{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Het college kan de te verstrekken maatwerkvoorziening combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Verder is het zo dat degene die de begeleiding biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming van de te bieden huishoudelijke ondersteuning te komen. Dat kan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijk hulp biedt. De indicatie voor de maatwerkvoorziening, bestaande uit het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan, wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder geen andere personen in het netwerk zijn die deze taken kunnen overnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Resultaat schoonmaakondersteuning Schoonmaakondersteuning heeft betrekking op het schoonhouden van de woning, het op orde hebben van het huishouden en de wasverzorging (schoon beddengoed, ander linnengoed en schone kleding). De maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning bestaat uit: licht en zwaar huishoudelijk werk, wasverzorging en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Schoonmaakondersteuning kan betrekking hebben op een aantal resultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.1Resultaat een schoon en leefbaar huis Iedereen moet gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, een schone slaapkamer, een schone keuken, een schone badkamer en toilet en een schone gang, schoon volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de badkamer, keuken, toilet en het dweilen van vloeren. Persoonlijke omstandigheden en behoeften kunnen het in sommige gevallen noodzakelijk maken hiervan af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.2Resultaat schone en draagbare kleding Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding. Bij de wasverzorging gaat het uitsluitend over: het sorteren, wassen en drogen en wegleggen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. En in bepaalde situaties het strijken van de normale kleding voor alledag. Hierbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken wordt. Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken, ondergoed, etc. gestreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.3Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Grotere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen hier niet onder. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als boodschappenservice/ online boodschappen doen en/of maaltijdenservices ontoereikend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Resultaat bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende resultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Het klaarzetten van broodmaaltijden of (opwarmen van) warme maaltijden zijn nodig voor dagelijkse levensbehoeften. Voorliggende oplossingen kunnen zijn: gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Zie verder in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.2Resultaat thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders deze tijdelijk niet in staat zijn te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het begeleiden van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn, door werk of beperkingen, voor de kinderen te zorgen of opvang te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4Resultaat aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Cliënten die leerbaar zijn gedurende een beperkt tijdsbestek van 8 weken instructie geven over huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden (aanleren vaardigheden) zodat zij na deze 8 weken in staat zijn zelfstandig een gestructureerde huishouding te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.5Bijzonderheden In zeer uitzonderlijke gevallen kan het (tijdelijk) overnemen van schoonmaaktaken, zoals stofzuigen en wasverzorging onder de maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden vallen. Dit geldt met name in situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft. Denk hierbij aan zorgmijders. Dan is het wenselijk, dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6Wijkverpleging Is de cliënt aangewezen op toezicht bij de maaltijden, dan bestaat er aanspraak op wijkverpleging. Denk bijvoorbeeld aan verslikkingsgevaar. Zie verder 6.4 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4Uitstelbare en niet-uitstelbare taken Het spreekt voor zich dat voor het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden geboden ook afhankelijk is van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoonmaakwerkzaamheden en de was In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar, dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid Algemeen gebruikelijke voorzieningen Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Gebruik van algemene voorzieningen Normtijden 8.6Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand ondervindt in zo’n geval geen beperkingen die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804 en CRVB:2018:2721).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7Eigen verantwoordelijkheid Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Wenst de cliënt dit wel, dan zal hij omstandigheden moeten aanvoeren waarom het college moet afwijken van het hiervoor genoemde beleidsuitgangspunt. Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, zal het college daar wel rekening mee moeten houden (RBGEL:2018:1741).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen schoonmaakondersteuning verstrekt. Denk aan: de (online)boodschappendienst, kant en klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice. Zie verder 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels voor hoe het college dat beoordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie Hoofdstuk 17 Advisering van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11Algemene voorzieningen Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12Normtijden huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (voorheen HH1) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden (voorheen HH2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatie voor huishoudelijke ondersteuning vindt plaats op basis van specifieke (deel)taken die overgenomen dienen te worden, de gebruiksruimten en het aantal personen in het huishouden. Dit alles op basis van de persoonlijke omstandigheden en kenmerken van de cliënt. De normtijden die gehanteerd worden zijn gebaseerd op onderzoek van Onderzoeksbureau HHM.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoeken van HHM hebben bij een twintigtal verschillende gemeenten plaatsgevonden en zijn representatief om de gemeentelijke normtijden huishoudelijke hulp aan te toetsen. Voor gemeentelijke normtijden huishoudelijke ondersteuning wordt verwezen naar Bijlage 1 Normtijden huishoudelijke ondersteuning en Bijlage 2 Normtijden HHM vs normtijden gemeente Urk per 2017 bij deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indirecte tijd behelst de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan aankomst, vertrek, administratie en sociale interactie met de cliënt. Het college onderzoekt welke activiteiten moeten worden overgenomen van de cliënt voor het bereiken van de resultaten, hoeveel tijd dat kost (conform de normtijdentabel) en hoe vaak dit moet worden gedaan (conform de normtijden tabel). Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken. De uitkomst in uren kan leiden tot meer of minder uren dan onder de Normtijden HHM het geval zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke normtijden zijn verder verfijnd ten opzichte van de vorige normtijden en betrekken op basis van de Wmo 2015 het zelf organiserend vermogen van de cliënt en zijn zelfredzaamheid. Delen van de activiteiten waarbij de cliënt wordt ondersteund, kunnen wellicht wél zelf door de cliënt worden uitgevoerd (bijv. cliënt kan zelf wasmachine en droger laden en klein wasgoed opvouwen, hij heeft echter wel hulp nodig bij het vouwen en opruimen van het grote wasgoed en het strijken). Uitgangspunt is dat de cliënt altijd de ondersteuning ontvangt die noodzakelijk is gelet op zijn beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13Werkwijze selectie van een aanbieder De cliënt wordt door het college de mogelijkheid geboden om te kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. De cliënt krijgt daarvoor een overzicht van de aanbieders. De selectie van een aanbieder vindt plaats op basis van de volgende criteria: keuze van de cliënt; indien de cliënt geen voorkeur heeft: de aanbieder die het meest geschikt is voor het bieden van hulp /ondersteuning voor de specifieke casus naar het oordeel van het college; indien de cliënt geen voorkeur heeft en bij gelijke geschiktheid van aanbieders voor de specifieke casus: de prijs van de dienstverlening; in geval van gelijke geschiktheid en gelijke tarieven zal de opdracht per toerbeurt aan een aanbieder worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de ondersteuning bij de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Beschermd wonen Artikel 5.2.3 van de Verordening 9.1Inleiding De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: “het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving” (art. 1.1.1, eerste lid, Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Doelgroep Beschermd Wonen Het gaat bij de indicatie voor beschermd wonen om een specifieke doelgroep die vanwege psychische en/of psychosociale problemen en/of verstandelijke beperking niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving. Daarnaast is er sprake van regieproblemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. De cliënt is om die redenen tijdelijk aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving met bijbehorend toezicht en begeleiding. De noodzaak voor een beschermende woonomgeving wordt, zo blijkt uit de begripsbepaling, (mede) bepaald aan de hand van de aanwezigheid van risico’s: het voorkomen van verwaarlozing; en/of maatschappelijke overlast; en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; en/of Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de hiervoor genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten per etmaal op essentiële terreinen van het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3Doelstelling Beschermd Wonen De doelstelling is om voor mensen in een beschermde woonvorm het leven daar waar mogelijk te stabiliseren, normaliseren en het perspectief op ontwikkeling en integratie in de samenleving te bevorderen. Ten einde duurzaam uit te stromen naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang Gemeente Almere is verantwoordelijk om een besluit te nemen over de aanvraag voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De Centrale Toegang (CT) voor beschermd wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschermd wonen kan de cliënt met eventuele ondersteuning doen bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschermd wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. Dit onderzoeksverslag wordt na het intakegesprek naar cliënt opgestuurd met het verzoek om dit voor akkoord te ondertekenen en retour te zenden. Met deze handtekening is de aanvraag voor beschermd wonen bekrachtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het team met toegangsbepalers van GGD Flevoland is verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere neemt het uiteindelijke besluit en zal de cliënt hiervan middels een beschikking op de hoogte brengen. Ook geeft de gemeente Almere voor de maatschappelijke opvang een beschikking af.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5Indicatie Besluit Beschermd Wonen Het college van gemeente Almere kan een indicatie voor beschermd wonen verstrekken als de aanvraag middels een handtekening van de cliënt is bekrachtigd. Hierbij wordt rekening gehouden met de ondersteuningsvraag van de cliënt. Het college van gemeente Almere zal ook een beslissing nemen wanneer cliënt het onderzoeksverslag, ondanks herinneringen vanuit de GGD, niet ondertekend retour heeft gestuurd. Het college neemt het besluit op basis van het advies van de GGD, omdat de cliënt akkoord is gegaan met de melding voor beschermd wonen en mee heeft gewerkt aan het onderzoek. Deze werkwijze is in het kader van het belang van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.1Ondersteuningsprofiel Midden Pakket C:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd Wonen Midden Psychosociale of psychische problemen Kenmerken pakket Dit pakket biedt 24-uurs ondersteuning, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een beschermd wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problematiek, herstel van de zelfredzaamheid en zelfstandig wonen met eventueel ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen ervaart door: Psychische en/of psychosociale problemen, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkte vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)1Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL2 Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrinsiek gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt gevoelig –kan zijn voor begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder Ondersteuning is 24 uur op een dag 7 dagen in de week beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms ondersteuning nodig heeft is er een slapende wacht aanwezig of wordt gebruik gemaakt van digi-contact waarbij begeleiding oproepbaar is en binnen 30 minuten aanwezig. De ondersteuning is gericht op stabilisatie en het vergroten van zelfredzaamheid en zelfregie. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Het uiteindelijke doel is zelfstandig wonen eventueel met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteunings-behoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de cliënt een ondersteuningsplan opstellen gericht op herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zonodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van instrumentele ADL vaardigheden, indien nodig taken tijdelijk overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist Ondersteuning bij het vergroten van de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerdercurator worden ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de hulpvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij contact met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermd wonen locatie biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">24/7 beschikbaar is voor cliënt, met in de nacht een slapende wacht of digi-contact waarbij begeleiding binnen 30 minuten aanwezig is Minimaal 4 uur individuele ondersteuning per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2 Ondersteuningsprofiel Hoog Pakket C:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd Wonen Hoog Psychosociale of psychische problemen Kenmerken pakket Dit pakket biedt intensieve 24-uurs ondersteuning, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een beschermd wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problemen en herstel van de zelfredzaamheid en de cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Last heeft van multiproblematiek; Psychische en/of psychosociale problemen heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grensoverschrijdend gedrag kan laat zien; (verbaal) agressief, manipulatief, dwangmatig, destructief en/of reactief gedrag in onder andere de interactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan sprake zijn van maatschappelijke teloorgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeer beperkt gevoelig is voor begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrinsiek gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt of geen vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning of overname bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder Ondersteuning is 24 uur op een dag 7 dagen in de week aanwezig en beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms ondersteuning nodig heeft is er een wakende wacht aanwezig die in de gaten houdt of het goed gaat met de cliënt. De ondersteuning is gericht op het vergroten en behouden van zelfredzaamheid en zelfregie. Begeleiding is gericht op het ondersteunen en aanleren van vaardigheden op alle levensterreinen, het waar mogelijk leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Het uiteindelijke doel is doorstromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de cliënt een ondersteuningsplan opstellen gericht op herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zonodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op instrumentele ADL, indien nodig taken overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het vergroten van de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerdercurator worden ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij eventueel contact met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning richting een passende vervolgplek. Dit kan bestaan uit: een lichtere beschermde woonvorm, zelfstandig wonen met ambulante ondersteuning of een Wlz aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermd wonen locatie biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 7 uur individuele ondersteuning per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/7 is er ondersteuning aanwezig en beschikbaar voor de cliënt waarbij er in de nachten een wakende wacht aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. Overname van taken om zich zelfstandig te handhaven in de samenleving is niet langer noodzakelijk. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.3 Pilot beschut wonen Beschut wonen is een ondersteuningsprofiel van beschermd wonen welke zich richt op duurzame uitstroom. Beschut wonen is een pilot die een looptijd heeft tot eind 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschut wonen is een lichtere vorm van ondersteuning, gericht op duurzame uitstroom en maximaal 1 jaar. Met beschut wonen bedoelen we een beschutte woonomgeving (appartementencomplex, etage flat, omgebouwde rijtjeswoning) waar aan meerdere bewoners met een vergelijkbare ondersteuningsvraag structuur wordt geboden. Er is een combinatie van toezicht (overdag op vaste tijden) en een achterwacht beschikbaar. Er is een ruimte voor gemeenschappelijke activiteiten. Die ruimte heeft ook een rol in de begeleiding. Begeleiding is gericht op duurzame uitstroom en ondersteunt de cliënt bij alle regelzaken zoals het tijdig aanvragen van urgentie voor een zelfstandige woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft wonen in een accommodatie waarbij een beroep gedaan kan worden op 24-uurs ondersteuning. De accommodatie ligt op max. 30 minuten afstand van de “moeder” locatie3Hiermee bedoelen we de accommodatie waar Beschermd Wonen midden en/of hoog wordt geboden.. De bandbreedte van het aantal in te zetten begeleidingsuren is 8-12 uur, waarvan minimaal 3 uur individuele begeleiding. De overige begeleidingsuren kunnen flexibel worden ingezet voor o.a. extra individuele begeleiding, woonbegeleiding en alle regelzaken rondom uitstroom. Naast deze begeleidingsuren kan de cliënt gebruik maken van 24 uurs ondersteuning. Cliënten kunnen daarnaast gebruik maken van de groepsactiviteiten op de ”moeder” locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden om beschut te wonen Een voorwaarde om beschut te kunnen wonen is dat de cliënt in bezit is van een geldige beschikking voor beschermd wonen. Er zijn hiervoor twee routes, 1) cliënt stroomt door naar beschut wonen vanuit een beschermd wonen plek 2) cliënt staat op de wachtlijst van beschermd wonen en beschut wonen is passend bevonden door de plaatsingscoördinatoren, de GGD zal vervolgens nieuw onderzoek verrichten om te adviseren of beschut wonen passend is. Bij Timon is er voor de doelgroep moeder/kind een speciale regeling, hier mag wel ingestroomd worden wanneer het een beschut wonen aanvraag voor moeder/kind betreft. Beschut wonen vindt waar mogelijk plaats in de herkomstgemeente van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor beschut wonen Er is sprake van een psychiatrische/ psychische aandoening, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, psychosociale problemen of verslaving. Binnen de stoornis en beperking is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks gepland contact is met de cliënt om dit te monitoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een begeleidingsplan aanwezig van de afgelopen periode/ jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel middelengebruik van de cliënt staat herstel richting het vergroten van de zelfredzaamheid niet in de weg. Het gebruik is onder controle en werkt niet ontwrichtend voor de groep/ medebewoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is overwegend in staat om zelf een beroep op ondersteuning/ begeleiding te kunnen doen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt kan zijn hulpvraag minimaal een half uur uitstellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt heeft dagelijks begeleiding nodig waarbij de intensiteit van de ondersteuning wisselend kan zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt heeft eventuele medicatie in eigen beheer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is therapietrouw (behandeling en medicatie);</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt beheerst basale ADL-vaardigheden. Het betreft vaardigheden gericht op het behouden van de lichamelijke veiligheid en welzijn (wassen, aankleden, lichamelijke verzorging, voeden, toiletbezoek en je zelfstandig fysiek kunnen verplaatsen eventueel met passende hulpmiddelen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt beheerst minimale instrumentele ADL-vaardigheden. Het betreft vaardigheden gericht op veilig en duurzaam functioneren in zijn/haar omgeving: koken, reizen, inkopen doen, huishoudelijk werk, administratie, medicatie innemen en het gebruiken van apparaten en producten wanneer cliënt ze nodig heeft en hij/zij gebruikt dit op de juiste manier;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt volgt dagbesteding/ opleiding en/of heeft werk, naar draagkracht van de cliënt. Om dit vol te houden is het voor de cliënt noodzakelijk dat de uitvoering hiervan binnen beschut wonen wordt gemonitord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningspakket dat past bij ondersteuningsprofiel beschut wonen omvat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal drie uur directe individuele begeleiding per week. Binnen de begeleidingsuren kan flexibel op- en afgeschaald worden en kan de regie hierover zoveel mogelijk bij de cliënt worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding die 24 uur per dag telefonisch beschikbaar is als vangnet en binnen een half uur bij de cliënt kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschutte woonomgeving voor maximaal één jaar met training gericht op uitstroom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze doelen staan centraal bij de uitvoering van het ondersteuningspakket:</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding gericht op solide herstel, afname van gedragsproblemen en zelfregie als basis om binnen een jaar duurzaam zelfstandig te wonen in de gemeente van herkomst en de ondersteuning zo snel mogelijk af te schalen/te ambulantiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt heeft urgentie voor een sociale huurwoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortzetting van structurele deelname aan geregelde dagbestedingsactiviteiten of (vrijwilligers)werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.4Pilot Gewoon Thuis Gewoon thuis is een pilot die een looptijd heeft tot eind 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewoon Thuis biedt 24x7 ondersteuning en bescherming, schaalt zorg op- en af naar behoefte en sterkt cliënten in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met een pakket aan ondersteuning op maat kunnen zij in hun eigen huis blijven wonen. Het beoogde effect van Gewoon Thuis is voorkomen van instroom- en bevordering van een snellere uitstroom uit beschermd wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewoon Thuis bevat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld 6,5 uur geplande en ongeplande ondersteuning per week, waaronder Trajectbegeleiding Budgetcoach / hulp bij financiën Dagbesteding / activering van 4 dagdelen Intramurale logeerplek 24 / 7 beschik- en bereikbaarheid op afstand (beeldbellen of bellen) en binnen 45 minuten fysieke ondersteuning aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep Er is sprake van een psychiatrische/ psychische aandoening, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit haalbaar door actief monitoren, het ondersteunen bij het behouden van de net verworven stabiliteit, deze meer te verkrijgen en te bestendigen. Er is een noodzakelijkheid van geplande en ongeplande ondersteuning met 24/7 beschik- en bereikbaarheid op afroep omdat de cliënt mogelijk niet ten allen tijden in staat is zijn/ haar gedrag te begrenzen, te stabiliseren en te reguleren. Er zijn beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en/of bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken, wat vraagt om gevraagde en ongevraagde ondersteuning omdat het anders leidt tot overlast, agressie of schade aan het