{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,. de Waterverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Het innemen van een ligplaats (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college wijst gedeelten van openbaar water aan waar het is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden om in openbaar water in de gemeente Zaanstad met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen anders dan op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan aan het met een vaartuig innemen of hebben van een ligplaats dan wel aan het beschikbaar stellen van een ligplaats voor een vaartuig op openbare wateren welke krachtens het eerste lid zijn aangewezen: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne, de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente); beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen; beperkingen stellen aan de duur van een verblijf met een vaartuig ter plaatse van een ligplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25a</span><span class=\"lf-art-t\">Pleisterplaatsen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar het alleen met pleziervaartuigen is toegestaan om een ligplaats in te nemen voor de duur van maximaal drie maal vierentwintig uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Nadat met een pleziervaartuig een ligplaats is ingenomen voor de duur van maximaal 3x 24 uur is het, behoudens toestemming van het college, verboden om aansluitend voor dezelfde duur gebruik te maken van een andere pleisterplaats, indien dit ligplaatsnemen gebeurt voor meer dan drie opeenvolgende keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in artikel 1.7 is niet van toepassing op het innemen van een ligplaats met een pleziervaartuig ter plaatse van een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van openbaar water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het krachtens het eerste lid van artikel 5.25 en het krachtens artikel 5.25 a bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.25, 5.25a en 5.26, tweede lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigingen van waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Noord-Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Brug klimmen en springen in openbaar water (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op bruggen en andere kunstwerken in beheer, eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid van het college te klimmen of hiervan af te springen in openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2Bijzondere bepalingen met betrekking tot scheepvaart en havens (z)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in deze paragraaf bepaalde is, met uitzondering van artikel 5.33 niet van toepassing op het Noordzeekanaal, alsmede in die gevallen waarin het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Noord-Holland van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Het nakomen van aanwijzingen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Havenbeambten kunnen aanwijzingen geven in het belang van de ordening en de veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer en het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Rondvaart- en verhuurbedrijf (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een bedrijf tot het per vaartuig vervoeren van passagiers te exploiteren, indien een punt van afvaart binnen de gemeente is gelegen; in openbaar water een bedrijf tot het verhuren van vaartuigen te exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Veren (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in de Verenwet ten aanzien van overzetveren is het zonder vergunning van het college verboden een al dan niet openbaar middel tot vervoer van personen te water, bestemd om de geregelde verbinding tussen bepaalde punten binnen de gemeente te onderhouden in werking te brengen of te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Het besturen van vaartuigen onder invloed van alcoholhoudende dranken en/of andere stoffen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Het gebruiken van vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder ontheffing van het college een in openbaar water liggend vaartuig als opslagplaats, bedrijfsruimte of voor handelsdoeleinden te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:38</span><span class=\"lf-art-t\">Het breken van ijs (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ijs in openbaar water te breken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor: het losmaken van ijs rond vaartuigen; degene, die handelt in opdracht of met ontheffing van het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:39</span><span class=\"lf-art-t\">Het economisch opleggen van vaartuigen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een vaartuig langer dan twee maanden op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder 'het opleggen van een vaartuig' wordt verstaan: het tijdelijk of permanent uit de vaart nemen van een vaartuig (economisch opleggen).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8 en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:40</span><span class=\"lf-art-t\">Baggeren (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is, behalve aan de daarvoor door het college aangewezen personen, verboden zonder vergunning van het college in openbaar water te baggeren of naar levenloze voorwerpen te vissen of te zoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:41</span><span class=\"lf-art-t\">Het bouwen, herstellen, droogzetten en slopen van vaartuigen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden om buiten het gebied waar de vigerende Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied en het bijbehorende reglement van kracht zijn, zonder vergunning van het college in openbaar water vaartuigen te bouwen, te doen bouwen, te verbouwen of te doen verbouwen of daaraan herstellingen te verrichten of te doen verrichten. Dit verbod geldt niet voor het uitvoeren van noodreparaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor kleine reparaties, die worden verricht door of in opdracht van de gezagvoerder van een vaartuig dat ligt op een plaats als bedoeld in artikel 5.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aan de gezagvoerder van een vaartuig kan het college de verplichting opleggen tot periodieke droogzetting van het vaartuig, zulks ten behoeve van een inspectie onder de waterlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden buiten het gebied waar de vigerende Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied en het bijbehorende reglement van kracht zijn, drijvende vaartuigen te slopen of droog te zetten op andere dan door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor openbaar water en/of ligplaatsen welk casu quo welke particulier eigendom is of zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:42</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang tot openbare trappen en steigers (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is zonder ontheffing van het college verboden de toegang tot de in of aan de kademuren of andere oevers gebouwde openbare trappen of steigers te belemmeren of daarvan gebruik te maken, anders dan voor het in- of ontschepen van personen en voor langere tijd dan hiervoor nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-42a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:42a</span><span class=\"lf-art-t\">Veilige toegang (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8 en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, hoeft een vaartuig niet over een toegang te beschikken, indien: de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad – of loshandelingen; of het afmeren van korte duur is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:43</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere verplichtingen voor gezagvoerders van zeevaartuigen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-43a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:43a</span><span class=\"lf-art-t\">Verhalen anders dan op eigen aanvraag (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In artikel 5:43a en 5:43b wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Binnenschip: vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee 2.De kapitein van een zeeschip, de schipper van een binnenschip of de rechthebbende op een ander soort schip of object te water is verplicht dit naar elders te verhalen indien dat naar het oordeel van het college in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu noodzakelijk is.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan de in het tweede lid bedoelde schepen en objecten verhalen indien dit op grond van de in dat lid bedoelde belangen zonder uitstel dringend noodzakelijk is dan wel de kapitein, schipper of rechthebbende onbekend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-43b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:43b</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod gebruik hoofdmotor of hulpmotor (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is, in nader door het college aan te wijzen gebieden, verboden om op een afgemeerd schip de hoofdmotor of hulpmotor in werking te hebben, tenzij direct voor vertrek van het schip.