{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het tarief voor geïndiceerde hulpmiddelen is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking is opgenomen welk doel bereikt moet worden met het hulpmiddel en het daarvoor vereiste programma van eisen is toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente huurt of koopt de hulpmiddelen van de hulpmiddelenleverancier. Het door de klantmanager opgestelde programma van eisen, toegespitst op de persoonlijke kenmerken en beperkingen is daarbij leidend. De klantmanager vraagt bij de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier een offerte op basis van het programma van eisen op. De gemeente betaalt bij huur een maandelijks bedrag zolang de voorziening gebruikt wordt en bij koop de kostprijs van het hulpmiddel. Dit kan dus ook een hulpmiddel uit het depot voor her verstrekking zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt de kostprijs van een hulpmiddel die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd. In de kostprijs wordt rekening gehouden met eventueel door de gemeente te ontvangen korting en wordt ook rekening gehouden met onderhoud en verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt moet met dit geldbedrag de voorziening beheren, onderhouden en verzekeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling en verantwoording woningaanpassingen en hulpmiddelen in pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De SVB heeft de gemeente gemandateerd om de betaling en budgetbeheer uit te voeren voor die maatwerkvoorzieningen waarbij een eenmalige uitbetaling en controle aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is aan de orde wanneer het gaat om een pgb voor een woningaanpassing of een hulpmiddel dat eenmalig verstrekt wordt op grond van de afgegeven beschikking voor een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente wil voorkomen dat het pgb anders besteed wordt dan bedoeld en daarvoor zijn de onderstaande regels en procedures vastgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat het pgb geheel of gedeeltelijk teruggevorderd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij opzet in het niet naleven van deze regels kan de gemeente de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij gelden de volgende regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger moet de besteding van het pgb verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de kosten van de voorziening het pgb overschrijden, dan zijn deze meerkosten voor rekening van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien fabrieksaanpassingen, accessoires of individueel te vervaardigen aanpassingen nodig zijn, dan wordt het pgb verhoogd met de prijs die de gemeente Barendrecht voor deze aanpassingen zou betalen als deze voorziening in natura zou zijn toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de cliënt gekozen leverancier moet bereid zijn om het hulpmiddel of lift gedurende zeven jaar te onderhouden, te repareren en te verzekeren. In de offerte van de leverancier moet dit ook tot uitdrukking komen. Bij het bepalen van het pgb bedrag worden immers de offertes opgevraagd inclusief deze kosten. Hiervoor moet tussen de cliënt en de leverancier een contract worden afgesloten. Het contract wordt bij aanschaf van de voorziening afgesloten voor zeven jaar. Het onderhoudscontract voor een voorziening omvat de volgende kosten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reparaties inclusief onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorrijdkosten en arbeidsloon.</p>\n<p class=\"lf-p\">24-uurservice.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardige leenvoorziening indien de voorziening niet binnen een redelijke termijn gerepareerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks onderhoud met keuring (alleen bij trapliften en tilliften).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening heeft een technische afschrijving. Bij gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure: cliënt betaalt eerst zelf Na aanschaf van de voorziening moet de cliënt de nota en het betalingsbewijs overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de nota en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de aangeschafte voorziening conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het pgb niet uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij akkoord van de nota en het betalingsbewijs wordt het pgb rechtstreeks naar de bankrekening van de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure: gemeente betaalt leverancier of aannemer als de cliënt het bedrag niet kan voorschieten De cliënt moet de offerte van de aan te schaffen voorziening overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de offerte en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de geoffreerde voorziening conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het pgb niet uitbetaald. Zo nodig moet de cliënt een nieuwe offerte opvragen die wel aan de vereisten voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na levering van de voorziening of gereedmelding van de woningaanpassing moet de cliënt de nota overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij akkoord van de nota wordt het pgb rechtstreeks naar de bankrekening van de leverancier of aannemer overgemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Eigen bijdrage De Verordening Wmo 2015 en het Besluit Wmo 2015 regelen voor welke voorzieningen een eigen bijdrage betaald moet worden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage van cliënt aan algemene voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Personen met een ondersteuningsvraag die geholpen zijn met een algemene voorziening komen niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Zij betalen de voorziening zelf. Het mag niet zo zijn dat een laag inkomen betekent dat de algemene voorziening niet toegankelijk is, omdat men deze voorziening niet kan betalen. Inwoners die als gevolg van een beperking adequaat geholpen zijn met de algemene voorziening maar aannemelijk kunnen maken dat zij de kosten van deze ondersteuning financieel niet kunnen dragen, komen in aanmerking voor financieel maatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm om vast te stellen of de cliënt een algemene voorziening kan betalen is bepaald op 130% van de bijstandsnorm. Dit wordt getoetst door de klantmanager Inkomen. Cliënten met een inkomen boven 130% van de bijstandsnorm zijn de volledige kostprijs verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor: onafhankelijke cliëntondersteuning de entree tot een inloopvoorziening dan wel dagbesteding dan wel voorziening op wijkniveau met laag intensieve ondersteuning. Het kan wel zijn dat voor koffie, thee en materiaalkosten een bijdrage gevraagd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financieel maatwerk Cliënten met een inkomen tot en met 130% van de bijstandsnorm komen in aanmerking voor financieel maatwerk. Zij kunnen via de bijzondere bijstand een aanvraag doen voor een persoonsvolgend budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten met bij een inkomen boven 130% van de bijstandsnorm, betalen de kostprijs van de schoonmaakvoorziening per uur. Door het Rijk zijn gelden beschikbaar gesteld die het voor deze cliënten mogelijk maakt de algemene voorziening hulp bij het huishouden met korting af te nemen tot 1 januari 2017. Deze korting kan alleen verkregen worden wanneer de cliënt gebruik maakt van de, binnen de Wmo georganiseerde algemene voorziening via het onafhankelijk platform BAR-dichtbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten met bij een inkomen boven 130% van de bijstandsnorm, betalen de kostprijs van de algemene verhuisservice, die wordt uitgevoerd via het onafhankelijk platform BAR-dichtbij. Deze bijdrage wordt geïnd door BAR-dichtbij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eigen bijdrage van de cliënt aan maatwerkvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 3 van het landelijk Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 is de uitvoering en systematiek vastgelegd van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorzieningen. In hoofdstuk 2 van het Besluit Wmo 2015 van de gemeente Barendrecht is dit nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij maatwerkvoorzieningen, zowel in natura als in pgb is een eigen bijdrage verschuldigd. Dit is een wijziging ten opzichte van de voorgaande Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering hierop vormen de maatwerkvoorzieningen in de vorm van een Regiotaxipas, een rolstoelvoorziening en het pgb in de vorm van een kilometervergoeding, zoals vastgesteld in het Besluit voor individueel taxi- en rolstoelvervoer. Voor maatwerkvoorzieningen voor kinderen jonger dan 18 jaar mag alleen een eigen bijdrage worden geheven voor woningaanpassingen.De eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening, zowel in natura als pgb wordt berekend, vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo beschikking wordt opgenomen dat er een eigen bijdrage verschuldigd is en wordt verder verwezen naar de taak van het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen bijdrage is verschuldigd zolang de voorziening gebruikt wordt en technisch niet is afgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de cliënt een maatwerkvoorziening in pgb verstrekt heeft gekregen is het noodzakelijk een termijn in te voeren hoe lang de cliënt de eigen bijdrage moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijn is voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort voorziening Aantal jaren Vervoersvoorzieningen 7 Roerende woonhulpmiddelen 7 Woningaanpassing, niet zijnde een aanbouw 10 Woningaanpassing in de vorm van een aanbouw 15 Bij een laag bedrag is het reëel om het aantal perioden naar beneden bij te stellen, omdat de cliënt anders jarenlang iedere 4 weken een factuur met een kruimelbedrag van bijvoorbeeld € 2,- krijgt, als hij/zij geen andere Wmo voorziening heeft:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot € 100,- 1 Van € 100,- tot € 200,- 2 Van € 200,- tot € 750,- 3 De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn of haar partner, leeftijd en gezinssamenstelling. De hoogte van de eigen bijdrage bedraagt niet meer dan de kostprijs van de voorziening. Voor het bepalen van de eigen bijdrage is het verzamelinkomen van belang uit het peiljaar, dat twee jaar voor het lopende jaar ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudens met een laag inkomen (het sociaal minimum) betalen voor de Wmo maatwerkvoorzieningen een minimale eigen bijdrage, ongeacht het aantal voorzieningen en de kosten van de voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudens met een inkomen onder 130% van het bijstandsniveau kunnen hun eigen bijdrage vergoed krijgen uit de collectieve ziektekostenverzekering (CZM) die de gemeente voor hen heeft afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de cliënt en de echtgenoot allebei een eigen bijdrage moeten betalen, bijvoorbeeld de één voor de Wlz en de ander voor de Wmo, wordt dit door het CAK tezamen beoordeeld, zodat de thuiswonende persoon niet onder het bestaansminimum komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 2 Toelichting en nadere uitwerking van diensten, woningaanpassingen, hulpmiddelen en andere maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Hulp bij het huishouden (HH)Inwoners van Barendrecht kunnen via de gemeente ondersteuning bij het huishouden aanvragen. Als er een ondersteuningsvraag bij het huishouden binnenkomt bij de gemeente, worden eerst voorliggende oplossingen geïnventariseerd. Deze oplossingen kunnen in de eigen mogelijkheden liggen, gebruikelijke hulp, in het sociale netwerk, in voorliggende, gebruikelijke en algemene voorzieningen, maar ook in behandeling uit de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Als deze oplossingen adequaat en beschikbaar zijn is er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening HH.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikelijke hulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang de mogelijkheden van gebruikelijke hulp goed te onderzoeken. Gebruikelijke hulp is de algemeen aanvaarde hulp die in redelijkheid verwacht mag worden van partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten . Voor een ondersteuningsvraag bij het huishouden betekent dit dat, als de hulpvrager huisgenoten heeft in staat worden geacht het huishoudelijke werk over te kunnen nemen, zij verondersteld worden dit ook te doen, eventueel door een herverdeling van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat iedere volwassene een huishouden kan voeren, ook mensen met een volledige baan of opleiding. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd en de Centrale Raad van Beroep heeft sinds de wijziging in de Wmo in 2010 bepaald dat hierbij uitgegaan mag worden van een meerderjarige.Gebruikelijke hulp gaat vóór andere activiteiten van huisgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente gaat na of de huisgenoot (huisgenoten) ook in staat zijn om gebruikelijke hulp te bieden en of er sprake is van (dreigende) overbelasting van deze persoon (personen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt om aan te geven of er sprake is van (dreigende) overbelasting van degene die geacht wordt de gebruikelijke hulp te verlenen. Wanneer er geen sprake is van gebruikelijke hulp, dient te worden bekeken of en in hoeverre het sociale netwerk dan wel algemene en voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Bepaald moet worden op welke resultaatgebieden aanvullende ondersteuning nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Mantelzorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Mantelzorg is die zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een persoon met beperkingen. Mantelzorg wordt gegeven door personen uit de directe omgeving van de cliënt waarbij de zorg of hulpverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie. Bij mantelzorg wordt de normale, gebruikelijke hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg is gratis, vrijwillig en niet afdwingbaar. Dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat is deze zorg te leveren. De aanwezigheid van een mantelzorger wordt wel meegewogen bij het indicatiebesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitie mantelzorg Meer dan 8 uur per week ondersteuning aan de persoon met beperkingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor minimaal drie maanden aaneengesloten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning wordt gratis geboden op basis van de sociale relatie tussen mantelzorger en de persoon met beperkingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder deze ondersteuning zou de persoon met beperkingen een (groter) beroep moeten doen op professionele ondersteuning Op het moment dat de mantelzorger de zorg verleent in het kader van een pgb dat verstrekt is op grond van de Wlz is hij/zij geen mantelzorger meer. Hij/zij verricht de zorgtaken dan immers betaald. De respijtzorg moet dan uit dit pgb betaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om aan te geven welke voorzieningen mogelijk zijn in het kader van de Wmo en (dreigende) overbelasting van de mantelzorger te onderzoeken en zo mogelijk te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorliggende voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de indicatiestelling gaat de gemeente uit van de beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, gastouderopvang, buitenschoolse opvang); oppascentrale; alarmering; financieel-administratieve ondersteuning; vrijwilligershulp; maaltijddienst; honden uitlaatservice; klussenteam; boodschappendienst; technische hulpmiddelen, algemeen gebruikelijke huishoudelijke apparatuur; de mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor ergonomische consultatie bij het leren omgaan met hulpmiddelen/het reorganiseren van het huishouden. specifieke hulpmiddelen worden verstrekt vanuit de regeling hulpmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet wel steeds nagegaan worden of de persoon met beperkingen ook concreet gebruik kan maken van deze voorzieningen. Is dat niet het geval, dan is er ook geen sprake van een voorliggende voorziening. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Wel dient rekening gehouden te worden met de vraag of de persoon met beperkingen deze voorzieningen kan betalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene schoonmaakvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene schoonmaakvoorziening wordt georganiseerd en geborgd binnen een infrastructuur van allerlei zorg– en welzijnsdiensten. Deze diensten zijn gericht op het zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Het gaat om o.a. diensten die mensen ondersteunen omdat zij bepaalde activiteiten zelf niet goed meer kunnen uitvoeren of omdat men op zoek is naar gemak. Het gaat om huishoudelijk werk, klussen in en om het huis, tuinonderhoud, boodschappendienst, maaltijdvoorziening etc. Het diensten- en vrijwilligersaanbod van de lokale welzijnsorganisaties kan hier ook onderdeel van uitmaken. Het resultaat van de inzet van de diensten is dat het huishouden 'op orde 'is, het effect is dat mensen (langer) hun zelfredzaamheid kunnen behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze algemeen toegankelijke voorzieningen voor zorg- gemaks- en welzijnsdiensten staan open voor alle inwoners van de gemeente en wordt door mensen zelf betaald. Door het op deze manier te regelen worden relatief goedkope oplossingen voor een brede doelgroep bereikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor cliënten met een inkomen lager dan 130% van de bijstandsnorm is financieel maatwerk mogelijk via het minimabeleid (Bijzondere bijstand). De klantmanager Wmo bespreekt dit met de cliënt. De klantmanager Inkomen toetst of de cliënt aan de inkomensnorm voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze cliënten is bepaald dat de maximale vergoeding volstaat voor 2,5 uur huishoudelijke hulp en zo nodig de vergoeding voor de goedkoopste was- en strijkservice. De uitbetaling wordt rechtstreeks aan BAR-Dichtbij gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling adequate algemene voorziening of noodzaak maatwerkvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het gesprek na de melding moet duidelijk worden wat de ervaren problemen zijn in het voeren van het huishouden. Alle voorliggende oplossingen van eigen mogelijkheden, inzet sociale netwerk, vrijwilligers en gebruik van voorliggende gemaksdiensten worden besproken. Als blijkt dat er sprake is van problemen in het schoonmaken en/ of de wasverzorging moet beoordeeld worden of in deze situatie de algemene schoonmaakvoorziening adequaat is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene schoonmaakvoorziening is bedoeld voor de resultaten: wonen in een schoon en leefbaar huis; kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Chronisch zieken en gehandicapten Voor veel mensen met een verstandelijke, psychische of zintuigelijke handicap zal op inhoudelijke gronden geen algemene schoonmaakvoorziening maar de maatwerkvoorziening Persoonlijke Dienstverlening geïndiceerd worden. Hun problemen met regievermogen en/of niet kunnen zien zijn daarvoor leidend. Vooral de sociale redzaamheid is belangrijk. Bij sociale redzaamheid is de cliënt in staat tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijkse routine regelen en dagelijkse bezigheden Initiëren en uitvoeren eenvoudige en complexe taken Problemen oplossen en besluiten nemen Kunnen lezen, schrijven en rekenen Zelf geld beheren en zelf administratieve zaken afhandelen Zich redden in winkels en het openbaar vervoer Begrijpen wat anderen zeggen en zichzelf begrijpelijk maken Een gesprek voeren, communicatiehulpmiddelen gebruiken Voor personen met lichamelijke problemen ligt de problematiek meestal niet zozeer op het regievermogen, maar door het chronische karakter van hun ziekte of aandoening kan het geheel aan problemen groter zijn dan de som van alle delen. Oftewel, de problemen kunnen elkaar zodanig versterken dat op inhoudelijke gronden geconcludeerd kan worden dat 2,5 uur voor schoonmaken en/of een was- en strijkservice niet volstaat. Daarmee komt ook deze chronisch zieke cliënt in aanmerking voor maatwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-751\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Wel een algemene schoonmaakvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeeld moet worden of de cliënt met (tijdelijke) beperkingen in staat is zelf de regie te voeren over het huishouden en/ of er geen jonge kinderen tot het gezin behoren. In die situatie is de algemene voorziening adequaat als het gaat om het schoonmaken van de woning en /of de wasverzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan zich melden bij het onafhankelijke platform BAR-dichtbij, die de algemene schoonmaakvoorziening uitvoert. De cliënt betaalt zelf de kosten die aan de huishoudelijke hulp verbonden zijn, tenzij hij/zij deze kosten niet kan betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wel of niet zelf kunnen betalen moet door de klantmanager besproken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Client die de schoonmaakvoorziening wel kan betalen en gebruik wil maken van een tijdelijke kortingsregeling vanuit het Rijk De cliënt ontvangt bij het onderzoeksrapport een besluitbrief, waarin is opgenomen dat er geen reden is voor een aanvraagprocedure, omdat hun problemen in het huishouden opgelost kunnen worden met de algemene schoonmaakvoorziening via het onafhankelijke platform BAR-dichtbij. In deze brief is opgenomen dat er een tijdelijke financiële regeling is tot 1 jan 2017, die een korting op het tarief voor schoonmaakvoorziening mogelijk maakt. de korting kan ingezet worden voor een schoon huis en/of de was- en strijkservice; in 2015 en 2016 geeft de brief recht op een gereduceerd uurtarief van € 10,00 per afgenomen uur en/of dienst; de korting is gemaximeerd tot 130 uur dienstverlening/jaar; aan dit maximum per jaar kunnen geen rechten worden ontleend. de brief een geldigheid heeft tot 1 januari 2017 de toekenning is alleen mogelijk binnen het totale budget dat hiertoe door het rijk beschikbaar is gesteld. Wanneer dit budget overschreden wordt, gaat de toekenning in per het volgende kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure voor cliënt die de kosten niet kan betalen Het mag niet zo zijn dat een laag inkomen betekent dat de algemene voorziening niet toegankelijk is, omdat men deze voorziening niet kan betalen. Inwoners die als gevolg van een beperking adequaat geholpen zijn met de algemene voorziening maar aannemelijk kunnen maken dat zij de kosten van deze ondersteuning financieel niet kunnen dragen, komen in aanmerking voor financieel maatwerk. Zij kunnen krijgen via de Bijzondere bijstand een persoonsvolgend budget (pvb) aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taak klantmanager Wmo:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de cliënt die aangeeft de algemene voorziening niet te kunnen betalen geeft de klantmanager tijdens het huisbezoek een aanvraagformulier voor Bijzondere bijstand aan de cliënt. De cliënt kan dit formulier na invulling naar de gemeente sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderzoeksverslag vermeldt de klantmanager de uitkomst van een algemene schoonmaakvoorziening en het te behalen resultaat en het achterlaten van het aanvraagformulier bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klantmanager meldt de cliënt voorlopig aan bij het onafhankelijke platform BAR-dichtbij met de daarvoor bestemde brief. In deze brief wordt vermeld voor welk resultaat door de cliënt een persoonsvolgend budget kan worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klantmanager vult in het GWS systeem een document in: Verwijzing pvb ten behoeve van HH.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taak klantmanager Inkomen: toetsen van het inkomen; bericht naar het onafhankelijke platform BAR-dichtbij over de uitkomst van de toets: toekenning van een persoonsvolgend budget voor 1 jaar OF afwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taak BAR-dichtbij: bewaakt de (voorlopige) meldingen in een systeem dat separaat is van de maatwerkopdrachten vanuit de Wmo; bemiddelt voor de huishoudelijke hulp bij een toekenning van het persoonsvolgend budget; bewaakt de termijn van het persoonsvolgend budget en attendeert de cliënt op tijdig opnieuw aanmelden bij de Wmo; bespreekt bij een afwijzing voor het pvb met de cliënt de wensen t.a.v. de resultaten en hun mogelijke bemiddeling voor de huishoudelijke hulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-752\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorziening HH Persoonlijke Dienstverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorziening HH is aan de orde als een cliënt niet de regie over het dagelijkse leven kan voeren en/ of er jonge kinderen tot het gezin behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder jonge kinderen worden kinderen t/m 12 jaar verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regieproblemen en het structureren van het dagelijkse leven is aan de orde als er problemen zijn in de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij sociale redzaamheid is de cliënt in staat tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijkse routine regelen en dagelijkse bezigheden Initiëren en uitvoeren eenvoudige en complexe taken Problemen oplossen en besluiten nemen Kunnen lezen, schrijven en rekenen Zelf geld beheren en zelf administratieve zaken afhandelen Zich redden in winkels en het openbaar vervoer Begrijpen wat anderen zeggen en zichzelf begrijpelijk maken Een gesprek voeren, communicatiehulpmiddelen gebruiken Met name bij ouderen zien we vaak dat bijvoorbeeld de administratie wordt overgenomen door de familie of het netwerk. Als een cliënt op meerdere punten problemen heeft in de sociale redzaamheid is de algemene schoonmaakvoorziening meestal geen adequate oplossing voor het schoonmaakwerk en/of de wasverzorging. De klantmanager moet goed doorvragen of met name de regievoering wordt overgenomen door anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Resultaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten die behaalt moeten worden in het huishouden van de cliënt hangt af van de persoonskenmerken en persoonlijke omstandigheden. Bij ieder te behalen resultaat beoordeelt de klantmanager of een voorliggende oplossing voor het probleem adequaat en beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening HH kan afhankelijk van het maatwerk leiden tot de volgende resultaten:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.Een schoon en leefbaar huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het schoonhouden van de ruimten die onder de essentiële hygiëne vallen. Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een woonkamer, de aanwezige gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire ruimten. Ook een balkon of eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal meegenomen worden. Meer specifiek: die ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij om het droog, nat, schoon en stofvrij maken en houden van de woning. Het reinigen van de ramen aan de buitenkant valt niet onder de ondersteuningsplicht, omdat daarvoor een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat: de glazenwasser.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de omvang van een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Dit uitgangspunt is niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te stellen naar boven of naar beneden wanneer persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken (maatwerk). Denk bijvoorbeeld aan een cliënt die afhankelijk is van een binnen-buitenrolstoel en de woning daardoor meer vervuilt door het binnenrijden van vuil en blad. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met ernstige incontinentie waarbij incontinentiemateriaal niet volstaat en het toilet vaker gereinigd moet worden. Een cliënt kan met een (sterk) afwijkende vraag ten aanzien van het onderdeel omvang sociale woningbouw geen extra hulp afdwingen voor het meerdere boven het niveau sociale woningbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Een boodschappenservice die leidt tot het te bereiken resultaat is voorliggend op een maatwerkvoorziening HH. Ook hoeven de boodschappen niet perse door de cliënt zelf met hulp te worden gedaan. Het gaat er om dat de boodschappen in huis komen. Voor het in huis halen van de boodschappen is in de gemeente zowel een boodschappenservice van de reguliere handel als een vrijwilligersdienst beschikbaar. Als de cliënt of diens vertegenwoordiger kan aantonen dat deze oplossingen niet adequaat zijn kan het doen van de boodschappen een onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening HH, waarbij het uitgangspunt is: één maal in de week boodschappen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het bereiden van maaltijden kan onder dit resultaat vallen. De cliënt moet over de verschillende maaltijden door de dag heen kunnen beschikken. Daarbij dient rekening te worden gehouden met medische geïndiceerde diëten. Een maaltijdvoorziening (een kant- en klaar maaltijd valt hier ook onder) is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Om te bepalen of een maaltijdvoorziening adequaat is, zal ook gekeken moeten worden naar de gezinssamenstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Als er voorliggende voorzieningen zijn die tot het resultaat leiden, is er geen ruimte voor een maatwerkvoorziening HH. Hierbij wordt uiteraard gekeken of er wel sprake is van maatwerk. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden (Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken). Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Voor begeleiding bij het kopen van kleding kunnen vrijwilligers ingeschakeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Het gaat hierbij om de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren als een ouder met beperkingen dat zelf niet kan. Het zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen, bijvoorbeeld familie, sociale netwerk en alle vormen van opvang. Voor hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers bestaat er de ‘Home start B.A.R.”