{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7.Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">ABegripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd) Afdeling8.Verbod vuur te stoken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling9.Verstrooiing van as</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10. Bescherming cultureel erfgoed</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod metaaldetectie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden met behulp van een metaaldetector of een ander voorwerp metaal of andere materialen op te sporen, dan wel op te graven of uit de bodem te verwijderen. Op grond van artikel 2.2 , vijfde lid van het Besluit Erfgoedwet archeologie blijft artikel 2.2, eerste lid van het Besluit Erfgoedwet archeologie buiten toepassing voor het hele grondgebied van de gemeente Haarlem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een openbare plaats een metaaldetector of enig ander voorwerp bestemd voor het opsporen van metalen bij zich te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiervoor bepaalde is niet van toepassing op degene aan wie ingevolge artikel 5.2 van de Erfgoedwet een opgravingscertificaat is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6.Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:12, 2:25, 2:26, 2:28, 2:28g, 2:29, 2:32, 2:32a, 2:39, 2:40b, 2:41, 2:42, 2:43a, 2:44, 2:44a, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50a, 2:57, 2:58, 2:59, 2:60, 2:67, 2:68, 2:74, 2:74a, 2:75a lid 4, 3:3, 3:12, 3:13, 3:13b, 3:14 lid 1, 3:17, 3:19, 3:21, 3:22, 3:22a, 4:9a, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8, 5:9, 5:18, 5:19, 5:20, 5:23, 5:29 en 5:34.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie: artikelen 2:3, 2:6, 2:9, 2:13, 2:15, 2:21, 2:23, 2:30, 2:31, 2:33, 2:34a, 2:34b, 2:36, 2:43, 2:45, 2:49a, 2:49b, 2:51, 2:52, 2:65, 2:73, 2:75, 2:78, 3:13d, 3:14 lid 2, 3:18, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:7, 4:8, 4:9, 4:13, 4:15, 4:18, 5:11, 5:12, 5:15, 5:24, 5:28, 5:30, 5:31, 5:36, 5:37 en 5:38.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, onder a en 2:12, eerste lid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen werkzaam bij de gemeente Haarlem, die zijn benoemd in de volgende functies:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inspecteur Algemeen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inspecteur Specialist;</p>\n<p class=\"lf-p\">Coördinerend Integraal handhaver;</p>\n<p class=\"lf-p\">Integraal handhaver;</p>\n<p class=\"lf-p\">Senior Parkeerhandhaver;</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerhandhaver;</p>\n<p class=\"lf-p\">Marktmeester;</p>\n<p class=\"lf-p\">Scheepvaartmeester;</p>\n<p class=\"lf-p\">Havenmeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering , eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene plaatselijke verordening van 1 juli 2013 wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod als bedoeld in artikel 2:28 is niet van toepassing op houders van een geldig verlof als bedoeld in artikel 2:33 van de verordening bedoeld in artikel 6:4.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod als bedoeld in artikel 3:3 is niet van toepassing op houders van een geldige vergunning als bedoeld in artikel 3:4 van de verordening als bedoeld in artikel 6:4.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>het verbod als bedoeld in artikel 3:14 lid 1 onder a wordt van kracht drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening ten aanzien van sekswerkers die voor de inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkten in een vergund seksbedrijf én de leeftijd van 21 jaar nog niet hadden bereikt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 april 2018.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTINGAPV</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-1-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Haarlemse bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-2-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. De beslistermijn is vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor evenementen, speelautomatenhal en seksinrichtingen zijn gezien de complexiteit van de aanvragen de beslistermijn op 12 weken vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we op acht weken gesteld (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van deze verlenging</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat bij gemeentelijke verordening een aanvullende grond wordt geïntroduceerd waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Daarom komt artikel 1:3 van de APV te vervallen. In plaats van buiten behandeling laten zal een aanvraag die dusdanig laat wordt ingediend dat een goede beoordeling niet mogelijk is worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de algemene strafbepaling die in deze model-APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 ORDE EN VEILIGHEID OP OPENBARE PLAATSEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr): \"Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.\" Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid is het begrip openbare plaats aan het eind van de delictsomschrijving opgenomen zodat het ook strafbaar is als de aanleiding tot wanordelijkheden zich niet op openbare plaatsen voordoet maar wel leidt of kan leiden tot ongeregeldheden op een openbare plaats. Op deze manier kan ook bestuurlijk handhavend worden opgetreden als er sprake is van online oproepen tot ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat het geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 juncto het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klokgelui en oproepen tot gebed Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4. VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt alle straatoptredens waarbij muziek en/of zang ten gehore wordt gebracht. Indien niet voldaan kan worden aan de algemene regels voor straatoptredens, dan moet een Evenementenvergunning worden aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, aan of boven de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een groot aantal voorwerpen, dat in de openbare ruimte worden geplaatst veroorzaken geen overlast of dragen zelfs bij aan de leefbaarheid. Daarom is bij de wijziging van dit artikel gekozen om een algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college ook de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het begrip openbare plaats op te nemen is de reikwijdte van deze bepaling uitgebreid. Naast wegen en weggedeelten vallen onder het begrip openbare plaats ook plantsoenen, parken en andere voor publiek toegankelijke ruimten. Hierdoor kan op grond van deze bepaling ook worden opgetreden tegen het toebrengen van schade aan parken en plantsoenen, of het gebruik van openbare grond in strijd met de publieke functie daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrippen bruikbaarheid van de openbare plaats en het veilig gebruik van de openbare plaats zijn niet makkelijk te duiden. Bij het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats kan er al heel snel sprake zijn van een belemmering. In beleidsregels kan aangegeven worden wat de kaders hiervan zijn. In lid 2 is wel al een specifieke uitleg gegeven. Hierbij moet er wel op gelet worden dat hier staat wat in ieder geval onder een belemmering moet worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is in het vierde lid geregeld dat het bevoegde bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de openbare plaats dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke. Dit werd niet duidelijk uit de tekst van het artikel. Bij de herziening van 2015 zijn het vierde en vijfde lid aangepast om dit expliciet helder te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het hebben van een uitweg tussen \"eigen terrein\" en de straat is een vergunning nodig indien deze benodigd is voor een gemotoriseerd voertuig op meer dan 2 wielen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Havendienst keurt of het ijs betrouwbaar is voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving (evenementen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en particuliere markten. Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. Particuliere markten zijn specifiek geregeld in artikel 5:22 van de APV. Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de toelichtingen bij artikel 5:22 en de modelmarktverordening van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de WOM. Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9 (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet. Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22, van de model-APV. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Optochten Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de WOM van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het activiteitenbesluit milieubeheer. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In artikel 2:24 is een klein evenement daarom gedefinieerd, in dit derde lid is een opsomming gemaakt van evenementen die onder ‘klein’ worden verstaan. Lid 3 sub b: onder de hoofdwegen vallen ook busroutes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor evenementen in een gebouw is meestal de van toepassing zijnde gebruiksvergunning/melding afdoende om de veiligheid te garanderen. Voor sommige evenementen kan naast veiligheid ook de openbare veiligheid/ openbare orde in het geding zijn. De burgemeester kan daarom evenementen in gebouwen aanwijzen waarvoor wel een evenementenvergunning moet worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt georganiseerd. onder c Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan. Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 08.00 en daarnaast op zondag tot 13.00 uur stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners. onder d Als het evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 m aangehouden. Het gaat vooral om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het gebruiken van de rijbaan moet het gewone verkeer doorgang kunnen vinden in de wijk. Hulpdiensten moeten door de straat (waar het feest plaatsvindt) kunnen rijden: Er moet altijd een calamiteiten route van 3.5 m vrij worden gehouden. Bij straat/buurtfeesten mag de straat afgezet worden met hekken, maar deze moeten zeer snel te verplaatsen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties waar straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. en in de eigen straat. onder e Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers geen hinder van ondervinden. onder g Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid vergunninghouder/organisator Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid: Lex silencio positivo Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">A Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De termijn is niet vastgesteld op een limitatief aantal weken, omdat grote evenementen alvorens vergunningverlening regionaal besproken moeten worden. Dit gebeurt in het najaar voorafgaand aan het evenementenseizoen. Pas nadat de regionale kalender is vastgesteld, Ook speelt hier het feit dat veel evenementen vaak ruim van te voren worden aangevraagd om zeker te zijn dat de locatie beschikbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Bij de herziening van deze afdeling is zoveel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten van de VNG die ten grondslag liggen aan de modelverordeningen en bij de actuele tekst van de Drank- en Horecawet. Uitgangspunt voor de herziening was vermindering van regels en administratieve lasten, maar behoud van voldoende sanctiemogelijkheden. De belangrijkste wijzigingen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van verlof voor schenken alcoholvrije dranken naar een horecaexploitatievergunning voor openbare inrichtingen, met vrijstelling voor een aantal categorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de wens om te dereguleren en lasten voor de ondernemers en gemeente te verminderen is de daghoreca en ondergeschikte horeca vrijgesteld van vergunningplicht. Voor deze bedrijven geldt dan ook geen Bibob screening. Ingeval van ernstige overlast kan de burgemeester bepalen dat de inrichting alsnog vergunningsplichtig wordt. Voor bedrijven met een DHW vergunning verandert er niets. Zij hoeven niet tevens een horecaexploitatievergunning aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De horecaexploitatievergunning is een geschikt middel om overlast tegen te gaan. De vergunning biedt de mogelijkheid om preventief de ondernemer te screenen en voorschriften op te leggen gericht op het woon- en leefmilieu ter plaatse. De vergunning kan tijdelijk of definitief worden ingetrokken wanneer sprake is van aan de inrichting te relateren ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat, de openbare orde, de veiligheid en de zedelijkheid, dan wel (herhaalde) overtreding van algemene regels. De inrichting mag dan niet geopend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning is daarnaast gericht op “openbare inrichtingen”. Onder deze definitie vallen bijvoorbeeld ook clubhuizen en shishalounges.