijn mogelijkheden om vergunningen in hun uitvoering te beperken (vergunningvoorschriften) of te weigeren. De beperking of weigering dient gerechtvaardigd te zijn door dwingende redenen van algemeen belang en evenredig te zijn met die redenen van algemeen belang (artikel 10 Richtlijn) Dit begrip, zoals dit is erkend door het Hof van Justitie omvat de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en de bescherming van het milieu (noodzaakvereiste, artikel 16). Op grond van deze motieven kunnen voorschriften worden verbonden aan de vergunning en kan de vergunning worden geweigerd. De toelichting bij de Richtlijn noemt de volgende voor de APV van belang zijnde redenen van algemeen belang: handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van afnemers van diensten; voorkoming van oneerlijke concurrentie; consumentenbescherming; dierenwelzijn; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; culturele beleidsdoelen, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van de sociale, culturele, religieuze en filosofische waarden van de maatschappij; verkeersveiligheid en behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed. (PB L376/41, nr. 40) Weliswaar geldt de Richtlijn alleen voor dienstenactiviteiten in ons land voor onderdanen uit andere lidstaten en niet voor de eigen onderdanen, uit een oogpunt van rechtsgelijkheid wordt het ongewenst geacht een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners. Immers de grensoverschrijdende dienstverlener zou een bevoorrechte positie kunnen krijgen ten opzichte van de eigen onderdaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting hoofdstuk 2 Openbare orde</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 ORDE EN VEILIGHEID OP DE WEG</h3>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen bedoeld om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden. De diverse functies van de straat, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik. Het gebruik van de weg is geregeld in de paragrafen 1 tot en met 4, terwijl de bruikbaarheid door middel van paragraaf 5 gereguleerd is. In paragraaf 6 ten slotte zijn bepalingen opgenomen aangaande de veiligheid op de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip ‘samenscholing’ is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht: “hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Onder omstandigheden is het echter denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie toelichting bij bestuurlijke ophouding (artikel 2.8.1)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Optochten (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de deregulering die in deze APV is doorgevoerd, is dit artikel opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2.2.1 en 2.2.2). Zie aldaar voor een toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2.1.2.2 t/m 2.1.2.4 - Betogingen Betogingen genieten de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Lid 1 van artikel 7 kent een expliciet verbod van voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen van al dan niet godsdienstig of levensbeschouwelijk geïnspireerd. Niet schriftelijke uitingen van gedachten of gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De inhoud mag eveneens niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij geopenbaard worden wel. Van een collectieve uiting kan tenslotte volgens de regering reeds sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen. Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie, over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd is de vrijheid van meningsuiting. Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Tevens biedt lid 2 de mogelijkheid het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij lid 4 het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in lid 1 toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Feest en muziek e.d. (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de deregulering die in deze APV is doorgevoerd, is dit artikel opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2.2.1 en 2.2.2). Zie aldaar voor een toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstverlening</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening. Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruier, scharensliep reiniger van voertuigen en glazenwasser. Sommige zijn uit het straatbeeld verdwenen, andere hebben hun intrede gedaan. Hierbij valt te denken aan de besteldiensten van maaltijden, supermarkt en bewakingsdiensten. Vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven is dit artikel geschrapt (deregulering). Deze deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling niet meer voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese Dienstenrichtlijn. Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Samengevat: de risico’s van het schrappen van dit artikel afgezet tegen het voordeel van vermindering van administratieve lasten voor dienstverleners en gemeenten – er hoeven geen vergunningen meer te worden aangevraagd en afgegeven – heeft ertoe geleid dat dit artikel is geschrapt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">is geschrapt. Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij evenementen. Muziek maken kan ook een evenement zijn (zien artikel 2.2.1). Het optreden van een straatmuzikant is dat echter niet. De motieven om wegen of gedeelten van wegen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, lid 3, van de Grondwet. Dit artikel laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, lid 3, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, lid 1, van de Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2.1.3.1, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In onderhavig artikel is dezelfde redactie gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag. Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op het gehele artikel van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De gemeenteraad maakt met het overnemen van dit model een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. Een bijkomend voordeel van een algemeen verbod is dat artikel 2.1.6.7: het aanbrengen gevaarlijk of hinderlijk voorwerp kan vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen is het niet gewenst dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderingen hierin aanbrengen. Dit artikel blijft dan ook gehandhaafd. Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) van belang. Op grond van de WRO mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving van een verwerkelijkte bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 14 WRO mag een vergunning alleen en moet zij worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Aan artikel 2.1.5.2 ligt evenwel een ander motief ten grondslag, namelijk de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van de wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Voorkomen kan dan worden dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water- en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Maken en veranderen van een uitrit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan veelal niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. Er is dan ook voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Het college heeft vervolgens de keuze om de gewenste uitrit zonder meer toe te staan (geen besluit nodig) of eventueel voorschriften te stellen aan de realisering van de uitrit. In het uiterste geval kan het college de gewenste uitweg ook geheel verbieden, wanneer op geen enkele manier tegemoet kan worden gekomen aan het algemeen belang. De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse, het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats of de bescherming van openbare groenvoorzieningen. Het stellen van algemene regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.5.3 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg) te veel belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is, indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken van gladheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vele APV’s kennen of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of terrein dat gelegen is binnen de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de vraag terug van bevoegdheid tot regeling. Bevoegdheid, omdat het opnemen van een dergelijke plicht in de APV wellicht strijd zou opleveren met de in 1930 in Genève door de International Labour Organisation vastgestelde conventie betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, dan wel in strijd zou kunnen zijn met artikel 4 van het Verdrag van Rome. Artikel 2.1.6.1 bevat een verbod om tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. De ‘sneeuwruimbepaling’ wordt niet opgenomen in de APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling tracht het 'zwerfkarrenprobleem' enigszins te verkleinen door de winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is mogelijk via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken als hij bijvoorbeeld een munt van € 0,50 heeft gedeponeerd in het muntmechanisme van het wagentje. Die munt krijgt hij terug bij terugbezorging van het wagentje.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Indien iemand een dergelijke last krijgt opgelegd, is geen kapvergunning vereist. Artikel 4.3.2, derde lid onder a, geeft namelijk aan dat het verbod om zonder vergunning van het college een houtopstand te vellen of doen vellen niet geldt in die gevallen dat dit gebeurt in het kader van een opgelegde last.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Openen straatkolken e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Kelderingangen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 427, onder 1e en 3e, van het Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar reeds tot het treffen van de nodige voorzorgsmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van voorbijgangers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige APV bepaling gaat verder. Geopende kelderingangen e.d. blijven, ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het publiek. Het ook zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen e.d. kan hiermee tegengegaan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan evenwel niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt is van 1 april tot 1 oktober.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbrengen gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert (artikel 2.1.5.1). Daarmee vervalt de noodzaak van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vallende voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van het desbetreffende onroerend goed al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling houdt een aanvulling in op het bepaalde in de artikelen 161bis, 161ter, 162, 350, 351, 351bis en 424 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke tweede lid van dit artikel (‘eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen’) is geschrapt. Reden van schrapping is dat de formulering ten onrechte aansprakelijkheid van de gemeente kan suggereren bij het door het ijs zakken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Benzinepompen op of nabij de weg (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is geschrapt omdat het nut van deze bepaling minimaal is geworden naast hogere regelgeving als de Wet milieubeheer.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 TOEZICHT OP EVENEMENTEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor de zogenaamde negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium ('namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak') wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt deze expliciet als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder het tweede lid genoemde activiteiten zijn niet meer als uitzondering opgenomen. Optochten, braderieën, feest en wedstrijden op of aan de weg vallen nu onder de reikwijdte van het evenementenbegrip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijvoorbeeld de hele gemeente of kleinschalig bijvoorbeeld alleen beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van een evenement, behalve als met een vergunning door de burgemeester werd gehandeld of de burgemeester voor bepaalde categorieën evenementen een vrijstelling had verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeesten is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger, maar ook het verhelderen en duidelijk omschrijven van het eendaagse evenement gekozen voor het toepassen van een algemene maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van algemene regels voor de kleinschalige evenementen vervalt het eerder in dit artikel opgenomen, derde lid, dat bepaalde dat de burgemeester voor bepaalde categorieën evenementen vrijstelling kon verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt wel geredeneerd dat de horeca-exploitatievergunning naast de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet overbodig is. De regelingen van de Drank- en Horecawet (DHW) en de model-APV hebben echter ieder hun eigen bestaansrecht vanwege de verschillende motieven die eraan ten grondslag liggen. Het motief van het horeca-exploitatievergunninigstelsel is het tegengaan van overlast en het beschermen van de openbare orde. Dit kan niet bereikt worden met behulp van de DHW. Aan de DHW liggen namelijk primair sociaal-hygiënische en sociaal-economische motieven ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de overlast groot kan zijn, gaat de voorkeur uit naar de invoering van een vergunningenstelsel ter bescherming van het woon en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en van de openbare orde. Met dit preventieve middel zijn ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Voorts is in verband met de aard van de straat of de wijk, met andere woorden de woon en leefsituatie ter plaatse, het aantal bedrijven te limiteren (maximumstelsel). Het is dus geoorloofd een vergunning te weigeren, indien het karakter van de betrokken straat of buurt zou worden aangetast door de vestiging van een nieuw horecabedrijf. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een vastgesteld maximumaantal, indien door een veelheid van horecabedrijven (in de straat of de wijk) de openbare orde in gevaar wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wèl dient in ieder afzonderlijk geval aangetoond of aannemelijk te worden gemaakt, dat van een dergelijk gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is. Een belangrijk hulpmiddel bij het motiveren van het gevoerde beleid kan een horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk zijn. Bij behoefte kan hierin met opgave van redenen een dergelijk maximumaantal te verlenen vergunningen worden vermeld alsmede horecaconcentratie en horecastiltegebieden worden aangewezen. In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een verzoek om een vergunning dat niet strookt met het op de verordening gebaseerde beleid. Dat neemt niet weg dat de burgemeester steeds moet nagaan of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op dit beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere vergunningaanvraag dient zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen te worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reikwijdte van de DHW wordt bepaald door het begrip ‘horecabedrijf’ zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid van de DHW. Het toepassingsgebied van de wet is daardoor beperkt tot bedrijven waarin alcoholhoudende dranken worden verstrekt, de zogenaamde natte horeca. Daarentegen wordt onder een horecabedrijf in artikel 2.3.1.1, eerste lid, ook verstaan het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops onder de APV te laten vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het karakter van de gemeente Pijnacker-Nootdorp zal de vestiging van een coffeeshop vrijwel per definitie leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat en verstoring van de openbare orde. De hierboven genoemde exploitatievergunningplicht biedt de mogelijkheid om terzake van coffeeshops een preventief vestigingsbeleid te voeren. Bij een nulbeleid wordt door de burgemeester de exploitatievergunning, voor een inrichting waar soft-drugs worden verkocht, geweigerd. Dit is mogelijk gemaakt door het toevoegen van de weigeringsgrond: “De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.1.2, indien uit de hem ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid dat in de inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van het begrip ‘horecabedrijf’ sluit zoveel mogelijk aan bij de Drank- en Horecawet. In de praktijk is gebleken dat in coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden verstrekt en te nuttigen dranken niet. Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval niet zou worden bestreken door de begripsbepaling ‘horecabedrijf’ is in het eerste lid de aanduiding ‘rookwaren’ toegevoegd. Overigens wordt met betrekking tot coffeeshops een nulbeleid gevoerd. Zie hierboven en artikel 2.3.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen en verenigingsgebouwen e.d. zijn als horecabedrijf aan te merken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om een overlastvergunning die is toegespitst op horeca inrichtingen. Het artikel biedt de mogelijkheid de vraag te toetsen of het in werking hebben van een horeca inrichting zich wel verdraagt met het woon en leefklimaat en met openbare orde belangen. Op grond van artikel 1.4 APV is het mogelijk voorschriften aan de vergunning te verbinden. Volgens het horecabesluit is het mogelijk nadere eisen te stellen aan: het aanbrengen en het gebruik van voorzieningen binnen de inrichting; het geleidelijk aankondigen van het sluitingstijdstip; het gebruik van aanwezige toe , in of uitgangen; het gebruik van tot de inrichting behorende parkeervoorzieningen; het gebruik of de periode van openstelling van de inrichting of delen ervan; het houden van toezicht in de directe omgeving van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstelbaar is dat in het kader van de exploitatievergunning voorschriften worden opgenomen over de situering van de in en uitgangen van de horecagelegenheid, indien dat ten opzichte van de bestaande situatie een vermindering van de overlast voor de woon en leefomgeving oplevert. Hetzelfde geldt voor de situering van de in en uitgangen van de parkeervoorzieningen en de wijze waarop de parkeervoorzieningen worden ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte bestaat de mogelijkheid om een voorlopige vergunning te verlenen (zie lid 4) met een proefperiode van ten hoogste een jaar. Het ligt overigens voor de hand dat de burgemeester bij ‘ernstige twijfel’ of een exploitatievergunning zou moeten worden verleend ervoor kiest om de gevraagde vergunning te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.2a</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling spreekt voor zich</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Opheffing vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat in artikel 2.3.1.2 de uitzonderingen op de vergunningsplicht zijn opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningsaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Een aanvraag voor een exploitatievergunning dient schriftelijk te worden ingediend bij de burgemeester. De aanvraag moet worden ondertekend en ten minste de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de gevraagde beslissing bevatten. Bovendien dient de aanvraag vergezeld te gaan van alle gegevens die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent deze gegevens. Bij de toepassing van artikel 2.3.1.4, tweede lid, geldt als uitgangspunt, dat de in de tijd eerst ingediende vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen. Tweede en opvolgende vergunningaanvragers voor één inrichting worden in hun aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3.1.5 wordt afgeweken van de ‘standaardbeslistermijn’ van acht weken (vgl. artikel 1.2 van deze verordening). In de praktijk is gebleken dat de procedure tot verlening van exploitatievergunningen in de meeste gevallen niet kan worden afgerond binnen acht weken. Teneinde te voorkomen, dat dan steeds met verdagingsbesluiten moet worden gewerkt, is gekozen voor een beslistermijn van dertien weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigerings- en intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare orde-eisen die aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in het eerste lid van artikel 2.3.1.6 ‘strijd met een geldend bestemmingsplan’ opgenomen als weigeringsgrond