{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Breedte van dakkapel op het voordakvlak in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak, gemeten tussen het midden van de woningscheidende bouwmuren of eindgevels en aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapellen aan de voorzijde in het historische binnenstad beslaan maximaal 25% van het dakvlak en zijn ondergeschikt toegevoegd aan de hoofdmassa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte boeiboord afgestemd op maat en detaillering van het hoofdgebouw en; bij een dakkapel met een hoogte tot 1.20 m. maximaal 0.20 m. of; bij een dakkapel met een hoogte tussen 1.20 m. tot 1.75 m. maximaal 0.30 m. vormgeving Bij voorkeur plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profielen van kozijnen zijn gelijk aan die van de ge-velramen en kozijnen van hoofdgebouw (bij toepassing van kunststof een zogenaamd verdiept profiel toepassen met rechte lassen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overmaat aan detailleringen, dus max. 0.15 m. overstek en bescheiden ornamenten. materiaal en kleur Materiaal en kleurgebruik is afgestemd op het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak van de dakkapel, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. DAKOPBOUWEN Onder een dakopbouw wordt verstaan het plaatsen van een verdieping op een pand, waarbij een niet eerder bestaande ruimte wordt gecreëerd of een bestaande ruimte wordt vergroot. Het gaat dus om een nieuwe verdieping (optoppen) of om een uitbreiding van een kap door een doorgetrokken gevel of een nokverhoging. Een dakopbouw kan grote gevolgen hebben voor de hoofdvorm en het profiel van het gebouw en kunnen leiden tot een onevenwichtig aanzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen Een dakopbouw gaat qua vormgeving een (harmonische) relatie aan met de bestaande dakvorm of dakvormen van de naastgelegen panden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouw bestaat maximaal uit één verdieping.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een dakopbouw is geen dakkapel of dakopbouw toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dakopbouwen op een doorgaand dakvlak staan deze regelmatig gerangschikt op een horizontale lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vormgeving, indeling, materialisatie en het kleurgebruik van een dakopbouw zijn in principe overeenkomstig de karakteristiek van het hoofdgebouw. Afwijkingen hiervan, bijvoorbeeld gemotiveerd vanuit het principe van \"onderschikking\", zijn bespreekbaar. dakopbouw door doorgetrokken gevel De dakopbouw bevindt zich aan de achterzijde (tuinzijde) over de volle breedte van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakopbouw vormt een verlengde van het oorspronkelijke achtergevelvlak. De oorspronkelijke goot- en daklijsten zijn daarbij vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de dakopbouw is gelijk aan de verdiepingsvloer bij een asymmetrische kap of in ieder geval lager dan de nok.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakopbouw is plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indeling en materialisering van de dakopbouw zijn overeenkomstig met het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zijwanden van de dakopbouw zijn gesloten en belemmeren het realiseren van een vergelijkbare dakopbouw bij de belendingen niet. dakopbouw vanuit de nok (nokverhoging) Een dakopbouw uit de nok is in principe niet toegestaan tenzij een andere uitbreiding van de kapverdieping niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het voordakvlak, waardoor de nok naar achter verschuift. In sommige buurten is het mogelijk de nok in zijn geheel te verhogen met aan weerszijden een kozijnvlak. Dit is uitsluitend mogelijk bij buurten waar deze trend met dergelijke nokverhogingen reeds is ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij tussenpanden is de nokverhoging over de volle breedte van de woning gesitueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nokverhoging sluit met de onderzijde en de nok aan op een eventuele aangrenzende nokverhoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hellingshoek van de opbouw is gelijk aan bestaande hellingshoek van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenkant kozijn ligt niet hoger dan de bestaande nok.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nokverhoging heeft dichte zijwanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere aandacht voor het aanhelen van het metselwerk bij hoekpanden. dakopbouw op een plat dak De voorzijde van de dakopbouw is teruggelegen van de gevels geplaatst, tenzij: er sprake is van een opbouw in de vorm van een kap en de opbouw direct achter de voorgevel is gesitueerd, of; de opbouw naadloos aansluit op de voorgevel en er bijzondere aandacht is voor de vormgeving, detaillering en materialisatie van de overgang tussen bestaande gevel en dakopbouw. De oorspronkelijke goot- en daklijsten zijn vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een opbouw in de vorm van een kap is de vorm en nokrichting van de (naastgelegen) bebouwing richtinggevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dakopbouw is bij voorkeur plat afgedekt. Afwijking is gemotiveerd mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zijwanden van de dakopbouw zijn gesloten en belemmeren het realiseren van een vergelijkbare dakopbouw bij de belendingen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. KOZIJN- EN GEVELWIJZIGINGEN Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het toevoegen, vergroten of verplaatsen van een kozijn, kozijn-invulling, luik of gevelpaneel. Dit kan zowel plaatsvinden bij een hoofdgebouw als bij een bijbehorend bouwwerk. Het vervangen van bestaande kozijnen door hetzelfde type kozijnen (met gelijkwaardige indeling, aard en uitstraling) valt onder het normale onderhoud en is daarmee vergunningvrij. Dat geldt ook indien houten kozijnen worden vervangen door kunststof kozijnen met een gelijkwaardige (houtachtige) uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen Samenhang en ritmiek van het gebouw en/of de straatwand worden niet verstoord. plaatsing Een nieuwe of het vergroten van een bestaande gevelopening in lijn met de bestaande geleding en indeling van de gehele gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing binnen gevelvlak. Geen uitstekende onderdelen, met uitzondering van raamdorpelstenen (vensterbank).</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorgevel binnen bestaande gevelopeningen indien er (nog) samenhang en ritmiek aanwezig is in het straatbeeld. In zij- en achtergevel zijn nieuwe gevelopeningen mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorgevel is verkleinen van kozijn mogelijk door opmetselen van de borstwering, dan wel het aanpassen van de kozijnindeling met een gesloten paneel, waardoor de onderdorpel van het kozijn wordt verhoogd. Bijvoorbeeld bij verplaatsing van keuken naar voorzijde woning. Uitgangspunt is dat overige in lijn blijft met bestaande geleding, materialisatie en indeling van de gehele gevel. maatvoering Diepte van de negge gelijk aan de bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden. vormgeving Een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. samenhang en indeling van gevel handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering in overeenstemming met de architectuur van de oorspronkelijke gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopeningen niet blinderen met panelen of schilderwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen waar mogelijk behouden of in ieder geval in overeenstemming met de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten uitvoeren. materiaal en kleur Materiaal en kleurgebruik is afgestemd op het hoofdgebouw. Houten kozijnen mogen door ander materiaal worden vervangen mits aan alle bovenstaande richtlijnen wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij plaatsing van kunststof kozijnen aan zijden grenzend aan openbaar toegankelijke wegen en water, zijn alleen rechte lasnaden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. DAKRAMEN, ZONNEPANELEN EN -COLLECTOREN Een dakraam is een daglichtvoorziening in een dak, waarbij de hoofdvorm van het dakvlak behouden blijft. Een zonnepaneel is een paneel dat kan worden aangebracht op het dak c.q. gevel en dat dient voor energieopwekking. Een zonnecollector is een collector die kan worden aangebracht op het dak en die dient voor warmteopwekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dakraam, zonnepaneel of -collector zijn toevoegingen aan een dakvlak die bij plaatsing aan de voorkant van invloed zijn op het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen De plaatsing is passend binnen de samenhang en ritmiek van de gevelwand en doet geen afbreuk aan de architectuur of cultuurhistorische waarden van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere dakramen, zonnepanelen of -collectoren zijn deze regelmatig gerangschikt, in eerste instantie horizontaal en bij meerdere ook verticaal. plaatsing Uitsluitend recht geplaatst op dakvlak of op een plat dak. In principe geen zonnepanelen of -collectoren aan de gevel, tenzij overtuigend geïntegreerd en in passende materialisatie uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstand vanaf de dakvoet, vanaf de dak-nok en vanaf midden bouwmuur en zijkant dakvlak minimaal 0.50 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstand tot de kil- of hoekkepers (in geval van piramide- of schilddak) minimaal 1.00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij rechte dakvlakken en meerdere dakvlak vullende zonnepanelen of -collectoren is plaatsing tot aan dakrand, -voet en -nok mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op hellende daken vlak, direct op of in het dakvlak geplaatst, met een hellingshoek gelijk aan het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet op het hoogste (flauwe) deel van een mansardekap omdat dit teveel gaat overheersen ten opzichte van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonnepaneel of -collector op een plat dak staat ten minste net zo ver verwijderd van de dakrand als die hoog is. Is het hoogste punt van de collector bijvoorbeeld 50 centimeter, dan moet de afstand tot de dakrand(en) ook minimaal 50 centimeter zijn. De hellingshoek van het paneel of de collector niet meer dan 35° zijn. vormgeving De zonnecollector of -paneel is terughoudend gedetailleerd, dus met minimale en donkergekleurde randen F. INSTALLATIES Bij installaties gaat het bijvoorbeeld om afvoerkanalen, liftopbouwen, airco units, luchtbehandelingskasten en schotelantennes. Om installaties te veranderen of aan te brengen, zijn meestal bouwkundige voorzieningen nodig. De veranderingen zijn zelden een verfraaiing van het gebouw. Bij voorkeur worden installaties geplaatst op plekken die niet zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, bijvoorbeeld op het achtererf of in het achterdakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwbouw dienen installaties onderdeel te zijn van de ontwerpopgave. De aanvraag voor een omgevingsvergunning zal mede daarop beoordeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen Bij nieuwbouw dienen installaties een geïntegreerd onderdeel te zijn van het ontwerp van het gehele gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt voor deze ingrepen is dat ze ondergeschikt zijn en het beeld van het gebouw intact laten. Om dit te bereiken is de installatie inpandig opgelost of zeer terughoudend vormgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectieve oplossingen hebben de voorkeur, maar als gekozen wordt voor een individuele oplossing dan zijn zorgvuldigheid (inpassing en vormgeving) en plaatsing zoveel mogelijk uit het zicht de belangrijkste voorwaarden, ongeacht waar. plaatsing De installatie staat niet op het erf of aan de gevel grenzend aan de openbare ruimte, tenzij deze zorgvuldig is ingepast in erfinrichting of gevel. vormgeving, materiaal en kleur De installatie is afgestemd op de vormentaal en het karakter van het gebouw of erfininrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De installatie heeft een kleurstelling overeenkomstig gevel of dakvlak, of is uitgevoerd in zwart of in een grijstint.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. ERFAFSCHEIDINGEN Een erfscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf/perceel af te bakenen van een ander perceel, een buurerf of openbaar toegankelijk gebied. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op het straatbeeld. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Erfafscheidingen moeten daarom passen in de omgeving, op een zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en worden gemaakt van duurzame materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente geeft de voorkeur aan volledig aangeplante en begroeide erf- en perceelafscheidingen zoals liguster, buxus of haagbeuken. Voor het buitengebied bij voorkeur met streekeigen beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen Samenhang wordt niet verstoord door te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen. materiaal en kleur Erfafscheiding is gemaakt van duurzame en degelijke materialen, zoals metselwerk conform het hoofdgebouw of hout of ander niet snel verwerend materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen toepassing van uitsluitend beton, kunststof, geprofileerd plaatmateriaal (golfplaat, damwand etc.), rietmatten of vlechtschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleur overeenkomstig afgestemd op het hoofdgebouw of uitgevoerd in donkere kleurtinten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">H. ROLHEKKEN EN -LUIKEN Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig aanzien geven. Voorkeur gaat daarom uit naar een inpandige rolhekken of -luiken of andere oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Deze richtlijnen komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft situering en maximale afmetingen. algemeen Samenhang en ritmiek van het gebouw en/of de straatwand worden niet verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van luiken aan de buitenzijde van monumenten en beeldbepalende panden in het centrum is niet toegestaan. Tenzij luiken al oorspronkelijk op het pand aanwezig zijn. plaatsing en vormgeving Plaatsing is minimaal 2.00 m. teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits de rol-hek of -luik voor minimaal 50% bestaat uit open constructie of glasheldere doorkijkopeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing is aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits de rolhek of -luik: voor minimaal 70% bestaat uit een open constructie of glasheldere doorkijkopeningen, en; er sprake is van een ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing aan de binnenzijde is niet mogelijk en is daarom bevestigd aan de buitengevel, mits de rolhek of -luik: voor minimaal 90% bestaat uit een open constructie of glasheldere doorkijkopeningen, en; de rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast en qua afmeting en positionering in relatie tot de architectuur van het pand