{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn. Hiervoor maakt het college ook gebruik van de uitvraag op verschillende gebieden. Is de cliënt aangewezen op hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig dan wordt vastgesteld wat als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Zie verder Bijlage 5 Bepalen ernst van de problematiek (onderscheid licht, matig, zwaar, intensief) bij deze beleidsregels. Het college hanteert de volgende intensiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensiteit Ondergrens dagdelen per maand Bovengrens dagdelen per maand Licht meer dan 4 dagdelen tot en met 18 dagdelen Middel meer dan 19 dagdelen tot en met 26 dagdelen Zwaar meer dan 27 dagdelen tot en met 35 dagdelen Intensief meer dan 35 dagdelen - Werksetting, begeleiding en coaching De hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig omvat activiteiten in een werkachtige setting. Cliënten ontplooien hun capaciteiten, leren kennis en vaardigheden, leef- en werkritme en omgangsvormen die ze ook nodig hebben op de werkvloer, zodat waar mogelijk hun kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot. De begeleiding bestaat uit ondersteuning en coaching en richt zich op het stimuleren van de zelfredzaamheid en eigen regie en het krijgen van veiligheid en structuur. De begeleiding gaat uit van de mogelijkheden en wensen van de cliënt en staat in het teken van het ontwikkelen van eigen initiatief, talenten. Begeleiding spreekt de competenties aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Realiseren van ontwikkeling De beperkingen van deze cliënten zijn dusdanig, dat er ontwikkeling verwacht en gerealiseerd kan worden. Het doel is afhankelijk van het ontwikkelperspectief van de individuele cliënt. De mate en snelheid van ontwikkeling verschilt per persoon. Het gaat er om dat cliënten zich ontwikkelen op maximaal eigen vermogen. Waar mogelijk stromen de deelnemers uit deze hulp-op-maat omdat ze er niet meer op zijn aangewezen of kan worden afgeschaald naar voorliggende oplossingen. Ook kan een cliënt doorstromen naar een vorm van werk of ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie. De hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig dient dan als opstapje naar werk voor cliënt waarvoor de stap naar werk of een vorm van arbeidsparticipatie (tijdelijk) nog te groot is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen doorstroom naar werk/arbeidsparticipatie In bepaalde gevallen zal gezien de beperkingen van de cliënt doorstroom naar een vorm van werk niet haalbaar zijn. De hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig staat dan in het teken van participatie met als doel cliënten een zinvolle invulling van de dag te geven die past bij hun interesse en vaardigheden en hun naar vermogen te laten ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.2 Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie Tijdens het onderzoek door het college komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2 lid 4 onder f Wmo 2015). Bijvoorbeeld de medewerker van de gemeente Urk zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet of een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Valt de cliënt namelijk onder de doelgroep van de Participatiewet of het UWV, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de bijvoorbeeld te verstrekken begeleiding of dagactiviteiten arbeidsmatig op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte De cliënt die een beroep doet op de Wmo 2015 kan in aanmerking komen voor voorzieningen gericht op zijn arbeidsparticipatie op grond van de Participatiewet of van het UWV. Daaronder kan ook het verrichten van vrijwilligerswerk vallen. In dat geval zal de cliënt een verzoek moeten indienen bij de betreffende organisatie. Ondersteuning in de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt niet binnen de reikwijdte van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze Bij de melding van een ondersteuningsvraag gericht op dagactiviteiten arbeidsmatig wordt in de volgende situaties samen door de klantmanager Wmo en de klantmanager Participatie onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of dat dagactiviteiten arbeidsmatig is aangewezen. De cliënt: heeft een uitkering van de gemeente Urk of het UWV en beschikt nog niet over een voorziening (traject) richting arbeidsinschakeling. Het gaat om cliënten met arbeidsvermogen; zij hebben dus geen UWV-uitkering vanwege volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid (ook 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid) of zijn door de gemeente niet ontheven van de arbeidsverplichtingen. heeft geen uitkering van de gemeente Urk of het UWV en beschikt nog niet over een voorziening (traject) richting arbeidsinschakeling. Niet-uitkeringsgerechtigden kunnen onder de doelgroep van de Participatiewet vallen als zijn beschikken over arbeidsvermogen. staat ingeschreven in het doelgroepregister van het UWV maar zijn nog niet werkzaam in een baan die valt onder de banenafspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroepregister UWV De volgende personen vallen in ieder geval in het doelgroepregister: doelgroep van de Participatiewet (art. 7 lid 1 onder a PW) en waarvan is vastgesteld dat die persoon niet zelfstandig het minimumloon kan verdienen. Bijvoorbeeld de doelgroep loonkostensubsidie. die een WSW-indicatie (Wet Sociale Werkvoorziening) heeft of had. die een oude Wajong of Wajong 2010 uitkering ontving en die kan werken. schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het praktijkonderwijs (pro) die zich schriftelijk hebben aangemeld bij UWV. die alleen met een voorziening (hulp, hulpmiddelen en regelingen) het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonderheden Het UWV kan ook aan personen met een UWV-uitkering zonder verplichting tot arbeidsinschakeling een voorziening aanbieden als de client dat wenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs moeten in ieder geval een ontwikkelingsperspectiefplan (opp) voor leerlingen vaststellen. In dit plan staat de verwachte uitstroombestemming van de leerling: type vo of uitstroomprofiel vso en in het vso de verwachte uitstroombestemming (dagbesteding, arbeidsmarktgericht of vervolgonderwijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UWV beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor een indicatie beschut werk. Een beschutte werkplek valt niet onder de banenafspraak en degene met een indicatie wordt niet opgenomen in het doelgroepregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt verstrekt inlichtingen of gegevens Bij het onderzoek na de melding zal de cliënt desgevraagd inlichtingen of gegevens moeten verstrekken om de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 vast te kunnen stellen. Zie 2.9 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Huishoudelijke ondersteuning 8.1Inleiding Artikel 5.2.2 van de Verordening Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Het college kan de te verstrekken hulp-op-maat combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Verder is het zo dat degene die de begeleiding biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming van de te bieden huishoudelijke ondersteuning te komen. Dat kan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijk hulp biedt. De indicatie voor hulp-op-maat, bestaande uit het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan, wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder geen andere personen in het netwerk zijn die deze taken kunnen overnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Resultaat schoonmaakondersteuning Schoonmaakondersteuning gaat over het schoonhouden van de woning, het op orde hebben van het huishouden en de wasverzorging (schoon beddengoed, ander linnengoed en schone kleding). De hulp-op-maat schoonmaakondersteuning bestaat uit: huishoudelijk werk, wasverzorging en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Schoonmaakondersteuning