{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening of de Landschapsverordening Noord Brabant.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van reclamevoertuigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van grote voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 123</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen, dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 116 onder a; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Collecteren, venten en uitstallingen.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inzameling van geld of goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor instellingen, die zijn opgenomen in het jaarlijkse collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 127</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Venten en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een staanplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan huis is verboden elke dag na 18.00u.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan het college openbare plaatsen, dagen of uren aanwijzen waarop het verboden is om te venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op: situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitstallingen op de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Lijkbezorging.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdvak voor begraven en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden te begraven of asbussen bij te zetten buiten het tijdvak van 08.00 uur tot 16.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onbetamelijk gedrag op een begraafplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een begraafplaats nodeloos rumoer te maken of zich anderszins onbetamelijk te gedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 131</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenieder is verplicht de aanwijzingen op te volgen, die door of namens de rechthebbende op een begraafplaats gegeven worden met betrekking tot het uitvoeren van werkzaamheden of in het belang van de orde en rust op de begraafplaats.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 132</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Crossterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 133</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking verkeer in natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan het verklaart, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: a. zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel b. zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorvoertuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als “toestel”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Verbod vuur te stoken.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet Milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke en vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde melding dient uiterlijk zes weken, voordat de voorgenomen activiteit plaats zal vinden te worden gedaan bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan de activiteit verbieden dan wel daaraan voorschriften verbinden met het oog op de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de bescherming van flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429 aanhef en onder 1. of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Milieuverordening Noord Brabant.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6. Overig</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 135</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van tatoeages.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die er een beroep van maakt handelingen te verrichten, waarbij de huid van degene die zich tot hem wenden, wordt gepenetreerd, is verplicht ervoor te zorg te dragen dat deze handelingen op een zodanige wijze plaatsvinden dat overdracht van ziektekiemen daarbij wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in lid 1 genoemde verplichting geldt ook voor de exploitant van een inrichting, waar bedoelde handelingen verricht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in lid 2 bedoelde exploitant alsook de in lid 1 genoemde persoon is verplicht om aan personen die door het college zijn belast met het toezicht op de naleving van het in lid 1 bepaalde, toegang te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan terzake van de in lid 1 bedoelde handelingen aanwijzingen geven ten aanzien van het voorkomen van overdracht van ziektekiemen. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en dienen te worden opgevolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 136</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de bestuurder, eigenaar of houder van een motorvaartuig verboden dit aanwezig te hebben dan wel er mee te varen op een door het college bij openbare kennisgeving aangewezen waterplas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de eigenaar of houder tevens verboden het motorvaartuig te plaatsen of geplaatst te houden binnen een afstand van tien meter van een krachtens het bepaalde in het eerste lid aangewezen waterplas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder motorvaartuig wordt verstaan een vaartuig, dat bestemd is om te worden voortbewogen uitsluitend of mede door mechanische kracht op of aan het vaartuig zelf aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor vaartuigen, die worden gebruikt voor baggerwerkzaamheden of ten behoeve van de openbare dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Strafbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde alsmede van de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toezichthouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de ambtenaren van de afdeling Veiligheid en Wijken, ieder voor zover het betreft zaken, die aan hun toezicht zijn toevertrouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij het besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens zijn met het toezicht belast de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnentreden woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 140</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking daags na bekendmaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van die dag vervalt de Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg bij besluit van 19 maart 2018.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 141</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 140 tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 142</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanhalingstitel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 1 juli 2019 de griffier, de voorzitter, Bijlage 1. Gebied Spoorzone Toelichting bij de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op (verboden) gedragingen \"op of aan de weg\". De omschrijving van \"weg\" is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de verschillende provinciale wegenreglementen). Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip \"weg\":</p>\n<p class=\"lf-p\">De \"(Openbare) weg\" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte; de \"weg\" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg, in te grijpen; de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder uiteenlopende formuleringen-voorkomt in verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen. De volgorde is die van eng naar ruim: \"openbare wegen\" zijn ook \"wegen die voor het openbaar verkeer open staan\", maar niet alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de \"voor het publiek toegankelijke plaatsen\" kunnen de \"openbare wegen\" en de overige\" voor het openbaar verkeer openstaande wegen\" gerekend worden, maar het begrip is daarmee niet uitgeput.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor bewoning bestemde ruimten, voor zover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn. Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg, ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn, maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van bepalingen uit de APV van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Rechthebbende Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de eigenaar en/of huurder van een goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Voertuig In artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV 1990) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model)Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Handelsreclame Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden zijn algemeen geformuleerd. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Over het belang van dierenwelzijn als aparte weigeringsgrond heeft de Afdeling beslist dat deze in strijd is met hogere regelgeving. Met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren in samenhang met de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften is beoogd het dierenwelzijn uitputtend te regelen (ABRvS 26-08-2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6075). Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Artikel 2 APV biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan tien weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan vergunning of ontheffing wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 4 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter, blijkende uit het woord \"kan\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, zal het veelal gehouden zijn om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen conform het bepaalde in artikel 4:8 Awb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz. Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de vergunning op naam van een persoon. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de Omgevingsvergunning van artikel 114a APV en de aflevergunning consumentenvuurwerk uit artikel 92 APV van een zakelijk karakter heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Voorzover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Artikel 6 bevat daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 6a en 6b wordt geregeld voor welke vergunning wel en voor welke niet het lex silencio beginsel geldt. Dit beginsel houdt in, dat bij overschrijding van de wettelijke beslistermijn de vergunning geacht wordt van rechtswege te zijn verleend. De gevolgen hiervan zijn geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Awb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6b</span><span class=\"lf-art-t\">Uitsluiting lex silencio positivo beginsel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 6a en 6b wordt geregeld voor welke vergunning wel en voor welke niet het lex silencio positivo beginsel geldt. Dit beginsel houdt in, dat bij overschrijding van de wettelijke beslistermijn de vergunning geacht wordt van rechtswege te zijn verleend. De gevolgen hiervan zijn geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Awb.