voor een exploitatie-vergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatie-vergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie terzake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 2.3.1.6 bepaalt dat voor een coffeeshop nimmer een exploitatievergunning zal worden verleend. Zoals hierboven al aangegeven achten wij de vestiging van een coffeeshop ongewenst. Pijnacker-Nootdorp is een landelijk gelegen gemeente die door haar inwoners gewaardeerd wordt vanwege een rustige woonomgeving. Vestiging van een coffeeshop zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarnaast zal er een aantrekkende werking vanuit gaan op inwoners van aangrenzende gemeenten. Immers de grotere buurgemeenten als bijvoorbeeld Delft en Den Haag brengen het aantal verkooppunten steeds meer terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts hebben wij geconstateerd dat onder inwoners en gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp het draagvlak ontbreekt. Door het ontbreken van dit draagvlak zal al gauw sprake zijn van onveiligheidsgevoelens die weliswaar subjectief zijn, maar wel degelijk kunnen worden opgevat als een aantasting van het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Pijnacker-Nootdorp wonen veel jongeren en er zijn veel scholen gevestigd. Met het nulbeleid willen wij bereiken dat aan deze jongeren niet direct de gelegenheid wordt geboden om met softdrugs in aanraking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid van artikel 2.3.1.6 wordt in het kader van de openbare orde een ruimer omgevingsbegrip gehanteerd. De burgemeester heeft daardoor een lichtere bewijslast. Desgewenst kunnen met opgave van redenen een maximumaantal te verlenen vergunningen worden vermeld alsmede horecaconcentratie- en horecastiltegebieden worden aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid van artikel 2.3.1.6, onder d, staat het toetsingscriterium inzake de bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen. In de praktijk is gebleken, dat ‘slechte exploitanten’, die bijvoorbeeld elders in een andere inrichting door eigen schuld getroffen zijn door bestuurlijke strafmaatregelen als bestuursdwang (sluiting van een inrichting), vrij gemakkelijk weer ergens anders kunnen beginnen. De burgemeester moest dan maar aantonen, dat de exploitatie van de nieuwe inrichting waarschijnlijk ook fout zou gaan lopen. Teneinde meer grip te krijgen op de persoon van de exploitant of beheerder (en dus op de vergunning), is ‘het verleden’ van de betreffende exploitant of beheerder in de horecabranche voor de burgemeester een extra toetsingscriterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het zesde lid van artikel 2.3.1.6 opgenomen intrekkings- en wijzigingsgronden spreken grotendeels voor zichzelf en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerder meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan de exploitanten of beheerder als bedoeld in deze paragraaf dienen hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Ook dienen zij te beschikken over het nodige ‘gezag’ om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Exploitanten of beheerders die terzake in gebreke blijven, lopen het ernstige risico, dat hun vergunning door de burgemeester wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de onder h genoemde intrekkingsgrond (intrekking in verband met gewijzigde omstandigheden of inzichten) zij opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden waarop de betrokken vergunninghouder doorgaans geen invloed kan uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties. Met betrekking tot de onder i opgenomen intrekkingsgrond wordt opgemerkt dat het niet voldoen aan de in artikel 2.3.1.2a gestelde gedragseisen eveneens een reden kan zijn om de vergunning te weigeren of in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 januari 2005 wordt een aantal overtredingen uit de Wet arbeid vreemdelingen aangemerkt als beboetbare feiten in plaats van strafbare feiten. Aangezien het vanwege het grote belang van de bestrijding van uitbuiting van illegale werknemers en mensensmokkel wenselijk blijft om in horecagelegenheden op te treden tegen misstanden, zoals bijvoorbeeld illegalen die zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichten, is er reden om deze intrekkingsgrond op te nemen. Op deze wijze kan de vergunning worden ingetrokken indien er sprake is van beboetbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden richten zich op de activiteiten in en buiten inrichting en niet op de exploitant zelf (vergelijk een milieuvergunning), terwijl deze persoon wel een belangrijke rol speelt in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop de exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden kan aan de vergunningaanvrager de verplichting worden opgelegd om een recente verklaring omtrent het gedrag te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid van artikel 2.3.1.7, onder c, genoemde sluitingsgrond verschaft de burgemeester de mogelijkheid een inrichting (tijdelijk) te sluiten, zónder dat hij vooraf dient over te gaan tot tijdelijke of voor onbepaalde tijd bedoelde gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning. Het kan daarnaast zo zijn, dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig oordeelt een bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dat hoeft te leiden tot (tijdelijke) intrekking van de vergunning. In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting feitelijk heeft beëindigd, dan wel dat de exploitatie wordt gewijzigd zonder (nieuwe) vergunning, vervalt de verleende vergunning van rechtswege. De burgemeester kan de betreffende inrichting dan sluiten op grond van onderdeel a: er wordt geëxploiteerd zonder vergunning. In het derde lid van artikel 2.3.1.7 wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting voor onbepaalde duur op verzoek van belanghebbende(n) opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal voor een bepaalde duur. Artikel 2.3.1.7 voorziet niet in de mogelijkheid voor belanghebbende(n) om tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen. Een dergelijk verzoek aan de burgemeester is dus niet-ontvankelijk. In zeer bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij wijziging van de bestemming van het pand, waarin de inrichting is gevestigd) kan de burgemeester ambtshalve een tijdelijke sluiting opheffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Terrasvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen horecabedrijven ook een terras voor het pand op de openbare weg willen plaatsen. Dit artikel koppelt het plaatsen van een terras aan een vergunning van de burgemeester.