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging ontheffing sluitingstijd in openingstijden met nadere regels (art. 2:29) Het verlenen van ontheffingen sluitingstijd is vervangen door een algemene regel waarbij het bedrijven die vallen onder een aanwijzingsbesluit van de burgemeester wordt toegestaan om dagelijks tot 02.00 uur open te zijn en op donderdag t/m zaterdag tot 04.00 uur. Voor de overige gebieden geldt de reguliere sluitingstijd van 00:30 uur dagelijks en 01:00 uur in het weekend. De gebieden waarvoor in het oude regime de mogelijkheid bestond om een ontheffing sluitingstijd aan te vragen wordt in het nieuwe regime in het aanwijzingsbesluit opgenomen, zodat voor de inrichtingen in die gebieden de latere openingstijden gelden. Het gebied kan tevens worden uitgebreid of ingeperkt op basis van de actualiteit, waarbij bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat bepalend zijn. Tevens gelden nadere regels ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor alle inrichtingen op het moment dat ze geopend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afschaffen van de ontheffing sluitingstijden tot 02.00 uur/04.00 uur heeft als voordeel voor de ondernemer dat deze ook niet meer aangevraagd hoeft te worden. Het betekent lastenverlichting voor de ondernemer en minder kosten (geen leges) en minder administratieve lasten voor de gemeente. Hiermee worden de sluitingstijden dus niet gewijzigd wat aansluit op de wens van de horeca om deze tijden in stand te houden en niet over te gaan op vrije sluitingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften die in het oude regime opgenomen waren in de ontheffing sluitingstijden worden nu als nadere regels gekoppeld aan de exploitatie van alle openbare inrichtingen. Deze regels worden geactualiseerd in het kader van bescherming van de openbare orde. De burgemeester heeft verder de bevoegdheid om bij directe of indirecte overlast of bij aantasting van de leefbaarheid aangepaste openingstijden op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Dienstenrichtlijn De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is het verrichten van een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een gemeente afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bibob-toets Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops en snackbars. In het kader van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De horeca-exploitatievergunning is namelijk op grond van artikel 1:5 persoonsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de model-APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden: \"inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt\". Dit zijn dus openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27, van de model-APV. Dit betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige wet- en regelgeving Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsnormen Ten aanzien van geluidsoverlast gerelateerd aan horeca gelden twee regimes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Activiteitenbesluit milieubeheer geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit. Doel is bescherming van het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij geluidoverlast in de openbare ruimte zijn handhaving en de politie bevoegd met het doel handhaving van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In plaats van de term \"horecabedrijf\" wordt de term \"openbare inrichting\" gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met \"horecabedrijf\" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatie openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare inrichtingen die alcoholvrije dranken schenken worden vrijgesteld van de vergunningsplicht als ze uitsluitend geopend zijn tussen 7.00 en 19.00 uur of als de inrichting zich bevindt in een winkel als bedoeld in art. 1 Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit (‘ondergeschikte horeca) of ingeval de inrichting zich bevindt in een zorginstelling, museum, bedrijfskantine of –restaurant. Voor deze bedrijven geldt dan ook geen Bibob screening. Ingeval van ernstige overlast kan de burgemeester bepalen dat de inrichting alsnog vergunning plichtig wordt. Voor bedrijven met een DHW vergunning verandert er niets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedachte bij dit onderscheid is dat de meeste bedrijven vrijgesteld worden (deregulering/lastenreductie) en dat de vergunning moet gelden voor mogelijk risicovolle of criminogene bedrijven. Deze categorieën zijn doorgaans geopend na 19.00 uur. Hiermee kan in ieder geval voor deze soort bedrijven een Bibob-screening worden toegepast. Een aantal eisen dat nu is gekoppeld aan het verlof is overgenomen in de vergunning, zoals bijvoorbeeld de eis dat tijdens de openingsuren een leidinggevende aanwezig is. Voor alle openbare inrichtingen worden algemene regels gesteld. De vergunningplicht zal gelden voor nieuwe openbare inrichtingen met een overgangsbepaling van twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria waaraan ondergeschikte horeca moet voldoen zijn opgenomen in het bestemmingsplan dan wel het Activiteitenbesluit van de Wet Milieubeheer. Eventuele nadere criteria kunnen worden opgenomen als voorschrift op basis van de vrijstelling van vergunningsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken, en waar de openbare orde niet in het geding is, is geen vergunning nodig. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons, bedrijfskantines en -restaurants etc. Ook is ervoor gekozen om winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Ook is geen vergunning vereist voor openbare inrichtingen die vallen onder de Drank- en Horecawet en in bezit zijn van een DHW-vergunning. Ook is voor openbare inrichtingen die uitsluitend geopend zijn tussen 07.00 uur en 19.00 uur geen vergunning vereist omdat hierbij naar verwachting de openbare orde niet in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit lid creëert de mogelijkheid voor de burgemeester om categorieën openbare inrichtingen aan te wijzen waarbij wel een vergunning is vereist, in afwijking van het tweede en derde lid. Dit kan plaatsvinden indien bijvoorbeeld is gebleken dat betreffende categorie risicovol is ten aanzien van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Dit lid geeft de mogelijkheid om de voorschriften die onderdeel waren van de ontheffing sluitingstijden in nadere regels door de gemeenteraad te laten vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen openen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28c-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28c</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de gronden waarop de vergunning door de burgemeester wordt geweigerd. In bestemmingsplannen zijn soms dingen bepaald over horeca, bijvoorbeeld de mogelijkheid van ondergeschikte horeca. Indien strijd is met het bestemmingsplan, weigert de burgemeester de vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Openingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid en tweede lid Artikel 2:29 voorziet in een openingsregeling. Daarin is onderscheid gemaakt tussen de openingstijden op werkdagen en de openingstijden gedurende het weekeinde. Grondslag voor de in de APV opgenomen openingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan openingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De openingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste en tweede lid is onderscheid gemaakt in gebieden. Voor de niet door de burgemeester aangewezen gebieden gelden andere openingstijden, dan in de door de burgemeester aangewezen gebieden. Doorgaans betreft deze laatste het gebied centrum, waar de openingsuren ruimer zijn dan in de woonwijken daar omheen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De burgemeester heeft ontheffingsbevoegdheid. Op grond van dit lid kan de burgemeester bepalen dat van de openingstijden wordt afgeweken. Dit artikel geeft bijvoorbeeld de mogelijkheid om voor openbare inrichtingen losse tickets beschikbaar te stellen om incidenteel één nacht (een vrijdag op zaterdagnacht of een zaterdag op zondagnacht) tot 06.00 uur geopend te zijn onder een aantal voorwaarden. De uitwerking hiervan zal wordt vastgelegd in een beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om in individuele gevallen andere sluitingstijden op te leggen blijft bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Dit lid is toegevoegd om de burgemeester de bevoegdheid te geven om specifieke categorieën inrichtingen en specifieke gebieden in Haarlem aan te wijzen waarvoor hij in afwijking van de openingstijden genoemd in het eerste en tweede lid andere openingstijden vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan van deze bevoegdheid gebruik maken in het kader van openbare orde en veiligheid of het voorkomen van ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) Anders dan bij het zevende lid van artikel 2:28 gaat het hier om een relatief overzichtelijk besluit. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang om van een lex silencio positivo af te zien. De lex silencio positivo is hier van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29a-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29a</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft de burgemeester ontheffingsbevoegdheid om ten hoogste vijf openbare inrichtingen ontheffing te verlenen van de openingstijden in het door de burgemeester aangewezen gebied (art. 2:29 lid 2). Nachtgelegen hebben hiermee de mogelijkheid om structureel langer geopend te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking openingstijden; tijdelijke sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven afwijkende openingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor afwijking of tijdelijke sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet \"Damocles\" (artikel 13b van de Opiumwet) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348). Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot onteigening. In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers, conform artikel 3:16 BW. Deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op grond van de APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder a Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b Ook het hier bepaalde richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c Deze bepaling richt zich tot de exploitant. De bedoeling van het artikel is om te voorkomen dat een terras een soort tappunt voor voorbijgangers wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel binnen openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling binnen openbare inrichtingen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Drankverstrekking op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning voor terras</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een vergunningsplicht voor openbare inrichtingen in het leven geroepen voor het inrichten en exploiteren van een terras. Vanwege deregulering en verminderen van administratieve lasten is een deel van de terrassen vergunningvrij. De grondslag hiervoor is geregeld in het derde lid waarbij de burgemeester categorieën terrassen kan aanwijzen waarbij geen vergunningplicht geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt er een verbod op een terras bij een winkel; ook als het gaat om een winkel waarbij sprake is van ondergeschikte horeca. De reden hiervoor is dat het onwenselijk is dat winkels terrassen exploiteren. De uitzondering geldt voor een ijssalon. Voorzover een ijssalon als een winkel wordt gezien, geldt het in het eerste lid genoemde verbod niet voor dit soort ijssalons. Dit betekent echter niet dat elke winkel waar ook ijs wordt verkocht daarmee als ijssalon wordt gekwalificeerd en dus een terras mag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om in individuele gevallen een aan een exploitant van een vergunningsvrij terras toch een vergunningsplicht op te leggen als de handhaving van de openbare orde, veiligheid en het woon-en leefklimaat daar aanleiding toe geven. Tevens kan de burgemeester (vijfde lid) aanvullende voorschriften en beperkingen opnemen bij een vergunning. Bij deze voorschriften en beperkingen kan de burgemeester afwijken van de openingstijden van 2:32a en de algemene regels van artikel 2:32b. De reden van deze bevoegdheid is om maatwerk te kunnen bieden als de openbare orde en veiligheid, of het woon- en leefklimaat dat vereisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32b-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32b</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels voor een terras</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nu voor een deel van de terrassen geen vergunning nodig is, is er behoefte aan algemene regels waaraan terrassen moeten voldoen en waar de exploitant van een terras zich aan moet houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels gelden ook voor vergunde terrassen, tenzij in de vergunning daar uitdrukkelijk van wordt afgeweken. Dit is opgenomen om maatwerk toe te kunnen staan bij specifieke terrassituaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32c-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32c</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering terrasvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden voor een terrasvergunning zijn hier expliciet opgenomen. Daarbij is strijd met een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning een verplichte weigeringsgrond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Regulering para commerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van de DHW verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan para commerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de DHW moet geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder b en c, van de DHW moeten regels gesteld worden met betrekking tot door para commerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de para commerciële rechtspersoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"openbare inrichting\" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Paracommerciële rechtspersonen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is toegevoegd als gevolg van de verplichting uit de Drank- en horecawet om de alcoholverstrekking bij paracommerciële rechtspersonen te reguleren (variant 6 VNG Model)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34b-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Regulering paracommerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid gaat niet over de openingstijden van paracommerciële instellingen, maar reguleert uitsluitend de tijdstippen waarop alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. De tijdsruimte waarbinnen alcoholhoudende drank mag worden verstrekt biedt voldoende ruimte om de exploitatie van een kantine of buurthuis mogelijk mogelijk te maken zonder dat daarbij sprake zal zijn van oneerlijke concurrentie met de reguliere horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende drank mogen verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus wel toegestaan om bijeenkomsten te organiseren