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare orde</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder “samenscholing” is in dit verband te verstaan “het groepsgewijs bij elkaar komen van mensen, die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben” (Van Dale). Met andere woorden: dit begrip heeft een negatieve betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uiteraard niet de bedoeling op te treden tegen een verzameling van personen, die niets kwaads in de zin heeft (samenscholing in de neutrale betekenis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van dit artikel zal dan ook slechts in het uiterste geval, ter voorkoming van ongeregeldheden, plaats mogen vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de nieuwe formulering van dit artikel wordt aan een politieambtenaar dan wel een buitengewoon opspringsambtenaar expliciet de bevoegdheid gegeven om bevelen te geven ter voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden. Dit is nodig op grond van een uitspraak van de Hoge Raad en daarop gebaseerde lagere rechtspraak, die personen, die vervolgd werden op basis van het oude tweede lid - waarin die bevoegdheid slechts impliciet was opgenomen - hebben vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ieder, die het bevel niet opvolgt is strafbaar op grond van het bepaalde in artikel 137 APV (strafbepaling).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7a-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7a</span><span class=\"lf-art-t\">Straatintimidatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt beoogd verschillende vormen van straatintimidatie te verbieden. Het artikel strekt tot bescherming van de openbare orde en het voorkomen van overlast en heeft zowel betrekking op gedragingen van een individu, als van een groep. Het artikel vormt een aanvulling op hetgeen hieromtrent in het Wetboek van Strafrecht al strafbaar is gesteld (bijvoorbeeld art. 266 Sr). Het motief van deze strafrechtelijke regels is vooral gelegen in de bescherming van iemands eer en goede naam en de persoonlijke integriteit. Het motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht kan uitsluitend diegene tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen. Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Door een bepaling in de APV op te nemen is het mogelijk om op te kunnen treden tegen dit soort ongewenst gedrag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gedragingen die als straatintimidatie bestempeld kunnen worden, kan gedacht worden aan zowel verbale als fysieke vormen van intimidatie zoals het hinderlijk achternalopen of blokkeren van de doorgang, ongewenste aanrakingen, spugen, aanstootgevende gebaren, schelden, denigrerende opmerkingen maken en het doen van oneerbare voorstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belediging, bedreiging, mishandeling en aanranding zijn strafbare feiten en daarvoor is aangifte doen bij de politie de aangewezen weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 154a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentewet geeft de burgemeester onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid om groepen van personen wat genoemd wordt “bestuurlijk op te houden”. Hieronder wordt verstaan, dat deze naar een daartoe aangewezen plaats kunnen worden overgebracht en gedurende maximaal 12 uur aldaar kunnen worden vastgehouden. De plaats dient te voldoen aan een aantal in een algemene maatregel van bestuur opgenomen eisen (Besluit plaatsen bestuurlijke ophouding van 28 april 2000) Deze bevoegdheid mag de burgemeester gebruiken, indien er sprake is van een groepsgewijze overtreding van lokale regels, die ter handhaving van de openbare orde zijn gesteld, en deze overtreding tot gevolg heeft, dat er ernstige wanordelijkheden ontstaan c.q. dat er ernstige vrees bestaat, dat die zullen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken is daarbij aan situaties als relletjes rond voetbalwedstrijden of uit de hand lopende betogingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat wordt overgegaan tot effectuering van de ophouding moeten de personen uit de groep in de gelegenheid worden gesteld de ophouding te voorkomen door alsnog de overtreding van de voorschriften te staken. In concreto betekent dit, dat de ophouding eerst kan worden toegepast, nadat de personen zijn gewaarschuwd en zij hun gedrag niet hebben aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuurlijk ophouden heeft ten doel in dat soort situaties relschoppers gedurende enige tijd te kunnen vasthouden en van de plek des onheils vandaan te kunnen halen en houden. Daarbij hoeft niet vastgesteld te worden, dat de individuele persoon zich schuldig heeft gemaakt aan bepaalde strafbare feiten, maar is het voldoende, dat deze persoon van een groep deel uitmaakt, die zich daaraan schuldig maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot ophouding is een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, Awb. Tegen de beschikking kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de rechtbank en tevens kan een voorlopige voorziening worden gevraagd. De Gemeentewet bevat aangepaste procedurevoorschriften voor deze rechtsgang, gericht op een snelle behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid dient aan de burgemeester gegeven te zijn in een expliciete bepaling in een verordening, in dit geval de APV. Tevens dient deze bepaling een opsomming te bevatten van de artikelen uit de APV, die, bij groepsgewijze overtreding daarvan, aanleiding kunnen vormen tot het toepassen van het middel van bestuurlijke ophouding. In artikel 8 is dit nader uitgewerkt. Voorbeelden van artikelen, bij overtreding waarvan bestuurlijke ophouding aan de orde kan zijn, zijn het artikel, dat het beschadigen van de weg verbiedt (gooien met stoeptegels) of het artikel dat verbiedt met messen, knuppels e.d. rond te lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijke ophouding kan ook worden toegepast bij overtreding van noodbevelen of van een noodverordening. Dit hoeft niet in de APV te worden geregeld, maar vloeit rechtstreeks voort uit artikel 176 a Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Preventief fouilleren</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 151b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentewet bepaalt, dat de raad de burgemeester de bevoegdheid kan geven “veiligheidsrisicogebieden” aan te wijzen bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens in dat gebied dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. In zo’n gebied kan de Officier van Justitie vervolgens de politie gelasten over te gaan tot het preventief fouilleren op het bezit van wapens De aanwijzing van het gebied kan slechts geschieden voor beperkte duur en moet ingetrokken worden zodra de (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde niet meer aanwezig is. Vooraf dient de burgemeester te overleggen met de Officier van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing tot aanwijzing van zo’n gebied dient op schrift te worden gesteld en zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad gebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijk besluit is niet vatbaar voor bezwaar en beroep, in die zin, dat krachtens de jurisprudentie niemand als belanghebbende bij zo’n besluit kan worden aangemerkt. Het besluit van de burgemeester heeft formeel namelijk nog geen gevolgen, het heeft pas effect als vervolgens de Officier van Justitie besluit ook daadwerkelijk tot preventieve fouillering over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 verleent de burgemeester de hierboven toegelichte bevoegdheid. Van deze is al een aantal malen gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9 a Cameratoezicht Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid te besluiten tot het plaatsen van camera’s op openbaar toegankelijke plaatsen. Per 1 juli 2016 is de Gemeentewet gewijzigd in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht (Stb. 2016, nummer 130) in werking getreden. Op grond van het hierbij gewijzigde artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad thans bij verordening – zoals de APV – de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, als dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten om voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn. Niet langer is deze mogelijkheid beperkt tot het plaatsen van vaste camera’s, thans behoort ook mobiel cameratoezicht tot de mogelijkheden. Met de wijziging van artikel 9a eerste lid, van de APV (het woord ‘vaste’ komt te vervallen) wordt van de mogelijkheid om de bevoegdheid van de burgemeester te verruimen gebruik gemaakt. Of deze (verruimde) bevoegdheid ingezet wordt blijft uiteindelijk ter beoordeling van de burgemeester, die hierbij onder andere gehouden is aan de kaders en procedures zoals deze zijn uiteengezet in artikel 151c van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is bepaald, dat daadwerkelijke plaatsing geschiedt in overleg met de officier van justitie en dat voor het publiek kenbaar moet zijn dat er op een bepaalde plaats sprake is van cameratoezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cameratoezicht mag uitsluitend ingesteld worden als dit noodzakelijk is ter handhaving van de openbare orde. Dat neemt niet weg, dat de beelden wel gebruikt mogen worden, als dat nodig is voor de opsporing van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip openbare plaatsen is verder omschreven in artikel WOM. De eigendomssituatie is niet doorslaggevend voor de vraag of een plaats openbaar is, maar uitsluitend de mate van feitelijke openbare toegankelijkheid van de plaats, dus ook in particuliere eigendom zijnde plaatsen kunnen onder omstandigheden openbaar zijn (b.v. winkelpassages).