staan, en; er sprake is van een ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel. Geen ongeverfde materialen. materiaal en kleur Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. BIJZONDERE GEBOUWEN EN FUNCTIES Een aantal objecten en specifieke functies is van grote betekenis voor de uitstraling van een omgeving. Hiervoor zijn aparte objectgerichte richtlijnen nodig om te sturen op de specifieke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. STOLPEN In de gemeente Purmerend staan meerdere stolpboerderijen. Stolpboerderijen zijn typisch voor Noord-Holland. De piramidevormige boerderijen werden vanaf de 16e eeuw tot in de 20e eeuw gebouwd. De stolp dankt zijn kenmerkende vorm aan het vierkant (het hooihuis of de ‘tas’) in het midden, met vier stijlen op de hoeken die het piramidevormige dak dragen. Om de tas heen liggen de stallen en de dors (de ruimte waar de wagens ingereden konden worden en het vee werd binnengevoerd). Het woonhuis is soms als een apart volume tegen de stolp aangeschoven. In bepaalde gevallen is de dorsdeur (grote schuurdeur) aangebracht binnen het volume, waardoor een verhoging in het schuine dak ontstaat. In de gemetselde of houten buitenwanden van de stolp zitten ter plaatse van de dors en de stallen kleine(re) vensters. Het woonhuis heeft soms een topgevel van baksteen, al dan niet in combinatie met hout, die representatief en rijk bewerkt is. Ook is de voorgevel vaak verhoogd en zijn de ingangspartij en de vensters van het woonhuis vaak fraai bewerkt. Het dak is bedekt met dakpannen, al dan niet in combinatie met, niet overhangend, riet. Soms heeft het dak een ‘spiegel’, als ter plaatse van het naar de weg gekeerde dakvlak het riet als decoratieve uitsparing is weggelaten, en is ingevuld met dakpannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen algemeen Stolpen zijn door hun kapvorm bepalende elementen in het landschap, behoud of - als sloop onvermijdelijk is - herbouw van de stolp is daarom altijd het uitgangspunt bij ingrepen. massa en opbouw De hoofdvorm, één lage begane-grondlaag plus piramidevormig dak, blijft gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitbreiding uitgaan van de maat van de plattegrond van de stolp; deze is karakteristiek en varieert van middelgroot (15 bij 15 meter) tot groot (20 bij 20 meter) De dakhelling is minimaal 45 graden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘pronkgevel’ met verhoogd middendeel alleen op de voorgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dakkapel of loggia alleen op het achterdakvlak en ondergeschikt opgenomen in het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen zonnepanelen en -collectoren aan de voorkant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakramen en zonnepanelen of -collectoren verzonken in het dakvlak (niet bij monumenten) en mits de maat in verhouding staat tot het oppervlak van de kap en overige reeds aanwezige elementen daarin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen glimmende/spiegelende zonnepanelen en/of collectoren, dus ook geen glimmende randafwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote ingrepen zoveel mogelijk concentreren op één punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan-, uit- en bijgebouwen zijn in maatvoering ondergeschikt aan het hoofdvolume. detaillering, materiaal- en kleurgebruik Bij restauratie/verbouwing dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke materialen (hout, betimmeringen, deuren, ramen, kozijnen, baksteen, voegspecie etc.) Hoofdmaterialen voor de gevels zijn baksteen en/of houten delen. Andere materialen alleen in onderschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dakbedekking worden matte keramische pannen of riet - of een combinatie hiervan toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geglazuurde dakpannen zijn alleen toegestaan als de bestaande of historische situatie daartoe aanleiding geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De baksteenkleur valt binnen de bandbreedte van aardtinten (licht)rood/roodbruin/bruin. Een andere kleurstelling is alleen mogelijk, wanneer de bestaande situatie en/of specifieke omstandigheden daarvoor aanleiding zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleur van de dakpannen is (Hollands)rood, grijs-gesmoord of antraciet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleur van houten delen is dekkend-donker of crème-wit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende materiaal- en kleurtoepassingen worden als oneigenlijk beschouwd voor de stolpboerderij en zijn derhalve in principe niet toegestaan: beton, betonsteen, kalkzandsteen, baksteenstrips, alsmede stucwerk met baksteenmotief e.d.; kunststof-, metaal- of volkernplaten als gevelbekleding; kunststof- of metaalplaten, alsmede dakpanplaten, kunstriet en shingles als dakbedekking; kunststofkozijnen, -ramen en deuren; spiegelend glas, vlakke plaatdeuren, rolluiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De materialisatie van aan-, uit- en bijgebouwen is afgestemd op de karakteristieke materiaaltoepassing van de stolp en/of het gebruikelijke landelijk traditionele materiaalgebruik. Bij de materiaalkeuze speelt de beeldkwaliteit van het ensemble een doorslaggevende rol. Een afwijkende materialisatie is in overleg met de gemeentelijke adviescommissie mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. HOOGBOUW Purmerend staat voor een verdichtingsopgave. Eén van de speerpunten in de ‘Agenda Purmerend 2040’ is een grootstedelijke ambitie voor Purmerend vastgesteld waarin een substantieel aantal woningen aan de stad wordt toegevoegd. Eén van de middelen om te kunnen verdichten, is hoogbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder hoogbouw wordt in Purmerend verstaan gebouwen met een hoogte van meer dan 25 meter (ca. 8 lagen). In de ‘Hoogbouwvisie Purmerend’ (2017), een uitwerking van de ‘Agenda Purmerend 2040’, staat waar hoogbouw bij voorkeur mogelijk is, met welke hoogte en wanneer een hoogbouweffectrapportage moet worden uitgevoerd om de impact te onderzoeken. Deze hoog-bouweffectrapportage is verplicht bij een hoogte van meer dan 25 meter (8 lagen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om hoogbouwinitiatieven te beoordelen zijn in de hoog-bouwvisie vuistregels opgenomen. Van de initiatiefnemer van hoogbouw wordt verwacht dat de vuistregels worden meegenomen en afgewogen in de hoogbouweffectrapportage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Verschijningsvormen voor hoogbouw zijn voor een groot deel situatie-afhankelijk. Uitgangspunt is dan ook dat de context (directe omgeving en invloed op stedelijk weefsel) van de hoogbouw een belangrijke rol speelt bij de beoordeling. Daarbij kunnen onderstaande richtlijnen ondersteunend zijn. algemeen Er is rekening gehouden met de gestelde vuistregels zoals opgenomen in de ‘Hoogbouwvisie Purmerend’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschappelijke inpassing: de hoogbouw past in de horizon van de stad of heeft een dusdanige impact op de horizon en het imago, dat dit de stad versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stedelijke inpassing: de hoogbouw past binnen het beeld van de stad of wijk en heeft een dusdanige impact op de directe omgeving en/of het imago, dat dit de stad versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogbouw doet recht aan de (cultuur)historische waarden van de plek. plaatsing en oriëntatie De plaatsing van hoogbouw levert een positieve bijdrage aan de beleving van een plek, als stedenbouwkundig accent, oriëntatie en herkenbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oriëntatie van de gebouwen is alzijdig, en versterkt de oriëntatiemogelijkheden binnen de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebouw sluit op een goede wijze aan op de openbare ruimte. hoofdvorm en massa De maat en schaal van het gebouw past op een goede wijze in de korrelgrootte van de directe omgeving. Dat betekent niet dat hoogbouw even groot moet zijn als de omliggende bebouwing, maar vooral dat er sprake is van een passende evenwichtige verhouding tussen het gebouw, de open ruimte en de bebouwing in de omgeving. plint (uit hoogbouwvisie) De openbare ruimte rondom het gebouw moet goed ontworpen zijn met aanlooproutes, beplanting, verlichting etc..</p>\n<p class=\"lf-p\">Transparantie in de gevel zorgt voor interactie tussen binnen en buiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Attractieve functies kunnen een bijdrage leveren aan de levendigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra hoge verdiepingen in de plint maken het gebouw geschikt voor functieveranderingen in de toekomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge gebouwen geven windoverlast. Voor het goed functioneren van de openbare ruimte rondom is het van belang dit te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verschijningsvorm, materiaalgebruik en geleding kan een plint reageren op de straat. Ook de benadering en vormgeving van de entree speelt hierin een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw van de massa van het gebouw speelt in de beleving ook een belangrijke rol. vormgeving, materiaal- en kleurgebruik De entree en eventuele hellingbaan van een eventuele parkeergarage vinden zo veel mogelijk binnen het pand plaats en zijn integraal onderdeel van het ontwerp en doet geen afbreuk doen aan de beleving van de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In materiaal- en kleurgebruik is sprake van een samenhang en harmonie als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen die blijvend kwaliteit uitstralen. duurzaamheid Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van voorzieningen t.b.v. duurzaamheid zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene gevels/daken of dergelijke, passen deze binnen het architectonische concept en zijn ze integraal mee ontworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. TERRASSEN Een terras is een buiten het horecabedrijf liggend deel waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en dranken kunnen worden geschonken en etenswaren voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Om het verblijf in het centrum aantrekkelijk te maken zijn er meerdere terrassen. Maar terrassen hebben ook invloed op het straatbeeld en gebruik van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van terrassen wordt er onderscheid gemaakt in een gevelterras en zomerterras. Het gevelterras bevindt zich tegen de gevel van het horecabedrijf. Het terras is niet breder dan de gevel van dit bedrijf. Een zomerterras is een terras dat zich niet aan de gevel bevindt. Dit kan zijn op pleinen en pleinachtige ruimten zoals de Koemarkt en de Kaasmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Algemene plaatselijke verordening Purmerend 2003 (Apv) wordt in artikel 110b lid 6 aangegeven wanneer een vergunning nodig is voor het plaatsen van een terras. De richtlijnen zijn alleen van toepassing voor terrassen waarvoor een vergunning nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het plaatsen van terrassen heeft de gemeente het Terrassenbeleid van de gemeente Purmerend vastgesteld. Voor het plaatsen van schermen op de Koemarkt is tevens het raadsbesluit tot Beleidsuitgangspunten plaatsing schermen t.b.v. terrassen Koemarkt (2017) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Alleen terrassen bij de inrichtingen zoals omschreven in Afdeling 7a van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het vigerende bestemmingsplan is leidend of een horeca inrichting is toegestaan. Onderstaande richtlijnen hebben uitsluitend betrekking op het uiterlijk van terrassen en de gevolgen van plaatsing daarvan. algemeen Terrassen mogen geen directe schade aanbrengen in de bestrating of straatmeubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is toegestaan de naam, het logo / beeldmerk van het horecabedrijf of een product dat wordt verkocht op de terrasschotten en de volant (randen) van de parasols te voeren. terrasmeubilair Alle soorten (lig)stoelen en banken zijn toegestaan op zowel het gevel- als het zomerterras mits direct en makkelijk verplaatsbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het open karakter van pleinen te waarborgen en goed toezicht mogelijk te houden mogen de rugleuningen van terrasmeubilair niet hoger zijn dan de gemiddelde terrasstoel. Als richtlijn wordt 1.00 m. gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Streven naar een bepaalde verwantschap en harmonie in het straatmeubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van losse verwarmingselementen is mogelijk. windschermen algemeen Geen terrasschermen op zomerterrassen (terrassen die zich niet tegen de gevel bevinden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De terrasschermen bij terrassen tegen de gevel zijn gemakkelijk, zonder gebruik van gereedschap verwijderbaar en daarom niet vast aangebracht in de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van schermen mag niet leiden tot gevelbeschadigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrasscherm is niet breder dan 2.00 m. en niet hoger dan 1.50 m..