{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsi­die wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestel­de subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het college binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.1.5.Laboratorium- en designstad 2006-2008. -vervallen- Sub-paragraaf3.1.6.Incidentele subsidies Cultuur 2009. -vervallen- Sub-paragraaf3.1.7.Incidentele subsidies Urban Culture.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Urban Culture: een straatcultuur-sport van jongeren die typerend is voor de hedendaagse samenleving in Eindhoven en Regio; activiteiten: inhoudelijke activiteiten in het kader van Urban Culture; jongeren: leeftijdsgroep van 10-35 jaar; publieksbereik: het actief bereiken van publiek; media: een communicatiemiddel ten behoeve van publieksbereik; overheadkosten: kosten die niet direct betrekking hebben op de activiteit; overige inkomsten: andere inkomsten dan de aangevraagde subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele exploitatie subsidie verlenen voor activiteiten op het gebied van Urban Culture.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de in het eerste lid genoemde activiteiten geldt dat in ieder geval aan één van de hieronder genoemde criteria, welke onderdeel zijn van de speerpunten uit het raadsprogramma Actieve Jeugd/Kunst &amp; Cultuur, wordt voldaan, te weten: professionalisering van de initiatieven; of verankering van Urban Culture in de stad Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor alle activiteiten als bedoeld in het eerste lid geldt dat deze dienen plaats te vinden in Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien subsidie wordt aangevraagd voor € 5.000,-- of meer geldt voorts dat er sprake moet zijn van minimaal twee bronnen van overige inkomsten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een aanvrager reeds subsidie ontvangt voor haar reguliere activiteiten wordt de subsidie geweigerd, tenzij de activiteit waarvoor subsidie in het kader van deze paragraaf wordt aangevraagd afwijkend is dan wel een extra impuls geeft ten opzichte van de reguliere activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een aanvrager voor hetzelfde evenement of activiteit meerdere subsidies aanvraagt, wordt slechts één aanvraag in behandeling genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In één boekjaar worden maximaal drie subsidies per aanvrager in het kader van deze paragraaf verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Subsidie wordt eveneens geweigerd indien blijkt dat: de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd georganiseerd wordt van­uit een winstoogmerk; of de markt verzadigd is met betrekking tot de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen slechts in aanmerking rechtspersonen gevestigd in Eindhoven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, met betrekking tot de in te dienen gegevens voor de subsidieaanvraag, dienen door de subsidieaanvrager de vol­gende gegevens te worden overlegd: een activiteitenplan; een begroting waaruit blijkt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dekking van de totale kosten van de activiteit; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>specificatie van de overige inkomsten; een bewijs van inschrijving uit het handelsregister van de Kamer van Koop­handel en Fabrieken en een afschrift van de statuten.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld aan­vraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1met betrekking tot de indieningtermijn aanvraag, worden de aanvragen, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, tenminste acht weken voordat de activiteit plaatsvindt ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de beslissing op de aanvraag beslist het college binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag voor activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt gehanteerd een maximaal bedrag van € 15.000,-- ter dekking van het exploitatietekort van de activiteit waarbij maxi­maal 20% van het subsidiebedrag naar rato aan overheadkosten worden toe­gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Niet subsidiabel zijn kosten in het kader van prijzengelden en –bekers zijnde cadeaubonnen, geldprijzen, startgelden of consumptiegoederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten be­trekking op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsi­die wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 95% op de verleen­de subsidie. Dit voorschot wordt binnen vier weken na het besluit tot verlening aan de subsidieontvanger overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de vaststelling van de subsidies vindt verrekening plaats met reeds uitbetaalde voorschotten en wordt het eventuele restant binnen zes weken na de vaststelling uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger van een subsidie dient een aanvraag tot subsidievaststel­ling in bij het col­lege binnen 12 weken na afloop van de activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot het overleggen van gegevens bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie, verstrekt de subsidie­ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling de volgende gegevens: een inhoudelijk verslag van de activiteit; een financieel verslag en afrekening;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanvraag tot vaststelling geschiedt middels een door het college vastgesteld formulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12</span><span class=\"lf-art-t\">Duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf komt te vervallen op 1 januari 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.1.8.Projectsubsidies Cultuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: activiteiten: inhoudelijke activiteiten in het kader van podiumkunsten, beeldende kunst en vormgeving, Urban Culture en cultuurhistorie; overheadkosten: kosten voor huisvesting, personeel en bureaukosten; artistieke kwaliteit: het hebben van een aantal unieke eigenschappen verbonden aan het voorwerp of de activiteit zijnde: diepgang en verdieping of; non-conformistisch en confronterend of; het hebben van een eigen karakter of; aanzetten tot nadenken, te maken hebben met zingeving of; vernieuwing en zeggingskracht wat leidt tot reflectie en nieuwe inzichten. vormgevers: natuurlijke personen die een opleiding hebben genoten op het gebied van vormgeving en een beroepspraktijk in die richting willen opbouwen of hebben opgebouwd; kunstenaars: natuurlijke personen die: die een opleiding hebben genoten aan een erkende kunstopleiding of; ruime ervaring hebben in het professionele kunstcircuit aantoonbaar door exposities, publicaties, voorstellingen, projecten met voldoende artistieke kwaliteit; creatieve industrie: combinatie van creatieve arbeid en ondernemerschap die producten voortbrengen die naast hun een functionele vorm ook een culturele meerwaarde hebben; cultureel ondernemerschap: een werkwijze die erop gericht is zoveel mogelijk kunstzinnig, artistiek-cultureel, zakelijk en maatschappelijk rendement te halen uit culturele activiteiten; podiumkunsten: muziek, dans, theater, musical of opera; beeldende kunsten: schilder- en tekenkunst, grafische kunst, beeldhouwkunst, fotografie, kunst in de openbare ruimte; vormgeving: grafische en industriële vormgeving, mode, interieurontwerp en ruimtelijke vormgeving; cultuurhistorie: musea, archieven, volkscultuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Urban Culture: een straatcultuur- sport van jongeren die typerend is voor de hedendaagse samenleving in Eindhoven en Regio; publieksbereik: het op een doordachte, passende en zinvolle wijze bereiken van mensen met de resultaten van het creatieve proces of met het creatieve proces zelf; breed publiek: publiek van uiteenlopende samenstelling qua leeftijd, achtergrond en interesse; specifiek publiek: publiek van deskundigen, collega-makers of kunstliefhebbers; adviseur: lid van de adviescommissie Projectsubsidies Cultuur waarin des­kundigen op het gebied van beeldende kunst en vormgeving, podiumkunst, cultuurhistorie en Urban culture zitting hebben en die het college adviseert ten aanzien van de aanvragen; tranche: periode die loopt van 1 januari van het betreffende jaar tot de eerstvol­gende vergadering van de adviescommissie. De volgende periode loopt vanaf de vorige vergadering tot aan de volgende vergadering van de adviescommissie; regio Eindhoven: gemeenten behorende tot het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven uitgezonderd de gemeenten Asten, Cranendonk, Deurne, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek en Someren;</p>\n<p class=\"lf-p\">DNA van Eindhoven: heeft betrekking op specifieke en onderscheidende eigenschappen van Eindhoven, zoals: licht, technologie en design; overige inkomsten: andere inkomsten dan de aangevraagde subsidie; subsidie S: waarderingssubsidie van maximaal €1.000,-; subsidie M: exploitatiesubsidie van minimaal €1.001,- en maximaal €5.000,-; subsidie L: exploitatiesubsidie van minimaal €5.001,- en maximaal €15.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele subsidie verlenen voor activiteiten op het gebied van beeldende kunst en vormgeving, podiumkunst, cultuurhistorie en Urban culture die bijdragen aan de ontwikkeling en versterking van het culturele klimaat in de stad Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid genoemde activiteiten hebben betrekking op een van de speerpunten: talentontwikkeling of; het versterken van de relatie tussen productie en presentatie of; versterking van de professionalisering van de culturele sector of; dragen bij aan de ontwikkeling van het cultureel ondernemerschap, ontwikkelingen in het kader van de creatieve industrie of anderszins aan de professionalisering van de deelnemende kunstenaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cultuur Totaal het ontsluiten van de cultuurhistorie van Eindhoven het stimuleren en zichtbaar maken van Urban Culture 3.Voor alle activiteiten als bedoeld in het eerste lid geldt dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voor podiumkunsten en beeldende kunst en vormgeving de activiteit artistieke kwaliteit dient te bezitten waarbij de mate van artistieke kwaliteit doorslaggevend kan zijn voor subsidieverlening en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voor cultuurhistorie de activiteit de geschiedenis van de stad Eindhoven op een originele manier dient te ontsluiten die past binnen het DNA van de stad en een relatie legt tussen het heden en verleden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voor Urban Culture de activiteit dient bij te dragen aan de professionalisering van de initiatieven of aan de verankering van Urban Culture in de stad Eindhoven en; de activiteit dient plaats te vinden in Eindhoven en; de activiteit van een aanmerkelijk belang is voor het Eindhovense culturele leven voor kunstenaars en publiek en; de activiteit een openbaar karakter heeft of wordt gevolgd door een openbare presentatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor het verstrekken van subsidie M en L geldt voorts dat er sprake moet zijn van minimaal 40% respectievelijk 60% aan overige inkomsten voor het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Aanvragen voor subsidie M betreffen kleinschalige projecten, met een vaak specifiek publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Aanvragen voor subsidie L betreffen grootschalige projecten die een breed publiek bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het college verleent subsidie in de vorm van een exploitatiesubsidie of een waarderingssubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Individuele natuurlijke personen komen alleen in aanmerking voor subsidie S.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvrager die reeds meer dan €150.000,- subsidie ontvangt voor haar reguliere activiteiten, wordt de subsidie geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanvrager die minder dan €150.000,- subsidie ontvangt voor haar reguliere activiteiten, wordt de subsidie geweigerd tenzij de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd afwijkend is dan wel een extra impuls geeft ten opzichte van de reguliere activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een aanvrager meerdere subsidies aanvraagt voor hetzelfde project wordt slechts één aanvraag in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen in aanmerking natuurlijke personen en rechtspersonen die gevestigd zijn in de Regio Eindhoven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, met betrekking tot de in te dienen gegevens voor de subsidieaanvraag, dienen door de subsidieaanvrager de vol­gende gegevens te worden overlegd: a. een activiteitenplan waaruit blijkt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bij welke van de speerpunten, zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, de activiteit aansluiting vindt en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aanleiding, doelstelling en motivatie van de activiteit en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het beoogd publieksbereik en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de publiciteitsdoelstelling; b. een begroting waaruit blijkt:dekking van de totale kosten van de activiteit en;specificatie van de overige inkomsten; c. een bewijs van inschrijving uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken en een afschrift van de statuten indien de aanvrager een rechtspersoon is.