{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage IV Financiële normering 2016 De financiële normering valt uiteen in drie delen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>deel C: bepaling medegebruikstarief.</div>\n<p class=\"lf-p\">DEEL A Vergoeding op basis van normbedragenIn onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2016 zijn aangepast conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in hoofdstuk 4, Indexering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>School voor basisonderwijsIn dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>uitbreiding (paragraaf 1.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); –eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4) en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 1.5).</div>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten voor terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en verhuiskosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp) om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m² € 659.775,47 Elke volgende m² bvo € 1.129,06 De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo, speellokaal niet inbegrepen. € 1.069.034,80 Elke volgende m² bvo € 1.182,28 Toeslag voor speellokaal (90 m²) € 101.432,15 Toeslag voor sloopkosten, verhuiskosten en bronbemaling.Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bekostiging van de sloopkosten als ook de kosten van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair zal plaatsvinden op basis van te overleggen offertes, waarbij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de vervangende nieuwbouw op een andere locatie wordt gerealiseerd, kan eveneens bekostiging van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar deze nieuwe locatie plaatsvinden. Met vervangende nieuwbouw wordt gelijkgesteld gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan het voorkomen dat een school – in afwachting van het beschikbaar komen van een nieuw gebouw – tijdelijk elders is gehuisvest. Bij verhuizing van de tijdelijke naar de definitieve locatie kan dan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,07 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij nieuwbouw van een school in verdiepingbouw bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m² bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolgebouw. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter € 96.617,54 Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m² bvo € 64.411,69 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.287,05 De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter € 99.358,02 Startbedrag bij uitbreiding van 50 tot 105 m² bvo € 66.238,68 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.312,70 Toeslag eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo) in combinatie met uitbreiding van de school € 101,432,15 Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school. € 212.968,62 Toeslag voor sloopkosten en verhuiskosten.Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij uitbreiding van een school bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Tijdelijke voorzieningBij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in de vorm van noodlokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij is onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatieDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede de eenmalige aansluitkosten op de nutsvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter € 37.573,14 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo € 25.048,76 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 923,35 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningenDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn inbegrepen de bouwkosten, toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter € 21.120,16 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo € 14.080,11 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 967,51 Toeslag verhuiskostenIndien een school – in afwachting van het gereedkomen van een tijdelijke voorziening – elders is gehuisvest, kan de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar de nieuwe accommodatie worden bekostigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden indien op verzoek van het college een verhuizing plaatsvindt naar een andere tijdelijke voorziening, voor zover die niet in de nabijheid van de te verlaten voorziening is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairBasisschoolHet bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal leerlingen. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 38.618,62 Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 135,09 Speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 81.934,86 Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 139,76 De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 7.476,92.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 GymnastiekBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingNieuwbouwDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een bruto-vloeroppervlakte van 455m2 bedraagt € 693.590,76 (op het schoolterrein) respectievelijk € 707.619,04 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 13.950,81 Paallengte 15&lt;20 meter € 19.231,92 Paallengte &gt;20 meter € 27.010,39 UitbreidingBij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding met 112 t/m 120 m² € 161.147,05 Uitbreiding met 120 t/m 150 m² € 195.896,37 Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">112-120m² 121-150m² Paallengte 1&lt;15m € 6.245,54 € 7.809,46 Paallengte 15&lt;20m € 10.817,62 € 13.518,55 Paallengte &gt;=20m € 17.685,63 € 22.107,03 OLP/meubilairDe vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 51.736,96.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>School voor (voortgezet) speciaal onderwijsIn deze bijlage zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>uitbreiding (paragraaf 2.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 2.5).</div>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)De financiële normering valt uiteen in een zestal kostencomponenten, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten voor terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie; –toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en verhuiskosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag , waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo, speellokaal niet inbegrepen. € 1.028.773,13 Elke volgende m² bvo € 1.175,27 Toeslag voor speellokaal (90 m²) € 101.432,15 Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij nieuwbouw van een school bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor sloopkosten, verhuiskosten en bronbemalingIndien vervangende nieuwbouw plaatsvindt, bestaat de mogelijkheid dat het oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna worden hersteld en indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De bekostiging van de sloopkosten als ook van de kosten van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair zal plaatsvinden op basis van te overleggen offertes, waarbij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de vervangende nieuwbouw op een andere locatie wordt gerealiseerd, kan eveneens bekostiging van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar deze nieuwe locatie plaatsvinden. Met vervangende nieuwbouw wordt gelijkgesteld gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan het voorkomen dat een school – in afwachting van het beschikbaar komen van een nieuw gebouw – tijdelijk elders is gehuisvest. Bij verhuizing van de tijdelijke naar de definitieve locatie kan dan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,07 m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1000 m² bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw van een nevenvestiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m² bvo of groter € 89.988,89 Startbedrag bij uitbreiding van 50 tot 96 m² bvo € 59.992,59 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.315,30 Toeslag eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo) in combinatie met uitbreiding van de school € 101.432,15 Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school. € 212.968,62 Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij uitbreiding van een school bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor sloopkosten etc.Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Tijdelijke voorzieningBij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt in nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatieDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn inbegrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting terrein alsmede eenmalige aansluitkosten op de nutsvoorzieningen. De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter € 39.380,65 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo € 26.611,86 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 904,67 Toeslag sloopkosten e.d.Zie paragraaf 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding tijdelijke voorzieningDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter € 21.414,99 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo € 14.276,66 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 956.49 Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag worden gegeven. Zie hiervoor de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag verhuiskostenIndien een school – in afwachting van het gereedkomen van een tijdelijke voorziening – elders is gehuisvest, kan de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar de nieuwe accommodatie worden bekostigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden indien op verzoek van het college een verhuizing plaatsvindt naar een andere tijdelijke voorziening, voor zover die niet in de nabijheid van de te verlaten voorziening is gelegen 2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairHet bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het basisbedrag voor elke m² bvo SO/ VSO-doven € 138.052,41 € 240,98 SO/VSO-sh € 125.409,62 € 312,31 SO-/VSO-esm € 116.860,29 € 155,30 SO/VSO-visg € 165.848,02 € 296,41 SO/VSO-lz € 105.759,34 € 146,05 SO/VSO-lg € 124.508,51 € 284,71 SO/VSO-zmlk € 104.116,75 € 123,89 SO/VSO-zmok € 101.627,95 € 142,43 SO/VSO-pi € 102.526,33 € 154,67 SO/VSO-mg € 126.064,92 € 126,33 De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal bedraagt € 7.476,92.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 GymnastiekBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingNieuwbouwDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 693.590,76 schoolterrein) en € 707.619,04 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van € 69.577,18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15m € 13.950,81 € 17.589,98 Paallengte 15&lt;20m € 19.231,92 € 24.360,75 Paallengte &gt;=20m € 27.010,39 € 35.059,22 UitbreidingBij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding met 112 t/m 120 m² € 161.147,05 Uitbreiding met 120 t/m 150 m² € 195.896,37 Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">112-120m² 121-150m² Paallengte 1&lt;15m € 6.245,54 € 7.809,46 Paallengte 15&lt;20m € 10.817,62 € 13.518,55 Paallengte &gt;=20m € 17.685,63 € 22.107,03 OLP/meubilairDe vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoolsoort SO-doven € 41.257,10 SO-sh/esm € 41.015,07 SO-visg € 49.654,92 SO-lg/mg € 54.392,19 SO-lz/pi € 39.013,31 SO-zmlk € 39.013,31 SO-zmok € 38.933,03 VSO-doven € 48.369,21 VSO-sh/esm € 49.631,30 VSO-visg € 59.045,06 VSO-lg/mg € 60.574,56 VSO-lz/pi € 47.670,27 VSO-zmlk € 47.670,27 VSO-zmok € 42.554,61 SOVSO-doven € 50.089,98 SOVSO-sh/esm € 53.695,62 SOVSO-visg € 61.273,49 SOVSO-lg/mg € 62.223,31 SOVSO-lz/pi € 51.733,41 SOVSO-zmlk € 51.733,41 SOVSO-zmok € 43.037,49 VervoerIndien leerlingen gebruik moet maken van een gymnastiekruimte, die gelegen is op een loopafstand van meer dan 600 meter van het lesgebouw, waarin de betreffende leerlingen is gehuisvest zijn, verzorgt de gemeente het vervoer van deze leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3School voor voortgezet onderwijs De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 3.4).</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Nieuwbouw en uitbreidingEr bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component ‘aanpassing’ deel B).</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal kostencomponenten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten van terreinen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenBouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2 bruto-vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen zijn opgenomen in onderstaande tabel met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 &lt;460 m² 460&lt;2500 m² &gt;=2500 m² Algemene en specifieke ruimte € 1.766,42 € 1.048,32 € 1.023,20 Werkplaatsen € 1.725,29 € 1.395,62 € 1.395,62 Werkplaatsen consumptief € 2.095,03 € 1.765,36 € 1.765,36 Definities algemene en specifieke ruimte a.Specifieke ruimte:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren. b.Werkplaatsen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>landbouw: groenpraktijk. c.De overige ruimte is algemene ruimte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening: &gt; 460 &lt; 2500 m² &gt;= 2500 m² Vaste voet algemeen € 111.457,39 € 111.457,39 Vaste voet algemene sectie € 218.782,42 € 305.470,32 Vaste voet werkplaatssectie € 40.453,60 € 40.453,60 Tot de werkplaatsen behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende normvergoedingBij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling, wordt een aanvullende normvergoeding ter beschikking gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules: vaste voet per m² Paallengte 1 tot 15 meter € 3.249,13 € 17,05 Paallengte 15 tot 20 meter € 3.459,12 € 28,84 Paallengte 20 meter of langer € 3.861,99 € 51,60 Uitbreiding &gt;= 1000 m² Paallengte 1 tot 15 meter € 3.967,78 € 5,97 Paallengte 15 tot 20 meter € 5.175,32 € 15,50 Paallengte 20 meter of langer € 7.859,15 € 31,33 Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,07 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag verhuiskostenHet kan voorkomen dat een school voor voortgezet onderwijs geheel of gedeeltelijk moet verhuizen. In de navolgende situaties zal een vergoeding in de kosten van verhuizing worden verstrekt: vervangende nieuwbouw op hetzelfde terrein: indien het college tijdelijke vervangende huisvesting noodzakelijk acht worden de kosten van verhuizing van de inventaris naar een tijdelijke verhuizing en weer terug vergoed; gehele of gedeeltelijke ingebruikname van een ander gebouw: indien aan een school toestemming is verleend voor gehele of gedeeltelijke ingebruikname van een ander gebouw, kunnen de kosten van verhuizing van de inventaris naar dat gebouw worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Tijdelijke voorzieningBij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening noodlokalen in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>huur van tijdelijke lokalen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalenHet bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met noodlokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: € 562,09 * A + € 38.644,96 A = het toegekende aantal m2 bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Eerste inrichting leer en hulpmiddelen en meubilairDe toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en de te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene ruimte € 159,38 Specifieke ruimte (Uiterlijke) verzorging/ mode en commercie € 372,49 Handel/verkoop/administratie € 227,86 Praktijkonderwijs € 305,94 Werkplaatsen Techniek algemeen € 390,79 Consumptief € 756,79 Grafische techniek € 1.446,86 Landbouw € 0,00 Specifieke ruimte:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren; praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Werkplaatsen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>landbouw: groenpraktijk;</div>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimte is algemene ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijsBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 693.590,76 (schoolterrein) en € 707.619,04 (op afzonderlijk terrein).