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Invulling van de sluitingstijden zal worden gerealiseerd in de nota ‘Drank &amp; Horeca in de gemeente Pijnacker-Nootdorp’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.9a</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden terrassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie commentaar onder artikel 2.3.1.9</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Net als voor de in artikel 2.3.1.4, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt artikel 174 Gemeentewet ook de grondslag voor de bevoegdheid om één of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding voor de tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich tot meerdere of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. De bevoegdheid beperkt zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingsuren of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke regelingen op basis waarvan in het kader van het belang van de bescherming van de openbare orde en voorkoming van aantasting van het woon- en leefklimaat een vergunningstelsel - de exploitatievergunning - in het leven is geroepen, behouden hun geldigheid omdat het onderwerp hiervan een ander is. Door opneming van het tweede lid staat buiten twijfel dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b van de Opiumwet is bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf of op terras</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen van de vorige artikelen zijn in eerste instantie gericht tot de houder van de inrichting. Op hem rust de plicht zijn inrichting gesloten te houden gedurende de door de burgemeester aangegeven periode. Artikel 2.3.1.11 richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Indien hij gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn daarin of aldaar met goedvinden van de houder daarvan aanwezig is, overtreedt hij het verbod van artikel 2.3.1.11. In het geval echter de toestemming van de houder om in de inrichting aanwezig te zijn ontbreekt en de bezoeker zich niet op eerste vordering van die houder verwijdert, overtreedt hij artikel 138 Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besloten karakter van lokaliteiten kan de veronderstelling wekken dat de sluitingsuurregeling in de APV op deze inrichtingen niet van toepassing is. Daarbij wordt gedacht aan de in de jurisprudentie ontwikkelde regel, dat een gemeentelijke verordening geen activiteiten mag betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Om aan een bevoegdheidsoverschrijding te ontkomen is het over het algemeen echter niet nodig de raadsbepaling te beperken tot gedragingen die in het openbaar geschieden of waarneembaar zijn; voldoende kan daarvoor zijn, dat de gedraging een weerslag heeft op een openbaar belang. Dat laatste gaat op voor een regeling van het sluitingstijdstip van besloten horecagelegenheden. De sluitingsuurbepaling heeft namelijk geen betrekking op activiteiten binnen een dergelijk horecabedrijf, maar op de invloed die deze activiteiten op de omgeving hebben. Met andere woorden: ter regulering van de geluidsoverlast van komende en gaande bezoekers (aan en afrijdende auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid) wordt het wenselijk geacht een sluitingsuur voor inrichtingen in de APV op te nemen. Het sluitingstijdstip is op alle inrichtingen van toepassing, aangezien de overlast veroorzaakt wordt door komende en gaande bezoekers van zowel besloten als voor het publiek openstaande inrichtingen. Dit onderscheid doet in dit verband dus niet ter zake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. De vergunning komt dan te vervallen. Ratio hiervan is gelegen in het feit dat de vergunning op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.4, derde lid, niet overdraagbaar is. Consequentie hiervan is dat een rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld wordt moet de inrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de nieuwe aanvraag is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.13a</span><span class=\"lf-art-t\">Zwarte Lijst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder de begripsomschrijving van horecabedrijf kunnen ook inrichtingen vallen die niet voor het publiek toegankelijk zijn (bijvoorbeeld sterk besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen, zie ook onder 2.3.1.11). Op grond van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester dan niet het bevoegde bestuursorgaan, maar is het college het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 438 Wetboek van Strafrecht is degene die er zijn beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaffen verplicht hiervan een doorlopend register te houden. In dit register moet 'onverwijld bij aankomst van de personen die in de door hem gehouden inrichting de nacht zullen doorbrengen' en bij hun vertrek een aantal persoonlijke gegevens worden aangetekend. Het doorbrengen van de nacht moet het hoofddoel van de bezoeker van de inrichting zijn. Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kent tevens de plicht het aldaar bedoelde register op aanvraag te tonen aan de burgemeester of aan de door deze aangewezen ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 438</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden aangevuld. De artikelen 2.3.2.1 tot en met 2.3.2.4 bevatten ook aanvullende bepalingen. Het samenstel van artikel 438 Wetboek van Strafrecht en de APV artikelen kennen echter als primair doel om, aan de hand van de verstrekte gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde een zo volledig mogelijk overzicht te verkrijgen van de in de gemeente aanwezige inrichtingen tot nachtverblijf, is in artikel 2.3.2.2 bepaald dat hij die een horecabedrijf opricht, overneemt, verplaatst of het houden ervan staakt, dit aan de burgemeester dient te melden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.2.4 komt de houder van een horecabedrijf tegemoet door aan degene die voornemens is in die inrichting de nacht door te brengen op grond van deze bepaling de verplichting op te leggen de voor zijn registratie benodigde gegevens volledig en naar waarheid te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling heeft een ruime opzet. Iedere openbare gelegenheid, waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren, valt onder het begrip speelgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus ook de Golden Ten Casino's, de Holland Casino's, de Ladbroke Totalisator en inrichtingen waar het bingospel beoefend wordt of waar een speelautomaat is te bespelen, vallen eronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vult de regeling in de Wet op de kansspelen aan, en wel vanuit een ander motief. De wet heeft namelijk niet tot doel de openbare orde en het woon en leefklimaat te beschermen, maar de speelzucht te kanaliseren, jeugdigen en sociaal zwakkeren te beschermen en illegaal aanbod met daarmee verbonden criminaliteit als fraude tegen te gaan. Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het zou hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een Lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wijziging van de Wet op de kansspelen, welke tezamen met het daarbij behorende Speelautomatenbesluit 2000 per 1 juni 2000 in werking is getreden (en weer gewijzigd is per 1 november 2000) heeft voor gemeenten de consequentie gehad dat het bevoegde orgaan: verplicht is - als daarom wordt verzocht - voor maximaal twee kansspelautomaten een aanwezigheidsvergunning te verlenen voor een hoogdrempelige inrichting; verplicht is in een gemeentelijke verordening het maximaal aantal speelautomaten per inrichting vast te leggen (opstelplaatsenbeleid), met dien verstande dat er in laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten mogen worden toegestaan en in hoogdrempelige inrichtingen twee kansspelautomaten moeten worden toegestaan; de bevoegdheid heeft speelautomatenhallen niet toe te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overmatig gokgedrag kan een aanzienlijk persoonlijke en maatschappelijke bedreiging vormen, in het bijzonder gelet op de mogelijke relaties met het plegen (vermogens)criminaliteit. Voorkoming en bestrijding hiervan dient een hoge prioriteit te krijgen. Om die reden is het aanwezig hebben van kansspelautomaten beperkt tot hoogdrempelige inrichtingen, zijn in een laagdrempelige inrichting maximaal twee behendigheidsautomaten toegestaan en worden geen vergunningen verleend voor speelautomatenhallen. Voor wat betreft dit laatste kan worden volstaan met het niet opnemen van regels voor speelautomatenhallen in deze verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van gesloten woningen of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is met toepassing van dit artikel bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 174a Gemeentewet kan de burgemeester een woning sluiten. Het besluit tot sluiting geeft een titel om de desbetreffende ruimte in fysieke zin af te sluiten. In de praktijk zal dit het best kunnen geschieden door de toegang tot de ruimte dicht te timmeren. Bij een woning kunnen zonodig ook de ramen worden dichtgespijkerd. Tevens kan de woning worden verzegeld. Verzegeling vergroot de mogelijkheid om de sluiting te handhaven. Verbreking van een zegel is namelijk op grond van artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht als misdrijf strafbaar gesteld. Wanneer een woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken kan op grond van onderhavig artikel worden opgetreden tegen degene die zich in een door de burgemeester gesloten woning bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 2.4.1 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is opgenomen vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen zijn verbonden. Hier is een mogelijkheid voor ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing worden verleend aan de exploitant zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak (tweede lid) kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien. Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4.2 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht (namelijk dat van de rechthebbende) wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit geschiedt (door of) met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerend goed toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4.2 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2.4.2 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Ingevolge het bepaalde in lid 5 geldt het plakverbod niet voor het aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze herziening is het verbod van artikel 2.4.2, tweede lid, onder a, in die zin uitgebreid dat nu ook het ‘doen’ plakken of het op andere wijze ‘doen’ aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. De jurisprudentie heeft hiertoe aanleiding gegeven. Onder ‘doen’ aanplakken verstaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven. Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad. Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door hem ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen, welke ingevolge de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardigheidsgrond oplevert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Nieuw in dit artikel is het verbod een geprepareerde tas bij zich te dragen kennelijk met het doel een winkeldiefstal te vergemakkelijken. Ten aanzien van dit lid rijst de vraag of een dergelijke verbodsbepaling inbreuk maakt op de privé-sfeer van burgers. Mocht dit zo zijn, dan is de gemeente onbevoegd een dergelijke bepaling op te nemen. Aangezien er echter op dit moment nog nauwelijks jurisprudentie over dit onderwerp bestaat, is besloten dit lid in de APV op te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden over bermen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Ingevolge het vierde lid moet in deze bepaling onder ‘weg’ worden verstaan: weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een samenleving waarin een groot aantal mensen op een relatief klein grondgebied woont, zal men elkaar hinderen en overlast aandoen. Op basis van artikel 2.4.7 (en ook 2.4.9) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds 'straatschenderij' strafbaar, terwijl artikel 426bis van dat wetboek het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan hetgeen men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd Artikel 2.4.7 b - (Nacht)verblijf aan de weg In verband met de intrekking van de Woonwagenwet per 1 maart 1999 blijkt in de praktijk behoefte te zijn aan een aanvullende bepaling op grond waarvan in het belang van de openbare orde opgetreden kan worden tegen liggen en of slapen op of aan de openbare weg –al dan niet in de beschutting van bijvoorbeeld een voertuig- voor zover daarbij de openbare orde wordt verstoord. Nu ook de Wet op de Openluchtrecreatie per 1 januari 2008 is ingetrokken, is aan artikel 2.4.7b een vierde lid toegevoegd. Hierin wordt geregeld dat het artikel niet geldt voor erkende campings en scoutingterreinen waar recreatief overnacht kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.7c</span><span class=\"lf-art-t\">Uitnodigen of aanlokken van ontuchtige handelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde hinderlijke en aanstootgevende gedrag tegen te gaan is een artikel toegevoegd om het optreden hiertegen mogelijk te maken. Een heterdaad situatie is op grond van artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht reeds strafbaar. Met dit nieuwe artikel 2.4.7c is nu ook optreden in het voorstadium (vóór de heterdaad situatie) mogelijk, dat wil zeggen tegen het gericht zoeken naar bedoelde contacten, het zogenaamde ´cruisen´.