welzijn van de cliënt en diens omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria gewoon thuis Cliënt is in staat om een ondersteuningsvraag te formuleren en zelf een beroep op de begeleiding te doen. Kan de ondersteuningsvraag een half uur tot uiterlijk een uur uit stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt Is gemotiveerd om samen met de begeleiding te werken aan de doelen die opgesteld zijn gebaseerd op de pijlers van Gewoon Thuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is gemotiveerd zich aan gemaakte de afspraken te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is (met ondersteuning) in staat adviezen van begeleiding op te volgen en om te zetten in handelen. Bereikt doelen door veel samen te oefenen en te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van ziekte-inzicht en inzicht in eigen handelen of inzicht wordt verkregen door ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelengebruik staat herstel richting het vergroten van de zelfredzaamheid niet in de weg of kan met behulp van verslavingszorg onder controle gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is in staat om zelf of met ondersteuning overzicht te behouden in de financiën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is in staat eventuele medicatie zelf (of met ondersteuning) te beheren en/of in te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is in staat (eventueel met ondersteuning van externen) basale ADL-vaardigheden uit te voeren. Het betreft vaardigheden gericht op het behouden van de lichamelijke veiligheid en welzijn (wassen, aankleden, lichamelijke verzorging, aankleden, voeden, toiletbezoek en je zelfstandig fysiek kunnen verplaatsen) of deze ondersteuning wordt voldoende geboden Cliënt kan (eventueel met ondersteuning) regie voeren over minimale instrumentele ADL-vaardigheden, is hierin leerbaar of er is motivatie om te kiezen voor een budgetcoach, bewindvoerder of curator. Instrumentele ADL vaardigheden betreft vaardigheden gericht op veilig en duurzaam functioneren in diens omgeving: koken, inkopen doen, licht huishoudelijk werk, administratie en het gebruiken van apparaten en producten wanneer cliënt ze nodig heeft en hij/zij gebruikt dit op de juiste manier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is in staat zelfstandig (of met vervoersmiddel of externe hulp) te reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is (eventueel met ondersteuning) in staat mensen te weren die een slechte invloed hebben op herstel. Is in staat om met behulp van de ondersteuning een positief netwerk op te bouwen. Er zijn beperkingen bij het onderhouden van sociale relaties. Sturing en vergroten van vaardigheden is hierin nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is in staat om zelf of met hulp van het (georganiseerde) netwerk om hem/ haar heen (denk aan naasten/buurt/professionals) tijdig hulp in te schakelen wanneer er signalen zijn van afname (psychische) stabiliteit/ zelfstandigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is in staat om samen met de begeleiding te zoeken naar een passende daginvulling (activering/ dagbesteding/werk/opleiding) naar draagkracht van de cliënt. Sturing en monitoring vanuit de ondersteuning zou hierin nodig kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt heeft een eigen huur- of omklapwoning en is gemotiveerd om zelfstandig te blijven wonen. Is (eventueel met ondersteuning) in staat afspraken te maken rondom wonen en te voldoen aan goed huurderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleidingsniveau Er is een risico op ernstig nadeel (decompensatie) waarbij de intensiteit van de ondersteuning wisselend is waardoor er tijdens de beschikking op- en afgeschaald dient te worden, zorg op maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft ondersteuning nodig bij het structureren of invullen van de dag en heeft mogelijk dagelijkse ondersteuning nodig op meerdere levensdomeinen welke zowel gepland als ongepland plaats moeten vinden en waarbij 24/7 beschik- en bereikbaarheid noodzakelijk is. Ondersteuning is gericht op zelfredzaamheid middels leren van vaardigheden, begrenzing van gedrag, stabiliseren en te reguleren en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning kan fysiek, telefonisch, per mail, WhatsApp en/of via beeldbellen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen direct waaktoezicht nodig, wel in de nacht op afroep aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisis en of acute psychiatrie waarbij opname voor behandeling noodzakelijk is en het ondersteunen naar zelfredzaamheid in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning door de zorgaanbieder Aanbieders van beschermd wonen krijgen financiering om de volgende ondersteuning te bieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">7 x 24-uurstoezicht en -begeleiding bij profiel hoog 7 x 24 uur bereikbaarheid en/of beschikbaarheid bij profiel midden (On)planbare ondersteuning Individuele begeleiding Woonbegeleiding Dagbesteding Huisvesting (alleen bij zorg in natura) De intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de cliënt. Het is mogelijk om dagbesteding in te zetten bij de aanbieder waar de cliënt woont. Als het dagbestedingsaanbod van een andere aanbieder beter past, dan onderzoekt de aanbieder van beschermd wonen deze mogelijkheid. Trajecten die lopen via het UWV, (vrijwilligers)werk, studie en voorzieningen aangeboden in het voorliggend veld maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5PGB Beschermd Wonen Beschermd wonen kent twee verzilveringsvormen: zorg in natura en via een pgb. Bij zorg in natura krijgt de cliënt de ondersteuning via een aanbieder die een contract heeft met centrumgemeente Almere. Bij een pgb krijgt de cliënt via de Sociale Verzekeringsbank een geldbedrag om zelf de benodigde ondersteuning in te kopen. Zo is er meer keuzevrijheid en behoudt de cliënt de regie over de ondersteuning. Voor het beheren van een pgb is kennis en vaardigheid nodig, zie Hoofdstuk 13 Persoonsgebonden budget van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 en 5 van de Verordening (ondersteuning gericht op het wonen)</h3>\n<p class=\"lf-p\">10.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. De Verordening bepaalt wel dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door het weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de woningeigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de woningeigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3Hoofdverblijf Artikel 5.2 van de Verordening Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.1Uitzondering hoofdverblijf Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van co-ouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4Primaat van verhuizen Artikel 5.2.1 van de Verordening Omdat het college de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat kan het geval zijn bij een aanvraag om een woningaanpassing en/of een traplift.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.1Kosten Het college neemt de volgende kosten in ieder geval mee in de overwegingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die in dat geval toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van twaalf maanden verstaan. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangewezen woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. b Het kan bijvoorbeeld zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Bij de aanvraag om een traplift kan dat anders liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.2Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen de cliënt over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperatie rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restschuld Toepassing van het primaat van verhuizen is niet toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is, beoordeelt het college op basis van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 5.2.1 van de Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6Specifieke criteria Artikel 5.2.1 van de Verordening Dit artikel van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria voor het verstrekken van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geen dringende reden is om te verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag gericht op renovatie of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een uitraaskamer te realiseren. De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het verstrekken van een uitraaskamer zijn: de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding), de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht), er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragsstoornis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht. Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer alleen het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor hen, dan is er geen sprake van een uitraasruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust kunnen komen van de cliënt. Daarom moet de ruimte prikkelarm en veilig zijn. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht door de ouders mogelijk maken. Uit het medisch advies (door een arts) moet blijken of de cliënt is aangewezen op een uitraasruimte én de eisen waaraan die ruimte moet voldoen. Mogelijk dat het college ook kan volstaan met een aanpassing van een bestaande ruimte, bijvoorbeeld de slaapkamer van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.1Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.2Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.3Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers, de mogelijkheden van de cliënt/het kind, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, de beschikbare ruimte, de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.4Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de \"natte cel\" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Een driewieler kan, mede gelet op de hoogte van de kosten, wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het in ieder geval normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt, mits het natuurlijk een passende oplossing is voor de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt ook hier of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10Woningaanpassing De procedure woningaanpassing overig Indien de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing dan wordt een programma van eisen opgesteld. Het college of de cliënt vragen op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij aannemers aan. In geval van een huurwoning vraagt het college zelf offertes aan bij bouwbedrijven. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst passende bijdrage biedt en welke bouwofferte in aanmerking komt. Afwerkingsniveau zal zijn op sociale woningbouwnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk om een persoonsgebonden budget te krijgen voor het verwerven van extra grond ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek in een zelfstandige woning indien dit op grond van beperkingen noodzakelijk zou zijn. Het aantal m2 dat voor een persoonsgebonden budget in aanmerking komt is per vertrek in beginsel gemaximaliseerd volgens onderstaande tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort vertrek Aantal m² bij aanbouw Aantal m² bij uitbreiding Woonkamer 30 6 Keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 Toiletruimte 2 1 Badkamer</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wastafelruimte 2 1</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>doucheruimte 3 3 entree/hal/gang 5 5 Berging 6 4 Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden deze maxima aangehouden, tenzij het normale gebruik van de woning, onderbouwd, een ander maximum vergt. Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor een persoonsgebonden budget in aanmerking komt bedraagt 20 m².</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw of er sprake is van renovatie. Wel kan van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten mogelijk worden gevergd dat de taakverdeling wordt aangepast. Uit jurisprudentie blijkt dat, wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college is. Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de voltooiing van de werkzaamheden dient de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen betreffende de werkzaamheden in te leveren en wordt het definitieve persoonsgebonden budget bepaald. Bij de gereedmelding dient een verklaring te zijn bijgevoegd waaruit blijkt dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget is verleend. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het persoonsgebonden budget aan de cliënt of aan de derde die de woningaanpassing heeft gerealiseerd 10.11Zich verplaatsen in en om de woning Artikel 3.6.3 van de Verordening Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als de cliënt zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik Het gebruiksgebied (binnen of buiten gebruik) De aandrijving door middel van het eigen lichaam door het bedienen van een aandrijfmechanisme voortduwen door anderen De zithouding en de eisen aan de ondersteuning De meeneembaarheid Antropometrische gegevens 10.12Rolstoelen Er zijn verschillende soorten rolstoelen te onderscheiden: handbewogen rolstoelen; elektrische rolstoelen; kinderrolstoelen; stoelen op wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.1Handbewogen rolstoelen Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor degene die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.2Elektrische rolstoelen Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen: elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen; elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking komen als vervoersvoorziening en kan een korting van 30% gelden op de financiële tegemoetkoming voor vervoer; rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.3Kinderrolstoelen Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal voorzieningen wordt in principe standaard aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw. In voorkomende gevallen neemt de gemeente contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.4Stoelen op wielen Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zvw. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.5Aanpassingen aan rolstoelen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderscheid in aanpassingen is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zit-, rug- en ondersteuningsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijgedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bediening en/of besturing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.6Rolstoelaccessoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de verstrekking Bij een maatwerkvoorziening in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Cliënten zijn geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12.7Kosten rolstoeltraining Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn. Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13Schade aan hulpmiddelen Bij schade aan een hulpmiddel door nalatigheid of onzorgvuldig gebruik, kunnen de kosten voor rekening komen van de gebruiker of diens wettelijk vertegenwoordiger komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer Artikel 3.6.4 van de Verordening 11.1Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. Onder lokaal wordt volgens de Verordening 15 tot 20 kilometer rondom de woning verstaan. Afwijken hiervan kan alleen als de cliënt bepaalde basisvoorzieningen niet kan bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld winkels voor het doen van boodschappen, een zwembad en het ziekenhuis. Ook moet het lokale vervoer aansluiten op Valys. In de praktijk kunnen cliënten basisvoorzieningen en Valys bereiken. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het zich lokaal verplaatsen over de korte en de langere afstand. Voor de langere afstand (middellange afstand) hanteert het college in principe het vrijwilligersvervoer door de welzijnsorganisatie als algemene voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2Beoordelingskader vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een te verstrekken vervoersvoorziening is afhankelijk van de vervoersbehoefte en andere geschikte en beschikbare oplossingen. Denk in dat kader bijvoorbeeld aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp, Mantelzorg of hulp van de andere personen uit het sociale netwerk, Vrijwilligersvervoer Beoordeling Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve) vervoersvoorziening worden de volgende zaken meegenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel); in staat gebruik te maken van een eventuele scootmobielpool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie en begeleiding van de reis: kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming De vervoersbehoefte van de cliënt wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; het verplaatsingsmotief (waarom); en de verplaatsingsbestemming (waarheen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals gezegd is de ondersteuningsplicht van het college voor deelname aan het maatschappelijk verkeer gericht op het zich lokaal verplaatsen zodat de cliënt: winkels kan bereiken, sociale contacten kan onderhouden, en deel kan nemen aan maatschappelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder maatschappelijke activiteiten vallen bijvoorbeeld: het bezoeken van clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het verstrekken van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4Bovenlokaal vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op het zich lokaal kunnen verplaatsen (CRVB:2018:1972, CRVB:2018:1961). Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de lokale verplaatsingen. Het lokale vervoer moet wel aansluiten op het gebruik kunnen maken van Valys.</p>\n<p class=\"lf-p\">Valys Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5Vrijwilligersvervoer als algemene voorziening Inwoners die niet over eigen vervoersmogelijkheden beschikken, kunnen een beroep doen op het vrijwillig vervoer via bemiddeling van Caritas. Caritas heeft vrijwilligers die tegen een ritprijs van ongeveer €1,25 enkele reis, inwoners binnen Urk vervoeren met hun eigen auto. Dit vrijwilligersvervoer organiseren we als algemene voorziening. Er zijn ook leden van kerken die bereid zijn om mensen nu en dan ergens naar toe te brengen. Zo kunnen inwoner erop uit met zo gewoon mogelijk vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat vrijwilligersvervoer via bemiddeling van Caritas als algemene voorziening geschikt is voor de verplaatsingen binnen de gemeentegrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of gebruik van dit vraagafhankelijke vervoer voor deelname aan het maatschappelijk verkeer kan worden aangemerkt als passende bijdrage in het individuele geval, is afhankelijk van de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen op de middellange afstand. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen. Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het vrijwillig vervoer niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een voorziening die voldoende ondersteuning biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van vrijwilligersvervoer kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat het collectief vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van het vrijwilligersvervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en geen bezit van eigen (aangepaste) auto Het zal het in de praktijk zelden voorkomen dat een cliënt geen gebruik kan maken van het OV en het vrijwilligersvervoer en daarom is aangewezen op eigen gesloten buitenvervoer. Het college is bevoegd om de vervoersvoorziening afhankelijk te stellen van de vervoersbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reisbijdrage OV Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6Beleidsuitgangspunten Het college hanteert verder de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets, brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Bij de beoordeling wordt ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of een gedragsstoornis van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere wettelijke aanspraak Artikel 2.3.2 en 5.1 van de Verordening Volgens dit artikel is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Het college mag van de cliënt verwachten dat bij de zorgverzekeraar wordt verzocht om een schriftelijk gemotiveerde afwijzing van een aanspraak op ziekenvervoer. Daaronder wordt ook een vergoeding van de reiskosten verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medisch vervoer Is vastgesteld dat er geen aanspraak bestaat op ziekenvervoer op grond van de Zvw, dan is een bezoek aan het ziekenhuis, huisarts of ander 'medisch vervoer' onderdeel van een lokale vervoersbehoefte (CRVB:2010:BL4037) Het feit dat de cliënt met de Regiotaxi - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is namelijk gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35, derde lid, WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7Omvang lokale vervoersbehoefte Uit de vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat een bepaalde vervoersvoorziening zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een totale vervoersbehoefte waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken. Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een: scootmobiel, fietsvoorziening, of autoaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.1Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 in beginsel niet relevant (CRVB:2020:2644). Het is echter wel zo dat het college bij de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie rekening moet houden met: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt (art. 2.3.2, eerste lid onder a, van de wet). De maatwerkvoorziening moet immers zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de aanvrager (art. 2.3.5, derde lid, van de wet). Daaronder valt bijvoorbeeld de wens voor een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) in plaats van een scootmobiel in het geval de beperkingen van de cliënt zijn afgenomen. Eenvoudig gezegd: een scootmobiel zou tot overcompensatie kunnen leiden en daarmee geen passende bijdrage vormen (RBLIM:2021:1824). Een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) kan primair gericht zijn op het oplossen van de beperkingen in de mobiliteit en secundair op het verbeteren van conditie (gezondheid). Opgemerkt wordt dat het oplossen van het mobiliteitsprobleem voor woon-werkverkeer buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.2Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld een scootmobielpool geen passende oplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel, er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, het vrijwilligersvervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest), er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten scootmobieltraining Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel. De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen dan ook onder de Zvw. Het college vergoedt daarnaast maximaal vijf gewenningslessen, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen door de cliënt, zoals een scootmobiel moet op een adequate wijze gebeuren. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan in dit kader als adequaat worden beschouwd. Ook het afdekken van de scootmobiel met een hoes, als de cliënt, zijn huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn, kan een adequate oplossing zijn, mits er een oplaadmogelijkheid voor handen is. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Een adequate stallingruimte wil zeggen dat de scootmobiel droog staat in een afgesloten ruimte. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. In de stallingsruimte kan ook een oplaadpunt nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.3Fietsvoorzieningen Het college zal tijdens het onderzoek beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een elektrische fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt een elektrische fiets bij aan het opheffen of verminderen daarvan? In dat het geval, dan beoordeelt het college of een elektrische fiets voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan heeft het verstrekken daarvan een therapeutisch karakter en valt in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2013:BZ1741).</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tandem Tot op heden volgt uit de jurisprudentie dat de tandem aan te merken is als een algemeen gebruikelijke voorziening. Als een inwoner echter kan aantonen een tandem nodig te hebben om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, vergoedt het College in afwijking van de jurisprudentie de tandem voor het bedrag dat uitkomt boven de kosten van een individuele standaardfiets met als uitgangspunt een bedrag van € 850,00. Het meerdere boven € 850,00 vergoedt het College, waarbij het College in ieder geval de volgende criteria hanteert: niet-elektrisch maximaal drie versnellingen 11.8.4Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto en voor wie het vrijwilligers vervoer geen oplossing biedt. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk Sommige autoaanpassingen kunnen een algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Zie 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is het vrijwilligersvervoer geen passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste vijf jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. Het college kan hiervan afwijken als de aanpassing, zonder al te hoge kosten, in een volgende auto kan worden overgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldigheidsduur van het rijbewijs wordt ook in ogenschouw genomen. Dit in verband met een eventuele keuring ter beoordeling van de rijgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanschaf van een personen- òf rolstoeltoegankelijke auto is de afschrijvingstermijn van de aangebrachte aanpassingen bepaald op 10 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inwoner besluit om binnen een termijn van 10 jaar over te gaan tot de aanschaf van een andere personen- òf rolstoeltoegankelijke auto zal de restwaarde van eerdere aanpassingen in mindering worden gebracht op het te vergoeden bedrag van de nieuwe aanpassingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanschaf van een personen- òf rolstoeltoegankelijke auto (occassion) kan ten hoogste de restwaarde van de reeds aangebrachte aanpassingen voor vergoeding in aanmerking worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanpassen van een rolstoelbus/auto valt de denken aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassen van de vloer Bekleden zijwanden Hemelbekleding Oprijplaten/platform Rolstoelvergrendeling/vastzetsysteem RDW-keuring Bijzonderheden De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Dit op basis van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de cliënt aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan vijf jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">BPM teruggave Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9Een gehandicaptenvoertuig Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter, niet langer dan 3,50 meter en niet hoger dan 2,00 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt en geen bromfiets is (art. 1 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijbanen gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9.1Voorwaarden verstrekken gehandicaptenvoertuig Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen omdat collectief vervoer al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9.2Brommobiel Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en geen gehandicaptenvoertuig is. De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen (in relatie tot het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving). Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de eerder benoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11Een sportvoorziening Sportbeoefening is participatie in de zin van de wet als de cliënt daar in redelijke mate aan deelneemt (CRVB:2018:3348). Onder in redelijke mate deelnemen worden in ieder geval situaties verstaan waarin de cliënt al geruime tijd een sport beoefent en dat niet meer zonder maatwerkvoorziening kan doen vanwege het optreden van beperkingen. Het beoefenen van een sport is in zo’n geval een persoonskenmerk. Het verstrekken van een sportvoorziening kan in redelijke verhouding staan tot situatie voorafgaand aan ondersteuningsbehoefte. Het college kan bijvoorbeeld een sportrolstoel verstrekken inclusief de daarmee gepaard gaande kosten van onderhoud, gebruik, verzekering en reparatie en eventuele noodzakelijke aanpassingen en accessoires.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.1Kenmerk sportrolstoel Deze rolstoelen kenmerken zich door scheefstand van de grote wielen en zijn vaak uitgerust met een doorlopende voetenplank in plaats van twee aparte voetensteunen. Een sportrolstoel is gericht op snelheid en wendbaarheid en stelt minder hoge eisen aan zitcomfort dan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. In principe zijn sportrolstoelen niet bruikbaar in de gewone leefsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.2Voorwaarden om voor de sportvoorziening in aanmerking te komen Tijdens het onderzoek wordt besproken of de cliënt serieus overweegt te blijven sporten maar ook of hij/zij is aangewezen op een sportvoorziening. Gaat het om een cliënt die overweegt om te gaan sporten dan wordt gekeken naar de bijdrage van sporten aan de maatschappelijke participatie en of andere oplossingen met hetzelfde doel niet mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.3Aard van de verstrekking Het zal niet in alle gevallen zo zijn dat sportvoorzieningen beschikbaar zijn bij een door het college gecontracteerde aanbieder (natura in bruikleen). Is dat niet het geval, dan ligt verstrekking in de vorm van een pgb meer voor de hand. De hoogte van het pgb wordt afgestemd op de goedkoopst compenserende bijdrage, dit gebaseerd op het natura aanbod of een offerte. Bij aanpassingen en accessoires gaat het uiteraard alleen om noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Financiële tegemoetkoming Artikel 3.6.4, 5.1, 5.2.1 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugd Urk 2022 12.1Inleiding Uit de uitspraken van de CRvB blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gemeente Urk beperkt zich dat tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel (rolstoel)taxi vervoer Ook de kosten van individueel (rolstoel)taxi vervoer kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2Verhuiskosten en/of inrichtingskosten De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Besluit). Binnen een medisch gezien aanvaardbare termijn, maar uiterlijk binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuiskosten en/of inrichtingskosten is toegekend dient de cliënt verhuisd te zijn naar een adequate woning. De cliënt stuurt een gereedmeldingsformulier naar het college om aan te tonen dat men verhuisd is naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig het advies. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuizing naar een Wlz Instelling Eerste verhuizing algemeen gebruikelijk De tegemoetkoming in de verhuiskosten en/of inrichtingskosten is niet bestemd voor inwonende personen die niet de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning zijn. Denk bijvoorbeeld aan inwonende kinderen. In het algemeen is het zo dat iedereen, ongeacht het hebben van beperkingen, geconfronteerd wordt met de kosten van een eerste verhuizing. Het gaat daarom om algemeen gebruikelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3Kosten overig Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening. Hierover is een uitspraak gedaan, dit wordt niet vergoed (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4Geen dubbele vergoeding Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat het college dubbele tegemoetkomingen verstrekt. Daar kan geen limitatief aantal van worden gegeven. Twee voorbeelden. Een verhuiskostenvergoeding van de verhuurder op grond van artikel 220 en 275 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie en de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Dat wil zeggen dat geen tegemoetkoming wordt verstrekt of dat het college de hoogte van de tegemoetkoming afstemt. Dat laatste gelet op het aanvullende karakter van de wet. Het zal in de praktijk niet vaak voorkomen dat er verschillende aanspraken (kunnen) zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Persoonsgebonden budget</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 van de Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugd Urk 2022 13.1Inleiding Een pgb is een bedrag waarmee de budgethouder de geïndiceerde maatwerkvoorziening kan inkopen als wordt voldaan aan de voorwaarden. Het college moet de cliënt tijdens het onderzoek informeren over welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het pgb wordt door de Sociale verzekeringsbank (Svb) betaald aan een derde met wie de budgethouder een overeenkomst heeft afgesloten. Betaling van het pgb aan derden geldt ook voor eenmalige pgb’s die het college namens de Svb in mandaat verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen (art. 2.3.6, tweede en derde lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële tegemoetkoming voor bijvoorbeeld verhuis- en inrichtingskosten is geen pgb. Hiervoor gelden immers geen kwaliteits- en verantwoordingseisen en de tegemoetkoming wordt ook niet aan een derde maar aan de cliënt zelf uitbetaald (al dan niet op declaratiebasis).