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare manifestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wet openbare manifestaties bevat een eenvormige regeling voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt onder “openbare plaats” verstaan: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijk zal zijn, dat het gaat om collectieve uitingen. Bij een betoging gaat het er met name om, om met zoveel mogelijk mensen uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de uitoefening van de grondrechten uit de artikelen 6 en 9 van de Grondwet opgedragen aan de gemeente. Dit hangt samen met het gegeven dat met name het houden van een betoging een directe relatie heeft met de plaatselijke openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het oogpunt van deregulering, maar ook om zo weinig mogelijk barrières op te werpen tegen de uitoefening van onderhavige grondrechten, is niet gekozen voor een vergunning-, maar voor een kennisgevingsstelsel. Dat brengt met zich mee, dat de organisator van een openbare manifestatie vóór de openbare aankondiging ervan en tenminste 48 uur, voordat de manifestatie gehouden wordt, een schriftelijke kennisgeving dient te verstrekken aan de burgemeester. In de kennisgeving moeten bepaalde gegevens opgenomen worden, o.a. over het doel van de samenkomst en de maatregelen die de organisator genomen heeft om een ordelijk verloop van de manifestatie te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking aanbieding gedrukte en geschreven stukken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel opent de mogelijkheid de aanbieding van drukwerk, maar ook een aantal andere activiteiten op de openbare weg, zoals het werven van leden of het uitdelen van producten voor een bepaald gebied en of gedurende een bepaalde tijd te verbieden. Dergelijke activiteiten hebben namelijk met name in winkelgebieden op drukke tijden een zeer negatieve invloed op de doorstroming van het (voetgangers)verkeer en daarmee op de bruikbaarheid van de weg. Om het artikel “operationeel” te maken, dient het college op grond van het tweede lid een uitvoeringsbesluit te nemen. Overwogen wordt dit te doen voor het kernwinkelgebied gedurende de drukke dagen c.q. dagdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester en wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel geldt niet voor zover het betreft rijks- of provinciale wegen. Op grond van lid 8 kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten gevolge van dit besluit komt de verplichting om een vergunning te hebben om van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen, stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. In 2019 is hieraan nog het gebruik van de weg voor het plaatsen/aanbrengen van een gevelbankje voor een woning aan toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In maart 2008 is ook de vergunningplicht vervallen voor reclameborden, voor zover deze niet op of in de openbare weg worden geplaatst. In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten en gedenktekens een meldingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in het zesde lid onder b., c. en d. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Daarnaast heeft het college algemene regels opgesteld, waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en heeft het in dat kader b.v. ook bepaald, dat plaatsing van uitstallingen in een bepaald gebied niet is toegestaan. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van reclameborden op of aan een onroerende zaak is geregeld in artikel 114 en artikel114a APV (zie aldaar). Artikel 114a schept een vergunningplicht voor bijvoorbeeld reclame-uitingen aan de gevel, op het dak van een pand of op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen, die vallen onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan ander dan woongebouwen op grond van de Woningwet wel een omgevingsvergunning vereist blijft. Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: Door deze toevoeging staat buiten kijf dat ook voor de aanleg van kabels en leidingen onder de weg - voor andere dan nutsbedrijven - een vergunning nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit de leden 3 en 4 blijkt, geldt er een behoorlijk aantal uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals omschreven in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 gaat het behalve over de rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid, ook over nutsbedrijven, zoals TWM en Essent.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 wordt gesproken over de Telecommunicatiewet. In deze wet is voor de gemeenten een gedoogplicht vastgelegd voor werkzaamheden die verband houden met de aanleg van telecommunicatiekabels en daarmee samenhangende voorzieningen. De APV kan dus geen regels meer bevatten die de aanleg van die kabels en voorzieningen kunnen belemmeren en de aanleg vergunningplichtig kunnen maken. Verder wordt nog verwezen naar Telecommunicatieverordening, zoals die op 21 juni 1999 door de raad is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk geldt de vergunningplicht dus met name voor bedrijven die kabels naar hun vestiging willen laten aanleggen en daarvoor de barrière van een weg moeten nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Maken en veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is geen sprake meer van een vergunningstelsel maar van een meldingsplicht. Omdat geen vergunning meer nodig is, komt ook de verplichting om leges te betalen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het van belang blijft om te beoordelen of de aanleg van een uitrit geen gevaar voor het verkeer oplevert of een onaanvaardbare aantasting van een groenvoorziening dan wel de bruikbaarheid van de weg, blijft er wel sprake van een beoordeling door de gemeente. Tevens blijft het mogelijk om aan de uitvoering van de uitrit voorschriften te verbinden. Dit is nodig omdat er sprake is van uitwegen op de openbare weg en de gemeente aansprakelijk is, als er een gevaarlijke situatie zou ontstaan voor het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om diezelfde reden en in het belang van een kwalitatief goede openbare ruimte, zal het aan de melder in het algemeen niet toegestaan worden om, indien er werkzaamheden in het openbaar gebied moeten plaatsvinden, deze zelf te verrichten, maar zullen deze door een door de gemeente aan te wijzen aannemer onder regie van de gemeente, maar op kosten van de melder, verricht worden. Tot aanleg van de uitrit wordt niet overgegaan dan nadat de melder zich hiermee akkoord heeft verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken gladheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verbodsbepaling van het eerste lid spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt gewezen op artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerstgenoemde artikel heeft betrekking op het verbod om iets uit een gebouw te werpen of te gieten, op een zodanige wijze dat tengevolge hiervan iemand, die van de openbare weg gebruikt maakt, daarvan nadeel ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet houdt het verbod in zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is dus sprake van gedrag dat valt onder één van beide genoemde artikelen, dan is artikel 16 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van het rondslingeren van winkelwagentjes op of langs de weg ligt bij de rechthebbende op een winkelbedrijf. Indien het winkelend publiek winkelwagentjes op of langs de weg achterlaat, dan rust op de eigenaar van het winkelbedrijf dan ook de plicht deze op te halen en deze op zijn terrein ordelijk op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschreven “ophaalplicht” is de winkelier opgelegd, omdat hij het ook in zijn macht heeft een dusdanig systeem te hanteren, dat het euvel van het rondslingeren wordt voorkomen, bijvoorbeeld door de hantering van een muntmechanisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om ook op te kunnen treden tegen mensen die de winkelwagentjes mee naar huis nemen is het tweede lid aan de bepaling toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij raadsbesluit van 13 november 2000 is de bevoegdheid tot het instellen van het rookverbod in natuurgebieden toegekend aan de burgemeester. Voorheen berustte die bevoegdheid bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding tot deze wijziging van bevoegdheidstoedeling vormde de vaststelling door het bestuur van de Regionale Brandweer Midden Brabant van een “Procedure rookverbod natuurgebieden”. Onderdeel van dit rapport vormde een lijst van 8 natuur- en bosgebieden, waarvoor een rookverbod ingesteld zou moeten kunnen worden. Voor Tilburg ging het om het waterwingebied van TWM.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het rapport wordt verder aangegeven dat de noodzaak tot het instellen van een rookverbod binnen enkele uren kan ontstaan, weshalve het van belang is dat zo’n verbod binnen 24 uur kan worden genomen. In dat kader past het die bevoegdheid bij de burgemeester neer te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt verder voor zich dat het doel van het rookverbod is bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 wordt nog gesproken over het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e van het Wetboek van Strafrecht. In concreto gaat het over de strafbaarstelling van de persoon, die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Sneeuwruimen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan handhaving van de verplichting tot sneeuwruimen, zodat in voorkomende gevallen ook een optreden mogelijk is tegen nalatige burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare bepaling komt in de model APV van de VNG overigens niet (meer) voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt aan de rechthebbende op een bouwwerk een gedoogplicht opgelegd. Deze gedoogplicht kan echter niet zo ver gaan dat er sprake is van een beperking van het gebruiksrecht van de eigenaar van het bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel gaat overigens verder dan het vergelijkbare artikel uit de model APV. Deze kent niet het onderdeel: en/of openbare orde en veiligheid. Dat deel is bij raadsbesluit van 13 maart 2000 toegevoegd aan het opschrift en opgenomen in de tekst. Dit had te maken met het voornemen om videocamera’s aan te brengen in het horecaconcentratiegebied. Deze zijn inmiddels ook aangebracht. Hiermee kan toezicht uitgeoefend worden, dat preventief optreden kan vergemakkelijken. Ook kan echter met behulp van verkregen beeldmateriaal de opsporing van stafbare feiten bevorderd worden. Ook repressief optreden is er dus beter mee mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 is bepaald dat het college, alvorens de voorzieningen worden aangebracht, de rechthebbenden van het betreffend besluit op de hoogte stelt. Dit besluit is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb en is dus vatbaar voor bezwaar en beroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer en openbare verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel hangt direct samen met artikel 22. Daar waar een gedoogplicht bestaat, geldt strikt genomen immers ook een verbod tot verwijdering, beschadiging etc. van betreffende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de model APV ontbreekt een soortgelijke bepaling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Toezicht op evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de omschrijving van het begrip evenement is de zgn. negatieve benaderingsmethode toegepast. Uitgaande van een algemeen geldend criterium: elk voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, wordt vervolgens enige evenementen genoemd die niet onder de definitie vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de jaarlijkse Tilburgse kermis, die van gemeentewege georganiseerd wordt, valt niet onder het begrip: evenement. Voor deze kermis is een aparte verordening in het leven geroepen. Daarnaast zijn er in de APV echter nog twee specifieke artikelen die de publiekrechtelijke regeling van de kermis betreffen. Het gaat om artikel 52 (innemen standplaats) en artikel 53 (openstellingstijden attracties). Deze artikelen richten zich tot de kermisexploitanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het eerste lid, onder d, is voor evenementen in openbare inrichtingen geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund het evenement betrekking heeft op de reguliere exploitatie van de horeca-inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het eerste lid, onder f, is voor sporttoernooien of sportwedstrijden die tot de reguliere bedrijfsvoering van het gebouw vallen geen vergunningsplicht. Dit is wel het geval voor sportwedstrijden die een full contact vechtsport betreffen. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het tweede lid, onder c, d, en e zijn rommelmarkten, straat- en buurtfeesten en straatspeeldagen een evenement waarvoor een kennisgeving moet worden gedaan danwel een vergunning moet worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het derde lid, worden vier categorieën onderscheiden, namelijk kennisgevingsevenementen, en A-, B- en C- evenementen. Op basis van de risicomatrix worden evenementen ingedeeld in deze verschillende risiconiveaus. Deze matrix houdt rekening met het risico en de mate waarin operationele voorbereiding en uitvoering door één of meer diensten op het gebied van Openbare Orde en Veiligheid al dan niet noodzakelijk of voorstelbaar wordt geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het houden van een evenement is een vergunning noodzakelijk. De burgemeester is het bestuursorgaan om zo’n vergunning al dan niet te verlenen. Hij toetst de aanvraag tegen de achtergrond van vier nader aangegeven belangen. In dat verband kan hij ook nadere voorschriften verbinden aan een vergunning tot het houden van een evenement. Die voorschriften moeten in het verlengde liggen van deze belangen. De organisator dient een aanvraag in door middel van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier. Op deze wordt de organisator geholpen alle informatie in één keer te verstrekken en wordt voorkomen dat de behandeling van de aanvraag onnodig wordt vertraagd doordat er telkens nieuwe informatie moet worden opgevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente introduceert met deze wijziging van de APV de Evenementenkalender die wordt vastgesteld door de burgemeester. Organisatoren moeten voor 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar dat het evenement plaatsvindt het evenement aanmelden. Na beoordeling worden op de Evenementenkalender de evenementen geplaatst die kunnen plaatsvinden. Daarmee wordt aan de organisatoren zekerheid geboden dat het evenement kan plaatsvinden qua tijd en locatie. Er moet dan uiteraard wel nog een evenementenvergunning worden verleend. Dat een evenement op de Evenementenkalender wordt geplaatst betekent niet dat een evenementenvergunning wordt verleend. Dat is afhankelijk van de aard. In “Prettig Geregeld, Hoe organiseert u een evenement in Tilburg” wordt de procedure aan organisatoren uitgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goede regulering van het evenementenbeleid is het mede noodzakelijk dat er een aantal (kwaliteit)eisen wordt gesteld aan de organisator van het evenement. Het vierde lid ziet toe op het feit dat een organisator van een B- of C-evenement niet onder curatele mag staan en de organisator tenminste de leeftijd moet hebben van 18 jaren. Indien hieraan niet is voldaan wordt er in beginsel geen evenementenvergunning afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid ziet toe op de mogelijkheden om een evenementenvergunning te weigeren dan wel in te trekken of te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bescherming van de openbare orde, dan wel de bescherming van de bezoekers van het evenement, de volksgezondheid en het milieu (niet langer) gegarandeerd kan worden, kan een vergunning worden geweigerd of alsnog worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan ook voorschriften verbinden aan de vergunning. Dit is al geregeld in artikel 3 van de APV zodat in artikel 26 geen bepaling hoeft te worden opgenomen. Deze verplichtingen kunnen onder meer betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de \"inrichting\" van het evenement, het maximaal toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te nemen maatregelen ter waarborging van openbare orde en veiligheid, de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven, het activiteitenprogramma, het veiligheidsplan, een inzetschema met betrekking tot het aantal verkeersregelaars en hekken- en bordenplan, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de “inrichting” wordt bedoeld de indeling van het evenemententerreinen de opstelling van de diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals toiletten, (drang)hekken, podia en tribunes.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde lid is opgenomen dat de vergunning kan worden geweigerd in verband met de Wet Bibob. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat voor niet-integere organisatoren geen ruimte in is de gemeente Tilburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de organisator primair verantwoordelijk is voor een ordelijk en veilig verloop van zijn evenement en dat onder meer het overlast gevend nuttigen van alcohol en/of drugs in het publieke domein niet is toegestaan. Primair ligt de handhavende verantwoordelijkheid voor dit onderwerp binnen het evenemententerrein bij de organisator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel waarborgt ook dat kan worden bezien of, en zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van de totaal beschikbare bezetting kan worden ingepast. Voor de politieformatie geldt de voor de \"resterende\" reguliere politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als belangrijkste criterium. In het uiterste geval - indien en voor zover de organisatoren niet bereid of instaat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en er tevens onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de mogelijkheid het evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats of tijd te verbieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">A Kennisgevingsevenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van kleine evenementen is in het kader van de vermindering van administratieve lasten de termijn van kennisgeving 6 weken. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een kennisgeving door middel van een standaardformulier geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement kan met een kennisgeving worden afgedaan, indien aan alle in het artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De burgemeester kan het evenement verbieden indien door het organiseren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De organisator dient aan een toezichthouder te kunnen aantonen dat hij een kennisgeving heeft gedaan. De verplichting om de ontvangstbevestiging te kunnen tonen aan een toezichthouder is opgenomen in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat een kennisgevings-evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Alcoholwet is verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient rekening te worden gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod de orde bij een evenement te verstoren, spreekt voor zich. De leden 2 en 3 geven nog extra verboden in relatie met het plaatsvinden van evenementen. Deze hebben betrekking op ongewenst gedrag en ongewenst bezit van messen en wapens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 en 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten. Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een verbodsbepaling opgenomen in de APV. Deze bepaling houdt in dat het verboden is om bij evenementen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 137. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (vijfde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 bevat de verplichting gevolg te geven aan aanwijzingen die de politie of de brandweer geeft in het belang van de openbare orde of veiligheid. Lid 7 is toegevoegd nu de jaarlijkse kermissen niet onder het begrip evenement vallen zoals bedoeld in artikel 25 APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten. Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een verbodsbepaling opgenomen in de APV. Deze bepaling houdt in dat het verboden is om op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 137. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Strikt genomen valt ook een betaald voetbalwedstrijd onder het begrip: evenement. Gezien de speciale problematiek die met zo’n wedstrijd kan samenhangen, is er echter voor gekozen een aparte bepaling op te nemen. Deze is in overeenstemming met de model-bepaling van het Landelijk Overleg Voetbalvandalisme (L.O.V.). Het is immers van belang dat er op dit terrein zoveel mogelijk dezelfde regels gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het artikel blijkt dat er voor het spelen van een betaald voetbalwedstrijd geen vergunning nodig is. Voor de organisator geldt een verplichting tot een kennisgeving/melding. Daarvoor moet hij gebruik maken van een formulier dat de burgemeester daartoe heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 maakt het mogelijk dat de burgemeester bij een wedstrijd met een verhoogd risico een alcoholverbod of iets dergelijk oplegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 bevat de bevoegdheid van de burgemeester om het spelen van een voetbalwedstrijd zelfs te verbieden. Dat doet zich o.a. voor indien er vrees bestaat voor ernstige verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 9 is bepaald dat de burgemeester een wedstrijd ook als een risicowedstrijd kan aanwijzen, indien aan die wedstrijd een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval gelden voor supporters duidelijke verplichtingen voor het volgen van door de politie aangewezen routes naar en van het stadion.