{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet vere-nigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensenWat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdu-rend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedu-rende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblij-ven van dezelfde mensen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouwproducten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elek-triciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nage-noeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot ge-bouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken die de grond niet rakenHierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpan-dige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan ech-ter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreinigingBurgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de ge-meenten die daartoe zijn aangewezen, (zie website ministerie VROM site: www.vrom.nl/pagina.html wet+bodembescherming; Besluit aanwijzing bevoegdgezagge-meenten Wet bodembescherming) volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijkIndien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevings-vergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waar-bij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvul-lende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerk-zaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwenNiet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal over-zichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:- de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht;- de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;- de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aan-gebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kun-nen op grond van dit artikel worden afgedaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</h3>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenOp 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit para-graaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd.Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan.De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn gere-geld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplanArtikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbe-treffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '...,tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat be-stemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouw-kundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestem-mingsplan aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverorde-ning tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet ruimtelijke ordening (Wro)De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de bouwveror-dening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3 (Bereikbaarheid bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A ( Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven deze artikelen vooralsnog in de MBV bestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Anti-cumulatiebepalingDeze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in een be-stemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden.Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald, dan cor-respondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan - ingevolge artikel 5, lid 4 van de Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de Postwet 2009 berust - een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.Een publiekrechtelijke regeling (met een meldingsplicht voor het aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door gang-bare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's, brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets dergelijks is eveneensafgestemd op het gebruik door genoemde gangbare vrachtauto's.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de plaatselijke brand-weer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de Brandweerwet 1985. B&amp;W hebben de zorg voor de openbare (brand)veiligheid en zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor de openbare bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare bluswatervoorziening (de bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare bluswatervoorziening. Te denken valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval kan van de gemeente geen bluswaterleiding worden ge-vraagd, dit gaat de zorgplicht te boven. De bouwer moet dit zelf regelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenHet onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit die betrek-king hebben op de toegankelijkheid van gebouwen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-255-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ligging van de voorgevelrooilijnHet bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:- bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;- bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;- bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijnHoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die - behoudens toegela-ten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opge-nomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijnDoor de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschie-denis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van ver-gunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000,26 734, nr. 6, p. 18) De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de voorgevel-rooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergun-ning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevel-rooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uit-breiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderin-gen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illu-streren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversie-ringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins uitstekende schoor-steenwanden en hemelwaterafvoeren;2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversie-ringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hier-voor onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwe-gen daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vul-len met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, ad bDeze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen op de wegArtikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De vermel-ding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten.Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2510-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder aBij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder fHieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende zolderverdiepingen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder gDeze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2511-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Ligging van de achtergevelrooilijnZie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, onder aDeze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijnHoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als een - verboden -overschrijding van de achtergevelrooilijn. Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn nor-maliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2513-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijnArtikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk vergun-ningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergun-ning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2514-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijnNaast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod de ach-tergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a en gVoor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op bedrijfs-technische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2515-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erf bij woningen en woongebouwenHet erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de 'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit. Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruim-schoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatst-genoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumaf-stand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief voor het be-paalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel Lid 3 b, onder 1Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 b, onder 2Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erf-grootte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 b, onder 3Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de func-tie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2516-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erf bij overige gebouwenNaleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht Lid 2, onder a en bWanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere geval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2517-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte tussen bouwwerkenDeze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereik-baar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte tussen bouwwerkenDeze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2518-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Erf- en terreinafscheidingenArtikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke voor-schriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverorde-ning. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in het eer-ste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2519-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingenHet eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van opstal geves-tigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen betekenis. In veel bestemmings-plannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2520-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouw-werken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglicht-toetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoog-te bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gediffe-rentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooi-lijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende bouw-werken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriften-stelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tus-sen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel gediffe-rentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebie-den (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2521-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijnZie ook de toelichting op artikel 2.5.20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1 Lid 2De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende achter-gevelrooilijn ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevel-rooilijn op de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2 Lid 2De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende achter-gevelrooilijn ontbreekt. De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevel-rooilijn op de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2522-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijnZie figuur 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2523-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1 Lid 2De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2 Lid 2De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2524-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke ver-diepingshoogte -overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7, genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21. Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw gebruike-lijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag. Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn nor-maliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2525-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinenHet onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op binnenterreinen van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2526-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van meten van de hoogte van bouwwerkenZie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2527-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ad aDe strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrij-ding van de toegelaten hoogte. Ingevaldeze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet logischom het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad bDeze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toe-passing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2528-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwver-ordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad e, onder 1Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2529-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofd-stuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervan-gende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsrege-ling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.Sub a.Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9 Wabo van toepassing is Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 WaboDe aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden aangehou-den. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toe-gelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. 'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de afwijking te on-derbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub d.De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub e.In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede ruimtelijke onder-bouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2530-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenMet de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt.In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft be-staan, ook indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1 Lid 1Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten locatie(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder wordt ver-staan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer, namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij het betrokken gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoe-kers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale verkeer- en vervoerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kerncijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen par-keerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voorverkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25 juli 2008. Verkrijgbaar op CDrom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Wateren Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omge-vingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen om-gevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeve-ling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bijvoorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van de leden 1, 2 en 3. De ver-plichting in die leden om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder ei-gen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen par-keervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden – artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbe-sluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Ad aDe mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de eis in het eer-ste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval dat in de nabijheid een gemeen-schappelijke of openbare parkeergarage aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevings-vergunning te verlenen in afwijking van de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer be-doeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële voorwaarden vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30 MBV.Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de ontheffingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:1. Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus 1998 Parkeergelegenheid SchagenVraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein in de parkeerbe-hoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden verbonden. Art. 2.5.30 Bouw-verordening:</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft om door middel van het ver-binden van een financiële voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een tegemoetko-ming of een compensatie te verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of vrijstelling in het algemeen belang tot het hef-fen van een geldbedrag noopt.Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde van rechtsbescherming meer aan-vaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond van art. 2.5.30 MBV.(zie de losbladige uitgave \"Standaardregelingen in de bouw\", deel 1, blz. AIII/2.5-101).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is toegestaan onder enkele voorwaarden:a. de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling van de wet-telijke bepaling waarop de vergunning berust;b. de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een geldbedrag;c. de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de parkeer-norm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak: ' dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de onthef-fing betrekking heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m accep-tabel is voor het parkeren van bezoekers, kan niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal worden aange-wend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen dat de ontheffing in strijd met arti-kel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening is verleend. ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan aan het in die bepaling gestel-de vereiste dat verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de no-dige parkeerruimte wordt voorzien.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffen-de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.' Ad bDe mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik van de afwij-kingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en biblio-theken. Niet hoeft te worden afgeweken, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegen-heid is op de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2 Lid 1Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig minimumaan-tal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoe-kers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neerge-legd het lokale verkeer- en vervoerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum aantallen par-keerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen om-gevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeve-ling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bijvoorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouw-verordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeer-vakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, ad aDe mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder ei-gen dak te maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-271-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eis tot aansluiting aan de waterleidingDe plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet in dat het water-leidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater.De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten con-tract. De voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzon-derlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater wordt toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bijzijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-272-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetDe plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aanslui-ting aan het elektriciteitsnet’</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-273-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op gas wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig is. In de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten, waar wordt aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas koken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder bHet verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in het eerste lid is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebrui-ken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de ge-meenteraad geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economi-sche brandstof noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder cVan het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming, indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarmingKostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel gewenst om de aanslui-ting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-274-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1 AlgemeenDe gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de Wet Milieubeheer, de Wet bodembescher-ming en de Waterwet richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het Handboek Water: www.infomil.nl/handboekwater.Met het oog op vermindering van de belasting van het milieu en van het bestaande riole-ringsnet kan in bepaalde gebieden of in een hele gemeente verplicht worden gesteld dat hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Deze plicht is niet ge-baseerd op de bouwverordening, maar staat in een afzonderlijke gemeentelijke verordening. De VNG heeft hiervoor de Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater opgesteld en oer ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr. 09/091 aan de gemeentebesturen toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1 van de Wabo gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel 13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder be-draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene regels (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en regelen alle lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit betreft drie amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep:1. het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat uitsluitend van toe-passing is op lozingen vanuit particuliere huishoudens;2. het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, en3. het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het grootste deel van de resterende lozingen in geregeld worden. Dit besluit is nog in ontwerp en zal in 2010 van kracht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog geregeld met vergun-ningen. Bij lozing in het oppervlaktewater is dat de watervergunning, bij lozing in het riool de Wabo -vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van de lozing) staan de besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of de bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor deze lozingen opgenomen, voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater kan dan bijvoorbeeld een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding het huishoudelijk afvalwater te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De afvoer van het hemelwater van dak en terrein kan afhankelijk van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het Gemeen-telijk Rioleringsplan (GRP), geloosd worden in het oppervlaktewater, de bodem of een spe-ciaal daartoe aangelegd hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar dezelozingen aan moeten voldoen staan in de hiervoor genoemde besluiten onder ‘Algemeen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b genoemde uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het Nationaal pakketDuurzaam bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder aNaast het geven van aanwijzingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de te realise-ren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:a. om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering wordt aangesloten;b. om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, onder bVoor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een rioolwaterpomp op het riool wordt ge-loosd. In sommige gevallen dienen dan tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van het riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de 'hogere regelgeving' – hier-voor genoemd onder ‘Algemeen’ - is nog meer dan voorheen duidelijk dat de bouwverorde-ning niet gaat over het lozen, maar uitsluitend over de aansluitplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder aDeze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4, onder bHet bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot aansluiting aan het open-bare riool. Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat het huishoudelijk afvalwa-ter geloosd wordt in de mestkelder en gezamenlijk met de mest wordt uitgereden over het land onder de meststoffenregelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2 Lid 1Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 tot en met 4Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-275-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 1 Lid 1, onder cHet verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen erop te wijzen dat de lozingen van afvalwater, via alle lozingsroutes, zijn geregeld met alge-mene regels volgens de amvb’s genoemd in toelichting bij artikel 2.7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, onder dIn het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk hemelwater te worden aan-gesloten. Indien geen lozing op een waterloop met behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke andere oplossing moeten worden gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alternatief 2 Lid 2, onder bDe voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voe-gen om op deze wijze zo veel mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grond-waterpeil en het tegengaan van verdroging van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens, (www.isso.nl/producten/isso-winkel/ ).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van de omgevingsvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige bodem-gesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3, onder bOm verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gege-ven, maar hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de ter zake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kan het be-voegd gezag afwijking toestaan van de verplichting tot het aanbrengen van een infiltratie-voorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank) daarop geen afvoerlei-dingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-276-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d. voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is verschenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, 'Binnenriolering in woningen en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op binnens-huis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk AlgemeenDit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk of een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3 van de Wabo staat (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden te-gen de instandhouding van een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of in afwij-king van een omgevingsvergunning Structuur van de voorschriftenHet merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het bouwtoezicht of anderen moge-lijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en met 4.6 en 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek ge-richt op het bouwafval. Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14 MBV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving van de voorschriftenDe voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond van artikel 7b van de Woningwet recht-streeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting bij Hoofdstuk 11. Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheidenHoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht opgenomen om op het bouw-terrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is voorgeschreven. De tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen Sub aOnder het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ in de zin van dit artikel vallen te-vens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub bDeze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij voorbeeld beschikkingen van de rijks- of provinciale overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub dHet aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid, onder b. van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en art. 2.1, derde lid van de Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitzetten van de bouwDe woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld bij een verbouwing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamhedenDe strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot tijdige controle Lid 1, sub aIndien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het aanbeveling het regi-onale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze wet. Zie: www.kadaster.nl/KLIC .</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te verlangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingenDit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de gemeente Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onder-zoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit artikel van de bouwverordening toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bemalen van bouwputtenHet belang dat hier wordt gediend is de kwaliteit van funderingen en daarmee de veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. Het motief van het bepaalde in dit artikel is aanvullend op de doel-stelling van de Waterwet. De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een belangrijk gevolg van deinvoering van de Waterwet is dat de huidige vergun-ningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning: de watervergunning In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten onder algemene regels vallen.In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van de vergunningen-procedure. Bevoegd gezag voor de verlening van de watervergunning zijn het waterschap voor het regionale watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem en de provin-cies voor drie specifieke categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties. Als de aanvraag om een watervergunning betrekking heeft op handelingen waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de beslissing op de aanvraag in beginsel genomen door het hoogste bevoegde gezag. De Waterwet geeft Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen wel de mogelijkheid in voorkomende gevallen te regelen dat een ander bestuursorgaan bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een handreiking ontwikkeld (‘Handreiking samenloop bevoegdheden Waterwet’).