{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten zal uitvoeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kernsport: wieler-, water- en strandsport waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU;</p>\n<p class=\"lf-p\">Watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie; potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of, een economische impuls levert voor de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt niet verstrekt voor een evenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door sportontwikkeling, talentontwikkeling, breedtesport of gehandicaptensport.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">maximaal € 75.000 voor een nationaal of internationaal evenement met regionale en nationale en beperkte internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, een groot aantal sporters op het hoogste niveau, een groot aantal side-events en georganiseerd door een professionele organisatie; maximaal € 25.000 voor een nationaal of provinciaal evenement met provinciale en beperkte nationale media-aandacht, een groot aantal sporters op hoog niveau, een provinciaal publieksbereik en georganiseerd door een semi-professionele organisatie; maximaal € 5.000 voor een meerdaags evenement met nationale of internationale deelnemers en een regionale uitstraling; € 2.500 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers en een regionale uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum zoals genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de activiteit wordt aangevangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan op 1 januari.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor subsidie voor een activiteit in 2014 ingediend voor 15 mei 2014.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van het tweede lid vangt de behandelingstermijn van de aanvraag voor subsidie in 2014 aan op 15 mei 2014.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen voor subsidie beoordeeld en geselecteerd aan de hand van de criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreiding over de drie kernsporten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Publieksbereik van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciaal belang van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">De publieke uitstraling van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbreding van het evenement naar een groot publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na selectie op basis van het eerste lid de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de te verstrekken subsidies naar rato van de aangevraagde subsidiebedragen verlaagd, tenzij het aangevraagde subsidiebedrag het maximum uit artikel 9.3, eerste lid overschrijdt, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van de in het betreffende artikel genoemde bedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling verplichten medewerking te verlenen aan de toolkit evenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, en 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor een kernsportevenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Vervallen Hoofdstuk11Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Faunafonds: zelfstandig bestuursorgaan, onder meer belast met het toekennen van tegemoetkomingen in door beschermde diersoorten aangerichte schade aan de landbouw; ganzenrustgebied: door gedeputeerde staten van Zeeland begrensde percelen landbouwgrond waar overwinterende beschermde inheemse ganzen ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april; gewasperceel: een perceel landbouwgrond dat in gebruik is bij één grondgebruiker, op grond van één gebruikstitel en dat wordt beteeld met één gewas; grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst gerechtigd is de als ganzenrustgebied aangewezen gewaspercelen in gebruik te hebben en die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten; onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013; schadehectare: (deel van een) hectare waarop door het Faunafonds een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw als bedoeld in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Staatscourant 2014 nr. 22309) wordt verstrekt; verjaging: opzettelijke verontrusting van beschermde inheemse ganzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden gedurende de periode van 1 november tot 1 april.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt slechts verleend aan de grondgebruikers van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen, voor zover deze gebruikers voor de desbetreffende percelen op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van het Faunafonds in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw in de periode van 1 november tot 1 april.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedraagt in afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 € 50,00 per schadehectare van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen; en wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000,00 over een periode van drie belastingjaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag voor subsidie wordt ingediend binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit van het Faunafonds op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade omtrent de hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen veroorzaakte schade in de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag voor subsidie met betrekking tot de periode van 1 november 2014 tot 1 april 2015 ingediend uiterlijk op 1 december 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.6</span><span class=\"lf-art-t\">1.In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor de subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie ingevolge hoofdstuk 11 van het Asb Zeeland 2013, een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring, én een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan het vereiste van artikel 11.2 om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 1.8.1 en 1.8.9 wordt op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 15.000 arrangement 1 toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 1.7.2 wordt de subsidie verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de volledige betaling van de subsidie plaats na vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 1.6.6, 1.7.4 tot en met 1.7.8, artikel 1.7.9, tweede lid, en 1.8.1 tot en met 1.10.1 zijn niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van openbaar vervoer per buurtbus</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">buurtbus: een door de concessiehouder beschikbaar gesteld motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, dat wordt ingezet door de concessiehouder voor exploitatie van een lijn, uitgevoerd door in een buurtbusvereniging georganiseerde onbezoldigde chauffeurs; buurtbusproject: een initiatief van vrijwilligers, waarbij een buurtbus een vaste route rijdt met bepaalde intervallen, in een bepaalde bedieningsperiode en halterend bij bepaalde halten, zoals aangegeven in de dienstregeling; buurtbusvereniging: een vereniging, die bij notariële akte is opgericht en de dagelijkse uitvoering van het buurtbusproject coördineert; concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie de concessie is gegund voor het openbaar vervoer over de weg in het betreffende concessiegebied;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">1.Een eenmalige subsidie kan worden verleend voor de oprichting van een buurtbusvereniging, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de statuten van de nieuwe vereniging bij notariële akte zijn gepasseerd; en de ledenlijst uit minimaal 20 vrijwilligers bestaat die zich hebben aangemeld als buschauffeur; beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts. er een concreet buurtbusproject, zoals benoemd in artikel 12.3, eerste lid, aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">1.Subsidie kan worden verleend voor de uitvoering van een buurtbusproject, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het buurtbusproject vervoer per buurtbus tussen kernen verzorgt; en het buurtbusproject onderdeel uitmaakt van de voor het openbaar vervoer over de weg opgestelde dienstregeling; en de buurtbusvereniging voor het buurtbusproject een overeenkomst heeft afgesloten met de concessiehouder; en gemiddeld 125 reizigers per maand gebruik maken van het buurtbusproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen besluiten af te wijken van het in het eerste lid, onder d genoemde aantal reizigers per maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor de oprichting van een buurtbusvereniging ten minste: de bij notariële akte gepasseerde statuten van de nieuwe vereniging; een ledenlijst, bestaande uit minimaal 20 vrijwilligers, waarbij duidelijk blijkt dat zij: zich hebben aangemeld als buschauffeur; en beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor een buurtbusproject ten minste: een ledenlijst van vrijwillige buschauffeurs, waarbij duidelijk blijkt dat zij: beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts. een opgave van het aantal reizigers dat het afgelopen kalenderjaar van het buurtbusproject gebruik heeft gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">1.De subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor de oprichting van een buurtbusvereniging: eenmalig een vergoeding van € 1.000,--; voor de werving van vrijwilligers voor een buurtbusproject: een vast bedrag van € 1.000,-- per jaar; oor de uitvoering van een buurtbusproject: een vast bedrag van € 3.000,-- per jaar; voor elke ingezette vrijwillige buschauffeur en voor elk bestuurslid, niet zijnde buschauffeur, per vereniging: een vast bedrag van € 100,-- per jaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid onder c en d bepaalde bedragen worden naar rato berekend, indien er sprake is van een gedeelte van het jaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor opruiming van drugsafval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU L352/9 van 24 december 2013; drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs; erkende verwijderaar: verwijderaar die over de benodigde milieuvergunningen beschikt om afval volgens de juiste regelgeving te kunnen en mogen verwijderen; synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen; zakelijk gerechtigden: personen met een zakelijk recht als bedoeld in boek 3 en 5 van het Burgerlijk Wetboek, op een zaak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">1.Subsidie wordt slechts verstrekt aan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gemeenten; zakelijk gerechtigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijke persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het opruimen van drugsafval; of het opruimen van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit het achterlaten van drugsafval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager medeverantwoordelijk geacht kan worden voor de productie of het achterlaten van het drugsafval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: er is sprake van een achterlaten van drugsafval; de locatie waar het drugsafval is achtergelaten: is gelegen binnen de gemeente grenzen; of behoort tot het zakelijk recht van de aanvrager; van het achterlaten van drugsafval is aangifte gedaan bij de politie; het drugsafval is opgeruimd in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag; aan het project liggen ten grondslag: een bewijs van aangifte van de politie met tenminste een kaart met de locatie waar de drugsafval is aangetroffen, foto’s van het achtergelaten drugsafval op de locatie en een beschrijving van het aangetroffen drugsafval; een bewijs van de gemaakte kosten voor verwijdering en afvoer van het drugsafval; een bewijs van verwijdering en afvoer van het drugsafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: het aangetroffen drugsafval is verwijderd conform de daartoe geldende wet- en regelgeving; het aangetroffen drugsafval is verwijderd door een erkende verwijderaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: de bodemverontreiniging is een gevolg van het achterlaten van drugsafval als bedoeld in het eerste lid, onder a; de bodemverontreiniging is verwijderd conform artikel 6 tot en met artikel 13 van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.3.1, eerste lid, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidiëring in aanmerking de daadwerkelijk door onafhankelijke derden gemaakte kosten voor zover deze niet op andere wijze voor vergoeding in aanmerking komen voor: het opruimen van drugsafval; of de uit de dumping voortvloeiende bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.3.2 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Een subsidieaanvraag voldoet aan de volgende vereisten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier; een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen; subsidieaanvragen worden ingediend na afloop van het project en binnen de door gedeputeerde staten jaarlijks vast te stellen openstellingsperiode voor het daaraan voorafgaande kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 13.3, voor de periode, bedoeld in artikel 13.7, aanhef en onder c, vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 13.3, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het eerste lid, wordt, indien sprake is van staatssteun, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de binnen de periode, bedoeld in artikel 13.7, aanhef en onder c, ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 13.8, te boven gaan, verdelen gedeputeerde staten de subsidie naar evenredigheid onder de voornoemde subsidieaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 13.9 wordt het percentage van de subsidiehoogte bepaald door het aantal binnen de periode, bedoeld in artikel 13.7, aanhef en onder c, ingediende volledige subsidieaanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 13.3, 13 weken na afloop van de aanvraagperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten stellen de subsidie, bedoeld in artikel 13.3, direct vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid, vindt de betaling van het subsidiebedrag in een keer plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 1.7.1 tot en met 1.9.10 zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.5.3 en 1.6.6 zijn niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 14 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">actueel regionaal bedrijventerreinprogramma: een door gedeputeerde staten na 1 januari 2016 bekrachtigd programma waarin gemeenten in regionaal verband hun bedrijventerreinbeleid afstemmen; bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein of delen ervan tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; veroudering: technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid; zeehaventerrein: een als zodanig op kaart 1 van het Omgevingsplan Zeeland 2018 aangegeven terrein van minimaal één hectare bruto dat onderdeel vormt van het beheersgebied van Zeeland Seaports.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft het realiseren van een kwaliteitsimpuls voor een bedrijventerrein door middel van herstructurering waardoor het regionaal aanbod aan bedrijventerreinen zo goed mogelijk aansluit bij de vraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.6, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.6, eerste lid; de activiteit plaatsvindt buiten een bedrijventerrein; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van een nieuwe economische drager, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A bij de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen de bebouwde kom; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein; de activiteit plaatsvindt in een regio waar geen actueel regionaal bedrijventerreinprogramma beschikbaar is; de activiteit op basis van artikel 14.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b tezamen, minder dan 30 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 14.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met e, minder bedraagt dan 60 punten; de gevraagde subsidie hoger is dan 50% van het totaal van de subsidiabele kosten van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie alleen verstrekt indien de te verstrekken subsidie meer dan € 50.000,- bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.5</span><span class=\"lf-art-t\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kosten voor marketing en promotie; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen: een volledig ingevuld aanvraagformulier Fonds Impuls Bedrijventerreinen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een beschrijving van de tijdplanning van het project; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: kwaliteitsverbetering: de mate van vooruitgang die geboekt wordt in de verbetering van het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein voor bedrijven; locatie: de bijdrage die de ontwikkeling op die specifieke locatie levert aan een toekomstbestendige bedrijventerreinvoorraad; hefboom: de verhouding tussen de subsidie en de maatschappelijke meerwaarde. Dit komt tot uitdrukking in de bereidheid van andere partijen om in het project te investeren en de aansluiting bij een visie of uitvoeringsplan; innovatie: de mate waarin gebruikelijke barrières worden doorbroken door het toepassen van een vernieuwende werkwijze; duurzaamheid en leefomgeving: de mate waarin ingrepen bijdragen aan de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en vergroting van de biodiversiteit op bedrijventerreinen en het terugdringen en vermijden van vervuiling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: kwaliteitsverbetering: ten hoogste 40 punten. Wanneer het project enkel bestaat uit investeringen in de openbare ruimte: ten hoogste 20 punten; locatie: ten hoogste 40 punten; hefboom: ten hoogste 25 punten; innovatie: ten hoogste 25 punten; duurzaamheid en leefomgeving: ten hoogste 40 punten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk15Vervallen Hoofdstuk 16Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor kennis- en innovatienetwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">triple helix netwerk: een netwerk waar minimaal tien bedrijven, minimaal twee onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en minimaal één overheidsinstelling deel van uitmaken; kennis- en innovatienetwerk: een georganiseerd triple helix netwerk gevormd door meerdere partijen binnen een economische sector met de intentie om kennis en ervaring te delen met als doel de sector te versterken en innovatie binnen de sector te stimuleren; innovatieve projecten of programma’s: projecten of programma’s gericht op de ontwikkeling van: nieuwe producten, processen of diensten; wezenlijk nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; meerjaren agenda: gezamenlijke strategische meerjaren visie inclusief jaarlijks uitvoeringsprogramma; uitvoeringsprogramma: programma bestaand uit innovatieve projecten of programma’s die door deelnemende partijen binnen het netwerk worden gedefinieerd, georganiseerd en opgevolgd en waarbij de vraag vanuit de ondernemers leidend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor de versterking van het organiserend vermogen van een bestaand kennis- en innovatienetwerk: dat bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiekracht; dat actief is binnen een van de volgende Zeeuwse economische sectoren: industrie en maintenance; havens en logistiek; grofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg; dat van toegevoegde waarde is binnen de betreffende economische sector in Zeeland, in die zin dat er geen of beperkte inhoudelijke overlap is met andere netwerken; dat de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt neemt; dat ten minste Zeeland breed acteert; dat beschikt over een meerjaren agenda; waarbij de resultaten van de activiteiten van het netwerk overwegend ten goede komen aan Zeeland; dat connecties of samenwerkingen heeft met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector; dat in het betreffende kalenderjaar niet eerder provinciale subsidie heeft ontvangen voor de versterking van het organiserend vermogen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan een kennis- en innovatienetwerk dan wel aan één van de deelnemende partijen binnen het netwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.4</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten de kosten voor:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het initiëren en organiseren van activiteiten en bijeenkomsten voor de leden of partners van het netwerk; het initiëren en organiseren van activiteiten met als doel het werven van nieuwe leden of partners van het netwerk; het onderhouden van contacten met leden of partners; de ondersteuning bij het ontwikkelen en updaten van de meerjaren agenda; het initiëren en organiseren van samenwerking met andere regionale, landelijke en Europese netwerken; public relations en communicatie omtrent de activiteiten van het netwerk; vertegenwoordiging van het netwerk op regionaal, nationaal en internationaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet subsidiabel zijn de kosten voor het uitvoeren of managen van projecten die voortkomen uit het uitvoeringsprogramma van het netwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.6</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2 bevat de aanvraag voor de subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Kennis- en Innovatienetwerken; een schriftelijk vastgestelde meerjaren agenda, inclusief het uitvoeringsprogramma voor het komende kalenderjaar; een beschrijving van de connecties of samenwerkingen die het netwerk heeft of zal aangaan met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en op welke wijze het netwerk bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector; een beschrijving op welke wijze bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen betrokken zijn bij het netwerk en op welke op welke wijze en hoeveel overige bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen het netwerk gaat betrekken bij de uitvoering van projecten en andere activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,-.