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De behandeling van de subsidieaanvraag, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, geschiedt in vier tranches per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvragen, zoals bedoeld in het eerste lid, moeten worden ingediend tenminste 6 weken voordat de activiteit plaatsvindt en tenminste 3 weken voor de vergadering van de desbetreffende adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aanvragen waarvan de activiteit plaatsvindt voordat de adviescommissie bijeenkomt worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aanvragen voor subsidie worden beoordeeld in vergelijking met andere aanvragen in de periode waarin ze zijn ingediend, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college binnen 3 weken na vergadering van de adviseurs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Alvorens het college beslist op de aanvraag vraagt het college advies aan interne en tenminste één externe adviseur(s) van de adviescommissie Projectsubsidies Cultuur die geselecteerd worden op expertise afhankelijk van de inhoudelijke kenmerken van een aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De adviseurs beoordelen de aanvragen aan de hand van de criteria, zoals opgenomen in artikel 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag voor activiteiten bin­nen het programma, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt gehanteerd: de overheadkosten zijn subsidiabel tot een maximum van € 3.000,-- (20% van het maximum subsidie of zoveel minder naar rato); een waarderingssubsidie van maximaal van € 1.000,-- (subsidie S); een exploitatiesubsidie van minimaal van € 1.001,-- euro en maximaal van € 5.000,--euro (subsidie M) ter dekking van het exploitatietekort van de activiteit; een exploitatiesubsidie van minimaal van € 5.001,-- euro en maximaal van € 15.000,-- (subsidie L) ter dekking van het exploitatietekort van de activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten be­trekking op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze subsidieparagraaf subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die een aanvraag hebben ingediend die gelijktij­dig met elkaar beoordeeld worden, groter is dan de op grond van de in het eer­ste lid vastgestelde subsidieplafonds, geeft het college prioriteit aan de aanvragen waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen méér aansluiten bij de uitgangspunten van deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Per tranche is een vierde deel van het beschikbare bedrag per jaar beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Waar binnen een tranche het subsidieplafond niet bereikt wordt, wordt het resterende bedrag automatisch meegenomen naar de volgende tranche.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 90% op de verleen­de subsidie wanneer subsidie M of L zijn toegekend. Dit voorschot wordt binnen 2 weken na het besluit tot verlening aan de subsidieontvanger overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de vaststelling van de subsidies M of L vindt verrekening plaats met reeds uitbetaalde voorschotten en wordt het eventuele restant binnen zes weken na de vaststelling uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie S wordt ineens uitbetaald binnen 2 weken na het besluit tot verstrekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot het overleggen van gegevens bij de aanvraag tot vaststelling van subsidie, verstrekt de subsidie­ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling de volgende gegevens: een inhoudelijk verslag van de activiteit; een financieel verslag en afrekening; een overzicht van het bereikte publiek; de gerealiseerde publiciteit middels overlegging van artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag tot vaststelling geschiedt middels een door het college vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vaststelling van een S waarderingssubsidie tot €1.000,- vindt op het moment van verlening van de subsidie plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden subsidies tot €5.000,- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vierde lid kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aan te geven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13</span><span class=\"lf-art-t\">Duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf komt te vervallen op 1 januari 2012 of zoveel eerder als besloten wordt deze paragraaf in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.2.Sport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.2.1.Sportverenigingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: vrijwillig sporttechnisch kaderfunctionarissen: personen die een sporttechnische op­leiding hebben genoten die het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft erkend, en zich op verenigingsniveau bezig houden met training/leiding van groepen zonder dat er sprake is van betaling. Deze personen worden ingezet voor het geven van deskundige training/leiding aan leden van sportverenigingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan ter stimulering van het beoefenen van sport in verenigingsver­band een duursubsidie verlenen voor het geven van deskundige training/leiding door een vrijwillig sporttechnisch kader aan Eindhovense leden tot en met 18 jaar en Eindhovense leden, die behoren tot de doelgroepen 55-plussers, etnische minderheden en gehandicapten indien en voor zover passend binnen het ge­meentelijk sportbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om in aanmerking te komen voor subsidie dient te worden voldaan aan de vol­gende criteria: de sporttechnisch kaderfunctionaris dient tenminste in het bezit te zijn van het diploma recreatiesportleider A of het diploma sportleider in een bepaal­de tak van sport; het geven van training/leiding dient plaats te vinden gedurende het gehele seizoen tenminste 90 minuten per week per groep aan tenminste twee groe­pen per jaar per vereniging volgens de in daarvoor geldende richtlijnen aan­gegeven groepsgrootte per trainer/leider per tak van sport. De richtlijn is als bijlage bijgevoegd. het gewogen gemiddelde van de contributie per lid van de sportvereniging dient tenminste € 39,40 (prijspeil 1 januari 2008) per jaar te zijn. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van het prijsniveau op basis van de begrotingsrichtlijnen van de gemeente Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van het minimumbedrag genoemd in het tweede lid, onder sub c in een bijzonder geval, ter beoordeling van het college, ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen slechts in aanmerking de in Eindhoven gevestigde sportvereni­gingen met tenminste 25 contribuerende actieve leden op de peildatum en die ge­bruik maken van Eindhovense sportaccommodaties. Voorts dienen zij aangesloten te zijn bij een door het college erkende landelijke en/of regionale overkoepelende sportorganisatie. Als peildatum geldt 1 januari dan wel 1 juli van het desbetreffende kalenderjaar, dit is afhankelijk van of het een winter- dan wel een zomersportvereni­ging betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gege­vens voor de subsidieaanvraag, dienen door de subsidieaanvrager de volgende gege­vens te worden overgelegd: een opgave van het aantal bevoegde, niet betaalde trainers of leiders, die gedurende het gehele jaar of seizoen naar verwachting tenminste 90 minuten per week training of leiding zullen geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet worden ingediend vóór 1 mei betreffende het lo­pende kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt € 136,13 per vrijwillig sporttechnisch kaderfunctionaris per jaar tot een maximum van 20 functionarissen per sportvereniging. Het bedrag wordt jaar­lijks aangepast aan de ontwikkeling van het prijsniveau op basis van het prijsindex­cijfer over het voorafgaande jaar voor weeklonen van overheidspersoneel van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij het niveau per 1 januari 2000 op 100 wordt gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van deze verordening subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tijdig een aanvraag hebben ingediend groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, wor­den de betrokken subsidies naar evenredigheid verminderd op grondslag van het subsidieplafond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 worden subsidies ambtshalve vastgesteld binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage: richtlijn overzicht van groepsgrootte per trainer/leider per tak van sport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tak van sport Groepsgrootte Alpinisme 10 Atletiek 15 Badminton 14 Bandy 10 Basebal/honkbal 18 Basketbal 12 Biljarten 10 Boksen 10 Bowling 10 Cricket 11 Dammen 10 Golf 10 Gymnastiek (geen turnen) 18 Gymnastiek ritmisch 18 Gymnastiek modern 12 Handbal 16 Handboogschieten 10 Hyppisch sport 10 Hockey 18 Gevechtssporten 16 Kano 15 Korfbal 18 Rolschaatsen/rolhokckey 14 Rugby 10 Schaatsen: kunstrijden 17 Schaatsen: toerrijden 15 Schaatsen: hardrijden 13 Schaken 10 Schermen 10 Tafeltennis 10 Tennis 10 Turnen 14 Voetbal 18 Volleybal 14 Wandelen 18 Waterpolo 14 Wielrennen 16 IJshockey 14 Zaalvoetbal 12 Zeilen 10 Zwemmen 14 Sub-paragraaf3.2.2.Bekers/prijzen sportevenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: evenementenorganisaties: (sport)organisaties welke niet-commercieel van aard zijn, die sportevenementen in Eindhoven organiseren in de volgende catego­rieën: internationaal topniveau (Wereld of Europees Kampioenschap dan wel verge­lijkbaar niveau); subinternationaal, nationaal niveau of (open-) Nederlands Kampioenschap; regionaal; of subregionaal of stedelijk niveau; beker of prijs: een blijvende herinnering gerelateerd aan het betreffende sport­evenement voor de winnaar en/of deel­nemers van het sportevenement niet zijnde cadeaubonnen, geldprijzen of consumptiegoederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan indien en voor zover passend binnen het gemeentelijk sportbe­leid een incidentele subsidie verlenen voor sportevenementen in de categorie a, b, c of d genoemd in artikel 1, eerste lid, welke voor Eindhoven van belang (kun­nen) worden geacht en waarbij de evenementenorganisatie bekers of prijzen ter beschikking stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Naast het bepaalde in het eerste lid, kan een evenementenorganisatie die een aanvraag indient voor een subsidie voor bekers en prijzen, zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, maximaal in aanmerking komen voor twee evenementen in hetzelfde boekjaar door dezelfde evenementenorganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen slechts in aanmerking evenementenorganisaties zijnde rechts­personen, zoals bedoeld in artikel 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieweigering, wordt door het college geen subsidie verstrekt indien uit hoofde van een andere paragraaf van deze verordening voor hetzelfde evenement en dezelfde doelstelling subsidie wordt verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gege­vens voor de subsidieaanvraag, dienen door de subsidieaanvrager bij een aanvraag voor subsidie voor bekers of prijzen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, de volgende gegevens te worden overgelegd: een opgave van het karakter van het sportevenement; een opgave van het aantal deelnemers; een opgave van het verwachte aantal toeschouwers; en de verwachte aandacht van de media.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een subsidie moet worden ingediend voor 1 maart van het jaar waarin het sportevenement plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie wordt berekend aan de hand van een puntentelling die wordt toege­kend op basis van de volgende categorieën: het karakter van het sportevenement; het aantal deelnemers; het aantal toeschouwers; de aandacht van de media.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op basis van het totaal aantal punten vindt de volgende verdeling plaats: tot 5 punten maximaal € 100,--; tot 15 punten maximaal € 200,--; tot 25 punten maximaal € 750,--; tot 35 punten maximaal € 1.500,--.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag, waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tijdigeen aanvraag hebben ingediend, groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond worden de betrokken subsidies naar evenredigheid verminderd op grondslag van het subsidieplafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien na beoordeling van alle aanvragen nog middelen beschikbaar zijn voor het desbetreffende tijdvak, dan maakt het college dit bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Aanvragen voor de resterende middelen, zoals bedoeld in het derde lid, worden overeenkomstig het gestelde in deze paragraaf behandeld met dien verstande dat het college op die aanvragen beslist in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegen­heid heeft gehad om de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling, als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidieaanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 worden subsidies ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, na afloop van het sportevenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen Paragraaf3.3.Welzijn Sub-paragraaf3.3.1.Emancipatie doelgroepen -ingetrokken- Sub-paragraaf3.3.2.Diversiteit -ingetrokken- Sub-paragraaf3.3.3.Vrijwillig jeugdwerk</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: vrijwillig jeugdwerk: werk, dat verricht wordt ten behoeve van personen tot en met 23 jaar, onder leiding van een persoon van 18 jaar of ouder, in enig georga­niseerd verband, dat onverplicht is en niet betaald wordt, en tot doel heeft te be­vorderen dat jongeren opgroeien tot evenwichtige volwassenen en volwaardige participanten in de maatschappij, en gericht is op het kunnen gaan dragen van eigen verantwoordelijkheden binnen de samenleving door middel van het orga­niseren van educatieve en recreatieve activiteiten; vrijwilligersinstellingen: rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die functioneren op basis van vrijwilligerswerk en in dat kader arbeid verrichten waar geen geldelijke waardering tegenover staat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan ter bevordering dat jongeren opgroeien tot evenwichtige vol­wassenen en volwaardige participanten in de maatschappij door middel van het organiseren van educatieve en recreatieve activiteiten een duursubsidie verlenen voor de volgende activiteiten: het scheppen van aan leeftijd en situatie aangepaste mogelijkheden tot spel, creatieve activiteiten, verkenning van de natuur, alsmede tot recreatieve ont­moeting van leeftijdgenoten; het kennismaken en bevorderen van deelname van jongeren aan de verschil­lende aspecten van de multiculturele samenleving; vorming van jongeren buiten school- en werkverband, waar mogelijk in sa­menhang met activiteiten voor volwassenen; het scheppen van ruimte voor manifestaties van jongeren; het realiseren van de participatie van jongeren in de samenleving en in de ontwikkelingen van de maatschappij; het scheppen van mogelijkheden, waardoor jongeren, waar zulks wenselijk is samen met volwassenen in staat worden gesteld vorm te geven aan hun eigen leefsituatie; het kennismaken met techniek, elektronica, informatica, technologische