{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van twaalf dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met het tot 1 januari 2008 geldende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wel is veranderd, is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (dat wil zeggen inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer of Besluit glastuinbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een ‘vroege vogels’-toernooi. Volgens het Activiteitenbesluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde tot en met het tiende lid In tegenstelling tot het oude Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen biedt het Activiteitenbesluit gemeenten de mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2, zesde tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer in plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2016 is er, onder meer met het kenniscentrum Infomil, gesproken over de betekenis van het woordje ‘in’ in artikel 2:21, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. Conclusie is dat de wetgever daarmee niet heeft bedoeld dat het hier alleen over de binnenruimte van een inrichting gaat. ‘in de inrichting’ kan dus ook slaan op bijvoorbeeld een bij een inrichting behorend terras in de open lucht. Dat betekent dat de bepaling in het negende lid van dit artikel, die de incidentele activiteiten wel beperkt tot de binnenruimte, niet bindend is voor de raad. De raad kan dus dit artikel aanpassen en zodoende bepalen dat de incidentele activiteit ook in de buitenruimte van de inrichting mag plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn redenen om incidentele festiviteiten te beperken tot de binnenruimte. Geluid vanuit de binnenruimte is eenvoudiger beheersbaar. De VNG kiest er daarom voor om deze bepaling ongewijzigd te laten. Het tegenargument daarbij is dat het voor de doelstelling van dit artikel niet bepalend is waar het geluid wordt geproduceerd, zolang de normen maar niet worden overschreden. Zoals hiervoor al genoemd: de wet laat de raad de ruimte om deze bepaling zo te herschrijven dat incidentele activiteiten ook kunnen plaatsvinden in de buitenruimte van een inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen, maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Activiteitenbesluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De geluidswaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van de artikelen 2.20 en 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.19a (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de APV gesteld wordt. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte muziek (APV). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken aan onversterkte muziek, is dit artikel op genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In het derde lid wordt gesproken over ‘oefenen’. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde geluidsniveaus in het tweede lid (tabel) zijn niet van toepassing op: het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dag periode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45d-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5d</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.5d verbiedt het zich ‘geluidhinderlijk’ gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. ‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door in het eerste lid de zinsnede ‘een inrichting’(in de zin van de Wm ) op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wm heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen), ofwel zij valt onder de algemene regels op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wom, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit 2012 een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale milieuverordening is toegevoegd aan dit lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enzovoort; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enzovoort; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enzovoort. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.2. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans en dergelijke, en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Het artikel moet zo gelezen worden dat het niet van toepassing is als de voertuigen, vaartuigen of afvalstoffen en dergelijke zich binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de weg, daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4.3. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Met de intrekking van de WOR per 1 januari 2008 heeft de Rijksoverheid bedoeld een nogal omslachtig stuk regelgeving te dereguleren. De VNG heeft daarop geadviseerd in de APV drie artikelen op te nemen. Daarmee wordt de ruimte die gemeenten met de intrekking van de wet is geboden op een lastenarme manier ingevuld. Zie hierover de volgende publicaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG ledenbrief Lbr. 05/128 van 8 december 2005 (Publicatie over kampeerbeleid na WOR);</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG, “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”, Groene reeks nummer 129, VNG uitgeverij, Den Haag, 2005;</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG ledenbrief Lbr. 07/125 van 15 november 2007(Wijzigingen model-APV);</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenniscentrum Recreatie, “Gemeentelijk kampeerbeleid na intrekking WOR”, Kamerstukken II 2009/10, 26 419, nr. 38.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de algemene toelichting bij deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de algemene toelichting bij deze afdeling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5.1. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen Sinds de inwerkingtreding van de WVW 1994 kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2, tweede lid, van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op initiatief van de VNG is artikel 2a in de WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt: “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2a van de WVW 1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ De begrippen ‘weg’, ‘voertuig’ en ‘parkeren’ zijn in artikel 1:1 omschreven. Daarbij is aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de verschillende bepalingen in deze afdeling blijkt, of zij al dan niet slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 1, ‘Parkeerexcessen en stopverbod’ zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (bijvoorbeeld de eigenaar, huurder en opdrachtgever) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip ‘parkeerexces’ In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip ‘parkeerexces’ precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip ‘parkeerexces’ ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus: wanneer het parkeren op de weg betreft dat buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers die gelegenheid om te parkeren behoeven, en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling); wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn – zo lijkt de zienswijze van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven – in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het ‘normale’ parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bijvoorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge Raad: HR 15-06-1971, NJ 1971, 432 en 25-04-1972, NJ 1972, 296.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen Gezien de ruime uitleg van het begrip ‘parkeerexces’ is het niet nodig om een onderscheid te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als ‘parkeerexcessen’ moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander motief (in hoofdzaak) aan het stellen van regels ten grondslag ligt. Er bestaat geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een parkeerexcessenverordening respectievelijk de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom zijn de bepalingen in hun geheel ondergebracht in de APV, en wel in hoofdstuk 5 ‘Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente’. Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de voorkeur boven plaatsing in een ander hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het onder één noemer – die van het parkeerexces – brengen van de modelbepalingen blijken de aan de bepalingen ten grondslag liggende motieven niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is daarom verstandig, dat in de toelichting op de bepalingen deze motieven tot uitdrukking worden gebracht Zie ook: ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119. Een van de voordelen van deze aanpak is dat artikelen die een zelfde gedraging verbieden, doch op grond van verschillende motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 5, afdeling 1, ‘Parkeerexcessen en stopverbod’, is ook een aantal onderwerpen opgenomen, die niet kunnen worden aangeduid als ‘parkeerexcessen in eigenlijke zin’, waarvan gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden ervaren, geeft de VNG er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze afdeling te regelen. De artikelen 5:2 tot en met 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid, en 5:9 hebben slechts op ‘echte’ parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling – de artikelen 5:6, eerste lid, onder b, en 5:8, eerste lid, – strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepalingen tot ‘op de weg’ ligt niet voor de hand, wanneer men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. Ook artikel 5:11 heeft betrekking op gedragingen buiten de weg (‘aantasten van groenvoorzieningen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervangende parkeergelegenheid Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde categorieën voertuigen – in het bijzonder voor vrachtwagens – de aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid moeten worden bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de voorkoming van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit de APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffingen Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen is aangegeven wanneer de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name zal ten aanzien van bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing, niet steeds kunnen worden ontkomen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, welke (ook) een naar plaats of tijd beperkt karakter hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg met vervoerders(organisaties) Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de betrokken chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van parkeerregelingen voor vrachtwagens en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie ARRS 03-12-1992, JG 93.0120. De Afdeling bevestigt dat een gemeentelijke parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de WVW (oud) en haar uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). Zie ook ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’ mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van lessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het woord ‘vergen’ is gebezigd in plaats van ‘duren’ teneinde zoveel mogelijk twijfel uit te sluiten over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is. Bij het gebruik van de term ‘vergen’ beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het eerste lid, onder b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen, bijvoorbeeld een straal van 25 meter. Op basis van de modelbepaling mogen er dan binnen een cirkel met een straal van dat meteraantal maximaal twee, dus geen drie, voertuigen staan. Eén van de op de weg geparkeerde voertuigen geldt als middelpunt van de cirkel. Voor eventuele volgende voertuigen die buiten deze cirkel staan, geldt opnieuw dat er maximaal twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van het meteraantal mogen staan. En zo verder. Overigens lijkt de Afdeling de bepaling anders, en strikter, uit te leggen. Zie hiervoor ABRvS 06-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:358 (Den Haag), waarin naar aanleiding van een gelijkluidende APV-bepaling is beoordeeld of de voertuigen waren geparkeerd in een straal van 25 meter rond de onderneming. Dat is echter niet wat in artikel 5.2 van de APV staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder b Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 16-08-1988, AB 1989, 373. De Afdeling keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af. Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het bedrijf woog zwaarder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Zie bijvoorbeeld ABRvS 21-09-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, aanhef Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet ‘dagelijks’ worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens en dergelijke op de weg. Door de bestanddelen “te plaatsen of te hebben” (in plaats van “te parkeren”) is de handhaving van deze bepaling eenvoudiger. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje en dergelijke op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg – vaak juist ook in woonwijken – zou ervoor gekozen kunnen worden om het direct voor de gehele gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren, door te bepalen dat het verboden is de hier bedoelde voertuigen langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen [binnen de bebouwde kom] op de weg te plaatsen of te hebben, Eerste lid, onder b Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans en dergelijke elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een ‘eigenlijk’ parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg in de zin van de WVW 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1 wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De raad kan hier twee kanten op redeneren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Het college heeft hier dus een vrij overzichtelijke afweging te maken, en er is geen reden waarom dit besluit niet tijdig kan worden genomen. Om die reden is er in de APV voor gekozen om de lex silencio positivo van toepassing te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds is dit verbod in het leven geroepen om schaarse parkeerruimte te beschermen. Als in een gemeente sprake is van ernstige parkeerdruk kan de raad overwegen om van de APV af te wijken en de lex silencio positivo niet van toepassing te verklaren om iedere kans op een van rechtswege ontstane ontheffing te voorkomen. In dat geval kan het vierde lid achterwege blijven.] Jurisprudentie ARRS 11-03-1993, AB 1993, 553. De Afdeling stelde de gemeente Beverwijk in het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van parkeerruimte waren in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 18-04-1997, JG 97.0210. De Afdeling geeft aan dat het college van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een kampeerwagen en dergelijke mag worden geparkeerd, slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie die geen ‘weg’ is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in de zin van de WVW 1994 en valt daarmee niet onder ‘aangewezen plaats’ uit de APV-bepaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen – in het bijzonder vrachtwagens – op wegen in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enzovoort. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enzovoort, bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als ‘normaal’ verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Bijvoorbeeld vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het motief bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een ‘parkeerexces’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden gehouden met een provinciale verordening die – geheel of gedeeltelijk – hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bijvoorbeeld een verordening bescherming landschapsschoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag: hoe wordt dit verbod onder de aandacht van belanghebbenden gebracht? Het is in ieder geval gewenst, dat de in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij langs de naar de gemeente leidende wegen door middel van aanwijzingsborden kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren van grote voertuigen slechts is toegestaan op de als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het motief “buitensporig gebruik van de weg” wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens minder opportuun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband met het bepaalde in het vierde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie eerste lid) dan kan bijvoorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor wat betreft de vraag hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de toelichting op het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in de toelichting bij artikel 5:1 wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid of het tweede lid zouden vallen, toch voor maximaal drie dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt de in dit lid vervatte uitzondering niet voor het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Dit lid kent aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven – ongeacht de aard – kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik dienen te worden gemaakt voor: voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd; chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen, waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder ontheffing in moeilijkheden zou komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het gaat om bijvoorbeeld: rijdende winkels; wagens van kermisexploitanten; wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen ‘uitrukken’ (sleepwagens en dergelijke); voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Vz. AGRS 27-04-1993, B03.93.0018. De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te gebeuren op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit (Wegenverkeerswetgeving).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz. ARRS 18-12-1992, S03.92.4266 en Vz. ARRS 16-09-1993, S03.93.3369. Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen ontheffingen worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een woonbuurt, wordt door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 04-05-1993, JG 93.0353. De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter plaatse, zoals werd aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 03-06-1991, JG 92.0301. Bij een verzoek om bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig, waarbij het uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede belangenafweging te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds de belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling niet onredelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 15-05-2001, 200002098/1. Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar geen vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde vrachtwagens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens en dergelijke bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Zie ook de toelichting bij artikel 5:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van de Hoge Raad (HR 16-01-1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door een afstandsmaat te hanteren, bijvoorbeeld 10 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in de toelichting bij artikel 5:1, onder b, wordt het begrip ‘parkeren’ zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de WVW 1994 onder ‘wegen’ ook de bermen begrijpt, is het in artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, als dat geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen, dan wel voor het laden of lossen van goederen. Deze beperkingen zijn onwenselijk bij een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen. Daarom is hier bewust gekozen voor de bestanddelen “te doen of te laten staan” in plaats van “te parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede: gedragingen als de onderhavige brengen in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het WvSr met zich mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de ‘wegen’ in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een ’oneigenlijk’ parkeerexces – dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de ‘weg’ (in de zin van de WVW 1994) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook bijvoorbeeld het rijden over openbare beplantingen wordt verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat bijvoorbeeld auto’s en motoren op de rijbaan en op andere weggedeelten – met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad – mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Zie artikel 5:10a en de toelichting daarop. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. In dat geval is plaatsing van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie HR 27-10-1930, NJ 1931, p. 62. Een APV-bepaling van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, werd verbindend geacht. De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het algemene verbod van artikel 461 van het WvSr bedoelde verbodsbepaling uit te vaardigen, ging niet op. Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ARRS 24-06-1983, nr. RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout). Indien het in de APV-bepaling bedoelde voertuig een door een woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 61 van de Woonwagenwet uit de gemeente kunnen doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fietsen of bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang. Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde (brom)fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Er zijn de laatste jaren meerdere uitspraken gedaan over het verwijderen van fietsen die buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze jurisprudentie kan ten aanzien van het verwijderen van foutief geplaatste fietsen de volgende lijn worden afgeleid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet feitelijk sprake zijn van een gevaarlijke of hinderlijke situatie die het direct of na een beperkte tijd (begunstigingstermijn) verwijderen van deze fietsen rechtvaardigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per geval zal moeten worden bezien of een (korte) begunstigingstermijn wel of niet aan de orde is. Bijvoorbeeld geen begunstigingstermijn bij gevaarlijke situaties, maar wel bij hinderlijke situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moeten in de buurt voldoende stallingsplaatsen voor fietsen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met bewijsvoering is het verstandig om een of meerdere foto’s te maken van de foutief geplaatste fiets, voordat deze wordt verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot toepassing van bestuursdwang moet direct bij het ophalen van de verwijderde en opgeslagen fiets of zo snel mogelijk daarna worden overhandigd c.q. worden toegestuurd aan de eigenaar van de fiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die het besluit tot toepassing van bestuursdwang overhandigt moet hiertoe gemandateerd zijn door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een fiets buiten de fietsklemmen, maar binnen de omheining van een fietsenstalling wordt geplaatst zonder dat dit tot een gevaarlijke situatie aanleiding geeft, kan niet tot onmiddellijke verwijdering van deze fiets worden overgegaan. In zo’n geval zal eerst het besluit tot bestuursdwang op schrift moeten worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie ABRvS 05-02-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS5483 ABRvS 24-10-2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB6346 ABRvS 06-02-2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3602 ABRvS 12-05-2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4174 Rb. Utrecht 15-07-2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3500 ABRvS 11-12-2013, ECLI:NL:RVS:2013:2382 Rb. Den Haag 10-10-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12168 ABRvS 19-10-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2754 Rb. Amsterdam, 28-02-2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1136 Rb. Rotterdam 24-05-2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3937 ABRvS 21-06-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1627</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5.2. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen en dergelijke al dan niet met een wedstrijdkarakter, zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet vervallen bepalingen van de APV van rechtswege als in het onderwerp door een wet, AMvB of provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt ingegaan op de afbakening van dit APV-artikel ten opzichte van de Wegenverkeerswet 1994, de Wabo en het Bor, en de Zondagswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">WVW 1994 en APV Het verkeersrechtelijk regime is niet van toepassing wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen en dergelijke op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt én een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het RVV 1990 in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 2:25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 3, ‘Evenementen’ van toepassing (artikel 2:24 en verder). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo en APV Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wabo; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit omgevingsrecht (Bor) De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de werking van de Wabo en het Bor. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.4 van de Wabo is het college bevoegd om op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen, zijnde de gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de bescherming van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">APV De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Bor, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Wabo in ieder geval moeten zijn afgebakend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in het tweede lid van het artikel 5:32 genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen dan wel aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en – eventueel – dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben dan wel dat de vereniging er – ter voorkoming van ongelukken – zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zondagswet Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur ontheffing te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie ARRS 03-06-1994, AB 1994, 602. Wanneer in het kader van een evenement als bedoeld in de APV-artikelen, op een crossterrein, zoals in deze bepaling bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere bevoegde organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is om een vergunning te verlenen, en anderzijds de motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het bevoegd gezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, KG 1995, 292. Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13:00 uur. In casu geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km buiten de bebouwde kom ligt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder worden natuurgebieden, parken en dergelijke steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zogenaamde ‘wilde crossen’ (op wegen en paden en ‘off the road’) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:32 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De redactie van artikel 5:33 is overeenkomstig het systeem van artikel 5:32. Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het ‘wildcrossen’ of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer in natuurgebieden gaat het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren, weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, van de WVW 1994). De WVW geeft derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden, welke regeling – deels – strekt ter bescherming van dezelfde belangen, zal – althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in een ‘natuurgebied’ als bedoeld in de provinciale verordening – de werkingssfeer van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening moeten worden afgebakend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en sluiting krachtens artikel 461 van het WvSr Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot het weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of draaihekjes bij de toegangen tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De eigenaar van een weg zal men het recht tot het nemen van zodanige maatregelen niet kunnen ontzeggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe zit dit echter als deze weg is aan te merken als een openbare weg in de zin van de Wegenwet? Hiervoor is ingegaan op de beperkingen in het gebruik van een openbare weg als gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg. Openbare wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden gemaakt - een zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk mogen realiseren door het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen en dergelijke bij de toegangen tot die wegen en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze handelwijze kleeft een aantal bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze handelwijze is niet toepasbaar ten aanzien van openbare wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Het gedeeltelijk – bijvoorbeeld alleen voor gemotoriseerd verkeer – onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer is niet mogelijk is (KB 26-09-1955, AB 1956, p. 357).</p>\n<p class=\"lf-p\">KB 11-05-1982, AB 1982, 378. Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij voorbeeld voetgangers en fietsers. Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit worden genomen, zoals hiervoor is beschreven. Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Verder zal het afsluiten van wegen door middel van hekjes en slagbomen leiden tot verslechtering van bereikbaarheid van bos- en natuurgebieden voor brandweer- en onderhoudswerkzaamheden. Bovendien zullen slagbomen niet altijd onbevoegden weerhouden van het betreden van het gebied. Ten slotte is het plaatsen van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare aangelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men zou in de tweede plaats kunnen denken aan het plaatsen bij de toegangen tot de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang voor motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van het WvSr wordt verboden: “Verboden toegang voor....; artikel 461 van het WvSr”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21-06-1966, ECLI:NL:PHR:1966:AC4668 (Bromfietsverbod Sneek) en HR 23-12-1980, AB 1981, 237 (rijverbod Schiermonnikoog).</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van gemotoriseerd verkeer uit natuurgebieden overwogen: onttrekking van de openbare wegen (‘openbaar’ in de zin van de Wegenwet) aan het openbaar verkeer volgens de daartoe in de artikelen 9 en verder van de Wegenwet voorgeschreven procedure; en aansluitend daaraan: geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in dat gebied voor (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk door het plaatsen van borden ‘Verboden toegang voor..., artikel 461 Wetboek van Strafrecht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het verkeer openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan verkeersbelangen bij verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten zouden worden. Of deze opvatting juist is, is de vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 461 van het WvSr is niet op openbare wegen van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpak stuit overigens ook op bezwaren, met name in die gevallen waarin de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd, indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. De particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten. De overheid bezit dan geen machtsmiddelen om daartegen op te treden. Deze machtsmiddelen bezit zij wél ten aanzien van wegen die – zij het ook beperkt – voor het openbaar verkeer toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ABRvS 25-03-1982, AB 1983, 64 (Helmond) en 05-11-1982, Gst. 1983, 6745, 10 (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!) de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze plicht wordt verzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men kan – zoals hierboven reeds bleek – aan genoemde consequenties niet ontkomen door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers. Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan nog zou artikel 461 van het WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Overigens moet de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer onvoorwaardelijk geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS 1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, p. 225).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening stiltegebieden Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wm een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de model-Proviniciale Milieuverordening is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 10 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Vz. ARRS 30-08-1990, AB 1991, 432. Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van een overgangsregeling trof de Voorzitter van de ARRS een voorlopige voorziening, waarbij aan belanghebbende alsnog een tijdelijke ontheffing werd verleend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5.3. VUURVERBOD</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de wetgeving voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in de artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, eerste lid, van de Wm. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm beperkt zich alleen tot de bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede) ontheffing op grond van de APV noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen als geregeld in artikel 10.2, eerste lid, en 10.63, eerste lid, van de Wm In de circulaire van 27 maart 2002 aan de provincies en gemeenten van het voormalig ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Stcrt. 2002, 65) is aandacht besteed aan het storten en verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm worden gegeven en wat is de reikwijdte van de wet?</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de kamerbehandeling blijkt dat de ontheffing kan worden verleend voor de volgende zaken: vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren. instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein landschapsbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn algemeenheid over hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen. Ook riet zou ons inziens hieronder kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm is het in ieder geval verboden ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder is het mee verbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie) verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.2 van het WvSr ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wm, het verbrandingsverbod hierop niet van toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. De verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de zogenaamde artikel 8.40 Wm-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen voor homogene bedrijfscategorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk GFT-afval op grond van artikel 10.21 van de Wm. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen inzameldienst. Het buitengebied wordt door gemeenten soms vrijgesteld van de inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden gerechtvaardigd. Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het verlenen van een ontheffing minder gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt zorg voor inzameling van huishoudelijk tuinafval en ook grof tuinafval, een ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt daarmee niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wm de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wm – een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk vast te leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het bevoegde gezag over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing om een ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke voorschriften kunnen worden verbonden aan een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm?</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht kan worden aan het voorschrift dat: het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving; de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt; de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken; van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van de dienst [...] of zijn plaatsvervanger of de alarmcentrale van de regionale brandweer, ten minste één uur voor de verbranding telefonisch moet worden geïnformeerd (telefoon [...]).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de ontheffing op grond van de Wm kunnen ook voorschriften worden opgenomen over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Veel gemeenten eisen een bodembeschermende voorziening, bijvoorbeeld een betonplaat of zandbed. De grondslag van een dergelijk voorschrift is in dit geval artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het verdient de aanbeveling om in de ontheffing ook een verwijzing naar de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe kan het beste worden omgegaan met gevallen van bestrijding van bepaalde ziektes?</p>\n<p class=\"lf-p\">In enkele gevallen, bijvoorbeeld bij de bestrijding van bepaalde ziektes, is het noodzakelijk op korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de zieke bomen, te nemen. De procedure van ontheffingverlening duurt in deze gevallen te lang om telkens een ontheffing te verlenen. Daarom zou voor deze gevallen de ontheffing bij voorbaat verleend kunnen worden, waarbij in de ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Een aantal gemeenten eist bijvoorbeeld een verklaring van de Plantenziektekundige dienst van de NVWA. Als voorschrift kan worden opgenomen dat in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk moet worden gescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm voor onbepaalde tijd worden verleend?</p>\n<p class=\"lf-p\">Nee, volgens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat hangt de beantwoording van deze vraag samen met het karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een wettelijk verbod of een uitzondering op de regel. Het verlenen van een ontheffing voor onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet. Het zou daarmee een soort vergunningstelsel worden. Een ontheffing zal derhalve altijd voor een bepaalde tijd verleend moeten worden. De precieze omvang voor een bepaalde tijd is onder andere afhankelijk van de invulling van het in artikel 10.63, tweede lid, van de Wm opgenomen criterium. Na verloop van tijd kunnen er bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de betreffende afvalstoffen op een hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats van te verbranden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is de looptijd van de ontheffing afhankelijk van de formulering van de ontheffing zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin verbrand mag worden exacter in de ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld twee keer veertien dagen in de nader omschreven periode, bijvoorbeeld het snoeiseizoen met melding aan de gemeente) is het volgens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat denkbaar dat een ontheffing voor maximaal drie jaar wordt verleend. Als de periode niet exact staat omschreven, stuit een dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren. Er zijn dus verschillende mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Variërend van bijvoorbeeld een ontheffing per keer tot een jaarlijkse ontheffing tot een ontheffing voor een periode van drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten hebben dus de beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende werking van artikel 5.34 Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Artikel 5:34 vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wm aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor artikel 5.34 betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:34, tweede lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm en de ontheffing op grond van artikel 34, tweede lid, worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een aantal argumenten om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders. Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (WED), terwijl overtreding van artikel 5.34 strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 154 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil in wettelijke grondslag (Wm versus Gemeentewet), het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in strafbaarstelling (WED versus Gemeentewet) pleit ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond van artikel 5.34?</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5.34. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van artikel 5:34 kan in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd met de Wm. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel 5.34 hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag hiervoor is artikel 4:5 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen artikel 5.34 In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden, niet onder het nieuwe regime van de Wm. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Het eerste lid regelt namelijk het aanleggen, stoken of het hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is er geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wm en de APV helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wm. Daar waar de Wm hierop gebaseerde regels of voorschriften in een onderwerp voorziet, is er geen ruimte voor de APV.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Reclame</h3>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Inleiding 1.1 Aanleiding en achtergrond Steeds vaker worden er in de gemeente Oldebroek reclame-uitingen gesignaleerd. Deze worden groter, (soms) opvallender en sommige zelfs voorzien van verlichting. Binnen de omgeving van de gemeente zijn veel ontwikkelingen gaande. Men is onder andere bezig met het realiseren van een regionaal bedrijventerrein tussen de A28 en de A50, gezamenlijk met de gemeenten Hattem en Heerde. Op dit moment is de vernieuwing van het centrum van Oldebroek gerealiseerd en in de toekomst wil men het winkelcentrum van Wezep geheel vernieuwen. Dit heeft veel impact op de omgeving, de ruimtelijke ordening en ook op reclame-uitingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Oldebroek heeft behoefte aan een toetsingskader voor zowel permanente als tijdelijke reclame-uitingen. Ook bestaat er onduidelijkheid over waar de grens ligt tussen commerciële en ideële reclame. Hierdoor is het onmogelijk om goed te kunnen anticiperen op ontwikkelingen van reclame-uitingen en kan wildgroei niet tegengegaan worden. Het gevaar bestaat dat door het ontbreken van reclamebeleid de gemeente geen grip krijgt op de verschillende reclame-uitingen, waardoor het landschap, de omgeving en het straatbeeld nog meer zal worden verstoord. Het bestuur van de gemeente streeft er naar om de landelijke identiteit van de gemeente te behouden en daarom vindt men het belangrijk dat er duidelijke regels komen waarbinnen reclame eventueel wordt toegestaan. Het bestuur heeft dan ook de opdracht gegeven om regels betreffende reclame voor de gemeente Oldebroek te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oldebroek voor mekaar 'Oldebroek voor Mekaar' staat voor samen werken aan een sterke en leefbare samenleving. Als we het samen doen, inwoners en de gemeente, met elkaar maar ook voor elkaar, dan komt het goed. We gaan de klus klaren, t komt voor mekaar'. Er is ruimte om zelf verantwoordelijkheid te dragen en initiatieven te ontplooien, we ondersteunen en faciliteren elkaar waar dat kan. Een nieuwe aanpak, waarin de samenleving aan het roer staat. Mensen doen het samen, voor elkaar en maken Oldebroek voor mekaar. Dit betekent dat we het als gemeente écht anders doen. We sluiten aan bij wat de samenleving wil en kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering Om het allemaal eenvoudiger en overzichtelijker te maken is het vergunningenstelsel uit de verordening gehaald. Het kan echter natuurlijk mogelijk zijn dat een reclameobject van dusdanige omvang is, dat het onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht valt. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van de toelichting. In de verordening wordt een gebiedsindeling gehanteerd. Er zijn vijf verschillende gebieden, waarbij in het centrum gebied en op bedrijventerreinen de reclame grotendeels vrij wordt gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Probleemstelling Wanneer de gemeente Oldebroek nog langer wacht met het realiseren van een regels betreffende reclame dan kunnen de volgende problemen ontstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal onduidelijkheid blijven bestaan over wat wel en niet mag aan reclame-uitingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstoring van het landschap, de omgeving en het straatbeeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wildgroei van reclame-uitingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het ontbreken van een toetsingskader is handhaven moeilijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toename van het aantal klachten van burgers over reclame-uitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokken partijen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemers/ondernemersvereniging;</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijvenkring;</p>\n<p class=\"lf-p\">LTO;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provincie Gelderland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijkswaterstaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Oldebroek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten Hattem en Heerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Doel reclameverordening Door middel van een goede en duidelijke reclameverordening, kan aan alle belanghebbenden duidelijk worden gemaakt wat de criteria zijn betreffende reclame-uitingen binnen de gemeente Oldebroek. Door middel van de reclameverordening kunnen regels over soort, grootte, aantal, de plaats en eventuele normen naar buiten worden gebracht. Daarnaast kan binnen de gemeente eventueel handhavend worden opgetreden tegen illegale reclame-uitingen. De gedachte is dat de gemeente Oldebroek haar eigen identiteit wil behouden. De visie van de gemeente is: ‘de gemeente Oldebroek is een aantrekkelijke, rustige woongemeente met een zeer afwisselend, landelijk buitengebied en dat wil men zo behouden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Leeswijzer Onderliggende toelichting op de reclameverordening is als volgt opgebouwd. Eerst komt in hoofdstuk 2 een inventarisatie van soorten reclame-uitingen. In dit hoofdstuk wordt het begrip reclame gedefinieerd, welke soorten reclame er bestaan en er wordt een inventarisatie gegeven van de reclame-uitingen die in de gemeente Oldebroek voorkomen. In hoofdstuk 3 wordt het juridisch kader omschreven, hierin staan de randvoorwaarden die betrekking hebben op reclame-uitingen. In hoofdstuk 4 geeft een toelichting op de verbodsbepalingen. In hoofdstuk 5 is het onderdeel handhaving opgenomen. Daaropvolgend wordt in hoofdstuk 6 het onderwerp reclamebelasting behandeld. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de bronvermelding weergegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Inventarisatie soorten reclame-uitingen 2.1 Begrip reclame Er zijn verschillende inzichten over het begrip reclame. In veel gevallen staat het commerciële belang voorop, maar ook een ideële aankondiging kan reclame zijn. Het is noodzakelijk om een duidelijke omschrijving van het begrip reclame te hanteren. De definitie van reclame is: 'iedere openbare en/of systematische directe dan wel indirecte aanprijzing van goederen, diensten en/of denkbeelden door een adverteerder of geheel of deels ten behoeve van deze, al dan niet met behulp van derden. Reclame kan een permanente functie hebben, maar ook voor tijdelijke evenementen of activiteiten wordt reclame gemaakt.