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 17 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 17.1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014; consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke strategische agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie; demonstratieproject: een project dat kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening : het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverordening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; haalbaarheidsonderzoek: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; innovatief product: nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst; kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk; kmo: kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in Bijlage I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen; strategische agenda: gezamenlijke strategische visie met uitvoeringsprogramma, waarin gewerkt wordt aan structuurversterking in de Zeeuwse economische clusters, per cluster vastgelegd in de volgende documenten: industrie en maintenance:</p>\n<p class=\"lf-p\">SDR Roadmap, CE Delft, maart 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Roadmap ‘Maintenance Circulair!’ Circulaire perspectieven en projectideeën voor Ki&lt;|MPi, ICE-Amsterdam, december 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische Agenda 2017-2021, hoofdstuk 2.4 Energietransitie en circulaire economie, provincie Zeeland, 12 september 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schelde Safety Network: Coöperatie voor Veiligheid, Schelde Safety Network, 2018; havens en logistiek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Visie en actieplan Logistiek Zeeland 2019-2023, Zeeland Connect, 2019; agrofood en seafood:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbinden en versterken Visserij Zuidwest Nederland Agenda 2022, Stuurgroep Visserĳ-innovatie Zuidwest Nederland, december 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische agenda 2017-2021, hoofdstuk 3.6 Sector food, provincie Zeeland, 12 september 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fooddelta Zeeland, Groei door Samenwerking, Fooddelta Zeeland, 2019; water en energie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische Agenda 2017-2021, hoofdstuk 2.4 Energietransitie en circulaire economie, provincie Zeeland, 12 september 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkprogramma Energietransitie en Circulaire economie, provincie Zeeland, 2018; vrijetijdseconomie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Strategiedocument 2019-2025 Toeristisch Ondernemend Zeeland, Toeristisch Ondernemend Zeeland, 2019;</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische Agenda 2017-2021, hoofdstuk 2.1 Beleef Zeeland, provincie Zeeland, 12 september 2016; zorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Visie op Zorg in Zeeland in 2025, Commissie Toekomstige Zorg in Zeeland 2025, juli 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionaal Zorgpact Zeeland, Viazorg, november 2016.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de volgende Zeeuwse economische clusters: industrie en maintenance; havens en logistiek; agrofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de subsidie geen stimulerend effect heeft, als bedoeld in artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening uitstaat; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden, als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de aanvrager acteert ten minste op Zeeuws regionaal niveau de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; en de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; de subsidiabele activiteit neemt de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt; de subsidiabele activiteit draagt bij aan de realisatie van de strategische agenda van het cluster.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 17.2Haalbaarheidsonderzoeken</h3>\n<p class=\"lf-p\">17.2.1 Artikel Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek ter voorbereiding van de ontwikkeling van: een innovatief product; een innovatief productieproces; een innovatieve dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; het project is voldoende innovatief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten uitsluitend de kosten van het haalbaarheidsonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de economische clusters waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - haalbaarheidsonderzoek'; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1726\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1727\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; de mate van innovativiteit van het project; en de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 voor advies over artikel 17.2.2, derde lid, en artikel 17.2.7, voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.2.4, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 18 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 17.3 Demonstratieprojecten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een demonstratieproject gericht op de ontwikkeling van: een innovatief product; een innovatief productieproces; een innovatieve dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun, wordt subsidie slechts verstrekt indien: het project kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; het project daadwerkelijke samenwerking behelst: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten, en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening neemt, of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onder 83, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de subsidiabele kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open-access-repositories, of gratis opensource-software.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan de vereisten in het tweede lid, wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria:het projectplan heeft een voldoende kwaliteit. het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; het project is voldoende innovatief; het project heeft voldoende economisch perspectief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd. Wat gronden betreft, zijn de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten subsidiabel; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de economische clusters waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - demonstratieproject; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1736\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 200.000,-</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1737\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; de mate van innovativiteit van het project; het economisch perspectief van het project; en de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1738\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 voor advies over artikel 17.3.2, vierde lid, en artikel 17.3.7, voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1739\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.3.4, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 30 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 17A Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling: Human Capital Agenda</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverordening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk; sociale innovatie: het streven naar een originele oplossing met een meetbare of waarneembare sociale impact op een hardnekkig maatschappelijk probleem. De innovatie kan gelegen zijn in de ontwikkeling van een nieuwe organisatorische vorm (samenwerkingsverbanden, relaties) en/of de ontwikkeling van een nieuw product, een nieuwe dienst of een nieuwe methode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten: die bijdragen aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; en die gericht zijn op de ontwikkeling van een sociale innovatie die betrekking heeft op één of meer van de volgende thema’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dynamisch managen: nieuwe managementvaardigheden en –methodieken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Slimmer werken: uitgaan van competenties van medewerkers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Flexibel organiseren: innovatieve organisatievormen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Co-Creatie sectoren: hoogwaardige samenwerkingsverbanden binnen één of meer sectoren of cross-sectoraal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemer in eigen kracht: mobiliteit, flexibiliteit en lef op de arbeidsmarkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit leren en ontwikkelen: de juiste mensen op de juiste plek met de juiste kwalificaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzame inzetbaarheid: stimuleren van eigenaarschap bij medewerkers op het gebied van vitaliteit, flexibiliteit en maatschappelijke weerbaarheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Leven lang leren en ontwikkelen: wendbare, flexibele werknemers die zich kunnen blijven ontwikkelen en mee kunnen met de nieuwste ontwikkelingen; en waarbij een methodiek wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; de vraag vanuit de ondernemers vormt het belangrijkste uitgangspunt; de projectresultaten en ontwikkelde methodieken zijn openbaar en worden ruim verspreid onder (Zeeuwse) ondernemingen en instellingen die geen deel uitmaken van het consortium; het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; het project is voldoende innovatief voor Zeeland; het project heeft voldoende perspectief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie: een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Human Capital Agenda'; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; de mate van innovativiteit van het project voor Zeeland; het perspectief van het project; de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 voor advies over artikel 17A.4, eerste lid, onder f, en artikel 17A.8, voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17A.5, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 24 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 18 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van de verbeteringvan de toegankelijkheid van bestaande halteplaatsen in Zeeland.