ont­wikkeling en beroepen; het bevorderen van hobby’s op een van voornoemde terreinen; het doorbreken van beperkende rolpatronen van mannen en vrouwen; het organiseren van vakantieactiviteiten gedurende de zomerschoolvakantie; het bijdragen aan het terugdringen van achterstanden door preventieve acti­viteiten; of het initiëren en evalueren van experimenten en het ontwikkelen van nieuwe vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van de activiteiten, zoals vermeld in het eerste lid, geldt voorts dat deze in aanmerking kunnen komen voor subsidie indien: deze minimaal door 10 deelnemers worden uitgevoerd; en tussen de totale kosten en het aantal leden of deelnemers naar het oordeel van het college een redelijke verhouding dient te bestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen slechts in aanmerking komen vrijwilligersinstellingen, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid komen ook natuurlijke personen voor subsidie in aanmerking, voor zover het betreft de organisatie van jeugd­vakantie-activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als grondslag voor de berekening van de subsidie wordt gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">40% van de totale kosten van de activiteiten, organisatie en huisvesting en;</p>\n<p class=\"lf-p\">70% van de kosten van leidersvorming;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor jeugdvakantie-activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">40% van de totale kosten van de activiteiten; en 90% van de kosten van organisatie en huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van de genoemde percentages van het bepaalde in het eerste lid, onder a afwijken, indien: naar haar oordeel een instelling in redelijkheid niet in staat is bij de toepassing van het in het eerste lid genoemde percentage tot een reële en sluitende ex­ploitatie te komen; of de instelling werkzaam is in een wijk of buurt waar sprake is van een situatie met maatschappelijke achterstand, dan wel werkzaam is ten behoeve van een bepaalde categorie jeugdigen en jongeren die in een situatie met maatschap­pelijke achterstand verkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag voor subsidie, zoals bedoeld in artikel 2, dient te worden ingediend voor 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de activiteiten be­trekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanvraag voor subsidie voor jeugdvakantie-activiteiten, dient te worden in­gediend voor 15 mei van het jaar waarin de activiteiten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van hetgeen in hoofdstuk 1 is bepaald ten aanzien van de te over­leggen gegevens bij de subsidieaanvraag, geldt dat een aanvraag voor jeugd­vakantie-activiteiten, vergezeld dient te gaan van een begroting en een program­ma van de uit te voeren activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de subsidievaststel­ling door het college, dient de aanvraag voor subsidievaststelling van de jeugdvakan­tie-activiteiten binnen 12 weken na afloop van de activiteit(en) bij het college door de subsidieontvanger te worden ingediend, vergezeld van het exploitatieoverzicht van de jeugdvakantie-activiteiten, originele bescheiden en een inhoudelijk verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 en het eerste lid worden subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht 3.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben, met dien verstande dat twee deelplafonds worden vastgesteld voor: jeugdwerk; jeugdvakantie-activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor beide deelplafonds geldt dat indien het bedrag waarvoor op grond van deze verordening subsidie zou moeten worden verleend aan degenen die daartoe tij­dig een aanvraag hebben ingediend groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, de betrokken subsidies naar evenredigheid worden verminderd op grondslag van het vastgestelde deelplafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.3.4.Versterking vrijwilligerswerk -ingetrokken- Sub-paragraaf3.3.5.Vrijwilligersorganisaties -vervallen- Sub-paragraaf3.3.6.Woontussenvoorzieningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Woontussenvoorzieningcomplex: woningen met aanpassingen en extra voorzienin­gen waardoor ouderen of gehandicapten boven de 65 jaar langer zelfstandig kunnen blijven wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een incidentele subsidie verstrekken in de kosten van woontussen­voorzieningen voor bewoning van door het college toegelaten complexen indien en voor zover passend binnen het gemeentelijk ouderenbeleid en nadat door de ver­huurder aan de aanvrager een concreet aanbod voor een woning is gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan slechts worden verstrekt aan daartoe geïndiceerde personen van 65 jaar of ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indicatie, zoals genoemd in het eerste lid, houdt in: een indicatie door een door het college aan­gewezen orgaan voor andere toe­gelaten woningen; een indicatie door een door het college aangewezen orgaan voor dienstver­lening vanuit de dienstencentra van de Stichting Welzijn Ouderen Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie in het kader van deze paragraaf wordt vastgesteld ineens, zonder vooraf­gaand beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen sub­sidie wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld met betrekking tot de verdeling als datum van ont­vangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt jaarlijks aangevraagd. De aanvraag voor subsidie geschiedt via een daartoe vastgesteld aanvraagformulier. De sector Zorg &amp; Inkomen van de gemeente Eindhoven maakt hiervoor een schema waaruit blijkt welke complexen in welke maand kunnen worden verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene aan wie in het voorafgaand jaar een subsidie is verstrekt krijgen automa­tisch een aanvraagformulier waarop de laatst bekende gegevens van vermogen, inkomen, huur en kosten dienstverlening moeten worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een eerste aanvraag niet of niet volledig gehonoreerd kan worden, worden aanvragers op een wachtlijst geplaatst ter beoordeling van die aanvraag in een nieuwe periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent de te overleggen gegevens bij de subsidie­aanvraag, de indieningtermijn en de te overleggen gegevens bij de aanvraag tot subsidievaststelling is niet van toepassing voor subsidieaanvragen in het kader van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van het verschil tussen het be­steedbaar inkomen van de aanvrager en het besteedbaar inkomen op bijstands­niveau, waarbij de subsidie wordt berekend overeenkomstig het bij deze regeling behorend berekeningsformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de berekening, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt ervan uitgegaan dat de aanvrager de voor hem maximale mogelijke huursubsidie verkrijgt en de voor hem minimaal mogelijke ziektekostenpremie betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een aanvrager een vermogen heeft dat het vrij te laten vermogen voor zelfstandig wonenden, zoals bedoeld in de Wet werk en bijstand te boven gaat, wordt een wachtperiode berekend. Indien de aanvrager niet beschikt over een uitvaartverzekering en een deel van zijn vermogen heeft gereserveerd voor begrafenis of crematie, geldt een vermogensgrens van 1,5 maal het vrij te laten vermogen voor zelfstandig wonenden, zoals bedoeld in de Wet werk en bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De wachtperiode, zoals bedoeld in het derde lid, wordt uitgedrukt in een aantal maanden, waarbij het aantal wordt bepaald door het quotiënt van de berekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor de bepaling van de hoogte van het vermogen, zoals bedoeld in het derde lid, geldt de datum van aanvraag van indicatie voor een woontussenvoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen voor de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij de subsidieverlening wordt de verplichting opgelegd om wijzigingen in de situatie anders dan periodieke huur- en inkomensveranderingen zo spoedig mo­gelijk door te geven aan het Bu­reau Woontussenvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent verplichtingen voor de subsidieontvanger is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.3.7.Bevordering maatschappelijke participatie(reductieregeling)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: -alleenstaande;-alleenstaande ouder;-kind;-gezin;-ten laste komend kind de omschrijvingen, zoals opgenomen in artikel 4 van de Wet Werk en Bijstand; woonplaats: de woonplaats, zoals bedoeld in de artikel 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; sociaal minimum: de voor de betrokkene geldende (theoretische) bijstands­norm, waarbij voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder uitgegaan wordt van de norm zoals bepaald in artikel 21, onder a en b van de Wet Werk en Bijstand met een ophoging van 20% toeslag zoals bepaald in artikel 25, tweede lid, van de Wet Werk en Bijstand. Voor de gehuwden wordt in alle ge­vallen uitgegaan van de norm zoals bepaald in artikel 21, onder c en artikel 22, onder c en d van de Wet Werk en Bijstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">WWB: de Wet Werk en Bijstand; maatschappelijke participatie: activiteiten voor meedoen aan de samenleving in de meest brede zin, zoals sport, recreatie, uitgaan, informatie, kunst en cultuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving gehuwden en partners</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze paragraaf wordt met gehuwden gelijkgesteld: de als partners geregi­streerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In deze paragraaf wordt: als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een geza­menlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad; als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofd­verblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofd­verblijf hebben in dezelfde woning en: zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt; uit hun relatie een kind geboren is of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huis houding bedoeld in het derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verstrekt een incidentele subsidie als bijdrage voor maatschappelijke participatie, indien wordt voldaan aan de volgende criteria: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin woonplaats heeft in Eindhoven; de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin een inkomen heeft dat niet hoger is dan 120% van het sociaal minimum.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot het inkomen, zoals bedoeld in het tweede lid, wordt niet gerekend: de middelen, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid van de WWB; inkomsten uit kostgeld van inwonende kinderen; inkomsten uit vermogen; inkomsten uit onderhuur of het houden van kostgangers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien aan de criteria, zoals bedoeld in dit artikel, wordt voldaan, verstrekt het college subsidie per kalenderjaar door middel van een beschikking tot subsidie­vaststelling zonder een voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen subsidie wordt verstrekt aan: belanghebbenden jonger dan 18 jaar tenzij zij zelf een zelfstandige huishouding voeren en de zorg hebben voor een ten laste komend kind; studerenden die op grond van hun studie aanspraak kunnen maken op studie­financiering ingevolge de Wet Studiefinanciering Financiering (WSF) 2000; vreemdelingen die niet worden gelijkgesteld met Nederlanders, zoals bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid van de WWB; degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Behoudens de gegevens, zoals bedoeld in artikel 4:2 van de Awb en in afwijking van het bepaalde hoofdstuk 1 met betrekking tot te over­leggen gegevens bij de subsidieaanvraag, worden bij de aanvraag verstrekt: een verklaring op een door het college vastgesteld formulier dat de regeling wordt aangevraagd voor maatschappelijke participatie voor de betrokkenen en indien van toepassing voor elk gezinslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager over het voorafgaande kalenderjaar een incidentele subsidie als bedoeld in deze paragraaf heeft ontvangen dan kan het college afwijken van de bepalingen in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet bij het college worden ingediend in het kalender­jaar waarin de kosten als bedoeld in artikel 3 zijn gemaakt of in een periode van maximaal 3 maanden volgend op dat betreffende kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt € 114,-- voor een alleenstaande ongeacht de hoogte van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie bedraagt € 114,-- voor een gezin per rechthebbende partner en per tot last komend kind, ongeacht de hoogte van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden vanaf 2009 jaarlijks gecorrigeerd met de algemene prijsstijging voor goederen en diensten met een afronding op (€ 1,--) naar boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan in het kader van de subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid de bedragen genoemd in het eerste en tweede lid voor een of meerdere kalenderjaren verhogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.3.8.Opplusregeling. -vervallen- Sub-paragraaf3.3.9.Actieve en zorgzame burgers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: actief burgerschap: de mate waarin burgers zich verantwoordelijk voelen voor de kwaliteit van hun samenleven in de stad, wijk of buurt en zij zich actief en vrijwil­lig inzetten om deze te verbeteren; informele zorg: zorg die onbetaald en niet beroepshalve wordt verricht en kan bestaan uit mantelzorg, gebruikelijke zorg, vrijwillige zorg of zelfhulp; mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe om­geving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwo­nende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leef­eenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden; vrijwillige zorg: zorg die vrijwilligers leveren; zelfhulp: hulp die zorgvragers aan zichzelf en elkaar geven; vrijwilliger: persoon die vrijwillige inzet verricht ten behoeve van anderen of de samenleving als geheel; vrijwilligersorganisatie: rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die func­tioneert op basis van