</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de Koemarkt is het terrasscherm niet breder dan 3.50 m., niet hoger dan 1.50 m. en niet voorbij de historische paaltjes geplaatst. windschermen hoger dan 1.50 m. op Koemarkt Maat, materiaal en detaillering dient passend te zijn bij de karakteristiek van de gevels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen geplaatst op de erfscheiding tussen panden. parasols Parasols in één egale kleur, vierkant of rechthoekig en niet boven de kroonhoogte van bomen uitkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. RECLAME-UITINGEN Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclame op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en verhogen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving, hoewel daar een kritische grens aan verbonden is. In andere gebieden is (bepaalde) reclame ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reclame-uitingen dienen te voldoen aan onderstaande uitgangspunten en de van toepassing zijnde regelgeving in het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Algemene plaatselijke verordening. Dit geldt ook voor de reclame-uitingen op basis van privaatrechtelijke overeenkomsten. Reclame-uitingen die voldoen aan de voorschriften uit bijlage 2 van het Besluit Omgevingsrecht kunnen zonder omgevingsvergunning worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene richtlijnen Met het oog op de aard, gewenste uitstraling en schaal zijn de volgende vaste reclame-uitingen storend in het straatbeeld en daarom in beginsel niet toegestaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamebakken buiten de bouwmassa (het silhouet) van het gebouw op daken en goten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichtbakken aan, op of bij monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mechanisch bewegende reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daglichtreflecterende reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichtreclame met veranderlijk of intermitterend (knipperend) licht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame of beschilderingen op rolluiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame op zonwering, m.u.v. terughoudend aanbrengen van naamsaanduiding op doek van zonwering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame in fluorescerende kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame op, aan, bij of voor een woning of woonverdieping uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie. Bij woningen waar sprake is van een praktijk aan huis is klein naambord naast de deur mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanstootgevende, intimiderende, beledigende en/of discriminerende teksten en/of afbeeldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige zijn in algemene zin de hierna volgende richtlijnen van toepassing. Een andere plaatsing of maatvoering die afwijkt van de richtlijnen is denkbaar mits de architectuur dit mogelijk maakt. algemeen Reclame dient in de beleving te passen bij het karakter van de directe omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overdaad aan reclame-uitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een nieuwbouw- of verbouwplan de reclame zo veel mogelijk in het ontwerp integreren. plaatsing Een reclame heeft een rechtstreeks verband met de activiteiten die in het pand of op het perceel plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclames aan, voor en/of op korte afstand van monumenten mogen de monumentale en architectonische waarde van het pand en de directe omgeving niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclames mogen het uitzicht op en het (veilig) gebruik van de openbare ruimte niet ernstig belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de (historische) architectuur van bestaande bebouwing reeds voorziet in specifieke reclamemogelijkheden, zoals koofborden of velden tussen raamkozijnen en -bogen, zijn dat de aangewezen plaatsen waar reclame-uitingen aangebracht dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelreclame integreren in de gevelstructuur of architectuur van de gevel, waarbij de maatvoering en detailleringen harmoniëren met de gevel en straat-wand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenhang en structuur van de gevel en straat-wand behouden (bijv. geen scheiding winkelpui en verdieping). vormgeving Bevestigingsconstructies, toevoerleidingen en hulptoestellen zoveel mogelijk aan het oog onttrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kokers, uitsluitend bestemd voor het opbergen van elektrische leidingen en andere hulpconstructies, zijn geschilderd in een donkere kleur of in dezelfde kleur als het gevelvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Objecten moeten voldoen aan technisch en constructieve eisen en zoveel mogelijk zijn gemaakt van duurzame materialen (kwalitatief hoogwaardige materialen, ook voor langere termijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overdaad van felle, contrasterende en/of bonte kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Historische stad Per bedrijf / winkel per 5.00 meter gevelbreedte maximaal 4 reclame-uitingen aan de voorgevel (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame alleen plat of haaks op de voorgevel geplaatst (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet op het dak of de dakrand overschrijdend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 1 lichtgevende of aangelichte reclame met constante lichtbron.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 1 vlag, vaandel wimpel of banier per 3.00 m. gevelbreedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen spandoeken en steigerdoeken in frame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame plat op de gevel: tussen bovenkant kozijnen of pui begane grond en onderkant kozijnen verdieping; maximaal 75% van gevelbreedte; maximaal 60% van hoogte borstweringstrook met een maximum van 0.50 m.; plaatsing met rondom zichtbare ruimte tussen reclame en kozijnen, tenzij geïntegreerd in winkelpui.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame haaks op de gevel: tussen bovenkant kozijnen of pui begane grond en bovenkant kozijnen verdieping; maximaal 0.20 m. dik, bij monumenten maximaal 0.05 m. dik. maximaal 0.60 m. hoog en 0.80 m. uit de gevel stekend (exclusief bevestigingsconstructie); bevestigingsconstructie tussen 0.10 en 0.15 m uit de gevel stekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woongebieden In een woonomgeving zijn reclame-uitingen niet op hun plaats, tenzij er sprake is van een winkelcentrum of praktijkruimte aan huis, zoals een arts of verzekeringsadviseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Praktijkruimte aan huis Uitsluitend één kleine onverlichte aanduiding aan de gevel onder de vloer van de eerste verdieping.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 0.50 m2 en maximaal 0.10 m dik inclusief bevestigingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Winkelcentra in de woongebieden Per bedrijf / winkel per 5.00 meter gevelbreedte maximaal 4 reclame-uitingen aan de voorgevel (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel / winkelpui.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere verdiepingen onder de onderdorpel van de kozijnen op de eerste verdieping.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de dakrand van grotere overdekte winkelcentra de naam van het gehele complex in losse letters, niet breder dan de entreepartij met een maximum van 3.00 meter breed en 1.00 meter hoog inclusief bevestigingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 1 vlag, vaandel wimpel of banier per 3.00 m. gevelbreedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oost-west as In dit gebied is sprake van een transformatie naar een aantrekkelijk, stedelijk en multifunctionele zone, met zowel woon- als bedrijfsbebouwing en gecombineerde functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame-uitingen dienen terughoudend te zijn en te passen binnen de ambities van het gebied. Uitgangspunt is mee-ontworpen reclame-uitingen passend binnen de architectuur van het gebouw. Voor bedrijfspanden zijn de criteria voor bedrijventerreinen van toepassing. Uitgezonderd reclame-uitingen op daken en reclamedoeken in frame aan de gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerreinen Per bedrijfspand per 3.00 meter gevelbreedte maximaal 1 reclame-uitingen aan de voorgevel (bij een hoekpand met twee puien is er sprake van 2 voorgevels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Boven de entree, gecentreerd in de gevel of passend in de structuur van de gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 2.00 m. hoog, 4.00 m. breed en 0.30 m. vanuit de gevel stekend, inclusief bevestigingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de dakrand niet breder dan de entreepartij met een maximum van 3.00 meter breed en 1.00 meter hoog inclusief bevestigingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 1 vlag, vaandel wimpel of banier per 3.00 m. gevelbreedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de hoofdentree maximaal 3 even hoge vlaggenmasten tot 6.00 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op eigen terrein is één (gezamenlijke) vrijstaande zuil met een maximale afmeting (bxh) van 1.25 x 4.50 m. mogelijk. Van een zuil bij een gebouw hoger dan 20 m. kan de maximale afmeting (bxh) 1,50 x 6,00 m. zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame uitingen op verzamelgebouwen kennen een eenduidige ritmiek en vormgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groene krans Uitgangspunt is dat de parken en het landschap vrij blijft van reclame-uitingen. Uitzondering zijn sport- en recreatieterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sport- en recreatieterreinen Tegen de gevel van het clubgebouw bestaande uit onverlichte naamsaanduiding(en) van de vereniging(-en) met een totale maximale oppervlakte van 2.00 m2. per (club)gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de hoofdentree van het terrein maximaal 1 bord of zuil tot maximaal 3.50 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de hoofdentree van het terrein maximaal 4 even hoge vlaggenmasten tot 6.00 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclameborden langs het sportveld of -baan tot maximaal 1.20 m. hoog.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>RICHTLIJNEN GROTERE ONTWIKKELINGEN Deze nota bevat geen richtlijnen voor grotere ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dit is ook van toepassing op gebieden, die in transformatie zijn of in opbouw. Hiervan mag van de ontwerper of aanvrager een grotere inspanning worden verwacht om de kwaliteit van het gebied te helpen opbouwen. Het gaat om ontwikkelingen die veelal een nieuw bestemmingsplan nodig hebben, bijvoorbeeld het transformeren van een bedrijventerrein om daar woningbouw mogelijk maken. Nieuwe / aanvullende richtlijnen zijn wenselijk als: een ontwikkeling de bestaande fysieke structuur en karakteristiek doorbreekt; een ontwikkeling niet objectgericht is, maar van invloed is op een heel gebied; er sprake is van een stedenbouwkundig plan en veelal een nieuw bestemmingsplan nodig is.</div>\n<p class=\"lf-p\">De plek van nieuwe functies In de praktijk valt het op dat in de huidige kwaliteitsadvisering het accent vooral ligt op beoordeling op planniveau: het gaat over de vraag hoe deze het beste ingepast kan worden (belevingswaarde, inpassing). Kwaliteitsbeoordeling op hogere schaal waarbij ook wordt gekeken waar de ingreep kan plaatsvinden ontbreekt veelal. De plek van een bepaalde functie behoeft altijd aandacht. De afweging van geschikte locaties dient tot component van omgevingskwaliteit te worden gerekend. Daar wordt bij kwaliteitssturing en -advisering expliciet naar gekeken. De gemeentelijke previsor en/of de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit wordt daarbij vooraf geconsulteerd en bij grotere (her)ontwikkelingsplannen vooraf betrokken bij de programmatische keuzes en stedenbouwkundige opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure Zodra een (her)ontwikkelingsproject aan de orde is kunnen nieuwe richtlijnen opgesteld worden, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar kader. Een beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar heeft een ontwikkelgericht karakter en vormt een sturingsinstrument voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Een dergelijk kader kan naast richtlijnen voor gebouwen ook uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad wordt betrokken bij deze grotere ingrijpende ontwikkelingen. Het beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar instrument wordt (eventueel samen met het bestemmingsplan) namelijk vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op de nota. Het beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar is, mits anders bepaald, alleen van toepassing in de ontwikkelfase. Na realisatie/oplevering vervalt het ontwikkelgerichte karakter. Mogelijk vervalt daarmee een deel van de in de ontwikkelfase relevante richtlijnen. De richtlijnen in een beeldkwaliteitplan dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten: een duidelijke begrenzing van het plangebied waarop het beleid van toepassing is; een korte gebiedsbeschrijving van de nieuw te verwachten situatie en indien van toepassing de motivering van de ontwerpkeuzes die gemaakt zijn t.a.v. de inpassing van het plan in zijn omgeving; de richtlijnen als basis voor het ontwerp en voor beoordeling van het ontwerp door de gemeentelijke adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL C OMGEVINGSNOTA BEEMSTER Op 10 juli 2012 heeft de gemeenteraad van voormalige gemeente Beemster de ‘Omgevingsnota Beemster’ vastgesteld. In dit deel C is de vastgestelde nota beleidsneutraal overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding......................................................................................................... 91 DEEL 1: Introductie....................................................................................... 94 De Omgevingsnota............................................................................. 95 Macro-meso-micro en regieniveaus................................................. 97 Werelderfgoed De Beemster............................................................. 100 Ruimtelijke kwaliteitskaarten............................................................. 107 DEEL 2: Beoordelingskaders bijzondere regie........................................... 110 Buitengebied....................................................................................... 112 Dorpskern Middenbeemster............................................................... 123 Dorpslinten Zuidoostbeemster, Westbeemster, Noordbeemster.... 128 Randen................................................................................................. 134 Objecten............................................................................................... 137 a. Stolpen....................................................................................................... 137 b. Landbouwschuren en agrarische bedrijfsgebouwen............................. 140 c. Bruggen en dammen................................................................................. 141 d. Forten.......................................................................................................... 143 e. Bouwwerken bij paardenhouderijen....................................................... 145 DEEL 3: Beoordelingskaders lichte regie..................................................... 146 Binnengebied: dorpsuitbreidingen..................................................... 148 Binnengebied: bedrijventerrein........................................................... 151 Objectgerichte beoordelingskaders.................................................... 152 a. Aanbouwen................................................................................................ 153 b. Bijgebouwen.............................................................................................. 154 c. Dakkapellen................................................................................................ 155 d. Dakramen, panelen en collectoren.......................................................... 156 e. Erfafscheidingen........................................................................................ 157</p>\n<p class=\"lf-p\">f. Reclame-uitingen........................................................................................ 158 DEEL 4: Algemene beoordelingskaders....................................................... 160 Algemeen beoordelingskader monumenten.................................... 161 Algemeen beoordelingskader openbare ruimte............................... 165 Algemeen beoordelingskader bouwwerken...................................... 167 Beoordelingskader voor repressief welstandstoezicht..................... 