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-181-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt onder halteplaats verstaan: onderdeel van een bushalte, waar zich één bustegelijkertijd kan opstellen voor het laten in- en uitstappen van reizigers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer in Zeeland, kan subsidie worden verstrekt voor het toegankelijk maken van: halteplaatsen voor de buurtbus, de zomerbus of de haltetaxi zodat zij voldoen aan de toegankelijkheidseisen voor visueel beperkten zoals gesteld in de van toepassing zijnde Richtlijn toegankelijkheid van het CROW; en de halteplaatsen voor het kernnet, spitsnet of scholierennet zodat zij voldoen aan de toegankelijkheidseisen voor visueel- en motorisch beperkten zoals gesteld in de van toepassing zijnde Richtlijn toegankelijkheid van het CROW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan slechts worden verstrekt aan gemeenten binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend, indien de subsidie betrekking heeft op halteplaatsen die: door een reguliere bus of buurtbus worden aangedaan, mits de som van het aantal in- en uitstappers in het jaar 2018 meer was dan 100; alleen door een haltetaxi worden aangedaan, mits de som van het aantal in- en uitstappers in het jaar 2018 meer was dan 1000; of in het jaar 2018 alleen door de zomerbus werden aangedaan, mits de halteplaatsen onderdeel zijn van een busstation.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-184-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000 per halteplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de aanlegkosten van een nieuwe halteplaats; de kosten voor het plaatsen van (nieuwe) voorzieningen op een bestaande halteplaats; kosten voor de vervanging van een bestaande toegankelijke abri door een nieuwe toegankelijke abri.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-185-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond voor het tijdvak 2019-2020 bedraagt € 800.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt de aanvraag in de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 juli 2019 ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6, is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten uiterlijk op 1 juli 2020 af te ronden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 19 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfspand: gebouw inclusief garage gelegen op hetzelfde perceel, waarin een of meerdere bedrijven kantoor houden dan wel een gebouw dat bestemd is om daarin een bedrijf uit te oefenen, welke in eigendom is van een particulier en met een individueel adres en eigen nutsaansluiting. eigenaar: eigenaar van een woning of pand, ofwel opstaller, erfpachter, vruchtgebruiker; gecertificeerd bedrijf: een bedrijf gecertificeerd met het ‘Groenkeur keurmerk’, verschaft door Stichting Groenkeur; groen dak: plat of hellend dak van een woning of pand met begroeiing, die kan bestaan uit struiken, bomen en vetplanten zoals vetkruid (sedum), kruiden, mos en/of gras) begroeide daken of een combinatie. particuliere woning: een pand in eigendom van een particulier, met een individueel adres, een eigen nutsaansluiting, al dan niet grondgebonden, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, niet zijnde een bedrijfs- of dienstwoning of een 1- of 2- kamerappartement inclusief garage gelegen op hetzelfde perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-192-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het aanleggen van een groen dak op een particuliere woning of bedrijfspand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-193-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de woning of het pand waarop het groen dak wordt aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan een natuurlijke persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd, is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, is voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-194-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een aanvraag van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak gelden de volgende vereisten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts eenmaal per adres verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen bestaande woningen en/of bedrijfspanden komen in aanmerking voor subsidie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De woning en/of bedrijfspand waarvoor subsidie wordt aangevraagd is gelegen binnen de bebouwde kom;</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterbergingscapaciteit van het groene dak is minimaal 20 l/m;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het groene dak bevat minimaal een wortelwerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag;</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte van het groene dak is minimaal 10 m2;</p>\n<p class=\"lf-p\">De hellingshoek van het groene dak is maximaal 35 graden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het groene dak wordt aangelegd door een gecertificeerd bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-195-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 25,- per m2 aan te leggen groen dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor het aanleggen van een groen dak bedraagt maximaal vijftig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in de kosten van advisering ten behoeve van het aanleggen van een groen dak; de kosten voor het onderhouden van een groen dak; de kosten voor de sloop en afvoer van een bestaand dak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-196-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak: een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘subsidie groene daken’; de ondertekende offerte van een gecertificeerd bedrijf waar in ieder geval het volgende in is opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterbergingscapaciteit van het groene dak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De lagen van het aan te leggen groene dak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte van het groene dak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De hellingshoek van het groene dak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-197-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6 heeft de subsidieontvanger de verplichting om het project binnen zes maanden na verlening van de subsidie te realiseren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 20 Bijzondere bepalingen voor het verstrekken van cofinanciering voor het Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014; de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimisverordening; gebouwde omgeving: gebied dat door aaneengesloten bebouwing een overwegend woon-, werk-, recreatie- of verblijfsfunctie heeft een daadwerkelijk als zodanig wordt gebruikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van provincie Zeeland; innovatiesysteem: samenwerking in publieke en private sector waarvan de activiteiten en de interacties hiertussen, nieuwe technologieën initiëren, importeren, veranderen en verspreiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Managementautoriteit: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant aangewezen als managementautoriteit, bedoeld in artikel 123, eerste lid, van verordening 1303/2013 voor het Operationeel Programma Zuid 2014-2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">MKB: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003-361/EG); slimme uitrol: testen, demonstreren en eerste toepassing in een operationele omgeving;</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling OPZuid: Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door degenen die subsidie hebben aangevraagd op grond van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten: gericht op versterking van het innovatiesysteem, binnen de technologiedomeinen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Logistiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maintenance;</p>\n<p class=\"lf-p\">Biobased; gericht op het versterken van het valorisatievermogen van het MKB; gericht op duurzame versterking van het systeem waarbinnen arbeidsvraag- en aanbod op elkaar worden afgestemd; waarbij het merendeel van de activiteiten gericht is op de slimme uitrol van innovatieve koolstofarme technologieën en instrumenten ten gunste van de gebouwde omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.4</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3 van de Subsidieregeling OPZuid, wordt subsidie op grond van dit hoofdstuk geweigerd, indien de subsidieaanvraag op grond van de Subsidieregeling OPZuid door de Managementautoriteit, is afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 20.3, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland en deresultaten van het project ten goede komen aan de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het projectplan, genoemd in de artikelen 2.3, vierde lid, onder a, 3.3, derde lid, onder a, 4.3, vierde lid, onder a en 5.3, vierde lid, onder a, van de Subsidieregeling OPZuid, wordt tevens opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan het vereiste in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[werkt terug tot en met 13 juli 2019] Onverminderde het bepaalde in artikel 1.3.1 van dit besluit, zijn de volgende kosten subsidiabel, voor zover die kosten worden gemaakt door deelnemers aan het project die zijn gevestigd in de provincie Zeeland, dan wel door deelnemers aan het project die zijn gevestigd buiten de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg voor zover hun bijdrage aan het project ten goede komt aan de provincie Zeeland: voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel a: de kosten als vermeld in artikel 2.4 van de Subsidieregeling OPZuid; voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel b: de kosten als vermeld in artikel 3.4 van de Subsidieregeling OPZuid; voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel c: de kosten als vermeld in artikel 4.4 van de Subsidieregeling OPZuid; voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel d: de kosten als vermeld in artikel 5.4 van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten indiening subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, voldoet een subsidieaanvraag aan de volgende vereisten: een subsidieaanvraag op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend bij de Managementautoriteit; een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het Aanvraagformulier Provinciale cofinanciering OPZuid 2014-2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en in afwijking van artikel 1.4.1 van dit besluit, kunnen subsidies, als bedoeld in artikel 20.3, uitsluitend worden verstrekt als Gedeputeerde Staten de mogelijkheid tot het indienen van een subsidieaanvraag hebben opengesteld door vaststelling van een tenderperiode voor de indiening van de subsidieaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag is tijdig ingediend, indien die voor het einde van de tenderperiode is ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.8</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, van dit besluit, beslissen Gedeputeerde Staten binnen acht weken na de bekendmaking van de beslissing van de Managementautoriteit op de subsidieaanvraag op grond van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen voor subsidies, als bedoeld in artikel 20.3, per tenderperiode, als bedoeld in artikel 20.7, tweede lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidies, bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel a, bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €428.571,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidies, bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel d, bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 485.