vrijwillige inzet; vrijwillige inzet: inspanning waar geen geldelijke waardering tegenoverstaat, uit­gezonderd een eventuele vrijwilligersvergoeding en die de volgende kenmerken heeft: geeft vorm en invulling aan (zelf) ontplooiing en sociale contacten; versterkt de maatschappelijke betrokkenheid; bevordert de sociale cohesie; is geen vervanging van noodzakelijke professionele inzet;is ongeacht de vorm toegankelijk voor alle Eindhovenaren, ongeacht gender, huidskleur, sociale achtergrond, seksuele geaardheid, lichamelijke en ver­standelijke mogelijkheden, religie, leeftijd, levensbeschouwing, etniciteit, opleiding etc.; vrijwilligersvergoeding: een vergoeding voor de werkelijk gemaakte onkosten aantoonbaar verbonden aan de vrijwillige inzet of een maximaal bedrag volgens de fiscale richtlijnen en waarop de Wet op de loonbelasting niet van toepassing is; respijtvoorziening: een faciliteit van informele zorg die de (tijdelijke) overname van de zorg door vrijwilligers en/of beroepskrachten regelt, zodat mantelzorgers ontlast kunnen worden; deskundigheidsbevordering: alle activiteiten die de deskundigheid en/of be­kwaamheid van vrijwilligers met betrekking tot de uitoefening van vrijwilligers­werk of informele zorg verbeteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele exploitatiesubsidie of een duursubsidie, zijnde een exploitatiesubsidie, verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het gemeen­telijke beleidsdoel actieve en zorgzame burgers: het bevorderen en het faciliteren van actief burgerschap en informele zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan een incidentele exploitatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan de deskundigheidsbevordering van vrijwilligers indien: deze vrijwilligers zich voornamelijk inzetten voor Eindhovenaren; deze bekwaamheden en deskundigheid hoofdzakelijk worden ingezet binnen een vrijwilligersorganisatie, gevestigd in Eindhoven; deze activiteiten hoofdzakelijk worden ingekocht bij gemeentelijke (gesubsi­dieerde) instellingen die een aanbod hebben voor deskundigheidsbevorde­ring van vrijwilligers;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan een waarderingssubsidie verlenen aan organisaties voor vrijwilligers informele zorg. Een waarderingssubsidie wordt maximaal éénmaal per jaar per organisatie verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot subsidieaanvragers komt ook een rechtspersoon in oprichting in aanmerking voor een subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieweigering wordt subsi­die geweigerd: indien er sprake is van een winstoogmerk; indien aanvrager al een subsidie ontvangt voor zijn reguliere activiteiten, tenzij de activiteiten waarvoor in het kader van deze paragraaf subsidie wordt aange­vraagd afwijkend zijn dan wel een extra impuls geven ten opzichte van de regu­liere activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Naast het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gegevens bij de subsidieaanvraag verstrekt de subsidieaanvrager: in geval de aanvraag een subsidie, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, betreft: een beschrijving van het dienstverleningsconcept van de aanvrager, waaruit blijkt dat de aanvrager vraaggericht werkt, aandacht heeft voor integraliteit en zoveel mogelijk samenwerkt met partijen die dezelfde of vergelijkbare activiteiten orga­niseren; in geval de aanvraag een subsidie, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, betreft: het verwachte aantal vrijwilligers dat gebruik maakt van het aanbod;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Naast het bepaalde in artikel 4:2 van de Awb verstrekt de aanvrager bij de subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 2, derde lid, het aantal vrijwilligers van aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld aan­vraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als grondslag voor de berekening van de waarderingssubsidie wordt gehanteerd het exploitatietekort, zoals aangegeven in de in te dienen begroting van de in artikel 2 genoemde activiteiten, met een maximum van € 23.000,,-- voor een duursubsidie, zijnde een exploitatiesubsidie en een maximum van €5.000,-- voor een incidentele exploitatiesubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als subsidiabele kosten worden aangemerkt kosten die direct verband houden met de activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, en die in redelijke verhou­ding staan tot de aard en de omvang van de activiteiten. Het college kan hier­omtrent nadere regels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als grondslag voor de berekening van de waarderingssubsidie wordt gehanteerd het aantal vrijwilligers dat verbonden is aan de activiteit die gewaardeerd wordt. De subsidie bedraagt € 25,-- per vrijwilliger met een maximum van € 10.000,--.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastge­stelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrekking op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de bedragen, waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd, groter zijn dan de op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag tot vaststelling van de exploitatiesubsidie geschiedt middels een door het college vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidieaanvraag voor een waarderingssubsidie geldt tevens als aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 en het eerste lid worden incidentele subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht 4.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 en het eerste lid worden duursubsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar waarvoor subsidie is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het derde en vierde lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking, wijziging van dee subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gevallen genoemd in artikel 4:50 van de Awb en het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot intrekking, wijziging van de subsidieverlening kan het college de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen in­dien de subsidieontvanger, zijnde een rechtspersoon in oprichting, niet binnen drie maanden na subsidieverlening een rechtspersoon heeft opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.3.10.Samenleven in Zorgzame en Leefbare Buurten en Wijken</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: zelfredzaamheid: het vermogen om zichzelf te redden en het gebruiken van de sociale infrastructuur alsmede het vermogen om te voorkomen dat men vervalt in eenzaamheid of onaangepast gedrag; sociaal isolement: gevoel van alleen zijn dat wordt toegeschreven aan contacten tussen mensen die onder het niveau ligt dat gewenst of vereist is voor het per­soonlijk welzijn; sociale infrastructuur: het geheel van formele en informele voorzieningen op het terrein van zorg en welzijn waarvan burgers gebruik maken bij de inrichting van hun bestaan; vrijwilliger: persoon, die vrijwillige inzet verricht ten behoeve van anderen of de samenleving als geheel; vrijwilligersorganisatie: rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die func­tioneert op basis van vrijwillige inzet; vrijwillige inzet: inspanning waar geen geldelijke waardering tegenoverstaat, uit­gezonderd een eventuele vrijwilligersvergoeding en die de volgende kenmerken heeft: geeft vorm en invulling aan (zelf)ontplooiing en sociale contacten; versterkt de maatschappelijke betrokkenheid; bevordert de sociale cohesie; is geen vervanging van noodzakelijke professionele inzet; is ongeacht de vorm toegankelijk voor alle Eindhovenaren, ongeacht gender, huidskleur, sociale achtergrond, seksuele geaardheid, lichamelijke en ver­standelijke mogelijkheden, religie, leeftijd, levensbeschouwing, etniciteit, opleiding etc.; vrijwilligersvergoeding: een vergoeding voor de werkelijk gemaakte onkosten aantoonbaar verbonden aan de vrijwillige inzet of een maximaal bedrag volgens de fiscale richtlijnen en waarop de Wet op de loonbelasting niet van toepassing is; sociale cohesie: samenleving waarin men zich met elkaar identificeert en/of ver­bonden voelt; diversiteit: alle mogelijke verschillen die kunnen bestaan tussen mensen die in onze maatschappij samenleven op het vlak van gender, huidskleur, sociale ach­tergrond, seksuele geaardheid, lichamelijke en verstandelijke mogelijkheden, religie, levensbeschouwing, leeftijd, etniciteit, opleiding, etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele exploitatiesubsidie of een duursubsidie, zijnde een exploitatiesubsidie, verlenen voor activiteiten die een bijdrage leveren aan het gemeentelijke beleidsdoel: de bevordering van zelfredzaamheid, het voor­komen van sociaal isolement, de bevordering van maatschappelijke participatie en de bevordering van de sociale cohesie in buurten en wijken. Dit zijn activitei­ten die betrekking hebben op: ontmoeting en dialoog; ontplooiing; ontspanning; advies, ondersteuning en informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan een waarderingssubsidie verlenen aan vrijwilligersorganisaties onder de voorwaarde dat de georganiseerde activiteiten Eindhovense burgers van verschillende etnisch culturele achtergronden bij elkaar heeft gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot subsidieaanvragers komt ook een rechtspersoon in oprichting in aanmerking voor een subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieweigering wordt subsi­die geweigerd indien: de activiteiten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet bijdragen aan het gemeentelijk beleidsdoel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een winstoogmerk hebben; een aanvrager al een subsidie van de gemeente ontvangt voor zijn reguliere acti­viteiten, tenzij de activiteiten waarvoor subsidie in het kader van deze paragraaf wordt aangevraagd afwijkend zijn dan wel een extra impuls geven ten opzichte van de reguliere activiteiten; de activiteit of vergelijkbare activiteit reeds wordt uitgevoerd in de gemeente Eindhoven; het activiteiten betreft enkel op het gebied van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verteer, vertier, jubilea, feesten etc.;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>excursies, uitstapjes etc.;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>creatieve of recreatieve activiteiten zoals film, cabaret en muziek tenzij deze een methodisch onderdeel vormen van activiteiten, zoals genoemd in artikel 2.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gege­vens bij de subsidieaanvraag verstrekt de subsidieaanvrager: een omschrijving van de samenhang met overeenkomstige activiteiten in de stad of wijk; in geval de aanvraag een waarderingssubsidie betreft: cijfers over het aantal vrij­willigers van de aanvrager, de hoeveelheid en beschrijving van de activiteiten die in het kader van de diversiteit in de stad zijn georganiseerd en het aantal deel­nemers aan deze activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als grondslag voor de berekening van de exploitatiesubsidie wordt gehanteerd het exploitatietekort, zoals aangegeven in de in te dienen begroting van de in artikel 2 genoemde activiteiten, met een maximum van 75% van de totale begro­ting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het maximumbedrag dat het college per activiteit aan exploitatiesubsidie ver­leent, is € 23.000,--;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als subsidiabele kosten worden aangemerkt kosten die direct verband houden met de activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, en die in redelijke ver­houding staan tot de aard en de omvang van de activiteiten. Het college kan hieromtrent nadere regels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als grondslag voor de berekening van de waarderingssubsidie wordt gehanteerd het aantal vrijwilligers dat verbonden is aan de activiteit die gewaardeerd wordt. De subsidie bedraagt € 25,-- per vrijwilliger met een maximum van € 10.000,--.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieiplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor de subsidieverlening wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf betrekking op hebben, met dien verstande dat deelplafonds worden vastgesteld voor: exploitatiesubsidies (artikel 2, eerste lid); waarderingssubsidies (artikel 2, tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de bedragen, waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd, groter zijn dan de op grond van het in de eerste en tweede lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krach­tens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vul­len, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag tot vaststelling van de exploitatiesubsidie geschiedt middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidieaanvraag voor een waarderingssubsidie geldt tevens als aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 en het eerste lid worden incidentele subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 en het eerste lid worden duursubsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 4 maanden na afloop van het boekjaar waarvoor subsidie is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het derde en vierde lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens aanvraag tot subsidievastelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot het overleggen van gegevens tot vaststelling van de subsidie verstrekt de subsidieontvanger bij de aan­vraag tot subsidievaststelling ook een vergelijking tussen de nagestreefde en de ge­realiseerde doelstelling en activiteiten zoals genoemd in artikel 2 en een toelichting op de verschillen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen voor de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent verplichtingen voor de subsidie­ontvanger, dient de subsidieontvanger van een exploitatiesubsidie ter aanvulling op het exploitatietekort aan de deelnemers/deelneemsters van de activiteit een deel­nemersbijdrage te vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking, wijziging van de subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gevallen genoemd in artikel 4:50 van de Awb en het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot intrekking, wijziging van de subsidieverlening kan het college de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen indien de subsidieontvanger, zijnde een rechtspersoon in oprichting, niet binnen drie