171 op bestaande bouwwerken (excessenregeling) Deze Beemster omgevingsnota uit 2012 is beleidsneutraal overgenomen in voorliggende nieuwe nota die bestaat uit samenvoeging met de Nota omgevingskwaliteit Purmerend uit 2020. Beleidsneutraal betekent dat in de tekst en de beleidsintenties geen wijzigingen hebben plaatsgevonden ten opzichte van de oorspronkelijke versie zoals vastgesteld in 2012. Zie Deel A voor meer uitleg. Ter ondersteuning van de tekst zijn in deze nieuwe versie wel illustraties en foto’s opgenomen, waaronder ook foto’s van na 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">INLEIDING Voor u ligt de nieuwe Beemster Omgevingsnota. Deze nota geeft beoordelingskaders voor ingrepen in de ruimte, zoals bouwen of verbouwen, inrichten van de openbare ruimte of wijzigen van een monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Beemster is werelderfgoed. De Gemeente Beemster is als lokale overheid verantwoordelijk voor het behoud van die uitzonderlijke kwaliteiten. Maar De Beemster is geen museum, het gebied moet ook blijven functioneren in deze tijd. In dialoog met bewoners en ondernemers maakt het gemeentebestuur bij elke gewenste of noodzakelijke ingreep in de ruimte een afweging: kan het voorgestelde plan op die plek gerealiseerd worden zonder schade aan het werelderfgoed, en zo ja, hoe moet het dan worden uitgevoerd. Dit vraagt een zorgvuldig proces. Geen twee ingrepen zijn aan elkaar gelijk omdat de context altijd anders is. Ieder plan moet specifiek ontworpen, ontwikkeld en beoordeeld worden. De gemeente voert daarbij de regie, en dat is de essentie van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ‘scenario’ voor de regie ligt verankerd in wettelijke instrumenten: in de Structuurvisie, de bestemmingsplannen en in deze Omgevingsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘maatpak’ voor De Beemster De Omgevingsnota is op maat gemaakt voor het bijzondere karakter van de droogmakerij die werelderfgoed is. Kenmerkend voor De Beemster is het gegeven dat ruimtelijke ingrepen op drie schaalniveaus betekenis hebben: macro = De Beemster als geheel; meso = de structuur van De Beemster, van Beemsterkamer tot Beemsterkavel, met wegen en water en gebouwde structuren als kernen en reeksen bebouwing; micro = erfniveau (boerderijerf, tuinderserf, buitenplaatserf, ringdijkerf) en ‘binnengebieden’ in de kernen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze schaalniveaus zijn onderling sterk op elkaar betrokken en lopen van groot naar klein. Daarom is het zaak bij de beoordeling van ruimtelijke ingrepen steeds vanuit het geheel (de hele Beemster) naar de details (een ingreep op een erf of in een kern) te kijken. De consequentie hiervan is dat in de beoordeling van ruimtelijke ingrepen het accent verschuift van het object als zodanig naar het object in zijn omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien wordt in de Omgevingsnota onderscheid gemaakt tussen gebieden en objecten die een belangrijke rol spelen in het werelderfgoed-karakter van de polder, en gebieden en objecten die daarvoor van minder betekenis zijn. Het principe van deze Omgevingsnota is dat de gemeente veel aandacht zal besteden aan de regie van ruimtelijke ingrepen die het specifieke karakter van De Beemster raken. Bij ingrepen die dat niet doen, zal de gemeente zich terughoudend opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opbouw van de Omgevingsnota De Omgevingsnota bestaat uit vier delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 1 bevat een algemene introductie. Nadat het doel, de juridische status en het gebruik van de nota zijn uitgewerkt, wordt uitleg gegeven over de opbouw van de beoordelingskaders (macro-meso-micro) en de regieniveaus.Daarna wordt een kort overzicht gegeven van de geschiedenis van de droogmakerij en worden het ruimtelijk beleid en de ruimtelijke kwaliteitskaarten van de Omgevingsnota besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 2 bevat en de beoordelingskaders voor de gebieden en objecten die met elkaar op de verschillende schaalniveaus primair bepalend zijn voor de uitzonderlijke waarde van De Beemster: het buitengebied, inclusief buurtschappen, ringdijk en de agrarische erven; de dorpskern Middenbeemster; de historische dorpslinten van Westbeemster, Noordbeemster en Zuidoostbeemster (Zuiderweg en Purmerenderweg); de buitenranden, op de grens van bebouwde kom en buitengebied; de voor De Beemster karakteristieke gebouwtypen, zoals forten en andere objecten van de Stelling van Amsterdam, stolpboerderijen, bruggen, dammen, landbouwschuren en agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken bij paardenhouderijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 3 bevat de beoordelingskaders voor de binnengebieden - het weefsel van de woon- en werkgebieden achter de randen op de grens van bebouwde kom en buitengebied - en objecten die van secundair belang zijn voor de cultuurhistorische waarde van De Beemster: het binnengebied van de dorpsuitbreidingen; het binnengebied van het bedrijventerrein; de kleine veel voorkomende objecten, zoals aanbouwen, bijgebouwen, dakkapellen en kleine objecten in het dakvlak, erfafscheidingen en reclame-uitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 4 geeft de algemene beoordelingskaders. Het kan voorkomen dat een ingreep of een bouwwerk niet beoordeeld kan worden met de specifieke beoordelingskaders uit deel 2 en deel 3. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er onverwachte of experimentele aspecten meespelen of indien de specifieke criteria in een concreet geval niet adequaat zijn voor de beoordeling. Ook kan het zijn dat de optelsom van de specifieke criteria onvoldoende kwaliteit oplevert. In deze gevallen kan de ingreep of het bouwwerk beoordeeld worden op basis van de algemene beoordelingskaders (voor monumenten, openbare ruimte en bouwwerken) die zijn opgenomen in deel 4 van de Omgevingsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beoordeling op basis van de algemene beoordelingskaders moet extra zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij de stelregel is dat er hogere eisen worden gesteld naarmate een ingreep of een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Deel 4 bevat ook een regeling voor repressief toezicht op bestaande bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsnota hoeft in praktijk niet voor naar achter gelezen te worden. Voor de meeste ingrepen en bouwplannen volstaat het om een of twee beoordelingskaders te lezen. Op termijn kan de gemeente alle beoordelingskaders digitaal aan een kaart met adressenbestand koppelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Beemster Omgevingsnota werd in opdracht van de gemeente Beemster opgesteld door Welstandszorg Noord-Holland en , . Het proces werd begeleid door medewerkers van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel1 INTRODUCTIE 1. DE OMGEVINGSNOTA Ruimtelijke kwaliteit Het doel van de Omgevingsnota is het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteit. In het overvolle Nederland is ruimtelijke kwaliteit een gemeenschappelijk bezit, het is geen zaak van de eigenaren van grond of gebouwen alleen, het is een waarde die niet geïndividualiseerd of geprivatiseerd kan worden. Een goede ruimtelijke kwaliteit levert een bijdrage aan de leefbaarheid, de duurzaamheid en de culturele betekenis van een gebied. Het versterkt de ‘eigenheid’ (of identiteit) van een plek of een gemeente. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Mensen zijn graag in gebieden met een goede ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke kwaliteit is niet eenvoudig te definiëren of te objectiveren. Meestal wordt ruimtelijke kwaliteit benoemd als een optelsom van de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van een gebouw of van een gebied. De begrippen ‘utilitas, venustas, firmitas’ werden al ruim tweeduizend jaar geleden beschreven door de Romeinse bouwmeester Vitruvius.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsnota richt zich primair op de belevingswaarde van de omgeving. De Omgevingsnota regelt niet welke functies op welke plek komen en hoe omvangrijk en flexibel het programma is; dat soort zaken worden primair in het bestemmingsplan geregeld. De Omgevingsnota doet wel uitspraken over hoe een toegestane functie en een toegestaan volume het beste kunnen worden ingepast en uitgevoerd. En ‘het beste’ dat is dan: op een manier die de ruimtelijke kwaliteit van De Beemster behoudt en versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridische status en gebruik van de Omgevingsnota De Omgevingsnota is een grondige actualisering en aanvulling van de Welstandsnota Beemster uit 2003, en zal deze na vaststelling door de gemeenteraad vervangen. De Omgevingsnota is dus (onder meer) de welstandsnota in de zin van de Woningwet, en wordt ook als zodanig behandeld in het inspraak- en besluitvormingstraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsnota bevat de criteria voor ruimtelijke kwaliteit: voor ingrepen aan monumenten, voor ingrepen in de openbare ruimte en voor het oprichten of veranderen van bouwwerken (de eigenlijke welstandscriteria).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een door de Gemeenteraad in te stellen adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit moet elke beoordeling baseren op de betreffende beoordelingskaders. Voor een welstandsadvies geldt dat zelfs formeel: in de Woningwet staat dat een welstandsadvies enkel en alleen gebaseerd mag zijn op de criteria die door de gemeenteraad in de welstandsnota zijn vastgesteld. Plannen worden altijd integraal beoordeeld. Voor een goede gang van zaken moet echter altijd specifiek gemaakt worden welke juridische status een beoordeling heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsnota biedt de volgende (juridische) gebruiksmogelijkheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument: beoordeling altijd op basis van de algemene criteria voor monumenten (hst. 14) aanvullend daarop gebruik van de relevante gebieds- en objectgerichte beoordelingskaders Inrichting openbare ruimte (vergunningvrij, maar indien de gemeente zelf opdrachtgever is, wordt het plan ook aan de adviescommissie voorgelegd): op basis van de criteria voor openbare ruimte in de relevante gebiedsgerichte beoordelingskaders indien deze niet passend zijn op basis van algemene criteria voor openbare ruimte (hst. 15) Omgevingsvergunning voor het bouwen: welstandsbeoordeling op basis van de criteria voor bouwwerken in de relevante gebieds- en objectgerichte beoordelingskaders indien deze niet passend zijn op basis van algemene criteria voor bouwwerken (hst. 16) Omgevingsvergunningen voor ingrepen op het erf: beoordeling op basis de relevante criteria in de relevante gebieds- en objectgerichte beoordelingskaders Repressief toezicht op bestaande bouwwerken: op basis van algemene criteria voor excessen (hst. 17) Omgevingsvergunning voor planologische gebruiksactiviteit de beoordelingskaders worden mede gebruikt als kader voor het afwijkingsbeleid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>MACRO-MESO-MICRO EN REGIENIVEAUS Beoordelingskaders: macro-meso-micro Een beoordelingskader is een set met relatieve criteria, die worden geïnterpreteerd in het licht van de bijbehorende beschrijving en het voorliggende plan.</div>\n<p class=\"lf-p\">De beoordelingskaders in de Omgevingsnota zijn integraal: ze omvatten monumentale en cultuurhistorische aspecten, maar ook infrastructuur en groen, en gaan in op de relatie tussen gebouwen en openbare ruimte. Ze zijn gebaseerd op de bestaande kwaliteiten en de gewenste ontwikkelingen. De beoordeling is dus altijd contextgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordelingskaders in de Omgevingsnota bieden geen ‘checklist’ voor ruimtelijke kwaliteit. Ze geven op zichzelf geen garantie op ruimtelijke kwaliteit. Ze vergroten wel de mogelijkheid om een ordelijk gesprek te voeren over ruimtelijke kwaliteit. Bij de beoordeling van ruimtelijke ingrepen kijkt men steeds vanuit het geheel (de hele Beemster) naar de details (een ingreep op een erf of in een kern).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat principe is vertaald in Gouden Regels op macroniveau, essenties van het gebied op mesoniveau en min of meer ‘harde’ beoordelingscriteria op microniveau. Deze samenhang geeft speelruimte. Soms gaat het principe ‘voor wat hoort wat’ op: als een voorgestelde ingreep de huidige situatie zeer verbetert maar daarbij niet honderd procent binnen de beoordelingscriteria past, kan het gemeentebestuur besluiten om - binnen de essenties - de beoordelingscriteria vrijer toe te passen. De Omgevingsnota is dus zowel richtinggevend als borgend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gouden Regels op macroniveau Voor de regie op het macroniveau is in de Startnotitie een aanzet gegeven voor een aantal Gouden Regels. Deze regels zijn zo geformuleerd dat ze niet één oplossing voorschrijven, maar de ontwerp- en beoordelingsprincipes aangeven op het macroniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van de Omgevingsnota zijn deze Gouden Regels verder uitgewerkt. Deze Gouden Regels zijn vastgelegd in de Structuurvisie van de gemeente. Hieronder worden deze regels ‘geciteerd’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Beemster is werelderfgoed en daarom moeten alle nieuwe ontwikkelingen voldoen aan de criteria van ‘Des Beemsters’. Dat houdt in dat elk ruimtelijk initiatief (bebouwing, water, wegen, landschap) opgevat moet worden als ontwerpopgave met de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van De Beemster als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Beemster is een werkpolder: binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur moet (ruimtelijke en functionele) verandering mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiërarchie in de ruimtelijke structuur is van groot naar klein: van De Beemster als geheel naar het architectonisch detail.