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het voorgaande lid, wordt, indien sprake is van staatssteun en: het project past binnen een van de vrijstellingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening als bedoeld in de artikelen 2.3, tweede lid, 4.3, tweede lid, of 5.3, tweede lid van de Subsidieregeling OP Zuid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit de algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden; geen van de vrijstellingen uit onderdeel a van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[werkt terug tot en met 13 juli 2019] Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het daarvoor vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt, in geval door de Managementautoriteit op grond van artikel 2.8, artikel 3.8, artikel 4.8 of artikel 5.8 van de Subsidieregeling OPZuid een rangschikking is gemaakt, subsidie verleend op grond van de volgorde van die rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Managementautoriteit, is artikel 2.8, artikel 3.8, artikel 4.8 of artikel 5.8 van de Subsidieregeling OPZuid van overeenkomstige toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.3 en artikel 1.6.6, derde lid, van dit besluit blijven buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van overeenkomstige toepassing op subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk, met dien verstande dat voor Managementautoriteit in de artikelen 5.2.10 en 5.2.11 van de Regeling Europese EZK-en LNV subsidies, moet worden gelezen Gedeputeerde Staten van Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.13</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 3, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en de paragrafen 1.7 tot en met 1.9 van dit besluit en onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid, worden, gelet op de van toepassing zijnde Europese regelgeving ter rechtvaardiging van staatssteun, de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid wordt aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2014\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.14</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling en bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[ werkt terug tot en met 20 april 2019] Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 75% van de maximale subsidie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 21 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie of vergroting van de biodiversiteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te realiseren en daarmee bestaande bedrijven en bedrijventerreinen duurzaam in exploitatie te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van onderzoek waarbij de kansen voor verduurzaming worden geïnventariseerd van: een bedrijventerrein en de daarop gevestigde bedrijven of een deel daarvan; of een groep van ten minste 20 bedrijven die niet gevestigd zijn op een bedrijventerrein en waarop afdeling 2.6 Energiebesparing van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient zich, naast energietransitie, op ten minste twee van de drie andere onder artikel 21.1, onderdeel b tot en met e, genoemde vormen van verduurzaming te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient zich ten minste op energietransitie te richten, met inbegrip van de omschakeling naar hernieuwbare energiebronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek, bedoeld in artikel 21.2, dient in ieder geval inzicht te geven in de volgende onderwerpen: ten aanzien van het resultaat van het onderzoek: de verwachte mate van reductie van de CO2-uitstoot bij toepassing van de geïnventariseerde verduurzamingsmaatregelen; de verwachte resultaten bij toepassing van de geïnventariseerde maatregelen op het gebied van circulaire economie, klimaatadaptatie en biodiversiteit; ten aanzien van kennisdeling en uitvoering: de wijze waarop invulling wordt gegeven aan kennisdeling; de mate waarin opschaling van de geïnventariseerde maatregelen plaats kan vinden; de wijze waarop de uitvoering van de geïnventariseerde maatregelen wordt voorzien, met een daarbij behorende tijdsplanning; indien mogelijk, een voorstel voor een pilot- of demonstratieproject met het oog op de uitvoering van de geïnventariseerde maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen drie maanden na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 40.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor marketing en promotie komen niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.8</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een plan van aanpak voor de uitvoering van het onderzoek, inclusief tijdsplanning; de offerte van het bedrijf dat het onderzoek gaat uitvoeren; een beschrijving van de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de verschillende vormen van verduurzaming: energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en biodiversiteit; in geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a: het aantal bedrijven dat gevestigd is op het bedrijventerrein en deelneemt aan het onderzoek; in geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b: het aantal, de bedrijfsnaam en de locatie van de bedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 22 Slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-221\"><span class=\"lf-art-num\">§ 22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor subsidiebesluiten die zijn genomen op grond van de Algemene subsidiebesluit Zeeland 2007.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-222\"><span class=\"lf-art-num\">§ 22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en aanhaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit wordt aangehaald als: \"Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013\", afgekort tot \"Asb 2013\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage A als bedoeld in artikel 1.9.7 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Uitgangspunten</h3>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Doelstelling Dit controleprotocol heeft betrekking op subsidies die de provincie Zeeland verstrekt aan instellingen op grond van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (afgekort Asb 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit controleprotocol is opgesteld om duidelijkheid te scheppen over de aspecten waar de accountant zijn controle ten minste op dient te richten. Hierin worden de verwachtingen van gedeputeerde staten van Zeeland vastgelegd ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant bij de controle van de aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van de subsidieontvanger is verantwoordelijk voor de correcte samenstelling, getrouwheid en rechtmatigheid van de aanvraag tot vaststelling, bestaande uit de prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden en de financiële verantwoording opgesteld overeenkomstig de indeling van de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De accountant verricht zijn onderzoek, gericht op het verkrijgen van een hoge mate van zekerheid over de financiële verantwoording die onderdeel uitmaakt van de aanvraag tot vaststelling. De accountant controleert de financiële verantwoording met inachtneming van de voorgeschreven aandachtspunten in hoofdstuk 2 van dit controleprotocol. De accountant rapporteert zijn bevindingen in een controleverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Definities In dit controleprotocol wordt verstaan onder: subsidieverstrekker: provincie Zeeland, subsidieontvanger: instelling die subsidie ontvangt van de provincie Zeeland, accountant: accountant die de aanvraag tot vaststelling controleert, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants, of een accountant-administratieconsulent, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 36, derde lid van de Wet op de Accountant-administratieconsulent, aanvraag tot vaststelling: het geheel aan documenten dat dient te worden ingediend voor de verantwoording van de subsidie. financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten; subsidie conform arrangement 3: een subsidie conform paragraaf 1.9 Arrangement 3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. integrale kosten subsidie: een subsidie conform hoofdstuk 2 Integrale kosten subsidie van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Procedures In het geval van een subsidie conform arrangement 3 wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend door de subsidieontvanger binnen 12 weken nadat de projecttermijn is verstreken, tenzij hiervoor uitstel is verleend, of is afgesproken via de beschikking tot subsidieverlening dat de subsidie in de jaarrekening wordt verantwoord. In het geval van een integrale kosten subsidie wordt de aanvraag tot vaststelling zes maanden na afloop van het boekjaar ingediend door de subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling van een subsidie conform arrangement 3 bestaat uit: het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs, overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden, een financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling van een integrale kosten subsidie bestaat uit: het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs, overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden, het jaarverslag over het boekjaar, een financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger heeft een actieve meldplicht. Dit houdt in dat iedere afwijking van de beschikking tot subsidieverlening of de aanvraag voor de subsidie dient te worden gemeld. Niet tijdig melden kan consequenties hebben voor de hoogte van de subsidie. Wijzigingen op de subsidie worden altijd schriftelijk door de subsidieverstrekker bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 1.9.