waarbij geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Ook is het op grond van deze formulering mogelijk om de ruimte (kantine, buurthuis e.d.) te verhuren voor bijeenkomsten van derden waardoor de exploitatiemogelijkheden van het vastgoed toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strikt genomen voorkomt deze bepaling dat oneerlijke mededinging wordt veroorzaakt door het schenken van alcoholhoudende drank door een paracommerciële rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling biedt echter wel meer ruimte dan voorheen voor het gebruik van het vastgoed. De gebruiksmogelijkheden worden echter wel begrensd door wet- en regelgeving, zoals milieuregels, bestemmingsplannen, Drank- en Horecawet en andere APV bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus niet mogelijk dat een buurthuis of sportvereniging door tussenkomst van een partyorganisator en een partijen-cateringbedrijf onbeperkt openbaar toegankelijke festiviteiten als housefeesten of discoavonden kan organiseren en het vastgoed als een soort zalenverhuurbedrijf kan exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is bedoeld om extra aandacht te schenken aan alcoholpreventie bij paracommerciële rechtspersonen. Het bestuursreglement van de paracommerciele instelling dient nadrukkelijk aan te geven hoe er wordt omgegaan met alcohol en jongeren onder de 18 jaar. Op grond van de Drank- en horecawet moet dat reglement en de lijst van barvrijwilligers in de inrichting aanwezig zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-35-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid De vergunningsplicht geldt voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing naar “de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel” als bevoegd bestuursorgaan voor het verlenen van vergunningen voor loterijen en exploitatievergunningen voor kansspelautomaten is achterhaald. Deze bevoegdheid komt sinds de instelling van de kansspelautoriteit op 1 april 2012 en de daarmee samenhangende wijziging Wet op de kansspelen toe aan de raad van bestuur van de kansspelautoriteit. De bepaling is dienovereenkomstig aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Kansspelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen. De vraag was met name of een horeca inrichting als “hoogdrempelig” of “laagdrempelig”, wat van belang was voor de vraag of er gokautomaten aanwezig mochten zijn. Er ontstond een uitvoerige en gedetailleerde jurisprudentie. Zie hieronder voor een aantal voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al dan niet gratis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de model APV betekent dit dat in artikel 2:40 tweede en derde lid de term “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat, wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 10A SPEELAUTOMATENHALLEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40a</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de herziening van de Wet op de kansspelen per 1 juni 2000 is een onderscheid aangebracht tussen hoog- en laagdrempelige inrichtingen. De definities die zijn opgenomen in artikel 30 van de Wet, zijn hier ter verduidelijking opgenomen in artikel 2:40.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40b-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40b</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomatenhallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de openbare orde en veiligheid en de doelmatigheid van de controle door de politie is het toegestane aantal speelautomatenhallen vastgesteld op drie. In deze hallen mogen maximaal 44 speelautomaten worden geplaatst (met een maximum aan 44 speelplaatsen): kansspelautomaten, behendigheidsautomaten en, mits voldaan aan de in het kansspelbeleid vastgestelde eisen, twee meerspeler-automaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40d-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40d</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gegevens die een aanvrager op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 al moet verstrekken, worden hier nog een aantal aanvullende gegevens gevraagd. De soort bescheiden die dienen te worden overgelegd, wisselt per situatie. De onder c genoemde verklaring kan een huurcontract zijn waaruit de beschikkingsbevoegdheid blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40e-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40e</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door middel van het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de vergunning wordt aangegeven welke situatie er na het verlenen van de vergunning gewenst is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40f-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40f</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering vergunning speelautomatenhallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vereiste onder sub b dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de weg voor een ieder herkenbaar te maken. Tevens dient dit om te voorkomen dat er in een achteraf lokaal van een gebouw een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede of uitsluitend via een ander bedrijf bereikbaar zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bepaalde onder d wordt rekening gehouden met het karakter van een winkelstraat. Een speelautomatenhal past qua karakter niet in een winkelstraat met een exclusief karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sub f is de weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd met het geldende bestemmingsplan. In dit verband dient gewezen te worden op de mogelijkheid van vrijstelling of ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens biedt, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50 lid 8 van de Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet in de mogelijkheid de weigeringsgronden toe te passen. Het is wel een zaak van behoorlijk bestuur dat, voordat tot weigering wordt overgegaan, de mogelijkheden van ontheffing en vrijstelling in overweging worden genomen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met het planologisch regime. Vereist is dus niet dat de locatie waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangewezen als speelautomatenhal in het bestemmingsplan, maar dat het bestemmingsplan de vestiging niet uitsluit. Zo wordt voorkomen dat op basis van de verordening een vergunning verleend moet worden en dat later, wegens strijd met het bestemmingsplan, tegen vestiging moet worden opgetreden. Voor de overige uitvoering van dit artikel is het vastgestelde kansspelbeleid van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40h-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40h</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvragen nieuwe vergunning bij nieuwe beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een beheerder zijn hoedanigheid verliest, hetzij door overlijden, hetzij door vertrek, dan hoeft de ondernemer de bedrijfsuitvoering niet te staken indien hij binnen de aangegeven termijn een nieuwe vergunning heeft aangevraagd. Het vervallen van de vergunning van rechtswege betekent dat de belanghebbende hiertegen geen bezwaar of beroep kan aantekenen aangezien van een beschikking geen sprake is. De ondernemer zal echter van het vervallen van zijn vergunning in kennis worden gesteld. Voor het gestelde termijn van 6 maanden kan aansluiting worden gezocht bij artikel 33 van de Drank- en Horecawet, waar voor een soortgelijke situatie een termijn van zes maanden wordt gesteld na het verlies van de bedoelde hoedanigheid. (zonder dat er handelingen zijn verricht).