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 13.950,81 Paallengte 15&lt;20 meter € 19.231,92 Paallengte &gt;20 meter € 27.010,39 Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaalNaast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: a Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden. b Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. c Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs onderdeel 'Vergoeding per klokuur' gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur sportveldenDe gemeente vergoedt aan een school de door de eigenaar van het sportterrein in rekening gebrachte huur, onder aftrek van een eigen bijdrage van € 7,97 per lesuur. Uitbetaling van de vergoeding vindt plaats op basis van een declaratie door de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilairIn geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubilair L.h.m Totaal Eerste lokaal € 1.092,67 € 65.158,35 € 66.251,02 Tweede lokaal € 1.092,67 € 50.828,46 € 51.921,13 Derde lokaal € 1.092,67 € 22.097,84 € 23.190,51 Oefenplaats 1 € 14.390,11 € 14.390,11 Oefenplaats 2 € 1.661,14 € 1.661,14 4. IndexeringDe in deze bijlage genoemde normbedragen zijn geïndexeerd naar het prijspeil van 2016. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkelijke prijsontwikkelingJaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer ‘Nieuwbouwprijzen van woningen’, outputindex 2000=100 (inclusief btw),gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek bouwnijverheid’ van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek worden als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 over het tweede kwartaal van het lopende jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende èn het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programmaNaast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) ‘bruto investeringen door bedrijven in woningen’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer ‘prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kostenIn artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke kosten. Als uitgangspunt geldt dat, afgezien van de eisen die in het kader van het gemeentelijk aanbestedingsbeleid worden gesteld, ten minste twee offertes gevraagd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schades De afhandeling van schades aan gebouwen en inrichting dient plaats te vinden conform de door het college op 3 november 1998, en nadien gewijzigd, vastgestelde schadeprotocollen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen voor aanbesteding van deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in de Beleidskader Inkoop en Aanbesteding 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening 1. AlgemeenPrioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onderscheid voorzieningenBij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn: om capaciteitstekorten op te heffen, en om een adequaat niveau te handhaven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen: nieuwbouw, inclusief terrein; uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein; in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein; verplaatsen tijdelijke gebouwen; eerste inrichting met onderwijsleerpakket, meubilair en/of leer- en hulpmiddelen; uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket, meubilair en/of leer- en hulpmiddelen, en medegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen: vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein; herstel van een constructiefout, en herstel en vervanging in verband met schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder 1.2.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Hoofd- en subprioriteitOm te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking komen: als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Tilburg 2016Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1 BegripsbepalingenEen belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting te komen in de verordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen, criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle schoolbesturen dezelfde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen om onder de begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ alle schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Tilburgse situatie betekent dit dat de stichtingen voor openbaar basisonderwijs en openbaar voortgezet onderwijs gehouden zijn aan dezelfde procedures en termijnen als een bestuur van een bijzondere school.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving voorzieningen in de huisvestingDe omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd, maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Louter op deze grond kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld artikel 100, eerste lid, onder a WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot inperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1o Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2o Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal een bepaald aantal vierkante meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3o Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met ‘bestaand gebouw of een gedeelte daarvan’. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">4o Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw (men kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">5o Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de decentralisatie in het primair onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog maar plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6o/7o Vanaf 2010 worden er geen afzonderlijke bedragen meer toegekend voor onderwijsleerpakket en meubilair. Er is voortaan sprake van een vast bedrag en een bedrag per m² bruto vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkende terminologie voor het voortgezet onderwijs (leer- en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8o Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het gebruik van een gymnastiekaccommodatie die eigendom is van een andere school of de gemeente. Voor de baden geldt het volgende: Voor een bad voor bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad d Voor het begrip constructiefouten is een ‘definitie’ geformuleerd, gebaseerd op de in het verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de financiële weigeringsgrond van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad e De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Tilburg vindt daarom de afhandeling