{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Er zijn forse beperkingen bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag. Er zijn forse beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Tevens kan er bij aanvang van de ondersteuning sprake zijn van een beperkt zelfinzicht in hun eigen aandeel in (interactie)problemen en/of kan het ontbreken aan motivatie om doelgericht te gaan werken aan (herstel)doelen. Begeleiding is nodig bij beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningspakket dat past bij ondersteuningsprofiel beschermd wonen midden omvat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier uur directe individuele begeleiding per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschermde woonomgeving met continue intensieve begeleiding en een slapende wacht in de nacht (24 uur per dag beschik- en bereikbaarheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.Beschermd Wonen Profiel Hoog Cliënten hebben een actieve (complexe) psychiatrische aandoening, vaak in combinatie met ernstig gedragsproblematiek, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap, een verstandelijke beperking en/of een verslaving. Cliënten zijn beperkt gevoelig en gemotiveerd voor begeleiding en correctie, hebben geen inzicht in hun eigen aandeel bij (interactie)problemen en er is een relatief beperkt leervermogen. Er is sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatie, dwangmatig, destructief en reactief gedrag (o.a.) met betrekking tot interactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is zeer intensieve zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving (gecontroleerde in- en uitgang). Deze intensieve ondersteuning en begeleiding zijn gericht op het (in de eerste instantie) overnemen van taken op alle levensterreinen, het leren omgaan waar mogelijk met de beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek en is continue aanwezig. Deze begeleiding is tevens waar mogelijk gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Cliënten zijn nauwelijks in staat om sociale relaties te onderhouden en invulling te geven aan de dag. Er ontbreken vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Het aanleren van deze vaardigheden is bijna niet mogelijk. Begeleiding en/of overnemen van het beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen is nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningspakket dat past bij zorgprofiel beschermd wonen hoog omvat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal zeven uur directe individuele begeleiding per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschermde woonomgeving met continue intensieve begeleiding en een wakende wacht in de nacht (24 uur per dag direct aanwezig).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.24-uurs aanwezigheid begeleiding binnen Beschermd Wonen Bij de beschermende woonomgeving is 24-uurs aanwezigheid van begeleiding inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om aanwezigheid en observatie gedurende het gehele etmaal. Bij cliënten die 24-uurs en ongeplande ondersteuning nodig hebben, kan immers op ieder moment iets (ernstig) misgaan. Observatie heeft als doel dat er tijdig ingegrepen kan worden om escalatie en onveilige situaties te voorkomen. In de nachten is spraken van wakende of slapende begeleiding. Wanneer cliënten structureel logeren bij familie, vrienden of op andere plekken dient dit afgestemd te worden met de plaatsingscoördinator van beschermd wonen. N.a.v. dit contact kunnen maatwerkafspraken gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8.PGB Beschermd Wonen Beschermd wonen kent twee verzilveringsvormen: zorg in natura en via een persoonsgebonden budget (pgb). Bij een persoonsgebonden budget krijgt de cliënt via de Sociale Verzekeringsbank een geldbedrag om zelf de benodigde ondersteuning in te kopen. Voor het beheren van een pgb zijn wel bepaalde kennis en vaardigheden nodig. Aan de hand van het pgb-vaardigheidsonderzoek welke bestaat uit: het uitvoeringsplan,, de zorgovereenkomst en het bewust keuze gesprek wordt beoordeeld of door het college van centrumgemeente Almere of de cliënt in pgb-vaardig is en beschermd kan wonen middels een pgb. Als een cliënt het pgb niet zelf kan beheren, dan kan een vertegenwoordiger (pgb-beheerder) deze taak overnemen. Ook de pgb-beheerder moet voldoende pgb-vaardig zijn. De cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder voor te dragen. Vervolgens geeft centrumgemeente Almere het besluit af, verstuurt de beschikking en zet het budget klaar bij de SVB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een cliënt kan zorg inkopen zodra de pgb-vaardigheid is vastgesteld én er een zorgovereenkomst is ingeleverd bij centrumgemeente Almere.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt mag het pgb beschermd wonen alleen inzetten voor wonen in een accommodatie met 24-uurstoezicht en -begeleiding. Het pgb is niet bedoeld voor begeleid of thuis wonen. Met het budget kan de cliënt individuele begeleiding, toezicht/aanwezigheid en dagbesteding inkopen. Centrumgemeente Almere vergoedt geen woonkostencomponent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor pgb kan door het college geweigerd worden op gronde van degeldende verordening van de gemeente Almere.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9.Pilots Beschermd Wonen Pilot Beschut Wonen Beschut wonen is een lichtere vorm van ondersteuning. Met beschut wonen bedoelen we een beschutte woonomgeving (appartementencomplex, etage flat, omgebouwde rijtjeswoning) waar aan meerdere bewoners met een vergelijkbare ondersteuningsvraag structuur wordt geboden. Er is een combinatie van toezicht (overdag op vaste tijden) en achterwacht beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft wonen in een accommodatie waarbij een beroep gedaan kan worden op 24-uurs ondersteuning. De accommodatie ligt op maximaal 30 minuten afstand van de beschermd wonen locatie. Er is sprake van geplande individuele ondersteuningsmomenten. Naast deze ondersteuningsmomenten kan de cliënt gebruik maken van de beschik- en bereikbaarheid van 24-uurs ondersteuning. Cliënten kunnen daarnaast gebruik maken van de groepsactiviteiten op de beschermd wonen locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden om beschut te kunnen wonen is dat de cliënt in bezit is van een geldige indicatie voor beschermd wonen en woont binnen een beschermd wonen instelling. Het uitgangspunt is dat beschut wonen plaatsvindt in de herkomst gemeente van de cliënt. Tenzij er binnen de gemeente van herkomst geen beschutte woonplekken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Centrale Toegang (CT) voor beschut wonen is belegd bij GGD Flevoland. Een melding voor beschut wonen kan gedaan worden bij de CT. GGD Flevoland voert in opdracht van gemeente Almere een onderzoek uit naar de noodzaak voor beschut wonen. Hiervan wordt een onderzoeksverslag gemaakt. In een multidisciplinair overleg (MDO) komt het advies voor de toegang tot beschut wonen tot stand. Het team met toegangsbepalers van de GGD Flevoland is verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk advies op het onderzoeksverslag. Het advies wordt gedeeld met gemeente Almere. Gemeente Almere heeft de verantwoordelijkheid om te beslissen op de aanvraag voor beschut wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van gemeente Almere kan een indicatie voor beschut wonen verstrekken waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de cliënt problemen ondervindt bij het zich kunnen handhaven in de samenleving en de daarbij behorende beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pilot Gewoon Thuis Gewoon Thuis biedt 24-uurs ondersteuning en bescherming in de thuissituatie. Gewoon Thuis schaalt ondersteuning op- en af naar behoefte en sterkt cliënten in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met een pakket aan ondersteuning op maat kunnen zij in hun eigen huis blijven wonen. Het beoogde effect van Gewoon Thuis is voorkomen van instroom- en bevordering van een snellere uitstroom uit beschermd wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iemand komt in aanmerking voor Gewoon Thuis wanneer: er sprake is van een psychiatrische/ psychische aandoening, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit haalbaar door actief monitoren, het ondersteunen van net verworven stabiliteit te behouden, meer te verkrijgen en te bestendigen. Er is een noodzakelijkheid van geplande en ongeplande ondersteuning met 24-uurs beschik- en bereikbaarheid op afroep omdat de cliënt mogelijk niet ten allen tijden in staat is het gedrag te begrenzen, te stabiliseren en te reguleren. Er zijn beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en/of bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken, wat vraagt om gevraagde en ongevraagde ondersteuning omdat het anders leidt tot overlast, agressie of schade aan het welzijn van de cliënt en diens omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanmelding van een cliënt voor Gewoon thuis, kan o.a. vanuit het Sociaal team of vanuit de GGD via de mail gestuurd worden naar beschermdwonen@noordoostpoder.nl. De aanmelding wordt gedaan via het aanmeldformulier Gewoon thuis. De procesbegeleider van het Sociaal team initieert een planbijeenkomst. In aanwezigheid van cliënt wordt de ondersteuningsvraag onderzocht. Hierbij zijn naast de cliënt aanwezig de melder (professional van het Sociaal team of de GGD), specialist vanuit de gemeente met perspectief regie op de beschikking. En eventueel andere relevante partijen. Tijdens de pilotfase kan aanbieder van Gewoon thuis Kwintes gevraagd worden om deel te nemen aan de planbijeenkomst voor advies. Het is aan de gemeente om te beoordelen of cliënt geschikt is voor Gewoon thuis. De beschikking Gewoon thuis wordt door het college van gemeente Noordoostpolder afgegeven. Een beschikking kan in het pilotjaar voor zes maanden afgegeven worden. Er is verlenging mogelijk.Hoofdstuk 8 Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 van de Verordening (ondersteuning gericht op het wonen)</h3>\n<p class=\"lf-p\">8.