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000 inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de tekst van de model APV is de opsomming van middelen waarmee afbeeldingen of letters en tekens kunnen worden aangebracht niet meer in het verbod opgenomen. Het gaat om de afbeelding, cijfer, letter of teken zelf; ongeacht het middel waarmee het is aangebracht. Op het aanbrengen van krijt(teksten, tekeningen e.d.) wordt alleen bij hoge uitzondering gehandhaafd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer geprepareerde voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van winkels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2 opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan plegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:49 a Woonoverlast Met de Wet aanpak woonoverlast wordt beoogd het woongenot en de gevoelens van veiligheid van slachtoffers van woonoverlast te vergroten. Met deze wet kan de overlastgever een gedragsaanwijzing krijgen in de vorm van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom als andere maatregelen zoals waarschuwen, buurtbemiddeling of mediation niet meer werken. Ook kan uiteindelijk tot tijdelijke sluiting van de woning worden overgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 151d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om in een verordening de grondslag vast te leggen, op basis waarvan de burgemeester deze bestuurlijke maatregelen kan treffen De burgemeester kan hier niet lichtvaardig mee om gaan. Het gaat hier immers om het inperken van een grondrecht. De toepassing van deze bevoegdheid mag dan ook slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan; aldus het tweede lid van artikel 151d Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49b</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden lachgasgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lachgas is de gangbare naam voor distikstofmonoxide (N2O). Het inhaleren van lachgas zorgt voor een korte en (soms) sterke roes. Vaak gaat de gebruiker de omgeving anders zien en klinken geluiden anders. Iemand kan lacherig worden, vandaar de naam ‘lach’ gas. Lachgas is een kleurloos gas met een lichtzoete smaak. Lachgas is in winkels en webshops te koop. Het wordt verkocht in kleine metalen patronen (als drijfgas om slagroom mee te spuiten). Voor medische doeleinden en in de autosport is het te koop in grotere metalen cilinders. Op feesten, festivals of feestdagen zoals Koningsdag wordt het per ballon verkocht. Het gas wordt vanuit patronen of cilinder in een ballon gespoten. Het is een feit van algemene bekendheid dat als in en uit een ballon wordt geademd lachgas wordt ingenomen. Om te voorkomen dat lachgas wordt ingenomen via andere hulpmiddelen, vallen deze ook onder de reikwijdte van deze verbodsbepaling. Het gebruik van lachgas voor andere doeleinden zoals het spuiten van slagroom valt niet onder de werking van dit verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgelopen jaren heeft het gebruik van lachgas een ware vlucht genomen, met name onder jongeren en jongvolwassen, ook in de gemeente Haarlem. Het gebruik van lachgas leidt tot aanzienlijke vervuiling van de openbare ruimte. Lachgaspatronen, cilinders en ballonnen waarmee lachgas gebruikt worden, worden aangetroffen op verschillende locaties door de hele stad. Hoewel het weggooien van dergelijk afval verboden is in de afvalstoffenverordening, wordt daarmee de oorzaak van deze vorm van vervuiling niet aangepakt, namelijk het gebruik van lachgas op openbare plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van lachgas leidt tot ongewenst en onberekenbaar gedrag: omvallen, bewusteloosheid, slechte concentratie en onoplettendheid, hallucineren. Doordat lachgas vooral in groepsverband in de openbare ruimte wordt gebruikt, gaat hiervan een dreigende houding uit waardoor omstanders zich onveilig voelen. Het gebruik van lachgas wordt dan als overlast gevend ervaren. Omvallen, duwen en afwijkend gedrag vormt in een menigte, op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen waar publiek aanwezig is een risico voor de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kunnen door gebruik ongelukken gebeuren (men raakt onder invloed). Bijvoorbeeld roekeloosheid, vallen of zelfs tijdelijk bewustzijnsverlies. In het verkeer en op straat kan dit tot gevaar leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van het milieu, de openbare orde en veiligheid en om overlast en hinder tegen te gaan, is het noodzakelijk om het gebruik van lachgas op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkoop van lachgas valt mogelijk onder het verbod op kleinhandel in artikel 14 van de Drank- en Horecawet, maar dat verbod geldt alleen voor openbare inrichtingen waar alcoholhoudende dranken tegen betaling worden verstrekt en niet voor horecabedrijven waar alcoholvrije dranken worden verstrekt. In het kader van rechtsgelijkheid en in het belang van de openbare orde en ter bescherming van het milieu is het onwenselijk dat de verkoop van lachgas in slechts een deel van de horeca, namelijk in de alcoholhoudende horeca, is verboden. Daarom is in artikel 2:31 van de APV een verbod op de verkoop van lachgas in openbare inrichtingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:31 (verboden gedragingen) en 2:49b (verboden gebruik lachgas)Lachgas is de gangbare naam voor distikstofmonoxide (N2O). Het inhaleren van lachgas zorgt voor een korte en (soms) sterke roes. Vaak gaat de gebruiker de omgeving anders zien en klinken geluiden anders. Iemand kan lacherig worden, vandaar de naam ‘lach’ gas. Lachgas is een kleurloos gas met een lichtzoete smaak. Lachgas is in winkels en webshops te koop. Het wordt verkocht in kleine metalen patronen (als drijfgas om slagroom mee te spuiten). Voor medische doeleinden en in de autosport is het te koop in grotere metalen cilinders. Op feesten, festivals of feestdagen zoals Koningsdag wordt het per ballon verkocht. Het gas wordt vanuit patronen of cilinder in een ballon gespoten. Het is een feit van algemene bekendheid dat als in en uit een ballon wordt geademd lachgas wordt ingenomen. Om te voorkomen dat lachgas wordt ingenomen via andere hulpmiddelen, vallen deze ook onder de reikwijdte van deze verbodsbepaling. Het gebruik van lachgas voor andere doeleinden zoals het spuiten van slagroom valt niet onder de werking van dit verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgelopen jaren heeft het gebruik van lachgas een ware vlucht genomen, met name onder jongeren en jongvolwassen, ook in de