maanden na subsidieverlening een rechtpersoon heeft opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.3.11.Opplusregeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: aanpassingskosten: kosten gemaakt in verband met het aanbrengen van woning­aanpassingen in woningen op aanvraag van een huurder ingediend bij een ver­huurder ter verbetering van het functionele wonen; huurder: huurder van een zelfstandige woning van een verhuurder welke een leeftijd bereikt van 55 jaar of ouder in het jaar dat de woningaanpassing is aan­gevraagd bij de verhuurder; woning: woning in eigendom van een verhuurder. verhuurders: rechtspersonen die onder meer tot doel hebben het verhuren van woningen aan particulieren, zijnde woningcorporaties of particuliere verhuur­ders; kwartaal: de periodes 1 januari t/m 31 maart, 1 april t/m 30 juni, 1 juli t/m 30 sep­tember en 1 oktober t/m 31 december van een jaar; woningaanpassingen ten behoeve van functioneel wonen: aanpassingen die nodig zijn vanwege functiestoornissen bij de aanvrager die het wonen beperken en niet slechts leiden tot het verhogen van het wooncomfort; lijst: overzicht van woningaanpassingen waarvan de kosten voor subsidie in aan­merking komen; investeringsplafond: het bedrag dat een verhuurder per jaar maximaal zal inves­teren in verband met het aanbrengen van woningaanpassingen, zoals bedoeld in deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag en evaluatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de verstrekte subsidies in het kader van deze paragraaf wordt door het college meegenomen in de verantwoording over het vierjarenbeleidskader Wmo ‘2008-2011’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een investeringssubsidie verstrekken voor aanpassingskosten die worden gemaakt ten behoeve van woningaanpassingen aangebracht in een woning voor de verbetering van het functionele wonen van een huurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college stelt in overleg met de verhuurders, een lijst van woningaanpassingen vast waarvan de kosten voor subsidieverstrekking in het kader van deze paragraaf in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan woningen aanwijzen waarop het subsidiebedrag, zoals genoemd in artikel 10, tweede lid, van toepassing is omdat: de woningen binnen twee jaar worden gesloopt; groot onderhoud aan de woningen plaatsvindt binnen één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college wijst jaarlijks voor 1 oktober, in overleg met de verhuurders, de woningen als bedoeld in het derde lid aan ten behoeve van het volgende subsidiejaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college wijst jaarlijks voor 1 oktober, in overleg met de verhuurders, de woningen als bedoeld in het derde lid aan ten behoeve van het volgende subsidiejaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieweigering wordt geen subsidie verleend indien: de kosten voor de woningaanpassing minder bedragen dan € 1.660,-- inclusief btw per aanvraag ingediend door de huurder bij de verhuurder; de kosten voor de woningaanpassing meer bedragen dan € 2.370,-- inclusief btw per aanvraag ingediend door de huurder bij de verhuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid en tweede lid genoemde bedragen worden jaarlijks geïn­dexeerd volgens het CBS prijsindexcijfer CAO lonen particuliere bedrijven bouw­nijverheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Investeringsplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gezamenlijke subsidieaanvragers kunnen jaarlijks voor 1 juni een schriftelijk verzoek indienen bij het college tot het vaststellen van een investeringsplafond per subsidieaanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college stelt het investeringsplafond vast voor 1 oktober van dat jaar ten behoeve van het volgende subsidiejaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gege­vens bij de subsidieaanvraag dienen bij een aanvraag om subsidie de volgende ge­gevens te worden overgelegd: naam huurder; geboortedatum huurder; adres huurder; omschrijving voorziening(en); (meer)kosten voorziening(en); totaal aantal huurders per kwartaal; totaal kosten uitgevoerde aanpassingen per kwartaal; opgave van woningen als bedoeld in artikel 3, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie dient bij het college te worden ingediend uiterlijk zes weken na afloop van het kwartaal waarin de aanpassing is uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het maximale subsidiebedrag is het verschil tussen de aanpassingskosten en het bedrag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a, en kunnen niet meer bedragen dan het verschil tussen het bedrag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b en het bedrag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, bedraagt het maximale bedrag € 2.370,-- per aanvraag, indien: het investeringsplafond als bedoeld in artikel 6 is bereikt; indien het woningaanpassingen betreft in woningen als bedoeld in artikel 3, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf komt te vervallen op 1 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.3.12.Preventieve aanpak eergerelateerd geweld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: achterban: personen van een etnische-culturele minderheid waar de zelf­organisatie zich qua doelstelling op richt. eergerelateerd geweld: is elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld gepleegd vanuit een collectieve mentaliteit in een reactie op een (dreiging van) schending van de eer van een man of vrouw en daarmee van zijn of haar familie en waarvan de buitenwereld op de hoogte is of dreigt te raken; zelforganisatie: een organisatie, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die opge­richt en bestuurd wordt door een in Eindhoven etnisch-culturele minderheid die zich ten doel stelt de emancipatie en participatie van hun achterban in de Eindhovense samenleving te vergroten; zelfredzaamheid: het vermogen om zichzelf te redden en het gebruiken van de sociale infrastructuur alsmede het vermogen om te voorkomen dat men vervalt in eenzaamheid of onaangepast gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basismodel Eindhovense preventieaanpak eergerelateerd geweld: uitwerking van de Eindhovense Preventieaanpak eergerelateerd geweld besloten door het college van burgemeester en wethouders d.d. 7 april 2009 waarin de samenwerking tussen de verschillende ketenpartners die deelnemen, staat omschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele exploitatiesubsidie verlenen voor activiteiten gericht op het voorkomen en (vroeg)sig­naleren van eergerelateerd geweld passend binnen de gemeentelijke doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan een subsidie zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel verlenen indien de activiteiten gericht zijn op: het bespreekbaar maken van eergerelateerd geweld binnen de eigen achterban of het bevorderen van de weerbaarheid en zelfred­zaamheid van individuen binnen de eigen achterban of en het bevorderen van mentaliteitsverandering en ge­dragsalternatieven binnen de eigen achterban.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel zijn activiteiten slechts subsidiabel indien zij betrekking hebben op: ontmoeting en dialoog of ; ontplooiing of ; advies, ondersteuning en informatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie kunnen in aanmerking komen zelforganisaties en natuurlijke personen die kunnen aantonen dat zij een eigen achterban hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieweigering wordt subsi­die geweigerd indien de activiteiten betreft enkel op het gebied van: verteer, vertier, jubilea, feesten; activiteiten, zoals uitstapjes, film, cabaret en muziek tenzij deze een methodisch onderdeel vormen van activiteiten, zoals genoemd in artikel 2.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag tot verlening van de subsidie geschiedt middels een vastgesteld aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 dient de aanvraag voor een subsidie uiterlijk vier weken voor aanvang van de activiteit te worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1, met betrekking tot de in te dienen ge­gevens bij de subsidieaanvraag, voegt de subsidieaanvrager een verklaring van on­derschrijving van het “Basismodel Eindhovense preventieaanpak eergerelateerd geweld” toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als subsidiabele kosten worden aangemerkt kosten die direct verband houden met de activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het maximumbedrag dat het college per subsidieaanvraag aan subsidie verleent, is € 10.000,--.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor subsidie wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raadvastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrekking op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de bedragen, waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen sub­sidie wordt gevraagd, groter zijn dan de op grond van het in de eerste lid vastge­stelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie geschiedt middels een vastgesteld aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvrager dient een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het college binnen zes weken na afloop van de activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geldt tot 1 juli 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.4.Onderwijs Sub-paragraaf3.4.1.Onderwijs en educatie voor volwassenen -ingetrokken- Sub-paragraaf3.4.2.Brabants VerkeersveiligheidsLabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Brabants VerkeersveiligheidsLabel (BVL): het kwaliteitskeurmerk voor scholen op ge­bied van verkeersveiligheid, zoals door de Provincie Noord-Brabant wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die zijn ge­richt op het verkrijgen en onderhouden van het Brabants Verkeersveiligheids­Label.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid bedoelde activiteiten hebben betrekking op: theoretisch verkeersonderwijs; praktisch verkeersonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste lid bedoeld subsidie heeft betrekking op activiteiten die worden verricht vanaf 1 januari 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieaanvragers komen voor subsidie in aanmerking: scholen voor het primair en voortgezet onderwijs; die gehuisvest zijn in Eindhoven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent indieningtermijn subsidieaan­vraag wordt een subsidieaanvraag ingediend vóór 15 oktober van het jaar vooraf­gaande aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld aanvraag­formulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag primair onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een keer per acht jaar (kalenderjaren) wordt lesmateriaal gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het lesmateriaal wordt gesubsidieerd tot een maximum van € 21,-- per leerling (basisjaar is 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Elk kalenderjaar kunnen tot een maximum van € 5,50 per leerling (basisjaar is 2009) aanvullende c.q. ondersteunende activiteiten worden gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan het maximumbedrag aanpassen conform de prijsstijging goe­deren en diensten, zoals wordt toegepast bij de begroting van de gemeente Eindhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Uitgegaan wordt van het aantal leerlingen per 1 oktober van het jaar vooraf­gaande aan het subsidiejaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: aanvullende middelen en materialen behorende bij theoretische verkeers­projecten, zoals bulletins, voorleesboeken, video's, computerprogramma's, jeugdverkeerskrant, “op voeten en fietsen” en het theoretisch verkeersexa­men; kosten voor praktische activiteiten en projecten betrekking hebbend op thema's als school-thuisroute, dode hoek, oversteken, fietsvaardigheid, verkeerssituaties, en breng- en haalgedrag; kosten voor het praktisch en theoretisch verkeersexamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: interne kosten van een school, zoals docentenuren, kosten gebruik gebouw, koffiekosten, verwarmingskosten e.d.; uren van vrijwilligers; kosten voor de straatspeeldag; lidmaatschap van de school van VVN; kosten voor de deelname aan “Verkeersouders” van VVN; kosten voor aanpassing van de verkeersinfrastructuur; primaire onderwijsmiddelen zoals fietsen, skelters, computers, dvd-recorders e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag voortgezet onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Scholen voor voortgezet onderwijs krijgen per kalenderjaar maximaal € 1.700,-- ter bestrijding van organisatorische kosten (basisjaar is 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan het maximumbedrag aanpassen conform de prijsstijging goe­deren en diensten, zoals wordt toegepast bij de begroting van de gemeente Eindhoven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent verplichtingen voor de sub­sidieontvanger, geldt voor de subsidieontvanger de verplichting dat binnen drie jaar na de eerste beschikking tot het verlenen van subsidie het Brabants Verkeers­veiligheidsLabel moet zijn behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de subsidieontvanger het Brabants VerkeersveiligheidsLabel verliest kan het college de subsidieverlening intrekken</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent weigering van subsidie kan het college subsidie weigeren in het geval: de school niet binnen drie jaar na de eerste beschikking tot het verlenen van subsidie het Brabants VeiligheidsLabel heeft behaald; de school het Brabant VerkeersveiligheidsLabel heeft verloren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het totaalbedrag waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie kan wor­den verleend aan degenen die daartoe tijdig een aanvraag hebben ingediend, groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, geeft het college prioriteit aan de aanvragen die betrekking hebben op lesmateriaal voor primair onderwijs. Met het resterende bedrag worden de kosten ten aanzien van aanvullende c.q. ondersteunende activiteiten van het primair onderwijs en organisatorische kosten van het voortgezet onderwijs naar evenredigheid ge­subsidieerd. Indien het aangevraagde bedrag voor kosten lesmateriaal voor primair onderwijs groter is dan het vastgestelde subsidieplafond worden de subsidiebedragen naar evenredigheid