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3Bijzondere bepalingen met betrekking tot woonschepen (z)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-44-5-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:44-5:48</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4Ontvangstvoorzieningen voor olie van zeevaartuigen (z)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-49-5-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:49-5:53</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:54</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets voor recreatieve doeleinden te rijden of een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding, van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:55</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Milieuverordening Noord-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8Verbod vuur te stoken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:56</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor het verbod op bepaalde dagen en tijden niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Milieuverordening Noord-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling9Verstrooiïng van as</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:57</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:59</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten wordt overtreding van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de politieambtenaren Eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland, voor zover zij werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat een deel van de Gemeente Zaanstad omvat, voorts, de ambtenaren van de sector Handhaving, de ambtenaren van de afdeling Havens en Vaarwegen, de ambtenaren van de sector Belastingen en de ambtenaren van de afdeling Burgerzaken, ieder voor zover het zaken betreft welke aan zijn toezicht zijn toevertrouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de derde dag na bekendmaking ervan in het Gemeenteblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Algemene plaatselijke verordening van 01-08-2012 (Gemeenteblad 2012, nummer 26) wordt ingetrokken met ingang van de in het eerste lid genoemde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan bepalen dat door hem aan te wijzen artikelen casu quo gedeelten van deze verordening op andere tijdstippen dan het in het eerste lid genoemde tijdstip, mits gelegen na de bekendmaking, in werking treden. Voorzover de in het derde lid genoemde verordeningen onderwerpen betreffen die geregeld worden in de aangewezen artikelen casu quo gedeelten ervan, houden die verordeningen in zoverre op te gelden op die andere tijdstippen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de oude verordening, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1Regelgeving en beleid die op deze regeling zijn gebaseerd Artikel APV Regeling of beleid Publicatieen/of inwerkingtreding 2:6 Beleidsregels reclame- en standplaatsenbeleid (Apv) Inverdan, 2015, tevens gegrond op artt. 2:10, 4:15, 5:18 Gemeenteblad 2015, nummer 108896 (18/11/2015) 2:10 Nadere regels bij plaatsing van objecten op openbare plaatsen(artikel 2:10, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenteblad 2016, nr.97261 (1 augustus 2016) 2:10 Aanwijsbesluit als bedoeld in artikel 2:10 onder d, van openbare plaatsen als een gebied waarin geen voorwerpen geplaatst mogen worden. Gebiedsindeling Inverdan reclameuitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenteblad 2014, nummer 43136 (1 augustus 2014) 2:10 Beleidskader plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad Gemeenteblad 2004, nummer 20 2:12 Beleidsregels uitwegen Zaanstad 2008 Gemeenteblad 2008, nummer 46 2:25 Toetsingcriteria bij vergunningaanvraag erotisch evenement Gemeenteblad 2007, nummer 31 2:25 Evenementenbeleid gemeente Zaanstad (Zaanse smaakmakers) Gemeenteblad 2009, nummer 55 2:25 Veiligheid bij evenementen Gemeenteblad 2012, nummer 18 2:28 Beleidsregels ondersteunende Horeca Zaanstad Gemeenteblad, 2011, nummer 7 2:47 Aanwijzingsbesluit toezichthouders pont Molletjesveer Gemeenteblad 2016, nr. 89958 2:48 Aanwijzingsbesluit o.g.v. artikel 2.4.8 Algemene Plaatselijke Verordening in werking getreden op 24-06-2004 2:48 Aanwijzingsbesluit ex art 2.4.8 Westerwatering en Westzanerdijk Gemeenteblad 2006, nummer 49 2:48 Aanwijzing gebied Marktplein Wormerveer waar gebruik van alcohol op de openbare weg verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenteblad 2006, nummer 50 2:48 Aanwijzingsbesluit ex art 2.4.8 Westerkoog en Rooswijk Gemeenteblad 2006, nummer 51 2:48 Aanwijzingsbesluit Alcoholverbod A8ernA Gemeenteblad 2009, nummer 9 2:48 Aanwijzingsbesluit Willis en Noorderhoofdbuurt Gemeenteblad 2010, nummer 21 2:48 Aanwijsbesluit Steve Bikoplein e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenteblad 2011, nummer 64 2:57 Aanwijzingsbesluit honden uitrenplaatsen en hondenverbodplaatsen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in de wijk Westerwatering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de omgeving van de Westzanerdijk te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Poelenburg te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Oud-Zaandijk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in West-Knollendam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Oude Haven en omgeving van de Westzanerdijk te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Schilders- en Waddenbuurt te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Peldersveld en Hoornseveld (Pelderhoorn) te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Oud-West te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Saendelft Oost te Assendelft;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Willis te Krommenie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Burgemeester in 't Veldpark te Zaandam;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Saendelft West te Assendelft;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Krommenie; -in Assendelft; -in Zaandam-Zuid; -in Zaandam-Rosmolenbuurt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Zaandam-Kogerveld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Koog aan de Zaan (oud Koog);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in Zaandam-Kalf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In Wormerveer in werking getreden op 1/1/2015, Gemeenteblad 2014, nummer 84036 2:76a Beleidsregels verblijfsontzegging Zaanstad Gemeenteblad 2013, nummer 27 3:3 Nadere regels t.b.v. Prostitutiebedrijven 27 oktober 2000 4:11 Bomenbeleidsplan, inclusief Zaanse bomenlijst Gemeenteblad 2009, nummer 59 4:15 Beleidsregels Reclame- en standplaatsenbeleid Inverdan Gemeenteblad 2014, nummer 43140 (1 augustus 2014) 4:19 Aanwijzingsbesluit kampeerplaatsen Gemeenteblad 2014, 43801 5:1 Parkeerverordening Zaanstad Gemeenteblad 2014, nummer 43801 5:6 Beleid voor ontheffingverlening van artikel 5.1.5, lid 1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenteblad 2007, nummer 6 5:6 Aanwijzingsbesluit zoals genoemd in artikel 5:6 van de APV (langparkeren \"kampeermiddelen\").</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenteblad 2009, nummer 72 5:12 Aanwijzingsbesluit ter bestrijding van overlast van fietsen in stationsgebied Krommenie-Assendelft Gemeenteblad 2009, nummer 70 5:12 Aanwijzingsbesluit omgeving station Wormerveer Gemeenteblad 2012, nummer 50 5:12 (Herziening) aanwijzingsbesluit voor gebied waarbinnen het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten te laten staan Gemeenteblad 2011, nummer 65 5:12 Aanwijzingsbesluit op grond van artikel 5:12, vierde lid van de APV (fietsparkeren) Gemeenteblad 2013, nummer 30, i.w.t. 1/11/2013 5:13 Collecten gemeente Zaanstad 2005 en Kledinginzameling gemeente Zaanstad Gemeenteblad 2005, nummer 20, ingetrokken per 1 augustus 2015 (2015/65906) 5:25 Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen (project Walstroom Zaanstad: aanwijzen gebieden en vaststellen tarief) Gemeenteblad 2012, nummer 43 5:43b Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen (Project Walstroom Zaanstad: aanwijzen van gebieden en vaststellen tarief) Gemeenteblad 2012, nummer 43 5:44 Woonschepenverordening Zaanstad 2010 Gemeenteblad 2010, nummer 19 6:2 Aanwijzing toezichthouders Havens en Vaarwegen 7 februari 2006 6:2 Aanwijzing toezichthouder Team straattoezicht in werking getreden op 28-11-2002 6:2 Aanwijzingsbesluit toezichthouders pont Molletjesveer Gemeenteblad 2016, nr. 89958 ToelichtingAPV</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-1-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats: hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg: uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg: verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende: hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag: met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-2-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In deze verordening heeft de raad de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is in 2017 geschrapt. De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat de gemeente een nieuwe reden introduceert waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. In plaats van buiten behandeling laten zal een aanvraag die onredelijk laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is moeten worden afgewezen. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 1:8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk doen zich situaties voor die later onwenselijk blijken af te wijken van de situatie zoals die was toen de vergunning werd verleend. Het gaat hier bijvoorbeeld om schijnbeheer of financiële schijnconstructies. Op grond van lid e kan in een dergelijke situatie de verleende vergunning gewijzigd of ingetrokken worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is aangesloten bij de Europese Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-9-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omwille van de duidelijkheid wordt niet langer in dit artikel geregeld voor welke onder de Dienstenrichtlijn vallende vergunningen de LSP van toepassing is, maar bij ieder afzonderlijk artikel zelf.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr. Teneinde discussies over definities te vermijden is de term “vechten” geschrapt en “wanordelijkheden” is vervangen door ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: de bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. artikel 6:1 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Straatintimidatie (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt beoogd verschillende vormen van straatintimidatie te verbieden. Het artikel strekt tot bescherming van de openbare orde en het voorkomen van overlast en heeft zowel betrekking op gedragingen van een individu, als van een groep. Het artikel vormt een aanvulling op hetgeen hieromtrent in het Wetboek van Strafrecht al strafbaar is gesteld (bijvoorbeeld art. 266 Sr). Het motief van deze strafrechtelijke regels is vooral gelegen in de bescherming van iemands eer en goede naam en de persoonlijke integriteit. Het motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit onderzoek is gebleken dat steeds meer groepen, waaronder vrouwen, in toenemende mate met uiteenlopende vormen van straatintimidatie worden geconfronteerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitschelden of uitjouwen, intimiderende of aanstootgevende gebaren, geluiden en gedragingen. Deze vormen van straatintimidatie zijn met name hinderlijk voor de slachtoffers zelf, maar brengen eveneens gevoelens van onveiligheid voor omstanders met zich mee. Het gevolg van dit soort gedragingen in de openbare ruimte kan zijn dat bepaalde plekken worden gemeden. Daarmee hebben deze gedragingen dus een effect op de bewegingsvrijheid van personen. Ook kan het ertoe leiden dat mensen hun gedrag aanpassen door bijvoorbeeld hun kledingstijl te wijzigen. Behalve dat deze gedragingen een effect hebben op de bewegingsvrijheid, wordt daarmee ook hinder en overlast veroorzaakt en de rust in het openbare leven verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt het tegelijkertijd mogelijk om op te treden tegen het uitjouwen of lastigvallen van opsporingsambtenaren. Uit onderzoek onder opsporingsambtenaren is namelijk gebleken dat deze groep bij de uitoefening van hun taak in toenemende mate worden uitgejouwd of anderszins lastig gevallen. Ook deze gedragingen hebben een negatief effect op de openbare orde. Gezagdragers hebben immers als taak de openbare orde te handhaven. Indien zij worden gehinderd in dit werk, heeft dit automatisch een negatief effect op de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht kan uitsluitend diegene tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen. Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Door een bepaling in de APV op te nemen is het mogelijk om op te treden tegen dit soort ongewenst gedrag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties Vierde lid: artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op de openbare weg (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel opent de mogelijkheid de aanbieding van drukwerk, maar ook een aantal andere activiteiten op de openbare weg, zoals het werven van leden of het uitdelen van producten voor een bepaald gebied en of gedurende een bepaalde tijd te verbieden. Dergelijke activiteiten hebben, met name in winkelgebieden op drukke tijden, een zeer negatieve invloed op de doorstroming van het (voetgangers)verkeer en daarmee op de bruikbaarheid van de weg. Daarbij is de opdringerigheid van flyeraars, samplers en enquêteurs en de rommel die ze veroorzaken storend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door gebruik van het woord “klanten” biedt het tweede lid niet alleen bescherming tegen de werving van leden of donateurs maar ook betaalde diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft op 13 november 2012 besloten om op basis van dit artikel, tweede lid, in Inverdan een aantal plaatsen aan te wijzen (Beleidsregels reclame- en standplaatsenbeleid Inverdan, Gemeenteblad 2012, nr. 51).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest e.d. (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 van de Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke uiting van een gedachte of een gevoel, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 tot en met 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15, m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, van de Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod dat voor bepaalde dagen en uren kan gelden. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5. BRUIKBAARHEID TEN AANZIEN VAN DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen opof aan de weg. (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijk is met dit artikel voor burgers en bedrijven de zogeheten “zorgplicht” belegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan. De burger dient datzelf af te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: naast weg of weggedeelte is ook \"openbare plaats\" toegevoegd. Hiermee wordt beoogd het artikel ook te kunnen gebruiken bij de aanpak van het illegaal in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond door burgers. Dit artikel geeft een nieuwe rechtsgrond om op te treden tegen de in gebruikneming. De toevoeging van gevaar en schade voor personen is gedaan in verband met het plaatsen van objecten zoals bijvoorbeeld speeltoestellen. De gemeente is als grondeigenaar mede aansprakelijk voor schade door speeltoestellen die door particulieren in gemeentegrond zijn geplaatst. De basis hiervoor is de onrechtmatige daad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onrechtmatigheid betreft het niet voldoen aan de veiligheids- c.q. onderhoudseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen door college nadere regels worden vastgesteld. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn nadere regels gesteld voor de plaatsing van voorwerpen zoals tijdelijke bouwobjecten, uitstallingen en plantenbakken en banken. Indien een te plaatsen object voldoet aan de criteria uit de nadere regels, kan volstaan worden met een melding. Deze melding kan via een digitaal formulier op de website van Zaanstad worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid: Om te bereiken dat bepaalde gebieden (met name Inverdan) de gewenste uitstraling krijgen en houden, kan het college gebieden aanwijzen waar het verboden is om voorwerpen te plaatsen. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10a</span><span class=\"lf-art-t\">Vastmaken van voorwerpen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De inrichting van de openbare ruimte behoort tot de publieke taak. De openbare ruimte wordt door de gemeente al dan niet tijdelijk- aangekleed met lantaarnpalen, kademuren, relingen, bomen, boombeschermers, hekwerken, straatmeubilair, fietsenrekken et cetera. Al deze voorwerpen worden ook wel aangeduid als voorwerpen bestemd voor de openbare dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er (onderhouds) werkzaamheden plaatsvinden aan of rondom deze objecten wordt er middels borden gecommuniceerd over de beoogde werkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheers-verordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Eerste lid: aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogeheten “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is het geregeld in de Telecommunicatiewet en de Telecommunicatieverordening Zaanstad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: om te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte in Zaanstad, is een vergunningplicht opgenomen. Dit in tegenstelling tot de model-APV van de VNG, waarin wordt volstaan met een meldingplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria op basis waarvan een uitwegvergunning verleend of geweigerd kan worden zijn vastgelegd in Beleidsregels uitwegen Zaanstad 2008 (Gemeenteblad 2008, nummer 46).