{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ook bij de doorontwikkeling van de dorpen en het buitengebied geeft een gebieds- en ontwikkelgericht kwaliteitskader sturing en inspiratie op het kwalitatief goed inbedden van de ruimtelijke verdichtingsopgave in de bestaande omgeving. De analyse van het stedelijk weefsel, het ruimtelijk systeem (hoofdstuk 3) en de 13 basisregels (hoofdstuk 5) geven hier een eerste aanzet voor. Verdiepende thema's hierbij zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoud en versterken van de cultuurhistorische waarde en aspecten (gebiedsbiografie) en landschappelijke structuren Vergroten van de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de dorpskernen, dorpslinten en dorpsrand Collectiviteit en saamhorigheid stimuleren door zachte overgangszones te onderzoeken, gezamenlijk gebruik van de buitenruimte te stimuleren en gedeelde faciliteiten in gebouwen Mandelig gebruik van de groen-blauwe openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Streven naar samenhang in schaal en maat, tussen grote korrel, versus kleine korrel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw Dorps Wonen duiden en een gereedschapskist dorpse architectuur opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningsplitsing in de dorpen nader onderzoeken en waar mogelijk verruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 3-30-300 regel onderzoeken: drie bomen vanaf iedere woning zichtbaar, 30 % meer kroonoppervlak bomen en een buurt park binnen 300 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantrekkelijk maken van gezonde mobiliteit en kwalitatieve gebouwde parkeervoorzieningen en geclusterd parkeren in het openbaar gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar betaalbaar en gestapeld bouwen in de dorpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogbouwvisie Tilburg wil een vitale, duurzame stad zijn in een moderne netwerksamenleving. Dat doen we door meer stedelijkheid te creëren, door slim te verdichten met hoge kwaliteit. Een van de middelen die we inzetten om te verdichten is hoogbouw. Ons nieuwe hoogbouwbeleid wordt in 2025 geactualiseerd en zal na actualisatie worden toegevoegd als bijlage aan deze nota. Het bevat een kaartbeeld dat aangeeft waar we hoogbouw een optie vinden om bij te dragen aan de verdichtingsopgave. Naast de bestaande prioriteitsgebieden, zoals de Spoorzone, de Binnenstad en Piushaven, zijn nieuwe verdichtingsgebieden zoals het Kenniskwartier, Tilburg-Noord, Stappegoor, OV-knooppunten en grote bedrijventerreinen toegevoegd. Daarnaast zijn de bestaande uitgangspunten uitgebreid. De uitgangspunten gaan nu onder andere over de effecten op de leesbaarheid van de stad, de ideale vorm van hoogbouw, technische eisen zoals bezonnings- en windonderzoek, duurzaamheid, de functies van het gebouw, de ontsluiting en de vormgeving van het gebouw. In het hoogbouwbeleid wordt gezocht naar een Tilburgse typologie; gebied specifieke ingrediënten die ervoor zorgen dat er geen generieke oplossingen ontstaan. Ook hoogbouw is genereus en voegt waarden toe aan de bestaande stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande gebouwen optoppen of splitsen Het optoppen of (soft) splitsen van bestaande gebouwen is een andere manier om binnen een bestaande woonomgeving extra wooneenheden toe te voegen. Met name in woonwijken waar relatief veel kleine huishoudens in gezinswoningen ondergebracht zijn kan dit ruimte bieden voor meer passende woningen en meer differentiatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit type ingrepen kan bijdragen aan de woningbouwopgave door extra woningen in de bestaande omgeving te realiseren. Het doel is hierbij ook dat nieuwe woonkwaliteiten gerealiseerd worden die beter aansluiten bij de woonbehoefte in de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast dat optoppen of (soft) splitsen architectonisch en technisch mogelijk moet zijn, zijn er ook eisen te stellen aan de kwaliteit van de woning en de bijbehorende faciliteiten zoals parkeren (auto, fiets, rollator, etc.) en zaken als opslag/bergingen en afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is ook van belang aangezien de dichtheid van de wijken en buurten verschilt en rekening gehouden moet worden met voldoende open ruimte en parkeervoorzieningen. Het is zinvol om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden, woonkwaliteiten en knelpunten bij optoppen en splitsen. Denk hierbij ook aan aspecten als een passende materiaalkeuze, bouwfysica (contactgeluid), ontsluitingen, zicht en privacy.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.2.Toekomstbestendig bouwen Met een (nader op te stellen) beleidskader toekomstbestendig bouwen geven we sturing op onderwerpen zoals duurzaamheid, adaptief bouwen, circulariteit, ENG-normen, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. Door ontwikkelaars en initiatiefnemers in een vroegtijdig stadium te ondersteunen op het gebied van toekomstbestendig bouwen kunnen we als gemeente positieve ontwikkelingen stimuleren en mogelijke belemmeringen wegnemen. Het is daarbij van belang om ook marktsignalen te analyseren. De mogelijkheden voor fabrieksmatige woningbouw worden hierin meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het opstellen van dit beleidskader geven we invulling aan de motie Duurzame wasstraat (uit Programmabegroting 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.3.Goed wonen voor iedereen Naast de bovengenoemde thema's verdichting en toekomstbestendig bouwen is er ook een grote vraag naar meer kwaliteit bij woningbouwprojecten. Dit betreft zowel het gebouw als de (semi-) openbare buitenruimte. Bij de uitwerking van dit thema wordt er een sterke link gelegd met het woonbeleid en de woonzorgvisie. Daarnaast is samenwerking met de woningbouwcorporaties noodzakelijk om tot vernieuwing en kwaliteit te komen. Een nadere uitwerking van dit thema is noodzakelijk om hier meer sturing op te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernieuwing en kwaliteit kan onder andere bereikt worden door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toevoegen van gemengde betaalbare woonvormen in de stad, diversiteit in woonprogramma en combinaties van wonen en werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Georganiseerde collectieve woonvormen, bijvoorbeeld in coöperaties of cpo's.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede woningbouwplattegronden in flexibiliteit en gebruikskwaliteit, ogen op straat en ruimte voor ontmoeting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aandacht voor aantrekkelijke plinten en sociaal veilige gemeenschappelijke (verkeers-)ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrek waar mogelijk bewoners bij het ontwerp voor de openbare ruimte en biedt mogelijkheden voor buurttuinen en flexibel gebruik van gedeelde ruimtes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maak levensloopbestendige woningen, woongebouwen en een passende openbare/collectieve ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeelde faciliteiten en parkeervoorzieningen gebouwd en niet gebouwd meenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Concrete criteria 7.1.Toelichting Veelvoorkomende plannen (omgevingsplanactiviteiten) die passen binnen de contouren van het omgevingsplan worden ambtelijk getoetst aan de concrete criteria zoals opgenomen in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria zijn zover mogelijk eenduidig uitgelegd. Hierdoor is het ook voor niet-deskundige initiatiefnemers inzichtelijk wat de criteria betekenen voor het plan en is het vooraf bekend waar het plan bij de aanvraag op getoetst zal worden. Deze criteria gelden als minimum eisen, waarbij geldt dat de algemene criteria en gebiedsgerichte uitgangspunten onverkort van kracht blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een veelvoorkomend (bouw)plan voldoet in ieder geval als: sprake is van een trendvolger, waarbij het (bouw)plan qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een bestaand exemplaar in het betreffende bouwblok of straat (bij gelijkvormige kapvorm/ gebouwtype). Het dient dan wel om een goedgekeurd exemplaar te gaan, waarvoor de afgelopen vijf jaar een vergunning is verleend en een positief advies is gegeven; het (bouw)plan qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een vooraf (door de architect) ontworpen exemplaar behorende bij een uitbreiding, waarvan het (bouw)plan deel uitmaakt en waarvoor al een positief advies is gegeven; het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria zoals opgenomen in deze nota of vastgestelde aanvullingen zoals een beeldkwaliteitsplan voor een specifiek gebied of ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trendsetters en -volgers De ruimtelijke samenhang is in veel gevallen gebaat bij een herhaling van vergelijkbare oplossingen, vooral als er sprake is van seriematige architectuur. Daarom werkt de gemeente met trendsetters als het gaat om veel voorkomende aanvragen zoals een dakkapel, dakopbouw, aan- of uitbouw. Als er sprake is van eerder vergunde plannen in vergelijkbare situaties en in de directe omgeving, fungeren deze als trendsetters en zijn daarmee maatgevend voor de volgende(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een trendvolger is een bouwplan dat identiek is aan een eerder vergund en gerealiseerd bouwwerk op, bij of aan een identiek woningtype in hetzelfde bouwblok of dezelfde straat. De trendvolger moet voldoen aan één van de al vergunde situaties. Ook een mee ontworpen standaardoptie bij nieuwbouwplannen wordt beschouwd als trendsetter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een trendsetter ‘overvleugelt’ de regels voor kleine bouwwerken, dat wil zeggen dat de gestelde regels niet van toepassing zijn als er een trendsetter is aangewezen. Informatie over de trendsetters is verkrijgbaar bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtelijke beoordeling Een plan als bedoeld in dit hoofdstuk wordt ambtelijk beoordeeld aan de hand van de gestelde criteria. Daarbij kan in redelijkheid een beperkte mate van interpretatie en afwegingsruimte worden toegepast. In bepaalde gevallen wordt het plan alsnog voor advies aan de Omgevingscommissie voorgelegd: als het plan afwijkt van de gestelde concrete criteria, in bijzondere situaties of bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria te beoordelen door de ambtenaar; als er voor een bepaald type plan geen criteria zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete criteria dienen om bij planmatige bebouwing samenhang in de architectuur te behouden, maar ook om kleinere (bouw-)plannen snel en effectief te kunnen beoordelen. De concrete criteria gaan over plaatsing, maatvoering, verschijningsvorm en materiaal, kleur en detaillering. Bij vergunningvrije activiteiten kunnen de concrete criteria gebruikt worden als richtlijnen bij het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor- en achtererfgebied Er wordt onderscheid gemaakt in het ‘achtererfgebied’ (achterkant) en ‘voorerfgebied’ (voorkant). Daarbij wordt in deze nota ook bedoeld de aansluitende gevels en dakvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een aantal situaties op het achtererfgebied zal vooraf geen beoordeling plaatsvinden. Hier is een minimale kwaliteitssturing van toepassing (zie paragraaf 4.1). Dit geldt niet voor beschermd ruimtelijk erfgoed. Als er sprake is van een exces kan achteraf worden ingegrepen (repressieve beoordeling, zie hoofdstuk 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plannen aan de voorkant van gebouwen worden kritischer beoordeeld. Maar ook hier kunnen meer vrijheden ontstaan door voor kleine plannen minder op behoud van het bestaande te sturen en meer op het voorkomen van aantasting van de bestaande kwaliteiten. Voor de definitie van het achtererfgebied sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.Bijbehorende bouwwerken Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is onderscheid in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage, carport, overkapping en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentekas en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1.Aan- en uitbouwen aan de achter- of zijgevel Algemeen Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, afgestemd op het hoofdgebouw en/of op bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en maatvoering Passend in de regels van het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikt aan de maat en schaal van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Overeenkomstig eerder vergunde en gerealiseerde aan- of uitbouwen bij dezelfde soort woningen in de directe omgeving (trendsetter).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenvoudig, passend bij de functie en afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgedekt met een plat dak of een kap die wat betreft kapvorm en hellingshoek afgestemd is op de kap van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels georiënteerd op het openbaar gebied zijn afgestemd op het hoofdgebouw en hebben een bij de situatie passende transparantie in de gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op het hoofdgebouw en kwalitatief tenminste gelijkwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerlaagse uitbreidingen Voor meerlaagse uitbreidingen in de grens met het publieke domein of met een gevel die gericht is naar het openbare gebied gelden er bovenop bovenstaande criteria ook de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en maatvoering De omvang is afgestemd op het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitbouw is niet hoger dan de bovenkant goot of de dakrand van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voldoende goothoogte van het hoofdgebouw wordt de goot boven de uitbouw gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er een ‘overgangselement’ wordt toegepast in de vorm van een verticale raamstrook (paneel, houtvulling of iets dergelijks), terugliggende gemetselde spiegel, of metselwerk in een andere kleur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelgeleding is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indeling en profielen van kozijnen is afgestemd op die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Wanneer metselwerk wordt toegepast zijn de steensoort en- kleur gelijk aan die van het bestaande hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer houten delen of stucwerk worden toegepast hebben deze een gedekte neutrale kleur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De detailleringen zijn afgestemd op het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op erfgrenzen worden gemetselde muren toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2.Erkers aan de voorgevel Algemeen Erkers zijn ondergeschikt in het gevelbeeld, afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw en afgestemd op bestaande bijbehorende bouwwerken bij de woning of in het bouwblok. Binnen samenhangende voorerfgebieden wordt gestreefd naar een herhaling van gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat en de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing Overeenkomstig bestaand raamkozijn in de voorgevel en/of uitgelijnd met gevelkozijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de lijn van de zijgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Afgestemd op de maat en schaal van de bestaande gevelelementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breedte: maximaal ⅔ van de breedte van de voorgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepte: maximaal 1.50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte: maximaal 0.25 meter boven de eerste verdiepingsvloer (met een maximum van 3.00 meter) of afgestemd op de naastgelegen erker in hetzelfde bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthoekige plattegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal transparant (uitgezonderd plint).