</p>\n<p class=\"lf-p\">De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. Het zijn afzon-derlijke vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket, Omgevingsloket online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente is aangemerkt als het overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de watervergunning, ook al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor een watervergunning kan echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op grond van de Waterwet worden ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of waterschap).Overigens kan ook de aanvraag om een omgevingsvergunning bij de provincie worden inge-diend als niet de gemeente maar de provincie bevoegd is op die aanvraag te beslissen. De aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom is het verstandig dat waterbeheerders, provincies en gemeenten afspraken maken over de onderlinge afstemming. De wettelijke termijnen moeten immers in acht worden genomen, waardoor snel handelen noodzakelijk is. Zo zal een via de gemeente binnengekomen aanvraag om een watervergunning direct aan de waterbeheerder of de provincie moeten worden doorgezonden.Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid op het bouwterreinDit voorschrift betreft de veiligheid van voorbijgangers en belendingen. Zie ook artikel 2.4 van de Regeling omgevingrecht (Mor) dat regels bevat over het indienen van een bouwveiligheidsplan Lid 1De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die bij voor-beeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de veiligheid vanelektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 en 3Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afscheiding van het bouwterreinHet afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde lid, dat een niet afgescheiden bouw-terrein moet worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking: permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer. De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn gewaarborgd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinderDe bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor de omgeving te voorkomen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwafval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenDit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist geen rege-ling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval. Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met ander afval. a Gevaarlijke afvalstoffenGevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemo-box doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van huishoudens. b en c Glaswol en steenwolGlaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een stevige zak met een in-houd van 1 m3) of een zak van 200 liter. De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is inge-steld om geen onevenredige kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevings-vergunning is verleend. Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn. d Overig afvalVoor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De onderhavige overige afvalstoffen moe-ten worden afgevoerd naar een inrichting die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer is iets afval?Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acceptatievoorwaarden en marktwerkingDe verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe te passen. De markt-partijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van economische motieven be-sluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam overslagbe-drijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot ontvangst van de afvalstoffen.Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfs-afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen daarin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvoeren en overdragen van bouwafvalDe formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het mengen van reedsuitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grondvan de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij sorteerbedrijven en gemeentelijkemilieustraten, veelal ook op zaterdag-morgen.Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest, waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel over bouwafval niet genoemd, om-dat het als bouwmateriaal niet meer is toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugleveren aan de leverancier of fabrikantEr zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de regel dat op de bouw-plaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrich-ting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">SorteerinrichtingAfvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is - voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar een sorteerinrichting, die be-voegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te ontvangen.Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn voor de certifice-ring van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Hierin worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LD-PE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en kunststofleidingbuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting. Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen van gipsblokken en gipskartonpla-ten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het niet operationeel zijn van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen.Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de Stichting KNAPZAK (www.knapzak.nl) nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van transporteurs als van sor-teerbedrijven in voor reclycing.De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven voor ver-werking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van Kunststofleidingsyste-men (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een ver-werkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband (PPmaterialen) is operatio-neel bij B &amp; R Recycling BV te Middelharnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mee terugnemen naar de werfUitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht, de aan-nemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen naar zijn bedrijf voor tij-delijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een omgevingsvergunning is vereist op grond van de Wabo. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele specifieke begrippenMet de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid van een om-gevingsvergunning ingevolge de Wabo. Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het terrein - worden ge-scheiden van het overige bouwafval. In een later stadium scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaar-lijk afval gaat moet beschikken over een adequate omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing. Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL) voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">VergunningvoorwaardenHet is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te ver-binden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het vierde lid van artikel 2.22 Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met een brand- of ex-plosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron.Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamhedenDe gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen spoedig daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat het verbod een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de Woningwet vloeit voort dat de voorschriften omtrent het gebruik in de bouwverordening geen betrekking kunnen hebben op het gebruik in planologische zin, doch uitsluitend op het veilig en verantwoord gebruik van gebouwen Lid 1Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief moge-lijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het opmetselen van het bui-tenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn van twee da-gen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod tot ingebruiknemingOp aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank Leeuwarden van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot ingebruikneming van een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw ingevoerd. Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten aanzien van het niet gereed melden.Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel 4.12 MBV genoemde gevallen. Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in gebruik nemen van onvol-tooide bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle noodzakelijke bouwtechnische voorzie-ningen zijn aangebracht (ABRvS, 23 december 2009, LJN: BK7451).5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</h3>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenIn deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aan-vraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek fungeren de eisen als een toetsvoor aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het ge-bruik daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Staat van onderhoud van open erven en terreinenVan een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake, indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetre-ding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. BrandblusvoorzieningenZie de toelichting op artikel 2.5.3</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicaptenZie de toelichting op artikel 2.5.4</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eis tot aansluiting aan de waterleidingZie de toelichting op artikel 2.7.1.Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom waarin het bevoegd gezag het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een binnenhuisin-stallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt.Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het bevoegd gezag de aanwezigheid van een alternatieve voor-ziening voor het betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput, regenbak of watertank Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetZie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eis tot aansluiting aan het aardgasnetZie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eis tot aansluiting aan de openbare rioleringZie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang - op grond van het Lozingenbesluit bodem-bescherming - het afvalwater in de bodem mag worden geloosd met behulp van in dat be-sluit voorgeschreven voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de ge-noemde voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluiting anders dan aan de openbare rioleringZie de toelichting op artikel 2.7.5</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">PreventieOnreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk zich moet bevinden. Dit arti-kel heeft rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een be-sluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te gaan.7 Overige gebruiksbepalingen AlgemeenDe Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde. De wet noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overbevolking van woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenDit artikel berust op artikel 8, tweede lid van de Woningwet. Het is bedoeld om in uitzonder-lijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist, van gemeentewege een handhavingsbe-sluit te kunnen nemen tot een gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te balanceren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit onderwerp ook de Huisvestingswet. Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m² gebruiksoppervlakte, met dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten minste 12 m² gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.' Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht wenselijk en mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">NormstellingDe normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijk-heden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede ingegeven door de soepele voor-schriften van het Bouwbesluit over de minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimtevolgens het Bouwbesluit blijkt 5 m² netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere verblijfsruimten circa 4,5 m². Bovendien is de normstelling zo gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschap-pelijke ruimten. Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overbevolking van woonwagensDe normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en gebruiksmogelijk-heden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Staken van het gebruik</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van gebruikAanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de Woningwet is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een ver-bod te stellen tot het gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwval-lig bouwwerk is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in artikel 7.2.2 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd gezag. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningsplicht nachtverblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeela, genoemde aantal personen af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouw-verordening vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">HinderArtikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks handhaafbaar op grond van artikel 7b van die wet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bijvoorbeeld door radio- en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderenvan asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevin-den dat het risico van verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende materialen die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouw-werk en het erf of terrein en de aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage. Een overtreding van het Bouwbesluit is niet aanwezig of is onvoldoende aantoonbaar.In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te rechtvaardigen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-741-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">PreventieDit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Watergebruik</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-751-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden gebruik van waterHet hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de beschikking heeft genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 en 7.2.2</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6 Installaties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-761-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksgereed houden van installatiesIn het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of de ge-bruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bijvoorbeeld een huurder, kan over nalatigheid klagen bij de ver-huurder en dit kan worden aangemerkt als een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onder-houd en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor portiekver-lichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de veiligheidsaspecten van gewo-ne personenliften, in principe geregeld in het Warenwetbesluit liften, dat op de Warenwet berust.8 Slopen AlgemeenHet hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit hoofdstuk gaat over de omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afval-stoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daar-op verwijzen wij hier.De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in artikel 7.2 van de Mor.Planologische sloopvergunning. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloop-vergunning, die wij hier ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’ – uit de bouw-verordening en uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische sloopvergunning’. De planologische sloopvergunning kan door de raad van een gemeente in een bestem-mingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets verplicht, maar biedt deze mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de planologische gevolgen van sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op de locatie die door het slopen vrij komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">AsbestHet Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking voor de burger. Het besluit bevat een op-dracht aan de gemeenteraad tot regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voor-schriften van de bouwverordening zijn bindend voor de burger. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).Voor meer informatie en publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar: www.infomil.nl\\asbest.</p>\n<p class=\"lf-p\">IncidentHet optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak asbestbranden”. Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak. Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de bij het incident passende spoed te gebeu-ren.</p>\n<p class=\"lf-p\">CertificeringDe certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De instantie die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting Certificatie Asbest, www.ascert.nl De oude Beoor-delingsrichtlijnen (BRL) die van toepassing waren op de sloop van asbest zijn vervangen door certificeringsschema’s voor asbestinventarisatie (SC 540) en asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in Stcrt. 2008, nr. 57, p. 9). Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbe-sluit 2005.RisicoklasseBij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toe-passing van de arbo-regels. Zij is nietaan de orde bij de sloopvergunning.De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensivering van de handhavingLangs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de handhaving van de sloopvoorschriften. Voor diverse publicaties wordt verwezen naar www.infomil.nl.Ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp treft u aan op www.vng.nl .</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning voor het slopenDe Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis voor deomgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich mee, dat de term sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning voor het slopen of wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest gaat omgevingsvergunning voor het slopen van asbest Ontvangstbevestiging en mededeling procedureDe huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag als bewijs van ontvangst is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en derde lid Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van een aanvraag onverwijld de bevestiging wordt verzonden en dat eveneens onverwijld een mededeling over de te volgen procedure wordt verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt afgevoerd. Daar-om is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen asbest bevattend - minder dan 10 m³ - een algemene eis geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van niet-ingrijpende interne verbouwingen.Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Een ondergrens van 10 m³ voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met een gangbare contai-nermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op de sloopplaats kan worden ge-controleerd. Een gewicht is ter plekke niet te controleren. Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10 m³ komen is een te opvallende methode van ontduiking van de vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor het slopen. Onder 10 m³ sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden. Tevens be-perkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering. Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwer-pen genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</p></div>", "next": 238931}