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Soorten reclame Reclame kan worden onderscheiden in ideële of commerciële reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is er onderscheid in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke reclame: is bedoeld om, kortdurend, de komst van een evenement of activiteit aan te kondigen in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: Aankondigingen door aanplakken van posters op tijdelijke borden en/of op daarvoor aangewezen borden of zuilen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente reclame: ideële of commerciële uiting die voor onbepaalde tijd als zelfstandig object is geplaatst op of aan een (on)roerende zaak is bevestigd of aangebracht. Bijvoorbeeld: Opschriften op afbeeldingen op of aan een onroerend goed; reclameobjecten bevestigd op of aan een onroerend goed; reclameobjecten aan- of in de vorm van een zelfstandige constructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.1 Ideële reclame Dit zijn reclame-uitingen die zijn gericht op het bekendmaken van organisaties, diensten, activiteiten of evenementen met een niet commercieel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2 Commerciële reclame Dit zijn reclame-uitingen die een zuiver commercieel doel hebben om een bedrijf of product aan te prijzen. Deze commerciële uitingen zijn vaak permanente reclame-uitingen. Daarnaast is er tijdelijke reclame voor evenementen met een zuiver commercieel doel of bijvoorbeeld tijdelijke bouwborden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.3 Omgevingsvergunningplichtig Een reclame kan bestaan uit een constructie die op zichzelf staat of is bevestigd op of aan een bouwwerk. Voor een dergelijk reclameobject is volgens de bepalingen van de Wabo een omgevingsvergunning verplicht. In artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is dit dieper uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.4 Niet omgevingsvergunningplichtig Reclame kan tevens bestaan uit een opschrift of afbeelding op een (on)roerend goed in de vorm van beplakken of beschilderen. Volgens de bepalingen van de Wabo is er dan geen sprake van een bouwwerk zodat er geen omgevingsvergunning nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Inventarisatie reclame-uitingen Om een duidelijk beeld te krijgen van alle aanwezige reclame-uitingen binnen de gemeente Oldebroek heeft er een inventarisatie plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende reclame-uitingen zijn daarbij aangetroffen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame op gevels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op of aan een onroerende zaak maken of voeren van commerciële reclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook die vanaf de weg zichtbaar is, waarbij wordt verwezen naar de activiteit die in dat pand wordt uitgevoerd. Hieronder valt ook ruitreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weilandborden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een in het weiland geplaatste reclame-uiting aangebracht op of aan een verrijdbaar onderstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driehoeksborden/ aankondigingsborden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke reclame geplakt op een metalen frame ter aankondiging van een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sandwichborden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee borden van karton tegen elkaar om bijvoorbeeld een lantaarnpaal heen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamezuilen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een standaard van maximaal 300 cm hoog waaraan een dubbelzijdig reclamebord is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanplakbiljetten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Pamflet aangebracht op een (on)roerend goed door middel van lijm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uithangborden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Haaks op de gevel aangebrachte commerciële reclame waarbij wordt verwezen naar de activiteit die in dat pand wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Abri’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bushaltehokjes bij haltes van het openbaar vervoer. De abri’s in Wezep zijn eigendom van de gemeente Oldebroek. De Abri’s aan de weg van Elburg naar Wezep (Zuiderzeestraatweg) zijn eigendom van de provincie Gelderland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichtbakken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame voorzien van een kunstlichtbron. Al dan niet bevestigd aan een onroerend goed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame bij sportaccommodaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclameborden rond het sportveld, gericht op het veld, of in de tribune.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame langs de snelweg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamemasten, -zuilen en megaboards geplaatst langs de A28 en de A50, al dan niet op grondgebied van de provincie Gelderland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plattegronden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Plattegronden worden op toegangswegen geplaatst met de plattegrondzijde gericht op het binnenkomende verkeer. Deze borden zijn in eigendom van de gemeente Oldebroek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame op schakelkasten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame-uiting aangebracht op een schakelkast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame op zonweringen, rolluiken en luifels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Commerciële reclame aangebracht op een aan de gevel bevestigde zonwering, rolluik of luifel waarbij wordt verwezen naar de activiteit die in dat pand wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vlaggen en spandoeken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vlag is een rechthoekig stuk doek in op vaste wijze geschikte kleuren, gevoerd als zinnebeeld van een partij. Een spandoek is een gespannen doek op, aan of boven de weg dan wel op of aan bouwwerken voorzien van een reclame-uiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwbord:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geeft een actuele en tijdelijke ontwikkeling (bouw- of sloopactiviteit) aan. Dikwijls geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het bouwterrein waarop de activiteit wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Draaiend reclamebord:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatsbare, draaiende reclamezuil van ongeveer 1,50 meter hoog voor commercieel gebruik. Wordt veelal gebruikt door horecaondernemers of winkeliers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stoepborden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatsbaar reclamebord van ongeveer 1,00 meter hoog voor commercieel gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstallingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stellingen, bakken, rekken en andere voorwerpen waar goederen in uitgestald kunnen worden voor de verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rotonde reclame:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclameborden geplaatst op een rotonde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichtmastreclame:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclameborden (meestal ‘s avonds verlicht) gemonteerd aan een lichtmast, vaak langs drukke toegangswegen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Juridische aspecten De verordening heeft als doel, binnen het juridische kader een beleid te voeren dat gericht is op het bieden van mogelijkheden voor reclame-uitingen die rekening houdend met kwaliteit van het landschap, de omgeving en het straatbeeld, goed kunnen worden ingepast. In dit hoofdstuk wordt omschreven met welke wettelijke kaders rekening gehouden dient te worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1 EVRM, IVBPR en de Grondwet In het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden is het recht van vrije meningsuiting geregeld in artikel 10. Daarnaast is de vrijheid van meningsuiting ook geregeld in artikel 19 van het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. In artikel 7 van de Grondwet is de vrijheid van meningsuiting geregeld. Het artikel bepaalt dat iedereen vrij is om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Deze drukpersvrijheid geldt niet voor handelsreclame. De wet bepaalt dat de overheid bij ideële reclame alleen voorschriften mag stellen aan de distributie met het oog op bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Wet beheer rijkswaterstaatswerken Deze wet is van toepassing op de rijkswegen, dit is voor de gemeente Oldebroek de A28 en de A50. Deze wet bepaalt in artikel 2 lid 1 dat het verboden is om zonder toestemming van de minister van Infrastructuur en Milieu gebruik te maken van een waterstaatwerk (rijkswegen) door anders dan waartoe het is bestemd: daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden; daarin, daaronder, of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder verwijzen wij in het kader van deze wet naar het Kader Beoordeling van Objecten langs (snel)wegen van oktober 2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Wegenverordening Gelderland 2010 De verordening is van toepassing op de wegen, die ingevolge de Wegenwet, in beheer en onderhoud zijn bij de provincie Gelderland. Dit betreft voor de gemeente Oldebroek de Zuiderzeestraatweg, de N308. In artikel 3.1 lid 1 onder b van de Wegenverordening Gelderland 2010 staat dat het verboden is handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Lid 2 onder c stelt dat borden of andere aanduidingen op gevels van gebouwen binnen de bebouwde kom op een hoogte van ten minste 2.20 meter bevestigd mogen zijn en niet meer dan 1 meter uit de voorgevel mogen reiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4. Reclame Code Commissie In de Nederlandse Reclame Code (NRC) zijn de regels vastgelegd waar reclame aan moet voldoen. De regels zijn opgesteld in overleg met partijen die samen het adverterend bedrijfsleven vormen namelijk: adverteerders, reclameadviesbureaus en media. Op deze wijze nemen zij hun verantwoordelijkheid voor de inhoud en verspreiding van reclame-uitingen. De NRC bestaat uit een algemeen gedeelte met regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen en bijzondere reclamecodes die gelden voor specifieke producten en diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Oldebroek Artikel 2:4 lid 1 bepaalt dat het verboden is om zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie hiervan. Lid 2 stelt dat het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels kan stellen ten aanzien van reclameborden en spandoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:16 lid 2 onder a bepaalt dat het verboden is om zonder schriftelijke toestemming op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is een aanplakbiljet of een ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of aan te brengen. In lid 4 wordt gewezen op de mogelijkheid dat het college aanplakborden kan aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het aanbrengen van handelsreclame op deze borden is verboden. Artikel 3:9 stelt dat het verboden is om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Hierbij dient per geval een beoordeling plaats te vinden. Met betrekking op reclamevoertuigen bepaalt artikel 4:5 lid 1 en 2 dat het verboden is om, zonder ontheffing van het college, een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 Reclameverordening 1993 ( verordening tot het weren van ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame in de gemeente Oldebroek. (Ingetrokken).