-voorziening. Voor- tussen- en naschoolse Voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de cliënt kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem, maken het verstrekken van een maatwerkvoorziening HH onnodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Revalideren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aandoening en de beperkingen in het huishouden naar de mening van de klantmanager onvoldoende duidelijk zijn moet beoordeeld worden of er nog behandelmogelijkheden zijn. Ook is van belang of de inzet van hulp bij het huishouden een anti revaliderend effect kan hebben. Hiervoor is een medisch advies nodig omdat een klantmanager geen medische gegevens mag opvragen en interpreteren. De medisch adviseur vraagt informatie van de behandelaar en beoordeelt een mogelijk anti revaliderend effect. Als het medisch advies luidt dat hulp bij het huishouden noodzakelijk is om deelname aan het behandeltraject mogelijk te maken kan in principe een tijdelijke indicatie met korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het revalidatietraject, afgegeven worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking Persoonlijke Dienstverlening in natura</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien persoonlijke dienstverlening voorziening nodig blijkt, wordt de cliënt aangemeld bij de intermediair BAR-Dichtbij. De cliënt en de intermediair/dienstverlener bepalen samen de benodigde activiteiten om het resultaat te bereiken en de wijze waarop deze activiteiten worden uitgevoerd. De zorgaanbieder/dienstverlener bepaalt de benodigde inzet, op basis van de eigen mogelijkheden van de burger (en zijn omgeving), en/of collectieve of technologische voorzieningen en/of inzet van de dienstverlener wordt de ondersteuning gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking Persoonlijke Dienstverlening in persoonsgebonden budget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij een pgb wordt de indicatie voor de hulp bij het huishouden op resultaat gesteld. De klantmanager bepaalt de benodigde inzet op basis van normtijden per resultaat. De in bijlage 3 aangegeven normtijden worden gehanteerd bij de vaststelling van de resultaatgerichte inzet. Deze normtijden zijn een afgeleide van de gemiddelde daadwerkelijk geleverde uren door zorgaanbieders in natura voor invoering van de resultaatgerichte indicering. Normering door de gemeente bij de vaststelling van een pgb is nodig om een uitgangspunt te hebben en lange discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten.De regels voor verstrekking maatwerkvoorziening HH in pgb zijn nader uitgeschreven in artikel 5 van deze Beleidsregels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheid indicatie maatwerkvoorziening persoonlijke dienstverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een indicatie voor persoonlijke dienstverlening wordt afgegeven voor maximaal vijf jaar. De periode is afhankelijk van de situatie van de persoon met beperkingen. Is de termijn verstreken en is er nog wel hulp nodig, dan kan opnieuw een ondersteuningsvraag worden ingediend. Dit is de verantwoordelijkheid van de cliënt of diens vertegenwoordiger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Respijtzorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De mantelzorg van de cliënt wordt meegenomen bij de indicatie van de hulp bij het huishouden. Mantelzorg is niet verplicht en als de mantelzorger aangeeft niet meer in staat te zijn om (tijdelijk) de hulp te verlenen wordt beoordeeld welke situatie van toepassing is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Respijtzorg en spoed is nader uitgewerkt in artikel 4.2, 4.3 en in het Besluit 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Het aanleren van de huishoudelijke activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerst wordt beoordeeld of er sprake is van gebruikelijke hulp of oplossingen in het sociale netwerk en of de algemene schoonmaakvoorziening een adequate oplossing biedt voor het probleem in het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ook de algemene schoonmaakvoorziening geen oplossing is, dan moet de klantmanager duidelijk krijgen of de cliënt of de huisgenoot de huishoudelijke taak kan aanleren. Eerst wordt gekeken of het aanleren van huishoudelijke taken door personen uit het netwerk of door vrijwilligers kan worden gedaan. Zijn deze personen niet bereid en beschikbaar dan is een periode van zes weken voldoende om de activiteiten aan te leren. Bij het aanleren van huishoudelijke taken kan gebruik gemaakt worden van beeldschermcommunicatie. Als dit geen adequate instructie biedt kan een indicatie voor Reguliere Individuele Begeleiding afgegeven worden voor maximaal drie keer 30 minuten per week. Behoort ook het aanleren niet meer tot de mogelijkheden, dan is een indicatie voor persoonlijke dienstverlening mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tijdelijke opname in een ziekenhuis of instelling Is de cliënt tijdelijk opgenomen, dan wordt de huishoudelijke hulp tijdelijk stopgezet zodra de cliënt is opgenomen. Ook bij tijdelijk verblijf buiten Barendrecht wordt de verstrekking tijdelijk stopgezet. De indicatie blijft wel van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Huishoudelijke hulp bij CARA/COPD Eerst wordt beoordeeld of de algemene schoonmaakvoorziening een adequate oplossing biedt voor het probleem in het huishouden. Als dit niet zo is dan is de eerste vraag bij CARA/COPD : is de woning gesaneerd? Dit is een voorwaarde voor indicatie. Is de woning nog niet gesaneerd, dan kan soms een kortdurende indicatie voor persoonlijke dienstverlening worden gegeven, totdat een structurele oplossing middels sanering is gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Huishoudelijke hulp bij korte levensverwachting Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Huishoudelijke hulp na overlijden van cliënt met achterblijvende partner Als de cliënt op wiens naam de indicatie voor hulp bij het huishouden is afgegeven en er is een achterblijvende partner, loopt de geldende indicatie nog maximaal zes weken door. Het zal dan gaan om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot gebruikelijke hulp en mede op basis daarvan de overleden cliënt hulp bij het huishouden heeft ontvangen. In die zes weken tijd kan de melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden om te beoordelen wat de ondersteuningsvraag van hem/ haar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Huishoudelijke hulp bij reorganisatie van een huishouding Bij een acute crisis kan kortdurende persoonlijke dienstverlening worden geïndiceerd. Dit is mogelijk als gebruikelijke hulp of het inschakelen van algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen een te grote belasting zijn. Bij een crisis kunnen we denken aan: acute praktische problemen, er moet nu iets gebeuren dreigende verwaarlozing van afhankelijke kinderen grote emotionele belasting, slechte prognose geen voorliggende of algemene voorzieningen feitelijk beschikbaar alternatieven zijn benoemd geprobeerd en niet beschikbaar Meestal is ondersteuning gedurende een periode van zes weken voldoende. Het ‘niet gewend zijn of niet willen’ is geen reden voor voortzetting van een indicatie of voor herindicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Huishoudelijke hulp in een gezin met een gehandicapt kind Bij een melding voor ondersteuning van de verzorgende ouder(s) van een gezin met een gehandicapt kind geldt, dat geïnventariseerd wordt wat tot de gebruikelijke hulp behoort en of de algemene schoonmaakvoorziening een oplossing kan bieden. Van belang is of op naam van het gehandicapte kind een Wlz indicatie is afgegeven of kan worden afgegeven, waarmee de ouders met gebruik van een Wlz persoonsgebonden budget hulp kunnen inkopen. Als het kind zou kunnen beschikken over een Wlz indicatie, vallen daar alle zorg en hulp(middelen) voor het kind onder. Dan is er geen noodzaak voor hulp bij het huishouden vanuit de Wmo. Bij overbelasting van de verzorgende ouder(s), als zij mantelzorg verlenen moet altijd worden besproken hoe de belasting teruggebracht kan worden en respijtzorg mogelijk een tijdelijke oplossing biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Huishoudelijke hulp in een Wlz woonvorm Alle huishoudelijke hulp voor personen die in een erkende Wlz instelling wonen, bijvoorbeeld verpleeghuis of instelling voor verstandelijk gehandicapten wordt gefinancierd vanuit de Wlz. Dit geldt ook als de cliënt niet in een erkende Wlz instelling, maar in een zogenoemd kleinschalige woonvorm woont. Deze kleinschalige woonvorm wordt gefinancierd met een pgb van de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Huishoudelijke hulp in een GGZ instelling Alle huishoudelijke hulp voor personen die in een erkende GGZ instelling behandeld worden, wordt gefinancierd vanuit de Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Huishoudelijke hulp in een Beschermd Wonen of maatschappelijke opvang De gemeente is verantwoordelijk voor Beschermd Wonen en Opvang voor personen met psychische problemen en/of gevaar voor veiligheid, die zich (tijdelijk) niet kunnen handhaven in de samenleving Centrumgemeente Rotterdam voert deze maatregelen uit voor de gemeente Barendrecht. Alle huishoudelijke hulp voor personen die tijdelijk in deze woonvorm of opvang wonen, wordt door het Rijk betaald aan de Centrumgemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Aanvullend Huishoudelijke hulp op basis van persoonlijke wensen Cliënten met een geldende indicatie voor de maatwerkvoorziening HH kunnen op basis van specifieke persoonlijke wensen, die buiten de reikwijdte van de ondersteuningsplicht vallen, gebruik maken van een tijdelijke kortingsregeling vanuit het Rijk.Het gaat hier om de mogelijkheid om tegen een gereduceerd tarief extra uren hulp voor het huishouden in te kopen in aanvulling op de afgesproken ondersteuning die de cliënt ontvangt in het kader van de maatwerkvoorziening HH.Cliënten die dat wensen kunnen zich met een geldende HH indicatie via het onafhankelijke platform BAR-dichtbij wenden tot een thuiszorgaanbieder van de algemene schoonmaakvoorziening Het gaat hier om een tijdelijke financiële regeling tot 1 jan 2016, die een korting op het tarief voor schoonmaakvoorziening mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De korting kan ingezet worden voor huishoudelijke diensten in en om het huis;</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de afgesproken ondersteuning kan tegen een gereduceerd tarief extra hulp worden ingekocht gericht op specifieke persoonlijke wensen. Het gaat hier om een gereduceerd tarief van € 6,50 per uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">De korting is gemaximeerd tot 52 uur dienstverlening per jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit maximum per jaar kunnen geen rechten worden ontleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gereduceerde tarief van € 6,50 voor klanten met een HH indicatie, heeft vooralsnog een geldigheid tot 1 januari 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekenning is alleen mogelijk binnen het totale budget dat hiertoe door het Rijk beschikbaar is gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Borging van de hulp bij het huishouden voor bestaande cliënten in 2015 en daarna</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 juli 2014 zijn alle huidige cliënten resultaatgericht geïndiceerd, zowel voor de schoonmaakvoorziening als de persoonlijke dienstverlening. De geldigheid van deze indicaties zijn in de beschikking over het algemeen afgegeven voor een periode van 1 tot 5 jaar. Cliënten met indicaties die afgegeven zijn vóór 1 januari 2015 houden hun rechten op basis van dit besluit gedurende de periode van geldigheid van de indicatie. Bij het verlopen van de huidige indicatie en/ of het aanvragen van een herindicatie geldt de Wmo 2015 en het gemeentelijk beleid van 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe regels zijn direct van toepassing voor nieuwe cliënten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Wlz indicatie en HH in 2015</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2015 is een overgangsjaar voor wat betreft de verstrekking van hulpmiddelen, rolstoelen, woningaanpassingen én huishoudelijke hulp aan thuiswonende cliënten met een Wlz indicatie. Dat betekent dat de gemeente in 2015 deze zaken nog moet blijven verstrekken, zoals dat tot nu toe zo was. Met betrekking tot de HH geldt, dat als de cliënt met een Wlz indicatie heeft gekozen voor een volledig pakket thuis of een PGB de vergoeding voor de HH daarin is meegenomen. De gemeente is in deze situaties niet verantwoordelijk voor de HH. Heeft de cliënt een modulair pakket thuis (MPT) (voorheen: omzetting indicatie in functies en klassen) dan zit de HH daar niet in. Dan kan de gemeente besluiten om de HH als maatwerkvoorziening of als algemene voorziening aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2016 is de verwachting dat cliënten met een Wlz indicatie al hun voorzieningen uit de Wlz krijgen. De indicaties voor Wlz en Wmo kunnen dan niet meer naast elkaar afgegeven worden. Het zijn elkaar uitsluitende indicaties, dus óf de cliënt heeft een Wlz indicatie óf de cliënt heeft een Wmo indicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Begeleiding (BG)Met ingang van 1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor de begeleiding van personen die extramuraal wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extramuraal betekent wonen in de eigen leefomgeving, al dan niet in gezinsverband. Dit kunnen ook de zogenoemde zorgmijders zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om begeleiding van personen die beperkingen hebben in de regievoering en het structureren van het dagelijkse leven en daardoor een tekort hebben in zelfredzaamheid en participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de doelgroep, die zich niet zelfstandig kan handhaven in de samenleving, hetzij door psychische en/of psychosociale problemen, hetzij door geweld en in verband met hun veiligheid. Zij maken gebruik van instellingen voor Beschermd Wonen, Maatschappelijke opvang en Vrouwenopvang. Deze begeleiding vindt plaats in de opvanginstellingen in de Centrumgemeente Rotterdam. (zie verder artikel 15) Intramuraal betekent wonen in een instelling die gefinancierd wordt onder de Wet langdurige zorg (Wlz) zoals een verpleeghuis of instelling voor verstandelijk- of lichamelijk gehandicapten. Het kan ook gaan om een instelling die gefinancierd wordt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw), zoals een psychiatrisch ziekenhuis of een revalidatiecentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliëntondersteuner of leden van het sociale wijkteam bekijken samen met de cliënt of de benodigde begeleiding binnen het eigen netwerk opgevangen kan worden. Als dat niet het geval is wordt bekeken of er binnen de gemeente inloop- dan wel welzijnsvoorzieningen zijn, die een adequate oplossing bieden. Als voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen er niet of in onvoldoende mate adequaat zijn wordt er een Wmo melding gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep voor Begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om cliënten met beperkingen op het terrein van: de sociale redzaamheid; het bewegen en verplaatsen; het psychisch functioneren; het geheugen en de oriëntatie, of; die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft cliënten waarbij het niet mogelijk is de beperkingen te genezen of te verbeteren, en het ook niet mogelijk is de cliënt zo met de gevolgen van die beperkingen om te leren gaan dat hij zelfstandig kan functioneren. Het gaat daarbij om het overnemen van verloren functionaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorzaak van de problematiek kan gelegen zijn in alle grondslagen, nl met een ziekte, lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, psychogeriatrische of psychiatrische of een multi-probleemsituatie Bij multi-probleem situaties is sprake van ontregeling op meerdere gebieden, namelijk ADL, huishouden, sociale contacten, opvoedingsondersteuning, financiën en/of dagbesteding. Bij multi-probleem situaties zien we combinatie van meerdere factoren zoals: problemen met inkomensbesteding en administratie; problemen met handelingen in het dagelijks leven, dagelijkse routine; opvoedingsproblemen; psychiatrische- , psychogeriatrische problemen of verstandelijke beperking; verslavingsproblematiek; (relatie) problemen binnen of buiten het gezin (bijvoorbeeld een echtscheiding of huiselijk geweld).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Mate van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De mate van beperkingen van de cliënt worden beoordeeld met behulp van de Zelfredzaamheid Matrix (ZRM). Dit hulpmiddel is ondersteunend om te kunnen beoordelen of de cliënt gezien zijn/ haar beperkingen een oplossing kan vinden in voorliggende en algemene voorzieningen of dat er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. We kennen onderscheid in lichte, matig en zware beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichte beperkingenhouden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden zijn voorliggende voorzieningen, zoals welzijnswerk, MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc. meestal adequaat om deze personen een steuntje in de rug te geven waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Matige beperkingenhouden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp.De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van BG kan leiden tot verwaarlozing/opname.