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van winkelwagens op de openbare weg is toegestaan, maar de wagens moeten terstond na gebruik van de openbare weg worden verwijderd. Dit is zowel een verplichting voor de ondernemer, de eigenaar van de winkelwagentjes, als voor de consument. De verplichting voor de consument is opgenomen in het tweede lid. Deze bepaling beoogt op deze manier het rondzwerven van winkelwagens te verkleinen door de winkelbedrijven én de gebruiker te verplichten de gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen, dan wel terug te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 2:14, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening is het verboden om een winkelwagen mee te nemen verder dan 100 meter vanaf de winkel of het winkelcentrum. De klant moet de winkelwagen na gebruik weer inleveren bij de winkel of bij een winkelwagenpunt. Klanten die het winkelwagentje in de aangewezen gebieden buiten een straal van 100 meter rond de winkel of het winkelcentrum meenemen, riskeren een boete.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:19a en b. Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (z) Omdat het in dit artikel gaat om situaties die zonder meer verboden moeten worden, kan dit niet geschrapt worden. Het gaat hier om zaken waarbij gevaarzetting voor burgers onderling aan de orde is. Zaanstad heeft het belang van de onderlinge bescherming aan zich getrokken en dit ook in deze verordening geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedoogplicht van de APV is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-22-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7. EVENEMENTEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: in artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (=aanhef) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. In het tweede lid is vervolgens omschreven wat dan wel onder de definitie van evenement valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: voor het organiseren van kleine evenementen is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente goede en duidelijke afspraken kan maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsplicht is voor kleine evenementen omgezet in een meldingsplicht. De definitie van kleine evenementen is in 2012 verruimd, omdat gebleken is dat deze evenementen weinig risico opleveren voor de openbare orde, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid en geen overlastsituaties veroorzaken. Het gaat hier om particuliere initiatieven, bijvoorbeeld om een straatbarbecue of een straatfeest. Voor deze evenementen volstaat daarom een meldingsplicht. De melding is niet bedoeld voor commerciële activiteiten, hierbij is de kans op overlast te groot. Het blijft verboden om zonder melding (10 werkdagen voor het evenement) een klein evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder melding een dergelijk evenement wordt georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementenbeleid: aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden kan de burgemeester beleidsregels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad heeft het evenementenveiligheidsbeleid vastgelegd in de nota: Veiligheid bij Evenementen (februari 2012). Het doel van dit beleid is het vastleggen van wat er met betrekking tot evenementen in de gemeente wordt nagestreefd, met als belangrijkste invalshoek de veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid: Op basis van een risicoanalyse wordt bepaald of een evenement een categorie A, B of C is. In de analyse worden punten toegekend op basis van soort evenement, de samenstelling van het publiek en de plaats en tijdstip van het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Termijnen voor indiening Categorie Termijn indiening Melding Ten minste 10 werkdagen voor aanvang evenement A-evenement Ten minste 8 weken voor aanvang evenement B-evenement Ten minste 14 weken voor aanvang evenement C-evenement Ten minste 14 weken voor aanvang evenement Artikel 2:25 a Vechtsportwedstrijden (z) Vechtsportgala’s. In de Zaanse APV is apart aandacht gegeven aan vechtsportwedstrijden/gala’s. Het aantal vechtsportwedstrijden wordt beperkt tot 2 per jaar en aan stringente regels gebonden om criminele invloeden te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is een maximum van 2 per jaar ingegeven uit oogpunt van kosten/baten en veiligheidsgaranties. De inzet van politie en Handhaving kan niet een ongelimiteerd aantal malen per jaar boven gemiddeld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis van onbesproken gedrag voor de organisator/aanvrager is ingegeven door een aantal incidenten dat heeft plaatsgevonden bij vechtsport-evenementen elders in het land. Uit oogpunt van openbare orde en veiligheid is dit een gerechtvaardigde eis. De openbare orde en veiligheid ligt ook ten grondslag aan de overige bij vechtsportwedstrijden te stellen voorschriften/voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring(z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Jaarlijks vinden er in Zaanstad vele activiteiten plaats in grootte en omvang variërend van een vlooienmarkt tot de organisatie van de Dam tot Damloop. Al deze activiteiten vallen onder voornoemde definitie van het begrip evenement. Ieder evenement heeft zijn specifieke kenmerken, waar risico’s mee samenhangen. Om de omvang van de risico’s vast te kunnen stellen is het van belang vooraf een risicoanalyse te maken van het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid De rechtbank Den Haag heeft de motorclub Satudarah en twee supportclubs (Saudarah en Supportcrew 999) op verzoek van het Openbaar Ministerie bij beschikking van 1 juni 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:7183) verboden verklaard en ontbonden vanwege werkzaamheid in strijd met de openbare orde (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). De rechtbank heeft geconcludeerd dat een groot aantal leden gedurende een reeks van jaren betrokken is bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Het gaat om gedragingen die een wezenlijke aantasting vormen van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De leden van deze organisaties maken gedurende een reeks van jaren inbreuk op deze voor Nederlandse samenleving fundamentele waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aan de verboden organisaties toe te rekenen veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten, aldus de rechtbank. Overweging daarbij is dat door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, sprake is van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers. De rechtbank geeft aan dat met de verboden verklaring een eind komt aan alles wat met het uiterlijk vertoon van de organisaties verband houdt, zoals naam, logo’s en spreuken. Eind 2017 zijn de motorclubs Bandidos en Catervarius eveneens verboden en ontbonden op grond van strijd met de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan en op de overige redenen voor het verbod en de ontbinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak (zoals aan de orde bij bovengenoemde beschikking van de rechtbank).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om toch te kunnen optreden tegen aanwezigheid in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een strafbaarstelling opgenomen in de APV. Deze strafbaarstelling houdt in dat het verboden is om bij evenementen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Bijvoorbeeld kan het gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voor handen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een samenloopbepaling in de beide artikelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wabo en Woningwet. Meer in het bijzonder geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op publiek toegankelijke gebouwen en bijbehorende erven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsnormen: het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente bij verordening afwijkende regels kan stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: vanuit de techniek van handhaven is het noodzakelijk dat naast \"eten en drinken\" als zelfstandig toetscriterium voor een vergunning ook het aanbieden van amusement en het gelegenheid geven tot ontspanning - in combinatie met het verstrekken van eten en drinken - kan worden meegenomen in de toets. Deze aanvulling voorkomt dat bedrijven door een aanpassing in de bedrijfsvoering zich onttrekken aan de vergunningplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning horecabedrijf (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend. Met het exploitatievergunningenstelsel wordt de burgemeester in staat gesteld om vanuit zijn toezichthoudende bevoegdheid met betrekking tot de openbare orde, horecabedrijven te toetsen op effecten op de openbare orde en de woon- en leefsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningen op grond van de APV worden in beginsel voor onbepaalde tijd verleend. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Het is op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen aan een exploitatievergunning. Op grond van lid 5 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie een beperkte geldigheidsduur vaststellen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een - voormalig overlastgevend – horecabedrijf, indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat er geen sprake zal zijn van ontoelaatbare aantasting van de woon- of leefsituatie of openbare orde. Dit kan ook gelden voor risicovolle branches, locaties of gebieden. Daarnaast wordt in lijn met de jurisprudentie vanaf volgend jaar beleid ontwikkeld ten aanzien van zogenaamde schaarse vergunningen waarvoor geen vergunningen voor onbepaalde tijd meer kunnen worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is persoonsgebonden en locatie gebonden. De persoon van de exploitant speelt een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. De exploitatievergunning is (grotendeels) afhankelijk van de persoon van de exploitant (onder andere vanwege de antecedententoets) en kan daarom niet worden overgedragen aan een nieuwe exploitant. Voor een beoogde nieuwe exploitant moet een nieuwe aanvraag/vergunningprocedure doorlopen worden. De exploitant, en bij diens afwezigheid de leidinggevende, is verantwoordelijk voor de veiligheid van bezoekers en dient er voor te zorgen dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de inrichting, en in de directe nabijheid ervan, niet wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van de vergunninghouder of een leidinggevende is van cruciaal belang voor een verantwoorde exploitatie. De exploitant en leidinggevende dienen er immers op toe te zien dat er geen verstoring van de openbare orde plaatsvindt en dienen zo nodig bezoekers op hun gedrag aan te spreken. Daarnaast wordt de exploitatievergunning voor de aangevraagde locatie verleend, waarbij voorafgaand aan de vergunningverlening onder meer een toetsing heeft plaatsgevonden aan het bestemmingsplan en de gevolgen van de exploitatie op het woon- en leefklimaat op die specifieke locatie. Hierom is de exploitatievergunning zowel persoons- als locatie gebonden. Een exploitatievergunning kan derhalve niet zomaar aan een derde worden overgedragen, noch kan het horecabedrijf worden geëxploiteerd op een nieuwe locatie/ander adres zonder dat opnieuw een vergunning wordt aangevraagd en een toets wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een exploitatievergunning van rechtswege vervalt, is er geen vergunning meer en is exploitatie niet meer toegestaan. De exploitatievergunning vervalt automatisch als zich een situatie als bedoeld in lid 8 of 9 voordoet. Er is dan geen handeling van de burgemeester meer nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28a-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningsaanvraag (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat enkele formele en procedurele regels met betrekking tot de aanvraag/vergunning procedure. Wanneer niet aan de indieningsvereisten wordt voldaan wordt de aanvrager conform het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld het verzuim op te heffen. Indien binnen de gestelde termijn de benodigde bescheiden niet alsnog worden overgelegd kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld of worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28b-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28b</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene weigerings- en intrekkingsgronden exploitatievergunning (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de huidige ontwikkelingen en jurisprudentie is het noodzakelijk dat de gronden voor het intrekken of wijzigen van een horecavergunning specifiek worden geformuleerd en ook kunnen worden gerelateerd aan de houder en de wijze waarop hij het bedrijf exploiteert. Door de persoonsgebonden eigenschappen van de vergunning is het voor de burgemeester beter mogelijk een vergunning in te trekken als de vergunninghouder en de leidinggevende zijn vergunning of zijn bedrijf zodanig gebruikt of laat gebruiken dat deze een gevaar oplevert voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf aantast. De in artikel 1:6 opgenomen gronden voor het wijzigen of intrekken van een vergunning zijn hiervoor te algemeen geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn imperatieve en facultatieve weigerings- en intrekkingsgronden opgenomen. Omdat een ordelijke en veilige exploitatie voor een groot deel afhankelijk is van de exploitant(en) en leidinggevende(n) van een horecabedrijf, dienen deze personen van goed gedrag te zijn en te voldoen aan een leeftijdseis en aan een aantal zedelijkheids- en moraliteitseisen. Daarbij is aansluiting gezocht bij de eisen die artikel 8 van de Drank- en Horecawet stelt. Als niet aan deze voorwaarden en eisen wordt voldaan weigert de burgemeester de vergunning of trekt deze in. De horeca-exploitatievergunning strekt ertoe om risico op verstoring van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De horecaondernemer is verantwoordelijk voor het bewaken van de openbare orde in en rondom zijn horecabedrijf. Dit is als grondbeginsel vastgelegd in de APV. Het in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn als bedoeld in lid 1 onder b is als imperatieve weigerings- en intrekkingsgrond opgenomen. Dit betekent dat de burgemeester in het geval van slecht levensgedrag van de exploitant of leidinggevende de vergunning weigert of intrekt. Hierdoor ontstaat een eenduidige wijze van optreden. Wanneer precies sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is voor het exploiteren van een horeca-inrichting, is niet concreet te benoemen. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om niet-onbesproken levensgedrag aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot de door de burgemeester in redelijkheid te nemen beslissing. In jurisprudentie zijn diverse voorbeelden vastgelegd. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de Drank- en Horecawet. Hierin is ook geen nadere omschrijving gegeven van het begrip ‘slecht levensgedrag’. Er zijn dus geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het slechte levensgedrag mogen worden betrokken. Zo is in uitspraak van de rechtbank 12/827 d.d. 29-03-2012 de horeca exploitatie vergunning ingetrokken nadat is overwogen of de exploitant had kunnen weten, dat de bovenwoning van een van zijn horeca-inrichtingen werd gebruikt als hennepkwekerij.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een andere uitspraak (RvS 200107319/1/A3) is gebleken dat ook gedragingen buiten de inrichting, kunnen leiden tot intrekken van de vergunning. In dit geval had een in de horecazaak werkzame leidinggevende drugs, wapens en een grote hoeveelheid contant geld in bezit. Ook gedragingen buiten werktijd (buiten de exploitatie van een bedrijf) kunnen worden meegenomen in de beoordeling of iemand van slecht levensgedrag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de burgemeester een exploitatievergunning weigeren of intrekken op grond van ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding van de woon- en leefomgeving of openbare orde in rondom een horecabedrijf, als gevolg van de vestiging of aanwezigheid van dat bedrijf. Deze weigeringsgrond valt onder de 'rule of reason' en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als toetsingscriterium geldt ook of, en zo ja hoe, exploitanten of leidinggevenden in voorgaande bedrijven hebben geëxploiteerd. De vergunning kan worden geweigerd als exploitanten of leidinggevenden op ondeugdelijke wijze een horecabedrijf hebben geëxploiteerd, bijvoorbeeld door het veroorzaken van (geluids-, bezoekers-) overlast of doordat er illegale activiteiten hebben plaatsgevonden en/of bestuurlijke handhaving noodzakelijk is gebleken. Dit toetsingscriterium maakt het lastiger voor een onkundige of onverantwoordelijke exploitant om (opnieuw) een horecazaak te openen of over te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28c-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28c</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere intrekkings- of wijzigingsgronden van de exploitatievergunning (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn situaties opgenomen waarin sprake kan zijn van een ontoelaatbaar risico of gevaar voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat waarop de burgemeester tot intrekking of wijziging van de exploitatievergunning kan overgaan. Daarnaast wordt in dit artikel aangegeven dat vergunninghouder, exploitant en leidinggevende(n) de bepalingen van de APV en de voorschriften van de exploitatievergunning dienen na te leven. Indien dit niet het geval is kan de vergunning worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als exploitanten en/of vergunninghouders op ondeugdelijke wijze hun horecabedrijf exploiteren, kan de burgemeester ingrijpen om het als gevolg daarvan ontstane gevaar voor of de feitelijke verstoring van de openbare orde en/of de woon- en leefsituatie weg te nemen dan wel te stoppen. Het gaat hier dus om reparatoire bestuurlijke maatregelen, ter bescherming van de openbare orde en woon- en leefsituatie. Belangrijk in dit kader is de mate van verwijtbaarheid van exploitanten en hun leidinggevenden. Deze kan zowel direct als indirect worden uitgelegd: exploitanten en/of leidinggevenden kunnen bewust of onbewust overtredingen begaan of zich (on)bewust schuldig maken aan overlastgevende, illegale of gevaarlijke gedragingen, maar zijn ook verwijtbaar als niet of onvoldoende wordt ingegrepen bij dergelijke gedragingen door bijvoorbeeld bezoekers van het horecabedrijf. Overigens richten de bepalingen onder c en g zich niet direct op (gedragingen van) de exploitant of