{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (\"kan\"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We hebben er ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van artikel 1:8 afgeweken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Toelichting In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip \"samenscholing\" is ontleend aan artikel 186 WvSr: \"Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde \"bevoegdheid\" (tot het geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het strafbare feit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2: Betoging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Optochten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid \"openbare plaats\" gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband hiermee heeft artikel 2:3. alleen betrekking op betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot \"processies\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Betoging Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is \"betoging\" omschreven als \"het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klokgelui en oproepen tot gebed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 model APV (overige geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking termijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Te verstrekken gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte stukken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er \"geen gebruik van enige betekenis\" overblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de toelichting op artikel 2:42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwet luidt als volgt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Feest, muziek en wedstrijd e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen; dit artikel is opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is geschrapt vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, is gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. Het is uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit artikel kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op handelsreclame, zoals gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder h, op een onroerende zaak. Op deze handelsreclame is artikel 4.15 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is artikel 2.10 van toepassing op reclame-uitingen waarbij gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Een verbod dient echter beperkt te blijven tot het aanbrengen van ideële reclame op bepaalde plaatsen, zoals beschreven in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inboedels Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2.10. Met preventieve bestuursdwang wordt opgetreden tegen de in strijd met artikel 2.10 op de weg geplaatste zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem kunnen de kosten van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het verbod van artikel 2.10 is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:1. wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het college is de relatie met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang. Op grond van de Wro mag een aanlegvergunning voor de uitvoering van bepaalde werken of werkzaamheden bij een bestemmingsplan alleen verplicht worden gesteld om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving en bescherming van een verwerkelijkte bestemming (artikel 3.3 Wro). De weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief opgenomen in artikel 3.26 Wro. Zo mag een vergunning alleen en moet zij worden geweigerd, als het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van de WABO zullen voor deze vergunning de bepalingen, met name ook de termijnen, van die wet gaan gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel ligt het motief ten grondslag om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd indien de weigeringsgronden zijn opgenomen in de verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Veiligheid op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken gladheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het elders al geregeld is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen door de winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen omdat dit al geregeld is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Openen straatkolken e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Kelderingangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het niets toevoegt aan bepalingen opgenomen in het wetboek van strafrecht en de Wegenverkeerswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wij achten deze bepaling niet handhaafbaar en daarmee niet zinvol.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:19 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Vallende voorwerpen (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voegde weinig toe aan privaatrechtelijke bevoegdheden om tegen gevaarzettende situaties op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke tweede lid van dit artikel (‘Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen’) is geschrapt, omdat deze formulering ten onrechte aansprakelijkheid van de gemeente kan suggereren bij het door het ijs zakken. Het oude derde lid is vernummerd tot tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (\"namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak\") wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22, van de APV omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement:</p>\n<p class=\"lf-p\">Klein evenement Voor het organiseren van kleine evenementen (de barbecue en/of straatfeest) is gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het derde lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van een evenement zonder vergunning van de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van vergunningvoorschriften door het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1.8 genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt georganiseerd Tweede lid, onder c Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan. De gemeenteraad dient wel de afweging te maken tussen de sociale cohesie van de buurt en de overlast die het geluid kan hebben voor de overige buurtbewoners. Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 07.00 uur stil moet zijn. Uiteraard kan de gemeente andere tijdstippen kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad wordt afgezet voor een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig, genomen door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder e Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent (waarin maximaal 50 personen verblijven), een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers geen hinder van ondervinden Tweede lid, onder f Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder g De gemeente heeft er belang bij om tijdig op de hoogte te zijn van een initiatief dat zich afspeelt in de buitenlucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden alle drie vereisten, Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van een vaste bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, Uitspraak Hoge Raad van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836). In laatstgenoemde geval kan de burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het eendaagse evenement een ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de meldingsplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde termijn reageert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De criteria van de Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding, omdat de Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid Vergunninghouder/organisator. Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet voldoende houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte aangesproken gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of de schade in een aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op hem/hen verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingheffing Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een evenement kunnen leges worden geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Voorschriften Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften, bedoeld in lid 3 van dit artikel, geldt een aantal voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder artikel 1.4 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen en bestemmingsplan Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd is met een bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval niet regelmatig worden herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">MKZ (Mond en Klauwzeer), vogelpest, gekke koeienziekte Op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet heeft de minister van LNV bevoegdheden om op grond van veterinaire overwegingen (beperking verspreiding dierziektes) aanvullende eisen te stellen aan evenementen of deze te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen en Vuurwerk Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan hier aanvullende regels stellen in het kader van de openbare orde en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldingen Voor het afsteken van maximaal 10 kg theatervuurwerk of 100 kg. van consumentenvuurwerk moet het ontbrandingsbedrijf ten minste tien werkdagen vóór het evenement plaatsvindt melding doen bij Gedeputeerde Staten van de Provincie. Dit geldt zowel voor het afsteken in de open lucht als in een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning (ontbrandingstoestemming) Als het ontbrandingsbedrijf tijdens het evenement grotere hoeveelheden theater en/of consumentenvuurwerk of ander professioneel vuurwerk wil ontsteken, dan moet het bedrijf hiervoor 14 weken van tevoren een vergunning aanvragen bij de Provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lasershows Voor het geven van een vergunning voor een lasershow moet goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Luchtvaart worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kermissen De beoordeling van de veiligheid van installaties, die vallen onder het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van dat besluit tot de verantwoordelijkheid van de regionale Inspectie Gezondheidsbescherming van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van het ministerie van VWS. De toetsing van de \"veiligheid van personen of goederen\" door de burgemeester zal zich daarom meer richten op de veiligheid van personen of goederen op en rond het evenemententerrein, de plaats van de attracties ten opzichte van elkaar, etc. Voor vragen over kermissen kunnen gemeenten terecht bij de Vereniging van gemeentelijke Kermisbeheerders (VGKS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezicht en handhaven van de openbare orde Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveiliging De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor de orde en de veiligheid van de bezoekers op het evenemententerrein. Hij moet daarom zorgen dat er voldoende toezicht is. Afhankelijk van de aard van het evenement kunnen vrijwilligers dit toezicht uitoefenen, of huurt de organisator een (door het ministerie van justitie erkend) professioneel beveiligingsbedrijf in. De burgemeester kan bepalen dat het beveiligingsbedrijf in samenspraak met de politie een beveiligingsplan opstelt. Bij grote evenementen wordt- naast het bevoegde beveiligingspersoneel van de evenementenorganisatie- doorgaans ook (extra) politie ingezet om de orde op en rond het evenemententerrein te bewaken en hulp te verlenen aan het festivalpubliek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Op horecabedrijven zijn naast de regels van deze paragraaf nog vele andere regels van toepassing. Zo ook onder andere de Drank‑ en Horecawet, de Wet milieubeheer en Wet op de stads‑ en dorpsvernieuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drank‑ en Horecawet De Drank‑ en Horecawet regelt ondermeer de uitoefening van het horecabedrijf, bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. De wet regelt dus niet de verstrekking van alcoholvrije drank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet milieubeheer Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing. In de meeste gevallen gelden daarvoor de regels van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer, een