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zware beperkingenhouden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dag structuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Problematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aspecten van sociale redzaamheid::</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijkse routine regelen en dagelijkse bezigheden Initiëren en uitvoeren eenvoudige en complexe taken Problemen oplossen en besluiten nemen Kunnen lezen, schrijven en rekenen Zelf geld beheren en zelf administratieve zaken afhandelen Zich redden in winkels en het openbaar vervoer Begrijpen wat anderen zeggen en zichzelf begrijpelijk maken Een gesprek voeren, communicatiehulpmiddelen gebruiken Aspecten psychisch functioneren concentratie; geheugen en denken; oriëntatie in persoon; oriëntatie in ruimte; oriëntatie in tijd; oriëntatie naar plaats. perceptie van omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspecten Probleemgedrag destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); dwangmatig gedrag; lichamelijk agressief gedrag; manipulatief gedrag; verbaal agressief gedrag; zelf verwondend of zelf beschadigend gedrag; grensoverschrijdend seksueel gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De objectivering van ernstige gedragsproblematiek vindt plaats op basis van informatie van ter zake deskundige behandelaars en/of begeleiders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en participatie en heeft ook tot doel opname in een instelling of verwaarlozing van de cliënt te voorkomen De activiteiten kunnen bestaan uit het: ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen; en/of ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, en/of overnemen van toezicht op de cliënt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-841\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteunen bij of oefenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding moet methodisch en doelmatig aan de cliënt geboden worden. In het geval van het oefenen van activiteiten die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen moet de cliënt dus gemotiveerd zijn om te oefenen en hij/ zij moet leerbaar zijn.Als de cliënt zelf niet aan deze voorwaarden kan voldoen, kan ook de mantelzorg in de directe omgeving en/of de gebruikelijke zorger van de cliënt aan die motiveringseis voldoen. Begeleiding kan ook tot doel hebben dat de mantelzorger of gebruikelijke zorger beter in staat is de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oefenen is aan de orde in de zin van ‘inslijten’ van vaardigheden/handelingen en gedrag al wel zijn aangeleerd maar nog niet geautomatiseerd zijn. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van beeldschermcommunicatie. Oefenen kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en ‘onderhoud’ noodzakelijk is van praktische vaardigheden en gedrag. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen met beperkingen die vertraagd leren, waarvoor om die reden zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Er kan geen indicatie voor ‘oefenen’ worden gesteld wanneer het oefenen deel uitmaakt van een Zvw-behandeltraject en/of tot de gebruikelijke hulp behoort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-842\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overnemen van toezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toezicht op de cliënt kan worden overgenomen als het gaat om het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis; thuis of bijvoorbeeld tijdens de dagbesteding. Toezicht kan ook aan de orde zijn als tijdig in gegrepen moet kunnen worden bij bijvoorbeeld gevaar voor de cliënt of diens omgeving.Toezicht in de vorm van Begeleiding bij kinderen is toezicht dat nodig is vanwege de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van het kind en is altijd aanvullend op gebruikelijk ouderlijk toezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vormen van Begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reguliere Individuele begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding en/of instructie bij persoonlijke verzorging Gespecialiseerde Individuele begeleiding Reguliere Dagbesteding Groep Gespecialiseerde Dagbesteding Groep Of de cliënt is aangewezen op individuele begeleiding of dagbesteding groep wordt bepaald door het resultaat dat bereikt moet worden. Als het doel van beide vormen van begeleiding zorginhoudelijk hetzelfde is, wordt gekeken wat het meest doelmatig is. Als hetzelfde doel wordt beoogd wordt is dagbesteding voorliggend op individuele begeleiding. Bijvoorbeeld als het gaat om het bieden van dagstructuur en of toezicht is dagbesteding goedkoopst adequaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de cliënt is aangewezen op reguliere of gespecialiseerde begeleiding of gespecialiseerde dagbesteding wordt bepaald door met name de complexiteit van de cliënt kenmerken of een specifieke doelgroep. Cliënten met niet aangeboren hersenletsel (NAH), personen met ernstige gedragsproblematiek en bijvoorbeeld de doelgroep blind en slechtziend zullen in een gespecialiseerde setting adequater ondersteund kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinatie is mogelijk. Op basis van het zorgdoel kan ook een combinatie van Individuele begeleiding en Dagbesteding Groep voor de cliënt noodzakelijk zijn Bij de indicatiestelling wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-851\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Reguliere Individuele begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om begeleiding die in de thuissituatie wordt geboden, als de ondersteuningsbehoefte bijvoorbeeld bestaat uit een of meerdere keren per week ondersteuning bij het doornemen van de dag- of weekstructuur; organisatie en planning. Bezien kan worden of beeldschermcommunicatie een adequate vorm is. Begeleiding van de mantelzorger om de geleverde zorg adequaat te kunnen bieden, zoals bij de zorg om een thuiswonend verstandelijk gehandicapt kind. Ook als er medische contra-indicatie is voor dagbesteding Groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen kunnen er activiteiten in de vorm van individuele begeleiding worden geïndiceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-852\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Begeleiding en/of instructie bij persoonlijke verzorging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De persoonlijke verzorging die lijfgebonden is, valt onder de Zorgverzekering. Het gaat hier om daadwerkelijke hulp bij wassen, aankleden, tand en haar verzorging en persoonlijke hygiëne bij toiletbezoek. Oftewel: handen aan de cliënt. Het betreft personen met de grondslag lichamelijke handicap (LG), somatische aandoening (SOM) en psychogeriatrie (PG) deze personen hebben ook veelal verpleging nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mensen met een verstandelijke handicap (VG), zintuiglijke handicap (ZG) en psychiatrische aandoening/beperkingen (PSY) kunnen fysiek gezien vaak zelf de handelingen verrichten, maar hebben mondelinge aansturing nodig in bijvoorbeeld de volgorde van handelingen of het aantrekken van doelmatige kleding. Hier kan beeldschermcommunicatie een adequate vorm bieden, bijvoorbeeld bij het oefenen van de eerder aangeleerde handelingen. Mensen met deze grondslagen maken weinig gebruik van verpleging en relatief veel gebruik van individuele en/of groepsbegeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor ondersteuning bij persoonlijke verzorging vanuit de Wmo in aanmerking te komen zal de ondersteuner de handen meestal “ op de rug hebben”. In situaties waarin overname nodig is van de handelingen moet altijd gekeken worden of de zorg niet nodig is in verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Dan valt de verzorging weer onder de Zorgverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het gaan om het aanleren van de handelingen en de cliënt na de instructieperiode in staat is zich zelf te redden bij de persoonlijke verzorging. In deze laatste situatie zal altijd sprake zijn van een tijdelijke indicatie, waarbij het tempo waarin de cliënt kan leren leidend zal zijn. Om dit te kunnen beoordelen is vaak informatie van de sociale omgeving of professionals nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-853\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Gespecialiseerde Individuele begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om begeleiding die in de thuissituatie wordt geboden, als de ondersteuningsbehoefte bijvoorbeeld bestaat uit een of meerdere keren per week ondersteuning bij het doornemen van de dag- of weekstructuur; organisatie en planning. Het gaat dan om cliënten met problematiek waarvoor specifieke deskundigheid nodig is. Hierbij valt te denken aan cliënten met ernstige gedragsproblemen, zogenaamde zorgmijders en cliënten met niet aangeboren hersenletsel (NAH).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het college de landelijke raamovereenkomst voor de grondslag zintuiglijke handicap aangenomen. Deze specialistische individuele begeleiding wordt uitsluitend in natura verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als er medische contra-indicatie zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen. is voor Dagbesteding Groep, kunnen er activiteiten in de vorm van gespecialiseerde individuele begeleiding worden geïndiceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-854\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Reguliere Dagbesteding Groep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij gaat het met name om het bieden van dagstructuur aan de cliënt. Het zorgdoel is leidend voor de begeleiding en de omvang van de begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagactiviteiten in groepsverband moeten programmatisch/ methodisch zijn. Ze zijn gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt een structurele tijdsbesteding in met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervanging van school of werk Het kan gaan om het bieden van een dagprogramma met als doel werk of school te vervangen gedurende maximaal negen dagdelen per week. Het gaat dan om de cliënten voor wie school of werk in de brede zin van het woord niet mogelijk is. Hierbij moet aansluiting op de Participatiewet worden gezocht. Als de cliënt op grond van de Participatiewet kan deelnemen aan werk, vrijwilligerswerk en/ of participatietrajecten en zo kan deelnemen aan de samenleving gaat dit voor op een Wmo maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is deelnemen aan de maatschappij op grond van de Participatiewet niet mogelijk dan moet het aantal dagdelen dagbesteding vastgesteld worden. In de AWBZ werd veelal een omvang van 9 dagdelen per week geïndiceerd voor deze doelgroep. In de Wmo is maatwerk van belang. De behoeften en kenmerken van de cliënt en de mogelijkheden van het sociale netwerk om dagdelen op te vangen zijn leidend voor de omvang van de dagbesteding. Als er geen andere mogelijkheden zijn is het maximum 9 dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding voor ouderen Dagbesteding voor ouderen wordt vaak aangevraagd vanuit eenzaamheid, een beginfase van dementie en een gebrek aan mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sociale wijkteam heeft hierin een belangrijke rol. Zij kunnen actief op zoek gaan naar de ouderen in de wijk en samen met hen bespreken wat hun behoefte is om deze problemen op te lossen. Besproken wordt of zij gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen. Denk hierbij aan activiteiten op wijkniveau, buurthuiswerk, inloopcentra etc. Als dit geen oplossing kan bieden is Reguliere Dagbesteding Groep mogelijk voor 1 of 2 dagdelen per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding als Respijtzorg Respijtzorg en spoed is nader uitgewerkt in artikel 4.2 en 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke voorzienbare respijtzorg is mogelijk voor maximaal vier weken en wordt alleen in natura verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langdurende respijtzorg: voor de cliënt en de mantelzorger is het van groot belang dat de zorg voor de persoon met regie- en structuurproblemen volgehouden kan worden. Met name voortdurend toezicht houden op de partner of het familielid vraagt het uiterste van de mantelzorger. De mantelzorger kan altijd een beroep doen op mantelzorgondersteuning. Het sociale wijkteam heeft hierin ook een belangrijke rol. Zij kunnen actief op zoek gaan naar mantelzorgers in de wijk en samen met hen bespreken wat hij/ zij wel goed kunnen volhouden en welke ondersteuning hieraan kan bijdragen. Belangrijk is om te onderzoeken of een algemene voorziening een oplossing kan bieden. Zo niet, dan kan reguliere dagbesteding een mogelijkheid zijn, om de belasting van de mantelzorger te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat de mantelzorger de zorg verleent in het kader van een pgb dat verstrekt is op grondvan de Wlz is hij/zij geen mantelzorger meer. Hij/zij verricht de zorgtaken dan immers betaald.De respijtzorg moet dan uit dit pgb betaald worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-855\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gespecialiseerde Dagbesteding Groep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij gaat het om het bieden van dagstructuur en/ of toezicht aan de cliënt, waarvoor een specifieke deskundigheid is vereist. Ook hierbij is het zorgdoel leidend voor de begeleiding en de omvang van de gespecialiseerde begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. Hierbij valt te denken aan cliënten met ernstige gedragsproblemen, complexe fysieke beperkingen en cliënten met niet aangeboren hersenletsel (NAH).