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegen supporters die ordeverstorend gedrag vertonen in een stadion van een betaald voetbalorganisatie, kan worden opgetreden door zowel clubs als de KNVB. Dit kan leiden tot een civiel stadionverbod voor de betreffende supporter. Soms heeft dat niet het gewenste resultaat en begeeft de betreffende persoon zich dan naar de omgeving van het stadion met de bedoeling daar de openbare orde te verstoren. Het is van belang deze persoon dan ook uit de omgeving van het stadion te kunnen weren. De burgemeester kan daartoe dan een bestuursrechtelijk omgevingsverbod opleggen. Vooraf moet wel vaststaan dat de betreffende persoon de openbare orde heeft verstoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijderingsbevel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de ordehandhaving rond voetbalwedstrijden doen zich van tijd tot tijd problemen voor met voetbalsupporters die niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs. Omdat zij niet bij de wedstrijd worden toegelaten, verspreiden zij zich in de omgeving van het stadion of verder de stad in en zorgen daar voor overlast of vormen een bedreiging voor de openbare orde. Met deze bepaling kan tegen deze supporters worden opgetreden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Toezicht op de Horeca</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De begripsomschrijvingen bepalen de reikwijdte van de bepalingen uit paragraaf 1, die met name betrekking hebben op het verplichte sluitingsuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip “inrichting” vallen alle horecabedrijven, dus zowel de “natte” horeca, dat wil zeggen waar alcoholhoudende dranken worden geschonken, als de “droge” horeca, zoals b.v. cafetaria’s, maar ook coffeeshops. Verder vallen onder het begrip ook inrichtingen als sportkantines, sociëteiten en verenigingsgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het horecaconcentratiegebied is door de raad vastgesteld. Binnen dit gebied gelden ruimere openingstijden dan die gelden voor de andere delen van de stad. Het begrip horecaconcentratiegebied speelt overigens niet alleen een rol in het kader van de APV, maar is ook van betekenis voor de geluidsnormen. Binnen dit gebied gelden minder strenge geluidsnormen. Dit is echter niet geregeld in de APV, maar in het kader van de milieuwetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van daghoreca spreekt voor zich. Bij daghoreca kan er sprake zijn van zowel “natte” als “droge” horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Definiëring van het begrip “bezoekers” is noodzakelijk, omdat artikel 32 bepaalt dat er na sluitingstijd geen “bezoekers” meer aanwezig mogen zijn in een inrichting. Eén van de uitgezonderde categorieën zijn personen, die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van Strafrecht. Dit artikel verplicht namelijk exploitanten van een hotel e.d. een register bij te houden van personen, die aldaar nachtverblijf krijgen. De in het register voorkomende personen gelden op grond van het tweede lid niet als bezoekers van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder bezoekers worden mede verstaan gezins- en familieleden van de exploitant. Dit vergemakkelijkt de controle op de naleving van de bepalingen met betrekking tot het sluitingsuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingsuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van het sluitingsuur heeft ten doel de openbare orde te beschermen, zoveel mogelijk overlast te voorkomen en het woon- en leefklimaat te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het eerste lid mogen (horeca-)inrichtingen (zowel natte als droge horeca) in de nachten van zondag op maandag tot en met die van woensdag op donderdag tot 02.00 uur geopend zijn. In de nachten van donderdag op vrijdag tot en met die van zaterdag op zondag mogen ze tot 03.00 uur geopend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor inrichtingen binnen het horecaconcentratiegebied geldt dat deze gedurende de gehele week tot 04.00 uur geopend mogen zijn, mits zij na 03.00 uur geen nieuwe bezoekers meer toelaten. Droge horeca-inrichtingen mogen in dat gebied tot 05.00 uur geopend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vierde lid geldt dat horecabedrijven gevestigd op een locatie waar in het bestemmingsplan slechts daghoreca is toegestaan geopend mogen zijn van 07.00u tot 23.00u.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde sluitingstijd in het vijfde lid geldt zowel in het geval de paracommerciële rechtspersoon zelf de horeca-exploitatie verzorgt als wanneer deze is uitbesteed aan een commerciële partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de bevoegdheid omschreven in het zesde lid kan de burgemeester 8 maal per jaar ontheffing verlenen aan horeca-inrichtingen van de reguliere sluitingstijden om daarmee tegemoet te komen aan de wens van ondernemers en hun publiek voor ruimere openingstijden. De belangen van de omgeving ten aanzien van openbare orde en het woon- en leefklimaat worden bij een aanvraag om ontheffing nadrukkelijk afgewogen. Ook wordt een verzoek om ontheffing besproken in het Driehoeksoverleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek om ontheffing van de sluitingstijden dient minimaal 3 maanden voor de datum waarvoor ontheffing wordt gevraagd te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aanvraag moet aandacht worden besteed aan de maatregelen die de ondernemer neemt om overlast voor de omgeving te voorkomen, de aard van de activiteit waarvoor de verruimde sluitingstijd wordt aangevraagd en de te verwachten aantallen bezoekers. Bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing sluitingstijd zal in ieder geval worden gekeken naar andere activiteiten en evenementen die elders in Tilburg plaatsvinden en waarvoor inzet van handhaving en/of politie nodig kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing kunnen voorschriften en/of beperkingen worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan de burgemeester op grond van het zevende lid ontheffing verlenen van de sluitingstijden. Denk hierbij aan inrichtingen die gelet op de specifieke aard van de activiteiten, doelgroep en/of locatie een permante behoefte hebben aan andere sluitingstijden dan die gelden voor het type horeca (al dan niet para-commercieel) en/of het gebied waarin de horecagelegenheid is gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij bijzondere omstandigheden kan de burgemeester ontheffing verlenen van de sluitingstijden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het behalen van een kampioenschap door een sportvereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om verzoeken om ontheffing van de reguliere sluitingstijden, zoals bedoeld in het zesde lid, die bijv. te laat zijn ingediend, via toepassing van het zevende lid alsnog toegewezen te krijgen. Toepassing van de bevoegdheid uit dit lid kan enkel in bijzondere gevallen/omstandigheden die niet op voorhand zijn voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het negende lid wordt geregeld dat in de nacht waarin de zomertijd ingaat het wordt toegestaan om een uur langer geopend te zijn, zodat toch hetzelfde aantal uren openingstijd geldt voor de bezoekers van de horecagelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is in het negende lid een afwijkende regeling getroffen voor bijzondere dagen en evenementen zoals carnaval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zogenaamde droge horeca-inrichtingen die in het horecaconcentratiegebied zijn gelegen vallen buiten de in het negende lid opgenomen uitzonderingen, omdat zij al elke dag open mogen zijn tot 05.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang ambtenaren van politie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt te voorkomen, dat houders van inrichtingen politieambtenaren kunnen hinderen, indien deze toegang wensen tot de inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om afwijkende sluitingsuren vast te stellen of inrichtingen tijdelijk te sluiten vindt zijn grondslag in artikel 174 Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester belast met het toezicht op openbare samenkomsten, maar ook op “voor het publiek openstaande gebouwen”, zoals horeca-inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan zijn in artikel 34 neergelegde bevoegdheid gebruiken in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid of in bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het eerste lid kan de burgemeester voor één of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen dan de geldende. Te denken is b.v. aan de situatie, dat er bij een bepaalde inrichting sprake is van een overlastpatroon, dat zich met name na twaalf uur ‘s nachts manifesteert. De burgemeester kan dan gedurende een bepaalde periode de sluitingstijd vaststellen op 24.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid inrichtingen gedurende een bepaalde tijd volledig te sluiten. Onder a t/m c. is een aantal concrete feiten opgesomd, die, als zij zich in de inrichting voordoen, kunnen leiden tot sluiting van de inrichting voor bepaalde tijd. Met het bepaalde onder d. is aangegeven, dat van de exploitant van een horeca-inrichting verwacht wordt, dat deze zijn volledige medewerking verleent aan de opsporing van ernstige strafbare feiten, zoals b.v. zware mishandeling, als die in de inrichting hebben plaatsgevonden. Indien onvoldoende medewerking wordt verleend of zaken worden verdoezeld, duidt dit er op, dat de inrichting op een wijze wordt geëxploiteerd, die een gevaar voor de openbare orde en de veiligheid met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde onder e. maakt sluiting mogelijk in alle andere gevallen, waarin de openbare orde in gevaar is, zonder dat zich specifiek één van de onder a. t/m d. genoemde feiten heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beleidsregels, die de burgemeester hanteert bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid, zijn vastgelegd in de zogenaamde Handhavingsmodule Horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid verwijst naar artikel 13 b Opiumwet. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een inrichting te sluiten, indien daar middelen als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 Opiumwet (hard- dan wel softdrugs) worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Deze bevoegdheid staat dus naast de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 b Opiumwet is bedoeld om op te kunnen treden tegen inrichtingen, waar drugs worden verkocht etc., waar dat niet wordt gedoogd. Indien zich openbare orde problemen (niet specifiek gekoppeld aan de verkoop van drugs) voordoen in een inrichting, waar de verkoop van soft drugs gedoogd wordt (coffeeshops) is niet artikel 13 b maar artikel 34 APV het aangewezen artikel om toe te passen. [Wijziging per 23-09-2012] Dit artikel heeft betrekking op de sluiting van een horeca-inrichting. De term inrichting geeft beter weer dat het om de sluiting van het pand gaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in de voorgaande artikelen opgenomen bepalingen richten zich tot de houder van de inrichting. Dit artikel richt zich op de bezoeker van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1A Artikel 36 a en b Artikel 4 van de Alcoholwet verplicht de gemeente om ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen, waaraan paracommerciële rechtspersonen gebonden zijn bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Onder een paracommerciële rechtspersoon wordt een rechtspersoon verstaan, die naast activiteiten op sportief, recreatief, educatief, sociaal-cultureel, levensbeschouwelijk of religieus gebied in eigen beheer een horeca-inrichting exploiteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de tijden waarop alcohol houdende drank mag worden geschonken en op de in de inrichting te houden bijeenkomsten. Artikel 36 b geeft aan deze verplichting invulling</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Exploitatievergunning</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de