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.7d</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtvissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel biedt de mogelijkheid om het alcoholgebruik op straat te kunnen reguleren. Er is een verbod opgenomen om op straat alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, alsmede ter gelegenheid van een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35, eerste lid, van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken. Het moge duidelijk zijn dat het hier gaat om een bepaling die het mogelijk maakt om in geval van excessen te kunnen optreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4.7</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 2.4.7 en 2.4.9 APV en op artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht kan op grond van dit artikel baldadig en ordeverstorend gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten, zoals parkeergarages en wachthokjes voor het openbaar vervoer, worden tegengegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden welke niet door de eigenaren van die voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2.4.11 geeft de mogelijkheid hiertegen in voorkomende gevallen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht. Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden van personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in excessieve situaties vinden; de politie zal in het algemeen pas optreden, indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Bewakingsapparatuur (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hiermee is artikel 2.4.14 komen te vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Nodeloos alarmeren (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Alarminstallaties (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is komen te vervallen. Bij de vorige wijziging van de APV werd over dit artikel opgemerkt dat het niet langer van toepassing was op nieuwe, gecertificeerde alarminstallaties, waarvoor toen de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de kwaliteitseisen van de Regeling BORG 1.1 waren gaan gelden. De vergunning werd echter gehandhaafd omdat deze wettelijke regels niet golden voor toen al bestaande geluidsalarmen en voor zelf aangelegde alarminstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is nu overwogen dat deze bepaling, als er feitelijk invulling aan wordt gegeven, en zeker als ook de model vergunningsvoorschriften die in de toelichting waren opgenomen daarbij worden gebruikt, een aanzienlijke financiële en administratieve last voor burgers en bedrijven oplevert: volgens deze voorschriften zou de installatie bijvoorbeeld dienen te voldoen aan de Regeling BORG 1.1, er zouden jaarlijkse controles moeten plaatsvinden, en door of vanwege het college aangewezen deskundigen zouden op kosten van de vergunninghouder de deugdelijkheid van de installatie kunnen onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog los van de vraag of deze zware eisen überhaupt in verhouding staan tot het te dienen belang, acht de gemeente het risico van afschaffing van deze vergunning niet dermate groot dat de vergunning om die reden moet worden gehandhaafd. Een plotselinge epidemie van zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en vooral te onpas afgaande alarminstallaties ligt niet voor de hand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg (door de omschrijving van het begrip 'weg' vallen hieronder ook parken en plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het euvel van de verontreiniging van trottoirs door uitwerpselen van honden neemt zodanige vormen aan, dat het noodzakelijk is over de middelen te beschikken hiertegen op te treden. De straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. De strafbaarheid wordt opgeheven indien de uitwerpselen direct worden verwijderd. Het tweede lid is toegevoegd om het mogelijk te maken voor het college een hondenuitlaatplaats aan te wijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Enige jaren geleden ontstond verontrusting over agressief gedrag van bepaalde honden, met name dat van pitbull terriërs. Er deden zich incidenten voor waarbij honden aanzienlijk letsel toebrachten aan mens of dier. Onderhavig artikel biedt aan het college de mogelijkheid om een aanlijn- en/of muilkorfgebod op te leggen. Het college dient aan de eigenaar of houder bekend te maken dat het college de hond gevaarlijk of hinderlijk vindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie, dat het college bevoegd wordt verklaard de plaatsen aan te wijzen, alwaar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. In dit verband moet nog gewezen worden op een tweetal wetten die regels stellen ter bescherming van dieren. Volgens de Wet op de dierenbescherming is het verboden zonder vergunning van college als bedrijf uit te oefenen het kopen, ten verkoop voorradig hebben, verkopen, in bewaring nemen, africhten of doden van honden of katten. Ingevolge de Wet bedreigde uitheemse diersoorten is het - behoudens ontheffing van de minister van landbouw en visserij - verboden levende dieren, behorende tot bij AMvB aangewezen bedreigde uitheemse diersoorten, onder zich te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren. De Vogelwet 1936 bevat onder meer een verbod beschermde vogels onder zich te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Duiven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwilderde duiven veroorzaken in het voorjaar nogal wat schade aan jonge gewassen doordat zij de desbetreffende akkerbouwgebieden als foerageerplaats gebruiken. Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart en 1 juni een periode aan te wijzen, welke bijvoorbeeld kan variëren van een week tot een dag per week, waarin de eigenaren of bezitters van duiven verplicht zijn de duiven binnen te houden. Dit geeft de jagers de mogelijkheid om het verwilderde duivenbestand enigszins terug te dringen. Wel lijkt het raadzaam om in overleg met de colleges van omliggende gemeenten en de diverse postduivenverenigingen deze periode jaarlijks vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vliegen van bijen kon, indien de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de 'aanvliegbanen' hiervan, over de weg lopend, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan echter vaak met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, tot geringe omvang worden teruggebracht. Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn; dit geldt overigens ook voor andere huisdieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.24</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door paarden, pony’s e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel is het verontreinigen van de weg door dierlijke uitwerpselen niet toegestaan. Indien er naar het oordeel van het college gebieden zijn waar de verontreiniging geen overlast of gevaar oplevert, kan hij plaatsen aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.25</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de APV is bovenstaand artikel opgenomen dat beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan hij dus een verbod instellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING EN GOEDEREN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het Wetboek van Strafrecht bevat enkele bepalingen die op de bestrijding van heling het oog hebben. Deze helingbepalingen hebben voor de gemeentelijke wetgever het gevolg dat deze geen nadere voorschriften met betrekking tot het inkoopregister kan geven. Wel is de gemeentelijke wetgever is wel bevoegd regels op te stellen voor het bijhouden van een verkoopregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur (amvb), gebaseerd op artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto , film , radio , en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handelaren in antiek en curiosa zijn tevens handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, zodat zij niet apart behoeven te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437 Sr. Hoewel dit artikel in principe is opgesteld voor het inkoopregister is het voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor het verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Artikel 2 amvb bepaalt zodoende dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt verkoopregister houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, WvSr., bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2.5.4 voorziet hierin. Er is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de handel van de handelaren niet al te zeer belemmerd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horeca inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed verhandeld wordt. Artikel 2.5.5 sluit aan op het in artikel 14 van de Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel in andere goederen dan drank. Dit laatste verbod ziet slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2.5.5 een verbod bevat voor de houder van een horecabedrijf (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.5.5 is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 VUURWERK</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het afsteken van vuurwerk vindt over het algemeen plaats op oudejaarsdag en - avond. Daarnaast wordt vuurwerk soms ook gebruikt op andere tijdstippen bijvoorbeeld ter opluistering van evenementen, feesten, jubilea en dergelijke. Inmiddels zijn landelijk regels gesteld bij of krachtens onder meer de volgende wetten: Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet milieubeheer en het reglement vervoer over land gevaarlijke stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: ‘vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik’ (artikel 1.1.1. lid 1).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2.6.2 van de APV kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Ter bevordering van de deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de model-APV zijn twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1.7 bepaalt dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1.8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bezigen van vuurwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om vuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van vuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in drukke winkelstraten, bij dierenasiels enz.) Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van vuurwerk te allen tijde verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van vuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7 DRUGSOVERLAST</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod begeven op de weg om drugs te verhandelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier nadrukkelijk om verstoring van de openbare orde ten gevolge van de (straat)handel in drugs. Om hiertegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 BESTUURLIJKE OPHOUDING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Gemeentewet. Dit artikel ziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen De toepassing van het bestuursrechtelijk instrument bestuurlijke ophouding vereist een bepaling in een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2.8.1 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a Gemeentewet. Aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van door de burgemeester aangewezen groepen. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering \"degenen die zich door kleding, uitrusting en/of gedraging manifesteren als supporter van … /deelnemer aan de actie tegen .. ' Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handeling die de leden van de groep op dat moment verrichtten, de grootte van de groep of door vermelding van de taal of de herkomst of nationaliteit van de leden van de groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding lenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor de volgende bepalingen uit de APV:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.1.1 (samenscholing en ongeregeldheden) Artikel 2.1.1.2 (ordeverstoring) Artikel 2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg) Artikel 2.1.5.2 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) Artikel 2.1.6.1 (veroorzaken van gladheid) Artikel 2.1.6.4 (open straatkolken en dergelijke) Artikel 2.1.6.10 (verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer en verlichting) Artikel 2.2.3 (ordeverstoring bij evenementen) Artikel 2.3.1.13 (ordeverstoring in een horecabedrijf) Artikel 2.4.7 (hinderlijk gedrag op of aan de weg) Artikel 2.4.7b ((nacht)verblijf op de weg) Artikel 2.4.7c (uitnodigen of aanlokken van ontuchtige handelingen) Artikel 2.4.7d (nachtvissen) Artikel 2.4.8 (hinderlijk drankgebruik) Artikel 2.4.9 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen) Artikel 2.4.10 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten) Artikel 2.6.3 (bezigen van vuurwerk) Artikel 5.5.1 (verbod om vuur te stoken) Hoewel bestuurlijke ophouding een middel is dat de burgemeester wellicht zelden of nooit in deze gemeente zal toepassen, lijkt het toch zinvol om deze mogelijkheid op te nemen. In dat geval behoeven er in verwachte noodsituaties, zoals het EK voetbal, geen noodverordeningen te worden vastgesteld alvorens te kunnen optreden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9 PREVENTIEF FOUILLEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieders kleding te onderzoeken; te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur, die niet langer is, en voor een bepaald gebied, dat niet groter is, dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale driehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy); subsidiariteit en proportionaliteit; breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van de leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10 PREVENTIEF FOUILLEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgmeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed.</p></div>", "next": 239410}