kan gaan over een aantal resultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.1 Resultaat een schoon en leefbaar huis Iedereen moet gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, een schone slaapkamer, een schone keuken, een schone badkamer en toilet en een schone gang, schoon volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de badkamer, keuken, toilet en het dweilen van vloeren. Persoonlijke omstandigheden en behoeften kunnen het in sommige gevallen noodzakelijk maken hiervan af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ramen wassen buitenkant Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is voor een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, wordt dit als algemeen gebruikelijke voorziening aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tuinonderhoud en balkon Tuinonderhoud wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is voor een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich tot de binnenzijde van de woning. Het schoonmaken van het balkon valt ook niet onder de schoonmaakactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.2 Resultaat schone en draagbare kleding Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding. Bij de wasverzorging gaat het uitsluitend over: het sorteren, wassen en drogen en wegleggen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. RBOBR:2019:4844).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.3 Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Grotere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen hier niet onder. De Wmo 2015 is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als boodschappenservice/ online boodschappen doen en/of maaltijdenservices ontoereikend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Resultaat bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende resultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1 Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Het klaarzetten van broodmaaltijden of (opwarmen van) warme maaltijden zijn nodig voor dagelijkse levensbehoeften. Voorliggende oplossingen kunnen zijn: gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Zie verder in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansporen bereiden maaltijd Kan een cliënt zelf een maaltijd nuttigen, maar niet weet of vergeet om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.2 Resultaat thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders deze tijdelijk niet in staat zijn te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het begeleiden van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn, door werk of beperkingen, voor de kinderen te zorgen of opvang te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3 Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4 Resultaat aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Cliënten die leerbaar zijn kunnen tijdelijk Advies, instructie, voorlichting over het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden ontvangen. Het resultaat is over de vaardigheid beschikken om zelfstandig een gestructureerde huishouding te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.5 Bijzonderheden In zeer uitzonderlijke gevallen kan het (tijdelijk) overnemen van schoonmaaktaken, zoals stofzuigen en wasverzorging onder de hulp-op-maat bij regie/ zorg over het huishouden vallen. Dit geldt met name in situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft. Denk hierbij aan zorgmijders. Dan is het wenselijk, dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6 Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: hulp nodig heeft om het eten en drinken in zijn mond te brengen (overname, eten en drinken geven), is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder 6.4 van deze beleidsrgels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4Uitstelbare en niet-uitstelbare taken Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk is van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoonmaakwerkzaamheden en de was In geval van schoonmaakwerkzaamheden en de was zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar, dan kan daarvoor hulp-op-maat worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid Algemeen gebruikelijke voorzieningen Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Gebruik van algemene voorzieningen Normtijden 8.6Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met hulp-op-maat moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2022:308).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning (zie bijlage 6 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, zal het college daar wel rekening mee moeten houden (RBGEL:2018:1741). De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan: strijkvrije kleding, de boodschappendienst, kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice, de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen schoonmaakondersteuning verstrekt. Denk aan: de (online)boodschappendienst, kant en klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice. Zie verder 3.2.7 van deze beleidsregels voor hoe het college dat beoordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder Hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11Algemene voorzieningen Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op hulp-op-maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning waaronder ook de wasverzorging valt (voorheen HH1) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden (voorheen HH2). Zie Bijlage 6 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels. Met uitzondering van het resultaat kindzorg (regie/zorg) zijn de normtijden gebaseerd op de HHM 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit Niet elke aanbieder die door het college is gecontracteerd voor schoonmaakondersteuning mag ook ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden leveren. Dit in het kader van de kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichte en zware huishoudelijke taken Er wordt in het normenkader HHM 2019 geen onderscheidt gemaakt tussen lichte en zware huishoudelijke activiteiten. In het kader van de feitelijke eigen kracht zullen cliënten vaak (een aantal van) de huishoudelijke activiteiten zelf kunnen uitvoeren, al dan niet met hulp van het netwerk. In dat kader wordt onder: de lichte huishoudelijke taken de volgende activiteiten verstaan: afwassen/vaatwasser inruimen, opruimen, stof afnemen op ooghoogte. de zware huishoudelijke taken vallen de volgende activiteiten verstaan: hoog/laag afstoffen, stofzuigen/swifferen, soppen van sanitair (toilet en badkamer) en keuken, bedden verschonen, ramen lappen binnenzijde, opruimen huishoudelijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige overname van huishoudelijke activiteiten. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon en leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. Hierbij geeft het college gemotiveerd aan waarom wordt verhoogd of verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12.1 Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12.2 Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken cliënt Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken huishouden Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Zie 8.6 van deze beleidsregels voor het te hanteren uitgangspunt over huisdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken woning Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13Werkwijze selectie van een aanbieder De cliënt wordt door het college de mogelijkheid geboden om te kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. De cliënt krijgt daarvoor een overzicht van de aanbieders. De selectie van een aanbieder vindt plaats op basis van de volgende criteria: keuze van de cliënt; indien de cliënt geen voorkeur heeft: de aanbieder die het meest geschikt is voor het bieden van hulp /ondersteuning voor de specifieke casus volgens het college; indien de cliënt geen voorkeur heeft en bij gelijke geschiktheid van aanbieders voor de specifieke casus: de prijs van de dienstverlening; in geval van gelijke geschiktheid en gelijke tarieven zal de opdracht per toerbeurt aan een aanbieder worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de ondersteuning bij de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Beschermd wonen Artikel 5.2.3 van de Verordening 9.1Inleiding De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: “het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving” (art. 1.1.1, eerste lid, Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Doelgroep Beschermd Wonen Het gaat bij de indicatie voor beschermd wonen om een specifieke doelgroep die vanwege psychische en/of psychosociale problemen en/of verstandelijke beperking niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving. Daarnaast is er sprake van regieproblemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. De cliënt is om die redenen tijdelijk aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving met bijbehorend toezicht en begeleiding. De noodzaak voor een beschermende woonomgeving wordt, zo blijkt uit de begripsbepaling, (mede) bepaald aan de hand van de aanwezigheid van risico’s: het voorkomen van verwaarlozing; en/of maatschappelijke overlast; en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; en/of Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de hiervoor genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten per etmaal op essentiële terreinen van het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3Doelstelling Beschermd Wonen De doelstelling is om voor mensen in een beschermde woonvorm het leven daar waar mogelijk te stabiliseren, normaliseren en het perspectief op ontwikkeling en integratie in de samenleving te bevorderen. Ten einde duurzaam uit te stromen naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Gemeente Almere is verantwoordelijk om een besluit te nemen over de aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang (CT) voor beschermd wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschermd wonen kan de cliënt met eventuele ondersteuning doen bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschermd wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. Dit onderzoeksverslag wordt na het intakegesprek naar cliënt opgestuurd met het verzoek om dit voor akkoord te ondertekenen en retour te zenden. Met deze handtekening is de aanvraag voor beschermd wonen bekrachtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het team met toegangsbepalers van GGD Flevoland is verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere neemt het uiteindelijke besluit en zal de cliënt hiervan middels een beschikking op de hoogte brengen. Ook geeft de gemeente Almere voor de maatschappelijke opvang een beschikking af.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5Indicatie Besluit Beschermd Wonen Het college van gemeente Almere kan een indicatie voor beschermd wonen verstrekken als de aanvraag middels een handtekening van de cliënt is bekrachtigd. Hierbij wordt rekening gehouden met de ondersteuningsvraag van de cliënt. Het college van gemeente Almere zal ook een beslissing nemen wanneer cliënt het onderzoeksverslag, ondanks herinneringen vanuit de GGD, niet ondertekend retour heeft gestuurd. Het college neemt het besluit op basis van het advies van de GGD, omdat de cliënt akkoord is gegaan met de melding voor beschermd wonen en mee heeft gewerkt aan het onderzoek. Deze werkwijze is in het kader van het belang van de cliënt. Flevoland kent binnen Beschermd Wonen drie profielen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschut Wonen Profiel Midden Profiel Hoog 9.5.1 Beschermd wonen, Profiel Beschut wonen Beschermd Wonen, profiel beschut wonen Kenmerken pakket Beschut Wonen is een lichtere vorm van begeleiding binnen de financiering van Beschermd Wonen. De cliënt woont in een accommodatie van de aanbieder en krijgt hier gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week. Begeleiding is 24/7 beschikbaar en kan binnen 30 minuten aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiteindelijke doel van Beschut Wonen is uitstroom naar zelfstandig wonen. Daarnaast moet Beschut Wonen uitstroom vanuit intensievere vormen van Beschermd Wonen of andere (intramurale) setting bevorderen of instroom naar intensievere vormen van Beschermd Wonen of andere (intramurale) setting voorkomen. Beschut Wonen kan bijvoorbeeld ook ingezet worden voor cliënten die uitstromen vanuit de Forensische Zorg, een GGZ-instelling of de Jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten kunnen een aanvraag doen voor Beschut Wonen met óf zonder dagbesteding. De melding wordt beoordeeld door de GGD (dus regionaal). Indien een aanvraag Beschut Wonen met dagbesteding wordt beschikt, dan ontvangt de aanbieder hiervoor één tarief, waarbij het onderdeel dagbesteding gebaseerd is op gemiddeld 4 dagdelen dagbesteding per week. Dit wordt bekostigd vanuit de regionale Wmo-middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Beschut Wonen. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een psychiatrische/ psychische aandoening heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf de ondersteuningsvraag kan formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpvraag 30 minuten kan uitstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding, opleiding en/of werk volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basale ADL-vaardigheden beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat De cliënt heeft voldoende vaardigheden ontwikkeld om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren met de benodigde ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Beschikkingsduur is van tijdelijke aard. Maximaal 1,5 jaar, met een evaluatiemoment door middel van een uitstroomtafel na 1 jaar (of indien het een korter traject betreft 6 maanden voor uitstroom). Verlenging van de beschikking is mogelijk in uitzonderlijke situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.2 Beschermd wonen Midden Beschermd Wonen Midden Kenmerken pakket Dit pakket biedt 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd Wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problematiek, herstel van de zelfredzaamheid en zelfstandig wonen met eventueel ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen ervaart door: Psychische en/of psychosociale problemen, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkte vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) 1 Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL2 Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrinsiek gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt gevoelig kan zijn voor begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder Begeleiding is 24 uur op een dag 7 dagen in de week beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms begeleiding nodig heeft is er een slapende wacht aanwezig of wordt gebruik gemaakt van digi-contact waarbij begeleiding oproepbaar is en binnen 30 minuten aanwezig. De begeleiding is gericht op stabilisatie en het vergroten van zelfredzaamheid en zelfregie. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Het uiteindelijke doel is zelfstandig wonen eventueel met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de cliënt een plan opstellen gericht op herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zo nodig wijkverpleging/verzorging ingezet voor het overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van instrumentele ADL vaardigheden, indien nodig taken tijdelijk overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de hulpvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij contact met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding richting een passende vervolgplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiden bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermd wonen locatie biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">24/7 beschikbaarheid voor cliënt, met in de nacht een slapende wacht of digi-contact waarbij begeleiding binnen 30 minuten aanwezig is Minimaal 4 uur individuele begeleiding per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.3 Beschermd Wonen Hoog Beschermd Wonen Hoog Kenmerken pakket Dit pakket biedt intensieve 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd Wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problemen en herstel van de zelfredzaamheid en de cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Last heeft van multiproblematiek; Psychische en/of psychosociale problemen heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grensoverschrijdend gedrag kan laat zien; (verbaal) agressief, manipulatief, dwangmatig, destructief en/of reactief gedrag in onder andere de interactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan sprake zijn van maatschappelijke teloorgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeer beperkt gevoelig is voor begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrinsiek gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt of geen vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) 3Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL4 Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder Begeleiding is 24 uur op een dag 7 dagen in de week aanwezig en beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms begeleiding nodig heeft is er een wakende wacht aanwezig die in de gaten houdt of het goed gaat met de cliënt. De begeleiding is gericht op het vergroten en behouden van zelfredzaamheid en zelfregie. Begeleiding is gericht op het ondersteunen en aanleren van vaardigheden op alle levensterreinen, het waar mogelijk leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Het uiteindelijke doel is doorstromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst. De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de cliënt een plan opstellen gericht op herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zonodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op instrumentele ADL, indien nodig taken overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij eventueel contact met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding richting een passende vervolgplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiden bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermd wonen locatie biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 7 uur individuele begeleiding per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/7 begeleiding, aanwezigheid en beschikbaarheid voor de cliënt waarbij er in de nachten een wakende wacht aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. Overname van taken om zich zelfstandig te handhaven in de samenleving is niet langer noodzakelijk. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.3 Gewoon Thuis Gewoon Thuis is een product van intensieve begeleiding vanuit zelfstandig wonen of wonen bij ouders/verzorgers thuis waarbij de thuissituatie ondersteuning vanuit Gewoon Thuis toe laat. Gewoon Thuis biedt 24x7 begeleiding, schaalt zorg op- en af naar behoefte en sterkt cliënten in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met een pakket aan zorg op maat kunnen zij in hun eigen huis blijven wonen. Het beoogde effect van Gewoon Thuis is voorkomen van instroom- en bevordering van uitstroom Beschermd Wonen. Het doel is een meer geleidelijke en mogelijk een snellere stap naar ambulante begeleiding en naar volledig zelfstandig wonen in de wijk. Het wordt ingezet om de cliënt weer perspectief te bieden en daarmee de eigen kracht van de cliënt te versterken. Hieronder worden de procedurele aspecten van het product Gewoon Thuis stapsgewijs uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1. Aanmelding De aanmelding van een cliënt voor intensieve begeleiding Gewoon Thuis kan via de lokale Wmo van de desbetreffende gemeente gedaan worden. Een cliënt kan zich ook aanmelden bij de GGD voor Beschermd Wonen, waarbij de GGD constateert dat Beschermd Wonen niet passend is. Hiervoor dient de GGD een motiverende afwijzing te doen. De GGD kan (niet verplicht, in sommige situaties wel wenselijk) contact opnemen met de lokale Wmo-consulent van de gemeente van betreffende cliënt om het ambulante aanbod, inclusief Gewoon Thuis te bespreken. Het is goed om dit met de contactpersonen van de GGD en de lokale toegang te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 2. Onderzoek Tijdens het onderzoek wordt de ondersteuningsvraag van de cliënt onderzocht. Naast de cliënt kunnen indien gewenst ook de lokale Wmo-consulent, netwerk (familie), verwijzer en cliëntondersteuner aanwezig zijn. Op basis van de benoemde problematiek door de cliënt en de afwegingscriteria voor Gewoon Thuis in het Handboek Beschermd Wonen (Almere) kan Gewoon Thuis als passende ondersteuning worden beschikt. Indien Beschermd Wonen (profiel Beschut Wonen) beter passend lijkt te zijn, neemt de lokale Wmo-consulent contact op met de GGD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 3. Beschikking De beschikking Gewoon Thuis wordt lokaal afgegeven door de Wmo-consulent. Hierna wordt door Wmo-consulent met de cliënt gekeken welke aanbieder het beste past bij de ondersteuningsvraag. In het geval er sprake is van een wachtlijst bij desbetreffende aanbieder wordt de beschikking doorgegeven naar een andere aanbieder. De bekostiging van Gewoon Thuis vindt regionaal plaats, conform dezelfde afspraken die gelden voor de bekostiging van Beschermd Wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4. Zorgplan en case-management Na de beschikking wordt de cliënt aan een aanbieder gekoppeld. De aanbieder plant een zorgplangesprek in. De lokale Wmo-consulent kan ook betrokken worden bij dit gesprek. In het zorgplan is een beknopte weergave van de situatie van de cliënt beschreven. Er staan resultaten en doelen in beschreven welke zijn afgestemd met de cliënt en ambulant begeleider. Het zorgplan wordt naar de cliënt verstuurd met het verzoek deze te lezen na akkoordbeving ondertekend retour te sturen. De aanbieder volgt het traject van een cliënt binnen Gewoon Thuis. Zo kan tijdens het traject de stand van zaken omtrent de voortgang en gestelde doelen in kaart gebracht worden. In het Handboek Beschermd Wonen (Almere) is de checklist voor de monitoring van Gewoon Thuis opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewoon Thuis Kenmerken pakket Gewoon Thuis biedt ambulante begeleiding met 24x7 beschikbaarheid en oproepbaarheid. Hulp is indien nodig binnen 45 minuten aanwezig. De begeleiding sterkt de cliënt in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met begeleiding vanuit Gewoon Thuis wonen volwassen in hun eigen huis, en betalen ze zelf het levensonderhoud of wonen bij ouders/verzorgers thuis en laat de thuissituatie ondersteuning vanuit Gewoon Thuis toe. Wonen en zorg zijn dus gescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van Gewoon Thuis is instroom in Beschermd Wonen voorkomen of uitstroom vanuit intramurale setting bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten kunnen indien nodig logeren. Logeren is een apart product, wat door de aanbieder kan worden aangevraagd. Cliënten en aanbieder doen - als daar behoefte aan is - een aanvraag voor dagbesteding bij de lokale gemeente. De gemeente beoordeelt deze aanvraag en beschikt (indien de aanvraag positief wordt beoordeeld) een lokaal dagbestedingsproduct, zoals gebruikelijk bij zelfstandig wonende inwoners die behoefte hebben aan dagbesteding. De dagbesteding wordt bekostigd vanuit de lokale Wmo-middelen van desbetreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewoon Thuis biedt ambulante begeleiding met 24x7 beschikbaarheid en oproepbaarheid. Hulp is indien nodig binnen 45 minuten aanwezig. De begeleiding sterkt de cliënt in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met begeleiding vanuit Gewoon Thuis wonen volwassen in hun eigen huis, en betalen ze zelf het levensonderhoud of wonen bij ouders/verzorgers thuis en laat de thuissituatie ondersteuning vanuit Gewoon Thuis toe. Wonen en zorg zijn dus gescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van Gewoon Thuis is instroom in Beschermd Wonen voorkomen of uitstroom vanuit intramurale setting bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten kunnen indien nodig logeren. Logeren is een apart product, wat door de aanbieder kan worden aangevraagd. Cliënten en aanbieder doen - als daar behoefte aan is - een aanvraag voor dagbesteding bij de lokale gemeente. De gemeente beoordeelt deze aanvraag en beschikt (indien de aanvraag positief wordt beoordeeld) een lokaal dagbestedingsproduct, zoals gebruikelijk bij zelfstandig wonende inwoners die behoefte hebben aan dagbesteding. De dagbesteding wordt bekostigd vanuit de lokale Wmo-middelen van desbetreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Gewoon Thuis. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerichte intensieve ambulante begeleiding nodig heeft ter voorkoming van Beschermd Wonen en/of gericht op ambulantisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpvraag minimaal 45 minuten kan uitstellen en in staat is om zelf een beroep te doen op begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de nodige begeleiding een netwerk kan opbouwen, aanwezigheid van enig netwerk is wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig kan reizen en zich fysiek zelfstandig verplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basale ADL vaardigheden beheerst en met hulp meer inzicht kan krijgen in financiën, eetpatroon, leefpatroon en zelfzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Matig tot ernstige gedragsproblemen heeft. Hanteerbaar is met begeleiding waarbij gewerkt kan worden aan herstel richting zelfredzaamheid, opleiding/werk/dagritme/invulling en participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder De begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding is gericht op het aanleren van woonvaardigheden om zelfstandig te functioneren en op het stabiliseren van de situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding sterkt de cliënt in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder werkt samen met de cliënt aan persoonlijke veiligheid en weerbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld zes uur begeleiding per week. Begeleiding kan op- en afgeschaald worden naar behoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">24X7 beschikbaarheid en oproepbaarheid, hulp kan binnen 45 minuten aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 uur op alle weekdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 22:00 uur en 07:00 uur wordt ongeplande zorg opgevangen middels een bereikbaarheidsdienst Vraagt, indien nodig, logeren aan bij de plaatsingscoördinatoren (paragraaf 7.2) Aanbieder organiseert vervolg van de begeleiding als logeren niet volstaat en begeleiding vanuit intramurale setting nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat De situatie van cliënt is gestabiliseerd, er is geen opname in kliniek of in beschermde woonvorm noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5PGB Beschermd Wonen Beschermd wonen kent twee verzilveringsvormen: zorg in natura en via een pgb. Bij zorg in natura krijgt de cliënt de ondersteuning via een aanbieder die een contract heeft met centrumgemeente Almere. Bij een pgb krijgt de cliënt via de Sociale Verzekeringsbank een geldbedrag om zelf de benodigde ondersteuning in te kopen. Zo is er meer keuzevrijheid en behoudt de cliënt de regie over de ondersteuning. Voor het beheren van een pgb is kennis en vaardigheid nodig, zie Hoofdstuk 13 Persoonsgebonden budget van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 van de Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">10.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2Elementaire woonfuncties Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kan hulp-op-maat worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. De Verordening bepaalt wel dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door het weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 Wmo 2015 dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de woningeigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de woningeigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4Hoofdverblijf Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.1 Uitzondering hoofdverblijf Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van co-ouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5Primaat van verhuizen Artikel 5.2.1 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2024 Omdat het college de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van hulp-op-maat kan het primaat van verhuizen worden toegepast als de woning niet of alleen tegen hoge kosten aangepast kan worden. Het bedrag waarbij het primaat van verhuizen wordt overwogen staat in het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.1 Kosten Het college neemt de volgende kosten in ieder geval mee in de overwegingen: het kostenverschil tussen de hulp-op-maat en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten. de huidige en voorzienbare aanpassingskosten en/of traplift van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Daarvoor zijn de afwegingsfactoren in 10.5.2 van deze beleidsregels ook van belang. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat het college, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRVB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil (CRVB:2018:2602). Het spreekt voor zich dat er binnen een medisch aanvaardbare termijn wel een geschikte woning beschikbaar moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangewezen woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, meestal een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. c Het kan bijvoorbeeld zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Bij de aanvraag om een traplift kan dat anders liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.2 Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen (zie ook 10.5.1 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen (zie ook 10.5.1 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt (of partner) met dementie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen de cliënt over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale omstandigheden. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Ook de aanwezigheid van vrienden en familie, de gezondheidssituatie van de partner kunnen een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperatie rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restschuld Toepassing van het primaat van verhuizen is niet toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is, beoordeelt het college op basis van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 5.2.1 van de Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan hulp-op-maat worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7Specifieke criteria Artikel 5.2.1 van de Verordening Dit artikel van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria voor het verstrekken van hulp-op-maat gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten dan wel omstandigheden die in de risicosfeer liggen van de cliënt. Het gaat om situaties waarin:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geen dringende reden is om te verhuizen (bijv. CRVB:2023:731).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning (bijv. CRVB:2019:290).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag gaat over de aard van de materialen in de woning (CRVB:2003:AM5445).