exploitatie van inrichtingen als bedoeld in deze paragraaf is een exploitatievergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de beschrijving van het begrip “inrichting” volgt, dat dit vergunningstelsel van toepassing is op zowel “natte” als “droge” horeca-inrichtingen, [Wijziging per 23-09-2012] In de huidige artikelen is hier een definitie gegeven van het begrip \"exploitant\". Gebleken is dat die aanleiding geeft tot misverstand. Daarom wordt deze geschrapt, te meer daar er ook geen behoefte meer bestaat aan definiëring van dit begrip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is het vergunningverlenende orgaan, omdat de vergunningsplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voor één of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vast te stellen dan die in artikel 32 zijn opgenomen. Deze bevoegdheid moet onderscheiden worden van de bevoegdheid van artikel 34. Laatstgenoemd artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om tijdelijk andere sluitingstijden vast te stellen. Artikel 38 geeft hem de bevoegdheid voor één of meer inrichtingen permanent andere sluitingstijden vast te stellen bij wege van vergunningvoorschrift. De burgemeester kan voor het gebruik van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Hierin kan b.v. het beleid worden opgenomen om voor een bepaalde categorie inrichtingen aparte sluitingstijden vast te stellen. Dit moet dan wel zijn reden vinden in het belang van de openbare orde en/of het voorkomen van overlast c.q. de bescherming van het woon- en leefklimaat. Door de burgemeester zijn in september 2005 beleidsregels vastgesteld omtrent de sluitingstijden van coffeeshops In het vierde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn komt overeen met de termijn die voor het beslissen op aanvragen voor een drank- en horecavergunning is opgenomen in de Alcoholwet. De praktijk leert dat deze termijn veelal ook nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het bepaalde in het vijfde en zesde lid komt de verplichting om over een exploitatievergunning te beschikken te vervallen voor inrichtingen, waarin uitsluitend horeca-activiteiten plaatsvinden, die cumulatief voldoen aan de in het zesde lid gestelde eisen. Wordt niet aan één of meer van deze eisen voldaan, dan blijft de vergunningplicht bestaan. [Wijziging per 23-09-2012] Artikel 38 zesde lid bevat de eisen waaraan voldaan moet worden, wil er sprake van ondersteunende horeca. Voor deze vorm van horeca is geen exploitatievergunning vereist. Uitgangspunt voor ondersteunende horeca is dat deze ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van het pand waarin deze plaats vindt. Daarin past niet, dat wel een terras zou worden toegestaan, omdat dit afbreuk doet aan het (louter) ondersteunende karakter van de horeca.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is uitsluitend van toepassing op exploitanten van droge horeca-inrichtingen (inclusief Qat). Voor exploitanten van natte horeca-inrichtingen gelden al gedragseisen op grond van de Alcoholwet en het daarop berustende Alcoholbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren, dat de exploitant en de beheerder(s) van voldoende “kaliber” zijn om de inrichting op een goede wijze te exploiteren. Door het bepaalde in het tweede lid onder a. worden de eisen die krachtens de Alcoholwet gelden voor exploitanten van alcoholschenkende inrichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard op exploitanten van droge horeca-inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Alcoholbesluit is bepaald, dat een exploitant of beheerder zich niet schuldig gemaakt mag hebben aan een aantal in het besluit opgesomde strafbare feiten. Indien de exploitant of beheerder zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt en hij terzake is veroordeeld tot een in het besluit aangegeven straf, dan voldoet hij niet aan de eisen en dient de vergunning geweigerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijziging van beheerder dient dit gemeld te worden. Iedere nieuwe beheerder dient uiteraard ook aan de eisen van artikel 39 te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichtingseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit artikel is uitsluitend van toepassing op droge horeca-inrichtingen (incl. Qat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel worden eisen gesteld aan de minimumvloeroppervlakte van de horecalokaliteit en eisen aan de aanwezigheid van een toiletgelegenheid. Voor droge horeca-inrichtingen geldt een minimum van 25 m² vloeroppervlakte. Er worden geen andere eisen aan een toilet gesteld dan de aanwezigheid en de toegankelijkheid voor bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel worden eisen gesteld aan de inrichting, zoals afmetingen, hoeveelheid licht, ventilatievoorzieningen e.d. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de eisen zoals opgenomen in het “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet” worden de eisen zoals die gelden voor de natte en de droge horeca deels geharmoniseerd. Uitzondering geldt voor de minimumvloeroppervlakte van de horecalokaliteit en de eisen aan de inrichting van de toiletgelegenheid. Voor droge horeca-inrichtingen geldt een minimum van 25 m², voor de natte horeca van 35 m². Er worden geen andere eisen aan een toilet gesteld dan de aanwezigheid en de toegankelijkheid van bezoekers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat)) dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle inrichtingen geldt al weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan of de Leefmilieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops. In de “Eindnota koffieshop-problematiek” van september 1992 is het vestigingsbeleid voor coffeeshops opgenomen. Deze nota is een tweetal malen aangevuld en wel door de “Nota lokaal drugsbeleid 1997” en de “Nota aanpassing vestigingsbeleid koffieshops”, die is vastgesteld op 14 juni 2001. Op basis hiervan geldt een maximum voor het aantal in Tilburg te vestigen koffieshops van twaalf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor inrichtingen, waarin Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse zal van deze mogelijkheid gebruik gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 41 (oud) was de burgemeester verplicht een exploitatievergunning voor een horecainrichting te weigeren, indien er sprake is van strijd met het bestemmingsplan. In de praktijk doet zich wel eens de situatie voor, dat een inrichting al lang ergens gevestigd is, maar wel in strijd met het bestemmingsplan, zonder dat daartegen is opgetreden. De verplichting tot het beschikken over een exploitatievergunning is pas enkele jaren geleden in de APV opgenomen. Bestaande inrichtingen zijn aangeschreven om een vergunning aan te vragen. Het is niet reëel om een exploitatievergunning te weigeren voor bestaande inrichtingen op grond van strijdigheid met het bestemmingsplan als deze inrichtingen reeds geruime tijd ter plaatse gevestigd zijn. De aangepaste formulering geeft de burgemeester de ruimte om in dat geval toch vergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet de bedoeling om in die gevallen via een postzegelplan het bestemmingsplan ook te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwvestiging, die strijdig is met het bestemmingsplan, zal geen exploitatievergunning verleend worden, tenzij tegelijkertijd een herziening van het bestemmingsplan wordt geïnitieerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span><span class=\"lf-art-t\">Opheffing vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid te bepalen, dat bepaalde soorten inrichtingen dan wel bepaalde delen van de gemeente niet onder de vergunningplicht vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit soort inrichtingen geldt op grond van het tweede lid wel een algemene zorgplicht ten aanzien van openbare orde en het woon- en leefklimaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking van de vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat) is mogelijk, als niet meer voldaan wordt aan één of meer van de op grond van de artikelen 39 en 40 gestelde eisen. Daarnaast is voor alle inrichtingen intrekking mogelijk als aannemelijk is, dat de exploitant betrokken is bij of ernstige nalatigheid verweten kan worden ten aanzien van overtreding van de Opiumwet of een aantal andere strafbare feiten, zoals genoemd in artikel 34 APV (b.v. verboden wapenbezit). Intrekking is ook mogelijk als dit anderszins noodzakelijk is het belang van de openbare orde of ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Intrekking van een exploitatievergunning voor een alcoholschenkende inrichting is ook mogelijk als de Drank- en Horecavergunning wordt ingetrokken, omdat niet langer aan de zedelijkheidseisen wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gronden voor intrekking van de vergunning zijn (nagenoeg) gelijk aan de gronden om een inrichting tijdelijk te sluiten op grond van artikel 34. In welke gevallen van welke bevoegdheid gebruik gemaakt zal worden is uitgewerkt in de “Handhavingsmodule horeca”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het derde lid kan bij intrekking van de vergunning bepaald worden, dat gedurende een alsdan te bepalen termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe vergunning verleend zal worden voor dezelfde inrichting. Deze bevoegdheid komt overeen met een soortgelijke bevoegdheid die is opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de Alcoholwet. Gebruikmaking van deze bevoegdheid is b.v. aan de orde als er in een inrichting gehandeld is in harddrugs. Voorkomen moet worden, dat na intrekking van de vergunning direct een nieuwe vergunning moet worden verleend, omdat dan te vrezen is, dat deze handel zal worden voortgezet. Door het pand op deze wijze enige tijd als het ware aan zijn horecabestemming te onttrekken wordt beoogd de bekendheid van het pand als adres waar harddrugs te verkrijgen zijn weg te nemen en op die manier “de loop” er uit te halen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder dat daar een bevoegde (= op de vergunning vermelde) leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met artikel 24 Alcoholwet (voor de natte horeca) en met artikel 100 APV (voor seksinrichtingen). Bedoeling is te verzekeren dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden is geregeld in de “Handhavingsmodule horeca”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel legt de verplichting op de exploitant om wijzigingen tijdig door te geven. Voldoet hij niet aan deze verplichting dan kan de vergunning ingetrokken worden. Als een nieuwe vergunning verleend wordt ter vervanging van een bestaande vergunning vervalt laatstgenoemde van rechtswege op grond van het bepaalde in het derde lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2a Exploitatievergunning smart- en headshops</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45a</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van