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximale plinthoogte van 0.70 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de overige gevelkozijnen, hoogte tot aan boeiboord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Overeenkomstig het hoofdgebouw en draagt bij aan het ondergeschikte karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte boeiboord; maximaal 0.30 meter, afgestemd op de boeiboorden van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor Hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.3.Bijgebouwen en overkappingen Algemeen Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, afgestemd op het hoofdgebouw en/of op bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en maatvoering Passend in de regels van het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikt aan de maat en schaal van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Eenvoudig, passend bij de functie en afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgedekt met een plat dak of een kap die wat betreft kapvorm en hellingshoek afgestemd is op de kap van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels georiënteerd op het openbaar gebied zijn afgestemd op het hoofdgebouw en passend bij het ondergeschikte karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bijgebouwen en overkappingen in de directe omgeving van monumenten gelden aanvullend de volgende criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bijgebouw of overkapping respecteert de waarden van het monument en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument blijft het zicht op het monument vrij en blijft de hoofdvorm van het monument zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument wordt met respect omgegaan met de oorspronkelijke functionele context van het monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan boeren erven, verkavelingen, structuren, zichtassen et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bijgebouw of overkapping heeft in beginsel een ondergeschikte rol in het aanzien van het monument en is in maat, schaal, detaillering en stijl zorgvuldig afgestemd op het monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bijgebouw of overkapping in de omgeving van een monument doet geen onevenredige afbreuk aan het monument. Afbreuk kan ontstaan door onzorgvuldige detaillering, contrasterende kleuren of armoedig materiaalgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.Daktoevoegingen Een daktoevoeging is een uitbreiding of aanpassing van een plat dak of een schuine kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Er is onderscheid gemaakt in: dakkapellen, dakramen, dakopbouwen, extra bouwlagen en opgetrokken geveldelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.1.Dakkapellen (voor- en zijdakvlak) Algemeen Dakkapellen zijn ondergeschikt in het dakvlak, afgestemd op de architectuur en kapvorm en afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning en het bouwblok (een dakkapel is geen dakopbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing Plaatsing in het onderste deel van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekening houden met de gevelindeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voorbij de nokbeëindiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Bescheiden en afgestemd op de maat en schaal van gevelelementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte maximaal 1.50 meter met als uitzondering dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen, de maatvoering van de kleinste dakkapel als maximale maatvoering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij symmetrische plaatsing op het dak resteert aan beide zijden van de dakkapel minimaal 1.20 meter dakvlak Bij asymmetrische plaatsing op het dak resteert in totaal 2.40 meter dakvlak en een minimale afstand van 0.50 meter tot de erfgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij plaatsing op de erfgrens en een koppeling met het buurpand, dan resteert minimaal 1.80 meter dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dakvlakken breder dan 6.00 meter geldt een maximale breedte van 50% van de breedte van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzijde tussen 0.50 meter en 1.00 meter boven de dakvoet;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovenzijde minimaal 0.50 meter onder de daknok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Voorzijde maximaal transparant, zijwanden gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de gevelkozijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte boeiboord maximaal 0.30 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij projectmatige bouw: detaillering voor wat betreft dakrand en overstek, materiaalgebruik en kleurstelling gelijk aan meest voorkomende dakkapel in de betreffende straatwand van het (oorspronkelijke) bouwproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden aanvullend de volgende criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van een dakkapel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het frontale oppervlak van de dakkapel (hoogte x breedte) niet meer bedraagt dan 1.00 m² met dien verstande dat bij projectmatige bouw met qua architectuur gelijksoortige woningen de dakkapel in verticale (parallel aan de voorgevel) en horizontale vlakken in lijn is met de (kleinste van de) op buurpercelen meest nabijgelegen dakkapel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovenzijde niet minder dan 1.00 meter onder de daknok wordt geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakrand of boeiboord maximaal 0.15 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakkapel in materiaal en kleur van kozijnen en dakrand is afgestemd op het materiaal en de kleur van de kozijnen en de dakrandafwerking van het bestaande gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.2.Dakkapellen (op een achterdakvlak gericht naar het publieke domein) Algemeen Dakkapellen zijn ondergeschikt in het dakvlak, afgestemd op de architectuur en kapvorm en afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning en het bouwblok (een dakkapel is geen dakopbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing In het onderste deel van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voorbij de nokbeëindiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Aan beide zijden van de dakkapel resteert minimaal 0.50 meter dakvlak, behalve bij plaatsing op de erfgrens en een koppeling met het buurpand, dan geldt een minimum van 1.00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte maximaal 1.75 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzijde minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovenzijde minimaal 0.50 meter onder de daknok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een dakvlak over twee lagen de dakkapel in de bovenste laag tenminste 1.00 meter uit de zijkanten van het dakvlak ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Transparante zijkanten zich tenminste 1.00 meter uit de zijkant van het dakvlak bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Voorzijde maximaal transparant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijnindeling afgestemd op de indeling van de gevelkozijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op de bestaande bebouwing en draagt bij aan het gewenste ondergeschikte karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte boeiboord maximaal 0.30 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij projectmatige bouw: detaillering voor wat betreft dakrand en overstek, materiaalgebruik en kleurstelling gelijk aan meest voorkomende dakkapel binnen het bouwproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Het plaatsen van een dakkapel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.3.Dakramen Algemeen Er gelden geen concrete criteria. Indien vergunning nodig is zal de Omgevingscommissie beoordelen op basis van de algemene criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Het plaatsen van een dakraam is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden aanvullend de volgende criteria voor dakramen in het voordakvlak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvuldige afstemming op de architectuur van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houdt bij het plaatsen van het dakraam in het dakvlak rekening met de kapconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oppervlak van het dakraam bedraagt, afhankelijk van de situatie, niet meer dan maximaal 1.50 m² en de breedte is niet meer dan 75% van de hoogte (staand model).</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderkant van het dakraam ligt niet minder dan 0.50 meter en meer dan 1.00 meter boven de dakvoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zijkanten liggen meer dan 1.20 meter van de zijkanten van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">En gelden de volgende criteria voor dakramen in het achterdakvlak:</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderkant van het dakraam ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bovenkant van het dakraam ligt minimaal 0.50 meter onder de daknok.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zijkanten van het dakraam liggen meer dan 0.50 meter van de zijkanten van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4.Dakopbouwen Algemeen Dakopbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw, zijn herkenbaar als latere toevoeging en zijn qua architectuur afgestemd op het hoofdgebouw (een dakopbouw is geen dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of afgestemd op de gevelgeleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel in het voordakvlak zijn dakopbouwen niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dakopbouw aan de achterzijde (veelal lessenaarskap of zadeldak) sluit in elk geval aan achter de nok, waarbij de bestaande noklijn behouden blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dakopbouw kan over de bestaande nok worden geplaatst en wordt dan voorzien van een kap evenwijdig aan het bestaande dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Bij een opbouw over de nok:</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderkant van de dakopbouw ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe nok ligt maximaal 1.00 meter boven de bestaande nok van de woning;</p>\n<p class=\"lf-p\">De goot van de dakopbouw ligt onder de nok van de woning;</p>\n<p class=\"lf-p\">De breedte is gelijk aan de woningbreedte of de dakopbouw heeft een afstand tot de dakrand(en) van minimaal 1.20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een opbouw aan de achterzijde:</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderkant van de dakopbouw ligt minimaal 0.50 meter boven de dakvoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dak ligt maximaal 0.60 meter boven de nokhoogte van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw sluit aan achter de nok en de nok blijft intact.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volledige woningbreedte of bij hoekwoningen en twee-onder-één-kap-woningen minimaal 0.50 meter afstand tot de dakrand, de bestaande contour blijft herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Bij een opbouw over de nok:</p>\n<p class=\"lf-p\">Is identiek aan die van het bestaande dak voor wat betreft de dakhelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan de lange zijde maximaal transparant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een opbouw aan de achterzijde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt, tenzij een andere vorm vanwege architectonische of stedenbouwkundige aspecten passender is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdzakelijk transparant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eventuele overgang met de nok wordt gemaakt met een verticaal overgangselement achter de nok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgestemd op de bestaande bebouwing en zorgt voor een zorgvuldige afstemming op de bestaande architectuur en een ondergeschikt karakter (Zij)wanden in een kleurstelling afgestemd op het omringende dakvlak en de bestaande gevels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Een dakopbouw is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.5.Opgetrokken geveldelen Algemeen Een geveloptrekking aan de voorzijde is slechts mogelijk bij gebouwen die deel uitmaken van gevarieerde lintbebouwing en niet als incident op een woning die deel uitmaakt van een ensemble, twee-onder-één-kap-woning of bouwblok en alleen indien zorgvuldig ontworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘dubbele’ geveloptrekking aan voor- en achterzijde, ofwel het vervangen van een kap door een rechte bouwlaag kan acceptabel zijn bij gebouwen die deel uitmaken van gevarieerde lintbebouwing en niet als incident op een woning die deel uitmaakt van een ensemble. Bovendien is zo’n dubbele geveloptrekking in principe acceptabel bij een eindwoning op een stedenbouwkundig markant punt zoals op de hoek van een straat of ter plaatse van een verspringing in de rooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en maatvoering In de lijn van de voor- en/of achtergevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijwoningen: de breedte is gelijk aan de woningbreedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achterzijde: hoogte tot onder de daknok of met een maximale afmeting van 0.60 meter boven de daknok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzijde: hoogte tot boven de daknok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Een geveloptrekking mag geen afbreuk doen aan de karakteristiek van het gebouw en is zorgvuldig afgestemd op de architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geveloptrekking sluit in het achterdakvlak minimaal 1 dakpan onder de daknok of direct achter de daknok aan (al dan niet met een verticaal gevelelement).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij plaatsing in het voordakvlak wordt de daknok nadrukkelijk onderbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is afgestemd op de gevelgeleding van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op de bestaande bebouwing en zorgt voor een zorgvuldige afstemming op de bestaande architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zichtbare verticale gevelelement en de zijwanden worden in een donkere kleurstelling afgestemd op het omringende dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verticale gevelelement kan voorzien worden van raamstroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Het optrekken van een gevel is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.6.Een extra bouwlaag Algemeen Een extra bouwlaag is ondergeschikt aan het hoofdgebouw, is herkenbaar als latere toevoeging en is qua architectuur afgestemd op het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing Passend in de regels van het omgevingsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een extra bouwlaag kan enkel geplaatst worden op een plat afgedekt hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Eén bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 1.00 meter teruggelegen ten opzichte van de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zijgevels plaatsing ofwel op de belending, ofwel minimaal 1 meter teruggelegen van de belending.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevelindeling duidelijk onderscheidend van het hoofdgebouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het hele bouwblok gelijk zodat een opbouw individueel en in clusters op het bouwblok toepasbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Onderscheid zich in materiaalgebruik en mate van transparantie en is hiermee leesbaar als toegevoegd volume.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend bij de architectuurstijl van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Een extra bouwlaag is niet in elke situatie mogelijk en is afhankelijk van het gebouw en de context. Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.Dak-, kozijn- en gevelwijzigingen Van een dak-, kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het toevoegen, vergroten of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik, gevelpaneel of dakbedekking. Daarnaast kan sprake zijn van na-isolatie, waarbij een bestaande gevel of dakvlak een nieuwe isolerende buitenschil krijgt. Bij aanvragen voor collectieve buitenschilisolatie van meerdere gebouwen in één bouwblok wordt het plan altijd voor advies voorgelegd aan de Omgevingscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.1.Kozijnveranderingen Algemeen Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (gelijkwaardig materiaal, uitstraling en indeling) valt onder normaal onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en maatvoering De samenhang en ritmiek van het hoofdgebouw en/of straatwand wordt niet verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande gevelopening wijzigt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diepte van de negge vanuit de buitenzijde wijzigt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De profieldikte van het kozijn e.d. – gezien in het gevelaanzicht – wijzigt niet meer dan 15%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Stalen kozijnen- en raamprofielen kunnen worden vervangen door aluminium renovatieprofielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kunststof kozijnen komt de detaillering en profilering overeen met de kozijnen en het raamhout van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het materiaal- en kleurgebruik wordt afgestemd op het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden voor niet-monumenten binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">De roedeverdeling van bestaande kozijnen en glas-in-lood ramen blijft behouden en/of wordt gereconstrueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raamindeling, detaillering (negge, profilering ed.) en kleur zijn gelijk aan het oorspronkelijke ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2.Dak- en gevelwijzigingen, incl. na-isoleren aan buitenzijde Algemeen Met de wijziging blijft de karakteristiek van het pand en de samenhang in het straatbeeld voldoende behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij splitsing van een pand blijft de architectonische eenheid van het pand behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij samenvoeging van panden blijft de individualiteit van de panden afleesbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevel aan de straatzijde is representatief vormgegeven en kent een duidelijke oriëntatie op de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van gesloten zijgevels grenzend aan het openbaar gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een pand onderdeel van een bouwblok De bestaande (verticale of horizontale) gevelindeling en gevelgeleding geldt als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande gevelopeningen en –afmetingen gelden als uitgangspunt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het na-isoleren van de kap: Behoud van dezelfde goothoogte als de bestaande goot en/of de goot van het buurpand en behoud van dezelfde hellingshoek van het dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de samenhang in het totale gevelbeeld van het bouwblok voldoende behouden blijft, de stedenbouwkundige waarde niet wordt aangetast en de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenhang tussen de begane grond en de verdieping(en) blijft behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een vrijstaand pand Verandering van goothoogte, dakhelling, bouwmassa, gevelindeling, gevelgeleding is mogelijk, mits de bestaande stedenbouwkundige waarden niet worden aangetast en het pand voldoende passend is in de omgeving en het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden voor niet-monumenten binnen het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gevelwijzigingen vormen de beneden- en bovenverdiepingen een architectonische eenheid, uitgaande van de oorspronkelijke gevelelementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geleding van de gevel van de begane grond en die van de verdiepingen zijn op elkaar afgestemd. In de indeling van de voorgevel is de oorspronkelijke verdiepingshoogte van een gebouw herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevels van de begane grond en de verdiepingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in hetzelfde materiaal en dezelfde kleur. Het betimmeren of anderszins bekleden van gevels met plaatmaterialen is ongewenst. Het kleurgebruik is terughoudend en passend in het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementen die aan de gevel van een gebouw of bij een gebouw worden toegevoegd (zoals zonneschermen, vlaggen, klokken, verlichtingsarmaturen e.d. voorwerpen) kunnen het gewenste straatbeeld verstoren. Het streven is erop gericht de gevels en erven vrij te houden van toegevoegde vergunningplichtige objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van klimplantvoorzieningen aan de gevel is maatwerk maar mag in ieder geval geen verstoring vormen in de gevelarchitectuur en brengt geen schade aan het monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor luifels, zonwering en rolluiken gelden in het beschermde stads- en dorpsgezicht de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Luifels Luifels die behoren tot of passen bij de architectuur van het pand zijn niet dieper dan 0.25 meter en houden minimaal 0.25 meter afstand van de zijgevel/perceelsgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonwering Respecteert en sluit aan op de gevelkarakteristiek voor wat betreft positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonwering is beweegbaar en niet permanent uitgeklapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing is niet lager dan 2.20 meter en niet hoger dan de verdiepingshoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten het gevelvlak uitkragende zonweringen zijn niet toegestaan op niet of nauwelijks bezonde gevels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rolluiken Mogen alleen worden geplaatst ter beveiliging tegen inbraak etc. En zijn op bovenverdiepingen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogen alleen aan de binnenzijde van de gevelopeningen worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienen minimaal voor 70 % uit (glasheldere) doorkijkopeningen te bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn voor wat betreft vormgeving zo veel mogelijk afgestemd op het gevelbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben een terughoudende, in het straatbeeld passende kleur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn bij nieuwe puien geïntegreerd in de architectuur van het gebouw en het gevelontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.3.Vergroening tegen de gevel en op het dak Vergroening van een dak of gevel houdt in dat planten worden geïntegreerd in de structuur van gebouwen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren, zoals het aanleggen van een groen dak, of het installeren van verticale tuinen, waarbij klimplanten en andere vegetatie langs de gevels groeien. Vergroening van daken bij nieuwe erfbebouwing wordt altijd gewaardeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Een groene gevel of dak respecteert de architectuur van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwbouw is gevelgroen onderdeel van het architectonische concept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaande lijnen in beginsel handhaven. Dakranden, daklijsten, boeidelen en nokpannen dienen als bindend element in de architectuureenheid te blijven functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkundige/constructieve voorzieningen zijn met beplanting vanaf de straat nagenoeg niet zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de plantenkeuze is rekening gehouden met de bijdrage aan de biodiversiteit en een volwaardig groen aanzicht in alle seizoenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.Erf- en terrasafscheidingen Een erf- of terrasafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens of op het dak, bedoeld om het erf of dakterras af te bakenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.1.Grenzend aan het openbaar gebied Algemeen Erfafscheidingen passen bij en leveren een positieve bijdrage aan het straatbeeld en hebben een verzorgde uitstraling. Begroeide hekwerken en beplantingen (hagen) kunnen een meer open en vriendelijke uitstraling hebben en genieten - ook wat betreft duurzaamheid - de voorkeur boven lange, gesloten schuttingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en maatvoering Voor de voorgevellijn is de hoogte maximaal 1.00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achter de voorgevellijn is de hoogte maximaal 2.00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm Niet geheel gesloten of afwerend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een duurzame en degelijke uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend bij het tuinkarakter, afgestemd op de bebouwing en de karakteristiek van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, kleur en detaillering Bij voorkeur met begroeiing vormgegeven, zoals hagen. Of anders:</p>\n<p class=\"lf-p\">Metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw); (te begroeien) transparant metalen (gaas)hekwerk in kleur antraciet/zwart, donkerbruin of groen. Eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van niet meer dan 0.60 meter hoog); (geschilderde) houten delen (in een dekkende en/of neutrale kleur).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het perceel breder is dan 50 meter en het hoofdgebouw op tenminste 15 meter uit de voorerfgrens is gesitueerd, dan geldt voor een erfafscheiding aan de voorzijde het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoering als transparant metalen hekwerk (tenminste 60% transparant).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 2.00 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel tussen gemetselde pilasters en/of op gemetseld basement van maximaal 0.60 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleur hekwerk antraciet/zwart (donkerder dan RAL 7016).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een erf- of perceelafscheiding langs de zij-erfgrens op gronden die duurzaam niet mogen worden bebouwd, maar waarvoor desondanks vrijstelling van het omgevingsplan is verleend, geldt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1.00 meter hoog in metselwerk (steen- en kleurkeuze als hoofdgebouw) waarboven tot 2.00 meter hoogte een metalen gaashekwerk in de kleur zwart, donkerbruin of -groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan wel geheel als metalen gaashekwerk in de kleur zwart, donkerbruin of -groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2.Terrasafscherming bij dakterrassen Algemeen Een terrasafscherming bij een dakterras Levert een positieve bijdrage aan het straat- en gevelbeeld door toepassing van een open karakter en een verzorgde uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn transparant van karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben een bescheiden omvang in hoogte en breedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden voor het beschermde stads- of dorpsgezicht aanvullend de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Respecteren de waardevolle (monumentale) karakteristieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormen een versterking van het monumentale (straat)beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn voor wat betreft materialisatie en kleur afgestemd op het karakter van de omgeving en de betreffende kavel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.Gebouwgebonden installaties 7.6.1.Zonnecollectoren en- panelen Een zonnepaneel dient voor energieopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Er gelden geen concrete criteria. Indien een vergunning nodig is zal de Omgevingscommissie beoordelen op basis van de algemene criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zonnepanelen op daken in beschermde gezichten en monumenten gelden aanvullend de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaatsing van zonnepanelen op monumenten of in beschermde stadsgezichten is altijd maatwerk. Het mag geen negatieve gevolgen hebben op het stadsgezicht of de dakvorm. De richtlijn is dat het historische dak of dakvorm herkenbaar blijft. Voor de plaatsing van zonnepanelen op beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten is een omgevingsvergunning verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonnepanelen worden bij voorkeur aan de achterkant geplaatst. Aan de voorkant is ook mogelijk, maar alleen als de panelen niet aan de achterkant geplaatst kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonnepanelen op niet beschermde monumenten in rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten zijn aan de achterkant vergunningsvrij als zij niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voor zonnepanelen op de voorkant is een vergunning altijd verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een vergunning worden voorwaarden gesteld over het type paneel, de kleur, de hoeveelheid, de afstand van de zonnepanelen tot de bovenkant van het dak, goot en belendingen, het legpatroon, constructieve maatregelen en brandveiligheid. Ook moeten de aanpassingen omkeerbaar zijn. Voor een goede beoordeling zijn technische tekeningen nodig die deze punten duidelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt is dat de zonnepanelen in een eenduidig vlak gelegd worden. Dit betekent een rechthoek of een vierkant en geen afwijkende vormen. De panelen mogen bijvoorbeeld niet om een dakkapel of regenpijp heen gelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.2.Installaties aan gevels, op daken en op maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebouw gebonden installaties (al dan niet ten behoeve van duurzame energieopwekking of energiezuinigheid) zoals airco's, warmtepompen, luchtbehandelingskasten, afvoeren en andere technische apparatuur aan gevels, op daken en op maaiveld gelden de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties dienen bij voorkeur inpandig te worden gebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar inpandige realisatie van installaties technisch onmogelijk is, is plaatsing op het dak toegestaan, mits de installaties zo laag mogelijk worden gehouden en niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties zijn niet toegestaan op voorgevels of zijgevels grenzend aan openbaar toegankelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een geïntegreerde toevoeging niet mogelijk is dient de installatie zodanig gecamoufleerd te worden dat deze niet meer zichtbaar is, bijvoorbeeld met een ‘dicht ogende’ roosterconstructie (of anderszins) om de installatie heen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoelde constructie vormt een nieuw architectonisch element in verhouding tot de bestaande architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De installatie zelf heeft een neutrale kleurstelling, waardoor de installatie tegen de achtergrond wegvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk erfgoed Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor installaties op gevels, daken en op maaiveld in beschermde gezichten en/of bij monumenten gelden aanvullend de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermde gezicht of monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaalgebruik, kleur en detaillering van installaties, afvoerkanalen en bijbehorende onderdelen zijn hoogwaardig en zijn afgestemd op het oorspronkelijke ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties moeten zodanig ingepast worden dat de ingreep reversibel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.Reclame 7.7.1.Algemeen Er wordt met betrekking tot reclameobjecten onderscheid gemaakt tussen commerciële buitenreclame en objectgebonden reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een monument en/of een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, wordt er maatwerk advies gegeven. Zie hiervoor hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commerciële buitenreclame Commerciële buitenreclame betreft reclame voor producten of bedrijven die geen relatie hebben met de plaats van het reclameobject zoals billboards, MUPI’s, abri’s en reclame aan lichtmasten. Bij deze objecten is niet zozeer de reclame op zich maar de ‘drager’ als bouwwerk onderwerp van beoordeling. De toegestane vormen van commerciële buitenruimte in de openbare ruimte zijn opgenomen in de nota Buitenreclame Tilburg. Bij vervanging of uitbreiding van dit type reclame-uitingen wordt in een vroegtijdig stadium advies gevraagd (landschap, stedenbouw, architectuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclames op particulier gebied, die geen directe relatie hebben met de locatie, gericht naar het openbare gebied zijn ongewenst omdat deze in het algemeen het stads- of landschapsbeeld ernstig verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zorgvuldige inpassing in de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een passende vormgeving binnen de context van landschap, stedenbouw en architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende type reclamevormen zijn qua vormgeving afgestemd op elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Objectgebonden reclame Objectgebonden reclame gaat over reclame-uitingen zichtbaar vanuit het publieke domein voor producten of bedrijven die zijn aangebracht op, aan of bij het gebouw waar het betreffende bedrijf is gevestigd of het betreffende product wordt verhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitsluitend reclame maken voor het ter plaatse gevestigde bedrijf of voor de producten die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of verhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclameobject sluit aan bij de gevelkarakteristiek en de monumentale, landschappelijke en architectuurhistorische waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor specifieke gebieden en situaties zijn hierna aanvullende criteria opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.2.Objectgebonden gevelreclame Binnenstad &amp; Gegroeide winkelconcentraties Het streven is reclame ondergeschikt te maken aan een authentiek en kwalitatief hoogwaardig stadsbeeld. Bij het plaatsen van reclame moet rekening gehouden worden met de kwaliteiten en het karakter van het gebied. Met het oog op reclamevervuiling die ontstaat door het op elkaar stapelen van reclame-uitingen is terughoudendheid het uitgangspunt. Er wordt een evenwicht tussen de identiteit van de binnenstad en linten en commercieel noodzakelijke uitingen nagestreefd. Het streven is een optimale inpassing in de architectuur van de individuele gevels te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rondom de binnenstad zijn enkele gegroeide winkelconcentraties aan te wijzen met een vergelijkbare concentratie aan winkels en bedrijven als de binnenstad. Deze gebieden zijn in de ‘Structuurvisie Linten in de Oude Stad’ aangewezen als ‘Bedrijvige linten’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling in de binnenstad en de ‘bedrijvige linten’ zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame aan een gebouw moet ondergeschikt zijn aan het gebouw en dient op de sfeer, kleur, schaal en architectuur van het pand te worden afgestemd en zo mogelijk in de architectuur te worden geïntegreerd. Standaardreclames en reclames in huisstijl kunnen daarom niet zonder meer worden toegestaan. Indien dat noodzakelijk is ter wille van het voldoen aan dit algemene en belangrijkste criterium, kan van de onderstaande criteria worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande omgeving, of het bestaande straatbeeld is mede maatgevend voor de toe te passen reclame-uiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing Reclame moet een directe relatie hebben met het gebruik van het pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per winkel- of bedrijfspand is op de begane grond één reclame-uiting toegestaan. De verdiepingen dienen vrij te blijven van reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reclame kan op of evenwijdig aan het gevelvlak, en dus niet haaks op de gevel, worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op hoekpanden is één reclameobject per zijde toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame-uitingen op een luifel zijn slechts toegestaan indien die luifel deel uitmaakt van de oorspronkelijke architectuur van een pand of anderszins voldoet aan de architectuurcriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in de bestaande (historische) architectuur reeds specifieke reclamemogelijkheden voorhanden zijn, zoals koofborden of reclamevelden, dan zijn dat de aangewezen plaatsen voor reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschijningsvorm:</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse letters, al dan niet verlicht, verdienen de voorkeur boven lichtbakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de toepassing van verlichte reclame bestaat een sterke voorkeur voor naar achteren uitstralende doosletters (silhouetwerking);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afplakken van ramen, al dan niet in de vorm van reclame, is slechts toegestaan tot een maximum van 30% van het raamoppervlak per gevelopening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkclausule Om maatwerk mogelijk te maken kan worden afgeweken van de criteria. Een tweede en/of haakse reclame (waaronder een vlag) is denkbaar mits er sprake is van een passend totaalbeeld en mits er keuzes worden gemaakt. Dus als bijvoorbeeld de toegestane breedte of hoogte niet volledig worden benut, ontstaat er ruimte voor een tweede uiting. Ook een collectieve (en collectief ontworpen) aanpak kan in bestaande gebieden, maar ook nieuwe winkelgebieden, ruimte bieden voor een extra (haakse) uiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haakse reclames kunnen 'worden overwogen' zodra er sprake is van een zekere noodzaak vanwege een beperkte zichtbaarheid of tenzij de architectuur van een gebouw hiervoor juist aanleiding geeft (bijvoorbeeld bij een rijke ornamentiek in de gevel waarbij een vlakke gevelreclame verstorend werkt). Aandachtspunt is dat het 'stapeleffect' van een reeks haakse borden wordt voorkomen. In het kernwinkelgebied wordt daarom in beginsel vastgehouden aan het uitgangspunt om geen haakse reclames toe te staan. In straten waar niet ieder pand een commerciële functie heeft is het risico op een stapeling kleiner dan bijvoorbeeld in de Heuvelstraat. Een straat als de Nieuwlandstraat is in dit verband wel kwetsbaar gelet op de historische kwaliteit en uitstraling. Hoogwaardige en bescheiden haakse uitingen zijn via deze 'maatwerkclausule' mogelijk. De afweging is altijd of er een kwalitatief hoogwaardig totaalbeeld ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.3.Winkels en bedrijven in gemengde bebouwing Bij winkels en bedrijven in gemengde bebouwing moet o.a. worden gedacht aan de diverse ‘linten’ – aangeduid als ‘Rustige linten’ in de ‘Structuurvisie Linten in de Oude Stad’. Doelstelling is om in deze gebieden de reclame ondergeschikt te laten zijn aan het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclames niet hoger aangebracht dan de hoogte van de verdiepingsvloer van het gebouw en in elk geval niet boven de dakrand of goothoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet meer dan één reclameobject per pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame uitsluitend in of op het gevelvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame haaks op de gevel is slechts toelaatbaar als gegeven de situatie reclame op de gevel onvoldoende zichtbaar is (dus niet in aan rechte straatwanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleidingen in de gevelindeling voor de plaats van de reclame moeten worden benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkeur voor losse letters t.o.v. lichtbakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectmatig tot stand gekomen winkelcentra Bij oorspronkelijk als winkelcentrum ontworpen winkelconcentratiegebieden (zoals de Westermarkt, Heijhoef enz.) wordt gestreefd naar een uniform beeld in de hoofdafmetingen en plaatsing van reclameobjecten. Er gelden dezelfde criteria als bij gemengde bebouwing, met dien verstande dat haakse reclameborden, mits volgens standaardmodel, acceptabel kunnen zijn of zelfs de voorkeur kunnen verdienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.4.Winkels en bedrijven in woongebieden Verspreide winkels en bedrijven Verspreide winkels en bedrijven in woongebieden voegen zich in hun verschijningsvorm meestal naar het woonkarakter van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts toelaatbaar wanneer de reclame zich met een bescheiden omvang en terughoudend karakter voegt naar het (woon)karakter van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet meer dan één reclameobject per pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de keuze van plaats en afmetingen moet het gevelbeeld worden gerespecteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reclame-uiting mag niet meer dan de helft van de gevel bestrijken en niet hoger zijn dan 0.50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woongebieden (bedrijf aan huis) In woongebieden met uitsluitend een woonbestemming zal slechts behoefte zijn aan ‘reclame’ voor beroepsuitoefening aan huis. Behalve aan de gebruikelijke naambordjes bij woningen kan hierbij o.a. gedacht worden aan beroepen aan huis, kantoren in voormalige woonhuizen en kleine bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke reclame-uitingen zullen zich moeten beperken tot de hieronder beschreven criteria. Grotere reclameobjecten passen niet in een woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén onverlicht naambord per gebouw, al dan niet met vermelding van een beroep of bedrijf is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bord is op de gevel bevestigd (maximaal 10cm vóór het gevelvlak) met de bovenzijde lager dan 2.00 meter, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bord is vrijstaand op het voorerf geplaatst met de bovenzijde lager dan 1.00 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte is niet groter dan 0.50 m2;</p>\n<p class=\"lf-p\">De horizontale en verticale maat zijn elk niet groter dan 1.00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.4.Bedrijventerreinen Bedrijventerreinen zijn minder gevoelig voor storende reclame dan andere gebieden. Naast de algemene criteria gelden de volgende uitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclameteksten boven gebouwen, bijvoorbeeld op de dakrand zijn slechts acceptabel als de contour van het gebouw niet wordt verstoord. Dat wil zeggen dat over het algemeen lichtbakken op de dakrand niet kunnen worden toegestaan en dat teksten bestaande uit losse letters op de dakrand acceptabel kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast reclame in de vorm van de bedrijfsnaam is merkreclame voor het (belangrijkste) product van het bedrijf in principe acceptabel (bijvoorbeeld: naam garagebedrijf + automerk met logo). Een veelheid aan merkreclames voor een scala aan producten is ongewenst (bijvoorbeeld: naam transportbedrijf + aantal merknamen en/of logo’s van de vervoerde producten), tenzij die merkreclames worden verzameld tot één samenhangend object.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele vlaggen/banieren op het eigen terrein zijn voorstelbaar (maximaal 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.5.Kantoorverzamelgebouwen Het komt vaak voor dat in één gebouw meerdere kantoren zijn gevestigd en dat de verschillende gebruikers hun aanwezigheid kenbaar willen maken. Naast de algemene criteria gelden de volgende uitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende reclames worden in hun onderlinge samenhang en met het oog op hun gezamenlijke invloed op het totaalbeeld beoordeeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende reclames moeten qua afmetingen en positionering op het gebouw op elkaar zijn afgestemd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzameling reclames op een gebouw mag geen grotere omvang hebben dan die welke voor één kantoorvestiging in dat gebouw acceptabel zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele vlaggen/banieren op het eigen terrein zijn voorstelbaar (maximaal 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.6.LED-schermen Criteria bij de beoordeling zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het licht en de beweging van de reclame in het LED-scherm mogen geen overlast geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">LED schermen worden in beginsel niet toegestaan bij particuliere (individuele) bedrijven. Precedentwerking t.o.v. andere initiatiefnemers moet absoluut worden voorkomen. Slechts bij collectieve reclame op bijzondere plekken of bij bijzondere gebouwen (of gebouwfuncties) kan een LED-scherm worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">LED schermen worden slechts toe te staan op strategische plekken (bv. gekoppeld aan de regionale infrastructuur) en niet in de reguliere woon-/werkomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de algemene criteria zal een LED-scherm moeten worden ingepast in, maar in elk geval moeten worden afgestemd op de architectuur van het gebouw en op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere, creatieve dan wel innovatieve oplossingen kunnen ter beoordeling worden voorgelegd aan de Omgevingscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.7.Overige verlichtingsobjecten Bij (nieuwe) bebouwing waarvan het oogmerk is dat vorm en/of functie ook in het donker moeten worden ondersteund, worden vaak opvallende verlichtingselementen toegevoegd. Op zichzelf een goede zaak, omdat ook ‘s avonds en ‘s nachts de levendigheid in de stad wordt versterkt. Op ontwerptekeningen is niet altijd duidelijk wat hiervan het uiteindelijke effect zal zijn. Een eventueel overdadig en overlast gevend lichteffect kan via de Algemene Plaatselijke Verordening worden bestreden. Vanuit het oogpunt van omgevingskwaliteit is het van belang, dat de lichtconstructies en –effecten de architectuur moeten ondersteunen. De situatie mag zeker niet gaan ontstaan dat het gebouw als het ware de ondersteuningsconstructie voor de lichtinstallatie gaat vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8.Terrassen Terrassen verhogen de sfeer en de gezelligheid in de binnenstad en op belangrijke plekken in de stad waar mensen samenkomen. De Tilburgse horeca verbindt mensen met mensen en mensen met plekken. Ontmoetingen staan centraal. Met de juiste aanpak hebben terrassen een belangrijke toegevoegde waarde voor het verblijf in onze stad. Met een hoogwaardige uitstraling wordt de aantrekkingskracht van de binnenstad en de andere belangrijke plekken vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet is om samenhang te creëren in het straatbeeld en op de verschillende horecapleinen. Terrassen hebben daarom bij voorkeur per plein of gebied een samenhangende of gezamenlijk ontworpen uitstraling ten faveure van een per individueel terras eigen uitstraling. Binnen een gezamenlijk ontworpen uitstraling is altijd ruimte voor individuele herkenbaarheid. Hierna worden de hoofduitgangspunten weergegeven. Voor het overige wordt verwezen naar het terrassenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofduitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrassen zijn te gast in de openbare ruimte. Terrassen zijn open, aantrekkelijk, uitnodigend en toegankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terras is een buitenruimte. Gevels blijven in het zicht. Voorzieningen om het comfort te verhogen zijn toegestaan, mits ondergeschikt. Er mogen geen ‘buitenkamers’ (hokjes) ontstaan. Continuïteit in het straatbeeld is het uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle objecten op het terras moeten zoveel mogelijk worden gezien als straatmeubilair. Grotere bouwwerken en gebouwen zijn in beginsel ongewenst. Dit betekent dat de constructies licht, ondergeschikt en gemakkelijk verplaatsbaar zijn. De ingrepen in de grond van de gemeente zijn daarmee beperkt en eenvoudig omkeerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het meubilair en andere objecten op het terras moeten van een goede kwaliteit zijn en moeten voldoen aan de wettelijke en gemeentelijke veiligheidseisen. Schoon, heel, veilig en zo veel mogelijk passend bij het gebouw en in de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerk op basis van de hoofduitgangspunten en een specifieke ruimtelijke situatie is bespreekbaar (zie ontheffingsregel in terrassenbeleid).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Afwijken, handhaving en excessen 8.1.Juridische basis voor beleidsregels Het omgevingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft het toestaan van bepaalde activiteiten, het gebruik, de situering en de maximale afmetingen. Voor bepaalde grotere ontwikkelingen zijn daarnaast beeldkwaliteitsplannen of andere aanvullende uitwerkingen van toepassing die gebruikt worden als inspiratiebron bij de planvorming en als aanvullend beoordelingskader bij planontwikkeling en vergunningverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet voldoet aan de gestelde regels kan de vergunning geweigerd worden. De omgeving is echter niet onveranderbaar. Veranderingen bieden kansen en mogelijkheden om nieuwe kwaliteiten toe te voegen. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de gebiedskenmerken en de beleidsregels (zie hiervoor paragraaf 8.2). ‘Juridische status beleidsregels’ De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om open beoordelingsregels in het omgevingsplan op te nemen. Deze open regels kunnen een nadere interpretatie en afweging vragen in het licht van een concrete activiteit (ingreep in de fysieke leefomgeving). Open regels in het omgevingsplan kunnen daarom uitgewerkt worden in een beleidsregel. Voor het uiterlijk van bouwwerken is dat zelfs verplicht als de regels in het omgevingsplan over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft (art. 4.19 Omgevingswet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van een beleidsregel staat in artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Titel 4.3 van de Awb geeft regels over beleidsregels, bijvoorbeeld wie beleidsregels mag vaststellen en wanneer je mag afwijken. Deel B van deze nota vormt zo’n beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.Mogelijkheden om af te wijken Normaal gesproken wijkt het college van burgemeester en wethouders niet af van de vastgestelde beleidsregels. Inwoners en bedrijven weten dan waar ze aan toe zijn (rechtszekerheid). In bijzondere situaties mag het college wel afwijken van de beleidsregels (afwijkingsbevoegdheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijken van beleidsregels Er kan van een bijzondere situatie sprake zijn als de gestelde beleidsregels ontoereikend zijn voor situaties die we nu niet kunnen voorzien. Bijvoorbeeld als er sprake is van een uitzonderlijk kwalitatief hoogwaardige architectuur en/of inrichting. Ook wanneer een ingreep voldoet aan de gestelde beleidsregels, maar de kwaliteit zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden, kan afgeweken worden. In deze gevallen kan het college van burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de Omgevingscommissie, afwijken van de beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijken van het advies Het college van burgemeester en wethouders volgt in zijn oordeel in principe het advies van de ambtelijke en onafhankelijke adviseurs. Het college kan afwijken van het advies op inhoudelijke gronden of om andere redenen, bijvoorbeeld van economisch of maatschappelijk belang. Indien het college afwijkt van het advies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van een vergunning gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijkheid second opinion Het college van burgemeester en wethouders kan bij uitzonderlijke gevallen een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Een second opinion wordt pas gevraagd nadat de Omgevingscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het advies heeft gekregen. Zij stellen de Omgevingscommissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente volgt daarbij het Protocol Second Opinion van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit. Daarin is de te volgen procedure voor het aanvragen van een second opinion uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.Handhaving De gemeente Tilburg geeft met deze nota beoordelingskaders voor het in stand houden en bevorderen van goede omgevingskwaliteit. Dat betekent ook dat de gemeente zich zal inspannen voor de naleving daarvan. Voor de beleidsuitgangspunten met betrekking tot handhaving en beheer wordt verwezen naar het gemeentelijke handhavingsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naleven van de vergunning Het toezicht uitoefenen op het bouwen volgens de verleende vergunning heeft tot doel om te controleren of de met de omgevingsvergunning beoogde kwaliteiten ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Als de bouwer zich strikt aan de vergunning houdt, is er niets aan de hand. Het komt echter voor dat bij de uitvoering van het werk blijkt dat het werk op een andere wijze wordt uitgevoerd dan in de vergunning is vastgelegd. De toezichthouder van de gemeente die op gezette tijden het werk bezoekt, moet dan beoordelen of die andere uitvoering binnen de bestaande vergunning mogelijk is, dan wel of een nieuwe, wijzigingsvergunning moet worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veranderingen kunnen ook betrekking hebben op aspecten van omgevingskwaliteit. De toezichthouder past bij zijn taakuitoefening een zekere vrijheidsmarge toe voor de kleinere afwijkingen die als toelaatbaar beschouwd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij twijfel en in geval van belangrijke locaties zoals beschermd cultureel erfgoed wordt de afwijking voorgelegd aan het secretariaat van de Omgevingscommissie, zodat reactie mogelijk is. Indien nodig wordt de Omgevingscommissie om advies gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illegaal bouwen Van illegaal bouwen is sprake als er geen vergunning is aangevraagd voor een bouwwerk terwijl dat wel nodig was. Handhavend optreden tegen illegale bouwwerken wordt ook overwogen indien sprake is van een exces. Daarbij speelt een belangrijke rol, of het bouwwerk vanaf het publieke domein zichtbaar is. Indien nodig wordt de Omgevingscommissie om advies gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4.Excessenregeling Als er sprake is van een exces kan de gemeente besluiten te handhaven en de eigenaar aan te schrijven. Bij het toepassen van deze excessenregeling moet er sprake zijn van een buitensporigheid. Dat is het geval wanneer iedereen kan zien dat het uiterlijk of de positionering van een bestaand bouwwerk (of deel daarvan) duidelijk afwijkt van de omgeving en sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang, kwaliteit en eigenheid van een plek. Hiernaast werken we als gemeente specifiek met een aanpak verloederde panden. Hierbij wordt op verschillende manieren (stimulering onderhoud, advisering verhuur, eventuele aankoop etc.) verloedering aangepakt. Deze aanpak, die verschilt van zacht tot hard, wordt afgestemd met de verschillende betrokken afdelingen (Handhaving , Wijken, E&amp;A etc.) van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan sprake zijn van een exces bij: verpaupering, verwaarlozing of ernstig achterstallig onderhoud; het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; toepassing van felle, sterk afwijkende of contrasterende kleuren of materialen; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik; te opdringerige reclames;</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorbeelden: gebroken en ontbrekende ruiten en dichtgetimmerde raamopeningen; afgebladderde verf en/of met geheel of gedeeltelijk verrotte houten delen; daken welke zijn ingezakt, gescheurd en/of waarbij dakbedekking is verdwenen en/of gescheurd/gebroken; panden die voor het grootste gedeelte door brand en/of waterschade zijn aangetast; gevels waarbij het constructieve verband duidelijk niet meer aanwezig is. Bij metselwerk gevels manifesteert zich dit in scheuren, het hier en daar ontbreken van metselwerk (voegen en/of stenen) en metselwerk wat niet meer waterpas is. Voor overige materialen analoog aan metselwerk; het niet voortzetten van bouwwerkzaamheden aan een onvoltooid bouwwerk (langer dan 26 weken); overig achterstallig onderhoud, zoals bijvoorbeeld lekkende en/of loshangende goten, defecte en/of ontbrekende hemelwaterafvoeren, bemossing van gevels en kapotte en/of ontbrekende vloerafscheidingen (hekwerken) op balkons en galerijen; graffiti, waarbij een ongewenst effect ontstaat op de omgeving/buitenruimte; verkrotting, waarbij een negatief effect ontstaat met betrekking tot de buitenruimte/cultuurhistorische waarden; te nadrukkelijk en afwijkend kleurgebruik. Vanzelfsprekend afhankelijk van de situatie en de mate van verstoring; een (permanente) reclame-uiting in de vorm van een buizenframe met doek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde voorbeelden geven enigszins inzicht in welke gevallen sprake kan zijn van een exces. De opsomming is niet volledig, er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarbij sprake is van een te grove inbreuk op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving. Bij het beoordelen van een exces wordt altijd rekening gehouden met de kenmerken en waarden van de directe omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Excessenregeling in het omgevingsplan Onder de wetgeving van voor de Omgevingswet, de voormalige Woningwet, mocht een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Onder de Omgevingswet is deze wettelijke bepaling overgeheveld naar het tijdelijke omgevingsplan (artikel 22.7 van de bruidsschat).</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Samenhangend kwaliteitsstelsel Omgevingskwaliteit bereiken we samen met inwoners, initiatiefnemers en partners. Als gemeente nemen we verantwoordelijkheid voor het publieke belang en zorgen we voor een zorgvuldig proces waarin kwaliteit een evenredige plek krijgt in planbeoordeling. Dit deel beschrijft de kwaliteitsprocessen en –producten die nodig zijn om tot een integrale afweging van kwaliteitsambities te komen en geeft inzicht hoe dit binnen de gemeente is georganiseerd. Dit vormt tezamen een samenhangend kwaliteitsstelsel dat het streven naar omgevingskwaliteit stimuleert maar ook borgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Kwaliteitsadvisering en -processen Kwaliteit ontstaat niet door ambities en regels alleen. Het is geen kwestie van het afvinken van de criteria. Kwaliteitsbeleid heeft vaak een ‘open’ karakter, bijvoorbeeld bij de eis dat een ontwikkeling in de omgeving moet passen. Dat is iets anders dan te zeggen dat je over smaak niet kunt twisten of dat kwaliteit nu eenmaal subjectief is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit moet besproken worden en daar passen open ambities en open regels bij. Dat maakt het mogelijk om samen met betrokkenen te zoeken naar de beste invulling. En om te zorgen dat men zich bij concrete initiatieven en ontwikkelingen aan de afspraken houdt. Over kwaliteit moet dus gepraat worden. Daarom maken we in de bestaande gemeentelijke processen, zoals het aanvragen van een vergunning, ruimte voor het gesprek over omgevingskwaliteit. Deskundige adviseurs spelen hierbij een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.Adviseurs voor omgevingskwaliteit De gemeente heeft verschillende interne en externe deskundigen aangesteld die adviseren over het behouden en versterken van goede omgevingskwaliteit. In deze paragraaf beschrijven we de verschillende adviesrollen en in de volgende paragraaf gaan we dieper in op de relaties van de verschillende adviseurs met de processen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende kwaliteitsadviseurs hebben ieder een eigen rol, maar werken samen aan beleid of een plan met een gemeenschappelijk doel; namelijk dat nieuwe initiatieven bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit door bestaande kwaliteiten te respecteren en nieuwe kwaliteiten toe te voegen. De kwaliteitsadviseurs gebruiken daarvoor de nota omgevingskwaliteit of aanvullend beleid zoals een gebiedsgericht kwaliteitskader of een beeldkwaliteitsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtelijke adviseurs Ambtelijke plantoetsers Ambtelijke plantoetsers toetsen vergunningaanvragen aan geldende regels van het omgevingsplan, verordeningen en eventueel beleidsnota's en adviseren het college over de vergunningverlening. Voor kleine, niet ingrijpende aanvragen kan de ambtelijke plantoetser ook een oordeel geven over de omgevingskwaliteit (zie ook hoofdstuk 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtelijke adviseurs De ambtelijke adviseurs, met name de stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten maar ook adviseurs op het gebied van ruimtelijk erfgoed, architectuur, duurzaamheid, wonen etc., begeleiden complexere initiatieven. Zij adviseren de initiatiefnemers over mogelijke aanpassingen in het ontwerp. Deze begeleiding wordt aangestuurd door de proces- of projectmanager. Ook adviseren ze de beleidsafdelingen over beleidsontwikkeling en mogelijke aanpassingen van bestaande beleidskaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Team omgevingskwaliteit Binnen het team Stedelijke Ontwikkeling werken beleidsadviseurs op het thema omgevingskwaliteit. Zij initiëren het gesprek en ontwikkelen instrumenten die bijdragen aan het stimuleren en borgen van omgevingskwaliteit aan de hand van het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit (2024). Ook stellen zij het kwaliteitsbeleid op, actualiseren dit en hebben een adviserende rol in de bijbehorende adviesprocessen. De beleidsadviseur omgevingskwaliteit heeft een adviserende rol bij de organisatie en samenstelling van kwaliteitsteams en zorgt voor de samenhang en afstemming tussen de verschillende kwaliteitsteams en de omgevingscommissie. Het secretariaat van de omgevingscommissie valt ook onder dit team.</p>\n<p class=\"lf-p\">Secretariaat omgevingscommissie Een efficiënte adviesketen vereist goede ondersteuning, zowel inhoudelijk als strategisch en secretarieel. Daarbij is een goede communicatie tussen het ambtelijk apparaat en de onafhankelijke adviseurs belangrijk. Zij moeten weten wat er gaande is om effectief mee te kunnen denken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het secretariaat van de Omgevingscommissie bestaat uit deskundige adviseurs omgevingskwaliteit. Het secretariaat verzorgt de voorbereiding en verslaglegging van de vergaderingen van de omgevingscommissie. Daarnaast is het secretariaat gemandateerd om namens de commissie plannen te beoordelen. Binnen de ambtelijke organisatie verzorgt het secretariaat het beleid voor omgevingskwaliteit en zorgt zij voor afstemming en draagvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijke externe adviseurs Omgevingscommissie Dit is de gemeentelijke adviescommissie die verplicht is onder de Omgevingswet (artikel 17.9 Ow). Deze commissie wordt door de raad ingesteld en bestaat uit zes deskundigen. De commissieleden zijn deskundig op het gebied van cultuur- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw en architectuur. De commissie wordt uitgebreid met een extra lid 'Toekomstbestendig ontwerpen en bouwen’ na vaststelling van het nog te ontwikkelen beleid Toekomstbestendig bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie adviseert over bouwplannen, stedenbouwkundige plannen, ontwerpen voor de openbare ruimte en over monumenten (zie ook hoofdstuk 11.3) en biedt ruimte voor het gesprek over kwaliteit. Daarnaast kan de commissie gevraagd en ongevraagd adviseren over beleidsontwikkelingen. De commissie kan leden en/of het secretariaat mandateren om namens de commissie te adviseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergaderingen van de commissie zijn openbaar en vinden elke woensdag in de oneven weken plaats. De commissie nodigt initiatiefnemers in een vroeg stadium uit om in een vooroverleg (na ambtelijke afstemming) de kwaliteiten van het plan te bespreken. Deze werkwijze bevordert een transparant en participatief proces, gericht op het realiseren van een hoogwaardige omgevingskwaliteit in Tilburg. Wanneer plannen in een heel vroegtijdig stadium voorgelegd worden aan de commissie en er nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden bestaat er de mogelijkheid om deze plannen besloten te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsteams Voor grotere ontwikkelingen en transformatiegebieden wordt een kwaliteitsteam aangesteld. Een kwaliteitsteam is intensief betrokken bij de landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische ontwikkeling van het betreffende gebied, maar kan daarnaast ook expertise bevatten over bijvoorbeeld sociale vraagstukken in de fysieke leefomgeving of over economische aspecten. Een kwaliteitsteam inspireert en adviseert initiatiefnemers en hun ontwerpers en de ambtelijke afdelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsteams worden ingericht vanuit de afdeling ruimte en gekoppeld aan gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de samenstelling en organisatie van het kwaliteitsteam wordt advies uitgebracht door het team omgevingskwaliteit en wordt de omgevingsmanager geconsulteerd. Het kwaliteitsteam bestaat uit minimaal 3 onafhankelijke leden en heeft in ieder geval een onafhankelijke voorzitter, een expert architectuur en stedenbouw (mag overlappend zijn) en een landschapsarchitect met expertise op ecologie en klimaatadaptatie (mag overlappend zijn). Het huidige kwaliteitsteam Spoorzone adviseert over de gehele binnenstad (incl. Spoorzone en Piushaven). Voor Tilburg West (incl. Kenniskwartier), Tilburg Zuid (incl. Stappegoor), Tilburg Noord, de Oostflank (incl. de dorpen) en de bedrijventerreinen (incl. Wijkervoort) wordt gebiedsgerichte kwaliteitssturing ingericht. Per gebied worden eigen keuzes gemaakt in de kwaliteitssturing en de samenstelling, werkwijze en taken van kwaliteitsteams. Het college benoemt de leden op persoonlijke titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kwaliteitsteam wordt ondersteund en gefaciliteerd door de projectleider/gebiedsontwikkelaar en de betrokken stedenbouwkundige van de betreffende gebiedsontwikkeling. Waar nodig vindt er ondersteuning plaats vanuit het secretariaat van de omgevingscommissie. Bij specifieke, kleinschalige opgaven met