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de reclameverordening stond de bepaling dat het verboden was om zonder vergunning van burgemeester en wethouders op een onroerend goed handelsreclame te maken door middel van een opschrift, een aankondiging of een afbeelding, zichtbaar vanaf de openbare weg. De reclameverordening is in april 2009 ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 Welstandsnota gemeente Oldebroek De gemeenteraad heeft op 6 maart 2014 een gewijzigde welstandsnota vastgesteld. Deze wijziging houdt in dat de gebieden die op niveaukaart in de welstandsnota 2004 staan aangegeven met het welstandsniveau 2 en 3 wijzigen in welstandsniveau 4. Dit met uitzondering van plannen voor gehele nieuwbouw van hoofdgebouwen in de gebieden waarvoor, na de oorspronkelijke vaststelling van de welstandsnota 2004 een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 'Wet algemene bepalingen omgevingsrecht' en 'Wet ruimtelijkeordening' 3.8.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is op 1 oktober 2010 in werking getreden. De Wabo maakt onderdeel uit van de bredere moderniseringsoperatie van het Ministerie van I en M en integreert een groot aantal vergunningen, ontheffingen en meldingen tot één omgevingsvergunning ten einde de dienstverlening aan de burgers en het bedrijfsleven te vergroten. Onder andere de ontheffingen vanuit de Wet ruimtelijke ordening, de bouwvergunning vanuit de Woningwet en de reclamevergunning vanuit de APV zijn geïntegreerd in de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.2 Wet ruimtelijke ordening De gemeenteraad dient voor het gehele grondgebied van de gemeente bestemmingsplannen vast te stellen. In een bestemmingsplan zijn de bestemmingen van de grond en regels omtrent het gebruik van de grond vastgelegd. De bestemmingsplannen zijn bindend voor iedereen. Dit wil zeggen dat omgevingsvergunningen in beginsel alleen verleend kunnen worden als zij niet in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan. Indien de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan kan er in sommige gevallen een omgevingsvergunning worden verleend door middel van een afwijking van het bestemmingsplan. Daarnaast kan er bij het niet naleven van de regels, handhavend worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9 Algemene wet bestuursrecht De Algemene wet bestuursrecht geeft onder andere regels voor de uitvoering van bestuurstaken op basis van bijzonder wet- of regelgeving, bijvoorbeeld de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de APV. De Algemene wet bestuursrecht geeft dus ook regels voor de uitvoering van het in de APV gestelde reclameverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10 Monumentenwet 1988 / Monumentenverordening Oldebroek 2010 Artikel 11 van de monumentenwet 1988, welke geldt voor alle rijksmonumenten, bepaalt dat het verboden is om een beschermd monument te beschadigen of te vernielen zonder omgevingsvergunning. Om reclame aan te brengen op of aan een rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig om het monument te mogen wijzigen. Ook voor het aanbrengen van reclame op een gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning op basis van de gemeentelijke Monumentenverordening nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 van de Monumentenverordening Oldebroek bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige omgevingsvergunning gestelde voorschriften: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11 Wet milieubeheer De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet. Het is een zogenaamde raamwet. De Wm bevat het algemene kader van de milieuwetgeving. Een deel van de Wm is ondergebracht in de Wabo. De Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn doorgaans ook van toepassing op bedrijven. Indien een bedrijf namelijk onder één van de categorieën valt, zoals aangegeven in Bijlage I van het Bor, is het bedrijf in principe meldings- of vergunningsplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bedrijf meldingsplichtig is, dan zijn de voorschriften van het bijbehorende besluit van toepassing voor het bedrijf. Is het bedrijf vergunningsplichtig, dan worden aan de vergunning voorschriften verbonden om nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken. Een vergunning mag overigens alleen worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit, voluit het ‘Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer’, in werking getreden. Het activiteitenbesluit maakt onderscheid in drie typen bedrijven (A,B en C). Type A bedrijven hoeven niet te melden, type B bedrijven zijn meldingsplichtig en type C bedrijven zijn vergunningsplichtig of bedrijven waarop het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw milieubeheer op van toepassing is. Met betrekking tot reclame met verlichting is er geen specifiek voorschrift in het Activiteitenbesluit opgenomen. Als sprake is van grote lichthinder kan worden teruggegrepen naar de zorgplichtbepaling (hoofdstuk 2). Ook is het in bepaalde gevallen mogelijk om maatwerkvoorschriften op te nemen. Dit zal van geval tot geval worden bekeken. Een maatwerkvoorschrift moet een milieuvoorschrift zijn, en mag dus niet gericht zijn op belangen die buiten het kader van de Wm vallen. Voorbeeld voorschrift kan zijn over de intensiteit van de verlichting, de richting van de verlichtingsstraal en de kleur.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bepalingen In artikel 3 van de verordening zijn bepalingen opgenomen voor reclame-uitingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op deze bepalingen is hieronder beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1. Beleid per gebied In de reclameverordening wordt een gebiedsindeling gehanteerd. Dit omdat het niet wenselijk is om voor de gehele gemeente dezelfde voorwaarden te hanteren ten aanzien van reclame-uitingen. Een buitengebied vraagt immers om een andere benadering dan een bebouwde kom of een bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende gebiedsindeling wordt gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom Centrum Buitengebied Bedrijventerrein Sportvelden 4.1.1. Bebouwde kom In een gebied dat hoofdzakelijk is ingericht voor woondoeleinden passen in beginsel geen reclame-uitingen. Er is namelijk geen sprake van een relatie tussen het woonmilieu en reclame-uitingen. Er zijn echter drie uitzonderingsituaties. Indien sprake is van woningen met een aan-huisverbonden beroep, een Bed en Breakfast of indien sprake is van een bedrijf in een woonomgeving, dan zijn reclame-uitingen toegestaan. Voor de afmetingen en aantallen voor gevelreclame en reclame in de tuin wordt verwezen naar de reclameverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.2. Centrum In gebieden met een uitgesproken winkelkarakter en de aanwezigheid van horeca zijn de mogelijkheden tot het plaatsen van reclame-uitingen ruimer. Een winkelgebied is bij uitstek de locatie voor reclame-uitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.3. Buitengebied Reclame-uitingen horen in beginsel niet thuis in het buitengebied. Reclame sluit niet aan bij het landelijke karakter van de omgeving en daarnaast vormt het een visuele vervuiling. Vandaar dat er in het gehele buitengebied slechts beperkt ruimte is voor het plaatsen van reclame-uitingen. Voor agrarische bedrijven, een aan huis gebonden beroep of een Bed en Breakfast is het toegestaan om reclame-uitingen met een bescheiden afmeting te plaatsen binnen het bouwvlak. Voor de afmetingen en aantallen voor gevelreclame en reclame in de tuin wordt verwezen naar de reclameverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene richtlijnen:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het buitengebied (inclusief A28 en A50) zijn reclameborden, aankondigingen en lichtreclames niet toegestaan. Onder bepaalde voorwaarden kan hierop een uitzondering worden gemaakt, denk hierbij aan reclame-uitingen bij bedrijven of woningen met een aan-huisverbonden beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.4. Bedrijventerrein Bij bedrijventerreinen / bedrijvenparken / garagebedrijven maken reclameuitingen vanzelfsprekend deel uit van de openbare ruimte. Binnen de bedrijventerreinen / bedrijvenparken / garagebedrijven reclame-uitingen dient men rekening te houden met de algemene bepalingen zoals opgenomen in de verordening. Extra beperkingen zijn niet van toepassing in dit gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerreinen in de gemeente Oldebroek Binnen de gemeente Oldebroek zijn in de verschillende kernen de volgende bedrijventerreinen gelegen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oldebroek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerrein Oude Dijk t Loo:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijvenpark Stuivezand Wezep:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerrein Engeland Bedrijventerrein Zeuven Heuvels Bedrijventerrein Prins Mauritslaan/Prinses Margrietlaan Bedrijventerrein Voskuil Bedrijventerrein Wezep-Noord Hattemerbroek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijvenpark H20 Op bovenstaande bedrijventerreinen / bedrijvenparken / garagebedrijven is het mogelijk om reclame op zowel de gevel en/of op het voorerf te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.5. Sportvelden Sportvelden