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het college de landelijke raamovereenkomst voor de grondslag zintuiglijke handicap aangenomen. Deze specialistische dagbesteding groep wordt uitsluitend in natura verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Onderscheid Dagbesteding Groep en Verblijf Kortdurend</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In die situaties waarbij een indicatie wordt gevraagd voor meer dan twee dagdelen per etmaal, omdat de cliënt een langere periode, bijvoorbeeld ook de nacht in de instelling wordt opgevangen (de cliënt komt in de middag aan en vertrekt in de loop van de volgende ochtend), dan is een etmaal Kortdurend Verblijf aangewezen. Dit kan m.n. aan de orde zijn als vorm van respijtzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking Begeleiding in natura</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft met zorgaanbieders contracten afgesloten voor het leveren van begeleiding individueel en dagbesteding groep, zowel regulier als gespecialiseerd en ondersteuning bij persoonlijke verzorging. Bij een positieve indicatie voor de maatwerkvoorziening Begeleiding meldt de klantmanager de cliënt aan bij de zorgaanbieder naar keuze van de cliënt. In deze melding worden naast de NAW gegevens opgenomen: grondslag voor de begeleiding soort begeleiding omvang in uren of dagdelen ingangsdatum besluit einddatum geldigheid indicatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking Begeleiding in pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor verstrekking maatwerkvoorziening BG in pgb zijn nader uitgeschreven in artikel 5 van deze Beleidsregels. Het ligt niet voor de hand dat een pgb voor personen met regieproblematiek, problemen in het organiseren en plannen een adequate wijze van verstrekking is. Vaak zal dan ook de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt in de verplichtingen rond een pgb een belangrijke rol in spelen. Met het pgb kan de begeleiding, zowel individueel als dagbesteding ingekocht worden bij een zorgaanbieder. Uitgangspunt is dat voor begeleiding voor de doelgroepen die binnen de Wmo vallen een bepaalde mate van deskundigheid is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan het pgb ook besteed worden aan informele zorg. Dan gaat het om situaties waarin op niet planbare momenten begeleiding nodig is en niet gewacht kan worden tot de medewerker van de zorgaanbieder aanwezig kan zijn. Het gaat dan om begeleiding die gedurende 24 uur per dag niet planbaar is. Dit moet duidelijk gemotiveerd in het ondersteuningsplan opgenomen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wel een aandachtspunt hierbij is om te onderzoeken of deze cliënt ook beschikt of zou kunnen beschikken over een Wlz indicatie. Als dat zo is dan is die zorg voorliggend en is er geen noodzaak voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Alle begeleiding kan dan met het Wlz pgb worden ingekocht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.9</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht voor bestaande cliënten AWBZ</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om cliënten en gemeenten tegemoet te komen heeft de Rijksoverheid een overgangsrecht bepaald voor bestaande cliënten met een AWBZ-indicatie die doorloopt na 31 december 2014 Cliënten waarvan de AWBZ indicatie BG na 31 december 2014 en tot na 1 januari 2016 doorloopt, houden hun begeleiding tot 1 januari 2016, tenzij de gemeente de cliënt voor die tijd een gelijkwaardig arrangement kan bieden. In de loop van 2015 wordt een heronderzoek uitgevoerd voor de cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten waarvan de AWBZ indicatie BG in 2015 afloopt, houden hun begeleiding tot de datum van de geldigheid van hun huidige indicatie in 2015. Het heronderzoek wordt uitgevoerd vóór de datum waarop de AWBZ-indicatie afloopt. Op het moment van herindicatie worden zij geïndiceerd volgens de Wmo 2015 en het beleid 2015 van de gemeente Barendrecht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering geldt voor de indicaties die vóór 1 maart 2015 aflopen. Voor deze cliënten loopt de indicatie door tot 1 maart en zal voor die datum een heronderzoek plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuwe cliënten na 31 december 2014 geldt de Wmo 2015 en het beleid 2015 van de gemeente Barendrecht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-810\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.10</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer van en naar dagbesteding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt dagbesteding op een andere locatie dan zijn woonadres ontvangt of zal ontvangen moet beoordeeld worden of de cliënt in staat is op eigen kracht naar deze dagbesteding te gaan. Bijvoorbeeld met het openbaar vervoer, met de fiets, de bromfiets of scooter, met hulp van huisgenoten of het sociale netwerk. Als de cliënt in staat is om te leren met het openbaar vervoer te gaan, kan dit aanleren onder de noemer individuele begeleiding geboden worden voor een beperkte tijd. Wel wordt eerst onderzocht of personen uit het sociale netwerk de cliënt dit kunnen leren. Als er geen mogelijkheid is tot zelfredzaamheid in het vervoer naar de dagbesteding kan vervoer een onderdeel zijn van de Wmo maatwerkvoorziening Dagbesteding Groep.Het vervoer van en naar de dagbesteding wordt vergoed conform de bedragen die opgenomen zijn in het Besluit 2015.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Verblijf Kortdurend (VK)Verblijf was tot 1 januari 2015 een functie die onder de AWBZ geregeld was. Met ingang van die datum is het langdurige en het kortdurende verblijf ondergebracht in meerdere wetten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Langdurend verblijf valt onder de Wet langdurige zorg (Wlz);</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf dat gekoppeld is aan behandeling onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) Verblijf kortdurend, gericht op toezicht, begeleiding en respijtzorg valt onder de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf wordt altijd in etmalen geïndiceerd en zo nodig kan ook het vervoer naar en van het kortverblijfadres een onderdeel zijn van de indicatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Indicatiecriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; de cliënt is aangewezen op zorg en ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht; de cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een indicatie op grond van de Wlz of de Zvw; ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Permanent toezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om cliënten waarbij actieve observatie van de hulpverlener noodzakelijk is om tijdig zorg, hulp en ondersteuning te kunnen bieden en daarmee gevaar voor de cliënt en/of diens omgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op lichamelijke gronden Als er hulp geboden moet worden, moet dat ook direct gebeuren vanwege gevaar voor de cliënt als hij/zij zonder toezicht is. Bijvoorbeeld een cliënt met niet goed instelbare epilepsie met een risico om in het epileptisch insult te blijven steken (status epilepticus); cliënten met ernstige longaandoeningen waarbij zuurstoftekort dreigt; een kind waarbij de ouders actief de vitale lichaamsfuncties van het kind moeten controleren. De dementerende die wil gaan lopen en vergeten is dat hij dat fysiek gezien niet meer kan. Het kan ook gaan om een cliënt die vanwege zijn lichamelijke handicap dermate zware fysieke beperkingen heeft, dat hij frequent hulp en begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van allerlei dagelijkse activiteiten en niet zelf of met hulpmiddelen in staat is om hulp in te roepen. Bij afwijkingen moet direct worden ingegrepen Dit zijn handelingen die in het dagelijkse leven door de mantelzorger worden gedaan en die bij respijtzorg overgenomen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op mentale gronden Er bestaat een noodzaak om direct in te kunnen grijpen om gevaar voor de cliënt of diens omgeving te voorkomen. Het gaat hierbij om cliënten die geen regie of regieverlies hebben. Denk hierbij aan cliënten met een verstandelijke handicap, een psychisch en/of psychogeriatrisch probleem die niet zelf om hulp of zorg (kunnen) vragen. De hulpverlener moet actief observeren, continu sturing en structuur. Het kan ook gaan om het uitleggen van niet goed begrepen situaties, zodat de cliënt hiermee kan omgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn dan zowel beperkingen in de sociale redzaamheid als stoornissen in de psychosociale functies zoals geheugen en denken, concentratie, perceptie van de omgeving, motivatie of probleemgedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Logeeropvang vanuit de Zorgverzekeringswet en of Wet langdurige zorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Respijtzorg en spoed is nader uitgewerkt in artikel 4.2 en 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel ziektekostenverzekeringen hebben in hun (extra) aanvullende verzekeringspolissen opgenomen dat er een maximaal bedrag per jaar wordt vergoed aan respijtzorg. Dit wordt Vervangende mantelzorg in huis genoemd. De aanvullende verzekering valt niet onder de Zorgverzekeringswet en is hiermee ook geen wettelijk voorliggende voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klantmanager Wmo onderzoekt of de cliënt een dergelijke ziektekostenpolis heeft en bespreekt of de vergoeding hieruit volstaat voor de persoonskenmerken en behoeften. De Collectieve Ziektekostenverzekering (CZM) die voor de minima in de gemeente bij CZ is afgesloten bevat in de extra uitgebreid polis. Op het moment dat de mantelzorger de zorg verleent in het kader van een pgb dat verstrekt is op grondvan de Wlz is hij/zij geen mantelzorger meer. Hij/zij verricht de zorgtaken dan immers betaald.De respijtzorg moet dan uit dit pgb betaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke voorzienbare respijtzorg in de Wmo is maximaal vier weken mogelijk als maatwerkvoorziening en wordt alleen in natura verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking Verblijf Kortdurend in natura</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft met zorgaanbieders contracten afgesloten voor het leveren van verblijf kortdurend. Bij een positieve indicatie voor de maatwerkvoorziening Verblijf Kortdurend meldt de klantmanager de cliënt aan bij de zorgaanbieder naar keuze van de cliënt. In deze melding worden naast de NAW gegevens opgenomen: grondslag voor het verblijf kortdurend omvang in etmalen per week of per maand ingangsdatum besluit einddatum geldigheid indicatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking Verblijf Kortdurend in pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor verstrekking maatwerkvoorziening VK in pgb zijn nader uitgeschreven in artikel 5 van deze Beleidsregels. Met het pgb kan de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger zelf de logeeropvang inkopen bij een zorginstelling. Uitgangspunt is dat voor Verblijf Kortdurendvoor de doelgroepen die binnen de Wmo vallen een bepaalde mate van deskundigheid is vereist. In bijzondere gevallen waarin de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger kan aantonen dat de noodzakelijk zorg en toezicht niet door een gecontracteerde zorginstelling geboden kan worden, is een pgb mogelijk voor verblijf kortdurend, anders dan in een gecontracteerde instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wel een aandachtspunt hierbij is om te onderzoeken of deze cliënt ook beschikt of zou kunnen beschikken over een Wlz indicatie. Als dat zo is, dan is die zorg voorliggend en is er geen noodzaak voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ook verblijf kortdurend kan dan met het Wlz pgb worden ingekocht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer van en naar adres Verblijf Kortdurend</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt in verband met respijtzorg in aanmerking komt voor logeeropvang moet beoordeeld worden of de mantelzorger of het eigen netwerk in staat is om de cliënt naar het logeeradres te brengen en ook weer op te halen. Als er geen mogelijkheid is tot zelfredzaamheid in het vervoer naar het logeeradres kan vervoer een onderdeel zijn van de Wmo maatwerkvoorziening Verblijf Kortdurend. Het vervoer van en naar het logeeradres wordt vergoed conform de bedragen die opgenomen zijn in het Besluit 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.WoningaanpassingenEen persoon met beperkingen kan in zijn/haar woning belemmeringen ervaren die voortvloeien uit zijn/haar beperkingen. Deze belemmeringen kunnen zodanig zijn dat er geen sprake meer is van het normaal kunnen gebruiken van de woning. De Wmo biedt inwoners van Barendrecht de mogelijkheid om na de melding en het onderzoek een woningaanpassing aan te vragen. Een gedegen onderzoek naar alle omstandigheden en (on) mogelijkheden van de cliënt is belangrijk om te kunnen beoordelen of er voorliggend andere oplossingen, waaronder verhuizen mogelijk en adequaat zijn. Als een woningaanpassing vanuit de Wmo noodzakelijk is, kunnen de belemmeringen verminderd of opgeheven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij een ondersteuningsvraag voor een woningaanpassing wordt beoordeeld of de aanpassing van de woning vermijdbaar was. Ook zal steeds beoordeeld moeten worden of de problemen in het normale gebruik van de woning opgelost kunnen worden met gebruikelijke hulp, het eigen netwerk, vrijwilligers, een algemeen gebruikelijke voorziening of een algemene voorziening. Als dit niet mogelijk is wordt de regel dat de gemeente de goedkoopst adequate voorziening verstrekt toegepast. Er moet wel altijd een afweging worden gemaakt waarbij alle relevante factoren, in onderling verband, worden gewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of blijven wonen in de huidige woning, al dan niet met aanpassingen of verhuizen een oplossing is voor de ervaren belemmeringen in het gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen moet medewerking verlenen aan het bezoeken van de woning, als onderdeel van het indicatieproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een weigering van een woningaanpassing is alleen mogelijk na een onderzoek naar alle omstandigheden van de cliënt. Het kan zijn dat in de specifieke situatie van de cliënt zwaarwegende redenen zijn om af te wijken van de criteria. In dat geval moet er voorafgaand aan het besluit overleg zijn met de senior Wmo en het afdelingshoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Roerende woonvoorzieningen vallen binnen de Wmo 2015 onder de Hulpmiddelen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 11.3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgangspunten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iedere burger is verantwoordelijk voor het kunnen beschikken over woonruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van aantoonbare beperkingen, die een causaal verband hebben met de ervaren belemmeringen in het normale gebruik van de woning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van burgers mag verwacht worden dat zij in de verschillende levensfases hun woonsituatie aanpassen aan de vereisten in een bepaalde levensfase. Ook gezonde burgers verhuizen in de loop van hun leven een of meerdere keren omdat zij zelfstandig gaan wonen, gaan samenwonen, een gezin stichten of als de kinderen de deur uit zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwacht mag worden dat de woonkeuzes aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden. Ook bij gezonde burgers spelen behalve de levensfase ook persoonlijke omstandigheden, wensen en financiële mogelijkheden een rol in hun woonkeuze;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van burgers mag verwacht worden dat zij bij het zoeken naar een andere woning uitkijken naar een woning die niet alleen op dat moment geschikt is maar ook op langere termijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gezegde: “de ouderdom komt met gebreken” is bekend. Van burgers mag verwacht worden dat zij met die verwachting rekening houden en op eigen initiatief verhuizen naar een woning die geschikt is voor die levensfase en niet wachten tot de beperkingen zodanig zijn dat er direct verhuisd moet worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verhuizing die te voorzien is op basis van wijziging van de persoonlijke leefsituatie, zoals bij ouderdom, gaat het om een algemeen gebruikelijk verhuizing. Deze verhuizing is voor eigen rekening waarbij van de burger verwacht wordt dat hij/ zij hiervoor tijdig financieel reserveert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Wanneer worden woningaanpassingen niet verstrekt?