op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer (Wm) gebaseerde algemene maatregel van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om onder de werking van het Besluit te vallen moet er sprake zijn van een horeca‑, sport‑ of recreatie‑inrichting die behoort tot een in het Inrichtingen‑ en vergunningenbesluit milieubeheer genoemde categorie(Ivb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zijn op grond van de categorie van bijlage I van het Ivb vergunningplichtig: hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria’s snackbars discotheken en aanverwante inrichtingen. Dit houdt in dat de inrichting op basis van artikel 1.1., derde lid, van de Wm is aangewezen als een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en dat de inrichting vergunningplichtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergunningplicht geldt echter niet voor inrichtingen die zijn aangewezen in een besluit op grond van artikel 8.40 van de Wm. Dit betreft dus onder andere het hiervoor genoemde Besluit horeca‑, sport‑ en recreatie‑inrichtingen milieubeheer. De hierin genoemde inrichtingen zijn niet vergunningplichtig, maar dienen te voldoen aan de algemene regels die het Besluit stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit heeft betrekking op wat plaatsvindt binnen het horecabedrijf, daartoe behorende terrassen en de directe omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Dienstenrichtlijn De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motieven Drank- en Horecawet en model-APV Er wordt wel geredeneerd dat de horeca-exploitatievergunning naast de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet overbodig is. De regelingen van de Drank- en Horecawet (DHW) en de model-APV hebben echter ieder hun eigen bestaansrecht vanwege de verschillende motieven die eraan ten grondslag liggen. Het motief van het horeca-exploitatievergunningstelsel is het het beschermen van de openbare orde. Dit kan niet bereikt worden met behulp van de Drank- en Horecawet. Aan de Drank- en Horecawet liggen immers primair sociaal-hygiënische en sociaal-economische motieven ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bibob-toets Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor leidinggevenden van deze bedrijven een verklaring omtrent het gedrag te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. Dit is van belang omdat de horeca-exploitatievergunning een persoonsgebonden is. Wie de leidinggevende is, is een belang van openbare orde. Immers deze leidinggevende dient ervoor te zorgen dat overlast wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat voor horecabedrijven in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van het begrip \"horecabedrijf\" sluit zoveel mogelijk aan bij de Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de APV. In de praktijk is gebleken dat in coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden verstrekt (en genuttigde dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval niet zou worden bestreken door de begripsomschrijving \"horecabedrijf\", is in het eerste lid de aanduiding \"rookwaren\" toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatie van bepaalde, door de burgemeester aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente of in één of meer delen van de gemeente kan slechts plaatsvinden nadat voor dat horecabedrijf of die horecabedrijven een exploitatievergunning is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling kan de gemeente soepel inspelen op situaties waarin de horeca de woon- en de leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn worden geïnterpreteerd. Met andere woorden : de interpretatie mag het kader van de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het beschermen van het woon‑ en leefklimaat e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te regelen met een voorschrift bij de exploitatievergunning. Het gaat hier om een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:4 van de APV dat dus moet strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Net als voor de in artikel 2.29, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt ook hier artikel 174 van de Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om één of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die ‑ anders dan bij de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, die een individueel karakter heeft ‑ zich niet alleen kan uitstrekken tot één maar ook tot meerdere of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich – in tegenstelling tot artikel 2.29, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Artikel 2:31 richt zich daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en de niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"horecabedrijf\" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"inrichting\" als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het is geregeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2008 is het oude artikel 2.3.2.3 geschrapt. In dat artikel ging het om de verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken. De meeste gemeenten schrijven zo’n model niet (meer) voor. Dit was een reden tot schrappen van het artikel. Door het vormvrij maken van het register wordt ook een verlichting van administratieve lasten beoogd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vormt een aanvulling op de Wet op de Kansspelen, met als oogmerk het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Oogmerk van de wet is het beteugelen van de speelzucht, het beschermen van jongeren en sociaalkwetsbare personen en het tegengaan van illegaal aanbod en daarmee verbonden criminaliteit zoals fraude. Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op de Kansspelen d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging van de Drank- en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij vooral over de begrippen \"inrichting\" en \"horecalokaliteit\" en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Het CBB overweegt - in tegenstelling tot wat uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot nu toe uit de jurisprudentie is gebleken – \"dat er wel sprake is van een materiële wijziging van de Wet\" en niet slechts van een technische. Dit kan verstrekkende consequenties hebben voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor de wijze van formulering van besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengestelde inrichtingen Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is (op grond van artikel 30c lid 4 van de Wet op de Kansspelen) de horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan kansspelautomaten te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij één afgesloten ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere ruimten in een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11 maatregelen tegen overlast en baldadigheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór 2002 was het oude artikel 2.4.1 genummerd als 2.4.1a. Het daarvoor bestaande Artikel 2.4.1 over kraken van gebouwen is al daarvoor geschrapt wegens strijd met hogere regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen. In 2007 is het tweede lid daarop aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen plakken of doen aanbrengen Het verbod van het tweede lid, onder a, is in die zin uitgebreid dat nu ook het ‘doen’ plakken of het op andere wijze ‘doen’ aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. De jurisprudentie heeft hiertoe aanleiding gegeven. Onder ‘doen’ aanplakken verstaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term \"bekladden\" ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid van meningsuiting Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat \"plakken\" slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen plakken of doen aanbrengen Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin uitgebreid dat nu ook het \"doen\" plakken of het op andere wijze \"doen\" aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder \"doen\" aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter. worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord? zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting. zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c lid 4 Wet op de Kansspelen). zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan. zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de Kansspelen. is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw? wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de stappen onder A? is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet? staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf? zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan 18?</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11 maatregelen tegen overlast en baldadigheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór 2002 was het oude artikel 2.4.1 genummerd als 2.4.1a. Het daarvoor bestaande Artikel 2.4.1 over kraken van gebouwen is al daarvoor geschrapt wegens strijd met hogere regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen. In 2007 is het tweede lid daarop aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen plakken of doen aanbrengen Het verbod van het tweede lid, onder a, is in die zin uitgebreid dat nu ook het ‘doen’ plakken of het op andere wijze ‘doen’ aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. De jurisprudentie heeft hiertoe aanleiding gegeven. Onder ‘doen’ aanplakken verstaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term \"bekladden\" ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid van meningsuiting Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat \"plakken\" slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen plakken of doen aanbrengen Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin uitgebreid dat nu ook het \"doen\" plakken of het op andere wijze \"doen\" aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder \"doen\" aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen, welke ingevolge de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardigheidsgrond oplevert. Het bepaalde in het twee­de lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Bezit hulpmiddelen voor winkeldiefstal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Winkeldiefstallen nemen hand over hand toe en men bedient zich steeds vaker van allerhande middelen om winkeldiefstal te vergemakkelijken. Om preventief te kunnen optreden is dit artikel in de APV opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden over bermen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het in andere regelgeving is geregeld en in artikel 5.11 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt \"straatschenderij\" strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank‑ en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede be­pa­lend voor het verschijnsel zijn. Wanneer echter toch andere plaatsen als pleisterplaatsen worden uitverkoren dan kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde, kunnen op grond van de artikelen 2 en 12 Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet‑naleving daar­van is strafbaar op grond van artikel 184 Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zal in een aantal gevallen (als bij voorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd in dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om het verbieden van bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling wordt het woord \"ruimte\" gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip \"weg\". Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het elders is geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden van personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing zal het artikel alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien worden als aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span><span class=\"lf-art-t\">Bewakingsapparatuur (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hiermee is dit artikel vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van heimelijk cameratoezicht wanneer beelden van personen worden gemaakt met camera’s die zijn aangebracht om personen herkenbaar in beeld te brengen zonder dat de aanwezigheid ervan duidelijk kenbaar is gemaakt. Heimelijk cameratoezicht was voor de wetswijziging al verboden in winkels of horecagelegenheden (artikel 441b Wetboek van Strafrecht). Dit verbod geldt voortaan ook voor alle andere openbare plaatsen en gebouwen (incl. de openbare weg), zoals banken, stations, casino’s, bussen, musea, uitgaansgebieden of stadions. Het gebruik van camera’s voor toezicht en beveiliging is alleen toegestaan als de aanwezigheid van deze camera’s duidelijk is aangegeven (kenbaar), bijvoorbeeld door de camera’s zichtbaar op te hangen of door middel van een bord met pictogram of mededeling. Daarnaast gelden de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarstelling van het heimelijk maken van opnamen van personen op besloten plaatsen, dat wil zeggen niet voor het publiek toegankelijke plaatsen, is uitgebreid (artikel 139f Wetboek van Strafrecht). Het was al verboden om mensen in een woning of een ander niet voor publiek toegankelijk gebouw (bijvoorbeeld een kantoor) te filmen als deze personen daarvan niet op de hoogte waren gesteld. Dit verbod geldt voortaan voor alle niet voor het publiek toegankelijke plaatsen, dus inclusief plaatsen die geen gebouw zijn, zoals afgesloten tuinen, erven, niet voor publiek toegankelijke parken en parkeerterreinen. Het verbod is niet langer beperkt tot afbeeldingen die het rechtmatig belang van de afgebeelde persoon kunnen schaden, bijvoorbeeld afbeeldingen die compromitterend of onwelvoeglijk van aard zijn. Het heimelijk maken van een afbeelding van een persoon wordt nu in principe in alle gevallen verboden. Of de aard van de afbeeldingen zodanig is dat daarmee het rechtmatig belang van de afgebeelde persoon kan worden geschaad, doet niet ter zake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span><span class=\"lf-art-t\">Nodeloos alarmeren (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In 2002 is deze bepaling vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:56</span><span class=\"lf-art-t\">Alarminstallaties (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat nodeloos alarmeren is geregeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blinde geleidehonden. In de lijn van reeds bestaande jurisprudentie is voor deze situatie in het tweede lid een voorziening getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Om uitwerpselen te kunnen verwijderen moet iedereen hiervoor een schepje of andere hulpmiddel (bv. een zakje) bij zich hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën van gevaarlijke honden Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. Tot deze categorie rekent de commissie het type pitbullterriër.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of gedeeltelijk zijn opgeleid voor bewakings , opsporings of verdedigingswerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee categorieën en waarvan in de praktijk - door het toebrengen van letsel of het uiten van een dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1 Aan de eigenaar of de houder van een hond uit categorie 1 moet bij raadsverordening worden voorgeschreven die hond op of aan de weg of op het terrein van een ander kort aan te lijnen en te voorzien van een muilkorf. Bij openbare kennisgeving moet het college bepalen welk ras of type hond dan wel wat voor door kruising daarmee verkregen verwanten onder deze eerste categorie gevaarlijke honden er dus onder de strafbepaling moeten vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2 Gelet op het gebruik van de hond voor bewakings, opsporings en verdedigingswerk is het aanlijngebod beperkt tot de weg: op het terrein van een ander kan de hond zijn functie blijven vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3 Het college heeft de bevoegdheid aan de eigenaar of de houder van een hond uit de derde categorie de verplichting op te leggen tot aanlijnen en - indien noodzakelijk - tevens tot muilkorven van deze hond op of aan de weg of op het terrein van een ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het gevaar van een hond voortvloeit uit een besmettelijke dierziekte zoals hondsdolheid, moet de burgemeester op grond van artikel 21 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren de maatregelen nemen die hem door of vanwege het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden opgedragen ter voorkoming van - verdere - besmetting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61</span><span class=\"lf-art-t\">Wilde dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het artikel het Wetboek van Strafrecht doorkruist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:63</span><span class=\"lf-art-t\">Duiven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het in de gemeente Raalte niet tot problemen leidt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat het in de gemeente Raalte niet tot problemen leidt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet opgenomen omdat het in de gemeente Raalte geen probleem is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 12 bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Handelaren zijn overeenkomstig het (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992), artikel 1: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto, film, radio, en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder \"handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen\" worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (\"alle\" goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:69</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel is opgenomen in artikel 2:68.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:70</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijven (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is genummerd artikel 2:32.