leidinggevenden, maar op gevaar voor de openbare orde en/of ontoelaatbare negatieve beïnvloeding van de woon- en leefsituatie in of in de buurt van een horecabedrijf ten gevolge van de exploitatie van dat horecabedrijf als zodanig of feiten die zich in het horecabedrijf hebben voorgedaan. De zwaarte van bestuurlijke handhaving door de burgemeester is afhankelijk van de ernst van een overtreding en de mate van gevaar voor de woon- en leefomgeving en openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet betekent dit artikel dat in Zaanstad geen gasten in openbare inrichtingen mogen worden toegelaten of mogen verblijven tussen 02:00 en 07:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zaken die onder de categorie lichte horeca in het bestemmingsplan vallen (waaronder restaurants en broodjeszaken), geldt een sluitingstijd van 0:00 uur. Dit sluit aan bij het bestemmingsplan waarin staat dat lichte horeca in beginsel alleen overdag en ’s avonds geopend is en niet ’s nachts. Dit geldt vooral in de woongebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horeca-ondernemers die het horecaconvenant hebben ondertekend geven daarmee blijk dat zij een maatschappelijk verantwoorde en veilige bedrijfsvoering nastreven ter afwering van verstoring van de openbare orde. Het is verantwoord om deze bedrijven meer exploitatiemogelijkheden in de vorm van ruimere exploitatietijden te bieden. Aan deze bedrijven is het verboden om gasten toe te laten tussen 03:00 en 07:00 uur. De bedrijfsvoering dient zo gereguleerd te worden dat de gasten tussen 03:00 en 05:00 het horecabedrijf verlaten. Tussen 05:00 en 07:00 uur mogen er geen gasten meer aanwezig zijn. Ook lichte horecazaken in het horeca concentratiegebied in Zaandam mogen van deze regeling gebruik maken. In dit gebied is juist gewerkt aan het bevorderen van een veilig en aantrekkelijk uitgaansklimaat en het tegengaan van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invoering van de openingstijden voor lichte horeca in juli 2017 geldt een overgangsrecht:</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige exploitanten van lichte horeca zaken die het convenant hebben ondertekend, maar vallen buiten het horeca concentratiegebied, houden de ruime openingstijden uit lid 1c. Pas bij een nieuw te vestigen zaak of bij overname van een lichte horecazaak gelden de openingstijden volgens lid 1a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijden en afwijkende voorschriften en beperkingen horecabedrijf (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het artikel 2:30 wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het aanpassen van de terrassen tijdens de Dam tot Damloop. Aanscherping van de tekst geeft de burgemeester expliciet de mogelijkheid om op bijzondere (feest)dagen de geldende voorschriften m.b.t. het terras in te trekken en nieuwe regels op te leggen. Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot één maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting horecabedrijf (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ernstige of langdurige verstoringen van de openbare orde en de veiligheid moeten er passende maatregelen genomen kunnen worden. Een tijdelijke sluiting van een bedrijf levert niet altijd het gewenste resultaat op. Ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid is het noodzakelijk dat ook een sluiting voor onbepaalde tijd tot de maatregelen kan behoren. Daarnaast is expliciet geregeld dat na het intrekken van de vergunning op grond van artikel 2:28 b of c de inrichting gesloten kan worden. Verdere exploitatie - bijvoorbeeld met een exploitatievorm waarvoor geen vergunning vereist is - kan zo worden voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30b-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30b</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting gebouw of ruimte (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebleken is dat sprake kan zijn van openbaar toegankelijke gebouwen, inrichtingen of ruimtes van waaruit of rondom activiteiten worden gepleegd die een ernstig gevaar voor de openbare orde vormen. Het voorgaande artikel voorziet in het sluiten van horecabedrijven. Op grond van artikel 174 Gemeente wet heeft de burgemeester de bevoegdheid toezicht te houden op publiek toegankelijke gebouwen en bijbehorende erven en uitvoering te geven aan verordeningen voor zover deze daar betrekking op hebben. Dit artikel bepaalt dat een inrichting, publiek toegankelijk gebouw of ruimte kan worden gesloten als sprake is van ernstig gevaar voor de openbare orde. Dit kan aan de orde zijn bij bijvoorbeeld heling, illegaal gokken, aanwezigheid van wapens, discriminatie, witwassen, mensenhandel, arbeidsuitbuiting, georganiseerde criminaliteit of andere feiten die de openbare orde ernstig verstoren of dreigen te verstoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30c-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30c</span><span class=\"lf-art-t\">Regels met betrekking tot sluiting (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn (uitvoerings-) regels opgenomen die zowel gelden voor de sluiting van een horecabedrijf als een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel binnen openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit artikel een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de exploitatie van een horecabedrijf als het gedrag van bezoekers mag de openbare orde, veiligheid en de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze beïnvloeden. In dit artikel komt tot uiting dat exploitanten en leidinggevenden er voor moeten zorgen dat de rust en orde bewaard blijven in het horecabedrijf. Van exploitanten en leidinggevenden wordt onder andere vereist dat zij zorgdragen voor, dan wel toe (kunnen) zien, op acceptabel gedrag van bezoekers van hun horecabedrijf, alsmede in de directe omgeving daarvan. Dit betekent niet alleen dat orde verstorende personen worden verwijderd maar ook dat op andere wijze zorg wordt gedragen voor het herstel van de openbare orde in de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 8A, BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE DRANK- EN HORECAWET Algemeen: de regels voor paracommerciële horecabedrijven zijn bedoeld om oneerlijke concurrentie te voorkomen. De memorie van Toelichting bij de Drank- en Horecawet vermeldt dat gemeenten bij het opstellen van de verordening de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht moet nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is. Het is niet de bedoeling dat iedere vorm van mededinging met de commerciele horeca wordt tegengegaan. De regels zijn alleen toegestaan als er in de lokale situatie inderdaad sprake is van oneerlijke concurrentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad telt op dit moment ongeveer 110 paracommerciële instellingen met een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. De meeste instellingen hebben recreatieve, sportieve of sociaal-culturele doelstellingen. De onderlinge verschillen tussen de instellingen zijn groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schenktijden van de belangrijkste categoriën (sportverenigingen en buurthuizen) worden bepaald in artikel 2:34a, eerste, tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schenktijden van een beperkte restcategorie (zoals kerken, musea, filmhuizen) worden bepaald in artikel 2:34a, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen regelen uitsluitend de momenten waarop alcoholhudende drank mag worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34a-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">eerste lid: bepaalt de vaste (standaard) schenktijden in sportkantines. Hierdoor kan de kantine op reguliere wijze geëxploiteerd worden tijdens trainingen, wedstrijden, toernooien en andere verenigingsactiviteiten (zoals spelletjesavonden voor de leden). tweede lid: Verfijnt de regeling uit het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een verenigingsactiviteit zoals een tenniswedstrijd of een voetbaltoernooi uitloopt, dan biedt deze bepaling de mogelijkheid om de schenktijden uit te breiden tot één uur na afloop van de wedstrijd of het toernooi. derde lid: bepaalt de (vaste) schenktijden van bijvoorbeeld buurt- en dorpshuizen. Bij deze instellingen is het faciliteren van sociale interactie tussen bezoekers een onmisbaar aspect bij het realiseren van de doelstellingen. De exploitatie van een buurt- of dorpshuis is een belangrijk onderdeel van de activiteiten. Een buurt- of dorpshuis vervult de rol van een verlengde huiskamer. Dat wil zeggen een plaats waar buurtbewoners elkaar ontmoeten en met elkaar in contact komen. Dat gebeurt vaak in combinatie met - of als gevolg van- andere activiteiten zoals kinderopvang, workshops en vergaderingen voor en door buurtbewoners. De toegang is laagdrempelig en het gebruik van consumpties is daarbij ondergeschikt en niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reguliere horeca biedt voor deze functie doorgaans geen reëel alternatief en de gebruikers van deze ruimten zullen ook niet snel uitwijken naar de commerciële horeca. Van oneerlijke concurrentie is dan ook niet snel sprake en er is geen aanleiding om striktere beperkingen op te leggen dan in dit artikel verwoord. vierde lid: bepaalt de schenktijden van de overige paracommerciële rechtspersonen zoals genoemd in artikel 1, eerste lid, dertiende gedachtenstreepje van de Drank- en Horecawet. Hieronder vallen bijvoorbeeld scholen, speeltuinverenigingen, filmhuizen, musea en kerken. Bij deze categorie zijn de schenktijden makkelijker te koppelen aan de activiteiten waarvoor deze rechtspersonen in het leven zijn geroepen. Hoewel sprake kan zijn van een breed scala aan activiteiten, zal in de regel geen sprake zijn van oneerlijke concurrentie met de reguliere horeca.