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader wordt ook nog opgemerkt dat in de Verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de Verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De Verordening bepaalt bijvoorbeeld dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Hoofdverblijf Artikel 7.1 van de Verordening Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1 Uitzondering hoofdverblijf Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4Primaat van verhuizen Artikel 7.3 van de Verordening Omdat het college in principe de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij het verzoek om een woningaanpassing en/of een traplift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële maatwerkvoorziening verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 7.3, tweede lid, van de Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor komen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier wel hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangewezen woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zolang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. b Het kan bijvoorbeeld zijn dat in de nieuwe beschikbare op dat moment meest geschikte woning ook weer aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Bij de aanvraag om een traplift kan dat anders liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is beoordeeld het college op basis van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 7.4, eerste lid, van de Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 7.4, derde lid aanhef en onder f, van de Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6Specifieke criteria Artikel 7.4 van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geen dringende reden is om te verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag gericht op renovatie of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een uitraaskamer te realiseren. De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het verstrekken van een uitraaskamer zijn: de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding), de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht), er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragsstoornis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht (art. 4.3 eerste lid aanhef en onder c van de Verordening). Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor hen, dan is er geen sprake van een uitraasruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust kunnen komen van de cliënt. Daarom moet de ruimte prikkelarm en veilig zijn. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht door de ouders mogelijk maken. Uit het medisch advies (door een arts) moet blijken of de cliënt is aangewezen op een uitraasruimte én de eisen waaraan die ruimte moet voldoen. Mogelijk dat het college ook kan volstaan met een aanpassing van een bestaande ruimte, bijvoorbeeld de slaapkamer van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.1 Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.2 Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.3 Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers, de mogelijkheden van de cliënt/het kind, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, de beschikbare ruimte, de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.4 Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de \"natte cel\" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke zaak worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt overigens wel of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijk kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6Woningaanpassing Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw of er sprake is van renovatie. Wel kan van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten mogelijk worden gevergd dat de taakverdeling wordt aangepast. Uit jurisprudentie blijkt dat, wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college is. Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden van de woningaanpassing. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college dat aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de voltooiing van de werkzaamheden zal de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen van de werkzaamheden in moeten leveren. Dan kan de definitieve hoogte van het pgb worden opgemaakt. Bij de gereedmelding moet door de cliënt ook een verklaring worden bijgevoegd waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verstrekt. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7Zich verplaatsen in en om de woning Artikel 7.5 van de Verordening Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als de cliënt zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik Het gebruiksgebied De aandrijving door middel van het eigen lichaam door het bedienen van een aandrijfmechanisme voortduwen door anderen De zithouding en de eisen aan de ondersteuning De meeneembaarheid Antropometrische gegevens 8.8Rolstoelen Er zijn verschillende soorten rolstoelen te onderscheiden: handbewogen rolstoelen; elektrische rolstoelen; kinderrolstoelen; stoelen op wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.1 Handbewogen rolstoelen Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor degene die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.2 Elektrische rolstoelen Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen: elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen; elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking komen als vervoersvoorziening en kan een korting gelden op de financiële tegemoetkoming voor vervoer; rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.3 Kinderrolstoelen Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal voorzieningen wordt in principe standaard aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw. In voorkomende gevallen neemt de gemeente contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.4 Stoelen op wielen Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zorgverzekeringswet. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.5 Aanpassingen aan rolstoelen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderscheid in aanpassingen is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zit-, rug- en ondersteuningsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijgedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bediening en/of besturing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.6 Rolstoelaccessoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de verstrekking Bij een maatwerkvoorziening in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Cliënten zijn geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.7 Kosten rolstoeltraining Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn. Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer Artikel 5.2 en hoofdstuk 8 van de Verordening 9.1Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand. Voor de langere afstand hanteert het college in principe het primaat van de Regiotaxi. Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Beoordelingskader vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Naast het vereiste dat er geobjectiveerde beperkingen moeten worden ondervonden in het zich lokaal verplaatsen is een te verstrekken vervoersvoorziening afhankelijk van de vervoersbehoefte en de andere vervoersmogelijkheden van de cliënt. Daaronder worden ook de mogelijkheden van de sociale omgeving van iemand verstaan en in het kader van gebruikelijke hulp. Dit is een belangrijk onderdeel van het onderzoek zoals dat tijdens het vraagverhelderingsgesprek zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat het collectief vraagafhankelijk vervoer (de Regiotaxi) geschikt is voor de verplaatsingen op de middellange afstand en dat het primaat van het collectief vervoer wordt gehanteerd. Of gebruik van de Regiotaxi voor deelname aan het maatschappelijk verkeer kan worden aangemerkt als passende bijdrage in het individuele geval, is afhankelijk van de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen op de middellange afstand. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen. Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het collectief vervoer niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een voorziening die voldoende ondersteuning biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van maximaal 1500 tot 2000 kilometer per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening en wordt door het college gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve) vervoersvoorziening worden de volgende zaken meegenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel); in staat gebruik te maken van de scootmobielpool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie en begeleiding van de reis: kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage is het noodzakelijk de vervoersbehoefte van de cliënt vast te stellen. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; het verplaatsingsmotief (waarom); en de verplaatsingsbestemming (waarheen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuningsplicht voor deelname aan het maatschappelijk verkeer is in beginsel gericht op “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving”. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen. Bestaat er geen aanspraak op medisch vervoer, dan valt het vervoer in verband met therapie of het bezoeken van medische behandelaars ook onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2010:BL4037). Wel is het zo dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld winkels voor het doen van boodschappen en het ziekenhuis. De ondersteuningsplicht van het college is gericht op de lokale vervoersbehoefte waarin bovengenoemde aspecten te bereiken zijn. Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een Wlz--instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4Bovenlokaal vervoer Maatwerkvoorzieningen die gericht zijn om zich boven-lokaal te kunnen verplaatsen of om maatwerkvoorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan (in principe) niet onder de ondersteuningsplicht van het college. Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5Beleidsuitgangspunten Het college hanteert de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets, brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voor komen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Bij de beoordeling wordt ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of gedragsstoornis van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke dienst of zaak zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie paragraaf 3.3 Algemeen gebruikelijk van de beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang Uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen. Dit is ook neergelegd in de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(en) kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen mogelijkheden van de cliënt. Denk ook aan de hulp van de huisgenoot in het kader van gebruikelijk hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van 1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medisch vervoer Onderdeel van een lokale vervoersbehoefte kan een ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met de maatwerkvoorziening collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is in beginsel gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Voor zover geen aanspraak bestaat op medisch vervoer op grond van de Zvw, valt het 'medisch' vervoer onder de Wmo 2015 (CRVB:2010:BL4037). Denk bijvoorbeeld aan het bezoek aan de huisarts of specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere wettelijke aanspraak Volgens de Verordening is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35, derde lid, WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6Primaat Regiotaxi De Regiotaxi is collectief aanvullend openbaar vervoer. Of gebruik van deze maatwerkvoorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage, is afhankelijk van de vraag of de cliënt daar - medisch gezien - gebruik van kan maken, al dan niet met begeleiding. Heeft de cliënt (medische) begeleiding nodig bij dat vervoer, dan moet hij daarin beginsel - zelf zorg voor dragen. Bij het bezit van een begeleiderspas, heeft de begeleider gratis toegang voor het collectief vervoer. Verder is het afhankelijk of de Regiotaxi vervoer gelet op de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen geschikt is. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen waarmee de Regiotaxi voor de korte afstand een passende bijdrage kan zijn (vergelijk CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage. In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van de Regiotaxi kan het voor komen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat de Regiotaxi niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van de Regiotaxi betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101). Betreft het een minderjarig kind met beperkingen kan het college een uitzondering maken op het primaat van de Regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hardheidsclausule Om af te wijken van het primaat van de Regiotaxi kan onder zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast. Het gaat er in voorkomende gevallen om dat er bij de cliënt ten opzichte van de personenkring die gebruik maakt (moet maken) van de Regiotaxi bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen waarom het college onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van het primaat. Deze omstandigheden moeten door de cliënt worden gesteld en zonodig desgevraagd worden onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ritbijdrage Regiotaxi Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Gebruikers van de Regiotaxi zijn in dat kader een de zogeheten ritbijdrage verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van de Regiotaxi kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kostenaspect Het college is niet gehouden om het kostenaspect ambtshalve te beoordelen. Het is ook niet zo dat het enkele feit dat de kosten van de door de cliënt gewenste vervoersvoorziening lager zouden kunnen zijn dan de (tot de individuele deelnemer herleide) kosten van de Regiotaxi meebrengt dat deelname daar aan geen passende bijdrage is, dan wel moet leiden tot de toepassing van de hardheidsclausule door het college (vergelijk CRVB:2013:2795 en CRVB:2009:BH5467).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals vervoersvoorzieningen en een gebruikerspas voor de Regiotaxi. Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een: scootmobiel, fietsvoorziening, of autoaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7.1 Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld de scootmobielpool geen passende oplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel, er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest), er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten scootmobieltraining Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel. De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen dan ook onder de Zorgverzekeringswet. Het college vergoedt daarnaast maximaal vijf gewenningslessen, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen door de cliënt, zoals een scootmobiel moet op een adequate wijze gebeuren. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan in dit kader als adequaat worden beschouwd. Ook het afdekken van de scootmobiel met een hoes, als de cliënt, zijn huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn, kan een adequate oplossing zijn, mits er een oplaadmogelijkheid voor handen is. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. Een adequate stallingruimte wil zeggen dat de scootmobiel droog staat in een afgesloten ruimte. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden, diefstal en vernieling. In de stallingsruimte kan ook een oplaadpunt nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7.2 Fietsvoorzieningen Het college zal tijdens het onderzoek beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of normale deelname aan het maatschappelijk verkeer is aangewezen op een elektrische fiets. Dit moet blijken uit de noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te wensen) activiteiten en draagt een elektrische fiets bij aan het opheffen of verminderen daarvan? In dat het geval, dan beoordeelt het college of een elektrische fiets voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden aan gemerkt. Heeft het verstrekken van een dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of afvallen), dan heeft het verstrekken daarvan een therapeutisch karakter en valt in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2013:BZ1741).</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7.3 Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de Regiotaxi bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voor komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan in ieder geval geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU7172).