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13 Vuurwerk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik”(artikel 1.1.1. lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - als: het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; het aangetroffen wordt bij een particulier; het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit geeft in artikel 2.3.2, lid 2 een wettelijke termijn van drie dagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk ten behoeve van de jaarwisseling. Als verkoopdagen zijn landelijk aangewezen 29, 30 en 31 december, met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koopzondag In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73a</span><span class=\"lf-art-t\">Carbidschieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Carbidschieten tijdens de jaarwisseling is een activiteit die in den lande steeds meer aan populariteit wint. In Salland en dus ook in Raalte, kan het carbidschieten als een traditie worden beschouwd. Een totaalverbod op het schieten met carbid wordt om die reden niet wenselijk geacht. Wel dient de kans op schade en overlast zoveel mogelijk te worden beperkt. Daarom is in dit artikel de mogelijkheid geopend om uitsluitend tijdens de jaarwisseling, buiten de bebouwde kom het carbidschieten uit te voeren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 14 Drugsoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage \"onverminderd het bepaalde in de Opiumwet\" opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (\"harddrugs\") en II (\"softdrugs\") die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen aangezien het voldoende is geregeld in andere artikelen van deze APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieders kleding te onderzoeken; te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>subsidiariteit en proportionaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Begripsbepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op artikel 151a Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebod of verbod; vergunning of ontheffing Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de vorm van geboden of verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wenst te volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte heeft op (exploitatie van) prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten bij (exploitatie van) prostitutie de vergunningsvoorschriften in acht worden genomen die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is daarvoor geen nadere voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist. Gebodsbepalingen hebben onder meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief beperkt zijn: nadat de gemeente de regels “eenmalig” heeft vastgesteld, beperkt zij zich tot het uitoefenen van toezicht op de naleving daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van) prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande toestemming van de gemeente vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is in dat geval niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder toestemming (vergunning).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Prostitutie en prostituee(onder a en b) Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seksinrichting (onder c) Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd). “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf (onder d) Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sekswinkel (onder e) De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoeker (onder h) Tegen de achtergrond van de bij of krachtens de artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde sluitingsuren, worden niet alle in de inrichting aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening noodzakelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkel en dergelijke</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 3 onder 2, is er hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een eenduidige systematiek gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan een tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een verblijfsontzegging behelst een verbod om zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor zover in de aanzegging genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Sekswinkels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de daarin plaatsvindende voorstellingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Beslissingstermijnen; weigeringsgronden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissingstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hier genoemde belangen vormen tezamen de “huishouding”, tot het regelen en besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten onrechte zou de aanduiding “weigeringsgronden” hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de bevoegdheden die het gemeentebestuur ter zake toekomen. Die uitoefening kan inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de in dit artikel genoemde belangen: bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen); nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 3:3); beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb); vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en beperkingen (als bedoeld in artikel 1:4); de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in artikel 1:6) of vergunning kan worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zal regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op sexinrichtingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Overgangsbepaling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:16</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is bedoeld voor seksinrichtingen die zijn gevestigd voorafgaand aan vaststelling van deze APV</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Het Besluit geeft, evenals het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- en lichthinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting Een inrichting is volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inrichting valt onder het Besluit tenzij de bedrijfsactiviteiten hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval blijft een inrichting vergunningsplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsgevoelige gebouwen en terreinen Voor deze begripsbeschrijving wordt aangesloten bij definities voor (geluids)gevoelige gebouwen en terreinen uit het Besluit en de Wet geluidhinder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Met het oog op de bescherming van het milieu kan het college de maximaal toelaatbare geluidsbelasting vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113 tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen omdat de burgemeester deze (autonome) bevoegdheid heeft op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6a</span><span class=\"lf-art-t\">(Geluid)hinder door dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel maakt het mogelijk op te treden tegen onder meer het hinderlijk blaffen van honden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6b</span><span class=\"lf-art-t\">(Geluid)hinder door bromfietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verbiedt het zich ‘(geluid)hinderlijk gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. ‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Bodem- weg- en milieuverontreiniging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Aan dit artikel bestaat geen behoefte in de gemeente Raalte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Boom Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van de bescherming. De minimale diktemaat is de meest gangbare en meest heldere vorm van afbakening. Er is hier onderscheid gemaakt tussen een openbare plaats en een niet openbare plaats. De aanduiding openbare plaats betekent alle bomen van overheden, bijvoorbeeld provincie, waterschap of rijkswaterstaat. Veelal heeft dit betrekking op gemeentelijke bomen. De aanduiding niet zijnde een openbare plaats heeft betrekking op eigendommen van particuliere burgers, maar ook de bomen van bedrijven, agrariërs, landgoederen, stichtingen of bijvoorbeeld verenigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstand Het kernbegrip van deze verordening, waarop het kapverbod en de vergunningplicht van toepassing zijn. Door dit begrip consequent centraal te stellen wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer dan bomen alleen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boomvormer Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hakhout Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtwal Lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers. (Lint) begroeiing Vanwege de grote ecologische waarde van derge­lijke begroeiingen (bijv. een meidoorn‑ of mispel­haag) is bescherming hiervan een noodzaak. Er staat \"begroeiing\" in plaats van beplanting om ook spontaan opgeslagen groen bescherming te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bosplantsoen Aanplant van jong bos, bestaande uit hoofdzakelijk heesters,struiken en boomvormers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Struweel Een begroeiing van hoofdzakelijk inheemse soorten heesters en struiken Heg Een lintvormige aanplant van heesters of struiken, al dan niet in een vorm gesnoeid, met een minimale lengte van 3 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vellen Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand, ongeacht of dit gedeeltelijk is (bijvoorbeeld bij kappen) of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen zijn die handelingen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het in stand houden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet vergunningplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel vergunningplichtig. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, zijn grootschalige ingrepen in houtopstand eveneens vergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monetaire boomwaarde De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend. Het spreekt overigens voor zich dat bomen ook vele andere waarden dan monetaire waarde kunnen vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen effect analyse Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De bomen effect analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11</span><span class=\"lf-art-t\">Kapverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Er wordt voor het kapverbod geen onderscheid gemaakt tussen vitale en afgestorven houtopstanden. Hiermee wordt voorkomen dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde boom dood gaat of `bij vergissing´ een gezonde boom kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De bevoegdheid tot het instellen van een verbod tot vellen bij gemeentelijke verordening wordt in artikel 15 van de Boswet beperkt. Deze beperking heeft inhoudelijk betrekking op de in artikel 15 lid 2 Boswet genoemde houtopstand: a. populieren of wilgen als wegbeplantingen of éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot; b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; c fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemin­gen en niet gele­gen is binnen een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zinsnede “die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd” bedoelt alle hiervoor genoemde uitzonderingen conform de Memorie van Toelichting op de Boswet te beperken tot bomen met een aantoonbare economisch doel en te onderscheiden van sierbomen. Bij vrucht of fruitbomen, zijn sierbomen die vruchten dragen dus wel kapvergunningplichtig. Onder het kapverbod valt het houden en de economische exploitatie van (vrucht)bomen niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijke aanvraag is vanzelfsprekend noodzakelijk. Een situatieschets, op te stellen door de aanvrager, blijkt in de praktijk nodig omdat men anders een tweede maal de kapvergunning voor een andere houtopstand zou kunnen gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12a</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat de criteria die in ieder besluit op een aanvraag tot vellen genoemd moeten worden. Stilzwijgend wordt ervan uitgegaan dat (te) zieke of gevaarlijke bomen altijd voor vergunning in aanmerking zullen komen. Ervaring leert dat de algemene termen waarin hier genoemde weigeringsgronden gesteld zijn nadere uitwerking behoeven van criteria voor boombelang en verwijderingsbelang. De beslissing op de aanvraag moet waar mogelijk verwijzen naar beleidsbesluiten. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 3:46- 3:50 en 4:82 – 4:84) moet de motivering van het besluit van het college verwijzen naar gemeentelijke beleidsregels zoals bestemmings-, groen-, bomen-, of landschapsplannen en bijbehorende (beschermings)categorieën en beleidskaarten. Voor de gemeente Raalte zijn het Groenbeleidsplan, het Landschapsontwikkelingsplan en de bestemmingsplannen hierop met name van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12b</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Standaardvoorwaarde van niet-gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is bedoeld om te vermijden dat de boom al feitelijk gekapt is voordat derden kennis van de kapvergunning hebben kunnen nemen. Aansluiting is gezocht met formu­leringen en systematiek uit de rechtspraak en de afstemming van de bouwvergunning op de milieuvergunning. De opschortende werking van deze standaardvoorwaarde is niet van toepassing tijdens de beroepstermijn. Dit is gedaan om oneigenlijk gebruik door bezwaarmakers te voorkomen. Bezwaarmakers moeten om tussentijdse kap te verkomen tijdens de beroepstermijn tegelijkertijd met het indienen van een beroepsschrift een verzoek tot voorlopige voorziening indienen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de rechtbank. Ter voorkoming van directe kap na het ongegrond verklaren van de bezwaren, is een termijn van één week vastgesteld waarin niet gekapt mag worden en de bezwaarmakers de mogelijkheid hebben een beroepschrift en een verzoek tot voorlopige voorziening in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herplantplicht De voorschriften moeten concreet en precies worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar locatie, boomsoort of grootte. Uit de rechtspraak naar aanleiding van de herplantplicht blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de herplantplicht noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opleggen van een herplantplicht worden de uitgangspunten als opgenomen in het groenbeleidsplan en het Landschapsontwikkelingsplan als uitgangspunt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform het groenbeleidsplan handhaaft het college de groenhoofdstructuur. Voor het aanvragen van een kapvergunning voor houtopstanden binnen de groenhoofdstructuur moet sprake zijn van zwaarwegende argumenten. Bij het toetsen van aanvragen om een kapvergunning wordt steeds de gewenste verschijningsvorm als uitgangspunt genomen. Middels het uitvoeren van een herplant kan de gewenste verschijningsvorm worden gerealiseerd. De gewenste verschijningsvorm is beschreven in het Groenbeleidsplan en het Landschapsontwikkelingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan afwijken van dit uitgangspunt als uit een zorgvuldige en integrale afweging van belangen blijkt dat het realiseren van de gewenste verschijningsvorm niet mogelijk is. Het college besluit hiertoe op basis van een alternatievenonderzoek. In het alternatievenonderzoek wordt aandacht besteed aan: de gewenste verschijningvorm van de groenstructuur de ruimtelijke en technische mogelijkheden een duurzame instandhouding en beheersaspecten de financiële aspecten de veiligheid van de openbare ruimte het alternatief Als geen alternatieven aanwezig zijn dan kan het college besluiten de gewenste verschijningsvorm niet of niet volledig te realiseren. Compensatie kan plaatsvinden middels het storten van een geldelijke bijdrage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12c</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant‑/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften Herplantvoorschriften moeten concreet en eenduidig zijn en mogen zeer gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven mits dit in het gangbare beleid past. De wijze waarop de zelfstandige herplant- en instandhoudingsplicht wordt uitgevoerd, vraagt dus om beleidsmatige uitwerking. Toetsing vindt in voorkomende gevallen plaats aan het Landschapsontwikkelingsplan en het groenbeleidsplan. Deze uitwerking kan deel uitmaken van een breder opgezet handhavingsbeleid. Factoren die daarbij een rol spelen, zijn de ernst van de overtreding, de mate van (on)verantwoordelijkheid die aan de overtreder kan worden toegekend en de feitelijke mogelijkheden tot uitvoering van een herplant. Onder het handhavingsbeleid vallen ook de richtlijnen voor het effectief uitvoeren van de strafvervolging door politie en daartoe aangestelde opsporingsambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële herplant Het college bepaalt de hoogte van de financiële bijdrage. Een financiële herplantplicht moet daadwerkelijk voor herplant elders gebruikt worden blijkens de rechtspraak en niet voor extra snoeien of iets dergelijks. Bovendien moet die herplant zo nabij als mogelijk uitgevoerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12d</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Boswet schrijft voor dat een gemeentelijke verordening dit artikel moet bevatten, hoewel uit de (gepubliceerde) rechtspraak geen enkel geval van een schade-uitkering op grond van dit artikel bekend is. Rechters lijken niet snel (onredelijk) nadeel aanwezig te achten indien een vergunning om te vellen geweigerd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12e</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning van rechtswege</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat de zogenaamde lex silencio positivo. De vergunning wordt geacht te zijn verleend wanneer niet binnen de genoemde termijn een beslissing is genomen op de aanvraag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Dit wordt voldoende geregeld via de Meststoffenwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van administratieve lasten is in 2007 het oude artikel 4.4.2 ingrijpend herzien. Dat houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder h, van de APV als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame en de vrijheid van meningsuiting In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:15 gaat om niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder g (handelsreclame).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lichtreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is een zorgplicht opgenomen die ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken. Daarmee vervalt de noodzaak om dit onderwerp bij APV te regelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Parkeerexcessen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip “parkeerexces”</p></div>", "next": 239626}