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2Spoedeisende situatie: geen pgb Een pgb is niet mogelijk als het college, na de ondersteuningsvraag, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekt vanwege een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd. Zie verder 2.2 Spoedeisende gevallen in deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3Beoordelen voorwaarden recht op pgb Heeft het college vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening (natura), dan kan de cliënt verzoeken om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat het college daar een besluit over moet nemen. In deze beleidsregels worden verschillende criteria genoemd die het college hanteert bij de beoordeling. Daarmee is geen limitatief overzicht bedoeld, er kunnen ook andere criteria of voorbeelden aan de orde zijn. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb-vaardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivatie-eis wens pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoen aan kwaliteits-eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besteding pgb is geschikt voor het doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4Verplichting Budgetplan diensten Artikel 6.3.1 van de Verordening Als verplichting geldt om een Budgetplan in te dienen. Doet de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger dat niet, dan weigert het college het pgb conform de bepaling in de Verordening. Zie Hoofdstuk 15 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5Pgb-vaardigheid De budgethouder moet pgb-vaardig zijn. Dat wil zeggen dat de budgethouder in staat moet zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren (CRVB:2021:2575). Bij deze taken wordt in ieder geval gedacht aan het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de ondersteuner op zijn verplichtingen (TK 2013/2014, 33 841, nr. 3, p. 38). Het college moet vaststellen of: de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.1Hulp bij pgb-vaardigheid De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder, curator of mentor). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewindvoerder Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940). Het spreekt voor zich dat het college niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar het college zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de ondersteuner en het evalueren van de geboden ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie kan gemachtigd worden Voorbeelden van personen die de budgethouder kan machtigen zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, de ouder, kind, broer of zus (art. 1.1.1, tweede lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volmacht vereist Zonder volmacht kunnen de hiervoor genoemde personen niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Dat moet het college onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelwijze vertegenwoordiger Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de herziening of intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgb-vaardigheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder. Het college zal de cliënt in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belang van de cliënt centraal De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb. Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan weigert het college het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.2Conflicterende belangen Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Immers kan niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803). Het kan gaan om een derde aan wie het pgb wordt besteed maar ook om een vertegenwoordiger die een aan die derde gelieerde persoon is. Daaronder wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.3Persoon sociaal netwerk is de derde Conflicterende belangen zijn ook aan de orde als het een persoon uit het sociaal netwerk betreft. Slechts in zeer hoge uitzondering wordt een pgb toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Denk aan de situatie waarin de ondersteuning alleen kan worden geboden door die persoon en voldoende aannemelijk is dat primair het belang van de cliënt voldoende is gewaarborgd. Dat kan ook blijken uit de motivatie van de budgethouder waarom hij kiest om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te willen schakelen. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.4Vaststellen pgb-vaardigheid Het college moet vaststellen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weet welke regels er horen bij een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig kan handelen en zelf voor ondersteuners kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6Motivatie-eis wens pgb De cliënt moet om een pgb verzoeken en daarbij aangeven waarom dat passende ondersteuning is. Er gelden geen specifieke voorwaarden aan de motivatie. De cliënt zal wel moeten aangeven waarom in zijn situatie het pgb een geschikte oplossing is. Dat zal bij diensten ook blijken uit het Budgetplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7Kwaliteit De met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. Deze eisen gelden voor voorzieningen in natura (art. 3.1, eerste lid, van de wet). De Verordening bepaalt dat de eisen voor het gecontracteerde aanbod ook gelden als de ondersteuning voor diensten wordt ingekocht met een pgb. Echter niet alle eisen zijn ook van toepassing op de derde. Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zijn daarvan uitgezonderd. Daarnaast gelden geen opleidingseisen voor personen uit het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7.1Kwaliteit en veiligheid Een met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet vanzelfsprekend veilig zijn. De veiligheid is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit. Voor diensten kan dat gekoppeld zijn aan het opleidingsniveau van de professionele ondersteuner maar ook aan het beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op de bestedingsvrijheid. Als een traplift in natura door het college niet als veilige maatwerkvoorziening in natura wordt aangemerkt, dan mag de budgethouder met een pgb vanzelfsprekend geen traplift aanschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding calamiteiten of geweld (algemeen) De derde is in voorkomende gevallen verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van: iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden, geweld bij het bieden van de ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen voor derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie, die als ZZP-er werkzaam zijn én voor personen uit het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omzetten in natura Een melding van ernstig schadelijke gevolgen voor de cliënt zal voor het college aanleiding (kunnen) zijn om het recht op pgb in te trekken en daarvoor in de plaats een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Ook kan het college de budgethouder (cliënt) natuurlijk in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de geldende vereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldcode bij diensten (algemeen) De derde moet aan het college stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daaruit moet blijken dat na zo’n melding zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De melding van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt gedaan bij Veilig Thuis Flevoland. De meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen voor derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie, die als ZZP-er werkzaam zijn als ook voor personen uit het sociaal netwerk. Daarbij wordt opgemerkt dat persoon uit het sociaal netwerk als derde ook slachtoffer van huiselijk geweld kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een budgethouder met specifieke problematiek die het pgb aan zijn ouder(s) besteedt (CRVB:2019:1815).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7.2Kwaliteit en doeltreffend en doelmatig Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel/resultaat wordt bereikt’. Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat doel/resultaat te bereiken. Het college kan daar onderzoek naar doen gedurende de budgetperiode maar in ieder geval bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Professionele distantie</p></div>", "next": 239352}