</p>\n<p class=\"lf-p\">Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voor komen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is Regiotaxi geen passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste zeven jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldigheidsduur van het rijbewijs wordt ook in ogenschouw genomen. Dit in verband met een eventuele keuring ter beoordeling van de rijgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonderheden De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de belanghebbende aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan vijf jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">BPM teruggave Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8Een gehandicaptenvoertuig Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter, niet langer dan 3,50 meter en niet hoger dan 2,00 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt en geen bromfiets is (art. 1 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijbanen gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8.1 Voorwaarden verstrekken gehandicaptenvoertuig Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen omdat de Regiotaxi of ander collectief vervoer al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is. Dergelijke situaties zullen zich in de praktijk zelden voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8.2 Brommobiel Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en geen gehandicaptenvoertuig is. De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9Bewoners Wlz-instelling In paragraaf 2.15 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening van de beleidsregels staat dat bewoners van een Wlz-instelling in aanmerking kunnen komen voor een vervoersvoorziening. Zij zullen in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan cliënten die nog zelfstandig wonen. Soms zijn er in het complex voorzieningen aanwezig, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, of ze zijn in de directe omgeving beschikbaar. Te denken valt aan Wlz-instellingen eventueel met aanleunwoningen of verpleeghuizen. Bovendien kan het zijn dat een aantal bestemmingen in de directe leefomgeving vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van (intramurale) Wlz-instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Ook worden sommige gezamenlijke sociale activiteiten vanuit de Wlz-instelling georganiseerd, inclusief vervoer (dagbesteding). Daarom kan de vervoersbehoefte bij de deelname aan het maatschappelijk vervoer verminderen. Het college houdt daar rekening mee de beoordeling van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is aangewezen om van A naar B te komen (in relatie tot het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving). Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in de Regiotaxi of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11Een sportvoorziening Voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer (participatie) kan het college sportvoorzieningen zoals een sportrolstoel verstrekken inclusief de daarmee gepaard gaande kosten van onderhoud, gebruik, verzekering en reparatie en eventuele noodzakelijke aanpassingen en accessoires.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11.1 Kenmerk sportrolstoel Deze rolstoelen kenmerken zich door scheefstand van de grote wielen en zijn vaak uitgerust met een doorlopende voetenplank in plaats van twee aparte voetensteunen. Een sportrolstoel is gericht op snelheid en wendbaarheid en stelt minder hoge eisen aan zitcomfort dan een rolstoel voor dagelijks gebruik. In principe zijn sportrolstoelen niet bruikbaar in de gewone leefsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11.2 Voorwaarden om voor de sportvoorziening in aanmerking te komen Tijdens het vraagverhelderingsgesprek wordt besproken of de cliënt serieus overweegt te gaan dan wel te blijven sporten. Daarbij wordt gekeken naar de bijdrage van sporten aan de maatschappelijke participatie en waarom andere oplossingen met hetzelfde doel niet mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verstrekking van een sportvoorziening wordt rekening gehouden met de gebruikelijke levensduur van zo’n voorziening. Dat wil zeggen dat het college maximaal eens per drie jaar een sportvoorziening verstrekt. Daar kan een uitzondering voor gelden als de eerder verstrekte dan wel met een pgb aangeschafte sportvoorziening technisch is afgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11.3 Aard van de verstrekking Een sportrolstoel kan in de vorm van in natura in bruikleen worden verstrekt. Het college schaft de sportrolstoel aan die bij de offertevergelijking als goedkoopste aanbieding is gedaan. Kiest de cliënt voor een pgb, dan bedraagt het pgb maximaal het bedrag dat bij de offertevergelijking als goedkoopste aanbieding is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een pgb kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verstrekt. Bij aanpassingen en accessoires gaat het uiteraard alleen om noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Tegemoetkoming meerkosten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11 van de Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">Besluit maatschappelijke ondersteuning 10.1Inleiding De tegemoetkoming meerkosten is een inkomensondersteunende maatregel en dus geen maatwerkvoorziening of pgb. De tegemoetkoming mag op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Het college kan ook overgaan tot uitbetaling op basis van een ondertekende offerte of proforma-factuur. Uit artikel 2.1.7 Wmo 2015 blijkt dat het bij de tegemoetkoming meerkosten niet hoeft te gaan om een cliënt want in het wetsartikel wordt gesproken over de persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem die in verband daarmee aantoonbare of aannemelijke meerkosten kan hebben. De tegemoetkoming dient ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. De Verordening bepaalt dat de tegemoetkoming betrekking heeft op de doelgroep die aannemelijke meerkosten heeft. De gemeenteraad maakt in de Verordening gebruik van het delegeren van regels aan het college (CRVB:2019:3206). Wie onder doelgroep valt ligt dan ook vast in het Besluit maatschappelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2Op aanvraag Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming gelden de regels van de melding van een ondersteuningsvraag en het onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) niet. Als hoofdregel geldt wel dat de tegemoetkoming slechts op aanvraag wordt verleend. De aanvraag moet worden ingediend in het kalenderjaar waarop de aannemelijke meerkosten betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Persoonsgebonden budget</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 van de Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">Besluit maatschappelijke ondersteuning 11.1Inleiding Een persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee de budgethouder de geïndiceerde maatwerkvoorziening kan inkopen als wordt voldaan aan de voorwaarden. Het college moet de cliënt tijdens het onderzoek ná de ondersteuningsvraag informeren over welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het pgb wordt door de Sociale verzekeringsbank (Svb) betaald aan een derde met wie de budgethouder een overeenkomst heeft afgesloten. Betaling van het pgb aan derden geldt ook voor eenmalige pgb’s die het college namens de Svb in mandaat verricht. Denk bijvoorbeeld aan een pgb voor de aanschaf van een scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen (art. 2.3.6, tweede en derde lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële maatwerkvoorziening voor bijvoorbeeld verhuis- en inrichtingskosten is geen pgb. Hiervoor gelden immers geen kwaliteits- en verantwoordingseisen en de tegemoetkoming wordt niet aan een derde maar aan de cliënt uitbetaald (al dan niet op declaratiebasis).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2Spoedeisende situatie: geen pgb Een pgb is niet mogelijk als het college, na de ondersteuningsvraag, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekt vanwege een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet. Immers, het onderzoek naar de vraag of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening moet nog worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3Pgb met terugwerkende kracht Artikel 9.1, tweede lid, van de Verordening De wet en Verordening bepalen dat de cliënt zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. De wet strekt er niet toe dat het college gehouden is om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de ondersteuningsvraag of de aanvraag is ingezet of aangeschaft (CRVB:2017:433). Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat wanneer een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4Noodzaak achteraf vaststellen Artikel 9.1, derde lid, van de Verordening Wanneer er sprake is van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening vóór ondersteuningsvraag of de aanvraag, geldt het volgende. Door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid worden ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode Artikel 9.1, vierde lid, van de Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet hulp met diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vraag kan zich voordoen omdat het pgb niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening hoeft te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819 en CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren op grond van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6Technisch geschikte maatwerkvoorziening Artikel 9.2, vijfde lid, van de Verordening De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Als het gaat om situaties waarbij de budgetperiode is verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7Termijn besteding pgb Artikel 9.2, zesde lid, van de Verordening Artikel 9.4, derde lid, van de Verordening De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder (cliënt) het pgb moet besteden. Die termijn is afhankelijk van de maatwerkvoorziening die met het pgb wordt ingekocht. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8Beoordelen voorwaarden recht op pgb Heeft het college vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening (natura), dan kan de cliënt verzoeken om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat het college daar een besluit over moet nemen. In deze beleidsregels worden verschillende criteria genoemd die het college hanteert bij de beoordeling. Daarmee is geen limitatief overzicht bedoeld, er kunnen ook andere criteria of voorbeelden aan de orde zijn. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die het college moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb-bekwaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivatie-eis wens pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besteding pgb geschikt voor het doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.1 Pgb-bekwaamheid De budgethouder moet pgb-bekwaam zijn. Dat wil zeggen dat de budgethouder, al dan niet met hulp van zijn vertegenwoordiger, in staat moet zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger Is de budgethouder niet pgb-bekwaam, dan kan een vertegenwoordiger dat overnemen. Het kan gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder, curator of mentor). Zonder volmacht kunnen de personen genoemd in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Dat moet het college dan onderzoeken. De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb. Blijkt uit onderzoek dat door de vertegenwoordiger onvoldoende gewaarborgde hulp wordt geboden, dan weigert het college het pgb. Deze weigeringsgrond is ook in de Verordening neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiger (specifiek) Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de herziening of intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgb-bekwaamheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conflicterende belangen Dit betekent dat een derde aan wie het pgb wordt besteed niet ook de vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) kan zijn. Het op verantwoorde wijze uitvoeren van pgb-taken wordt namelijk beïnvloed door de derde. Het college kan het pgb in redelijkheid weigeren (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911 en 4703). Er is sprake van conflicterende belangen omdat de derde namelijk ook degene is die het pgb ontvangt voor de geleverde ondersteuning, het gaat om zijn inkomen. Deze weigeringsgrond is ook in de Verordening neergelegd. Dat geldt ook voor personen uit het sociaal netwerk, tenzij aannemelijk is dat de cliënt is aangewezen op de ondersteuning door deze persoon én deze persoon als vertegenwoordiger primair het belang van de cliënt dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoon sociaal netwerk is de derde Het college beoordeelt of de persoon uit het sociaal netwerk primair het belang van de cliënt dient. Dat moet in ieder geval blijken uit de motivatie van de budgethouder waarom hij kiest om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te willen schakelen. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed. Dit betekent dat alleen bij zeer hoge uitzondering een pgb wordt toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet dus beoordelen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De cliënt moet dat zelf kunnen vertellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weten welke regels er horen bij een pgb. De cliënt kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de cliënt digitaal vaardig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De cliënt weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de cliënt zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communiceren met de gemeente, de Svb en ondersteuners. De cliënt moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de Svb beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de cliënt dat zelf aangeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen. De cliënt moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze gaan geven. En over hun uurtarief en hun uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De cliënt moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt. Omgekeerd moet de cliënt kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de cliënt de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de cliënt zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf de ondersteuning regelen met 1 of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De cliënt moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de cliënt passen. De cliënt moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de cliënt zelf vervanging kunnen regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken weten wat ze moeten doen. De cliënt durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De cliënt betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De cliënt moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de cliënt sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de cliënt moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twijfel pgb-bekwaamheid Het kan voor komen dat het college twijfels heeft over de pgb-bekwaamheid van de budgethouder, mede gelet op de hiervoor genoemde algemene beoordelingskaders. Dat wil zeggen dat de budgethouder problemen zal (kunnen) krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb en om die reden geen pgb krijgt toegekend. Mogelijk dat het college de weigering niet alleen op de algemene beoordelingskaders kan baseren. In dat geval zijn er nog andere omstandigheden die kunnen leiden tot de weigering van het pgb. Denk bijvoorbeeld aan: schuldenproblematiek, een gok- of drugsverslaving, in een hoge mate beïnvloedbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940).</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb-bekwaamheid bij de woningaanpassing In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen niet via de Svb. Deze worden door het college zelf aan de derde uitbetaald. Bij (sociale) huurwoningen zal dat in de praktijk de verhuurder zelf zijn. Bij woningaanpassingen gelden in ieder geval de volgende voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen: kunnen selecteren van een aannemer, opdracht kunnen verlenen aan een aannemer conform het Programma van Eisen (PvE) en de overige vereisten, in staat om afspraken te maken over onderhoud en reparatie van de woningaanpassing, kunnen aansturen van de uitvoering rekening houdend met het programma van eisen, de oplevering kunnen controleren conform het PvE.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb-bekwaamheid bij een hulpmiddel In tegenstelling tot diensten lopen ook pgb’s voor hulpmiddelen niet via de Svb. Deze worden door het college aan de derde uitbetaald. Bij hulpmiddelen gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: kunnen selecteren van een leverancier, in staat om afspraken te maken over onderhoud en reparatie van het hulpmiddel, zoals een traplift, hulpmiddel kunnen kiezen om het beoogde resultaat mee te bereiken volgens de kwaliteitseisen die aan het hulpmiddel mogen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.2 Motivatie-eis wens pgb De cliënt moet om een pgb verzoeken en daarbij aangeven waarom dat passende ondersteuning is. Er gelden geen specifieke voorwaarden aan de motivatie. De cliënt zal wel moeten aangeven waarom in zijn situatie het pgb een geschikte oplossing is. Dat zal bij diensten ook blijken uit het Budgetplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.3 Kwaliteit De met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. Deze eisen gelden voor voorzieningen in natura (art. 3.1, eerste lid, van de wet). De Verordening bepaalt dat de eisen voor het gecontracteerde aanbod ook gelden als de ondersteuning voor diensten wordt ingekocht met een pgb (art. 12.4 van de Verordening). Echter niet alle eisen zijn ook van toepassing op de derde. Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zijn daarvan uitgezonderd. Daarnaast gelden geen opleidingseisen voor personen uit het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit en veiligheid Een met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet vanzelfsprekend veilig zijn. De veiligheid is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit. Voor diensten kan dat gekoppeld zijn aan het opleidingsniveau van de professionele ondersteuner maar ook aan het beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op de bestedingsvrijheid. Als een traplift in natura door het college niet als veilige maatwerkvoorziening in natura wordt aangemerkt, dan mag de budgethouder met een pgb vanzelfsprekend geen traplift aanschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding calamiteiten of geweld (algemeen) De derde is in voorkomende gevallen verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van: iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden, geweld bij het bieden van de ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen voor derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie, die als ZZP-er werkzaam zijn én voor personen uit het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omzetten in natura Een melding van ernstig schadelijke gevolgen voor de cliënt zal voor het college aanleiding (kunnen) zijn om het recht op pgb in te trekken en daarvoor in de plaats een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Ook kan het college de budgethouder (cliënt) natuurlijk in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de geldende vereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldcode bij diensten (algemeen) De derde moet aan het college stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daaruit moet blijken dat na zo’n melding zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De melding van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt gedaan bij Veilig Thuis Flevoland. De meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen voor derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie, die als ZZP-er werkzaam zijn als ook voor personen uit het sociaal netwerk. Daarbij wordt opgemerkt dat persoon uit het sociaal netwerk als derde ook slachtoffer van huiselijk geweld kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een budgethouder met specifieke problematiek die het pgb aan zijn ouder(s) besteed (CRVB:2019:1815).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit en doeltreffend Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel/resultaat wordt bereikt’. Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat doel/resultaat te bereiken. Het college zal daar ook onderzoek naar doen gedurende de budgetperiode of bij een verzoek om verlenging van de indicatie. In dat kader kan zich de vraag voordoen of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is om de budgethouder (cliënt) iets aan te leren waarna hij niet meer is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Dit gelet op de directe sociale relatie tussen hen. Het aanleren van activiteiten zou meer kans van slagen kunnen hebben als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de budgethouder (cliënt) staat. Dit gelet op de professionele distantie. In dat geval kan tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura worden ingezet en wordt tijdens de evaluatie beoordeeld of de cliënt toch nog is aangewezen op een maatwerkvoorziening én of die wel in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. Onder tijdelijk wordt een periode van zes maanden verstaan. Het college kan de budgethouder (cliënt) ook in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de vereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit en doelmatig Onder doelmatig wordt verstaan het zo goed mogelijk bereiken wat met het pgb is beoogd. Zie ook onder doeltreffend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit en cliëntgericht Het spreekt voor zich dat de ondersteuning gericht moet zijn op de cliënt, met zijn belangen en wensen als uitgangspunt. Dit uitgangspunt kan daarom ook te maken hebben met de samenwerking tussen de budgethouder (cliënt) en de ondersteuner. Gaat het om derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie of als ZZP-er werkzaam zijn, dan zijn kwaliteit en cliëntgerichtheid onderdeel van de professionele standaarden die gelden binnen de beroepsgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit: aangewezen op professionele ondersteuning Uit de noodzaak van de maatwerkvoorziening in natura zal doorgaans blijken of de cliënt -gelet op de problematiek- aangewezen is op professionele ondersteuning. Dat wil zeggen dat aan de ondersteuning specialistische eisen verbonden kunnen zijn die (alleen) een beroepskracht kan bieden. Denk in dit geval ook aan de noodzaak van voldoende professionele distantie. Wanneer het college dat heeft vastgesteld, kan de ondersteuning niet worden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk. Het college hoeft in die gevallen niet meer te beoordelen of de persoon uit het sociaal netwerk aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden voldoet aan de kwaliteitseisen. De budgethouder zal dan een door het college goedgekeurde professionele ondersteuner moeten inschakelen. Lukt dat niet, dan weigert het college het pgb en zal een maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit: besteding pgb sociaal netwerk Het college beoordeelt in ieder geval of: de cliënt zijn keus om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te schakelen voldoende kan motiveren (zie ook bij pgb-bekwaamheid). de persoon uit het sociale netwerk op geen enkele wijze druk uitoefent op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de cliënt mag niet door deze persoon worden beïnvloed (zie ook bij pgb-bekwaamheid). Het ligt voor de hand dat het college een gesprek heeft met de cliënt zonder dat de betreffende persoon uit het sociale netwerk daarbij aanwezig is. Het college kan er voor zorgen dat de cliënt bij dat gesprek gebruik kan maken van een onafhankelijke cliëntondersteuner. de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit? voldoende aannemelijk dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken. de persoon uit het sociale netwerk de omvang/intensiteit van de ondersteuning wel kan bieden. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek die deze persoon heeft. Reguliere werkzaamheden, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen. de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende is gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de cliënt zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn. voldoende professionele distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie cliënt-ondersteuner. De cliënt kan daardoor ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit: besteding pgb professionele ondersteuner Het kan gaan om een derde die in dienst is bij een professionele organisatie of als ZZP-er werkzaam is. Het college beoordeelt in ieder geval of: de ondersteuning aansluit aan bij de vastgestelde beperkingen van de cliënt. de ondersteuner beschikt over een relevante opleiding. De opleidingseis zal verschillen naar gelang de aard van de geïndiceerde ondersteuning. de ondersteuner beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. de ondersteuner de omvang/intensiteit van de ondersteuning kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij ZZP-ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouders (cliënten) kunnen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek. de beoogde ondersteuner niet al lang betrokken is bij de budgethouder (cliënt), zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat wil zeggen dat het college onderzoek doet naar de vraag of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitseisen woningaanpassing en hulpmiddel Het spreekt voor zich dat een woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld een offerte een door het college goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Woningaanpassingen zullen in dat kader in ieder geval moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of de afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk. De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van het soort hulpmiddel en de daarvoor geldende eisen die gelden voor het door het college gecontracteerde aanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8.4 Besteding pgb geschikt voor het doel De door de budgethouder in te kopen maatwerkvoorziening moet in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (art. 2.3.6, derde lid, van de wet). Dat kan blijken uit de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (indicatie in natura). Mede gelet op de bestedingsvrijheid zal dat in ieder geval wel moeten blijken uit het Budgetplan. Daar staat namelijk in waar de bestedingsdoelen (resultaten) van het pgb op zijn gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9Verplichting Budgetplan diensten Artikel 9.3 van de Verordening Als verplichting geldt om een Budgetplan in te dienen, met uitzondering van huishoudelijke ondersteuning. Doen de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger dat niet, dan weigert het college het pgb conform de bepaling in de Verordening. Zie Hoofdstuk 13 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10Besteding pgb algemeen Artikel 9.2, eerste en tweede lid, van de Verordening Voor het pgb geldt een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan een maatwerkvoorziening waarmee het doel/resultaat wordt bereikt. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan voorwaarden. Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan een: voor de budgethouder als algemeen gebruikelijk te kwalificeren zaak of dienst, en/of persoon die tot de leefeenheid van de budgethouder behoort en gebruikelijke hulp op zich zou moeten nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn in de Verordening een aantal kostensoorten uitgezonderd (art. 9.2 derde lid, van de Verordening). Dat wil zeggen dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag (art. 9.2, vierde lid, van de Verordening). Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11Overige weigeringsgronden pgb Er nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb (art. 2.3.6, vijfde lid, van de wet). Het college is bevoegd daarover een beleidsregel vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.Duurdere maatwerkvoorziening Het kan voor komen dat de budgethouder een duurdere maatwerkvoorziening wil inkopen terwijl het pgb alleen toereikend is om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. In dat geval weigert het college het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn (CRVB:2018:2829). Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel het college beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) maatwerkvoorziening voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Als college aanleiding heeft om te twijfelen of de budgethouder de in te kopen maatwerkvoorziening wel kan bekostigen, zal de budgethouder daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch een maatwerkvoorziening van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de budgethouder een maatwerkvoorziening inkoopt waarmee hij niet gedurende de (gehele) budgetperiode kan voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstorten diensten In artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is de vrijwillige bijstorting door budgethouders uitgewerkt. Er kan door de budgethouder geld worden bijgestort voor een concrete betaalopdracht om meer of duurdere ondersteuning in te kopen. Als de budgethouder meer (uren) of een duurdere variant wil betrekken dan het toegekende pgb mogelijk maakt, dan kan de Svb betalingen verrichten uit bijgestorte gelden. Het gaat om diensten die zijn omschreven in de overeenkomst op grond waarvan die diensten worden ingekocht. Dit in aanvulling op hetgeen is toegekend op grond van de pgb-beschikking.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Pgb-besluit eerder ingetrokken Heeft het college eerder een pgb-besluit ingetrokken, dan komt de cliënt gedurende 12 maanden niet voor een pgb in aanmerking (art. 2.3.6, vijfde lid onderdeel b, van de wet). De termijn gaat in vanaf de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. Dat wil dus zeggen dat het college een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wel wordt voldaan aan de voorwaarden.</div>\n<p class=\"lf-p\">11.12Hoogte pgb In hoofdstuk 9 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensten Voor diensten gelden gedifferentieerde tarieven die afhankelijk zijn van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het kan gaan om: ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of die werkzaam zijn als ZZP-er; personen uit het sociaal netwerk; en personen die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Denk bijvoorbeeld aan een student met een bijbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepalingen In de Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een ZZP-er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal netwerk Voor personen uit het sociaal netwerk geldt volgens de Verordening dat altijd een lager tarief van toepassing is dan het tarief voor ondersteuners in dienst bij een professionele organisatie of een ZZP-er. Gemeenten hebben deze bevoegdheid op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelen De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. Onder de kostprijs wordt de huurprijs verstaan die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het kan voor komen dat het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment zit van de gecontracteerde partij en dat er door het college geen afspraken zijn gemaakt dat de aanbieder het aangewezen hulpmiddel aanschaft. In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt wordt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat het college de goedkoopst passende bijdrage kan vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte instandhoudingskosten In het Besluit maatschappelijke ondersteuning staat dat het pgb voor instandhoudingskosten kan worden verhoogd met (reële) instandhoudingskosten. Voor liften gelden de bedragen als uitgangspunt. Voor de overige maatwerkvoorziening worden de reële instandhoudingskosten vastgesteld in het individuele toekenningsbesluit. Het spreekt voor zich dat de budgetperiode daarbij een rol speelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningaanpassing Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld de offerte een door het college goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Woningaanpassingen zullen doorgaans ook moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige kosten Daarnaast kan het zijn dat er naast de kosten van de woningaanpassing ook nog andere noodzakelijke kostenposten zijn die het college in aanmerking neemt. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning staat wanneer het pgb voor een complexe woningaanpassing kan worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd wonen De Verordening bepaalt dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn om de indicatie voor beschermd wonen in te kunnen kopen bij een door het college goedgekeurde partij. De gemeente Almere ontvangt zowel het budget van het Rijk en beslist ook op de aanvraag om beschermd wonen. Dat geldt ook als de cliënt de indicatie in de vorm van een pgb wenst te ontvangen. Omdat het bij beschermd wonen gaat om een kwetsbare doelgroep kan het college kort na het toekenningsbesluit een tussentijds onderzoek doen om te beoordelen om het pgb daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt. Dit ter bescherming van de budgethouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.13Verlenging indicatie Bij een verzoek om verlenging is feitelijk sprake van een nieuwe ondersteuningsvraag en een daaropvolgende nieuwe aanvraag. Het college beoordeelt bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb ook of tijdens de voorafgaande indicatie de doelen (voldoende) zijn behaald. Wanneer dat niet het geval is én daar wordt geen afdoende verklaring voor gegeven, dan kan het college het pgb weigeren en een maatwerkvoorziening in natura inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichte toetsing Na afloop van de indicatie kan de cliënt zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor ondersteuning. Wanneer het college vaststelt dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, dan kan de cliënt ook weer een verzoek doen om een pgb. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. In voorkomende gevallen betekent dit dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan (bij diensten) moet worden opgesteld, behalve voor huishoudelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.14Pgb en verblijf buiten Noordoostpolder of in het buitenland Het college verstrekt een maatwerkvoorziening aan cliënten die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente hebben. Verder bepaalt de Verordening dat de cliënt die een hulpmiddel meeneemt naar het buitenland verantwoordelijk is een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal (art. 4.3, derde lid, van de Verordening). Voor diensten betekent dit in de praktijk dat het verstrekte pgb in principe niet mag worden besteed in het geval de cliënt buiten de gemeente of in het buitenland verblijft. Denk bijvoorbeeld aan vakantie. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt immers dat het bestemd is voor de woning waar de cliënt woonachtig is. Van de cliënt wordt daarom ook verwacht dat hij een vakantie- of verblijfslocatie kiest waar hij geen huishoudelijke ondersteuning nodig heeft. Voor begeleiding ligt dat anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Termijn verblijf buiten de gemeente op aanvraag Volgens het Besluit maatschappelijke ondersteuning is het toegestaan om een toegekend pgb voor ondersteuning in de vorm van begeleiding gedurende maximaal 13 weken per kalenderjaar te besteden buiten Noordoostpolder, mits de noodzaak van die ondersteuning niet (enkel) voortvloeit uit het verblijf buiten Noordoostpolder. Het zal in de praktijk gaan om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de ondersteuning ook daadwerkelijk buiten de gemeente biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Termijn verblijf buitenland op aanvraag Volgens het Besluit maatschappelijke ondersteuning is het toegestaan om een toegekend pgb voor ondersteuning in de vorm van begeleiding gedurende maximaal zes weken per kalenderjaar te besteden in het buitenland, mits de noodzaak van die ondersteuning niet (enkel) voortvloeit uit het verblijf in het buitenland. Ook bij verblijf in het buitenland zal het in de praktijk gaan om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de ondersteuning ook daadwerkelijk in het buitenland biedt. Het college kan de termijn van zes weken op aanvraag verlengen als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Daar zal in de praktijk zelden sprake van zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Financiële maatwerkvoorziening Artikel 5.3 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning 12.1Inleiding Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringspraktijk Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een cliënt zal in het algemeen niet zijn aangewezen op een bruikleenauto op grond van de wet. Maar de cliënt kan wel zijn aangewezen op het vervoer met zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig, die het college niet in natura zal kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2Vervoer Kosten gebruik eigen auto De cliënt die in het bezit is van een eigen auto en geen gebruik kan maken van de Regiotaxi kan in aanmerking komen voor een financiële maatwerkvoorziening als tegemoetkoming in de kosten. Het gaat om de cliënt die eigenaar is én bestuurder van de auto of waarvan de partner bestuurder is. Heeft de cliënt geen eigen auto, dan is het mogelijk om een financiële tegemoetkoming te verstrekken die de cliënt betaalt aan iemand die het vervoer biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale en samenvallende vervoersbehoefte De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Daarnaast spreekt het voor zich dat de samenvallende vervoersbehoefte van echtgenoten of daarmee gelijkgestelden een rol speelt. Dat wil zeggen dat de hoogte van de tegemoetkoming daar op wordt afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel (rolstoel)taxi vervoer Ook de kosten van individueel (rolstoel)taxi vervoer kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3Kosten verhuis- en inrichting De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Besluit maatschappelijke ondersteuning). Binnen een medisch gezien aanvaardbare termijn, maar uiterlijk binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten is toegekend dient de belanghebbende verhuisd te zijn naar een adequate woning. Belanghebbende stuurt een gereedmeldingsformulier naar het college toe om aan te tonen dat men verhuisd is naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig het advies. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste verhuizing algemeen gebruikelijk De tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is niet bestemd voor inwonende personen die niet de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning zijn. Denk bijvoorbeeld aan inwonende kinderen. In het algemeen is het zo dat iedereen, ongeacht het hebben van beperkingen, geconfronteerd wordt met de kosten van een eerste verhuizing. Het gaat daarom om algemeen gebruikelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4Kosten saneren woning De cliënt kan in aanmerking komen voor tegemoetkoming in de kosten van een woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD) noodzakelijk is. Sanering is slechts mogelijk als daarvoor een medische noodzaak is gesteld waar ook de noodzakelijke vervanging van bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen uit blijkt. Verder zal de cliënt in zo’n geval gebruik maken van de adviezen van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Ook kan het college om advies vragen aan deze verpleegkundige. Ook geldt dat als de cliënt bekend was met zijn aandoening maar toch is overgegaan tot de aanschaf van bijvoorbeeld vloerbedekking die allergene reacties oproept, dan is er sprake van voorzienbaarheid gelet op de keuzes van de cliënt. De gevolgen daarvan kunnen niet op het college worden afgewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afschrijvingsprincipe Een tegemoetkoming wordt alleen wordt verstrekt als de te vervangen stoffering of raamdecoratie nog niet is afgeschreven. Het college zoekt daarvoor aansluiting bij de afschrijvingsprincipes die door het Nibud worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5Kosten overig Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële maatwerkvoorziening. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6Geen dubbele vergoeding Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat het college dubbele tegemoetkomingen verstrekt. Daar kan geen limitatief aantal van worden gegeven. Twee voorbeelden. Een verhuiskostenvergoeding van de verhuurder op grond van artikel 220 en 275 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie en de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Dat wil zeggen dat geen tegemoetkoming wordt verstrekt of dat het college de hoogte van de tegemoetkoming afstemt. Dat laatste gelet op het aanvullende karakter van de wet. Het zal in de praktijk niet vaak voor komen dat er verschillende aanspraken (kunnen) zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12 van de Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">13.1Inleiding De wet schrijft voor dat in de Verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen (hoofdstuk 12 van de Verordening). Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de Verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben; de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als ook de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het college rust een voorlichtingsplicht om de cliënt tijdens het onderzoek te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (fraudepreventie). De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder. Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen daar verantwoording over af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daar kan aanleiding voor zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van artikel 12.1 van de Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de Verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De aanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 12.3 van de Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), kan het college daar vanzelfsprekend gevolgen aan verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3Weigering pgb Artikel 12.5, eerste lid aanhef en onder a, van de Verordening Er kunnen zich situaties voordoen waarin het college tot het oordeel komt dat er sprake is van een belangenstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat is het geval als die derde ook degene is die de budgethouder helpt om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. Daarmee kunnen de aan het pgb verbonden taken door die derde beïnvloed worden. Wanneer de derde beroepshalve maatschappelijke ondersteuning biedt, dan gaat het college daarvan uit. De invloed van de derde op het zogeheten pgb-beheer is niet in lijn met het doel van het pgb en kan oneigenlijk gebruik van de wet in hand werken. Immers deze derde (in ieder geval een ZZP-er of ondersteuner in dienst bij een professionele organisatie) kan niet twee belangen dienen (CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Denk ook aan de situatie waarin de professionele organisatie in een bijvoorbeeld een andere BV. activiteiten heeft ondergebracht gericht op bemiddeling. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden (CRVB:2019:2803). In het geval de derde een persoon is uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) kan ook sprake zijn van een belangenverstrengeling. Maar deze personen zullen gelet op hun betrokkenheid bij de cliënt voornamelijk diens belang dienen. Bij de beoordeling van de wettelijke voorwaarden onderzoekt het college of hier sprake van kan zijn (art. 2.3.6, tweede lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.5, eerste lid aanhef en onder b, van de verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.5, tweede lid, van de Verordening Gewaarborgde hulp De budgethouder (cliënt) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat wil zeggen hulp van een andere persoon ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de ondersteuner, de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de ondersteuning, en de financiële verantwoording rondom het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze persoon zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen</p></div>", "next": 239808}