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34b-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende drank mogen verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus wel toegestaan om bijeenkomsten te organiseren waarbij geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Ook is het op grond van deze formulering mogelijk om de ruimte (kantine, buurthuis e.d.) te verhuren voor bijeenkomsten van derden. De huurder van de ruimte kan indien gewenst zelf zorgen voor het verstrekken van alcoholhoudende drank.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zal dit betekenen dat binnen de beslotenheid van partikuliere feesten (bruiloften, verjaardagen en jubilea van leden van de club of van buurtgenoten) de huurder zelf zorgt voor de aanschaf en het verstrekken van alcoholhoudende drank of daarbij gebruik maakt van de diensten van een partijen- cateringbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verhuur van de ruimte aan personen die niet bij de rechtspersoon zijn betrokken (bijvoorbeeld voor een informatieavond of een productpresentatie of een cursus) kan deze derde voor de verstrekking van alcoholhoudende drank gebruik maken van de diensten van een partijen- cateringbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruiksmogelijkheden van het vastgoed worden wel begrensd door wet- en regelgeving zoals milieuregels, bestemmingsplannen, drank- en horecawet en APV. Het is dus niet mogelijk dat een buurthuis of sportvereniging door tussenkomst van een party-organisator en een partijen- cateringbedrijf zonder meer openbaar toegankelijke festiviteiten als house-feesten of disco-avonden kan organiseren en het vastgoed als een soort zalenverhuurbedrijf kan exploiteren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2:39 en 2:40 zijn uit de APV geschrapt en de regelgeving is opgenomen in de Verordening Speelautomaten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10a TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN MALAFIDE ONDERNEMERSKLIMAAT (z)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsmatige activiteiten kunnen gebruikt worden als een dekmantel voor malafide activiteiten of gebruikt worden om ondermijnende activiteiten te ontplooien. Zij bedreigen niet alleen de lokale, regionale of landelijke markt, maar zorgen voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Werd voorheen criminaliteit vooral repressief binnen het strafrecht aangepakt, inmiddels is gebleken dat een integrale aanpak tussen verschillende partners vaak meer oplevert. Bestuurlijke instrumenten als een vergunningplicht kunnen worden gebruikt om malafide ondernemers te weren. Om de aanpak ondermijning te versterken, wordt voorgesteld om in de APV een artikel op te nemen dat zich richt op het stimuleren van een gezond ondernemersklimaat. Door de burgemeester de bevoegdheid te geven om gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aan een vergunningplicht te onderwerpen kan een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad is op grond van zijn autonome verordenende bevoegdheid bevoegd om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van de economische ordening, maar primair het belang van openbare orde en veiligheid. Het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat maakt hier onderdeel van uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor het tegengaan van malafide ondernemers. Door het invoeren van een vergunningplicht kan de gemeente het ondernemerschap reguleren, controleren en handhaven. Bovendien gaat er een preventieve werking vanuit. Malafide ondernemers worden door de vergunningplicht geweerd. Pandeigenaren worden bovendien gestimuleerd om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het instrument van een vergunningplicht is niet ongebruikelijk binnen de gemeente. Binnen de APV bestaat er al een vergunningplicht voor onder andere de horeca en seksinrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuwe vergunningplicht kan leiden tot een toename van administratieve lasten. Bedrijven die voorheen geen vergunning nodig hadden, moeten nu wel een vergunning aanvragen. Hiervoor moeten gegevens worden aangeleverd en leges worden betaald. De toename van de administratieve lasten is te rechtvaardigen, omdat de vergunningplicht slechts wordt ingezet als de burgemeester een daartoe goed gemotiveerd aanwijzingsbesluit neemt. Bovendien hebben bonafide ondernemers er baat bij dat malafide ondernemers geweerd worden. Deze laatste groep zorgt voor oneerlijke concurrentie en een slecht imago voor de branche.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40a</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omschrijving van een bedrijfsmatige activiteit is gekozen voor een ruime omschrijving om te voorkomen dat activiteiten buiten de boot zouden vallen. Kern in de omschrijving is het zinsdeel ‘anders dan om niet’. Deze omschrijving zorgt voor het onderscheid tussen activiteiten die worden ondernomen om daaraan te verdienen en activiteiten die geen verdienmodel kennen. Het is uiteraard niet de bedoeling dat de hulp aan buren tegen een (kleine) vergoeding hieronder valt. Hulp aan buren is vaak incidenteel of kleinschalig en zijn niet bedoeld voor het genereren van een inkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip exploitant is aangesloten bij de omschrijving zoals deze ook wordt gebruikt in andere bepalingen in de APV. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagelijkse leiding kan zowel rusten bij de exploitant of bij de bedrijfsleider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40b</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De systematiek gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad worden geleverd. De burgemeester kan een aanwijzingsbesluit nemen als de leefbaarheid, openbare orde of veiligheid onder druk staan of als er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Als de burgemeester een aanwijzingsbesluit neemt, ontstaat automatisch ook een vergunningplicht (artikel 2:40c). De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing moet zorgvuldig worden gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Dit betekent dat de noodzaak van de aanwijzing mede wordt bezien in samenhang met andere maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is bevoegd om een pand aan te wijzen als in het pand bijvoorbeeld structureel strafbare feiten worden gepleegd of als vanwege de wijze van exploitatie in het pand de leefbaarheid of openbare orde of veiligheid onder druk staat. Als de eigenaar van het pand niet intrinsiek is gemotiveerd om mee te werken aan de bestrijding er van levert de aanwijzing hiertoe mogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan de branche of het gebied worden aangewezen. Een dergelijke aanwijzing kan de hele stad beslaan of slechts een deel daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40c</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning uitoefening bedrijf (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht ontstaat als de burgemeester een aanwijzingsbesluit heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn aanwijzingsbesluit stelt de burgemeester tevens vast welke gegevens moeten worden overlegd bij de aanvraag om een vergunning. Deze bevoegdheid is bij de burgemeester belegd, zodat bij de aanwijzing maatwerk kan worden geleverd. Op deze manier wordt voorkomen dat exploitanten onnodige informatie moeten aanleveren voor de beoordeling van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40d</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan de exploitant en de bedrijfsleider (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een vergunningplicht pas wordt ingesteld als sprake is van aantasting van het leefklimaat, de openbare orde of veiligheid of als er signalen zijn van ondermijnende activiteiten, is het belangrijk dat de exploitant en zijn bedrijfsleiders van goed levensgedrag zijn. In het artikel is gekozen voor ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’, zodat kan worden aangesloten bij de reeds bestaande jurisprudentie hierover.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40e</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van de APV. In dit artikel zijn in aanvulling op deze algemene gronden specifieke gronden opgenomen die kunnen leiden tot weigering van deze vergunningen. In de artikelen wordt onderscheid gemaakt tussen imperatieve en alternatieve gronden. Als sprake is van een imperatieve grond, dan moet de vergunning geweigerd worden. Bij alternatieve gronden vindt een afweging van belangen plaats. De specifieke weigeringsgronden zijn ook terug te vinden bij andere vergunningstelsels in Zaanse APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40f</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking- en wijzigingsgronden (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De algemene intrekking en wijzigingsgronden staan in 1:6 van de APV. De systematiek is identiek aan de weigeringsgronden (zie toelichting bij artikel 2:40e).