van schades plaats op basis van het door het college vastgestelde schadeprotocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad f Evenals voor invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwvoorbereiding voorzieningenDe wet biedt het college de mogelijkheid om, naast de toewijzing en vergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten in het kader van de bouwplanontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag- en besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een – ook in tijd bezien – gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling vergoeding voorzieningenDit artikel vormt de ‘kapstok’ op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programmavaststelling, de spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van de vergoeding gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt dus bepaald voor welke voorzieningen in de verordening een normvergoeding wordt opgenomen en voor welke voorzieningen een vergoeding op basis van een offerte wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">InformatieverstrekkingDit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 112 WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij een dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag(Indienings)termijnenIn de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 6.3 de procedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad) uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat de besturen voldoende tijd hebben om op basis van een nieuwe prognose een aanvraag te formuleren en er voor de gemeente voldoende voorbereidingstijd is om te komen tot een zorgvuldige vaststelling van het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening geeft het college de mogelijkheid om een aanvraag in behandeling te nemen na ontvangst van de genoemde datum. Wanneer de aanvraag zo laat wordt ingediend, dat hij niet meer behandeld kan worden meegenomen bij de interne begrotingsvoorbereiding zal het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat de aanvraag niet door het college verder wordt betrokken bij van de voorbereiding van het programma en het overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke besluit over het huisvestingsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen indiening aanvragen overzicht in het kader van meerjarig huisvestingsbeleid (het zgn. ‘consensusmodel’)In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: ‘Het overzicht [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als huisvestingsplan.’ (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan ‘dwingen’ om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen, waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo’n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging; –een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de meerjarenbegroting.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de vorm van ‘integrale huisvestingsplannen’ en plannen voor het meerjarig onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand; capaciteit creëren of in stand houden op die locaties waar de behoefte aanwezig is);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt het programma het (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van voorzieningen die op zich reeds enige tijd werden voorzien en waarmee rekening was gehouden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke aanpak effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de schoolbesturen (al dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen hierover al is opgemerkt in de algemene toelichting plaatst een dergelijk ‘consensusmodel’ de werking van de verordening in een ander daglicht. De verordening met al zijn normen en criteria is dan meer iets dat de gemeente achter de hand heeft in het geval het consensusmodel niet (meer) werkt. De verordening verkrijgt hiermee meer een ‘vangnetfunctie’. Daarnaast houdt de verordening zijn formele functie voor wat betreft de uiteindelijke toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing op het programma. Het gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het kader van het consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze afspraken de voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee vindt de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming van de door de wetgever gestelde kaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inhoudelijke zwaartepunt van het lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt echter vast in de afspraken over het ‘integraal huisvestingsplan’, die jaarlijks worden herijkt. De inhoud en duur van de afspraken zal verschillen naargelang de lokale omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is van af gezien om in de verordening (facultatieve) bepalingen op te nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen. Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken over een dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het kader van de vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke kaders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">behandelen onvolledige aanvraagLid 1Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag moeten worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat, afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of vervangende nieuwbouw van een gebouw inderdaad noodzakelijk is. De bouwkundige rapportage dient een tweeledig doel: a vaststelling van de noodzaak voor vervanging; b vaststelling van de mate van urgentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3–5 Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de termijn die voor de aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de aanvrager bekend gemaakt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid die burgemeester en wethouders wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder stadium kunnen worden afgehandeld. Het college hoeft zich in het kader van de vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te houden. Dit komt ook overeen met de huidige bestuurspraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de wettelijke teldatum van 1 oktober ‘onverwijld’ door te geven aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit omdat het resultaat – en de daarmee samenhangende behoefte aan huisvesting(scapaciteit) – van direct belang is voor de beoordeling van de noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen van de voorziening op het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee samenhangende ‘ruimtebeslag’ op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door het college, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij andere in de verordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het werken met een fatale termijn. Daarbij is het college het bestuursorgaan dat beslist om een aanvraag niet te behandelen wanneer de vereiste gegevens niet of te laat worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan gehouden met deze mogelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Toelichting aanvraag; overleg over ingediende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">begrotingLid 1Deze bepaling is met name opgenomen om de mogelijkheid een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich complete aanvragen in tijd bezien te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als bedoeld in artikel 10 onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten zal in eerste aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg programma en overzicht; advies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OnderwijsraadMet deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht ingevolge de AWB van de aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet gelegenheid worden gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die wel aan het overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het best kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector in te richten (primair en voortgezet onderwijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan worden vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het lokaal onderwijsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5-9De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is geregeld in de AWB. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid het college het programma vaststellen indien de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel 3:50 AWB de redenen daarvan vermeld in de motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wet is het het college dat tijdens het overleg over het programma kan besluiten uit eigen beweging een verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gedachtenwisseling laat uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat het door hete college ingediende verzoek om advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de indiening van het advies over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minstens zo belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle relevante stukken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdstip vaststellingLid 1Hier wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen vast te</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen duidelijkheid te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie met de volgorde van de hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en vervangende nieuwbouw niet onmogelijk maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet gaan met de schoolbesturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Ter bescherming van de aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt voor zich dat het college geen programma hoeft vast te stellen, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 97 WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend – en er dus ook geen kunnen worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud programmaLid 1In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft, namelijk de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot uitdrukking dat het college het programma vaststelt als resultante van de toetsing aan de in de wet limitatief omschreven weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de nadere regels die de verordening stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zijn de ‘beoordelingscriteria’ een nadere invulling van de toets of de aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond ‘dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...’ De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten aanzien van de weigeringsgrond ‘... dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de modelverordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze – in tegenstelling tot de andere regels in het eerste lid – niet noodzakelijk bij de programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De gemeente en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen op het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie (bijlage V) daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het concept-programma), kan het college hiermee rekening houden bij het formuleren van het huisvestingsprogramma. Om af te wijken van de urgentiebepalingen heeft het college echter wel de toestemming van de raad nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De zinsnede ‘voor zover van toepassing’ kan ook op de vergoeding betrekking hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud overzichtLid 1Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening op het programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op het overzicht te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">overzichtLid 1Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht worden opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard ter kennis van de aanvragers worden gebracht. Ingevolge artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De wet bepaalt alleen iets over de ter inzage legging van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het totaal ter inzage te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg wijze van uitvoeringVervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; Overlegging offertesDit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij het college (zie bijvoorbeeld artikel 103 WPO). Tevens geeft de aanvrager daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in het overleg over de uitvoering, in afwijking van het uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid uiteraard niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting stelt het college ook het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering van het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in samenhang met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat door de aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16a</span><span class=\"lf-art-t\">De gemeenteraad heeft regels vastgesteld die het college in acht moet nemen bij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het aanbesteden van werken, leveringen en diensten. Deze regels worden in dit artikel ook van toepassing verklaard op werken en leveringen die door de gemeente worden bekostigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvang bekostigingVervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen aanspraak op vergoedingLid 1De wet schrijft voor dat in de verordening een datum moet worden opgenomen, voor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">welke een bouwopdracht moet zijn gegeven dan wel een koop- huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten. Aanvankelijk is gekozen voor 1 oktober met het oog op de vaststelling van de volgende gemeentebegroting. Gegeven het feit dat in de praktijk is gebleken dat deze termijn in vele gevallen tekort is, is de termijn gezet op 1 oktober van het volgende jaar. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ is opgenomen om duidelijk te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Op grond van lid 3 kan het college een nieuwe datum bepalen, waarvoor de voorziening moet zijn gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 19–24 SpoedprocedureIn dit hoofdstuk van de modelverordening zijn nadere regels opgenomen over de indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort ‘ontsnappingsroute’ kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimt tijdig – op grond van artikel 6 van de modelverordening – een aanvraag in te dienen voor het programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet kan worden gehanteerd door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere optie is dat een bevoegd gezag op ‘twee paarden wedt’, namelijk: voor dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de verordening spaak, omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Onomstotelijk moet blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een calamiteit in de ware zins des woords. Een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet doorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van de verordening leidt er toe dat in vergelijking met de situatie van voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma, aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en op het moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraagDoor de invoering van de Wet dualisering medebewindswetgeving is het college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vanaf 8 maart 2006 het orgaan dat over de aanvraag beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud aanvraagLid 1In aanvulling op de basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd indien het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">om een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen voortgang kan vinden) te worden toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Voor de bepaling van de termijn waarbinnen de aanvullende gegevens moeten worden aangeleverd is de Awb bepalend. Hierbij dient er rekening mee te worden gehouden dat de aanvrager redelijker wijze binnen de gestelde termijn de aanvullende gegevens kan verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdstip beslissingenDe in dit artikel vermelde termijnen zijn gebaseerd op de Awb</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud en uitvoering beschikkingBij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van programma en overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra dimensie die ten opzichte van de 'reguliere lijn' aan deze toetsing wordt toegevoegd is het element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de verordening tot uiting dat het college niet de financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit komt tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten beschouwing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 25–27 Vergoeding kosten bouwvoorbereidingMet nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook de besteding zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten, die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan daarbij gaan om kosten van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>architect;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>adviseur constructie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>adviseur werktuigbouwkundige installatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>adviseur electrotechnische installatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de kostenbeheersing of de bouwfysica.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking inhouden van de werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige adviseurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting, omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit betekent ook dat het college het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gebeurt omdat in de normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd aanwezig moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>met behulp van het krediet voorbereide – aanvraag voor plaatsing op het programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 29–36 Medegebruik en verhuurDe artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad om in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt de opdracht in feite in het vastleggen van de wijze waarop burgemeester en wethouders met het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten omgaan. Dit vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37, Einde gebruik gebouwen, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van ander gebruik dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het recht van de gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de procedure – het vorderen – vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in een gebouw van een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet weg dat de criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook gelden voor gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college verlangd worden dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien van met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om eventuele wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in het overleg over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer een praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat kan een aanvraag voor medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van een basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12 (regels voor de vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die aanvraag. In artikel 12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage is gesteld dat de uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter hemelsbreed sprake is van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen die afstand blijkt geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de hand van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke gegevensadministratie. Burgemeester en wethouders delen in het overleg als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij voornemens zijn om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel 100, lid 1d WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door middel van medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over dat voornemen wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg over het programma als bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de aanvraag door toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en 32 (overleg en mededeling). De beschikking voor het bevoegd gezag dat de uitbreiding heeft aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt als volgt: de aanvraag wordt afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw [.....] toegekend. Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op grond van artikel 32 een vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is aangegeven dat er tegen de vordering geen bezwaar bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van verhuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding omstandighedenIn dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6 of</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19)</span>voor een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. De leden 1d en e regelen dat er sprake dient te zijn van leegstand.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Omschrijving leegstandLid 1aVoor 1 januari 1997 was op grond van de wet- en regelgeving voor het primair</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onderwijs duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er werd uitgegaan van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante meters van een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er sprake van genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk aanwezig was of in gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake. Aangezien de betreffende wet- en regelgeving niet langer van toepassing is, is het van belang een definitie van het begrip leegstand in de verordening op te nemen. Bij de begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde benaderingswijze als voorheen, zij het met de volgende uitzondering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat bij de capaciteitsbepaling van een gebouw ingevolge bijlage III, deel A wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet meer voorkomen dat er weliswaar een overmaat aan vierkante meters geconstateerd wordt maar dat er geen lokaal over is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor de goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een vergoeding verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten, strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1bVoor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde, benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt is wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een overschot aan ruimte is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet automatisch te betekenen dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op de gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan bepaalde vakken toe te delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze keuzen hebben consequenties voor het lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van het gebouw. Daarom wordt bij een school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan de hand van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand. De verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters eventueel aan te tonen dat er geen sprake is van leegstand, ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond hiervan is dat gemeenten geen zicht hebben op de lesroosters van scholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2aVoor de beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld. De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het aantal van 40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende schoolsoort geldende reële schooltijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2bDe reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij lid 1b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Nalaten vordering; volgorde van vorderenLid 1Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als peuterspeelzaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Lid 3 wijkt af van de modelverordening van de VNG. Op verzoek van de schoolbesturen is gekozen voor een benadering waarbij het belang van de school, die aangewezen is op leegstaande lokalen bij een andere school, voorop staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg en mededelingLid 1Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader van de vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er van medegebruik sprake kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beide de mogelijkheid om bezwaar en beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen opschortende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Om een bevoegd gezag waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De mededeling dient schriftelijk plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een beschikking waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er overeenstemming over de vordering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 3 en 4In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard geldt ook hier dat het ‘ontvangende’ bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5eDe vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan verlengd worden indien dat noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">VergoedingVoor het primair onderwijs is, als gevolg van de vereenvoudiging van het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Londo-stelsel, in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding doorbetaalt. Aangezien ‘de ontvangen’ vergoeding niet eenduidig te definiëren valt – de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van de school – dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te vinden. Voor het primair onderwijs geven artikel 119 juncto artikel 114 van de WPO richting aan wat onder de door te betalen vergoeding moet worden verstaan. De WEC bevat een eensluidend artikel. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding omstandighedenOnderdeel aZie de toelichting bij artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel bDe sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg en mededelingLid 2De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste instantie is bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog meer waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken worden dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op een vergoedingsbedrag in het kader van de programma’s van eisen materiële instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV, deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt van uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming collegeLeden 2 en 3De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toetsing door het college aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en 1624, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel de afweging of er een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van eventueel binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het college een indicatie heeft dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het onderwijs, dat het dit aan het bevoegd gezag mededeelt. Dat geldt evenzeer als het college voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan tot verhuur. De risico’s voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van hun vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoudDe wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari 1997 een bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende te worden beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging van dat gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon worden ‘leeggerekend’, dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd zoveel ruimte bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest konden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan de gebouwen, is er geen sprake meer van ‘leegrekenen’ door het rijk. Aan een bepaling omtrent de beëindiging van het gebruik van dislocaties is echter wel behoefte, vooral vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik van onderwijsgebouwen een deel van de beoogde efficiency moeten realiseren. Het eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld artikel 163 WPO. De WVO kent weliswaar niet zo’n bepaling, maar het spreekt voor zich dat het recht op het gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO geven aan de gemeente opdracht om in de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 37 van de verordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel het geval. Het volgen van een zelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, 76u of 225 WVO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het bevoegd gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het gebouw beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen op verzoek van een der partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen. Van belang is dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd gezag en gemeente opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan het einde van het schooljaar liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren, is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium constateert dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van 1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de verordening. Direct na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag, kan de procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde van het gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht. De beslissing van gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking. Ten aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van spoedeisende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat, met het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor kan het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst overleg met het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige</p></div>", "next": 239926}