gekort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststellen subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling in binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag tot subsidievaststelling geschiedt middels een door het college vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.5.Internationale coördinatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.5.1.Contactsteden en verdubbelingsbijdragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Contactstad: de gemeente waarmee de gemeente Eindhoven een stedenband onderhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fondswerving: het vragen van een financiële bijdrage aan derden, of het inzame­len van geld door middel van het verkopen van goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Project: een activiteit of geheel van activiteiten waarmee een aantoonbare bijdra­ge wordt geleverd aan verbetering van de levensomstandigheden van de lokale bevolking in de contactstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stedenbandorganisatie: de van gemeentewege gesubsidieerde rechtspersoon die een door de raad goedgekeurde stedenband vertegenwoordigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlichtingsactiviteit: een activiteit of het geheel van activiteiten waarbij voor­lichting wordt gegeven over het project en waaraan fondswerving gekoppeld is ter financiering van dit project in de contactstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sponsor: een organisatie waarmee een zakelijke overeenkomst is gesloten op grond waarvan door die organisatie geld of op geld waardeerbare zaken ter be­schikking worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele subsidie verlenen ten behoeve van het uitvoeren van een project dat: aansluit bij of samenhang vertoont met de doelstelling van de aanvragende rechtspersoon; minimaal 25% van de middelen bestaat uit sponsorbijdragen en aandacht wordt besteed aan voorlichtingsactiviteiten over het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan een incidentele subsidie verlenen ten behoeve van het uitvoeren van een project dat: bestaat uit een voorlichtingsactiviteit in Eindhoven; en waarbij 50% van de middelen wordt verkregen door fondswerving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komt slechts in aanmerking een stedenbandorganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten be­trekking op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde sub­sidieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aan­vragen zijn ontvangen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 Awb de gele­genheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet minimaal vier weken voor uitvoering van het pro­ject worden ingediend bij het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie kan niet meer bedragen dan de werkelijke kosten van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie kan maximaal € 17.200,-- per subsidieontvanger bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien subsidie wordt verleend voor en project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, is het bedrag van de subsidie gelijk aan het bedrag dat de stedenbandorganisatie ten behoeve van het project verkregen heeft uit fondswerving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Door het college worden nadere regels vastgesteld waarin de subsidiabele kosten nader worden gespecificeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen bij het college binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht 2.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 dient de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling de volgende gegevens te overleggen: een overzicht van de verrichte activiteiten, de gevolgde werkwijze en het verkregen resultaat in relatie tot het beoogd resultaat; en bewijsstukken bevattende een opgave van de werkelijke kosten van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden subsidies tot €5.000,-- ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het derde lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vervallen -</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting en betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bij de subsidieverlening een voorschot verstrekken van 80% van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf3.5.2.Mondiale bewustwording.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: mondiale bewustwording: een proces van voorlichtings- en bewustwordingsacti­viteiten waarmee de Eindhovense bevolking geleidelijk meer inzicht krijgt in de levensomstandigheden van mensen in ontwikkelingslanden en landen voorheen deel uitmakend van de voormalige Sovjet-Unie en in de relatie tussen deze om­standigheden en hun eigen situatie, zodanig dat dit leidt tot een bredere betrok­kenheid, over de thema's:ontwikkelingssamenwerking, maatschappelijke transformatie, vrede en veiligheid en vredesonderwijs; ontwikkelingssamenwerking: samenwerking gericht op verbetering van de le­vensomstandigheden van de mensen in ontwikkelingslanden en landen voorheen deel uitmakend van de voormalige Sovjet-Unie. maatschappelijke transformatie: transformatie gericht op onderwerpen waaraan Nederland aandacht besteedt middels haar nationale programma MATRA vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken; vrede en veiligheidsactiviteiten: activiteiten die een bijdrage leveren aan de rea­lisering van een brede, actieve betrokkenheid bij vrede en veiligheid, met als oog­merken: democratisch functioneren; daaraan gekoppelde moderniseringsactiviteiten; ontwapeningsproblematiek; vredesonderwijsactiviteiten: activiteiten die een bijdrage leveren aan het tot stand brengen van een humane wereld door zich te richten op de normen en waarden die in vrede besloten liggen om van daaruit kennis en vaardigheden aan te bieden en meningen en attitudes te vormen; stedenbandorganisaties: de van gemeentewege gesubsidieerde rechtspersonen die een door de raad goedgekeurde stedenband vertegenwoordigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele subsidieverlenen voor activiteiten die een bijdra­ge leveren aan het bevorderen van de mondiale bewustwording van de Eindho­vense bevolking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie als bedoeld in het eerste lid kan worden verleend indien aan de volgen­de criteria wordt voldaan: de aanvrager dient de thema's, zoals bedoeld in artikel 1, van meerdere kan­ten te belichten; de aanvrager dient ervoor zorg te dragen dat de thema's, zoals bedoeld in ar­tikel 1, niet gelijktijdig of tweemaal binnen een tijdsbestek van één maand worden belicht; de activiteiten dienen inzicht te geven in de achtergronden van de thema's, zoals bedoeld in artikel 1, waaraan aandacht wordt geschonken; de activiteiten dienen zodanig te worden opgezet dat Eindhovense burgers zonder belemmeringen deel kunnen nemen; waar sprake is van afzonderlijke groepen dient het bereik binnen deze doelgroepen zo groot mogelijk te zijn; per bewustwordingsactiviteit dient een beoogd aantal personen van minimaal 50 te worden bereikt; de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten moeten nieuw of ver­nieuwend zijn; en voor deelname aan de activiteiten moet de organisatie aan de deelnemers een eigen bijdrage vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van het bepaalde in het tweede lid, onder g kan het college ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen slechts in aanmerking rechtspersonen die statutair gevestigd zijn in Eindhoven die zich ten doel stellen het bevorderen van mondiale bewustwor­ding, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, alsmede stedenbandorganisaties als be­doeld in artikel 1, zesde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van tijdig ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsi­dieplafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aan­vragen zijn ingekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet bij het college worden ingediend minimaal vier weken voor uitvoering van de activiteiten als be­doeld in artikel 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt maximaal € 1.361,34 en kan niet meer bedragen dan de werkelijke kosten van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Door het college worden nadere regels vastgesteld waarin de subsidiabele kosten nader worden gespecificeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 worden subsidies ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vervallen-</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting en betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bij de subsidieverlening een voor­schot uitbetalen van 60% van het subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk4Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.1.Versterking economische structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf4.1.1.Bedrijvensteun.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: rehabilitatiegebieden: de bij besluit van de raad daartoe aangewezen gebieden; revitaliseringgebieden: gebieden die voor revitalisering in aanmerking komen en als zodanig door de raad zijn aangewezen; impulsgebieden: de door de raad als zodanig aangewezen gebieden, welke voor­heen werden aangeduid als integrale buurtbeheergebieden; ondernemer: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die daadwerkelijk en rechtmatig een bedrijf uitoefent; zijn rechtsopvolger indien deze de echtgeno(o)te is; of een bloedverwant in de eerste of tweede graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een ondernemer wordt gelijkgesteld een natuurlijke persoon of een rechts­persoon wiens bedrijf is gevestigd buiten een van de in het eerste lid genoemde gebieden en die zijn omzet geheel of grotendeels binnen dat gebied verwerft; winst: de winst die dient als grondslag van de inkomstenbelasting of de vennoot­schapsbelasting, met dien verstande dat in het geval de ondernemer een rechts­persoon is daaronder mede wordt verstaan de beloning van de bestuurder(s) en de daaraan verbonden ten laste van de rechtspersoon komende sociale lasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op bedrijven die zijn gevestigd in rehabilitatie-, revitalisering- alsmede impulsgebieden, of andere door de raad aangewezen gebie­den.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een investerings­subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die gericht zijn op voortzetting van een bedrijf ter plaatse, verplaatsing van een bedrijf of beëindiging van bedrijf, gevestigd in rehabilitatie-, revitalisering- of im­pulsgebieden, indien en voor zover passend binnen het voor dat gebied vastge­stelde gemeentelijke beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie kan worden verleend indien: dat de verwezenlijking van de voor het gebied vastgestelde ruimtelijke-eco­nomische structuur ten goede komt; bij de onderneming waarvan het bedrijf deel uitmaakt niet meer dan 50 per­sonen werkzaam zijn of, indien het uitoefening van detailhandel betreft, niet meer dan 25 personen werkzaam zijn; het bedrijf dat voortgezet of verplaatst wordt levensvatbaar is; en het bedrijf gedurende een periode van drie jaar of meer onmiddellijk voor­afgaand aan het tijdstip van het indienen van een aanvraag in hetzelfde pand is uitgeoefend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komt slechts in aanmerking een ondernemer, zoals bedoeld in artikel 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening voor voortzetting ter plaatse van een bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ingeval van voortzetting ter plaatse van een bedrijf kan een aanvrager in aanmer­king komen voor een incidentele subsidie wegens winstdaling, een eenmalige subsidie in de verbouwingskosten, een eenmalige subsidie voor herinrichtings­kosten en een eenmalige subsidie voor huurverhoging ten gevolge van bouw­kundige werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om in aanmerking te komen voor een subsidie wegens winstdaling dient sprake te zijn van: een naar schatting lagere winst van de ondernemer in het boekjaar waarin hij zijn aanvraag indient dan de gemiddelde winst over de laatste drie jaren voor­afgaande aan het jaar van de indiening van de aanvraag en tevens een lagere winst dan € 22.690,00 en aannemelijkheid van de zijde van de ondernemer dat de winstdaling een recht­streeks gevolg is van de concrete uitvoering van maatregelen voort­vloeiende uit het besluit tot aanwijzing tot een van de in artikel 1 genoemde gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in het tweede lid geldt ook voor het jaar volgende op het boekjaar waarin de ondernemer zijn aanvraag indiende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een subsidie, zoals bedoeld in het tweede lid, kan ten hoogste voor twee opeen­volgende jaren worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Om in aanmerking te komen voor een subsidie voor verbouwingskosten dient sprake te zijn van: aan de bedrijfsruimte voor de bedrijfsvoering noodzakelijke bouwkundige werkzaamheden, die naar het oordeel van het college de verwezenlijking van de voor het gebied vastgestelde ruimte­lijke-economische structuur ten goede komen die niet gericht zijn op we­zenlijke veranderingen in de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten; en het verrichten van bouwkundige werkzaamheden door een ondernemer die beschikt over de vereiste vestigingsvergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid kan een ondernemer wiens bedrijfs­ruimte gevestigd is in een revitaliseringgebied alleen in aanmerking komen voor subsidie voor bouwkundige werkzaamheden aan zijn bedrijfsruimte indien die werkzaamheden gericht zijn op verbetering van het uiterlijk aanzien van die be­drijfsruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Om in aanmerking te komen voor een subsidie voor bouwkundige werkzaamhe­den voor noodzakelijke herinrichting: mag geen sprake zijn van wezenlijke veranderingen in de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten; en dient de uitvoering van de herinrichtingswerkzaamheden door een onderne­mer te geschieden die beschikt over de daarvoor vereiste vestigingsvergun­ningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Een subsidie wegens het moeten betalen van een hogere huur door de onder­nemer kan worden verleend: indien de hogere huur het gevolg is van bouwkundige werkzaamheden aan de door de ondernemer gehuurde bedrijfsruimte die