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landschappelijke openheid is een belangrijke, maar kwetsbare kwaliteit van De Beemster. De polder bestaat visueel-landschappelijk uit een aantal ‘kamers’, begrensd door randen met bebouwing en opgaande beplanting: de dorpen, de beboomde wegen met agrarische erven en de ringdijk. Eventuele verdichting in het buitengebied vindt alleen plaats in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. De openheid van de kamers blijft zo gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiërarchisch opgebouwde watersysteem, lopend vanaf de kavelsloten via het grid van de hoofdafwatering tot de Beemsterringvaart, is de blauwdruk voor de polderstructuur. Dit watersysteem, zoals in kaart vastgelegd op de Kopergravure (1644), moet gerespecteerd worden, zowel het tracé als het dwarsprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wegen vormen de functionele ontsluitingsstructuur van De Beemster en begrenzen de ‘landschappelijke kamers’ van de polder. De wegprofielen zijn van essentieel belang: de weg zelf, bermen en eventuele taluds, de doorgaande boomstructuur, flankerende sloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het erf is de ordenende bouwsteen van het buitengebied. Erfinrichting en bebouwing zijn onlosmakelijk verbonden met De Beemster als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwingsstructuren worden vanuit het grotere geheel benaderd: vanuit het landschap naar de bebouwing. De randen van de dorpskernen zijn van groter belang dan de binnengebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middenbeemster is vanuit cultuurhistorisch oogpunt de belangrijkste bebouwde structuur en moet letterlijk als middelpunt van De Beemster herkenbaar blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Forten en stolpen worden als gestolde cultuurhistorische artefacten in stand gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is intensief waar het moet: namelijk op alles wat ‘Des Beemsters’ is en raakt aan deze Gouden Regels; en neutraal waar het kan: op alle overige aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essenties op mesoniveau In de beoordelingskaders van de Omgevingsnota zijn de ordenende principes en dragende kwaliteiten van de onderscheiden gebieden uitgewerkt. Deze ‘essenties’ kunnen gebruikt worden in de eerste fasen van het ontwerpproces; ze dienen als gesprekspunten in de dialoog tussen de initiatiefnemer van een plan, de bewoners en ondernemers van De Beemster en de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er in het voortraject sprake is van begeleiding en advisering door de adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit, gebeurt dat in eerste instantie op basis van deze essenties. Ze vormen het scharnierpunt tussen de Gouden Regels en de beoordelingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor ruimtelijke kwaliteit op microniveau De criteria voor ruimtelijke kwaliteit dienen ten slotte om concrete ingrepen in de omgeving te beoordelen. Deze criteria hebben vooral een borgende functie. De criteria voor ruimtelijk kwaliteit bevatten welstandscriteria voor bouwwerken en criteria voor ingrepen die niet aan welstandstoezicht onderhevig zijn. In combinatie met het algemene beoordelingskader voor monumenten zijn de criteria voor ruimtelijke kwaliteit ook bruikbaar voor de beoordeling van wijzigingen aan monumenten. Omdat de gemeente een integrale beoordeling voorstaat, zijn alle criteria samengebracht onder de noemer criteria voor ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regieniveaus De regie door de gemeente hoeft niet overal hetzelfde te zijn. Waar de uitzonderlijke kwaliteiten van De Beemster in het geding zijn, zal de gemeente zich bijzonder inspannen om die te behouden. Maar als het gaat om de binnengebieden, het weefsel van de woon- en werkgebieden achter de randen op de grens van bebouwde kom en buitengebied, die van secundair belang zijn voor de uitzonderlijke kwaliteiten van De Beemster, zal de gemeente zich terughoudend opstellen. Ruimtelijke kwaliteit heeft in die gebieden veel minder ‘collectieve’ betekenis, het is daar vooral aan de bewoners en ondernemers om hun leefomgeving vorm te geven zoals zij dat willen. In de Omgevingsnota worden drie regieniveaus onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermend: bij veranderingen en ontwikkelingen aan of nabij aangewezen monumenten of in het beschermde gezicht, is de regie gericht op het beschermen van die waarde. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk mits ze de te beschermen waarden ondersteunen. Bij beschermende regie is vaak – maar niet altijd - sprake van bescherming via de Monumentenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonder: bij veranderingen en ontwikkelingen op plekken die primair ‘Des Beemsters’ zijn, is de regie gericht op het accentueren van de bijzonderheid: de betekenis van de ingreep voor de omgeving en zelfs voor De Beemster als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht: bij veranderingen of ontwikkelingen in de binnengebieden, het gewone weefsel van de woon- en werkgebieden, is de regie gericht op het voorkomen van ingrepen die ernstig afbreuk zouden doen aan de ruimtelijke kwaliteit. In deze woon- en werkgebieden is de vrijheid voor burgers en ondernemers groter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle niveaus bieden ruimte voor vernieuwing. Ook bij beschermende regie, waar behoud en hergebruik voorop staat, is ruimte voor eigentijdse ingrepen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>WERELDERFGOED DE BEEMSTER 3.1. ONTSTAAN EN INRICHTING De polder De polder De Beemster is tussen 1608 en 1612 drooggemalen. Amsterdamse kooplieden financierden, onder andere met VOC-gelden en de verdiensten uit de Oostzeehandel, dit grootschalige landaanwinningsproject. Begin 17de eeuw bestond er een grote behoefte aan nieuwe en goede landbouwgrond. Bovendien dreigden de met elkaar verbonden binnenzeeën Schermermeer, Beemstermeer en Purmermeer door het afkalven van de oevers steeds groter te worden. Dat ging ten koste van de landbouwgrond en bedreigde de bebouwing aan de oevers. Tegen deze achtergrond gaven de Staten van Holland al in 1607 toestemming om het Beemstermeer droog te malen. Rond het meer werd een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog, 7200 ha groot en grotendeels bestaand uit vruchtbare landbouwgrond.</div>\n<p class=\"lf-p\">In 1644 maakte Balthasar Florisz van Berckenrode een kopergravure met een zeer gedetailleerde kaart van de nog jonge Beemster. Deze kopergravure laat de hoofdstructuur van de droogmakerij zien met het oorspronkelijke sloten- en wegenpatroon. Zoals de meeste droogmakerijen werd ook De Beemster geometrisch verkaveld. Zeer bijzonder is echter dat hier de klassieke proportieleer als basis voor de verkaveling is gekozen. Hier heersen de principes van orde, ratio, van mathematische beginselen en van weloverwogen planning op een monumentale schaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt was de destijds als ‘ideaal’ beschouwde maatvoering. Rasters van wegen en afwateringstochten verdelen de ruimte in vierkante blokken. Zowel de wegen als de tochten vormen vierkanten van 1852 bij 1852 meter (oftewel 400 morgen). De twee rasters liggen los van elkaar: snijpunten van het ene raster liggen precies in het midden van de vierkanten van het andere raster. Zo ontstaan telkens vier vierkante polderblokken van 926 bij 926 meter, aan twee zijden begrensd door een weg en aan twee zijden door water. Deze polderblokken zijn weer opgedeeld in (meestal) vijf rechthoekige landbouwkavels van 185 bij 926 meter. De landbouwkavels sluiten aan de achterzijde aan op de hoofdafwatering en aan de voorzijde op de ontsluitingsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per polderblok kon de keuze worden gemaakt voor noord-zuid of oost-west gerichte kavels. Beide komen voor. Zo is het karakteristieke Beemster bebouwingspatroon ontstaan: een neutraal grid van wegen, geflankeerd door (van oorsprong) agrarische erven langs wegdelen die grenzen aan de kopse kant van de kavels. De ligging van de rasters is bepaald door twee lijnen: de Middenweg (de langst mogelijke lijn in noord-zuidrichting) en de Middensloot. Op basis van deze lijnen konden twee keer zes ‘ideale vierkanten’ worden geformeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zuidoosten van de Beemster kent een afwijkende, meer gesloten landschapsstructuur. Vanaf het ontstaan van de Beemster hebben zich hier tuinders gevestigd, die zich voornamelijk richtten op de Amsterdamse en Purmerendse markt. Het gevolg is een kleinschaligere en minder strakke structuur, waar in de loop der jaren relatief veel tuinbouwkassen en niet-agrarische functies zijn verschenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegen De wegen zijn ontworpen als een ‘neutraal raster’, dat wil zeggen dat de ene weg niet belangrijker zou zijn dan de andere. Bomen langs de wegen zorgden voor beschutting tegen wind en zon en hadden een esthetische bedoeling: ze versterkten het perspectief. Het wegenraster is nog steeds aanwezig, maar heeft in de loop der eeuwen aan neutraliteit ingeboet. Sommige wegen verwerken meer verkeer dan andere en zijn daar in hun inrichting en profiel op afgestemd. Bomen zijn langs sommige tracés verdwenen. Het wegenbestand is bovendien uitgebreid met rijksweg A7, de provinciale weg N244 en de Schermerhornerweg (deel van de provinciale weg N243). Deze wegen zijn zoveel mogelijk opgenomen in het rechthoekige patroon, maar vallen buiten het oorspronkelijke raster. Rond de kernen Middenbeemster en Zuidoostbeemster heeft een flinke uitbreiding van het wegennet plaatsgevonden als gevolg van de groei van die dorpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dorpen Middenbeemster De dorpen van de Beemster zouden volgens het oorspronkelijke ontwerp gebouwd worden aan de kruispunten van het wegennet. De meeste zijn nooit gebouwd, maar het dorp aan het centrale kruispunt van Middenweg en Rijperweg wel: Middenbeemster. Dit is het grootste en rijkste dorp, het centrum van de droogmakerij. Een dergelijke situering is in veel droogmakerijen toegepast. Bijna altijd werd het dorp gebouwd rond het centrale kruispunt. Daar verrezen de belangrijkste openbare gebouwen, zoals de kerk en het raadhuis. De kerk van Middenbeemster werd gebouwd van 1621 tot en met 1623; het raadhuis (Heerenhuis) volgde in 1640. Door het plaatsen van de kerk bij het snijpunt werd aansluiting gevonden bij de christelijke symboliek die sinds de middeleeuwen opgeld deed, met de opvatting dat Rome en Jeruzalem ooit ook een indeling in vier kwadranten hadden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het dorp uitgebreid. Het (voormalige) polderhuis en een pastorie/kosterij werden gebouwd. Ook werd gebouwd aan het Landje, de Lindengracht en de Middenweg. In de twintigste eeuw werden drie van de vier kwadranten rond het centrale kruispunt successievelijk bebouwd. De grootste uitbreidingen vonden na 1945 plaats in noordwestelijke, noordoostelijke en zuidwestelijke richting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuidoostbeemster In het tuindersgebied ontstond gaandeweg, op de kruising van de Purmerenderweg en de Zuiderweg, het dorp Zuidoostbeemster. Vanaf het midden van de negentiende eeuw vestigden zich hier meer en meer rentenierende boeren uit de omgeving. Vooral tussen 1898 en 1910, respectievelijk tussen 1910 en 1925, verrezen langs de Purmerenderweg en de Zuiderweg rentenierswoningen. Zuidoostbeemster breidde zich in de jaren twintig van de twintigste eeuw verder uit, gevolgd door een groeifase na 1945.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster Oorspronkelijk was Westbeemster gepland op de kruising van de Jisperweg met de Hobrederweg. Het dorpje, met kerk en het kerkhof, kwam echter iets ten noorden van de kruising te liggen, in de vorm van lintbebouwing aan de Jisperweg. In Westbeemster vestigde zich de rooms-katholieke gemeenschap van de polder. In 1752 werd een kleine kerk gebouwd (nog aanwezig, nu café De Kerckhaen). Omdat de parochie naderhand ook naburig gebied omvatte, werd in Westbeemster in 1878 de grote neogotische kerk van St. Johannes de Doper met pastorie gebouwd, gevolgd in 1910 door het klooster van O.L.V. van Lourdes, een parochiehuis en enkele rooms-katholieke scholen. Pas na de Tweede Wereldoorlog hebben er enkele kleine dorpsuitbreidingen plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordbeemster Planmatig is Noordbeemster ontstaan als agrarisch buurtschap, door lintvorming in de bebouwing langs de Middenweg. In de negentiende eeuw werden arbeiderswoningen gebouwd aan de oostkant van de kruising.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buurtschappen Naast de dorpen, ontwikkelden zich in De Beemster twee kleine buurtschappen: Klaterbuurt en Halfweg. Klaterbuurt is ontstaan als arbeidersbuurt, bij de Westdijk, aan het eind van de Rijperweg. De min of meer historische bebouwing is nagenoeg verdwenen. Ook Halfweg is ontstaan als arbeidersbuurt, langs de Volgerweg bij de kruising met de Nekkerweg. Aan de noordwestkant van de buurtschap ligt het Fort aan de Nekkerweg, onderdeel van de Stelling van Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelling van Amsterdam Vanaf 1880 werd de Stelling van Amsterdam aangelegd. Deze waterlinie moest eventuele vijanden op afstand houden van de hoofdstad door omringende gebieden onder water te zetten, oftewel te inunderen. De Stelling is als geheel zo’n 135 kilometer lang. In de Beemster liggen vijf forten. Van west naar oost zijn dat Fort Spijkerboor, Fort Jisperweg, Fort Middenweg, Fort Nekkerweg en Fort Benoorden Purmerend. Daarnaast zijn nog enkele andere werken aanwezig, zoals een inundatiesluis. Het zuidelijk deel van de polder hoorde bij het inundatiegebied van de Stelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2. WAARDERING Beschermd gezicht Middenbeemster In 1982 is de historische kern van Middenbeemster aangewezen als beschermd dorpsgezicht op grond van de Monumentenwet. De bijbehorende Toelichting op de aanwijzing benadrukt dat bij de bescherming het accent vooral ligt op de bewaard gebleven structuur van het dorp en op het bebouwingsbeeld van binnen uit gezien. Bij de structuur gaat het om de strakke 17de eeuwse stedenbouwkundige opzet, met het centrale marktplein. De woonbebouwing is kleinschalig van karakter; bijzondere elementen zijn de kerk, het Heerenhuis, het (voormalige) polderhuis en de pastorie/kosterij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werelderfgoed: droogmakerij De Beemster Vanwege de uitzonderlijke cultuurhistorische waarden werd De Beemster op 1 december 1999 op de Werelderfgoedlijst geplaatst. De motivatie wordt in het Nominatiedossier als volgt gegeven: ‘Het intellectuele en architectonische concept, dat ten grondslag heeft gelegen aan de ruimtelijke indeling van de droogmakerij van De Beemster is sedert het moment van zijn aanleg niet in zijn essentie veranderd. De droogmakerij van De Beemster heeft haar orthogonale, geometrische en rationele indeling bewaard. Het patroon van de met bomen beplante wegen, het tracé van de waterlopen en ringvaart met ringdijk, de maat der kavels, de schaal der bebouwing, de ligging der boerderijen, de historische structuur der nederzettingen en het functionele, want agrarische gebruik van deze 17de-eeuwse droogmakerij zijn de bepalende, maatgevende kenmerken ervan gebleven. Vrijwel overal kan nog de typische ruimtelijke visuele beleving ondergaan worden van de weidsheid van de droogmakerij, die zij sedert haar ontstaan bezit. Traditioneel is er ook het materiaalgebruik gebleven, baksteen en hout.’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werelderfgoed: de Stelling van Amsterdam Binnen de gemeente De Beemster liggen vijf forten van de Stelling van Amsterdam. De Stelling is in 1996 op de Werelderfgoedlijst geplaatst, ‘als buitengewoon voorbeeld van een uitgebreid samenhangend verdedigingssysteem uit de moderne tijd, dat intact en goed bewaard is gebleven sinds het eind 19de eeuw werd gebouwd. De Stelling is ook opmerkelijk door de unieke manier waarop het Nederlandse vernuft voor waterbouwkunde is opgenomen in de verdediging van de hoofdstad van het land.’ (bron: www.werelderfgoed.nl) In het zuidelijk deel van de droogmakerij overlapt dit Werelderfgoed, naast de forten met hun schootsvelden, bestaand uit inundatiegebieden die in tijden van oorlog onder water konden worden gezet, het Werelderfgoed van de droogmakerij.