gemeente Haarlem. Het gebruik van lachgas leidt tot aanzienlijke vervuiling van de openbare ruimte. Lachgaspatronen, cilinders en ballonnen waarmee lachgas gebruikt worden, worden aangetroffen op verschillende lokaties door de hele stad. Hoewel het weggooien van dergelijk afval verboden is in de afvalstoffenverordening, wordt daarmee de oorzaak van deze vorm van vervuiling niet aangepakt, namelijk het gebruik van lachgas op openbare plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van lachgas leidt tot ongewenst en onberekenbaar gedrag: omvallen, bewusteloosheid, slechte concentratie en onoplettendheid, hallucineren. Doordat lachgas vooral in groepsverband in de openbare ruimte wordt gebruikt, gaat hiervan een dreigende houding uit waardoor omstanders zich onveilig voelen. Het gebruik van lachgas wordt dan als overlastgevend ervaren. Omvallen, duwen en afwijkend gedrag vormt in een menigte of op openbare plaatsen waar publiek aanwezig is een risico voor de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kunnen door gebruik ongelukken gebeuren (men raakt onder invloed). Bijvoorbeeld roekeloosheid, vallen of zelfs tijdelijk bewustzijnsverlies. In het verkeer en op straat kan dit tot gevaar leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van het milieu, de openbare orde en veiligheid en om overlast en hinder tegen te gaan, is het noodzakelijk om het gebruik van lachgas op openbare plaatsen te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkoop van lachgas valt mogelijk onder het verbod op kleinhandel in artikel 14 van de Drank- en Horecawet, maar dat verbod geldt alleen voor openbare inrichtingen waar alcoholhoudende dranken tegen betaling worden verstrekt en niet voor horecabedrijven waar alcoholvrije dranken worden verstrekt. In het kader van rechtsgelijkheid en in het belang van de openbare orde en ter bescherming van het milieu is het onwenselijk dat de verkoop van lachgas in slechts een deel van de horeca, namelijk in de alcoholhoudende horeca, is verboden. Daarom is in artikel 2:31 van de APV een verbod op de verkoop van lachgas in openbare inrichtingen opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of orde verstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50a</span><span class=\"lf-art-t\">[vervallen][vervallen]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 lid 1 onder d geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is bij de aanpassing van 2015 besloten om deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen (was voorheen het college).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-66-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Handelaar Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a Ten eerste Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede en derde Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren actueel houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13 VUURWERK</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-71-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitie consumentenvuurwerk Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit artikel 1.1.1, eerste lid, omschreven als: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fop- en schertsvuurwerk Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage II van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen 2:72 en 2:73 van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel wordt een algeheel verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk (Categorie F2 en F3) ingesteld voor het gehele gebied binnen de gemeentegrens van Haarlem, met uitzondering van schertsvuurwerk zoals sterretjes (categorie F1).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">A Verbod carbid schieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Carbidschieten heeft zich in een aantal regio’s in Nederland ontwikkeld tot een traditie. Het kan worden gezien als een alternatief voor het afsteken van vuurwerk bij de jaarwisseling. Carbidschieten is gevaarlijk en kan ernstig letsel veroorzaken. Bovendien gaat het gepaard met grote geluidsoverlast voor de omgeving. Gelet op de risico’s die aan carbidschieten kleven, is het in het belang van de openbare orde en veiligheid om carbid schieten te verbieden. Het verbod in het eerste lid ziet op het carbidschieten zelf, in het tweede lid wordt ook het vervoer van voorwerpen met het kennelijke doel om te gaan carbidschieten verboden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 14 DRUGSOVERLAST</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openlijk drugsgebruikOp sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Een aantal gemeenten heeft daarom al enkele jaren een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. De rechtspraak is een aantal jaren wisselend geweest, waarbij in een aantal gevallen zo’n bepaling onverbindend werd geacht omdat de rechter van oordeel was dat door de overlap met de Opiumwet (men kan immers verboden substanties niet gebruiken zonder deze – in strijd met de Opiumwet – voorhanden te hebben) de bovengrens van de gemeentelijke regelgevende bevoegdheid werd geschonden. Maar inmiddels is er een rechterlijke consensus ontstaan waarbij zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht Het verbod is gekoppeld aan de in het tweede lid genoemde bevoegdheid van de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar het verbod dan van toepassing is. Deze gebieden kunnen worden aangewezen als de openbare orde dreigt te worden aangetast, of als dit noodzakelijk is vanwege het woon- en leefklimaat.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEEN, CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN en GEBIEDSONTZEGGING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-75-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan de burgemeester voor het publiek toegankelijke gebouwen sluiten als daar wordt gehandeld in strijd met de Wet op de kansspelen, (vuur)wapens aanwezig zijn, gestolen goederen worden verhandeld, of andere feiten plaatsvinden die tot het oordeel leiden dat het open blijven van de gelegenheid ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de sluiting is het de rechthebbende niet toegestaan om de ruimte zonder toestemming van de burgemeester te (laten) betreden. Dit verbod is van overeenkomstige toepassing op de sluiting van openbare gelegenheden en woningen krachtens de Opiumwet en de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-75a-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75a</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsontzeggingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid van artikel 2:75a creëert een bevoegdheid voor de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar verblijfsontzeggingen kunnen worden opgelegd aan personen die de openbare orde verstoren. Voorwaarde voor de aanwijzing van een gebied is de mate van ordeverstoringen die in dat gebied plaatsvinden. Alleen bij ernstige ordeproblemen kan van het artikel gebruik worden gemaakt. Deze ordeproblemen kunnen een min of meer structureel karakter hebben. Het artikel sluit echter