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag gericht op renovatie of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij renovatie kan sprake zijn van een algemeen gebruikelijke voorziening, zie 3.2.7 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een uitraaskamer te realiseren. De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het verstrekken van een uitraaskamer zijn: de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding), de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht), er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragsstoornis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers hulp-op-maat is in overwegende mate individueel gericht. Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. De uitraaskamer dient alleen het belang van de cliënt. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor hen, dan is er geen noodzaak voor een uitraasruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust kunnen komen van de cliënt. Daarom moet de ruimte prikkelarm en veilig zijn. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht door de ouders mogelijk maken. Uit het medisch advies (door een arts) moet blijken of de cliënt is aangewezen op een uitraasruimte én aan welke eisen die ruimte moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.1 Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.2 Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.3 Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers, de mogelijkheden van de cliënt/het kind, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, de beschikbare ruimte, de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.4 Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de \"natte cel\" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Een driewieler kan, mede gelet op de hoogte van de kosten, wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het in ieder geval normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt, mits het natuurlijk een passende oplossing is voor de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt ook hier of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11Woningaanpassing De procedure woningaanpassing overig Is de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing, dan wordt een programma van eisen opgesteld. Daarin staan de eisen waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Denk aan: indeling, afmetingen, draaicirkels als een cliënt rolstoel gebonden is of gebruik moet maken van een douchestoel en de eisen van het Bouwbesluit. Het college of de cliënt vragen op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij aannemers aan. In geval van een huurwoning vraagt het college zelf offertes aan bij bouwbedrijven of doet dat in overleg met de woningstichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goedkoopst passende bijdrage Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst passende bijdrage biedt en welke bouwofferte in aanmerking komt. Het afwerkingsniveau zal zijn op sociale woningbouwnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra grond Het is mogelijk om een persoonsgebonden budget te krijgen voor het verwerven van extra grond voor een noodzakelijke aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek in een zelfstandige woning als dit op grond van beperkingen noodzakelijk zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gereedmelding Na de voltooiing van de werkzaamheden dient de woningeigenaar binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen betreffende de werkzaamheden in te leveren en wordt het definitieve persoonsgebonden budget bepaald. Bij de gereedmelding dient een verklaring te zijn bijgevoegd waaruit blijkt dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget is verleend. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het persoonsgebonden budget aan de cliënt of aan de derde die de woningaanpassing heeft gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12Zich verplaatsen in en om de woning Artikel 5.3.3 van de Verordening Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als de cliënt zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik Het gebruiksgebied (binnen of buiten gebruik) De aandrijving door middel van het eigen lichaam door het bedienen van een aandrijfmechanisme voortduwen door anderen De zithouding en de eisen aan de ondersteuning De meeneembaarheid Antropometrische gegevens 10.13Rolstoelen Er zijn verschillende soorten rolstoelen te onderscheiden: handbewogen rolstoelen; elektrische rolstoelen; kinderrolstoelen; stoelen op wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.1 Handbewogen rolstoelen Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor degene die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.2 Elektrische rolstoelen Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen: elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen; elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de vervoersbehoefte en de hoogte van financiële tegemoetkoming voor vervoer; rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.3 Kinderrolstoelen Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk voorziening beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal voorzieningen kunnen standaard worden aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw. In voorkomende gevallen neemt de gemeente contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.4 Stoelen op wielen Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zvw. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.5 Aanpassingen aan rolstoelen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderscheid in aanpassingen is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zit-, rug- en ondersteuningsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijgedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bediening en/of besturing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.6 Rolstoelaccessoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de verstrekking Bij een maatwerkvoorziening in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Cliënten zijn geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.7 Kosten rolstoeltraining Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn. Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.14Schade aan hulpmiddelen Bij schade aan een hulpmiddel door nalatigheid of onzorgvuldig gebruik, kunnen de kosten voor rekening komen van de gebruiker (de cliënt) komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer Artikel 5 van de Verordening 11.1Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer gaat over het zich dichtbij huis kunnen verplaatsen. Onder dicht bij huis wordt volgens de Verordening 15 tot 25 kilometer rondom de woning verstaan. Afwijken hiervan kan alleen als de cliënt bepaalde basisvoorzieningen niet kan bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld winkels voor het doen van boodschappen, een zwembad en het ziekenhuis. Ook moet het lokale vervoer aansluiten op Valys. In de praktijk kunnen cliënten basisvoorzieningen en Valys bereiken. Het college kan hulp-op-maat verstrekken voor het zich dicht bij huis verplaatsen over de korte en de langere afstand. Voor de langere afstand (middellange afstand) het vrijwilligers- en rolstoelvervoer door Caritas een geschikte oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2Beoordelingskader vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Te verstrekken hulp-op-maat is afhankelijk van de vervoersbehoefte en andere geschikte en beschikbare voorliggende oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp, Mantelzorg of hulp van de andere personen uit het sociaal netwerk, Vrijwilligers- en rolstoelvervoer (Caritas).