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het provinciaal Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam (2008) wordt, om de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam te beschermen, te behouden en te kunnen versterken, een aantal uitgangspunten geformuleerd. Deze zijn, voor zo ver relevant, verwerkt in de specifieke objectcriteria voor de forten (zie hoofdstuk 8).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>RUIMTELIJKE KWALITEITSKAARTEN 4.1. GEBIEDSINDELING Het grondgebied van De Beemster bestaat grotendeels uit gebieden die een belangrijke rol spelen in het cultuurhistorisch zeer waardevolle werelderfgoed-karakter van de polder. Daarnaast zijn er echter gebieden die daarvoor minder betekenis hebben.</div>\n<p class=\"lf-p\">De gebieden en objecten die met elkaar op de verschillende schaalniveaus primair bepalend zijn voor de cultuurhistorische waarde van De Beemster zijn: het buitengebied, inclusief buurtschappen, ringdijk en de agrarische erven; de dorpskern Middenbeemster; de historische dorpslinten van Westbeemster, Noordbeemster en Zuidoostbeemster (Zuiderweg en Purmerenderweg); de buitenranden, op de grens van bebouwde kom en buitengebied; de voor De Beemster karakteristieke gebouwtypen, zoals forten en andere objecten van de Stelling van Amsterdam, stolpboerderijen, bruggen, dammen, landbouwschuren en agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken bij paardenhouderijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De binnengebieden, het weefsel van de woon- en werkgebieden achter de randen op de grens van bebouwde kom en buitengebied, zijn van secundair belang voor de cultuurhistorische waarde van De Beemster. Het gaat om: het binnengebied van de dorpsuitbreidingen, de uitbreidingswijken die na 1945, met name in Middenbeemster en Zuidoostbeemster zijn gerealiseerd; het binnengebied van het bedrijventerrein in Middenbeemster.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2. REGIEKAART Zoals aangegeven worden er in de Omgevingsnota drie regieniveaus onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermend: bij veranderingen en ontwikkelingen aan of nabij aangewezen monumenten of in het beschermde gezicht, is de regie gericht op het beschermen van die waarde. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk mits ze de te beschermen waarden ondersteunen. Bij beschermende regie is vaak - maar niet altijd - sprake van bescherming via de Monumentenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonder: bij veranderingen en ontwikkelingen op plekken die primair ‘Des Beemsters´ zijn, is de regie gericht op het accentueren van de bijzonderheid: de betekenis van de ingreep voor de omgeving en zelfs voor De Beemster als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht: bij veranderingen of ontwikkelingen in de binnengebieden gebieden is de regie gericht op het voorkomen van ingrepen die ernstig afbreuk zouden doen aan de ruimtelijke kwaliteit. In deze woon- en werkgebieden is de vrijheid voor burgers en ondernemers groter. Omdat de meerderheid van de inwoners van de gemeente in deze binnengebieden woont, betekent deze indeling voor de meerderheid van de bevolking meer vrijheid dan de huidige welstandsnota biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB. Bij uitbreiding wordt een nieuwe rand vanzelf bijzonder, zoals het derde kwadrant Middenbeemster. Ontwikkelingsgebieden zoals het Vierde kwadrant Middenbeemster en Zuidoostbeemster worden als ‘nieuwe randen’ ontwikkeld door middel van beeldkwaliteitplannen, en vallen daarna als beheergebied onder de bovenstaande regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 2 BEOORDELINGSKADER BESCHERMENDE EN BIJZONDERE REGIE Gebieden en objecten die PRIMAIR bepalend zijn voor de uitzonderlijke waarde van de Beemster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting In hoofdstuk 5 is de ruimtelijke kwaliteit van De Beemster als geheel aan de orde gekomen en is een gebiedsindeling gegeven met een bijbehorend regieniveau. In dit tweede deel van de Omgevingsnota worden de beoordelingskaders gegeven voor de gebieden en de objecten met beschermende of bijzondere regie. Het regieniveau ‘beschermend’ geldt voor aangewezen monumenten en het beschermde dorpsgezicht, het regieniveau ‘bijzonder’ geldt voor het buitengebied, inclusief de erven, de historische dorpslinten van Westbeemster, Noordbeemster en Zuidoostbeemster en de bebouwingsranden grenzend aan het buitengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tekst worden per gebiedstype de belangrijkste ‘kenmerken’ beschreven: ruimtelijke structuur, open(bare) ruimte en bebouwing. Deze worden samengevat in essenties, de belangrijkste ordeningsprincipes en daaruit voortvloeiende ruimtelijke kwaliteitsaspecten. De essenties dienen als uitgangspunten ‘aan de voorkant’ van het planproces, om de uitgangspunten voor alle omgevingsplannen te bepalen (beleidsplannen, openbare ruimteplannen, ingrepen aan, op of bij monumenten en bouwplannen). Vaak zal dit gebeuren in vooroverleg met de adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de essenties volgen de criteria voor ruimtelijke kwaliteit, steeds gesplitst voor bouwwerken (de welstandscriteria) en voor overige ingrepen. Voor een aantal objecten die kenmerkend zijn voor De Beemster, zijn specifieke objectcriteria opgenomen. De criteria worden gebruikt voor de beoordeling van concrete ingrepen, in het kader van een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een eigen (vergunningvrije) activiteit van de gemeente. De gemeente zal in een reglement van orde vastleggen op welke manier de agendering van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit tot stand komt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>BUITENGEBIED Regieniveau: bijzonder Gebied Het grootste deel van De Beemster bestaat uit het agrarisch gebruikte buitengebied, dat is geordend in een geometrisch wegen-, water en kavelpatroon. De kleinste bepalende ruimtelijke eenheid in het buitengebied is het erf, een samenhangende geheel van gebouw(en) en privé gebruiksruimte. In het buitengebied liggen ook bebouwingsreeksen aan de lengte- en dwarswegen (noordzuid tegenover oost-west) van de droogmakerij, en de bebouwing aan de ringdijk. De stolpboerderij is in de bebouwing een cultuurhistorisch waardevol en beeldbepalend element. Een tweede belangrijke categorie objecten betreft de vijf forten van de Stelling van Amsterdam in het zuiden van de droogmakerij.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengebied is in hoge mate bepalend voor het Werelderfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwachting van nadere besluitvorming is het gebied Nekkerzoom niet als afzonderlijk gebied in de Omgevingsnota opgenomen, en gelden de criteria voor het buitengebied. Als besluitvorming over de visie Nekkerzoom plaatsvindt, kunnen zo nodig specifieke criteria aan de Omgevingsnota worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken Polderstructuur De Beemster laat een aantal karakteristieken van een droogmakerij zien: een overwegend agrarisch gebruik, een rationele verkaveling in combinatie met een lineair wegen- en slotenpatroon en een grotere kavelmaat dan op het omringende ‘oude land’. Specifiek voor De Beemster is de mathematische opzet van de polder. Van noord naar zuid en van oost naar west lopen kaarsrechte en haaks op elkaar staande wegen. Dit patroon wordt telkens door middel van twee haaks op elkaar staande waterlopen verder opgedeeld in vierkanten. De vierkanten, gevormd door de wegen en de waterlopen van de hoofdafwatering, meten steeds 1852 bij 1852 meter. Elk vierkant is opgebouwd uit vier vierkante polderblokken van 926 bij 926 meter. Deze bestonden in principe elk weer uit vijf langwerpige, rechthoekige basiskavels van 185 bij 926 meter, met een oppervlakte van ca. 16 hectare en begrensd door sloten. Er kwamen echter ook blokken tot stand met smallere kavels en meer sloten: 12,5 en 20. De lange kavels zijn veelal via dwarssloten onderverdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cultuurhistorisch waardevolle onderdelen van het watersysteem, te zien op de Kopergravure, moeten gerespecteerd worden, zowel het tracé als het dwarsprofiel (zie ook de Gouden Regels). De Kopergravure is door de gemeente als uitgangspunt gekozen bij het behoud en de versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van De Beemster. De richting van de verkaveling (noord-zuid lopende wegen) is merendeels haaks op de lengtewegen. In een aantal blokken is de verkaveling haaks op een dwarsweg (oost-west); in het zuidelijk deel van De Beemster is dat overwegend het geval. Langs de rand van de droogmakerij is de verkaveling haaks op de ringdijk. Kruisoord, een ouder veenpoldertje aan de noordrand van De Beemster, wijkt af van het mathematisch systeem, met een kleinschaliger, brokkelig verkavelingspatroon. Het poldertje is van oorsprong een niet weggeslagen stukje veengebied van de Beetserkoog uit de tijd van het Beemstermeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschappelijke openheid Het grootste deel van de polder buiten de dorpen en de bebouwing langs de wegen is onbebouwd en vrij van dichte, opgaande beplanting. Een uitzondering hierop vormt het gebied tussen de N244, de Middenweg, het Noordhollands Kanaal en de Oostdijk, aan de noordoostkant doorlopend rond de Purmerenderweg. Dit gebied heeft als gevolg van de tuinbouwfunctie een meer besloten karakter, met kleine bospartijen, boomgaarden en een vrij dichte bebouwing. Het onbebouwde gebied vormt niet één ongedeelde open ruimte. Gevolg van de bebouwing en de laanbeplanting langs de wegen is dat de ruimtes tussen de wegen als aparte landschappelijke ‘kamers’ worden ervaren. Aan de rand van de polder fungeren het dijklichaam van de ringdijk en de bebouwing en beplanting aan een kant als begrenzing van de kamers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimte De openbare ruimte in het buitengebied valt samen met het wegenpatroon. Dat heeft nog altijd de oorspronkelijke, noord-zuid/oost-west georiënteerde gridstructuur. Door toevoeging van nieuwe wegen en opwaardering van bestaande, is er echter veel meer onderscheid gekomen tussen de wegen dan oorspronkelijk het geval was. In de huidige situatie bestaat de volgende hiërarchische onderverdeling: rijksweg A7, provinciale weg N243, N244 polderwegen, ringdijk De voor het buitengebied meest kenmerkende wegen zijn de polderwegen en de ringdijk. De polderwegen hebben min of meer het oorspronkelijk karakter en beslaan verreweg de grootste lengte van de gridstructuur; de ringdijk die de rand van de polder markeert, ligt als een onregelmatige lus rond het grid. Ook de ringdijk heeft min of meer het oorspronkelijk karakter. De polderwegen hebben een lineair karakter door het kaarsrechte tracé en de kruisingen onder een rechte hoek. Het dwarsprofiel is, uitzonderingen daargelaten, op hoofdonderdelen symmetrisch en opgebouwd uit een centrale rijweg, geflankeerd door bermen met regelmatige laanbeplanting. Aan beide kanten van de weg loopt een sloot. Bij de wegen met een vrijliggend fietspad staan ook bomen in de berm tussen fietspad en weggedeelte voor gemotoriseerd verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het profiel van de ringdijk is uiteraard afwijkend. Aan de buitenkant ligt de ringvaart, wat lager dan de kruin van de dijk, aan de binnenkant ligt het binnentalud van de dijk, aflopend naar het maaiveld van de droogmakerij. Bomen ontbreken aan delen van de dijk en waar bomen staan, staan ze bovenaan het binnentalud. Aan de noordkant ontbreekt over een groot gedeelte een weg, de dijk heeft hier het karakter van een groene dijk. Door de hogere ligging van de dijk fungeert deze als ‘uitzichttribune’ op de polder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Beemster erf De Beemster erven worden traditioneel omgeven door sloten en bomen waardoor elk erf zich langs de weg manifesteert als een ruimtelijke eenheid. Soms zijn de inrichting en opzet van het erf –of een deel daarvan- terug te voeren op historische inrichtingsprincipes, mede gebaseerd op de renaissance idealen. Uiteraard is de hedendaagse agrarische bedrijfsvoering nu sterk leidend bij de erfinrichting. Er is meer verhard oppervlak gekomen en de achterkant, gericht naar het agrarisch gebied, is vrij van singelbeplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de erven is oorspronkelijk de ordening van de polder voortgezet. De erven liggen op de kop van rechthoekige kavels, soms nog de basiskavels van 185 bij 926 meter. De vorm is daarmee die van een langwerpige rechthoek tot min of meer vierkant. De boerderijen, ook weer vierkant of langwerpig rechthoekig, staan midden op het perceel, met de zijgevels evenwijdig aan de perceelsgrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het erf kent een duidelijke zonering. Het voorerf is van oudsher bestemd voor het hoofdgebouw, aan voor- en zijkanten omringd door een representatieve tuin. Soms is ook een boomgaard aangeplant. Achter het voorerf ligt een overgangszone waarin het arbeidsintensieve en gemengde gebruik plaatsvindt en waar kleinere bedrijfsgebouwen staan. Daar weer achter is het bedrijfserf met de grotere bedrijfsgebouwen. De oorspronkelijke positie van de bijgebouwen, is net als die van het hoofdgebouw evenwijdig aan de perceelsgrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recente bijgebouwen bepalen door hun omvang en plaatsing (alle gebouwen bij elkaar) steeds nadrukkelijker het aanzicht van de bedrijfserven. Daarmee zijn ze ook van invloed op het zicht op de erven vanaf de aangrenzende wegen en op het zicht op de erven van verder af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing De bebouwing in het buitengebied ligt langs de rechte lengte- en dwarswegen. Aan de lengtewegen (Wormerweg, Jisperweg, Middenweg, Nekkerweg en Pumerenderweg) verschilt de lengte en dichtheid van de aanwezige bebouwing. Aan de Middenweg en Jisperweg is de bebouwing het meest verdicht. Bij de dwarswegen (Zuiderweg, Volgerweg, Rijperweg, Hobrederweg, Oosthuizerweg, Schermerhornerweg, Vrouwenweg en Mijzerweg) zijn de Zuiderweg, de Rijperweg en de Oosthuizerweg het dichtst bebouwd. Ook langs de ringdijk ligt een reeks boerderijen, waar het doorzicht over de grootste lengte vrij open is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is merendeels aan weerszijden van de weg gebouwd, met grote bouwvolumes (boerderijen) in een repeterend patroon, of ingevuld met een aantal kleinere (arbeiders)woningen. Tussen de erven bestaan vergezichten naar het achterliggende landschap. Ook bebouwing met vrijwel uitsluitend aan een kant van de weg komt voor, o.a. aan delen van de Wormerweg en de Purmerenderweg. De bebouwing aan de ringdijk is eveneens enkelzijdig; de boerderijen staan aan de binnenkant van de dijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdgebouwen staan op de koppen van de kavels, met de voorgevel naar de weg gekeerd. Tussen de bebouwing en de weg ligt traditioneel een voortuin. De kapvorm en kaprichting van het hoofdgebouw variëren, evenals de plaats van de entree. Kenmerkend