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is het mogelijk dat door de externe accountant van de provincie Zeeland, of een door de provincie Zeeland aan te wijzen ambtenaar of accountant, een review wordt uitgevoerd bij de accountant van de instelling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Controleaanpak De onderzoeksaanpak is primair de verantwoordelijkheid van de accountant. Dit controleprotocol geeft nadere aanwijzingen, die de accountant bij zijn onderzoeksaanpak ten minste moet betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle van de financiële verantwoording dient te omvatten de getrouwheid, de rechtmatige besteding van de subsidie en de naleving van de financiële verplichtingen en voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Financiële verantwoording Van de accountant wordt verwacht dat hij controleert dat de in het verslag opgenomen financiële gegevens getrouw zijn weergegeven en rechtmatig zijn. Dit houdt in dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een subsidie conform arrangement 3: de uitgaven rechtstreeks aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit (Artikel 1.3.1 eerste lid Asb 2013); geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013); de personeelskosten aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en gebaseerd zijn op een controleerbare urenadministratie (Artikel 1.3.2 eerste lid onder a Asb 2013); de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording zijn berekend aan de hand van een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in geval van een deeltijd dienstverband omgerekend naar een maandsalaris bij een voltijdsdienstverband (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013); de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording het met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde in begroting opgenomen bedrag aan personeelskosten niet overschrijden (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013); de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013); de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013); de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder b Asb 2013); of, indien op de subsidie ook een ander hoofdstuk (bijvoorbeeld hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid) uit het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 dan hoofdstuk 1 en 2 van toepassing is, ook aan de financiële voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een integrale kosten subsidie: dat de kosten op de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde wijze zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder b Asb 2013); dat er geen toevoegingen aan reserves zijn toegerekend aan de subsidiabele kosten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder d Asb 2013); geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013); de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen overige financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 2.8.2 onder d Asb 2013); de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d); de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Referentiekader Het wettelijk kader voor dit controleprotocol is: de Algemene wet bestuursrecht; de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013; het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013; de in de beschikking tot subsidieverlening aanvullende subsidieverplichtingen en subsidievoorwaarden; de overige van toepassing zijnde besluiten en correspondentie met betrekking tot de verleende subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen verbonden aan de financiële verantwoording streeft de accountant naar een hoge mate van zekerheid. De controle moet worden uitgevoerd met een betrouwbaarheid van 95 procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële informatieEen controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de meest waarschijnlijke fout niet groter is dan één procent van de verantwoording van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze norm overschreden wordt, is de hieronder vermelde tabel van toepassing: - Strekking controleverklaring - - - Goedkeuringstolerantie Goedkeurend Beperking Oordeelonthouding Afkeurend Fouten in de aanvraag tot vaststelling ≤ 1% &gt; 1% ≤ 3% - ≥ 3% Onzekerheden in de controle ≤ 3% &gt; 3% ≤ 10% - - De rapporteringstolerantie is gelijk aan de controletolerantie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Accountantsproducten</h3>\n<p class=\"lf-p\">De accountant gebruikt het meest recente model controleverklaring zoals opgenomen in de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector. In de controleverklaring wordt tevens vermeld dat de controle mede in overeenstemming met dit controleprotocol is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de controleverklaring ten behoeve van de provincie Zeeland dient ten minste te worden gemeld, in de paragraaf \"verklaring betreffende de jaarrekening/xxx\" een verwijzing naar de beschikking tot subsidieverlening, inclusief datum en kenmerk; in de paragraaf \"verantwoordelijkheid van het bestuur\" een verwijzing naar de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013; in de paragraaf \"verantwoordelijkheid van de accountant\" naast het Nederlands recht een verwijzing opnemen naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en verplichtingen; in de paragraaf \"oordeel\" een verwijzing naar de financiële verantwoording en een verwijzing naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en subsidieverplichtingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeldtekst, gebaseerd op Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector, zoals de provincie Zeeland wil ontvangen ten minste voorzien van alle hiervoor benoemde essentiële onderdelen is te vinden in de bijlage bij dit controleprotocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij het controleprotocol voor de accountant CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT Afgegeven ten behoeve van de provincie Zeeland Aan: Opdrachtgever Wij hebben bijgaande financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) te ... (statutaire vestigingsplaats) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ………. gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van het bestuur Het bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording in overeenstemming met de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en de voorwaarden zoals benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van de accountant Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het samenstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het samenstellen van de financiële verantwoording, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel Naar ons oordeel geeft de financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ……….in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer, in overeenstemming met het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperking in gebruik en verspreidingskring De financiële verantwoording is opgesteld voor ... (naam subsidiegever) met als doel ... (naam entiteit(en)) in staat te stellen te voldoen aan de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en)) en de provincie Zeelanden dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaats en datum Toelichting bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 Algemeen (hoofdstuk 1) In de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv) bepalen provinciale staten dat gedeputeerde staten regels moeten stellen voor het verstrekken van subsidies. Ter uitvoering van deze bepaling hebben gedeputeerde staten dit Algemene subsidiebesluit Zeeland 2013 (Asb) geformuleerd. Het Asb bevat de algemene subsidieregels. Daarnaast zijn ook specifieke beleidsafhankelijke subsidieregels opgenomen in dit subsidiebesluit. Daardoor is de wijze van subsidieverstrekking zoveel mogelijk uniform gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is rekening gehouden met: de beleidsnota \"resultaat met subsidie\", het rijkssubsidiekader, het collegeprogramma \"stuwende krachten\", de Wet dwangsom, de verantwoordingssystematiek van Single informatie Single Audit, de evaluatie van het subsidieproces, en staatssteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rijkssubsidiekaderDe algemene subsidieverordening schrijft een arrangementensysteem voor. Dit systeem wordt ook gehanteerd binnen het rijkssubsidiekader. Er zijn drie arrangementen. Hieronder worden deze kort toegelicht aan de hand van de kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrangement 1 – tot en met € 10.000Met dit arrangement worden subsidies tot en met € 10.000 verstrekt waarbij op basis van een steekproef wordt bepaald of een prestatieverantwoording moet worden ingediend. In de beschikking tot subsidieverlening wordt de prestatieafspraak opgenomen en de wijze van prestatieverantwoording geformuleerd. Verder meldt deze beschikking dat de prestatieverantwoording binnen 22 weken na afloop van de activiteit op basis van een steekproef door de provincie kan worden opgevraagd. Subsidies die niet in de steekproef vallen ontvangen binnen 22 weken na afloop van de activiteit een ambtshalve vaststelling. Dit houdt in dat de subsidie wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling moet indienen. Subsidies die wel in de steekproef vallen, worden vastgesteld op basis van de prestatieverantwoording. De wijze waarop de steekproef wordt gehouden is door gedeputeerde staten vastgelegd in beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt bij de verlening volledig bevoorschot. Daarnaast moet de instelling melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrangement 2 – hoger dan € 10.000 – tot en met € 50.000.Met dit arrangement worden subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 verstrekt die verantwoord moeten worden met een prestatieverantwoording. In de beschikking tot subsidieverlening wordt een prestatieafspraak opgenomen. De definitieve subsidie wordt bepaald aan de hand van de gerealiseerde prestatieafspraak. Op de subsidie wordt een voorschot verleend van maximaal 75 procent van het subsidiebedrag. Er is geen standaardverplichting tot het indienen van tussentijdse rapportages. De instelling moet wel melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrangement 3 – hoger dan € 50.000Met dit arrangement worden subsidies hoger dan € 50.000 verstrekt die verantwoord moeten worden met een prestatieverantwoording en een financiële verantwoording. De definitieve subsidie wordt bepaald aan de hand van de gerealiseerde prestatieafspraak en op basis van de werkelijke besteding van de subsidie. Op de subsidie wordt een voorschot verleend van maximaal 75 procent van het subsidiebedrag. Er is geen standaardverplichting tot het indienen van tussentijdse rapportages. De instelling moet wel melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting (hoofdstuk 1)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de definiëring van het begrip 'instelling' wordt helder dat elk bedrijf, vereniging of stichting als instelling kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van arrangement geeft aan dat dit een vaste set van regels, verplichtingen en voorwaarden betreft. Het gaat hierbij om specifieke regels voor de wijze van verlenen, de wijze van verantwoorden van de subsidie en de wijze van subsidievaststelling. Daarnaast betreffen het voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidieverstrekking verbonden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De prestatieafspraak wordt altijd opgenomen in de beschikking tot subsidieverstrekking. Het doel is om de prestatieafspraak zo SMART mogelijk te formuleren. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het prestatiebewijs dient als \"bewijs\" dat de prestatieafspraak is behaald. Het benodigde prestatiebewijs wordt in de beschikking tot subsidieverlening beschreven. Het doel is om het bewijs zo eenvoudig mogelijk te laten zijn. Daarnaast is het doel om de kosten van het prestatiebewijs voor de instelling zo beperkt mogelijk te houden. Het prestatiebewijs kan zijn een foto, een filmopname, het op te leveren rapport, een kaartje van het concert, etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn situaties opgenomen waarin gedeputeerde staten besluiten om geen subsidie te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bepaalt dat alleen instellingen als gedefinieerd in artikel 1.1.1 een subsidie kunnen ontvangen. De definitie van een instelling is ruim omschreven. Het komt er op neer dat alleen natuurlijke personen niet in aanmerking komen voor subsidie. Er zijn wel hoofdstukken met specifieke regels in het Asb die van deze algemene regel afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid sub a bepaalt dat een subsidie niet na realisatie van de activiteit wordt verleend. Het meetpunt is hierbij het moment van de ontvangst van de subsidieaanvraag. Dus een subsidieaanvraag die wordt ingediend nadat de te subsidiëren activiteit is gerealiseerd wordt afgewezen. Dit artikel is opgenomen in relatie met de artikelen 2 en 4 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013. Deze artikelen bepalen dat een subsidie wordt verleend voor de realisatie van beleidsdoelstellingen en dat de gevraagde subsidie nodig moet zijn voor realisatie van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, sub c geeft aan dat er onder de € 2.500 geen subsidie wordt verstrekt. Dit houdt in dat aanvragen voor een subsidie van minder dan € 2.500 direct worden afgewezen. Echter ook subsidieaanvragen voor een hoger bedrag kunnen worden afgewezen. Dit is het geval als gedeputeerde staten op basis van hun beoordeling van de subsidieaanvraag en de begroting tot de conclusie komen dat een subsidiebedrag lager dan € 2.500 verstrekt zou moeten worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle kosten opgenomen in een begroting van de activiteit zijn subsidiabel. Slechts de kosten die rechtstreeks samenhangen met de activiteit worden gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat met name de indirecte (vaste) kosten van een instelling als niet subsidiabel worden aangemerkt. Voorbeelden van dergelijke kostenposten zijn de kosten van gebruik van ruimten, apparatuur en deskundigheid waarover de instelling permanent beschikt, kosten die behoren tot de normale exploitatielasten van de instelling, kosten die niet direct en uitsluitend noodzakelijk zijn voor de gesubsidieerde activiteit en ook kosten van reguliere onderhoud- of herstelwerkzaamheden van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat BTW alleen subsidiabel is als het ook een werkelijke kostenpost is voor de instelling. Als betaalde BTW kan worden verrekend met ontvangen BTW of kan worden gecompenseerd via het BTW-compensatiefonds, dan is de BTW niet subsidiabel. De kostenposten in de begroting en in de eventuele subsidieverantwoording moeten dan exclusief BTW worden opgenomen. Indien de instelling de BTW niet kan verrekenen of compenseren kunnen de kostenposten inclusief BTW worden opgenomen in de begroting en in de eventuele subsidieverantwoording.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidiabele directe personeelskosten wordt een uniforme rekenmethode toegepast voor het bepalen van een uurtarief. Deze methode gaat er vanuit dat de personeelskosten met een tarief per uur worden toegerekend aan de activiteit. Het maximaal subsidiabele uurtarief wordt berekend door het bruto maandsalaris te vermenigvuldigen met 1,2%. De uitkomst van deze berekening is een all-in uurtarief. Dit uurtarief wordt geacht voldoende te zijn voor de dekking van alle directe personeelskosten van de instelling. Naast salarissen gaat het dan om bijvoorbeeld de werkgeverslasten, een eindejaarsuitkering en vakantiegeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personeelskosten zijn echter pas subsidiabel als zij direct zijn toe te rekenen aan de activiteit. Zo kunnen er geen loonkosten worden gesubsidieerd van een personeelslid dat niet direct aantoonbaar heeft gewerkt aan de gesubsidieerde activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een afwijkmogelijkheid opgenomen voor individuele gevallen. Gedeputeerde staten nemen na ontvangst van een schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager per geval een afzonderlijk besluit. Het gebruikmaken van de afwijkmogelijkheid kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een instelling een uurtarief hanteert dat is goedgekeurd door de Europese Unie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk af te wijken van de termijn van acht weken. Het gebruik maken van de afwijkmogelijkheid kan echter niet strijdig zijn met artikel 1.2.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de minimale eisen van de subsidieaanvraag aangegeven. In veel gevallen kan subsidie worden aangevraagd met een aanvraagformulier. Door op een juiste manier gebruik te maken van het aanvraagformulier wordt doorgaans voldaan aan de bepalingen van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 sub g bepaalt dat de instelling dient te verklaren dat wordt voldaan aan het eerste, tweede en derde lid van artikel 5 van de Asv over de provinciale norm voor topinkomens. Indien het aanvraagformulier voor de subsidie hierin niet voorziet kan de volgende tekst worden gehanteerd: 'ik verklaar/ wij verklaren hierbij dat van geen van onze bestuurders, directeuren of medewerkers het belastbaar loon en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn het belastbaar loon van de ministers te boven gaat'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 sub h is van toepassing op de situatie waarbij de te subsidiëren activiteit tot stand komt door middel van een samenwerkingsverband. Een dergelijk samenwerkingsverband mag niet leiden tot extra kosten voor het project. Daarom wordt gevraagd om inzicht in de afspraken van eventuele samenwerkingsverbanden. Indien een samenwerkingsverband zorgt voor hogere kosten kan dit invloed hebben op het besluit over de subsidiabele kosten en/of de hoogte van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat gedeputeerde staten nadere informatie kunnen opvragen. Deze nadere informatie wordt opgevraagd als de instelling bijvoorbeeld voor de eerste keer een subsidie ontvangt van de provincie. Daarnaast kunnen gedeputeerde staten van dit artikel gebruik maken ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel dient de instelling de kosten en opbrengsten in de begroting zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Uit de opbrengsten moet nadrukkelijk blijken bij welke andere instanties of afdelingen van de provincie Zeeland een subsidieaanvraag is gedaan. Deze gegevens worden namelijk meegenomen in de afweging om al dan niet subsidie te verlenen of om de hoogte van de subsidie te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als twee of meer aanvragen bij de provincie worden ingediend en als die aanvragen betrekking hebben op dezelfde activiteit worden de aanvragen intern afgestemd. Indien mogelijk worden de aanvragen samengevoegd zodat de gevraagde subsidies met één beschikking worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht na de verstrekking van de subsidie blijken dat niet is vermeld dat er meerdere subsidieaanvragen zijn gedaan (zowel binnen de provincie, als bij andere subsidiënten) dan kan intrekking van de subsidie of een lagere vaststelling volgen op grond van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen Awb). Dat artikel staat intrekking of een lagere vaststelling van de subsidie toe in geval van het niet of niet volledig plaatsvinden van de activiteit, het niet nakomen van verplichtingen of het verstrekken van onjuiste gegevens op het moment van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel moet daarnaast in de begroting exact worden opgenomen hoeveel de personeelskosten bedragen. Dit gebeurt per functie. Dit zorgt ervoor dat de rekenmethode van het uurtarief niet persoonsafhankelijk is, maar is gekoppeld aan een functie en bijbehorende waardering. Zo wordt inzicht verkregen in de opbouw van de berekening van de loonkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instelling moet aangeven of ze wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. Op basis daarvan is het mogelijk om te bepalen of de eventueel in de begroting opgenomen BTW subsidiabel is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verlenen van een subsidie is gebaseerd op wederzijds vertrouwen, namelijk dat het geld rechtmatig wordt besteed en dat de (administratieve) verplichtingen bij de subsidie worden nagekomen. Subsidiegelden zijn publieke middelen en moeten derhalve ook zorgvuldig en doeltreffend worden ingezet. Daarom kunnen gedeputeerde staten bij een nieuwe subsidieaanvraag altijd de opgedane ervaringen uit het verleden van de instelling betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Ervaringen uit het verleden kunnen voor gedeputeerde staten aanleiding zijn om geen subsidie te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hebben voor de beoordeling van de subsidie acht weken de tijd. Daarna volgt een beschikking. Dit kan een beschikking tot subsidieverlening zijn, maar ook een beschikking tot afwijzing. Indien een instelling onvoldoende informatie verstrekt aan de provincie om een beslissing te nemen, wordt aanvullende informatie opgevraagd. De tijd die instellingen wordt gegeven om het gevraagde aan te leveren, schort de termijn van acht weken op.