het begrip \"inrichting\" is zo ruim mogelijk gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smartshops zijn winkels en groothandelsbedrijven die smart- of ecodrugs (truffels, cactussoorten, herbals, energizers, stackers, happy caps, afrodisiaca en extacy-vervangers ), smartproducts verkopen (smartdrinks, voedingssupplement, energydranken , stimulerende, hallucinogene, euforiserende en ontspannende middelen, etc). tegenwoordig komen daar ook de zogenaamde nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) bij, ook wel designerdrugs, legal higs en research chemicals genoemd. Het betreft legale middelen, die niet voorkomen op lijst I (harddrugs) of lijst II (softdrugs) van de Opiumwet, maar zijn ontworpen om de effecten van illegale drugs na te bootsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een headshop is een winkel of groothandel, die zich kenmerkt doordat zij benodigdheden verkoopt voor het gebruik van soft- dan wel harddrugs. Te denken is aan zaken als waterpijpjes, bongs, shisha's, screens, jointvloeitjes, wietpijpen, grinders, vaporizers, tipjes weegschalen en gripzakjes. Een headshop verkoopt ook aanverwante artikelen zoals boeken, kleding, sierraden, beeldjes van sprookjesfiguren en psychodelische posters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het assortiment van een inrichting niet uitsluitend maar in overwegende mate bestaat uit de in het derde lid bedoelde artikelen, wordt een inrichting aangemerkt als een smart- of headshop, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de inrichting als zodanig wordt geëxploiteerd. Dit kan blijken uit de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel of uit feiten en omstandigheden, zoals (niet limitatief): naam van de inrichting, veelal gerelateerd aan de drugscultuur, presentatie en inrichting van de inrichting en reclame-uitingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45b</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is het vergunning verlenende orgaan, omdat de vergunningplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn spoort met de termijn, die geldt voor vergunningverlening op grond van de Alcoholwet en met die voor de exploitatievergunning voor de horeca. Deze termijn is nodig, omdat een BIBOB-onderzoek onderdeel uitmaakt van de toetsing van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45c</span><span class=\"lf-art-t\">Maximumstelsel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit een inventarisatie, die indertijd bij de invoering van het vergunningstelsel voor grow- en smartshops is uitgevoerd, bleek, dat er in Tilburg 22 growshops (in twee gevallen gecombineerd met een smartshop) en 2 (zuivere) smartshops actief waren. Inmiddels zijn er daarvan nog drie growshops met vergunning overgebeleven. Deze vergunningen komen te vervallen. Er is nog éen smartshop annex headshop met vergunning actief. Wel worden er af en toe shops zonder vergunning geopend, waartegen handhavend wordt opgetreden. Het maximumstelsel is derhalve een effectief middel gebleken om tot de afbouw van dit soort inrichtingen te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximumstelsel voor nu nog smart- en headshops wordt gehandhaafd. Zou dit losgelaten worden dan is te vrezen, dat het aantal shops zal worden uitgebreid, te meer nu de aan deze shops verwante growshops niet meer legal kunnen worden geëxploiteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45d</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren dat de exploitant en de andere leidinggevenden van voldoende \"kaliber\" zijn om de inrichting op een goede wijze te leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 e Weigering vergunning De weigeringsgrond van het eerste lid is het sluitstuk van het maximumstelsel. Concreet betekent dit, dat zich geen nieuwe growshops en smartshops in Tilburg meer kunnen vestigen en dat het aantal bestaande shops geleidelijk af zal nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond, genoemd in het vijfde lid, beoogt te voorkomen, dat vergunning verleend moet worden aan een exploitant, van wie het verleden heeft aangetoond, dat hij niet in staat is op een juiste wijze een inrichting te exploiteren. Daarnaast geldt uiteraard dat de vergunning geweigerd kan worden op basis van de wet BIBOB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 f Verplaatsing inrichting Vanwege het systeem van een maximumstelsel is vestiging van en nieuwe inrichting niet meer mogelijk. Hetzelfde geldt voor verplaatsing van een bestaande inrichting, daar hiervoor een nieuwe vergunning moet worden afgegeven, wat niet mogelijk is vanwege het systeem van het afnemend maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden kan het juist ter bevordering van het woon- en leefklimaat in een wijk echter gewenst zijn, dat een inrichting verplaatst wordt naar een andere locatie. Artikel 45f opent voor de burgemeester de mogelijkheid om in dat geval toch vergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 g Intrekking vergunning Daarnaast geldt uiteraard dat de vergunning ingetrokken kan worden op basis van de wet BIBOB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 h Aanwezigheid leidinggevende Op grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder dat daar een bevoegde leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met de regels, die gelden voor horeca- en sexinrichtingen. Bedoeling is te verzekeren, dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden, is geregeld in de Handhavingsmodule growshops en smartshops.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 i Wijziging vergunning Bij een verandering van omstandigheden is met name te denken aan een wisseling van leidinggevenden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2b: Exploitatievergunning waterpijpcafé/shishalounge</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45bb Vergunning Het aanbieden en het gebruik van waterpijp/shisha is verboden zonder exploitatievergunning shisha. Het aanbieden van waterpijp en/of shisha mag alleen in een inrichting die al beschikt over een exploitatievergunning op grond van artikel 38 APV. Het gebruik van gronden ten behoeve van horeca wordt in een bestemmingsplan geregeld. Indien het gebruik als horecabedrijf niet past in het bestemmingsplan dan is dit een weigeringsgrond voor de exploitatievergunning shisha. De rook die vrijkomt bij het gebruik van waterpijp/shisha, is niet alleen schadelijk voor de rokers, ook voor de overige aanwezigen in deze horecaruimte en in de nabije omgeving. Met name als er een woning boven een horecabedrijf met waterpijpen is gelegen, kan het CO-gehalte in de woning tot een schadelijke mate toenemen. De World Health Organisation (WHO) adviseert dat de gemiddelde blootstelling gedurende 8 uur beneden 9 ppm en gedurende 24 uur beneden 6 ppm dient te blijven. In de praktijk blijkt dit niet haalbaar wanneer er waterpijp wordt gerookt onder of boven een woning. De exploitatievergunning shisha wordt daarom geweigerd indien de inrichting onder of boven een woning is gevestigd. Ook wordt voorgesteld om de volgende overgangsbepaling op te nemen in de verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Tilburg:</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Overige inrichtingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 30 c, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen is bepaald, dat de gemeente in een verordening dient te regelen hoeveel speelautomaten in een inrichting mogen worden geplaatst. Speelautomaten worden onderscheiden in behendigheidsautomaten (keren geen geld uit, uitkomst is grotendeels afhankelijk van de behendigheid van de speler) en kansspelautomaten (keren geld uit, uitkomst is kwestie van geluk). Op grond van artikel 30 c mogen in laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten worden geplaatst en in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder hoogdrempelige inrichtingen verstaat artikel 30 sub d van de wet een inrichting als bedoeld in artikel 1 Alcoholwet, waar het café- en restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, die zelfstandige betekenis hebben; verder geldt dat de activiteiten zich in belangrijke mate moeten richten op personen ouder dan 18 jaar. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is veel jurisprudentie over de uitleg van deze begrippen. Zo is b.v. een bowlingcentrum een laagdrempelige inrichting (er vinden activiteiten plaats, die los staan van de activiteiten die hun basis vinden in de Alcoholwet) en is een sportkantine veelal een hoogdrempelige inrichting, omdat daar uitsluitend café- en/of restaurant-activiteiten plaatsvinden, die zich vaak veelal richten op personen, die 18 jaar en ouder zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft het dus aan de gemeente over gelaten te bepalen hoeveel speelautomaten in een inrichting geplaatst mogen worden; maar wel heeft hij daarbij een grens gesteld aan het aantal toe te laten kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekening houdend met die grens en met het bestaande beleid is in artikel 51 het aantal toegelaten speelautomaten als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor laagdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, niet zijnde kansspelautomaten. [Wijziging per 23-09-2012] In het oude artikel 51 was naast het aantal toegestane kansspelautomaten per (horeca)inrichting ook het aantal toegestane behendigheidsautomaten geregeld. Door een wijziging van de Wet op de kansspelen is voor het hebben van behendigheidsautomaten geen vergunning meer vereist. Daarom dient artikel 51 te worden aangepast en dient uitsluitend nog een regeling te worden getroffen omtrent kansspelautomaten. Op grond van de wet mogen deze automaten uitsluitend geplaatst worden in hoogdrempelige inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52</span><span class=\"lf-art-t\">Innemen standplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is op grond van artikel 174 Gemeentewet o.a. belast met het toezicht op openbare vermakelijkheden. Vanuit deze verantwoordelijkheid is in artikel 52 bepaald, dat hij aanwijzingen kan geven over het innemen van standplaats op de kermis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij niet naleving van deze aanwijzingen kan bestuursrechtelijk worden opgetreden door de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Eén en ander is voor wat betreft de jaarlijkse kermis in de binnenstad nader geregeld in de Handhavingsnota “Veiligheid op en rond de kermis”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid tijden vast te stellen gedurende welke de kermisinrichtingen geopend mogen zijn. Van deze bevoegdheid is nog geen gebruik gemaakt. Praktijk is, dat voor de jaarlijkse kermis de sluitingstijden worden vastgesteld via de Kermisvoorwaarden, derhalve op privaatrechtelijke basis.