voor het agrarisch karakter (relatie boerderij – achterliggend land) is dat alleen uitbreiding naar achteren heeft plaatsgehad met bedrijfsbebouwing. Er is geen tweede ‘laag’ bebouwing ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de buurtschappen Blikken Schel, en Klaterbuurt is wel sprake van een dichtere (woon)bebouwing, en daardoor minder transparantie naar het achterliggende agrarische gebied. Ook rond de kruispunten is de bebouwing verdicht, met woningen. Tussen het erf en de weg loopt veelal de wegsloot. De woningen zijn toegankelijk via een smalle brug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe erven In de notitie nieuwe erven zijn principes en criteria ontwikkeld die zijn bedoeld om nieuwe locatiekeuzes te bepalen en te onderbouwen. Er zijn geen vaste gewichten aan de principes en criteria verbonden. De uiteindelijke weging zal per individueel geval moeten worden gemaakt. We hanteren de volgende principes op macroniveau: voorkeur voor vergroten en/of herstructureren van bestaande erven boven aanleg van nieuwe erven het historische occupatiepatroon voortzetten vrije doorzichten over de weilanden en de akkerlanden handhaven Op macroniveau gelden verder de volgende bijzondere criteria: niet bouwen in de schootsvelden van de forten van de Stelling van Amsterdam; daarvan kan alleen worden afgeweken op basis van de afspraken in het ruimtelijk beleidskader met de provincie Noord-Holland; zicht op en vanuit historische stolpboerderijen respecteren; niet bouwen op plekken waar een bijzonder archeologisch regime geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het historisch occupatiepatroon volgen deze criteria: nieuwe erven voegen zich in de bestaande bebouwingsstructuur (langs één zijde van de weg; in de Beemster altijd aan de kopse kant van de kavels); dit betekent bij voorkeur op de kop van een kavel, bij hoge uitzondering zijdelings en dan op minimale afstand van een bestaand (kruisend) reeks bebouwing; binnen deze voorkeur geen prioriteit voor de ene reeks bebouwing boven het andere: een hiërarchie tussen de reeksen bebouwing is historisch onjuist;</p>\n<p class=\"lf-p\">1e voorkeur voor vierkante vorm van het erf, 2e voorkeur (bij erf &gt; 1 ha) voor langgerekte vorm in lijn met de richting van de kavel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het principe van de vrije doorzichten leidt tot de laatste criteria: lange zichtlijnen bij voorkeur respecteren, die hebben meer prioriteit dan korte zichtlijnen; zichtlijnen op een fort van de Stelling van Amsterdam bij voorkeur respecteren, hebben meer prioriteit dan zichtlijnen over weilanden en akkerlanden in het algemeen; het zicht op de forten vanaf de tegenoverliggende wegen mag niet volledig worden geblokkeerd; bij voorkeur geen nieuwe erven aan de ringdijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering, materiaal en kleur De oudere gebouwen zijn zorgvuldig en karakteristiek gedetailleerd (dorpels, lateien, vensterbanken, glasroeden). Het materiaal van de gevels bestaat overwegend uit steen en hout voor de kozijnen. Het kleurgebruik is traditioneel, groen, aardetinten en wit, met sporadisch het gebruik van rood. Meer recente bouw is doorgaans eenvoudig gedetailleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essenties Structuur, wegen, (open)bare ruimte Droogmakerij opgebouwd uit structurerende elementen: waterlopen, wegen metbeplanting, ringdijk, verkaveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor De Beemster specifieke mathematische ordening: ’ideale vierkanten’ van 1852 x 1852m, polderblokken van 926 x 926m, basiskavels van 185 x 926m, in neutraal ruimteschema, zonder hiërarchie en met aanpassingen richting dijk/ringvaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centraal assenkruis van Middenweg en Middensloot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthoekig afwateringssysteem van tochten en sloten en de ringvaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthoekig patroon van wegen (inclusief profielen met bomenlanen en perspectiefwerking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen van wegen onder rechte hoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie van de percelen, haaks op of evenwijdig aan de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Occupatiepatroon op de koppen van de percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openheid in de vorm van ‘landschappelijke kamers’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ringdijk functionerend als ‘uitzichttribune’ op de polder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleinste en bepalende eenheid van het gebied is het erf, met daarop gebouwen en groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschap Behoud openheid van het landschap binnen de kamers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terughoudendheid bij ingrepen en bouwwerken; als deze aantoonbaar noodzakelijk zijn dan mogen ze de openheid niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing Hoofdgebouwen (boerderijen, woonhuizen) bestaan altijd uit individueel vormgegeven panden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nok van de bebouwing staat haaks op de weg, met uitzondering van een aantal specifieke historische situaties met een parallelle nokrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berderijen hebben een representatieve voorgevel, gekeerd naar de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonhuizen hebben een steile kap, een ingangspartij naar de weg toe, bestaan uit een of twee bouwlagen en sober materiaal- en kleurgebruik Erven (verkort overgenomen uit BP Buitengebied, incl. afbeeldingen) Criteria voor ruimtelijke kwaliteit Wegen en waterlopen (overige ingrepen) Handhaven lineair karakter polderwegen met kaarsrecht tracé en kruisingen onder een rechte hoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven symmetrisch dwarsprofiel polderwegen met centrale rijweg, geflankeerd door bermen met regelmatige laanbeplanting en aan weerszijden van de weg een sloot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven dwarsprofielen met vrij liggend fietspad (door berm gescheiden van autoweg) en laanbomen in tussenberm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven continuïteit in lengteprofiel door toepassen gelijke plantafstand laanbomen, aanplant beperkt sortiment, wegdek in asfalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven dwarsprofiel ringdijk met relatief smalle kruin en steil binnentalud, en waar aanwezig bomen bovenaan het binnentalud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven lineair karakter waterlopen binnen de polder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven karakter ringvaart met groene oeverranden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame-uitingen op of aan de openbare weg of in het open landschap zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herinrichting wegen: in situaties met geringe verkeersdruk behoud of herstel van het traditionele Beemster lengte- en dwarsprofiel; in situaties met hoge verkeersdruk een hedendaagse oplossing toepassen met gebruikmaking van de eigenschappen van het traditionele profiel (lineair, continu, enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschap Ingrepen of bouwwerken in het open landschap niet als erf benaderen, dus geen beplanting rondom en de verticale elementen beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terughoudend in kleurstelling: donkere kleuren, monochroom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhard oppervlak tot een minimum beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erven Het erf heeft drie zones: voorerf, overgangszone, bedrijfserf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorerf is in gebruik als representatieve tuin, met zicht op de woning en is onbebouwd tot aan de achtergevel van het hoofd(woon-)gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorzichten op de erven naar het achterliggende landschap blijven gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erftoegang is gemarkeerd door een poort of een hek en/of bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verlengd of verbreed erf is een tweede ondergeschikte brug of dam met duiker mogelijk, als die aan de volgende eisen voldoet: niet voorzien van sierhekwerken, borstwering niet hoger dan 30 cm.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situering van hoofdgebouwen op het voorerf is parallel aan de kavelrichting; de nokrichting is haaks op de weg om het dichtslibben van bebouwing langs de weg te voorkomen, in een aantal historische situaties is er sprake van een nokrichting parallel aan de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgevel van het hoofdgebouw dient op de weg georiënteerd te zijn en daaraan evenwijdig te lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdgebouwen liggen, gerekend vanaf de weg, uitsluitend in de voorste bebouwingslijn (zie zonering in Bestemmingsplan Buitengebied).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de overgangszone hebben bijgebouwen en kleine bedrijfsgebouwen een steile kap (tussen de 30 en 60 graden) haaks op de weg, een nokrichting parallel aan de weg is mogelijk indien het om ondergeschikte bouwwerken gaat die het doorzicht niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bedrijfserf hebben grote bedrijfsgebouwen een kap haaks op de weg (dus parallel aan de perceelsrichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsgebouwen op het bedrijfserf na 180 m dienen een kloeke, eenvoudige vorm te hebben bestaande uit één bouwlaag met kap in de vorm van zadeldak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote bedrijfsgebouwen situeren op het bedrijfserf in lijn met de kavelrichting, gezien vanaf de weg wordt de kavelrichting versterkt door een heldere, relatief vlakke wand evenwijdig aan de lijn van de kavelrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losstaande reclame-uitingen op het erf moeten tot een minimum worden beperkt, slechts één naambord en één vlaggenmast met de aanduiding van het op het erf gevestigde bedrijf is toegestaan. Maximale afmetingen naambord 1x1 m, hoogte maximaal 2 m; maximale hoogte vlaggenmast 8 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe erven Er kunnen zich situaties voordoen waarin het gewenst is een nieuw agrarisch erf in te richten. Op grond van de Gouden Regels (hoofdstuk 2) dienen deze een plaats te vinden binnen de bestaande bebouwingsstructuur en buiten de schootsvelden van de forten van de Stelling van Amsterdam en locaties met een bijzonder archeologisch regime (zie Bestemmingsplan Buitengebied). De bovenstaande criteria zijn daarbij eveneens van kracht, met de volgende wijzigingen en toevoegingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het nieuwe erf is minimaal één doorzicht naar het achterliggende landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op het nieuwe erf zet geen zichtlijnen op forten van de Stelling van Amsterdam dicht op het nieuwe erf geen bedrijfsgebouwen tegenover een stolpboerderij (aan de andere kant van de weg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfbeplanting De richtlijnen met betrekking tot erfbeplanting kunnen niet als harde criteria worden vastgelegd. De gemeente wil ten aanzien van de kwaliteit van de erfbeplanting wel een stimulerend beleid voeren en hanteert daarbij de volgende richtlijnen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Groene afbakening van het erf met rondom opgaande beplanting, (windkering, beschutting) uitgezonderd de wegkant. Beplanting: inheemse bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe hoger de bebouwingsintensiteit of –hoogte hoe meer verdicht de groene zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op diepe erven (hoofdgebouw vrij ver van de weg) begeleidt laanbeplanting het erfpad. Beplanting: inheemse bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grote erven een boomgaard voorop het erf, eventueel met afzonderlijke sloot omgeven, op het voorerf verder solitaire bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote bedrijfsgebouwen op het achtererf in lijn met de kavelrichting, met relatief vlakke zijwand aan de kavelgrens voorzien van rijvormige beplanting ervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken Massa en opbouw Aanpassingen en ondergeschikte toevoegingen moeten worden uitgevoerd in de stijl van het (hoofd)gebouw, maar zijn niet per se historiserend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgevel van het hoofdgebouw heeft een representatief aanzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgevel van het hoofdgebouw zichtbaar vanaf de openbare weg dient voor tenminste 20 % transparant te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouwen op hoofdgebouwen zijn, als teveel ingrijpend op de hoofdvorm, niet toegestaan Platte daken zijn voor hoofdgebouwen niet toegestaan, als te ingrijpend op de karakteristieke bouwvormen van De Beemster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wolfseind (de afgeschuinde kanten aan de korte zijden van het dak, boven voor- en achtergevel) is niet toegestaan bij het hoofdgebouw, vanwege het historiserende, maar niet-Beemster eigen karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels dienen verticaal geleed te zijn. -Wanneer wordt gerefereerd aan de stolpboerderij, dient te worden voldaan aan de specifieke criteria die voor de stolpboerderij gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering, materiaal en kleur Kozijnen, dorpels, lateien, vensterbanken, goten, gootklossen, windveren en dergelijke dienen zorgvuldig gedetailleerd te worden, eventuele karakteristieke details moeten behouden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Witte steen als hoofddrager is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik kleuren en materialen die voor het gebied kenmerkend is: hout (voor kozijnen, ramen en deuren), metselwerk (voor gevel) en keramische dakpannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van plaatmateriaal alleen toegestaan voor wanden van bedrijfsgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per erf/bedrijf is één gevelreclame op een bedrijfsgebouw toegestaan. De gevelreclame staat in verhouding tot de afmetingen van het bedrijfspand en de betreffende gevel en wordt binnen het gevelvlak aangebracht. Dakreclame is niet toegestaan. De voorkeur gaat uit naar losse belettering. Lichtreclame is in het buitengebied niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinere agrarische bedrijfsgebouwen in de overgangszone zijn in materiaal en kleur ondergeschikt uitgevoerd; dat wil zeggen toepassing van traditionele materialen voor de voor- en zijgevels: baksteen en hout, het materiaal is duurzaam en uitgevoerd in een gedekte kleur, passend in het landschap en op het erf (geen signaalkleuren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote agrarische bijgebouwen zie hoofdstuk 10.b. .