liggen vaak in een \"groene\" omgeving. Reclame-uitingen zijn toegestaan, mits het is beperkt tot en gericht op het sportpark. De op het veld gerichte onverlichte reclame is toegestaan voor zover deze voldoen aan onderstaande richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene richtlijnen Het verlichten van reclame-uitingen is niet toegestaan. Reclameborden van sponsoren zijn op het sportvelden gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen Bij evenementen in de gebieden “sportvelden en/of buitengebied” zijn vaak sponsoren betrokken. Sponsoren krijgen van de organisatie van het evenement vaak de gelegenheid om reclame te maken voor zijn of haar bedrijf. Het tijdelijk plaatsen van reclame-uitingen op een perceel waar het evenement plaatsvindt is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Niet perceelgebonden reclame-uitingen Niet perceelgebonden reclame-uitingen zijn onder andere: driehoeksborden; spandoeken; billboards; weilandborden; reclame op voertuigen; reclame op rotondes. reclame- of aankondigingsborden (driehoeksborden/sandwichborden) en spandoeken; reclame- of aankondigingsborden en spandoeken zijn onder bepaalde voorwaarden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.1 Billboards Het meest voorkomende formaat reclamebord is (circa) 240 centimeter hoog en 330 centimeter breed, die vooral langs in- en uitvalswegen geplaatst zijn. Behalve borden met een \"vaste\" reclame-uiting bestaan er borden met wisselende boodschappen. Hierbij bestaat het paneel uit een aantal driezijdige balken, waarbij afwisselend drie verschillende reclame-uitingen vertoond kunnen worden, of uit een omhoog en omlaag draaiende film waarop de reclame-uitingen bevestigd zijn. Billboards zijn in alle deelgebieden niet toegestaan, daar zij het uiterlijk schaden van de gemeente Oldebroek. Hierdoor wordt ook de kwaliteit van de openbare ruimte aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.2 Weilandborden Het meest voorkomende formaat reclamebord is (circa) 240 centimeter hoog en 330 centimeter breed, die vooral langs in- en uitvalswegen geplaatst zijn. Behalve borden met een \"vaste\" reclame-uiting bestaan er borden met wisselende boodschappen. Hierbij bestaat het paneel uit een aantal driezijdige balken, waarbij afwisselend drie verschillende reclame-uitingen vertoond kunnen worden, of uit een omhoog en omlaag draaiende film waarop de reclame-uitingen bevestigd zijn. Weilandborden zijn in alle gebieden niet toegestaan, daar zij het uiterlijk schaden van de gemeente Oldebroek. Hierdoor wordt ook de kwaliteit van de openbare ruimte aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.3 Reclame rotonde Op 9 juli 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om bedrijven te benaderen voor het overnemen van het beheer en onderhoud van rotondes in onze gemeente. Dit op basis van een contract. In het contract zijn de volgende voorwaarden opgenomen met betrekking tot reclame :</p>\n<p class=\"lf-p\">Per rotonde maximaal twee borden, met ieder een grootte van maximaal 70 cm breed, maximaal 50 cm hoog en waarbij de bovenkant van het bord niet hoger reikt dan 70 cm boven het maaiveld. De borden moeten minimaal 1 meter uit de rand van de verharding worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De borden mogen niet worden verlicht en mogen niet worden voorzien van fluorescerende of reflecterende materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opdruk moet in tekst en/of beeld slechts de bedrijfsnaam, logo of bedrijfsslogan bevatten met eventueel een verwijzing naar beheer en onderhoud van de rotonde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De borden mogen niet de werking of zichtbaarheid ontnemen van of verwarring veroorzaken met bewegwijzering, openbare verlichting en verkeersboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen reclame worden gemaakt voor tabak en/of alcohol. Evenmin mag reclame worden aangebracht die naar het oordeel van gemeente Oldebroek naar vorm en inhoud in strijd is met de openbare orde of goede zeden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Handhaving Handhaving is een belangrijk instrument in handen van de gemeentelijke overheid. Door een consequent handhavingsbeleid kan de aantasting van de kwaliteit van de leefomgeving, de openbare ruimte en de natuur grotendeels worden voorkomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.1 Handhavingsmiddel Deze reclameverordening is alleen gericht op reclame-uitingen binnen de gemeente Oldebroek om te beoordelen welke reclame-uitingen voldoen aan de bepalingen. Wanneer een reclame-uiting niet voldoet, heeft de gemeente de mogelijkheid om handhavend op te treden. Ieder jaar wordt het Handhavingsuitvoeringprogramma vastgesteld. Hierin wordt onder andere weergegeven wat er komend jaar op de planning staat en wat de prioritering is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dit beleid is vastgesteld zal moeten worden gekeken of het middels een gebiedsindeling en fasering mogelijk is om controles uit te voeren, zodat eventueel een gefaseerde aanpak mogelijk is. Dit daar de uren qua controles handhaving beperkt zijn en deze dus gespreid moeten worden ingezet. Er zal dan ook gewerkt gaan worden aan de hand van een plan van aanpak.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Belastingen Precariobelasting Volgens artikel 228 van de Gemeentewet kan de gemeente een precariobelasting heffen voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Momenteel heft Oldebroek precariobelasting voor het innemen van grond voor uitstalling van te verkopen artikelen of eetwaren op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, anders dan op de week- of jaarmarkt. Met ingang van 2013 wordt in de gemeente Oldebroek ook precariobelasting geheven voor buizen, kabels, draden en leidingen. De precariobelasting kan eventueel uitgebreid worden met een heffing over meerdere zaken onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, zoals terrassen en luifels.</div>\n<p class=\"lf-p\">Reclamebelasting Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan de gemeente een reclamebelasting heffen voor openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Deze belasting wordt niet in de gemeente Oldebroek geheven. De raad kan beslissen dat bepaalde aankondigingen vrijgesteld zijn van reclamebelasting, bijvoorbeeld aankondigingen op verkeersborden of politieke aankondigingen ten tijde van de (gemeenteraads-)verkiezingen. Reclamebelasting kan in de gehele gemeente geheven worden of alleen in een deel van de gemeente. De opbrengst van de reclamebelasting kan naar de algemene middelen van de gemeente gaan, behalve als er afspraken zijn in het kader van een ondernemersfonds. Invoering van reclamebelasting voorkomt dan dat zogenaamde freeriders niet meebetalen aan activiteiten en voorzieningen, omdat de reclamebelasting voor iedereen geldt. Daarnaast kan deze belasting een regulerend karakter hebben door het opwerpen van een financiële drempel voor openbare aankondigingen. Het is mogelijk om in een verordening aankondigingen waarvoor al precariobelasting wordt betaald uit te sluiten van de reclamebelasting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. Wegen en water</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7.1 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikel 2a van de WVW 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 (bromfietsverbod Sneek), HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 (rijverbod Schiermonnikoog) en ARRS 05-03-1981, Gst. 1981, 6678 (rijverbod Vlieland). De raad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer op wegen – ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49).</p>\n<p class=\"lf-p\">Variant 1 (Algemene regel met ontheffingsmogelijkheid) In variant 1 is een breed gestelde algemene regel opgenomen in plaats van een vergunningstelsel. Deze variant heeft de voorkeur van de VNG. De raad maakt met het overnemen van deze variant een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid. In de praktijk wordt er ook niet vaak handhavend opgetreden tegen voorwerpen die strikt gesproken alleen met vergunning op of aan de weg zouden mogen staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een concretere invulling van het begrip hinder voor het verkeer is in het tweede lid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is de bevoegdheid voor het college opgenomen om nadere regels te stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. Dit artikellid is ook opgenomen omdat veel gemeenten niet met een horeca-exploitatievergunning werken, en dus niet langs die weg een vergunning afgeven. Terrassen zijn dan alleen nog maar gereguleerd door de brede algemene regel van artikel 2:10. Dat is voor veel gemeenten een zeer verregaande stap. Daarom kan het college op grond van het derde lid regels stellen over omvang, de vrije doorgang voor verkeer, voetgangers en hulpdiensten en de sluitingstijden. Ook bestaat er soms vrees voor een wildgroei aan uitstallingen. Verder kunnen voor op of aan de weg geplaatste reclames nadere regels worden gesteld. De opsomming in het derde lid kan natuurlijk desgewenst worden aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke optie is ook denkbaar voor alle voorwerpen. Dan ontstaat in plaats van een vergunningstelsel een algemene regel die in detail voorschrijft wat er wel en niet is toegestaan. Een aantal gemeenten heeft daarvoor gekozen. Nadeel van die aanpak is dat zo’n regel onvermijdelijk een uitvoerig stuk wordt, omdat voor een heel scala aan voorwerpen (bloembakken, uitstallingen, bouwsteigers, straatmeubilair, et cetera) moet worden omschreven waar en hoe ze kunnen worden geplaatst, en wat de omvang mag zijn. Ook is het heel goed mogelijk dat de regel niet overal in de gemeente dezelfde zal zijn. Het zal duidelijk zijn dat zo’n regel zo afhankelijk is van de lokale situatie, dat die niet als model door de VNG kan worden aangeboden.</p></div>", "next": 239176}