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een woningaanpassing wordt geweigerd, indien: de woning waaraan de voorziening wordt getroffen niet behoort tot het grondgebied van de gemeente Barendrecht; de noodzaak tot de woningaanpassing voor de cliënt redelijkerwijs voorzienbaar en vermijdbaar was; de noodzaak tot het treffen van de woningaanpassing het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en geen belangrijke reden aanwezig was; de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen en levensfase op dat moment beschikbare en meest geschikte woning, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend voor de verhuizing; de woningaanpassing niet de goedkoopst adequate oplossing is voor het ervaren woonprobleem; de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt of bedoeld is om het gehele jaar door bewoond te worden zoals hotels, pensions, verhuurde kamers, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede, vakantie en/of recreatiewoningen; de persoon met beperkingen niet zijn hoofdverblijf zal hebben in de woning waaraan de aanpassing voorziening wordt getroffen, met uitzondering van het bezoekbaar maken van de woning; het op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen betreft voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, tenzij sprake is van voorzieningen genoemd in artikel 10.12; deze betrekking hebben op een Wlz gefinancierde instelling, die voorzieningen dient te hebben of te verstrekken die de zorg garanderen die in de algemene doelstelling van de instelling verwoord wordt. Dit kan ook een kleinschalige woonvorm zijn die met een pgb vanuit de Wlz gefinancierd wordt; de voorzieningen een behandeldoel dienen, waaronder zit- en ligbaden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verhuizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is of de woningaanpassing voorkomen had kunnen worden door tijdig te verhuizen naar een adequate woning of zelf de woning tijdig aan te passen aan de levensfase en vereisten van de tijd. Het kan zijn dat de aanpassing ook in bijvoorbeeld een gelijkvloerse woning noodzakelijk zou zijn.Sommige voorzieningen behoren volgens het Bouwbesluit niet tot de vereiste standaarden. Denk bijvoorbeeld aan het zittend kunnen douchen op een douchezitje, bevestigd aan de muur als een losse douchestoel niet adequaat is. Een verhuizing is geen oplossing voor dit probleem want ook in een andere woning bestaat dit probleem. Een douchezitje bevestigen lost het woonprobleem wel op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders ligt het voor de vraag om een traplift om de verdieping te kunnen bereiken. Als de cliënt rekening had kunnen houden met toenemende beperkingen of ouderdom was een tijdige verhuizing naar een gelijkvloerse woning die met lift of zonder trap is te bereiken is, een eigen oplossing geweest, waardoor de woningaanpassing vermijdbaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denk bijvoorbeeld ook aan de situatie dat de cliënt een lig- of zitbad in de natte cel heeft aangebracht of laten aanbrengen, waarin hij/ zij ook moet douchen. Een bad is boven het niveau van sociale woningbouw. Bij toenemende beperkingen in mobiliteit of ouderdom was het tijdig verwijderen van dit bad een eigen oplossing geweest. Of bij hoge kosten voor deze eigen aanpassing kan verhuizen naar een geschikte woning een alternatief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke verhuizing Verhuizen is niet specifiek bedoeld voor personen met beperkingen. Ook gezonde burgers verhuizen in de loop van hun leven één of meerdere keren als hun persoonlijke en financiële omstandigheden wijzigen of als dat past bij een volgende levensfase. Dat is een algemeen gebruikelijke verhuizing die past bij het zelf verantwoordelijkheid dragen voor de keuzes in het eigen leven. Voor cliënten die ouder worden met de bijbehorende leeftijd gerelateerde beperkingen in mobiliteit is dat niet anders. De Wmo 2015 doet meer dan voorheen een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de burger en ouder worden is een voorzienbare levensfase. Met deze voorzienbaarheid kan de cliënt rekening houden door tijdig te verhuizen naar een met lift of zonder trap bereikbare, geschikte en gelijkvloerse woning. Hierdoor kan een woningaanpassing vermeden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook cliënten die niet tot de doelgroep ouderen behoren kunnen te maken hebben met toenemende beperkingen die het normale gebruik van de woning vroeg of laat (gaan) belemmeren. Ook van hen wordt verwacht dat zij tijdig maatregelen nemen en op zoek gaan naar een woning die past bij hun huidige en toekomstige beperkingen. Een algemeen gebruikelijke verhuizing is voor eigen rekening van de cliënt. De cliënt kan ook op eigen kosten gebruik maken van de algemene verhuisvoorziening, die in de gemeente beschikbaar is. Als een cliënt deze verhuizing niet kan betalen kan hij/ zij een beroep doen op de Bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan er voor kiezen om niet te verhuizen. Als de cliënt geen gebruik wenst te maken van een algemeen gebruikelijke voorziening betekent dat echter niet dat de gemeente de woning dan gaat aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voorzienbare verhuizing Van cliënten waarbij geen sprake is van voorzienbaarheid kan in redelijkheid niet verwacht worden dat zij tijdig anticiperen op plotseling gewijzigde omstandigheden. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarbij de cliënt plotseling geconfronteerd wordt met beperkingen door specifieke gebeurtenissen. Bijvoorbeeld een gezonde persoon, nog volop actief in de maatschappij, wordt getroffen door een hersenbloeding; een gezonde persoon krijgt een ernstig auto ongeluk. Het gaat er steeds om: er is iets gebeurd dat direct gevolgen heeft voor het dagelijks functioneren en behandeling en revalidatie hebben niet het effect dat de beperkingen worden opgeheven of zodanig verminderd dat het normale gebruik van de woning mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het gaan om een cliënt van wie redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat hij/ zij tijdig maatregelen had kunnen treffen waardoor een aanvraag voor een woningaanpassing niet noodzakelijk zou zijn. Hierbij gaat het meestal om een optelsom van persoonlijke en sociale factoren die deze eigen verantwoordelijkheid in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in de niet-voorzienbare situaties verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, gaat dat voor op een woningaanpassing. Indien een Wmo verhuisadvies is afgegeven, kan de persoon met beperkingen voor het aanbodsysteem van woningen een medische urgentie aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een algemene verhuisservice in plaats van een verhuiskostenvergoeding Voorheen had de gemeente voor de situaties als onder a en b de bevoegdheid een verhuiskostenvergoeding te verstrekken als Wmo voorziening. De Wmo 2015 biedt echter geen ruimte meer tot het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen en inrichting. Een maatwerkvoorziening kan alleen maar in natura of in een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze cliënten heeft de gemeente Barendrecht wel de Algemene verhuisvoorziening beschikbaar. Deze verhuisservice wordt uitgevoerd door het onafhankelijke platform BAR-dichtbij. BAR-dichtbij zoekt hiervoor aansluiting bij de vrijwilligersorganisaties. De cliënt kan zich voor deze verhuisservice bij BAR-dichtbij aanmelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt betaalt zelf de kosten die aan de verhuizing en inrichting verbonden zijn, tenzij hij/zij deze kosten niet kan betalen. Het wel of niet zelf kunnen betalen moet door de klantmanager besproken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Procedure voor cliënt die de kosten niet kan betalen Het mag niet zo zijn dat een laag inkomen betekent dat de algemene verhuisvoorziening niet toegankelijk is, omdat men deze voorziening niet kan betalen. Inwoners die als gevolg van een beperking adequaat geholpen zijn met de algemene voorziening maar aannemelijk kunnen maken dat zij de kosten van deze ondersteuning financieel niet kunnen dragen, komen in aanmerking voor financieel maatwerk. Dit geldt voor cliënten die een inkomen hebben tot en met 130% van de bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt voldoet aan de voorwaarden kan hij/zij via de Bijzondere bijstand in aanmerking komen voor: een persoonsvolgend budget voor het opknappen van de woning en een persoonsvolgend budget voor de verhuiskosten en een lening voor de stoffering van de woning op basis van de Nibud tabel, gebaseerd op het aantal personen in de leefeenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taak klantmanager Wmo:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de cliënt die aangeeft de algemene voorziening niet te kunnen betalen geeft de klantmanager tijdens het huisbezoek een aanvraagformulier voor Bijzondere bijstand aan de cliënt. De cliënt kan dit formulier na invulling naar de gemeente sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderzoeksverslag vermeldt de klantmanager de uitkomst van een algemene verhuisvoorziening en het achterlaten van het aanvraagformulier bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klantmanager vult in het GWS systeem een document in: Verwijzing pvb ten behoeve van Verhuizen Taak BAR-dichtbij: bemiddelt voor de verhuizing bespreekt bij een afwijzing voor het pvb met de cliënt de wensen t.a.v. de resultaten en hun mogelijke bemiddeling voor de verhuisservice.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan ervoor kiezen om niet te verhuizen. Het college kan dan niet worden verweten dat zij niet aan de plicht heeft voldaan om algemene voorzieningen toegankelijk voor burgers te maken. Zij heeft immers een adequate algemene voorziening geboden, die echter niet door de cliënt is/wordt geaccepteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verhuizen of een woningaanpassing?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen bepalen of de situaties zoals onder 10.3. a en b verhuizen of een woningaanpassing noodzakelijk is, moet niet alleen gekeken worden naar de huidige, maar ook naar de in de toekomst te verwachten noodzakelijke aanpassingen. Daarnaast zijn een aantal factoren van belang die een rol spelen in deze afweging:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke oplossingen met hulpmiddelen of leenartikelen bieden geen oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort aanpassing van de woning: moeten in de nieuw te betrekken woning (bijna) dezelfde soort woningaanpassingen uitgevoerd worden? Zie voorbeeld artikel 10.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten: Wat is goedkoopst adequaat. Een vergelijking van de aanpassingskosten huidige woonruimte versus aanpassingskosten nieuwe woonruimte. Indien de kosten gelijk of minder zijn worden de noodzakelijke woningaanpassingen als maatwerkvoorziening in de huidige woning verstrekt, mits aan de overige voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De snelheid waarmee het probleem moet worden opgelost: indien binnen een medisch verantwoorde periode geen geschikte woning vrijkomt of wordt gevonden dan wel wordt aangeboden, dan kan de cliënt alsnog voor een woningaanpassing in aanmerking komen. Het moet wel aantoonbaar zijn dat er geen geschikte woning is geweest en dat de cliënt voldoende inspanning heeft verricht om een geschikte woning te vinden dan wel te accepteren. Wat een verantwoorde periode is, zal in grote mate afhankelijk zijn van de beperkingen die de cliënt ondervindt en de prognose van zijn/haar functioneren in zelfredzaamheid en participatie. Hiervoor is meestal een medisch advies nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale factoren: hierbij wordt gekeken naar binding met de huidige woonwijk en de nabijheid van belangrijke voorzieningen. Mantelzorg en aanwezigheid van kennissen en familie worden in de afweging meegenomen als die zodanig is dat daardoor opname in een instelling of intensieve ondersteuning vanuit de Wmo kan worden voorkomen. Ook de wensen voor een bepaalde woonplaats spelen mee in relatie tot de plek van de beoogde nieuwe woning. Als de cliënt zijn werk aan huis heeft (eigen bedrijf) of in de directe omgeving werkt, moeten de consequenties van een verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlasten: woonlasten zijn afhankelijk van huursubsidiemogelijkheden. Een verhuizing mag niet dusdanig hoge woonlasten met zich meebrengen dat deze niet op te brengen zijn voor de cliënt .</p>\n<p class=\"lf-p\">De medische prognose: indien vaststaat dat iemands toestand zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, speelt dat gegeven een rol in de afweging om de woning al dan niet aan te passen. De voorziening moet adequaat zijn en voor lange tijd volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijke gebruiksduur van de aanpassingen: een aan te passen koopwoning heeft naar alle waarschijnlijkheid minder kans om voor hergebruik in aanmerking te komen dan een huurwoning van een woningcorporatie. Consequentie hiervan is dat de eigen woning meestal voor een cliënt aangepast wordt. Aangepaste huurwoningen kunnen opnieuw ingezet worden voor mensen met een beperking, waardoor de gebruiksduur verlengd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hypotheekruimte bij koopwoning Als de cliënt zijn huidige koopwoning (grotendeels) hypotheekvrij heeft, kan een beroep gedaan worden op de ruimte die de financiering van de woningaanpassing binnen de hypotheek mogelijk maakt. Dit behoort dan tot de eigen oplossingen van de cliënt voor het ervaren woonprobleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningaanpassingen kunnen bestaan uit bouwkundige aanpassingen van de woning; onderhoud, keuring, en reparatie van verstrekte voorzieningen; tijdelijke huisvesting i.v.m. een woningaanpassing; uitraaskamer; huurderving i.v.m. tijdelijk beschikbaar houden aangepaste woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwkundige woningaanpassingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De meest voorkomende bouwkundige woningaanpassingen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Drempelhulpen, waterpasplateau, opritjes, verwijderen drempels. Deze worden gebruikt als de persoon met beperkingen niet in staat is om drempels te overbruggen, al dan niet met een loophulpmiddel of rolstoel. Deze voorzieningen worden gebruikt om de persoon met beperkingen extra steun te geven bij het maken van transfers of bij het bewaren van het evenwicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deurontgrendeling en deuropeners. Voor personen met beperkingen die niet in staat zijn om op de gebruikelijke wijze de deuren te openen of te sluiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Douchezitje of brancard aan de muur voor personen met beperkingen die niet staande kunnen douchen. Eerst wordt gekeken of een losse douchestoel een adequate oplossing biedt. Losse douchestoelen en douchekrukken zijn in de reguliere handel te koop;</p>\n<p class=\"lf-p\">Traplift voor personen met een beperking die meer dan twee keer per dag de trap moeten gebruiken en een extra trapleuning of beugels geen oplossing bieden. Een traplift wordt alleen verstrekt als het gebruik noodzakelijk is om de natte cel en/ of slaapkamer te kunnen bereiken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plafondlift voor cliënten die passieve transfers moeten maken op meerdere plaatsen in de woning of de gebruiksruimte. Het kan ook zijn dat de belastbaarheid van de mantelzorger bij het verrijden van een mobiele lift een bepalende factor is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderrijdbare keuken voor personen die rolstoelafhankelijk zijn en er in onvoldoende mate sprake is van gebruikelijke hulp. Meegewogen wordt wat de leeftijd van de huidige keuken is en deze naar de eisen van de tijd gerenoveerd zou moeten worden. De renovatie is dan voor rekening van de eigenaar en de meerkosten van de onderrijdbaarheid kunnen vanuit de Wmo als pgb verstrekt worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijderen bad of douchebak vanwege belemmeringen bij het in- en uitstappen en creëren van een douchevloer op afschot. Voorwaarde is dat andere goedkopere oplossingen, zoals algemeen gebruikelijke wandbeugels of een badplank, niet geschikt zijn. Ook mag de inrichting van de natte cel niet ouder zijn dan 15 jaar. Volgens jurisprudentie van de CRvB is de afschrijvingstermijn conform de richtlijnen van woningcorporaties en is na deze termijn de natte cel aan renovatie toe. Het secretariaat van de Huurcommissies in Den Haag (tel 0800-4887243) heeft een lijstje met afschrijvingstermijnen. Hieruit kan bijvoorbeeld vastgesteld worden of een keuken of toiletruimte al aan renovatie toe