een bijzondere opgave is het aanstellen van een supervisor ook een mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting SPOOR Als het gaat om kunst in het kader van stads- of gebiedsontwikkeling is stichting SPOOR het eerste aanspreekpunt. SPOOR is Tilburgs onafhankelijk expertisecentrum voor kunst in het publieke domein. Een belangrijke rol van SPOOR is het adviseren met betrekking tot kunst in de publieke ruimte. SPOOR ondersteunt en begeleidt de totstandkoming van kunstprojecten. In het adviestraject dat SPOOR hanteert hebben kunstdeskundigen én ‘staddeskundigen’ (inwoners) zitting in zogenoemde begeleidingscommissies die adviseren bij de opdrachtformulering, kunstenaarselectie, en bij de verschillende ontwerpfasen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planteams Bij grote ruimtelijke ontwikkelingen betrekt de gemeente in een vroeg stadium bewoners, wijk- en dorpsraden, verenigingen en andere betrokken partijen door een planteam samen te stellen. Met het planteam worden gedurende het proces meerdere inhoudelijke gesprekken gevoerd over de kwaliteiten van de ruimtelijke ontwikkeling. Het planteam heeft een adviesrol aan het college over de ruimtelijke ontwikkeling via het principe van gekwalificeerd adviesrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.Samenhang in adviesrollen De genoemde adviseurs hebben ieder een eigen rol, maar werken regelmatig samen aan hetzelfde initiatief of project. Het is daarom belangrijk om helderheid te hebben in de rollen en de samenhang daartussen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de kwaliteitsadvisering is altijd dat nieuwe plannen en initiatieven bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit door bestaande kwaliteiten te respecteren en nieuwe kwaliteiten toe te voegen. Alle kwaliteitsadviseurs werken met de nota omgevingskwaliteit. Het secretariaat zorgt voor een goede afstemming en houdt een adviesdossier bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie Omgevingscommissie en kwaliteitsteam Bij het inrichten van het adviesproces voor omgevingskwaliteit bij grotere projecten en transformatiegebieden, heeft de gemeente verschillende mogelijkheden. Het voorkeursmodel van de gemeente is om te werken met een gebieds- of themagericht kwaliteitsteam. Het kwaliteitsteam wordt samengesteld uit onafhankelijke adviseurs op specifieke expertises. Indien dit passend is kan een lid van de Omgevingscommissie zitting nemen in een kwaliteitsteam. Hiermee wordt er inhoudelijk een koppeling gemaakt tussen de Omgevingscommissie en het kwaliteitsteam. Het kwaliteitsteam adviseert en begeleidt ontwikkelingen in een vroegtijdig stadium. De Omgevingscommissie wordt bij de start van het kwaliteitsteam geïnformeerd. Daarnaast vindt er jaarlijks afstemming plaats over de ontwikkelingen in het betreffende gebied of thema. Het kwaliteitsteam is veelal betrokken vanaf de formulering van de opgave totdat de hoofdlijnen van het project vastgesteld zijn. Vervolgens neemt de Omgevingscommissie de adviesrol over. Het laatste advies van het kwaliteitsteam vormt daarbij het overdrachtsdocument.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit model zijn taken en verantwoordelijkheden duidelijk gescheiden. Het kwaliteitsteam begeleidt het project vanaf de vroege fasen, zorgt ervoor - indien nodig - dat de kwaliteitskaders goed zijn opgesteld en is het aanspreekpunt voor de initiatiefnemers. De Omgevingscommissie adviseert over de vaststelling van eventuele aanvullende kwaliteitskaders en neemt vanaf het voorlopig ontwerp de beoordeling van het project over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minstens één keer per jaar organiseert de gemeente een overleg tussen de voorzitters van de kwaliteitsteams en de Omgevingscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.Kwaliteitsadvisering De bestaande kwaliteitsadvisering binnen de gemeente Tilburg kent een traditie van nuance en overleg. Al sinds 2012 werkt de gemeente met een breed samengestelde Omgevingscommissie, die in nauwe samenspraak met de afdeling Ruimte adviseert op bouwplannen, ruimtelijk erfgoed en de openbare ruimte. Daarnaast zijn bij grote gebiedsontwikkelingen zoals de Piushaven en de Spoorzone kwaliteitsteams ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jarenlange kwaliteitsbewaking met een breed georiënteerde afdeling ruimte, een omgevingscommissie en het inzetten van kwaliteitsteams bij grote gebiedsontwikkelingen sluit goed aan op de gewenste integrale aanpak. Met de veranderende tijdsgeest, gebiedsoverstijgende vraagstukken en het groeiend aantal gebiedsvisies en bouwplannen is er de behoefte om de kwaliteitsadvisering uit te breiden met een lid toekomstbestendig bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goede kwaliteitsadvisering is de samenhang tussen beleid, uitvoering en advisering essentieel. De afdeling ruimte in combinatie met het huidige secretariaat van de Omgevingscommissie speelt daarbij een essentiële rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de basis zijn er twee verschillende vormen van kwaliteitsadvisering: beleidsadvisering en planadvisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsadvisering Beleidsadvisering is gericht op de advisering over het ontwikkelen van beleid voor de fysieke leefomgeving. Het gaat hierbij over de algemene beleidskaders en niet over (de voorbereiding van) concrete planinitiatieven en de besluitvorming hierover. De beleidsadvisering is gericht op de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan of andere beleidsdocumenten die hieruit voortkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advisering over beleidsvragen omvat in ieder geval het beleid voor omgevingskwaliteit: erfgoed, architectuur, stedenbouw, landschap en natuur, duurzaamheid. Maar kan ook betrekking hebben op het maatschappelijk draagvlak of regionale opgaven om te sturen op een bredere kwaliteitscultuur in de zin van houding en handelen met als basis het streven naar goede omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strategische advisering Deze vorm van beleidsadvisering vraagt een andere werkwijze dan de advisering over planactiviteiten; het heeft bij voorkeur een vrije vorm, is strategischer van aard, gebeurt gevraagd en ongevraagd en vaker door middel van overleg en bijeenkomsten dan door formele schriftelijke adviezen. Voor een groot deel van beleidsadvisering en –ontwikkeling wordt ambtelijke deskundigheid ingezet, wel of niet ondersteund door externe adviseurs zoals de Omgevingscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planadvisering Planadvisering richt zich op het verbeteren van ruimtelijke plannen door samenwerking tussen initiatiefnemers, adviseurs en de gemeente. Hierbij worden plannen afgestemd op het publieke belang. Initiatiefnemers kunnen projectontwikkelaars, particulieren of de gemeente zelf zijn, bijvoorbeeld bij publiek-private samenwerking of bij projecten op gemeentelijke grond, zoals overheidsgebouwen of de inrichting van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij planadvisering wordt onderscheid gemaakt in advies over het formuleren van de opgave (opgavegerichte advisering), over de ontwerpkwaliteit (ontwerpgerichte advisering) en over de eindbeoordeling van de toelaatbaarheid van een activiteit (beoordelingsgerichte advisering). Voor effectieve en deugdelijke advisering is het van belang dat hetgeen wordt geadviseerd in de vroege fase van de opgave, ook doorwerking heeft in de eindfase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgavegerichte advisering Wat kan een initiatief bijdragen aan omgevingskwaliteit in Tilburg?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat en wie heb je daarvoor nodig?</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgavegerichte advisering vindt plaats bij de aanvang van een initiatief. Het gaat over wat een initiatief of project meer kwaliteiten aan de omgeving kan toevoegen dan alleen het programma, en hoe de gemeente vanuit haar rol hier de kaders voor kan meegeven. Dit vroege stadium biedt de mogelijkheid om zowel strategische als operationele kwaliteitsaspecten te bespreken, waardoor de opgave kan worden verrijkt met lokale waarden en behoeften. Deze aanpak sluit aan bij de uitnodigende cultuur die de gemeente Tilburg nastreeft, waarbij de gemeente een actieve rol speelt in het borgen van een goede omgevingskwaliteit. De drie fundamenten met de 13 basisregels (zie paragraaf 5.1) vormen het vertrekpunt voor het gesprek in deze fase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerpgerichte advisering Hoe kan een initiatief het beste bijdragen aan omgevingskwaliteit en de ambities van de omgevingsvisie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerpgerichte advisering vindt plaats in de fase tussen het programma van eisen tot en met het definitieve ontwerp. Hierbij ligt de focus op het bevorderen van de ontwerpkwaliteit van projecten. Deze fase is meer begeleidend en meedenkend van aard. Deze advisering is vaak niet formeel, niet schriftelijk, niet gericht aan het gemeentebestuur maar vindt plaats door sparren en schetsen, in een collegiale dialoog tussen de ontwerpers van het initiatief en de deskundigen die het publieke belang vertegenwoordigen. In Tilburg wordt deze advisering doorgaans verzorgd door ambtelijke ontwerpers, eventueel ondersteund door een kwaliteitsteam en/of de Omgevingscommissie. Het is daarbij essentieel dat continuïteit wordt gewaarborgd in het adviesproces en zorg wordt gedragen voor een naadloze overdracht van het adviesdossier naar de beoordelingsfase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsgerichte advisering Past een vergunningaanvraag de beoordelingsregels en eventueel de interpretatie daarvan die in voorgaande adviesfasen is ontstaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordelingsgerichte advisering start wanneer de vergunningaanvraag wordt voorbereid of ingediend. Deze fase richt zich op de vraag of het initiatief voldoet aan de beoordelingsregels van het omgevingsplan en eventuele beleidsregels. Het betreft hier de uitwerking van het ontwerp, inclusief aspecten als situering, inrichting, schaal, detaillering, materiaal- en kleurgebruik, verduurzaming en respect voor bouwhistorie en eventuele monumentale details. Deze beoordeling fungeert als een onafhankelijk gewogen oordeel en dient als vangnet om de omgevingskwaliteit te waarborgen. In Tilburg is de Omgevingscommissie verantwoordelijk voor de beoordelingsgerichte advisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan wordt aangegeven voor welke activiteiten advisering door de Omgevingscommissie en andere adviseurs verplicht is. Daarnaast kan het college van burgemeester en wethouders ook vrijblijvend advies vragen aan de Omgevingscommissie. ambtelijk adviseurs ambtelijk plantoetsers secretariaat omgevings-commissie supervisor / kwaliteitsteam Beleidsadvisering beleidsgericht ✔ ✔ ✔ ✔ Planadvisering opgavegericht ✔ ✔ ✔ ✔ ontwerpgericht ✔ ✔ ✔ ✔ beoordelingsgericht ✔ ✔ ✔ 10.Relatie met andere kwaliteitsinstrumenten In hoofdstuk 9 zijn de rollen en processen rondom kwaliteitsadvisering beschreven. Voor een juiste en consistente advisering zijn er in het uitvoeringsplan omgevingskwaliteit verschillende instrumenten en producten opgenomen die bijdragen aan het realiseren van kwaliteit en het ontwikkelen van een sterke ontwerp- en bouwcultuur. Een goede kwaliteitsadvisering zorgt samen met deze instrumenten voor een samenhangend kwaliteitsstelsel. In dit hoofdstuk zijn de instrumenten kort toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1.Gebiedsgerichte kwaliteitssturing Gebiedsgerichte kwaliteitskaders Samen met partners uit de stad wordt in de verschillende gebieden in Tilburg gewerkt aan gebiedsperspectieven en - visies. In deze gebiedsperspectieven worden uitspraken gedaan over programmatische en sociale opgaven in de gebieden. Daarnaast bevatten de gebiedsperspectieven een agendering voor de ruimtelijke opgaven die in het gebied gaan landen. Het gebiedsperspectief stelt echter geen kwaliteitsambitie vast. Hiervoor kunnen gebiedsgerichte kwaliteitskaders worden opgesteld. Binnen dit kwaliteitskader vindt een verdieping plaats ten opzichte van het ruimtelijke weefsel, dat in hoofdstuk 3 van deze nota is opgenomen. Vanuit de analyse en waardering van bestaande kwaliteiten worden kwaliteitsambities en uitgangspunten op gebiedsniveau vastgesteld. Hiermee ontstaat er een eenduidig vertrekpunt voor alle ontwikkelingen en initiatieven, groot en klein, binnen dit gebied. Het gebiedsgerichte kwaliteitskader zorgt voor samenhang en overzicht tussen alle verschillende projecten, die in verschillende fases zitten en over meerdere schaalniveaus verdeeld zijn. Door het gebiedsgerichte kwaliteitskader uit te werken aan de hand van het ruimtelijke systeem in deze nota is er ook automatisch een inhoudelijke koppeling naar het schaalniveau van de stad. De gebiedsgerichte kwaliteitskaders zijn ontwikkelgericht en worden door de raad vastgesteld als aanvulling op deze nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beeldkwaliteitsplan Op een kleiner schaalniveau binnen een gebied geeft een beeldkwaliteitsplan nog concreter invulling aan de kwaliteitsambitie. Dit is wenselijk bij grotere ontwikkelingen waar nog geen gebiedsgericht kwaliteitskader aanwezig is of wanneer dit kader aangevuld moet worden met specifieke kwaliteitsambities op de betreffende locatie. Dit betreft vaak locaties waar grote ruimtelijke veranderingen optreden of waar bestaande ruimtelijke identiteiten beschermd en doorontwikkeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door beeldkwaliteitsplannen vast te stellen als aanvulling op de nota omgevingskwaliteit, blijft de nota het centrale beleidskader voor het kwaliteitsbeleid. Bovendien krijgen de beeldkwaliteitsplannen hiermee een duidelijke (juridische) status.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie maakt een beeldkwaliteitsplan?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beeldkwaliteitsplan wordt vaak opgesteld door de initiatiefnemer van een project. Bij grotere ingrepen met veel betekenis, vraagt de gemeente aan initiatiefnemers om duidelijk te maken welke bijdrage het initiatief levert aan de omgevingskwaliteit. Daarom is een visie op omgevingskwaliteit een indieningsvereiste voor initiatieven en projecten. In gevallen van grote impact moet de visie op omgevingskwaliteit uitgewerkt worden tot een beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt ter onderbouwing van de besluitvorming. De motiveringsplicht neemt toe naarmate de ingreep meer impact heeft. Daarom geldt in alle gevallen: de omvang en diepgang van het beeldkwaliteitsplan is afhankelijk van de aard en de impact van de ingreep.