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat staatsteun een rol speelt bij de subsidieverstrekking, wordt de aanvraag voorgelegd aan de Europese Commissie. In dat geval zal de beoordeling van de aanvraag meer tijd in beslag nemen. Pas na uitspraak van de Europese Commissie zal gedeputeerde staten besluiten op de aanvraag. Gedeputeerde staten zal de aanvrager op de hoogte stellen, indien de betreffende aanvraag wordt voorgelegd aan de Europese Commissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt voor dat de Europese Unie en/of het Rijk en de Provincie Zeeland een subsidie verlenen voor hetzelfde project. De provincie wil in dat geval de instelling niet confronteren met verschillende soorten voorwaarden en verplichtingen. In dergelijke gevallen wordt daarom de subsidieverstrekking afgestemd op de subsidievoorwaarden van de subsidieverstrekking van deze hogere overheid. Dit gebeurt doorgaans door alleen de beschikking tot subsidievaststelling van het Rijk op te vragen als verantwoording. De provincie stelt de provinciale subsidie vast aan de hand van de definitieve vastgestelde rijkssubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat gedeputeerde staten hiervan kunnen afwijken als de provincie een hogere subsidie verleent dan de hogere overheid. Ook als de subsidie in arrangement 1 valt kan worden besloten om af te wijken. Dit gebeurt dan om de administratieve lasten van de instelling en de provincie zoveel mogelijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt bepaald dat gedeputeerde staten bij subsidieverstrekking ook kunnen aansluiten bij de subsidievoorwaarden van lagere overheden. Dit gebeurt op dezelfde wijze als het aansluiten bij de subsidievoorwaarden van een hogere overheid. De beschikking tot subsidievaststelling van de lagere overheid is het uitgangspunt voor de provinciale vaststelling. Wordt een bedrag in één keer verstrekt, dan doet de provincie dit ook. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt als de provinciale subsidie lager is dan de subsidie van de lagere overheid. Daarnaast vindt een risicoafweging plaats alvorens gedeputeerde staten besluiten om aan te sluiten bij de subsidievoorwaarden van een lagere overheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Single informatie Single audit verantwoordingssystematiek is een systematiek voor de verantwoording van subsidies tussen overheden. In een aantal gevallen is het verplicht om deze systematiek toe te passen. Hierbij maakt de hoogte van de subsidie niet uit. In dit artikel is geregeld dat op alle subsidies waarop de systematiek van Single informatie Single audit van toepassing is, het arrangementensysteem niet van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie moet correct worden besteed. Op een overheid rust bijvoorbeeld de verplichting dat zij opdrachten en diensten Europees aanbesteden. Doet zij dit niet dan wordt de subsidie besteed in strijd met de op de overheid rustende wettelijke verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eén van de kenmerken van het rijkssubsidiekader is de meldplicht. Deze houdt in dat de instelling zaken meldt, die van invloed kunnen zijn op de hoogte of het verkrijgen van de subsidie. Dit is bijvoorbeeld het geval als een prestatieafspraak niet wordt gerealiseerd of er extra opbrengsten zijn. Zaken die onderdeel uitmaken van de meldplicht worden ook aangehaald in de beschikking tot subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als achteraf op welke wijze dan ook blijkt dat de instelling niet heeft voldaan aan de meldplicht, dan kan dit op grond van artikelen 4:46 en 4:49 van de Awb gevolgen hebben voor de hoogte van de subsidie. Op basis van redelijkheid wordt bepaald welke gevolgen het niet naleven heeft voor de hoogte van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt voor dat instellingen bepaalde activa verwerven met een deel van of de gehele subsidie. Een investering in activa heeft vaak tot doel om een bepaalde activiteit van de grond te krijgen en een bepaalde mate van continuïteit te borgen na de start. Het is niet de bedoeling dat de verworven activa direct na afloop van de activiteit wordt verkocht. De activa zal de gehele economische gebruiksduur voor dezelfde activiteit als waarvoor deze is aangeschaft moeten worden gebruikt. Dit geldt niet voor activa met een economische gebruiksduur van 5 jaar of langer. In dat geval dient de activa gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft. Na deze periode zal vervreemding van deze activa geen gevolgen meer hebben voor de hoogte van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast het bepaalde in artikel 4:37 Awb – op grond waarvan gedeputeerde staten acht standaardverplichtingen aan de subsidieontvanger kunnen opleggen - zijn gedeputeerde staten bevoegd om ook andere verplichtingen op te leggen. Het moet dan gaan om verplichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het beoogde subsidiedoel te verwezenlijken. Het Asb dient hiervoor als wettelijke basis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een subsidie is verleend en deze is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, dan dient de instelling zich te houden aan de verplichtingen die Europa stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde het voor de Zeeuwse burger meer zichtbaar te maken waar de provincie haar geld aan uitgeeft, moet in beginsel bij een gesubsidieerde activiteit duidelijk worden gemaakt dat deze (mede) mogelijk is gemaakt door de provincie Zeeland. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van een bord met daarop een dergelijke tekst of door plaatsing van het provincielogo op het toegangskaartje van een voorstelling. Het niet nakomen van deze verplichting kan bij de vaststelling leiden tot een verlaging van het uiteindelijke subsidiebedrag. De hoogte van de korting wordt bepaald door 5 procent te nemen van de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen is deze verplichting niet gewenst. Gedeputeerde staten kunnen dan besluiten deze verplichting niet op te nemen in de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. In arrangement 1 wordt aan deze prestatieafspraak een vast bedrag gekoppeld. Indien de prestatieafspraak wordt gerealiseerd, dan heeft de subsidieontvanger recht op het bedrag van de prestatieafspraak. Omdat dit bedrag een vast bedrag is, wijzigt dit bedrag niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen arrangement 1 wordt op basis van een steekproef bepaald of een prestatieverantwoording moet worden ingediend. Subsidies die buiten de steekproef vallen, hoeven niet te worden verantwoord. Deze subsidies worden 22 weken na afloop van de activiteit ambtshalve vastgesteld door de provincie. Ambtshalve vaststelling betekent dat de subsidie wordt vastgesteld zonder tussenkomst van de subsidieontvanger. In dit geval zal de subsidie worden vastgesteld op het maximale bedrag zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij er omstandigheden zijn (bijvoorbeeld op basis van de meldplicht) die leiden tot een lagere subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidie wel in de steekproef valt dan moet de subsidie worden verantwoord. Van dit besluit wordt de instelling binnen 22 weken na afloop van de activiteit in kennis gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid tot ambtshalve vaststelling van subsidies is geregeld in de Awb. Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk vier weken na ontvangst van het besluit van gedeputeerde staten om de subsidie vast te laten stellen op basis van prestatieverantwoording wordt de aanvraag voor vaststelling verzonden aan de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de termijn van vier weken is verstreken en de provincie geen aanvraag tot vaststelling heeft ontvangen van de instelling zal de provincie éénmalig een herinnering sturen. Indien de verantwoording na het versturen van de herinnering uitblijft, wordt de subsidie na acht weken ambtshalve vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoording van een subsidie wordt ingediend bij de aanvraag tot vaststelling. De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 1 bestaat uit één of meerdere prestatiebewijzen. Deze zijn benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Met het prestatiebewijs wordt aangetoond of de prestatieafspraak is gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit, nadat de aanvraag voor vaststelling is ingediend. Dit houdt in dat er meer gegevens over de realisatie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke een controle kan verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de subsidie wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald. Een subsidie op basis van arrangement 1 waarvoor de aanvraag tot vaststelling is ingediend, wordt vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Dit wordt bepaald aan de hand van de ingediende prestatiebewijzen. Deze bepalen namelijk voor de provincie of een activiteit niet, gedeeltelijk of in zijn geheel heeft plaatsgevonden. Indien er minder is gerealiseerd, wordt de subsidie lager vastgesteld. Hierover wordt vooraf duidelijkheid verstrekt in de beschikking tot subsidieverlening. Doordat er geen financieel verslag wordt gevraagd, wordt de subsidie niet vastgesteld op basis van financiële gegevens. Er vindt bijvoorbeeld geen beoordeling plaats of de subsidie volledig is besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de instelling een verplichting niet nakomt, dan wordt een korting toegepast op de subsidie. De korting wordt berekend over de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. De korting wordt afgetrokken van het subsidiebedrag dat resteert nadat de inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. In arrangement 2 wordt aan deze prestatieafspraak een vast bedrag gekoppeld. Indien de prestatieafspraak wordt gerealiseerd, dan heeft de subsidieontvanger recht op het bedrag van de prestatieafspraak. Omdat dit bedrag een vast bedrag is, wijzigt dit bedrag niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verstrekken op een subsidie. Het totale voorschot bedraagt niet meer dan 75 procent van de maximale subsidie. De basisregels van de bevoorschotting zijn vastgelegd in het eerste en tweede lid. De looptijd van de activiteit en de liquiditeitsbehoefte van de instelling kunnen aanleiding zijn om een hoger voorschot te verlenen. De liquiditeitsbehoefte wordt bepaald aan de hand van de momenten van verwachte inkomsten en uitgaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling opgenomen. Een ambtshalve vaststelling vindt plaats zodra er door de instelling geen verantwoording van de subsidie wordt ingediend. Voordat gedeputeerde staten overgaan tot een ambtshalve vaststelling wordt een herinneringsbrief (rappel) verstuurd aan de instelling met een laatste verzoek een aanvraag tot vaststelling in te dienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 2 bestaat uit één of meerdere prestatiebewijzen. Deze zijn benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Met het prestatiebewijs wordt aangetoond of de prestatieafspraak is gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.7</span></h4></div>", "next": 239722}