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Bij de beoordeling van de aanvraag om een vervoersvoorziening worden de volgende zaken meegenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel); in staat gebruik te maken van een eventuele scootmobielpool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie en begeleiding van de reis: kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming De vervoersbehoefte van de cliënt wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; het verplaatsingsmotief (waarom); en de verplaatsingsbestemming (waarheen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals gezegd is de ondersteuningsplicht van het college voor deelname aan het maatschappelijk verkeer gericht op het zich lokaal verplaatsen zodat de cliënt: winkels kan bereiken, sociale contacten kan onderhouden, en deel kan nemen aan maatschappelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder maatschappelijke activiteiten vallen bijvoorbeeld: het bezoeken van clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het verstrekken van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4Niet dicht-bij-huis vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van hulp-op-maat gericht op het zich dicht-bij-huis kunnen verplaatsen (CRVB:2018:1972, CRVB:2018:1961). Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de dicht-bij-huis verplaatsingen. Dat moet wel aansluiten op het gebruik kunnen maken van Valys.</p>\n<p class=\"lf-p\">Valys Voor niet-dicht-bij huis verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5Algemene voorziening sociaal vervoer Cliënten die niet over eigen vervoersmogelijkheden beschikken, kunnen een beroep doen op het vrijwilligersvervoer via bemiddeling van Caritas of gebruik maken van het rolstoelvervoer door Caritas. Daarvoor betaald de cliënt een kleine vergoeding. Er zijn ook leden van kerken die bereid zijn om mensen nu en dan ergens naar toe te brengen. Zo kunnen cliënten erop uit met zo gewoon mogelijk vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt Als uitgangspunt geldt dat vrijwilligersvervoer via bemiddeling van Caritas en het rolstoelvervoer als algemene voorziening geschikt is voor de verplaatsingen dicht bij huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende bijdrage Of gebruik van dit vraagafhankelijke vervoer voor deelname aan het maatschappelijk verkeer kan worden aangemerkt als passende bijdrage in het individuele geval, is afhankelijk van de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen op de middellange afstand. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen. Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het vrijwilligersvervoer of rolstoelvervoer niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een voorziening die voldoende ondersteuning biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van vrijwilligersvervoer of rolstoelvervoer kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat het vraagafhankelijke vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van het vrijwilligersvervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging gaat ook over het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en geen bezit van eigen (aangepaste) auto Het zal het in de praktijk zelden voorkomen dat een cliënt geen gebruik kan maken van het OV en het vrijwilligersvervoer en daarom is aangewezen op eigen gesloten buitenvervoer. Het college is bevoegd om de vervoersvoorziening afhankelijk te stellen van de vervoersbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6Beleidsuitgangspunten Het college hanteert verder de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets, brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Bij de beoordeling wordt ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of een gedragsstoornis van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie 3.2.7 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikbare voorzieningen Het kan voorkomen dat een cliënt een (extra) vervoersvoorziening aanvraagt terwijl met de tot zijn beschikking staande vervoersvoorzieningen wordt voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:2123).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere wettelijke aanspraak Artikel 5.1 van de Verordening Volgens dit artikel is het college in principe niet gehouden hulp-op-maat te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning (CRVB:2023:1046). In voorkomende gevallen behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35 lid 3 WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte De aanspraak op grond van een andere wettelijke regeling kan ook gaan over situaties die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen. Dat moet worden vastgesteld tijdens het onderzoek. Denk aan medisch vervoer of leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Het college mag van de cliënt verwachten dat bij de zorgverzekeraar wordt verzocht om een schriftelijk gemotiveerde afwijzing van een aanspraak op ziekenvervoer. Daaronder wordt ook een vergoeding van de reiskosten verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medisch vervoer Is vastgesteld dat er geen aanspraak bestaat op ziekenvervoer op grond van de Zvw, dan is een bezoek aan het ziekenhuis, huisarts of ander 'medisch vervoer' onderdeel van een lokale vervoersbehoefte (CRVB:2010:BL4037). De ondersteuningsplicht van het college is namelijk gericht op dicht-bij-huis (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7Omvang lokale vervoersbehoefte Uit de vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte dicht-bij-huis in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat een bepaalde vervoersvoorziening zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een totale vervoersbehoefte waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken. Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een: scootmobiel, fietsvoorziening, of autoaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.1 Individuele omstandigheden en mogelijkheden In 2.11 van deze beleidsregels staat dat als hulp-op-maat een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 in beginsel niet relevant (CRVB:2020:2644). Het is echter wel zo dat het college bij de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie rekening moet houden met: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt (art. 2.3.2 lid 1 onder a Wmo 2015). De hulp-op-maat moet immers zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de aanvrager (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Daaronder valt bijvoorbeeld de wens voor een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) in plaats van een scootmobiel. Als uitgangspunt geldt wel de goedkoopst passende bijdrage (art. 2.2.5 lid 3 Verordening). Opgemerkt wordt dat het oplossen van het mobiliteitsprobleem voor woon-werkverkeer buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.2 Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld een scootmobielpool geen passende oplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel, er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, het vrijwilligersvervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest), er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten scootmobieltraining Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel. De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen dan ook onder de Zvw. Het college kan daarnaast maximaal vijf gewenningslessen vergoeden, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalling Voor een scootmobiel of driewielfiets moet een adequate stalling beschikbaar zijn. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan ook een oplaadpunt nodig zijn. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.3 Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Een fietsvoorziening (al dan niet met hulpmotor) kan primair gericht zijn op het oplossen van de beperkingen in de mobiliteit en secundair op het verbeteren van conditie (gezondheid). In zo’n situatie mag het college de aanvraag niet afwijzen op de grond dat (ook) een medisch doel wordt gediend (CRVB:2021:1595). Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.4 Adequate stalling Voor vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of driewielfiets moet een adequate stalling beschikbaar zijn. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.5 Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht dicht-bij-huis verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto en voor wie het vrijwilligers vervoer geen oplossing biedt. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk Sommige autoaanpassingen kunnen een algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Het gaat om situaties waarin de cliënt auto aanschaft en het college verzoekt om de aanpassingen van die auto. Het ligt op de weg van de cliënt om een geschikte auto te kiezen in een prijsklasse die voorziet in bijvoorbeeld een cruisecontrol (CRVB:2009:BK1515).</p>\n<p class=\"lf-p\">Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich dicht-bij-huis verplaatsen én is het vrijwilligersvervoer of rolstoelvervoer van Caritas geen passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste zeven jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. Het college kan hiervan afwijken als de aanpassing, zonder al te hoge kosten, in een volgende auto kan worden overgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afschrijvingstermijnen Bij de aanschaf van een personen- òf rolstoeltoegankelijke auto is de afschrijvingstermijn van de aangebrachte aanpassingen bepaald op 10 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inwoner besluit om binnen een termijn van 10 jaar over te gaan tot de aanschaf van een andere personen- òf rolstoeltoegankelijke auto zal de restwaarde van eerdere aanpassingen in mindering worden gebracht op het te vergoeden bedrag van de nieuwe aanpassingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanschaf van een personen- òf rolstoeltoegankelijke auto (occasion) kan ten hoogste de restwaarde van de reeds aangebrachte aanpassingen voor vergoeding in aanmerking worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanpassen van een rolstoelbus/auto valt de denken aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassen van de vloer Bekleden zijwanden Hemelbekleding Oprijplaten/platform Rolstoelvergrendeling/vastzetsysteem RDW-keuring Bijzonderheden De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Dit op basis van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de cliënt aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan zeven jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">BPM teruggave Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9Een gehandicaptenvoertuig Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter, niet langer dan 3,50 meter en niet hoger dan 2,00 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt en geen bromfiets is (art. 1 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijbanen gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9.1 Voorwaarden verstrekken gehandicaptenvoertuig Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen omdat het vraagafhankelijke vervoer (Caritas) al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9.2 Brommobiel Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en geen gehandicaptenvoertuig is. De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen (in relatie tot het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving). Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de eerder benoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11Een sportvoorziening Sportbeoefening is participatie in de zin van de Wmo 2015 als de cliënt daar in redelijke mate aan deelneemt (CRVB:2018:3348). De CRvB verstaat onder het in redelijke mate deelnemen een situatie waarin de cliënt al geruime tijd een sport beoefent en dat niet meer kan doen zonder een maatwerkvoorziening vanwege het optreden van beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke ontwikkeling Is het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van sportvoorziening gericht op de persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager, dan valt dat niet binnen de compensatieplicht van het college. Onder persoonlijke ontwikkeling valt sportbeoefening op (een hoog) wedstrijdniveau; een hoger niveau dan 'normale' sportbeoefening waarmee sociale contacten kunnen worden onderhouden. Wil iemand 'topsport' beoefenen dan zal hij daarvoor - net als valide topsporters - aangewezen zijn op sponsors en een sportbond.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.1 Participatie in de Wmo 2015 Voor het beoordelen van de mate van participatie moet beoordeeld worden in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149‑150). In het algemeen kan gezegd worden dat door het verstrekken van een vervoersvoorziening of dagactiviteiten iemand in redelijke mate kan participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden Er zijn echter situaties denkbaar waarin alleen door het verstrekken van een sportvoorziening het mogelijk maakt om deel te nemen aan het leven van alle dag van de cliënt. Bij het leven van alle dag gaat het om activiteiten voor de deelname aan het maatschappelijke verkeer die zo zeer zijn verbonden aan de cliënt dat de beperkingen daarin niet anders dan door het verstrekken van een sportvoorziening kunnen worden opgelost (CRVB:2013:CA0088). Dat zal in de praktijk niet vaak voorkomen. De compensatieplicht van het college is immers niet gericht op het optimaliseren. Er geldt dus geen verplichting om ‘alles’ te compenseren op het gebied van zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:1502).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.3 Uniek sporten Met steun van het ministerie van VWS is Uniek Sporten Hulpmiddelen opgezet. Via Uniek Sporten Uitleen kan de cliënt gratis een sporthulpmiddel uitproberen voor maximaal 4 maanden. Bijvoorbeeld een tennisrolstoel of handbike. Er is een breed aanbod beschikbaar zodat de cliënt een sport kan kiezen die het beste past. Uniek Sporten Uitleen is meer dan een uitleenservice. De cliënt krijgt namelijk ook advies over het sporthulpmiddel en het gebruik ervan. Het hulpmiddel wordt persoonlijk gepast en afgesteld op de wensen en tijdens de uitleenperiode is technische service en onderhoud beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiering aanschaf Bij Uniek Sporten Hulpmiddelen kan de cliënt een aanvraag indienen voor de financiering van een sporthulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Financiële tegemoetkoming Artikel 5.2.1 lid 5 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugd Urk 2024 12.1Inleiding Uit de uitspraken van de CRvB blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gemeente Urk beperkt zich dat tot individueel (rolstoel)taxi vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2Verhuiskosten en/of inrichtingskosten De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Besluit). Binnen een medisch gezien aanvaardbare termijn, maar uiterlijk binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuiskosten en/of inrichtingskosten is toegekend dient de cliënt verhuisd te zijn naar een adequate woning. De cliënt stuurt een gereedmeldingsformulier naar het college om aan te tonen dat men verhuisd is naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig het advies. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3Kosten overig Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening. Hierover is een uitspraak gedaan, dit wordt niet vergoed (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4Geen dubbele vergoeding Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat het college dubbele tegemoetkomingen verstrekt. Daar kan geen limitatief aantal van worden gegeven. Twee voorbeelden. Een verhuiskostenvergoeding van de verhuurder op grond van artikel 220 en 275 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie en de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Dat wil zeggen dat geen tegemoetkoming wordt verstrekt of dat het college de hoogte van de tegemoetkoming afstemt. Dat laatste gelet op het aanvullende karakter van de wet. Het zal in de praktijk niet vaak voorkomen dat er verschillende aanspraken (kunnen) zijn.</p></div>", "next": 239593}