naar het oordeel van het col­lege de verwezenlijking van de voor het gebied vastgestelde ruimtelijke-eco­nomische structuur ten goede komen; en voor zover deze hogere huur geen gevolg is van wezenlijke veranderingen in de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten van de ondernemer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening voor verplaatsing van een bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een incidentele subsidie voor verplaatsing van een bedrijf dient sprake te zijn van: noodzakelijke verplaatsing van het bedrijf van de ondernemer naar een nieuwe locatie gelegen binnen de gemeentegrenzen van Eindhoven, op het bedrijven­terrein Welschap of het bedrijventerrein Ekkersrijt; en het ten gevolge daarvan krijgen van hogere huisvestingskosten voor de onder­nemer, voor zover deze hogere huisvestingskosten geen gevolg zijn van wezen­lijke veranderingen in de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening voor beëindiging van een bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een incidentele subsidie voor het beëindiging van een bedrijf dient: sprake te zijn van bedrijfsbeëindiging anders dan door middel van overdracht; en dient de ondernemer zijn bedrijf minimaal drie jaar in hetzelfde pand te hebben uitgeoefend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent subsidieweigering, wordt geen subsidie verleend indien: de ondernemer een bedrijfsactiviteit uitoefent die in het maatschappelijk ver­keer wordt aangeduid als vrij beroep; de ondernemer een bedrijf uitoefent op het gebied van exploitatie van seks­inrichtingen of speelautomaten; de ondernemer reeds eerder subsidie heeft ontvangen ingevolge deze rege­ling, dan wel de regeling steun voor bedrijven in rehabiliteringsgebieden, de regeling steun voor bedrijven 1989, of de verordening steun voor bedrijven 1992; of de ondernemer aanspraak kan maken op subsidie dan wel subsidie heeft ont­vangen op grond van een andere subsidieregeling, anders dan op basis van het Bijstandsbesluit zelfstandigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder d, kan aan een ondernemer, indien hij op basis van een andere regeling een lagere subsidie zou ontvangen dan op basis van deze regeling, suppletie worden verleend, opdat hij toch een­zelfde subsidie ontvangt als hij op basis van deze paragraaf zou hebben ontvan­gen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de bij de subsidieaan­vraag te overleggen gegevens, dient bij een aanvraag voor subsidie een advies uitge­bracht door het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf Oost-Brabant te worden overgelegd, welk advies dient ter ondersteuning van de aanvraag en waaruit de le­vensvatbaarheid van het bedrijf blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Indienintermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet bij het college worden ingediend voordat de onder­nemer overgaat tot uitvoering van zijn voor­nemens waarvoor subsidie wordt ge­vraagd, tenzij sprake is van voorzetting van het bedrijf en subsidie wordt gevraagd wegens winstdaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een subsidie in het kader van deze regeling bedraagt per ondernemer maximaal € 22.690,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van verplaatsing bedraagt subsidie tweemaal het verschil op jaarbasis tussen de huisvestingskosten (exclusief energiekosten) van het oorspronkelijke en van het te betrekken bedrijfspand.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van verplaatsing kan subsidie worden verstrekt in de vorm van: een subsidie voor de verhuiskosten zijnde 50% van de werkelijk gemaakte ver­huiskosten; een bijdrage in de geraamde herinrichtingskosten, zijnde 30% van de herin­richtingskosten van het te betrekken bedrijfspand; of een bijdrage in de winstdaling ten gevolge van bedrijfsstagnatie, voor ten hoogste € 454,-- per week over de periode dat het bedrijf ten gevolge van de verplaatsing stilligt tot ten hoogste zes weken in totaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In geval van beëindiging bedraagt subsidie 30% van de totale winst over de drie aan het boekjaar voorafgaande boekjaren waarin de aanvraag voor subsidie is ingediend. De subsidie bedraagt minimaal € 4.538,-- en maximaal € 11.345,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In geval van voortzetting kan een subsidie worden verstrekt in de vorm van: een subsidie wegens winstdaling ten bedrage van het verschil tussen de winst van de ondernemer in het boekjaar van zijn aanvraag dan wel het daaropvol­gende boekjaar en zijn gemiddelde winst over de laatste drie jaren vooraf­gaande aan het jaar van indiening van de aanvraag, voor zover deze winst lager is dan € 22.690,--; een subsidie in de verbouwingskosten, ten bedrage van 30% van de ver­bouwingskosten, zoals bedoeld in het vijfde lid van artikel 5; een subsidie voor hogere huurlasten ten gevolge van bouwkundige werk­zaamheden aan de door de ondernemer gehuurde bedrijfsruimte ten bedrage van tweemaal het verschil tussen het oude en nieuwe huurbedrag op jaarbasis; een subsidie voor herinrichtingswerkzaamheden ten gevolge van bouwkundi­ge werkzaamheden, ten bedrage van 30% van de herinrichtingswerkzaamhe­den; een subsidie van ten hoogste € 454,-- per week over ten hoogste zes weken, als bijdrage in de winstdaling wegens bedrijfsstagnatie, indien ten gevolgde van de bouwkundige werkzaamheden de bedrijfsactiviteiten niet kunnen worden doorgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrek­king op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het bedrag waarvoor op grond van alle tijdig ingediende aanvragen groter is dan het op grond van het eerste lid vastgestelde subsidieplafond, beslist het college op de aanvragen in volgorde van binnenkomst. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 Awb de gelegen­heid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, voor de verdeling als datum van ont­vangst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een aanvrager wiens aanvraag wordt afgewezen op grond van het bepaalde in het tweede lid, kan zijn aanvraag in een daarop volgend jaar opnieuw indienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen voor de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent verplichtingen voor de subsidie­ontvanger, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen, welke bij de subsidieverlening worden opgelegd: de subsidieontvanger die in geval van verplaatsing of voortzetting subsidie ont­vangt, is verplicht zijn bedrijf gedurende drie jaar te blijven uitoefenen op de nieuwe locatie; de subsidieontvanger die een beëindigingsubsidie ontvangt mag niet opnieuw binnen de gemeente Eindhoven een bedrijf gaan uitoefenen;de subsidieontvanger dient desgevraagd naast door het college aangewezen perso­nen ook aan door het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf Oost-Brabant aange­wezen personen inzage te geven in zijn boeken en bescheiden en toegang te verle­nen tot zijn bedrijfsruimten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 omtrent de subsidievaststelling, dient de subsidieontvanger binnen 12 weken na afloop van het boekjaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft bij het college de bescheiden te overleggen waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van beëindiging wordt subsidie door het college vastgesteld nadat de ondernemer de gemeente in de gelegenheid heeft ge­steld te constateren dat de bedrijfsbeëindiging heeft plaatsgevonden en financiële verantwoording is afge­legd door de ondernemer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting en betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een voorschot op de subsidie verstrekken van maximaal 75%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het subsidiebedrag wordt met verrekening van de reeds betaalde voorschotten vier weken na de vaststelling van de subsidie door het college aan de subsidie­ontvanger of de door hem aangewezen persoon betaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college publiceert jaarlijks in het kader van het Meerjarenplan Stadsbeheer een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verstrekte subsidies in het kader van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen ter bepaling van de aard van de werkzaamhe­den waarvoor subsidie kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf4.1.2.Het Focus Investeringsfonds.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ingetrokken - Sub-paragraaf4.1.3.Het Investeringsfonds Eindhoven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: startende ondernemers: ondernemers behorende tot het Midden- en Kleinbedrijf die niet langer dan één jaar ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel; bestaande ondernemers: ondernemers behorende tot het Midden- en Kleinbedrijf die langer dan één jaar ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel; doelgebied: het doelgebied betreft de gemeentegrenzen van Eindhoven; subsidieverlening: het verlenen van subsidie in de vorm van een krediet tegen een marktconforme rente aan startende of bestaande ondernemers behorende tot het Midden- en Kleinbedrijf in Eindhoven; marktconforme rente: rente zoals op de markt wordt gehanteerd, welke gekop­peld is aan het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, met een looptijd van zeven jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden- en Kleinbedrijf: een bedrijf, niet zijnde een vereniging of stichting, waar­binnen minder dan 50 personen werkzaam zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">BKR-toetsing: toetsing via het landelijk instituut voor Bureau Krediet Registratie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komt slechts in aanmerking een startende of bestaande onderne­mer die voldoet aan de volgende criteria: het bedrijf van de ondernemer maakt geen deel uit van een van een (lokale) keten met meer dan 50 werknemers; het bedrijf van de ondernemer staat als rechtsvorm ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; de ondernemer wordt door de Belastingdienst aangemerkt als ondernemer, dan wel zal volgens het ingediende ondernemingsplan binnen drie jaar na subsidieverlening aan de hiervoor geldende criteria van de Belastingdienst voldoen; en het bedrijf is gevestigd binnen de Eindhovense gemeentegrenzen of voldoen­de concreet wordt aangetoond dat het bedrijf binnen drie maanden na sub­sidieverlening binnen de Eindhovense gemeentegrenzen zal zijn gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot subsidieaan­vragers mag de rechtspersoon statutair gevestigd zijn buiten Eindhoven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele subsidie verlenen aan startende of bestaande ondernemers ten behoeve van investeringen in het bedrijf c.q. bedrijfsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om in aanmerking te komen voor subsidie dient aan de volgende criteria te wor­den voldaan: uit het ondernemingsplan moet blijken dat het bedrijf levensvatbaar is: op het niveau van het bedrijf of de persoon van de startende of bestaande ondernemer; op het niveau van de bedrijfsmatigheid van het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd; de ondernemer moet er als persoon een solide financiële handelswijze op na­houden; het bedrijf kan niet op andere wijze in de financiering voorzien; de financiering mag geen betrekking hebben op sanering van schulden, dan wel op een afbouw van de bedrijfsactiviteiten; het bedrijf moet zich rechtmatig kunnen vestigen dan wel rechtmatig zijn ge­vestigd; het bedrijf mag niet in staat van faillissement, vereffening, surséance van beta­ling of akkoord verkeren, dan wel dat of faillissement zijn ingediend dan wel reeds aanhangig zijn; en per bedrijf en per ondernemer mag geen andere aanvraag voor subsidiever­lening, zoals bedoeld in deze paragraaf in behandeling zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het maximum subsidiebedrag dat wordt verleend, bedraagt per startende of be­staande ondernemer e 50.000,-- in een periode van drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag kan niet hoger zijn dan de investeringen in het bedrijf c.q. be­drijfsmiddelen waarop de gevraagde subsidie betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ter uitvoering van deze paragraaf nadere regels stellen omtrent het maximum subsidiebedrag per bedrijf in een bepaalde branche indien de diversiteit in de branches dreigt te worden verstoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen voor de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de verplichtingen van de subsidieontvanger legt het college bij subsidieverlening de volgende ver­plichtingen op: de verleende subsidie moet uiterlijk binnen een periode van zeven jaar wor­den afgelost. Het college kan nadere voorwaarden verbinden aan de aflossing; en voor de subsidie is een marktconforme rente verschuldigd, welke maandelijks aan de gemeente Eindhoven dient te worden betaald. De verplichting tot rentebetaling stopt wanneer de subsidie volledig is terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de verplichtingen van de subsidieontvanger kan het college bij subsidieverlening de volgende ver­plichtingen opleggen: de verplichting tot het vestigen van een recht van pand op goederen waar­voor subsidie wordt verleend; de verplichting tot het vestigen van een recht van hypotheek op goederen waarvoor subsidie wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot subsidieweigering wordt subsidie geweigerd indien: het bedrijven betreft in de volgende branches: prostitutie; sekswinkels; coffeeshops; growshops; belwinkels; bij indiening van de subsidieaanvraag blijkt dat sprake is van een negatieve registratie bij het BKR.