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.Stadsatelier Het Stadsatelier is een ontwerpatelier voor de stad en de dorpen, waar ontwerpend onderzoek kan worden gedaan naar gebieds- en themagerichte vraagstukken. Het Stadsatelier biedt een veilige en vrije ontwerp- en denkruimte, waarin gebieden, opgaven en mogelijke oplossingen in onderlinge samenhang kunnen worden verkend en waar het gesprek gevoerd kan worden over opgaven van vandaag en de toekomst. Het Stadsatelier speelt daarmee een belangrijke rol binnen het beoogde integrale kwaliteitsbeleid van de gemeente. Dit instrument biedt namelijk de mogelijkheid om al in een vroeg stadium van ontwikkelingen te kunnen sturen op kwaliteit in brede zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stadsatelier wordt geïnitieerd en georganiseerd door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.Ontwerpend onderzoek Binnen het kwaliteitsstelsel van de gemeente wordt ontwerpend onderzoek ingezet als een instrument om complexe, meerduidige opgaven te onderzoeken. Dit doen we onder meer in het stadsatelier. Het maken van ontwerpen wordt hierbij als middel ingezet om gezamenlijk opgaven te onderzoeken en te definiëren, mogelijke toekomsten te verkennen en te verbeelden, en belanghebbenden met elkaar te verbinden rond een gedeeld doel. Een multidisciplinaire aanpak is hierbij uitgangspunt. Door het samenbrengen van verschillende disciplines en expertises kunnen nieuwe verbanden en mogelijke oplossingen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.Ontwerpersselecties De ontwerpersselectie speelt een belangrijke rol binnen het beoogde integrale kwaliteitsbeleid van de gemeente. Dit instrument biedt de mogelijkheid om al in een vroeg stadium van projecten en ontwikkelingen te kunnen sturen op kwaliteit, door de juiste expertise en ontwerpkracht te betrekken bij opgaven. Door die koppeling goed te organiseren, te zorgen voor een transparant proces en dat goed te begeleiden kan maximale meerwaarde worden gecreëerd met een kwalitatief hoogwaardig eindresultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidraad Ontwerpersselecties De Tilburgse leidraad voor ontwerpersselecties geeft richting en houvast aan opdrachtgevers bij het organiseren van ontwerpersselecties. Het biedt de gemeente een hulpmiddel om haar opdrachtgeverschap zorgvuldig en consistent tot uitvoering te brengen. En het biedt een kader om eenduidig, transparant en op kwaliteit gericht beleid ten aanzien van ontwerpersselecties te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien vormt de leidraad ook een belangrijk instrument om een gezonde en voorbeeldstellende ontwerp- en bouwcultuur te bevorderen in Tilburg. Transparantie en openheid in ontwerpselecties dragen bij aan een cultuur van betrokkenheid en toewijding en een gezond klimaat waarin opdrachtgevers en ontwerpers elkaar uitdagen en scherp houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Open Oproep De leidraad voor ontwerpersselecties biedt een kader waarmee alle gemeentelijke ontwerpopdrachten - van stedenbouwkundige studies tot het ontwerp van een publiek beeldbepalend gebouw - op een eenduidige, transparante en op kwaliteit gerichte wijze aanbesteed kunnen worden. Geïnspireerd op de Open Oproep en de Pilootprojecten van de Vlaams Bouwmeester verkent de gemeente daarnaast hoe door middel van open uitvragen ontwerpkracht kan worden georganiseerd voor impactvolle projecten en vraagstukken, om zo maatschappelijke ambities en vernieuwing aan te jagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5Stimuleren van talent Binnen het kwaliteitsstelsel wordt gestreefd naar een ontwerpveld waarin ruimte is voor vernieuwing, verscheidenheid en talentontwikkeling en waarin rekening wordt gehouden met een diversiteit aan ontwerpers. Actief wordt ruimte geboden aan jonge, opkomende, talentvolle ontwerpers. Dit bevordert een meer representatief en toekomstgericht opdrachtgeverschap en een voorbeeldstellende ontwerp- en bouwcultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte voor talent is er onder meer in ontwerpersselecties. Zo schrijft de Leidraad Ontwerpersselecties voor om in onderhandse aanbestedingen bewust kansen te bieden aan talent. Daarnaast worden openbare aanbestedingen breed toegankelijk opgezet. Te strikte eisen worden vermeden die kleine of opkomende talentvolle ontwerpers kunnen uitsluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontwerpend onderzoek wordt nadrukkelijk ook jong talent betrokken. Dit geeft een frisse blik en nieuwe perspectieven op complexe ruimtelijke vraagstukken. Zo krijgt talentontwikkeling een prominente rol in het stadsatelier, bijvoorbeeld in de vorm van samenwerkingen met onderwijsinstellingen, en wordt ontwerptalent ingezet bij ontwerpend onderzoek. Hierbij wordt ook voorbij de landsgrenzen gekeken, zoals in de samenwerking met Europan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt jong talent uit de regio actief benaderd, bijvoorbeeld door Archiprix genomineerden hun afstudeerplannen te laten presenteren aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Doorwerking en verdieping In deel D is de beleidsmatige en juridische context van de nota omgevingskwaliteit onder de Omgevingswet opgenomen. De uitwerking van de nota als thematisch omgevingsprogramma en de relatie van dit programma met de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning wordt hier nader omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Een programma omgevingskwaliteit 11.1.Beleidscyclus De nota omgevingskwaliteit wordt na vaststelling door de gemeenteraad omgezet naar een omgevingsprogramma. Dat betekent ook dat de het programma ook in het Digitale Stelsel Omgevingswet wordt gepubliceerd. Het programma is daarna automatisch te zien in het Omgevingsloket, in het onderdeel Regels op de kaart. Iedereen kan dan op de kaart zien welke beoordelingsregels waar gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het programma wordt door het college vastgesteld. Hiermee maakt het formeel onderdeel uit van de beleidscyclus onder de Omgevingswet. De beleidscyclus zorgt voor een dynamisch beleid door een continu proces van opstellen en evalueren van het beleid. Zo nodig wordt het beleid, of de regels die op dit beleid zijn gebaseerd, bijgesteld. De beleidscyclus kent vier fasen: beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, uitvoering en terugkoppeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het programma omgevingskwaliteit wordt elke vijf jaar geëvalueerd en waar nodig aangepast. Ook kan het college tussentijds aanvullingen of aanpassingen vaststellen. Bijvoorbeeld als voor een thema of gebied een nieuwe uitwerking wordt voorgesteld of als de beleidsregels aangepast moeten worden. Wijzigingen aan de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken worden altijd voor vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd. Dat is wettelijk verplicht conform artikel 4.19 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beleidsregels in deel B worden gekoppeld aan regels in het omgevingsplan. Hierbij krijgt het de juridische verankering in het omgevingsplan om ingrepen (activiteiten) te kunnen beoordelen. Zie daarvoor ook paragraaf 11.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsontwikkeling: Dit is de visievormende fase, vastgelegd in een omgevingsvisie met strategische keuzes voor de fysieke leefomgeving. Input komt uit de terugkoppelingsfase via monitoring en evaluatie. De visie kan worden aangepast op basis van input uit de terugkoppelingsfase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsdoorwerking: Met thema- of gebiedsgerichte programma's kan de visie verder uitgewerkt worden in doelen en maatregelen. In het omgevingsplan wordt het beleid juridisch vastgelegd, bijvoorbeeld via omgevingswaarden of regels. Het omgevingsplan bevat juridische regels die voor iedereen bindend zijn. In het omgevingsplan hoort ook een beoordelingsgrondslag voor omgevingskwaliteit. Activiteiten zoals bouwen, aanleggen of slopen kunnen invloed hebben op omgevingskwaliteit. Om dat te borgen kunnen omgevingsplanregels worden opgenomen die verwijzen naar beleidsregels. De Omgevingswet stuurt aan op meer flexibiliteit, meer afwegingsruimte. Dat betekent o.a. werken met open normen in het omgevingsplan en uitwerking in interpreterende beleidsregels. Beleidsregels bieden meer flexibiliteit dan bindende voorschriften in het omgevingsplan. Ze vormen daarmee een kader waarbinnen de gemeente haar afweging maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoering: Initiatiefnemers zoals inwoners, bedrijven en overheden realiseren projecten en voeren activiteiten uit. Zij dragen verantwoordelijkheid en moeten voldoen aan de vastgestelde normen en regels. Waar nodig verleent de overheid toestemming via een omgevingsvergunning of een projectbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugkoppeling: Toezicht, handhaving en monitoring evalueren of beleidsdoelen worden gehaald. Indien nodig wordt beleid bijgesteld. De vorm van terugkoppeling hangt af van de gekozen instrumenten: bij juridische regels ligt de nadruk op handhaving, bij programma’s op monitoring en evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.Programma met beleidsregels Het programma wordt vastgesteld door het college als bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet. Bij vaststelling van het programma kan het college uitvoering geven aan het programma en gebruik maken van de opgenomen beleidsregels in deel B. De definitie van een beleidsregel staat in artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Titel 4.3 van de Awb geeft regels over beleidsregels, bijvoorbeeld wie beleidsregels mag vaststellen en wanneer je mag afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beleidsregels ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken in hoofdstuk 6 en 7 worden door de gemeenteraad vastgesteld conform artikel 4.19 van de Omgevingswet. Hiermee wordt de verplichting van het voormalige artikel 12a van de Woningwet ten aanzien van opstellen van een welstandsnota inhoudelijk voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het programma en de beleidsregels zijn zelfbindend. Dit betekent dat het alleen bindend is voor het college. Een programma kan inwoners en bedrijven stimuleren om die dingen te doen, die helpen om de doelstellingen te behalen. Beleidsregels hebben een andere werking dan het andere beleid in het programma. Daarom zijn deze herkenbaar in deel B opgenomen. De beleidsregels in deel B worden gekoppeld aan regels in het omgevingsplan waardoor deze het afwegingskader vormen voor bepaalde activiteiten, zoals bouw-, monument- en aanlegactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">MER-plicht Als een programma een kader vormt voor projecten genoemd in Bijlage V Omgevingsbesluit en boven de drempelwaarde uitkomt, of als er bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt, dan is er sprake van een plan-m.e.r.-plicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het programma Omgevingskwaliteit wordt echter geen extra ontwikkelmogelijkheid geboden voor bouw- en inrichtingsprojecten en het programma heeft geen directe gevolgen voor het milieu. Het stelt alleen extra voorwaarden aan de beoogde ontwikkelingen en plannen van gemeente en initiatiefnemers Derhalve is geen sprake van een mer-(beoordelings)plicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.Uitwerking in het omgevingsplan Uiteindelijk zorgt het nieuwe omgevingsplan voor de juridische borging van de kwaliteitsbeoordeling en -advisering. Op dit moment werkt de gemeente met een tijdelijk omgevingsplan. De Roadmap Omgevingsplan (2024) voorziet in een aanpak om voor eind 2031 te komen tot een volwaardig omgevingsplan. Hiervoor is een continu en een zich steeds herhalend proces van leren en bijstellen ingezet. Dat gebeurt langs verschillende parallel lopende sporen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoor 1: Nieuwe gebiedsontwikkelingen worden gelijk geregeld in nieuwe (deel)omgevingsplannen en BOPA's Spoor 2: Bestaande ruimtelijke regels (zoals bestemmingsplannen) worden gebiedsgericht ‘verhuisd’ naar het nieuwe omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoor 3: Nieuwe thema's die voor het heel Tilburg van toepassing zijn worden apart uitgewerkt en toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingskwaliteit is zo'n nieuw thema en is nog niet geregeld in bestaande bestemmingsplannen. Er wordt daarom prioriteit gegeven aan dit onderwerp om als een van de eerste uitwerking op te nemen in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent bijvoorbeeld uitwerking van zorgplichten en een beoordelingsgrondslag voor omgevingskwaliteit bij verschillende ingrepen in de fysieke leefomgeving, zoals bouw-, aanleg- of monumentenactiviteiten. Tevens wordt in het omgevingsplan door de gemeenteraad aangegeven wanneer het college van burgemeester en wethouders de Omgevingscommissie of andere adviseurs om advies moet vragen. Het is ook mogelijk dat onderdelen van deze nota omgezet worden naar regels in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt voor een aantal aspecten uitleg gegeven over de doorwerking naar het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgplicht Iedereen moet voldoende zorg dragen voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 Omgevingswet). Nadelige gevolgen van activiteiten moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt en als dat niet kan moet de activiteit achterwege gelaten worden (artikel 1.7 Omgevingswet). Bovendien is het verboden een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan (artikel 1.7a Omgevingswet). De gemeente kan deze zorgplicht handhaven door direct optreden door het opleggen van een maatwerkvoorschrift, mits het omgevingsplan deze mogelijkheid biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de wetgeving van voor de Omgevingswet, de voormalige Woningwet, mocht een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Onder de Omgevingswet is deze wettelijke bepaling overgeheveld naar het tijdelijke omgevingsplan in artikel 22.7 van de bruidsschat voor het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het nieuwe omgevingsplan kan deze excessenregeling in verder uitgewerkt worden als specifieke zorgplicht voor ontsiering van de omgeving. Deze vervangt dan de regeling voor repressief toezicht uit het tijdelijke omgevingsplan (bruidsschat). Dit kan als volgt worden verwoord:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenieder die een bouwwerk in stand houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een bouwwerk leidt tot ernstige ontsiering van de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze ontsiering te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel [verwijzing naar oogmerk voor in stand houden bouwwerk] bij ernstige ontsiering een maatwerkvoorschrift [1] opleggen met het doel de ontsiering op te heffen. [2] Vanuit een bredere benadering van omgevingskwaliteit zoals bedoeld in deze nota kan ook een algemene zorgplicht in het omgevingsplan worden opgenomen voor alle activiteiten. Dit kan als volgt worden verwoord:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenieder die een situatie in de fysieke leefomgeving in stand houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die kan leiden tot aantasting van de bestaande omgevingskwaliteit beoordeeld naar de beoordelingsregels in het omgevingsplan en uitwerking in beleidsregels, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze aantasting te voorkomen. Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel [verwijzing naar algemene doelen omgevingsplan] bij aantasting een maatwerkvoorschrift opleggen met het doel de aantasting op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van aantasting is sprake als een situatie ernstig afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit zoals bedoeld en verwoord in deze nota en uitwerkingen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van het nieuwe omgevingsplan zal de precieze formulering van de zorgplicht uitgewerkt worden. [1] Een maatwerkvoorschrift is een specifiek voorschrift voor een activiteit voor individuele gevallen en staat in een apart maatwerkbesluit. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezageen concrete plicht opleggen om iets te doen of juist na te laten. Als niet tijdig aan het opgelegde maatwerkvoorschrift wordt voldaan kan handhavend worden opgetreden. Het maatwerkvoorschrift werkt dus als een uitwerking van de zorgplicht. [2] Het college neemt hierover een besluit. Over dat besluit kan bezwaar worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels In het omgevingsplan kunnen algemene regels opgenomen die altijd gelden. Het streven van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk via algemene regels, in plaats van via vergunningplichten te reguleren en onder andere daarmee zorg te dragen voor een snellere besluitvorming. Dit Programma Omgevingskwaliteit maakt onderscheid in gebieden en beleidsniveaus. Dat kan gebruikt worden voor genuanceerd algemene regels op te stellen voor bepaalde activiteiten in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld voor kleine bouwactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van de algemene regels voor bouwactiviteiten kunnen de criteria uit hoofdstuk 6 (deels) overgeheveld worden naar het nieuwe omgevingsplan. Per beleidsniveau kan worden besloten of de criteria als algemene regel wordt opgenomen, of als beoordelingsregel gekoppeld aan een vergunningplicht. Zo kan voor gebieden waar de regie is gericht op ‘beschermen’ zoals bij beschermd erfgoed ook voor bepaalde kleine bouwplannen een vergunningplicht worden opgenomen, terwijl dat voor gebieden waar de regie is gericht op ‘basis’ als algemene regels wordt opgenomen. Dan is dus onder de gestelde voorwaarden geen vergunning nodig en kan de gemeente alleen handhavend optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplichten en beoordelingsregels Beoordelingsregels in het omgevingsplan zijn bedoeld voor vergunningsplichtige activiteiten. Ze kaderen de afweging om wel of geen omgevingsvergunning te verlenen. Beoordelingsregels kunnen gesloten of open zijn. Voor bepaalde kleine bouwplannen kunnen gesloten regels voldoende duidelijkheid bieden. Hierbij kan rekening worden gehouden met de criteria voor kleine bouwplannen zoals opgenomen in hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor andere activiteiten zijn open beoordelingsregels mogelijk. Deze open regels kan een nadere interpretatie en afweging vragen in het licht van een concrete activiteit. Open regels in het omgevingsplan kunnen daarom uitgewerkt worden in een beleidsregel. Voor het uiterlijk van bouwwerken is dat zelfs verplicht (art. 4.19 Omgevingswet) als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken. Deel B van dit programma vormen de beleidsregels voor bouwwerken, monumenten en inrichting van open ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus belangrijk bij het opstellen van het omgevingsplan om rekening te houden met de beleidsregels en bij de omgevingsplanregels daarnaar te verwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichte advisering door de omgevingscommissie In het omgevingsplan wordt aangegeven voor welke activiteiten advisering door de Omgevingscommissie en eventuele andere adviseurs verplicht is. Een en ander conform artikel 16.15a lid c Ow.