niet uit, dat daarvan gebruik gemaakt wordt bij incidentele ordeverstoringen. In het laatste geval ligt het echter in de rede dat de gebiedsaanwijzing tijdelijk van aard is. Een verblijfsontzegging is een bestuurlijke maatregel en geen (strafrechtelijke) sanctie. De algemene motivering voor de hantering van dit instrument is, dat in gebieden waarin de handhaving van de openbare orde onder druk staat het gerechtvaardigd is personen die daarop een inbreuk plegen tijdelijk uit het gebied te verwijderen. De maatregel is dus een instrument ter handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verblijfsontzegging dient een termijn te worden opgenomen. Het zou de bewegingsvrijheid van burgers te zeer beperken, indien een verblijfsontzegging voor onbepaalde tijd wordt opgelegd. De ernst van de inbreuk op de openbare orde zal van invloed zijn op de lengte van de termijn. Het derde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, het bevel te beperken. Hierbij zal rekening gehouden worden met de noodzaak of onoverkomelijkheid zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, het aldaar werkzaam of woonachtig zijn, een (ander) aantoonbaar redelijk belang om zich aldaar op te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid verbiedt overtreding van de verblijfsontzegging. Op overtreding staat een strafrechtelijke sanctie. Dit kan artikel 184 Wetboek van Strafrecht zijn. Indien niet aan de delictsomschrijving van dit artikel wordt voldaan is strafbaarstelling op grond van de APV mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieders kleding te onderzoeken; te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy); subsidiariteit en proportionaliteit; breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Tegengaan onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanpak van ondermijnende criminaliteit is één van de prioriteiten van het Haarlemse veiligheidsbeleid. Drugshandel, witwassen, (belasting)fraude, illegaal gokken, underground banking en uitbuiting zijn voorbeelden van criminele (economische) activiteiten die de samenleving kunnen ondermijnen. De aanpak van deze vorm van (georganiseerde) criminaliteit is een bijzonder lastige taak. De verwevenheid van boven- en onderwereld, alsmede de verhulling van de criminaliteit, bemoeilijken de bestrijding daarvan. Deze vormen van criminaliteit zijn niet altijd zichtbaar, maar tasten de fundering van de wijk aan. Ze bedreigen niet alleen de legale lokale economie maar zorgen ook voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat. Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. De gevoeligheid voor criminele ondermijnende activiteiten in combinatie met brancheverschraling, leegstand en een hoog verloop van ondernemers maakt dat de leefbaarheid onder druk kan komen te staan. Om ondermijnende criminaliteit te bestrijden kent Haarlem de aanpak ondermijning. Dit betreft een integrale aanpak bestaande uit een combinatie van het stimuleren van positieve ontwikkelingen en het voorkomen, signaleren en terugdringen van ondermijnende criminaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de aanpak ondermijning te versterken, is in de APV een artikel opgenomen gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:78 geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. De gemeenteraad is bevoegd op grond van de autonome verordenende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester. De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor de bestrijding van malafiditeit in het ondernemerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden en handhaven bij overtreding. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Dit draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Pandeigenaren worden zo gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Ook kan bij de aanvraag voor een vergunning de Wet Bibob worden ingezet. In 2013 is het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid naar alle gemeentelijke vergunningen die worden afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit. Het instrument van een vergunningplicht is overigens niet ongebruikelijk in een gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo geldt voor horeca-inrichtingen een vergunningplicht, waarbij aan vergelijkbare voorwaarden wordt getoetst. Het gaat dan ook om voorwaarden waar- -van in beginsel van ondernemers kan worden geëist dat zij daar aan voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De systematiek van artikel 2:78 gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en zevende lid De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook: hoofdstuk 2, afdeling 8). Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub i is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zesde lid In dit lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (zevende lid, sub h en i). Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (zesde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid Artikel 2:75 biedt de mogelijkheid overlastgevende en/of ordeverstorende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:78 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elfde lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veertiende lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPENHoofdstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpenAfdeling 1 Algemene bepalingenDe begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advertentie: omdat de Apv, met het oog op het toezicht, bepaalt dat in advertenties voor seksbedrijven of sekswerkers bepaalde nummers (vergunning nummer, telefoonnummer) moeten worden vermeld, is ervoor gekozen het begrip «advertentie» ruim te omschrijven. Er is immers een veelheid aan mogelijkheden om aandacht op de aangeboden dienstverlening te vestigen. Voor alle vormen van reclame met behulp van een medium (zoals kranten, televisie, internet, posters, flyers) geldt het voorschrift. Daarbij moet het gaan om uitingen die wervend van karakter zijn en het oogmerk hebben de klandizie te vergroten. Daarop ziet het bijvoeglijk naamwoord: commerciële.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerder: de dagelijkse leiding in een seksinrichting kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een «beheerder» berusten. Het is van belang ook voor deze persoon, die primair verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken in de seksinrichting, expliciet enkele bepalingen op te nemen in de Apv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf: een veelvoorkomende vorm van een niet-locatie gebonden prostitutiebedrijf is een «escortbedrijf». Een escortbedrijf bemiddelt tussen klanten en sekswerkers. De sekswerker bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats dan de plek waar de bemiddeling plaatsvindt. De bemiddeling kan plaatsvinden vanuit een bedrijfspand, maar ook vanaf een privéadres. De plaats van het bedrijfspand of het privéadres is bepalend voor de vergunningplicht. De bemiddeling kan in persoon plaatsvinden, maar over het algemeen zal dit telefonisch gaan of via een website.</p></div>", "next": 238588}