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond wordt als volgt bepaald. Bij inwerkingtreding van deze rege­ling is e 2.000.000,-- beschikbaar. Verleende subsidies worden hierop in minde­ring gebracht, terwijl terugbetaalde subsidies hieraan worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college stelt aan de hand van de terugbetaalde subsidies, per jaar, of voor een kortere periode, het subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het bedrag waarvoor op grond van ingediende aanvragen subsidie wordt gevraagd groter is dan het plafond, beslist het college op de aanvragen in de volgorde waarin de aanvragen zijn binnengekomen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor de verdeling als datum van ontvangst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de indieningtermijn kan een subsidieaanvraag doorlopend bij het college worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 van de Awb en het bepaalde in hoofd­stuk 1 met betrekking tot de in te dienen gegevens bij een subsidieaanvraag ver­strekt de subsidieaanvrager de volgende gegevens: een ondernemersplan; een investerings- en kostenbegroting; een financieringsplan; een verklaring van een commerciële bank dat geen krediet wordt verschaft; een kopie van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel; een kopie van een geldig legitimatiebewijs; bij een bestaand bedrijf een kopie van de laatste jaarstukken; bij een bestaand bedrijf een kopie van de laatste aangifte inkomstenbelasting; een kopie van de relevante diploma’s en vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidieaanvraag geschiedt middels een door het college vastgesteld aan­vraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens te beslissen op de aanvraag kan het college advies inwinnen bij deskundi­gen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De termijn als bedoeld in het eerste lid kan door het college in bijzondere om­standigheden ter beoordeling aan het college met een termijn van acht weken worden verlengd. Het college informeert de aanvrager hierover schriftelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling subsidie en bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidiebedrag wordt binnen acht weken na het verlenen van subsidie uit­betaald aan de subsidieaanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover in het besluit tot subsidieverlening is bepaald dat voorschotten wor­den verleend, is het eerste lid niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidievaststelling vindt plaats na de periode, zoals genoemd in de beschikking waarvoor subsidie is verleend, dan wel zoveel eerder als de subsidie is terugbe­taald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de aanvraag tot subsidievaststelling dient de subsidieontvanger binnen twee maanden na de in het eerste lid genoemde termijn een verzoek tot subsidievaststelling in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking, wijziging van de subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gevallen genoemd in artikel 4:50 van de Awb en het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot intrekking, wijziging van de subsidieverlening kan het college de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen in­dien: de subsidieontvanger wijzigingen in aanwending van de subsidie niet vooraf ter beoordeling heeft voorgelegd aan het college; de subsidieontvanger de bedrijfsactiviteiten beëindigt; de subsidieontvanger zich niet binnen drie maanden na subsidieverlening binnen de Eindhovense gemeentegrenzen heeft gevestigd; de subsidieontvanger niet binnen drie jaar na subsidieverlening door de Belas­tingdienst als ondernemer wordt aangemerkt; de subsidieontvanger het economisch eigendom van de bedrijfsactiviteiten waar­voor de subsidie is verleend binnen vijf jaar na subsidieverlening overdraagt; de subsidieontvanger de voorwaarden in deze verordening, de beschikking of de uitvoeringsovereenkomst bij de beschikking niet nakomt; de rechtsvorm gewijzigd dan wel ontbonden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf4.1.4.Cameratoezicht bedrijventerreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt onder deelnemende bedrijven verstaan: bedrijven die deelnemen aan de collectieve beveiligingsinitiatieven van de in deze paragraaf genoemde bedrijvenverenigingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een incidentele investeringssubsidie verlenen voor de realisatie van camerabeveiliging aan Eindhovense bedrijvenverenigingen, mits voldaan wordt aan de volgende criteria: aansluiting op de centrale Regionale Toezicht Ruimte via de EFX voor opvolging en uitkijken van beelden;. uitvoering conform realisatieplan vóór 1 maart 2012; de investeringen vinden plaats na 31 december 2010 en tot 1 maart 2012; de aanvraag past in de vastgestelde beleidskaders zoals vermeld in de nota Bedrijventerreinen gemeente Eindhoven, samenwerking en profilering (vast­gesteld door de raad op 1 december 2009), de nota Beleidskader Integrale veilig­heid 2010-2013 (vastgesteld door de raad op 17 november 2009) en de notaCameratoezicht, artikel 151c Gemeentewet en bedrijventerreinen 2010 (vast­gesteld door de raad op 4 maart 2010) .</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Subssidieaanvragers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen slechts in aanmerking de volgende Eindhovense bedrijven­verenigingen: Ondernemerskontakt “De Hurk”, Ondernemerskontakt Eindhoven Airport, Ondernemerscontact Kapelbeemd, Belangenvereniging Bedrijventerrein Achtse Barrier, Belangenvereniging Bedrijventerrein Rapenland, Bedrijvenkontakt “De Kade”, Ondernemersvereniging Bedrijvenpark Esp en ondernemersvereniging Bedrijventerrein 8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gegevens bij de subsidieaanvraag overlegt subsidieaanvrager een bedrijfsplan, dat ten minste inzage geeft in: een functionele, kwalitatieve en geografische beschrijving; een realisatieplan met startdatum, einddatum en fasering; de wijze waarop de exploitatie van de camerabeveiliging voor de komende 5 jaar (minimale termijn) geborgd zal worden; een overzicht van de deelnemende bedrijven met daarbij een vermelding van de prijs, prestatie, dienstverlening van de activiteiten per bedrijf; de maximaal benodigde subsidie; de gevolgen indien de benodigde subsidie niet of deels wordt toegekend; de optimalisatiemogelijkheden en wijze van optimalisatie door samenwerking met andere bedrijventerreinen; de op te stellen protocollen en opvolging volgens de vastgestelde beleidskaders genoemd in artikel 2 onder d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een subsidie in het kader van deze paragraaf bedraagt maximaal 50% van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als subsidiabele kosten worden aangemerkt: de installatie en aanschaf van de software, camera’s en andere hardware ten behoeve van camerabewaking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college vóór 31 december 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een aanvraag voor subsidie wordt beslist vóór 1 maart 2011.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf bedraagt €500.000,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Verdeling van de subsidie: bij de eerste stap wordt het beschikbare bedrag verdeeld over alle deel­nemende bedrijven; bij de tweede stap wordt, indien een hoger bedrag gesubsidieerd zou moeten worden dan 50% van de subsidiabele kosten per bedrijventerrein, dit meerde­re niet uitgekeerd, maar verdeeld over de andere projecten; de tweede stap wordt zo nodig herhaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting en betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verstrekt de subsidieontvanger een voorschot van 90% van het ver­leende subsidiebedrag. Dit voorschot wordt binnen 6 weken na het besluit tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de vaststelling van de subsidie vindt verrekening plaats met het reeds uit­betaalde voorschot en wordt het eventuele restant binnen 6 weken na de vast­stelling uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het colle­ge binnen 6 weken na uitvoering van het realisatieplan, doch uiterlijk 14 april 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie overlegt de aanvrager een schriftelijke verantwoording met accountantsverklaring over uitvoering en bestede middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf komt te vervallen op 1 juni 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.2.Werkgelegenheid en arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf4.2.1.Gesubsidieerde arbeid, flexvergoeding en opstapbaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: cliënt: de persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de Wet werk en bijstand of de jongere van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 27 jaar die op grond van de Wet investeren in jongeren recht heeft op een werkleeraanbod; uitkeringsgerechtigde: de inwoner van Eindhoven met een uitkering ingevol­ge de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomens voorzieningen oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inko­mensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelf­standigen (IOAZ); jongere: de persoon van 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar die op grond van de Wet investeren in jongeren recht heeft op een werkleeraanbod; kunstenaar: de persoon die jegens het college recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaar (WWIK); echtgenoot: de echtgenoot van de kunstenaar als bedoeld onder d, waaronder begrepen de geregistreerde partner, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van de WWIK en de ongehuwd samenwonende bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van de WWIK; arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid waar­bij geen gebruik gemaakt wordt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de Wet werk en bijstand; werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in enige vorm een onderne­ming drijft bij wie tenminste één werknemer in dienst is; flexvergoeding: subsidie aan de werkgever voor de te plegen inspanningen van de werkgever om de re-integratie van cliënten naar een reguliere functie te bevorderen zoals bedoeld in artikel 8 van de Re-integratieverordening ge­meente Eindhoven; opstapbaan: subsidie aan de werkgever voor de te plegen inspanningen van de werkgever om de re-integratie van uitkeringsgerechtigden en jongeren naar een reguliere functie te bevorderen, zoals bedoeld in artikel 9 van de Re-integratieverordening gemeente Eindhoven; begeleidingsvoucher: voucher dat ter beschikking wordt gesteld aan de cliënt en die de werkgever kan omzetten in een subsidie voor begeleiding aan de cliënt, gericht op het behouden van de arbeidsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub-paragraaf4.2.1.1.Flexvergoeding.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ingetrokken - Sub-paragraaf4.2.1.2.Opstapbaan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een incidentele subsidie verlenen aan een werkgever ten behoe­ve van een door het college vastgesteld traject gericht op arbeidsinschakeling van een uitkeringsgerechtigde of jongere of van een kunstenaar of diens echtgenoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 komt voor subsidie in aanmerking de werkgever en die een arbeidsovereenkomst sluit met een uitkeringsgerechtigde of jongere of kunstenaar of diens echtgenoot waarvan is vastgesteld dat arbeids­inschakeling van de uitkeringsgerechtigde of jongere of de kunstenaar of diens echtgenoot na de periode waarvoor subsidie is verleend naar verwachting moge­lijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De subsidie wordt verleend voor maximaal de periode van één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan de periode als bedoeld in het derde lid eenmalig voor maximaal de periode van één jaar verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieweigering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie wordt geweigerd indien hierdoor de concurrentieverhoudingen on­verantwoord worden beïnvloed en/of er verdringing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie wordt geweigerd indien ten aanzien van een eerder verleende sub­sidie sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van de afspraken die zijn vast­gelegd in de intentieverklaring als bedoeld in artikel 16 sub c.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag opstapbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast het bepaalde in artikel 4:2 van de Awb en het bepaalde in hoofdstuk 1 met betrekking tot de in te dienen gegevens bij een subsidieaanvraag, moeten bij een aanvraag om subsidie de volgende bescheiden worden overlegd: een volledig ingevuld en ondertekend vastgesteld aanvraagformulier; en een kopie van de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 14, tweede lid, waarin in ieder geval zijn opgenomen de arbeidsduur per week, de ingangsdatum van de dienstbetrekking, de naam van de werkgever, de naam, de geboortedatum en sofi-nummer van de werknemer en het bruto salaris; en een intentieverklaring waarin is opgenomen dat de werkgever bij het succesvol doorlopen van het traject van de uitkeringsgerechtigde of jongere of van een kunstenaar of diens echtgenoot een reguliere arbeidsovereenkomst voor mini­maal de periode van een jaar zonder proeftijd afsluit met de uitkeringsgerech­tigde of jongere of met de kunstenaar of diens echtgenoot, direct volgend op de periode waarvoor subsidie is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningtermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet ingediend worden binnen drie maanden nadat de werkgever een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, heeft afgesloten met de uitkeringsgerechtigde of jongere of met een kunstenaar of diens echtgenoot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel18</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidiebedrag bedraagt 100% van het bruto loon, gebaseerd op een full-time dienstverband van de van toepassing zijnde CAO of rechtspositieregeling doch nooit meer dan 100% van het wettelijk minimum (jeugd) loon.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het subsidiebedrag wordt naar rato verminderd indien een deeltijd dienstver­band wordt aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De loonkosten in verband met overwerk en onregelmatige diensten zijn niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verlaagd in evenredigheid met het aantal werkdagen van het subsidieverleningtijdvak waarin het dienstverband niet meer wordt vervuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 is de werkgever verplicht het college on­middellijk mededeling te doen van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de verleende subsidie, onder overlegging van bewijs­stukken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het subsidieplafond voor het subsidiëren van activiteiten, zoals bedoeld in deze paragraaf, wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde programmabegroting, vóór aanvang van het tijdvak waar de acti­viteiten betrekking op hebben.</p></div>", "next": 239713}