was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aspecten van woonverbetering worden geen kosten door de gemeente vergoed. De cliënt wordt hiervoor verwezen naar de verhuurder/eigenaar van de woonruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Woningaanpassingen in natura</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bepaling van de kosten De woningaanpassingen die in natura zijn verstrekt, zijn eigendom van de gemeente. Als woningaanpassingen periodiek onderhoud nodig hebben, zoals trapliften, sluit de gemeente onderhouds- en reparatiecontracten af. Als de voorzieningen niet meer nodig zijn, worden ze weer verwijderd en zo mogelijk herverstrekt. Bij aanvragen voor woningaanpassingen (zoals trapliften) moet duidelijk worden gemaakt dat de totale beoordeling en uitvoering van het advies een verantwoordelijkheid is van de gemeente. Op basis van het advies van de Wmo-klantmanager wordt een offerte uitgebracht. Bij de aanpassing sluiten we aan bij de eisen uit het Bouwbesluit.Voor het aanbrengen van standaard woningaanpassingen is een overeenkomst met een trapliften leverancier en een aannemer gesloten. Overige woningaanpassingen worden in pgb verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.7</span><span class=\"lf-art-t\">Woningaanpassingen in Pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er geen sprake is van een standaard woningaanpassing of de kosten overstijgen de € 3.000,-- worden minimaal twee offertes ingediend. Bij het uitbrengen van de offerten moet in ieder geval: uitgegaan worden van een sobere en doelmatige uitvoering op het niveau van sociale woningbouw; de offerte alleen bestaan uit de te treffen aanpassingen zoals concreet zijn genoemd in het programma van eisen dat is opgesteld door de Wmo-klantmanager of een door de gemeente aangewezen externe adviesinstantie; de ramingen zijn opgesteld door een (bouwkundig) deskundige; de onderdelen worden gespecificeerd (incl. merk en type). Dit betekent dat hoeveelheden, eenheidsprijzen, materiaalkosten en arbeidsloon moeten zijn aangegeven; het bedrag van de btw en eventuele administratie- en toezicht kosten, alsook renteverliezen apart worden vermeld; een kopie van eventueel door gespecialiseerde bedrijven uitgebrachte offertes waarnaar in de totale offerte wordt verwezen, worden bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en dat daarmee een adequate aanpassing wordt verstrekt, is een aantal voorwaarden gesteld om het toegekende pgb ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden moeten ook in de beschikking aan de persoon met beperkingen en eventueel aan de woningeigenaar (als deze niet de persoon met beperkingen is) worden bekend gemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende voorwaarden zijn van toepassing: er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop het pgb betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente; aan een door de gemeente aangewezen persoon wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; de door de gemeente aangewezen personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; direct na voltooiing van de werkzaamheden verklaart de gerechtigde van de vergoeding aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen; de gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb; de gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verleend alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd; de gerechtigde moet indien het college dit wenst, medewerking verlenen aan een anti-speculatiebeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbetaling pgb Dit is nader uitgewerkt in artikel 5.6.3 Als er sprake is van verstrekking van een pgb voor een woningaanpassing zoals een traplift of douchezit, dan kan de gemeente de voorziening terugvorderen op het moment dat de voorziening niet meer nodig is. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn als de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn na de toekenning overlijdt of opgenomen wordt in een Wlz instelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.8</span><span class=\"lf-art-t\">Woonsanering in verband met COPD en longklachten door allergie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een persoon met beperkingen als gevolg van COPD of een allergie kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor her-stofferen van noodzakelijke ruimte in de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo-klantmanager bespreekt de leeftijd van de te vervangen materialen en de eigen mogelijkheden van de cliënt om in de reguliere handel of op de tweedehandsmarkt zelf in een oplossing te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klantmanager bespreekt ook de mogelijkheid om via de huisarts of longspecialist een beroep te doen op een long-verpleegkundige. Het adviesrapport van de long-verpleegkundige wordt meegewogen bij de uiteindelijke beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Long- en allergieklachten, die verband houden met huisstofmijt, huidschilfers, haren, jute etc., kunnen verminderen als in de directe omgeving het contact met stof zo gering mogelijk is. Dit kan enerzijds worden bereikt door de omgeving schoon en stofvrij te houden en anderzijds bij de inrichting van de woning rekening te houden met gladde en synthetische materialen. Voorzieningen, zoals allergeenvrij kussens en matrashoezen, vallen niet onder de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt rekening gehouden met het bewonersgedrag, in de zin dat het naleven van leefregels die door de long-verpleegkundige zijn geadviseerd nageleefd worden. Denk aan bijvoorbeeld het extra stofzuigen en dweilen van de ruimten, het nat afnemen van de inrichtingselementen in plaats van afstoffen, temperatuurregulatie en ventilatie. In het kader van de Wmo gaat het bij woningsanering als gevolg van COPD, astma en allergieën specifiek om de volgende stoffering: tapijt en gordijnen in de slaapkamer. Een uitzondering wordt gemaakt voor kinderen tot vier jaar, in die zin, dat het ook mogelijk is de woonkamer te saneren omdat een kind vann die leeftijd niet naar school gaat en ook overdag in de woonkamer verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in verband met een allergie noodzakelijk aan te schaffen vervangende stoffering is vrijwel altijd algemeen gebruikelijk. Alleen wanneer dergelijke artikelen voortijdig moeten worden vervangen, omdat men pas bekend is met de allergie, kan niet meer gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor de maatwerkvoorziening passen we een afschrijvingstermijn toe. Uitgangspunt hierbij is dat de vloerbedekking altijd voor een beperkte duur meegaat. De cliënt dient dus voor de vervanging van de vloerbedekking geld te reserveren. Indien een artikel is afgeschreven (veelal na acht jaar) wordt niet opnieuw een maatwerkvoorziening met hetzelfde doel verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkelijke kosten komen in aanmerking voor het vast te stellen pgb. Ook hierbij is het uitgangspunt goedkoopst adequaat. Materialen gekocht bij een bouw- of woonmarkt gaan voor op de materialen uit een woningspeciaalzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is wel een afschrijvingspercentage huidige stofferingvan toepassing.Leeftijd stoffering: nieuwer dan 2 jaar: 100% pgb tussen 2 en 4 jaar: 75% pgb tussen 4 en 6 jaar: 50% pgb tussen 6 en 8 jaar: 25% pgb ouder dan 8 jaar : geen pgb Bij de aanschaf van nieuwe materialen moet de persoon met beperkingen zich houden aan het programma van eisen, zoals gladde vloerbedekking (zeil of goedkoop laminaat) en gladde raambedekking (rolgordijn, kunststof lamelgordijn). Het kan uit medisch oogpunt gewenst zijn om de hele woning stofvrij te maken, terwijl alleen sanering van de slaapkamer urgent is. Alleen de artikelen die urgent zijn komen in aanmerking voor vergoeding. De rest kan geleidelijk aan, passend binnen het normale uitgavenpatroon, vervangen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rolstoeltapijt Vervanging van vloerbedekking door rolstoeltapijt komt alleen voor een maatwerkvoorziening in pgb in aanmerking als de vervanging niet te voorzien was, bijvoorbeeld als de cliënt als gevolg van een ongeluk plotseling rolstoelafhankelijk is geworden. Bij een geleidelijke achteruitgang in het functioneren waardoor de cliënt rolstoelafhankelijk is geworden is geen maatwerkvoorziening mogelijk. Er is dan sprake van voorzienbaarheid en vermijdbaarheid, waarvoor de cliënt tijdig had kunnen reserveren. Bij de hoogte van het pgb wordt dezelfde afschrijvingstermijn en percentage toegepast als bij de woningsanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.9</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte woningaanpassingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De woningaanpassing moet op grond van de Wmo en beleidsregels zijn verstrekt. Tijdens het onderhoud, keuring of de reparatie moet de cliënt de woonruimte als hoofdverblijf bewonen. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden de maximale vergoedingen van onderhoud en reparatie genoemd. Meer dan deze maximale bedragen worden in principe niet vergoed. Als een klant dit wel nodig zegt te hebben, moet er deugdelijk onderzoek door de klantmanager of een ander door de gemeente aangewezen deskundige plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.10</span><span class=\"lf-art-t\">Uitraaskamer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woningaanpassing in de vorm van een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. In deze gevallen moet altijd een extern medisch en/ of gedragsdeskundigen advies worden gevraagd door de klantmanager. Van belang is om vast te stellen dat het niet gaat om gedrag op grond van pedagogisch vermogen of gedrag dat medisch gezien beïnvloed kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.11</span><span class=\"lf-art-t\">Medewerking woningeigenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met toepassing van Wmo Artikel 2.3.7. Het college dan wel de cliënt, is bevoegd om zonder toestemming van de eigenaar de maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing aan te brengen of te doen aanbrengen in de woning. Voordat dit gebeurt heeft de eigenaar van de woning de gelegenheid zijn/ haar zienswijze naar voren te brengen. Dat betekent dat ook zonder toestemming van de woningeigenaar de geïndiceerde woningaanpassing gerealiseerd kan worden. Natuurlijk verdient het de voorkeur om waar het kan overeenstemming hierover te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar moet een medewerker van de gemeente toegang verschaffen tot de woning, zodat de klantmanager of een andere door de gemeente aangewezen deskundige een oordeel kan vormen over de woonsituatie. Zo nodig kan artikel 16 van de Woningwet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente dan wel de cliënt is niet gehouden de woningaanpassing weer ongedaan te maken, indien de cliënt niet langer gebruik maakt van de woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassing gemeenschappelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een pgb of zorg in natura verstrekking verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de cliënt met beperkingen. Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden verstrekt voor: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel; drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb of natura verstrekking wordt slechts toegekend indien de Vereniging van eigenaren of de eigenaar van de gemeenschappelijke ruimte de helft van de kosten voor zijn rekening neemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.13</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoekbaar maken van een woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die woning. Hieronder wordt verstaan dat de aanvrager de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorheen had de gemeente de bevoegdheid een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor het bezoekbaar maken van de woning. De Wmo 2015 biedt echter geen ruimte meer tot het verstrekken van een financiële tegemoetkoming en daarmee wordt het bezoekbaar maken van de woning in natura of in een pgb verstrekt. Steeds moet beoordeeld worden of voorzieningen hierbij zoals drempelhulpen door eigen inzet, vrijwilligers, het eigen netwerk of een klussendienst opgelost kan worden. Wat betreft de toiletvoorziening is het uitgangspunt een losse toiletstoel, die ook in een andere ruimte dan de toiletruimte geplaatst kan worden, eventueel met gebruik van een kamerscherm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1014\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.14</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke huisvesting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen, dat een persoon met beperkingen als gevolg van het aanpassen van zijn woning op grond van de Wmo dubbele woonlasten heeft. In zulke gevallen kan een tegemoetkoming worden verleend, maar hier gelden beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen vergoeding verleend wanneer de dubbele woonlasten redelijkerwijs voorkomen hadden kunnen worden, of wanneer de dubbele woonlasten doorgaans gebruikelijk zijn, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De vergoeding wordt maximaal voor een periode van zes maanden verleend. Er zijn twee mogelijkheden: het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte (de werkelijke kosten worden vergoed met een maximum van de grens zoals bepaald in de Wet op de huurtoeslag); het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte (de maximale tegemoetkoming is € 300,-- per maand).