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3a Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV –al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De systematiek van artikel 53a gaat uit van een gebieds-, pand- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten(strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche worden ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden. De burgemeester wijst een pand of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en/of openbare orde en veiligheid ten goede te keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebied of gebouw zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waarop de aanwijzing betrekking heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en vijfde lid De algemene intrekkings- en/of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 4 van de APV. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 3 APV).Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Indien de exploitant zijn verplichtingen uit de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub c in lid 4 en sub i in lid 5 is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts één van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elfde lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is op grond van artikel 174a Gemeentewet bevoegd een woning te sluiten van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, dat wil zeggen niet bepaalt, dat het betreden van zo’n woning strafbaar is, is in dit artikel het betredingsverbod opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 13 b Opiumwet heeft de burgemeester een zelfde bevoegdheid ten aanzien van alle woningen, lokalen of voor het publiek toegankelijke inrichtingen en daarbij horende erven, waar drugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Ook de Opiumwet regelt de rechtsgevolgen niet en daarin voorziet nu het tweede lid van artikel 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de grote persoonlijke gevolgen, die aan het sluiten van een woning verbonden zijn, is in het vierde lid een mogelijkheid van ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b Opiumwet kan ontheffing verleend worden, b.v. voor de exploitant zelf of zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 55</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de grondwet, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 55 van de APV maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent van of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 55 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 55 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Ingevolge het bepaalde in het vierde lid geldt het plakverbod niet voor het aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 56</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in artikel 55 opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd worden voor handelingen, welke ingevolge artikel 55 APV zijn verboden, een rechtvaardigingsgrond oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod tot het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stond al in de APV, maar de tijden waarop het verbod gold waren begrensd van 22.00 tot 06.00 uur. In de praktijk bestaat er behoefte aan het verbod ook op andere tijden van kracht te doen zijn. De tekst van het artikel komt nu overeen met die van het vergelijkbare artikel in de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod stond tot voor enkele jaren in het Wetboek van Strafrecht. In de praktijk brengt met name het bedelen in winkelgebieden overlast met zich mee. Om die reden is besloten dit verbod op te nemen. De afschaffing van deze bepaling in het Wetboek van Strafrecht staat hier niet aan in de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span><span class=\"lf-art-t\">Geprepareerde tassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van voorwerpen als hier bedoeld neemt de laatste tijd sterk toe. Naast tassen worden ook jassen, paraplu’s, schoendozen etc. geprepareerd met lood en/of aluminiumfolie met het oogmerk winkeldiefstal te plegen zonder dat het elektronisch alarm afgaat. Het verbod op deze voorwerpen vergemakkelijkt het politieoptreden en kan in een aantal gevallen winkeldiefstal voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span><span class=\"lf-art-t\">Schieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) regelt de mogelijkheid om op te treden tegen baldadigheid tegen personen of goederen op of aan de openbare weg of op enig voor het publiek toegankelijke plaats (straatschenderij). Artikel 431 WvSr heeft betrekking op het verstoren van de nachtrust door rumoer of burengerucht. Kan de gedraging niet worden ondergebracht bij een van deze twee bepalingen dan kan mogelijk nog een beroep worden gedaan op artikel 61 APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze bepaling kan er tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds “straatschenderij” strafbaar. Van straatschenderij is sprake als iemand op of aan de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 426bis wordt voorts het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Het eveneens genoemde artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 49 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeersweg 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1 van de APV). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg en daarbij leidt tot verkeershinder, als omschreven in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, is artikel 49 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking route</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is bedoeld om in gevallen van mogelijke ongeregeldheden groepen mensen langs een bepaalde route te laten manoeuvreren. Hierbij valt onder andere te denken aan betogingen of de geleiding van voetbalfans na afloop van een voetbalwedstrijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span><span class=\"lf-art-t\">Slapen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel verbiedt het gebruik van tenten, voertuigen, zelfgemaakte bouwsels etc. op of aan de weg om in te slapen of te overnachten. De centrale doelstellingen van het verbod zijn het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn de uitzonderingen opgenomen voor wie het verbod niet geldt. In de gemeente Tilburg is een aantal wateren aangewezen als nachtviswateren en zijn er jeugdverenigingen - zoals Scouting Nederland, Jong Nederland, Kindervakantiewerk en dergelijke - aanwezig die in hun spelaanbod voorwerpen plaatsen die onder de definitie van kampeermiddelen vallen. De activiteiten van nachtvissers en van jeugdverenigingen, waarbij kampeermiddelen worden gebruikt, zijn niet verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64a</span><span class=\"lf-art-t\">Niet afgesloten voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt het mogelijte maken op te treden door middel van bestuursdwang tegen voertuigen die lange tijd worden achtergelaten op (parkeer)plaatsen. Het is met name bedoeld voor gevallen waarin de eigenaar niet kan worden getraceerd dan wel deze weigert het voertuig te verwijderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder in verband met harddrugs dan wel een andere bedreiging van de openbare orde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid een gebied aan te wijzen, waarbinnen het verboden is om deel te nemen aan een verzameling van meer dan drie personen, waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat deze verzameling een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt. Dit wordt ook wel een samenscholingsverbod genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 66</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik harddrugs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen per 23-09-2012]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid Artikel 67 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 68</span><span class=\"lf-art-t\">Weggooien van spuiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel verbiedt het weggooien van attributen, die bij het gebruik van (hard)drugs worden gehanteerd. Aangezien deze objecten een gevaar kunnen opleveren, is gekozen voor een algemeen verbod om deze op de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien in (openbare) afvalbakken is niet toegestaan vanwege de risico’s voor derden b.v. voor de gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo’n verbod kan ter bescherming van de openbare orde opgelegd worden, als er sprake is van voortdurende overlast ten gevolge van het gebruik van en/of de handel in harddrugs dan wel ten gevolge van andere oorzaken (b.v. overlast ten gevolge van het op luidruchtige wijze samenscholen van groepen jongeren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod kan voor maximaal zes maanden worden opgelegd, maar deze termijn kan wel worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is voor een beperkte termijn gekozen, omdat het om een ingrijpend middel gaat, dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid, wat met zich meebrengt dat dit niet lichtvaardig dient te worden toegepast en periodiek geëvalueerd dient te worden. Om diezelfde reden is er ook een beleidskader opgesteld, waarin is aangegeven wanneer instelling van een samenscholingsverbod eventueel in combinatie met andere verboden is geïndiceerd. Dit kader is door de raad geaccordeerd op 13 oktober 2003 (2003/120).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gebruik alcoholhoudende drank e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel bevat een algemeen verbod om op of aan de weg alcoholhoudende te gebruiken, aanwezig te hebben of te verhandelen, als dit leidt tot verstoring van de openbare orde, aantasting van het woon- en leefklimaat of aanleiding geeft tot overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen, waar het op voorhand verboden is dergelijke middelen überhaupt te gebruiken, aanwezig te hebben of te verhandelen. Als zo’n gebied is aangewezen is degene, die in het bezit is van die middelen dus zonder meer strafbaar, ook al veroorzaakt hij wellicht op dat moment geen overlast. Een dergelijk preventief verbod is slechts gerechtvaardigd in bijzondere gevallen, waarin er sprake is van grote overlast in een gebied, omdat het om een ingrijpend middel gaat, dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid. Mede om die reden is er een beleidskader opgesteld, waarin is aangegeven, wanneer instelling van een dergelijk verbod, mogelijk in combinatie met andere verboden, is geïndiceerd. Dit kader is door de raad geaccordeerd op 13 oktober 2003 (2003/120).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de eerste twee leden opgenomen verboden gelden niet voor terrassen bij een horeca-inrichting en ook niet voor plaatsen, waar een vergunning ex artikel 35 Alcoholwet geldt voor het schenken van zwak alcoholhoudende dranken bij b.v. evenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69b</span><span class=\"lf-art-t\">Lachgasverbod</span></h4></div>", "next": 239564}