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van deze nota en de Reglement voor de Omgevingscommissie vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de Omgevingscommissie, zijnde de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en het Reglement op de Omgevingscommissie, over de volgende activiteiten: een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument (wettelijk verplicht). een gemeentelijke monumentenactiviteit een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op: een Rijks- en gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezicht; een (voorbeschermd) gemeentelijk monument; de omgeving van een beschermd rijks- of gemeentelijk monument; het bouwen van een bouwwerk; het aanbrengen van handelsreclame; het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde; (aanlegactiviteit) ..... het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken en de zorg voor cultureel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van het nieuwe omgevingsplan zal de precieze formulering en opsomming met verwijzing naar de activiteiten uitgewerkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan het college van burgemeester en wethouders te allen tijde op eigen verzoek advies vragen aan de omgevingscommissie over andere activiteiten, met het oog op het bereiken en behouden van een goede omgevingskwaliteit. Dat kan ook gaan over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie en het omgevingsplan. Zie daarvoor ook het Reglement op de Omgevingscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4.Participatie van inwoners en belanghebbenden De afgelopen jaren is er volop met onze inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven gesproken over ‘omgevingskwaliteit’, en wat we daaronder verstaan. Dat gesprek zetten we graag de komende jaren voort!</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2023 hebben we, aan de hand van een tweetal inspiratiesessies, het gesprek over omgevingskwaliteit met de samenleving opgestart. Samen met o.a. wijkraden, studenten, architecten, ontwikkelaars, en vertegenwoordigers van Toegankelijk Tilburg en Stadsbos013 hebben we gesproken over wat we onder omgevingskwaliteit verstaan en hoe we samen aan kwaliteit kunnen werken. In die gesprekken is de ‘ziel van de stad’ verder ontleed. Daarbij werden waarden als ‘duurzaamheid’, ‘inclusiviteit’ en ‘identiteit en historie’ veelvuldig genoemd door onze gesprekspartners. Ook gaven onze gesprekspartners aan dat we niet bang moeten zijn om ambitieus te zijn, en dat samenwerken en met elkaar meedenken randvoorwaardelijk is om te bouwen aan kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens hebben we op verschillende deelopgaven uit deze nota (zoals het hoogbouwbeleid) stadsgesprekken en expertmeetings georganiseerd. Ook hebben we geput uit andere participatietrajecten (zoals Tilburg in 2050) en dit meegenomen in ons denken over ‘omgevingskwaliteit’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van al deze input hebben we de uitgangspunten voor deze nota opgesteld en, in april 2025, in een stadsgesprek in de Boemel getoetst bij inwoners en belanghebbenden (zie bijlage 2 voor het verslag van deze bijeenkomst). In het stadsgesprek stond het ‘toevoegen van gemeenschappelijke waarde’ bij ruimtelijke ontwikkelingen centraal, bijvoorbeeld over de herkomstwaarde van een locatie: wat is het verleden van een plek? Of over welke functionaliteiten op een plaats aanwezig (moeten) zijn: de gebruikerswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het stadsgesprek werden die ‘waarden’ al een stuk concreter. Zo zoomden we met de aanwezigen in op het belang van meervoudig ruimtegebruik en het stapelen van functies, ruimte om te ontmoeten, de noodzaak aan bepaalde voorzieningen en de kansen die plinten daarvoor bieden. Ook deelden aanwezigen zorgen over de stadsontwikkeling, bijvoorbeeld ten aanzien van wat hoogbouw doet voor de leesbaarheid van de stad en voor het (vertrouwde) karakter van verschillende wijken en dorpen. Met de input uit het stadsgesprek hebben we de puntjes op de i gezet in deze nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na vaststelling van deze nota gaan we aan de slag met de volgende stap. We leggen de kwaliteitsregels vast in een omgevingsprogramma. Deze nota – en de gesprekken die we ter voorbereiding op deze nota met inwoners, maatschappelijke organisaties, en bedrijven hebben gevoerd – is hiervoor leidend. In deze paragraaf en in de bijlagen hebben we, in lijn met Omgevingsbesluit artikel 10.8, uitgelegd hoe we inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven hebben betrokken in de voorbereiding op het omgevingsprogramma en wat daar de resultaten van zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is deze nota geen statisch document. We blijven in gesprek met inwoners, maatschappelijke organisaties, en blijven de nota aanscherpen en evalueren. Zo bouwen we samen aan ‘kwaliteit’.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Uitvoering 12.1.Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit Deze nota omgevingskwaliteit is één van de instrumenten uit het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit (2024). Het uitvoeringsplan is als aanjager voor nieuw kwaliteitsbeleid vastgesteld. Deze nota geeft richting en sturing aan het verder tot uitvoering brengen van het kwaliteitsbeleid. Daarnaast agendeert de nota verdieping op verschillende thema's, producten en processen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijk weefsel en gebiedsgerichte kwaliteitskaders Het ruimtelijk weefsel van Tilburg bevat op gemeentelijk schaalniveau een eerste analyse van de aanwezige kwaliteiten en hun waardering. Op gebiedsniveau worden dit verder uitgewerkt in gebiedsgerichte kwaliteitskaders, zie hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sturen op kwaliteit De vier vormen van kwaliteitssturing worden in afstemming met de stedelijke opgaven en gebiedsgerichte kwaliteitsambities uit de omgevingsvisie Tilburg 2050 verder doorontwikkeld naar gebiedsgerichte aanpakken op kwaliteitssturing, zie hoofdstuk 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplan De komende jaren zullen de beleidsregels gerelateerd en deels verwerkt worden in het omgevingsplan conform de Roadmap Omgevingsplan (2024), zie hoofdstuk 6 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thematische uitwerking van kwaliteitsambities en -criteria Voor de thema's verdichting, toekomstbestendig bouwen en goed wonen voor iedereen is er behoefte aan meer sturing op kwaliteit, zie hoofdstuk 7. We gaan hiervoor thematische kwaliteitskaders met concrete criteria ontwikkelen. Andere thematische kwaliteitskaders kunnen hierop volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgericht kwaliteit stimuleren en borgen in kwaliteitsteams We sturen op omgevingskwaliteit, niet alleen op projectniveau, maar ook op gebiedsniveau en de inrichting van de openbare ruimte door bij alle grotere ontwikkelingen en transformatiegebieden een kwaliteitsteam aan te stellen. De samenstelling en organisatie van deze kwaliteitsteams heeft de hoogste prioriteit na vaststelling van deze nota, zie hoofdstuk 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goed opdrachtgeverschap en een vooruitstrevende ontwerp- en bouwcultuur Voor een juiste en consistente advisering zijn er in het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit (2024) verschillende instrumenten opgenomen die bijdragen aan het realiseren van kwaliteit en het ontwikkelen van een sterke ontwerp- en bouwcultuur, zie hoofdstuk 10. Deze instrumenten worden de komende jaren verder doorontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Programma omgevingskwaliteit De nota wordt na vaststelling door de raad technisch omgezet naar een programma onder de Omgevingswet, zie hoofdstuk 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2.Evaluatie en actualisatie uitvoeringsplan Het doorontwikkelen van de onderdelen uit de nota loopt de komende jaren parallel op met de actualisatie van de Omgevingsvisie Tilburg 2050 en het proces van vormgeven en vaststellen van het omgevingsplan (uiterlijk 2031).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huidige Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit (2024) loopt t/m 2026 en biedt capaciteit en middelen om de verschillende instrumenten, waaronder deze nota, te ontwikkelen. Met het vaststellen van de nota omgevingskwaliteit wordt de aanzet gegeven voor de evaluatie en actualisatie van dit uitvoeringsplan voor de periode 2027-2030. Hierbij zal ook een uitvoeringstoets opgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1Analyse ruimtelijk weefsel van Tilburg Deze bijlage bevat een aanzet tot een verdiepende analyse van het ruimtelijk weefsel als opgenomen in hoofdstuk 3 van de nota omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn relevante vastgestelde beleidskaders en visies opgenomen, die gebieds- en themagericht meer informatie bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De thema’s hierbij zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geomorfologische basis Ruimtelijk erfgoed Stadsontwikkeling Werklandschappen Groen/blauw netwerk Karakter hoofdinfrastructuur Betekenis en beleving Per thema zijn de kwaliteitsaspecten onderzocht en worden er opgaven benoemd en geagendeerd voor nadere uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage wordt parallel aan de ontwikkeling en uitwerking van de Omgevingsvisie Tilburg 2050 en andere relevante beleidsstukken verder ontwikkeld en verdiept. Hiermee is deze analyse te lezen als een momentopname en niet als een afgerond onderzoek. De komende jaren wordt hier steeds meer verdieping aan gegeven vanuit de verschillende beleidsvelden. Dit nemen we vervolgens ook weer mee in de ontwikkeling van gebiedsgericht kwaliteitsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bijgevoegde kaartmateriaal is bedoeld om de verschillende invalshoeken te verbeelden en hiermee het gesprek over de verschillende thema’s te voeden. Ook deze kaarten zijn in ontwikkeling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Geomorfologische basis Beschrijving De geomorfologische basis van de gemeente Tilburg wordt gevormd door hoge zandkoppen, lagergelegen beekdalen en natte dekzanden. De stad en dorpen zijn ontstaan op de hogere en drogere koppen van de dekzandwelvingen. Daarnaast ligt Tilburg op een waterscheiding. Hierdoor zijn er twee watersystemen:</div>\n<p class=\"lf-p\">Het westelijk deel van de gemeente watert af richting het westen en is onderdeel van waterschap Brabantse Delta. Van oorsprong was dit een nat gebied. Bij de ontginning van het gebied en later de aanleg van de Reeshof is het gebied op technische wijze drooggelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oostelijk deel is onderdeel van waterschap de Dommel. Hier vindt het water op een natuurlijke manier, via hellingen en beekdalen, zijn weg verder naar het oosten. Door leemlagen in dekzanden is het natuurlijk afwateringssysteem hier in gebruik gebleven (De Brand).</p>\n<p class=\"lf-p\">De dekzandgronden in en rond Tilburg kennen een lange bewoningsgeschiedenis. De hoger gelegen dekzandkoppen waren in het verleden aantrekkelijke gebieden om op te wonen. In Tilburg werden deze gebieden net als in andere delen van Brabant dan ook intensiever bewoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oudste sporen van bewoning bestaan uit vuurstenen artefacten van jagers-verzamelaars uit de steentijd (paleolithicum/ mesolithicum). Kampementen bevonden zich in het gebied rond de beekdalen en (voormalige) vennen, zoals in Kraaiven. Vanaf ca. 4000 voor Christus wordt landbouw geïntroduceerd in deze regio. Vanaf de eerste landbouwers tot in de middeleeuwen worden de hogere dekzandgebieden intensiever bewoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bekende archeologische vindplaatsen van steentijd tot middeleeuwen zijn op de geomorfologische kaart geplaatst. Concentraties met vindplaatsen bevinden zich onder andere aan de zuidkant van Tilburg (Tradepark/ Stappegoor) en ter hoogte van Berkel-Enschot. Deze concentraties zijn deels het gevolg van archeologisch onderzoek in de uitbreidingsgebieden van Tilburg en Berkel-Enschot. Over andere gebieden, zoals de binnenstad van Tilburg, is weer veel minder bekend, omdat hier veel minder onderzoek uitgevoerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waardering De meeste bekende archeologische vindplaatsen bevinden zich ondergronds en zijn niet zichtbaar in de leefomgeving. Ze zijn echter wel zeer waardevol doordat ze helpen om een groot deel van de geschiedenis van Tilburg te reconstrueren aan de hand van archeologisch onderzoek. Daarmee draagt ons archeologisch erfgoed bij aan de ontwikkeling van de identiteit van de stad, de dorpen en het buitengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geomorfologische ondergrond en natuurlijke watersystemen bevatten naast belevingswaarde (daar waar de beekdalen en dekzanden herkenbaar zijn) ook een grote gebruiks- en toekomstwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsambities Stuur bij ontwikkelingen op bodem- en watersturende principes en zet kennis van de geomorfologische ondergrond hierbij in. Dit biedt een basis voor toekomstige ontwikkelingen, onder andere op het gebied van de energietransitie en klimaatadaptatie. Dit geldt niet alleen bij ontwikkelingen buiten de stad en de dorpen, maar ook binnen bebouwd gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maak waar mogelijk de natuurlijke ondergrond weer zichtbaar en herkenbaar. Maak hiermee locatiespecifieke ontwerpoplossingen en vergroot belevingswaarde in de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van omgevingskwaliteit is het vertellen van het verhaal van Tilburg – onder andere aan de hand van archeologische vondsten - een doelstelling die bijdraagt aan de herkomst- en belevingswaarde van een plek. Dit kan door middel van de inrichting van de openbare ruimte, of door het realiseren van kunstwerken die expliciet of impliciet refereren aan het archeologisch erfgoed. Een voorbeeld daarvan is te vinden in Landschapspark Moerenburg, waar het voormalige kasteel Huize Moerenburg door middel van een stalen geraamte is gereconstrueerd. Archeologische vondsten die hier gedaan zijn, zijn op tegels gevisualiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluitend beleid De omgang met archeologisch erfgoed is geregeld in het omgevingsplan door middel van zones 'waarde archeologie'. Voor ontwikkelingen binnen deze zones gelden regels ter bescherming van archeologische vindplaatsen in de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2022 heeft de gemeente een Routekaart Archeologisch erfgoed opgesteld. Onderdeel van de routekaart vormt het opstellen van nieuwe archeologische verwachtingskaarten. Op basis van een recente inventarisatie van archeologische vindplaatsen zijn voor verschillende archeologische periodes verwachtingskaarten opgesteld. Daarmee kan beter voorspeld worden of in een gebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geomorfologie l Stad en dorpen tussen beekdalen op hoge koppen Archeologie l Een diversiteit aan archeologische vindplaatsen 2. Ruimtelijk erfgoed Het begrip ’cultureel erfgoed’ wordt gedefinieerd in de Erfgoedwet. Het gaat hierbij om zowel het materiële als het immateriële erfgoed. In Tilburg hanteren we voor het onroerende materiële erfgoed het begrip ruimtelijk erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingswet wordt het begrip cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt gedefinieerd:</p></div>", "next": 239566}