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1015\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.15</span><span class=\"lf-art-t\">Huurderving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na beëindiging van de huur van een aangepaste woning kan aan de wooneigenaar een vergoeding worden verleend. De leegstand moet het gevolg zijn van de aanwezigheid van aanpassingen in de woning die op grond van de Wmo verstrekt zijn. De huurderving van de eerste maand komt niet in aanmerking voor een vergoeding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1016\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.16</span><span class=\"lf-art-t\">Overige zaken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Termijn waarbinnen aanpassingen gerealiseerd moeten zijn De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger is zelf verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van een woningaanpassing. Indien binnen een half jaar na dagtekening van de toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aanvang werkzaamheden en controle Met aanpassingswerkzaamheden mag de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger niet eerder beginnen voordat de maatwerkvoorziening is beschikt. Op dat moment zijn immers alle gegevens beoordeeld en is op grond daarvan bepaald welke aanpassingen nodig zijn en voor verstrekking uit de Wmo in aanmerking komen. Hiermee wordt voorkomen dat een te vroeg aangebrachte aanpassing niet de goedkoopst adequate is. Er kunnen immers ook factoren meegewogen worden die buiten de woonruimte gelegen zijn. Bijvoorbeeld een beschikbare aangepaste woning elders, waardoor een woningaanpassing niet noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Hergebruik vrijkomende aangepaste woningen Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst aan andere personen met een beperking toegewezen worden. Alle aangepaste woningen worden opgenomen in een woningregistratiesysteem. Wanneer achterblijvende gezinsleden van een persoon met beperkingen, deze woning als huurwoning vrijmaken voor een andere persoon met beperkingen, kan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1017\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.17</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassingen aan woonwagens en woonschepen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip als: de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minstens 5 jaar is; de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt; het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen. de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente Barendrecht op de standplaats stond; de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelen In de Wmo gaat het om hulpmiddelen in de categorie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelen ten behoeve van vervoer Hulpmiddelen ten behoeve van zittend verplaatsen Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de woning Hulpmiddelen ten behoeve sportbeoefening Hulpmiddelen waarin ad 1 t/m 4 niet volstaan 11. Hulpmiddelen ten behoeve van vervoer De gemeente Barendrecht biedt vervoersvoorzieningen aan mensen met mobiliteitsbeperkingen.Hiermee kunnen zij zich in en om het huis verplaatsen en buitenshuis afstanden afleggen. Hierdoor kunnen zij deelnemen aan de maatschappij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aangepaste fiets of een scootmobiel op vakantie meenemen naar het buitenland is toegestaan. Wel moet dit vooraf worden gemeld in verband met verzekeringen en wettelijke aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en de regio. Een cliënt kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen als hij/zij aantoonbare beperkingen heeft waardoor hij/zij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken en als hij/ zij niet in staat is gangbare en gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter, fiets etc. te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en in de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp Het is van belang de mogelijkheden van gebruikelijke hulp goed te onderzoeken. Gebruikelijke hulp is de algemeen aanvaarde hulp die in redelijkheid verwacht mag worden van partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor een ondersteuningsvraag bij het vervoer in de directe woonomgeving en in de regio betekent dit dat, als de hulpvrager huisgenoten heeft in staat worden geacht voor dit vervoer te kunnen voorzien zij verondersteld worden dit ook te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen met beperkingen die met begeleiding met het openbaar vervoer kunnen reizen, moeten zelf voor een begeleider te zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat bij vervoersvoorzieningen om de vervoersbehoefte in het leven van alledag en is bedoeld om een sociaal isolement te voorkomen. Dit betekent niet, dat elke wens kan worden gehonoreerd. Steeds zal de afweging plaatsvinden tussen de vervoersbehoefte en de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de Wmo worden geen vervoersvoorzieningen verstrekt die voor een persoon met beperkingen algemeen gebruikelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1 Vervoersvoorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen Personen met beperkingen kunnen ook op grond van andere regelingen in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Dat zijn voorliggende voorzieningen. In dat geval heeft de persoon met beperkingen geen recht op een Wmo-vervoersvoorziening. Alvorens over te gaan tot advisering van een Wmo-vervoersvoorziening moet het helder zijn dat er geen andere wettelijke regeling van toepassing is of kan zijn. Daarom kan de cliënt gevraagd worden om de beschikking van de verstrekking van een vervoersvoorziening/of afwijzing van een andere wettelijke regeling te overleggen. Denk hierbij aan de cliënt die een Wlz indicatie heeft en die verzilvert ineen pgb. Vervoer van en naar de dagbesteding en logeren valt dan onder de kosten die uit dat pgb betaald moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denk aan de kosten die de zorgverzekering vergoed voor kosten voor medische ritten. Vervolgens kan de gemeente beoordelen of deze reeds verstrekte vervoersvoorziening gezien alle omstandigheden minimaal volstaan om aan de samenleving te kunnen deelnemen of dat een aanvullende Wmo-vervoersvoorziening moet worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Vijf afwegingen Als het openbaar vervoer onvoldoende bereikbaar en bruikbaar is voor mensen met beperkingen en als hij/ zij niet in staat is gangbare en gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter en fiets te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en in de regio, kan de gemeente alternatieven aanbieden. Eerst wordt gekeken naar een collectieve vervoersvoorziening, zoals de regiotaxi. Is die niet adequaat , dan kan de gemeente een maatwerkvoorziening in natura of pgb verstrekken Hierbij worden de volgende afwegingen gemaakt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaat het om deelname aan het leven van alledag?</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld om te kunnen deelnemen aan het leven van alledag. Een vervoersvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van belemmeringen die een persoon met beperkingen bij het vervoer buitenshuis ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de vervoersbehoefte?</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke verplaatsingen zijn voor de persoon met beperkingen van belang om maatschappelijk te kunnen participeren? En hoe ver ligt deze bestemming? Aan de hand daarvan kan worden bepaald wat de vervoersbehoefte is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is het verplaatsingsmotief?</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening is bedoeld om deel te nemen aan het leven van alledag. Bij de Wmo gaat het om maatschappelijk verkeer, het vervoer per vervoermiddel dat nodig is voor het leven van alledag. Uitgangspunt is niet de gewoonten die de cliënt heeft, maar wat de invloed van de beperkingen van de cliënt zijn op zijn eigen mogelijkheden om in zijn vervoersbehoefte te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de frequentie van vervoer?</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de vervoersbehoefte te kunnen bepalen, gaat het om de vraag: hoe vaak moet een persoon met beperkingen naar een bepaalde bestemming om maatschappelijk te kunnen participeren? Dus om deel te nemen aan het ‘leven van alle dag’ en om de sociale contacten te onderhouden?</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3Primaat van het collectief vervoer (Wmo vervoer Regiotaxi BAR) Collectief vervoer is bedoeld voor vervoer in de regio. Indien het collectief vervoer niet adequaat is of niet volstaat, dan wordt gekeken of en welke maatwerkvoorziening een oplossing voor het vervoersprobleem is. Een combinatie van vervoersvoorzieningen is – in uitzonderlijke gevallen – ook mogelijk. Zo verstrekt de gemeente een vervoersvoorziening op maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente hanteert het primaat van het collectief vervoer vanuit het uitgangspunt ‘collectief als het kan, individueel als het moet’. Zowel onder de Wet voorziening gehandicapten (Wvg) als onder de Wmo 2007 is dit primaat in ruime mate juridisch getoetst door de CRvB. Onder de Wvg hield deze regel stand. Onder de Wmo 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat ook bij collectief vervoer de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende moeten meewegen en dat collectief vervoer daarmee een individuele voorziening is. Er gaat immers een indicatieprocedure aan vooraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de cliënt alleen op indicatie van een Wmo-klantmanager gebruik kan maken van het collectief vervoer, is het collectief vervoer een maatwerkvoorziening. Deze maatwerkvoorziening wordt echter collectief uitgevoerd vanuit het uitgangspunt: goedkoopst adequaat. Hierbij is het volgende van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een pgb is hiervoor niet mogelijk. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening in natura of pgb is verstrekt, ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt een maximum van 1000 km. verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de cliënt aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b niet volstaat doet de klantmanager onderzoek naar de onderliggende oorzaken hiervoor. Als het gaat om veel medische ritten die aantoonbaar gemaakt moeten worden kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. Voorwaarde hierbij is wel dat de cliënt geen gebruik kan maken van de extra vergoeding voor medische ritten uit de aanvullende polis van de zorgverzekeraar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Barendrecht gaat er vanuit dat 5 zones (zones van het openbaar vervoer) voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. Dit standpunt heeft sinds de Wvg in de jurisprudentie stand gehouden. Het collectief vervoer rijdt in geheel Barendrecht (instapzone) plus 5 OV- zones rond Barendrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding tijdens vervoer Een persoon met verstandelijke beperkingen komt alleen in aanmerking voor een vervoersvoorziening wanneer hij langdurig geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Dit kan aan de orde zijn vanwege lichamelijke beperkingen en een gedragsstoornis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen met verstandelijke beperkingen en/of een psychische stoornis die in aanmerking komen voor collectief vervoer moeten zelf voor een begeleider zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor de aantekening ‘medische begeleiding’ op de vervoerspas in aanmerking te komen, is een indicatie door de Wmo-klantmanager of externe adviseur nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan een begeleiderindicatie voor een vervoersvoorziening worden toegekend als: de persoon met beperkingen agressief gedrag vertoont; de persoon met beperkingen dwaalgedrag vertoont; de persoon met beperkingen een zware vorm van incontinentie heeft, waarvoor adequaat incontinentiemateriaal niet voor volstaat; de persoon met beperkingen afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Client wenst geen gebruik te maken van de regiotaxipas Voorheen had de gemeente de bevoegdheid een financiële vergoeding te verstrekken als tegenwaarde van de regiotaxipas, zodat de cliënt dit bedrag kon besteden voor een aanpassing van de auto of een gehandicaptenvoertuig. Hiermee kocht de gemeente voor de duur van zes jaar een recht op een vervoersvoorziening af. De Wmo 2015 biedt echter geen ruimte meer tot het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Client die geen gebruik kan maken van de regiotaxi Als een cliënt aangeeft geen gebruik te kunnen maken van de regiotaxi moet de klantmanager onderzoeken wat hiervoor de onderliggende oorzaken zijn. Dit gebeurt alleen als andere voorzieningen op medische- en/ of gedraggerelateerde gronden niet geschikt zijn en er sprake is van geïndiceerd individueel vervoer. Om dit te kunnen beoordelen is een medisch en/of gedragsdeskundige advies noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectief vervoer buiten de regio Het collectief vervoer op grond van de Wmo moet aansluiting hebben op bovenregionale vervoerssystemen. Een bovenregionaal vervoerssysteem specifiek voor personen met beperkingen is Valys. Cliënten die een regiotaxipas hebben en/of rolstoelafhankelijk zijn, kunnen een aanvraag hiervoor bij het landelijke uitgiftekantoor in Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Maatwerkvoorziening in natura of pgb Het kan zijn dat collectief vervoer niet volstaat omdat het niet voorziet in de vervoersbehoefte in de directe woon- en leefomgeving. Onder de directe woonomgeving wordt een straal van 1,5 km verstaan. Hierbij moet men denken aan het binnen de directe woonomgeving zelf boodschappen doen, de huisarts bezoeken, familie bezoeken etc. Voor deze verplaatsingen is het over het algemeen niet adequaat of zelfs onmogelijk gebruik te maken van het collectieve vervoerssysteem of van een taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie van de CRvB heeft bepaald dat de gemeente bij een maximale loopafstand van 100 meter van de cliënt , die niet het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken, indien adequaat een aanvullende individuele voorziening moet verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt niet adequaat als de cliënt voor iedere afstand verder dan 100 meter en binnen 1,5 km een taxi voor collectief vervoer zou moeten bellen. Het bevorderen van de zelfstandigheid binnen de directe woonomgeving is meestal de reden dat er aanvullend op het regiotaxivervoer een maatwerkvoorziening voor deze gebruiksdoelen onder bepaalde voorwaarden een maatwerkvoorziening in natura of pgb mogelijk is. Denk hierbij aan een: een open elektrische buitenwagen (scootmobiel), op de beperkingen van de persoon aangepast fiets; een handbike, pendel gesloten buitenwagen overige vervoersmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal kilometers voor gebruik van de regiotaxi wordt dan wel teruggebracht naar 1000 km per jaar, aangezien in een flink deel van de vervoersbehoefte kan worden voorzien met de aanvullende maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo klantmanager stelt het programma van eisen op waaraan de maatwerkvoorziening in natura of pgb moet voldoen om het gebruiksdoel mogelijk te maken. a.Een open elektrische buitenwagen (scootmobiel) Naast de criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel, beoordeelt de Wmo-klantmanager ook of de verwachting is dat de cliënt in staat is een scootmobiel te besturen en of hij/ zij in staat is veilig aan het verkeer deel te nemen. Redenen tot afwijzing kunnen zijn: onvoldoende geestelijke gesteldheid, slechtziendheid, medicijngebruik, gebrek aan verkeersinzicht. Er moet met name goed gekeken worden naar de rijvaardigheid van mensen, die in het verleden een hersenbloeding hebben gehad. Bij een persoon met beperkingen met epilepsie moet worden bekeken hoe lang betrokkene al aanvalsvrij is. Indien twijfels bestaan over rijvaardigheid en veiligheid kunnen rijvaardigheidslessen een onderdeel van de toekenningsprocedure vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaardigheidstraining scootmobielgebruik Er zijn twee mogelijkheden: proeflessen of gewenningslessen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Proeflessen worden gegeven als de cliënt tijdens het aanmeten van de scootmobiel niet rijvaardig is gebleken. De cliënt moet eerst maximaal vijf lessen volgen om zijn rijvaardigheid te verbeteren. Bij de laatste les wordt beoordeeld of de persoon met beperkingen voldoende rijvaardig is voor toekenning van de scootmobiel. Een scootmobiel bij twijfel op proef geven wordt uit veiligheidsoverwegingen niet gedaan. De proeflessen worden bij een eerstelijns ergotherapeut afgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewenningslessen worden gegeven als tijdens het aanmeten blijkt dat de cliënt voldoende vaardigheden heeft, dan kunnen maximaal drie gewenningslessen worden gevolgd om vertrouwd te raken met de scootmobiel en er veilig mee om te kunnen gaan. De scootmobiel wordt toegekend en geleverd en de training wordt met de toegekende scootmobiel gegeven. Meestal gaat het bij gewenningslessen om specifieke manoeuvres die getraind moeten worden. Bijvoorbeeld: het gebruik van de toegang tot een winkel of op- en afritjes van het trottoir veilig nemen. De gewenningslessen worden verzorgd door de leverancier van de te verstrekken scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor het verstrekken van een scootmobiel Er kan niet op een andere wijze worden voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte voor het leven van alledag zoals via een fiets met lage instap, fiets met klein frame, elektrische fiets etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het collectief vervoer alleen kan niet in de vervoersbehoefte voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een medisch/ergonomische noodzaak tot het verstrekken van een scootmobiel.</p></div>", "next": 239655}