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40g</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een pand sluiten als blijkt dat in het pand bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd die in strijd zijn met de vergunningplicht. Het is na sluiting voor eenieder verboden om het pand te betreden of daarin te verblijven. Dit verbod geldt voor eenieder, dus ook de pandeigenaar en de exploitant van het bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40h</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester stelt in zijn aanwijzingsbesluit een overgangstermijn vast voor reeds bestaande exploitanten. Ook deze groep valt onder de vergunningplicht. Deze groep kan niet op het moment van inwerkingtreding nog niet voldoen aan de vergunningplicht en moet de kans krijgen om een aanvraag in te dienen zonder dat daarvoor de activiteiten (tijdelijk) gestaakt moeten worden. De bepaling van de termijn is neergelegd bij de burgemeester, om maatwerk te kunnen leveren. De overgangstermijn moet proportioneel zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, wordt het in de APV geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan dit artikel toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: in afwijking van de modelverordening van de VNG, kent Zaanstad deze ontheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Het tweede lid aangepast aan de tekst van de model-APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer van geprepareerde voorwerpen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bevat een verbodsbepaling voor het vervoeren van geprepareerde voorwerpen zoals tassen, jassen, kinderwagens en buggy's op de weg of in de nabijheid van winkels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in het tweede lid opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstal te gaan plegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: Het gaat hier om een ontheffing voor personen die om wat voor reden dan ook noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn waar dat normaliter verboden is (voor het bevoegd betreden van het plantsoen geldt het verbod sowieso niet). Wij kiezen ervoor hier de lex silencio positivo niet toe te passen omdat het onwenselijk zou zijn dat personen hun gang zouden kunnen gaan wanneer te laat op hun verzoek is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de APV vormt hierop een aanvulling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang gebied: er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van Zaanstad heeft onder meer het Marktplein Wormerveer en gebied A8erna aangewezen als gebied waarop dit artikel van toepassing is. Gemeenteblad 2006, nummer 50 en Gemeenteblad 2009, nummer 9.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een algemene toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:26. In artikel 2:50a wordt een verbod wordt ingesteld voor openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een samenloopbepaling in de beide artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het probleem van de straatverontreiniging door hondenuitwerpselen staat al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Zaanstad heeft er mede voor gekozen om het bij zich hebben van “opruimmiddelen” verplicht te stellen, wat uiteraard wel controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden, de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59a</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke hondenop eigen terrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (artikel 2:59), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel voorkomt niet dat mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hier enigszins aan tegemoet te komen is artikel 2:59a opgenomen. Artikel 2:59a bepaalt dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als er voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. In lid 2 worden de volgende drie cumulatief geldende voorzieningen benoemd: een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord dat vanaf de weg zichtbaar is; een buiten het terrein geplaatste brievenbus of aanbelmogelijkheid, en een deugdelijke afrastering die voorkomt dat de hond zelfstandig buiten het terrein kan komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-66-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling “handelaar”</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. Het zogeheten inkoopregister. In de APV wordt het verkoopregister geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: om heling verder te kunnen bestrijden wordt gebruik maken van het Digitaal Opkopersregister (DOR). Het Digitaal Opkopersregister is een digitaal systeem waarbij de handelaar het goed in de computer invoert en vervolgens wordt het goed automatisch vergeleken met gestolen goederen die opgenomen zijn in de landelijke database van www.stopheling.nl. In deze database zijn alle bij de politie als gestolen aangegeven goederen geregistreerd. De ondernemer houdt digitaal bij wat er ingekocht wordt, persoonsgegevens, gegevens en foto van het goed etc. Bovendien kan de inkoper controleren via het registratiesysteem of de spullen afkomstig zijn van diefstal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a, ten eerste: artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde: hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b: in artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d: bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13 VUURWERK</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-71-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen 2:72 en 2:73 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens verkoopdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:72 van de model-APV kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koopzondag: in de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drugshandel op straat: dit artikel is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDS-RISICOGEBIEDEEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN EN VERBLIJFSONTZEGGINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-75-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieders kleding te onderzoeken; te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester de algemene bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed. Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: de gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde. De raad heeft van deze mogelijkheid tot op heden geen gebruik gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-78-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:78</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsontzegging (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Apv van Zaanstad staan bepalingen voor hinderlijk- en overlast-gevend gedrag, welke gesanctioneerd worden met “wegsturen” of met een boete, een oplossing voor het probleem op dat moment. Indien de persoon in kwestie terugkomt, moet die sanctie opnieuw worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de bestuurlijke ophouding eindigt zodra de openbare orde is hersteld en een langdurig gebieds-verblijfsverbod voor overlastveroorzakers is op basis van deze Apv-bepalingen niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de gevolgen van structurele overlast en de wens om hier voor langere tijd tegen op te kunnen treden en mede gelet op de eisen van proportionaliteit (ernst incident in verhouding tot opgelegde maatregel) en subsidiariteit (zijn er minder ingrijpende maatregelen mogelijk), is het raadzaam een extra bevoegdheid op te nemen in de Apv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan de politie voorbehouden de verblijfsontzeggingen op te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:79</span><span class=\"lf-art-t\">Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet ter zake van overtreding van het door de raad bij verordening gestelde voorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. In het artikel is niet expliciet bepaald dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen, omdat dit reeds volgt uit de artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Een van de genoemde gevallen is “ernstige vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is via de APV sinds prostitutie niet meer algemeen strafbaar is. De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-) verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om misverstanden te voorkomen is in de definitie opgenomen dat prostituees vrouwelijk en mannelijk kunnen zijn. “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf (onder d): Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht Sekswinkel (onder e): De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaan</span></h4></div>", "next": 239349}