</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>DORPSKERN MIDDENBEEMSTER Regieniveau: beschermend Gebied De historische kern van Middenbeemster omvat de kruising van de Middenweg en de Rijperweg met de bebouwing erlangs en een deel van het aangrenzend gebied. De dorpskern bestaat grotendeels uit het Beschermd Dorpsgezicht Middenbeemster, maar ook het terrein van Hospice Thuis van Leeghwater aan de Prins Mauritsstraat valt er binnen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken Structuur De Beemster is als geheel een ruimtelijke compositie met een geometrische grondslag, waarvan Middenbeemster het centrum vormt. Het dorp is daarmee de kern van de droogmakerij. De ruimtelijke structuur van de dorpskern wordt nog altijd bepaald door de twee haaks kruisende polderwegen: de Middenweg en de Rijperweg. Typologisch is Middenbeemster daardoor een kruiswegdorp.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kruisende wegen zijn de centrale assen van De Beemster. De kruising is verbreed tot een marktplein, waarvoor de rooilijn en de wegsloot langs de Middenweg naar achteren zijn verlegd. De aanwezige bebouwing langs beide wegen heeft een sterke ruimtelijke en functionele relatie met deze twee lineaire structuren. Door de aanwezigheid van boerderijen en agrarische bebouwing (stallen, schuren) is vooral langs de Middenweg de agrarische ontstaansgeschiedenis nog afleesbaar. Aan de westkant van de kruising staat de - kleinschalige - bebouwing dicht opeen met de nok parallel aan de weg. De (zuid)oostkant, met de kerk en een boerderij met omringend erf is relatief open. Verder naar buiten toe verdunt de bebouwing zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de kern varieert de kaveldiepte van breed en ondiep tot smal en diep. De opbouw van de kavel draagt in sterke mate bij aan de plaatsing en opbouw van de bebouwing in het het neutrale raster. Latere, aan de uiteinden van het dorp gebouwde panden staan vrij op de kavel, verder teruggelegen van de straat. Het merendeel van de bebouwing heeft een individueel, kleinschalig karakter en is georiënteerd op de weg. Dominante elementen in de kern zijn de kerk en het Herenhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimte Het Marktplein is de belangrijkste openbare ruimte van Middenbeemster. Bij de kruising ligt de kerk, waardoor het centrum vanuit de hele droogmakerij aan de toren herkenbaar is. Hier zijn de sloten van de Middenweg achter de bebouwing langs gelegd om ruimte voor de markt te creëren. Het Marktplein is niet symmetrisch van indeling. Aan de westkant staan twee rijen bomen met daarachter de aaneengesloten voorgevelrooilijn van de woningen in de pleinwand. Aan de oostkant staan drie rijen bomen met een open beëindiging. De ruimte zelf is bestraat met gele klinkers met mestputjes en voorzien van koeienhekken tussen de bomen. Ook staat er een travalje voor het beslaan van de paarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder van de kruising af wordt het lineaire karakter van Middenweg en Rijperweg - deel van het raster van De Beemster als geheel - ondersteund door de bomenrijen in het wegprofiel en de bermsloten. De inmiddels aangelegde bypass heeft de verkeersintensiteit in de dorpskern teruggebracht. Het historisch profiel kon daardoor gehandhaafd blijven. De Rijperweg heeft bij de kruising een breder profiel. Hier is parkeergelegenheid ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook langs de Middenweg verder van de kruising liggen bermsloten. Noordelijk van de kruising staat de bebouwing aan de westkant langs een pad achter de sloot, waardoor hier geen bruggen nodig zijn. Aan de oostkant is wel elk perceel bereikbaar via een bruggetje, zoals dat ook karakteristiek is voor De Beemster als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bebouwing is teruggelegen van de weg en een sloot ontbreekt, zetten erfafscheidingen de rooilijn door. Vaak gaat het om een laag hekje of een haag. Een uitzondering binnen dit strakke patroon in de kern is het ‘landje’ in het zuidwestkwadrant. Hier staat aan twee kanten eenvoudige lage aaneengesloten bebouwing rond een plantsoen met hoge bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing Binnen de strakke, planmatige stedenbouwkundige structuur bestaat de invulling uit individuele bebouwing, soms solitair op de kavel geplaatst, soms opgenomen in een aaneengesloten gevelwand. De individuele opbouw van de gebouwen is daarbij een gemeenschappelijk kenmerk. Deze diversiteit beïnvloedt het ruimtelijk beeld in hoge mate. Vrijwel alle bebouwing met zadeldak heeft de nok haaks op de weg, met als opvallende uitzondering het deel van de Middenweg langs het marktplein. Daar is de bebouwing teruggelegd om ruimte voor de markt te creëren. Deze panden hebben de nok parallel aan de straat. Dit kwadrant is het vroegst gebouwde deel van Middenbeemster.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen zijn van verschillende types: vrijstaande woningen, kleine arbeiderswoningen, boerderijen en geschakelde woningbouw. Wel zijn eigenlijk alle gebouwen georiënteerd op de straat. Bebouwing bestaat grotendeels uit één bouwlaag met kap, grotere en voornamere woonhuizen hebben twee lagen met kap. Enkele gebouwen hebben, te midden van de agrarische bebouwing, zelfs een vrij ‘stadse’ uitstraling. Door hun maat en verbijzonderde detaillering accentueren ze hun (voormalige) publieke functie. Op enkele plaatsen staan stolpboerderijen. De kapvorm en kaprichting variëren. Zowel zadeldaken, mansardekappen als schilddaken komen voor. De hoofdgebouwen staan aan de straatzijde, bijgebouwen bevinden zich achter het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering, materiaal en kleur Bebouwing uit de 17de, 18de- en vroeg 19de eeuw is vrij sober uitgevoerd in baksteen, hout en gebakken pannen. Wel zijn hier en daar bijzondere decoraties als gevelstenen toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de rijker gedetailleerde 19de-eeuwse rentenierswoningen, herenhuizen en voormalige openbare gebouwen zijn de kozijnen van ramen omlijst door een rijke detaillering met pilasters, decoraties rond gevelopeningen en een verbijzondering van de kroonlijst. Hier is ook wel pleisterwerk toegepast. Vooral de sober(der) uitgevoerde (arbeiders)woningen zijn opgetrokken in hout of voorzien van een houten topgevel. Inmiddels is ook historiserende nieuwbouw verschenen, waarbij het bovengenoemde materiaal- en kleurgebruik is toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stolpen komen zowel in een rijk gedetailleerde vorm als in een soberder uitvoering voor, waarbij de materialisering niet veel verschilt van de overheersende gebiedskarakteristieken: bruine of rode baksteen, rode of grijze gebakken pannen en wit of groen geschilderd hout voor kozijnen en ramen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essenties De structuur van Middenbeemster wordt bepaald door de kruisende Middenweg en Rijperweg, versterkt door bermsloten en laanbomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter hoogte van het Marktplein zijn de sloten teruggelegd of overkluisd. Hier staan westelijk dubbele en oostelijk driedubbele bomenrijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de uiteinden van het dorp heeft het profiel wegsloten en individuele, vrijstaande bebouwing met voortuin en een individuele kavelbrug naar het lange smalle perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De historische inrichting prevaleert boven de historische functie (bv: wegprofiel is belangrijker dan functie als verkeersweg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vrijstaande bebouwing staan bijgebouwen achter het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter hoogte van de kruising is het Marktplein ingericht, met aaneengesloten bebouwing evenwijdig aan de straat aan de westkant en een meer open karakter aan de oostkant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Marktplein heeft de historische indeling en inrichting die de functie als veemarkt afleesbaar houdt: bomenrijen met veemarkthekken ertussen, plaveisel van gele klinkers voor mestafvoer, travalje (bouwwerk voor het beslaan van paarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere, afwijkende openbare ruimte: het landje, een hofje met bebouwing aan twee zijden bebouwing bestaat altijd uit individuele panden, ook de aaneengesloten gevelwanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nok van de bebouwing staat haaks op de weg, alleen ter hoogte van het Marktplein parallel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing heeft een individueel karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonhuizen hebben een steile kap, een ingangspartij naar de weg toe, bestaan uit een of twee bouwlagen en sober materiaal- en kleurgebruik. Vooral aan de uiteinden van het dorp staan laat-19de-eeuwse grotere en rijker gedetailleerde herenhuizen en stolpboerderijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor ruimtelijke kwaliteit Bouwwerken Relatie met de omgeving Rooilijnen aanhouden/herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij samenvoeging van panden wordt ritmiek van de gevelwand gehandhaafd/aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ingrepen de bestaande nokrichting handhaven: haaks op de weg of parallel daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het Marktplein (Middenbeemster) ligt de nok alleen parallel aan het plein.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgevel is het meest uitgesproken vormgegeven en op de (historische) weg gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Massa en opbouw van het gebouw Aanpassingen en ondergeschikte toevoegingen moeten worden uitgevoerd in de stijl van het (hoofd)gebouw, maar zijn niet per se historiserend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bebouwing heeft een individuele hoofdvorm die past binnen de historische dorpskern.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing heeft een eenvoudige, heldere massa en een herkenbare kapvorm die kan afwijken van belendende panden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) staan in een consistente verhouding tot elkaar en tot de gevel als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verbouw aansluiting zoeken op gevelopbouw, geleding en ritmiek van het pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouwen zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een duidelijke overgang tussen gevel en dak (schaduwwerking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een plat dak en een kap met wolfseind zijn voor een hoofdgebouw niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gesloten gevels aan de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer wordt gerefereerd aan de stolpboerderij, dient te worden voldaan aan de specifieke criteria die voor de stolpboerderij gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering, materiaal en kleur Metselwerk in aardtinten, wit of groen geschilderd hout voor wanden, kozijnen, deuren en ramen, en rode of grijze keramische pannen. Witte steen als hoofddrager is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verbouw en renovatie van een bestaand pand het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik als uitgangspunt nemen. (Wit) stucwerk en geglazuurde pannen zijn alleen toegestaan als er sprake is van vervanging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimte Het continue karakter van het profiel van Middenweg en Rijperweg handhaven en/of terugbrengen: iets verhoogd liggende wegen met daarnaast laanbomen en bermsloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Marktplein is en blijft het kernpunt binnen deze hoofdstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestrating en inrichting van de openbare ruimte passen bij het historische karakter van Middenbeemster: duurzaam en rustig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Marktplein: ijsselsteentjes, goten en koeienhekken handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij herprofilering zijn de historische inrichtingsprincipes leidend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>DORPSLINTEN Regieniveau: bijzonder Gebieden Het gebiedstype dorpslint bestaat uit enkele van oorsprong geheel agrarische linten die door verdichting met burgerwoningen en instellingsgebouwen geleidelijk van karakter veranderd zijn. Het gaat om: in Zuidoostbeemster het bebouwingslint langs de Zuiderweg en het bebouwingslint langs de Purmerenderweg, met de aftakkingen langs de Volgerweg, het Noorderpad, het Zuiderpad en het Kolkpad; het dorpslint van Westbeemster even ten noorden van de kruising van de Jisperweg met de Hobrederwerg. Aan de zuidkant ligt een dorpsuitbreiding uit de periode na 1945 (hst. 11); het lint van Noordbeemster, bestaand uit het agrarisch lint langs de Middenweg en de verdichte bebouwing aan de Oosthuizerweg, ten oosten van de kruising met de Middenweg. Vanaf de 19de eeuw zijn hier (arbeiders)woningen gebouwd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken Structuur Zuidoostbeemster De ruimtelijke structuur van beide linten bestaat uit de lijn van de weg, met het loodrecht daarop staand verkavelingspatroon. Beide linten hebben een kleinschalig karakter met compacte bebouwing aan weerszijden van de weg. De meeste bebouwing staat op enige afstand van de weg, in strakke, doorlopende of nu en dan iets verspringende rooilijnen. Tussen de weg en de gebouwen liggen voortuinen. De meeste panden zijn overeenkomstig op de kavel gesitueerd: vrijstaand, voorgevel met entree gericht op de weg, met de zijgevels evenwijdig aan de lengterichting van de kavel. De kavels hebben een overeenkomstige breedte. Op grond hiervan en vanwege de doorlopende rooilijn ontstaat een zeer regelmatige ritmiek in het lint. Tussen de bebouwing zit weinig transparantie; bebouwing is zelfs zo dicht op de belendende panden geplaatst dat bijna sprake is van aaneengesloten gevelwanden. In beide linten overheerst de woonfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster Westbeemster vormt een verdichting in de lintbebouwing aan de Jisperweg, gecombineerd met de uitbreiding aan de westkant van de weg van enkele rooms-katholieke instellingen. De situering van dit complex is binnen de lijnen van de oorspronkelijke verkaveling gebleven. Ook is de oriëntatie op de weg in overeenstemming met die van de lintbebouwing. Het complex onderscheidt zich wel door de wat grotere maat en schaal van de bebouwing in de omgeving. Tussen de bebouwing en de weg liggen voortuinen en voorerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordbeemster Noordbeemster wordt gevormd door het nog grotendeels agrarische lint langs de Middenweg en haaks daarop de verdichte lintbebouwing, bestaand uit woonhuizen, aan de Oosthuizerweg. De bebouwing voegt zich geheel in het patroon van De Beemster. De boerderijen staan op lange kavels die loodrecht op de Middenweg liggen; de woningen staan naast elkaar op een oorspronkelijk eveneens op de Middenweg gerichte kavel. Door opdeling van deze kavel zijn huiskavels aan de Oosthuizerweg ontstaan. Op deze kavels staat de bebouwing, met de voorgevel op de weg gericht. Tussen de bebouwing en de weg liggen voortuinen en voorerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbareruimte Zuidoostbeemster Karakteristiek is het dwarsprofiel. Aan de Purmerenderweg liggen tussen het bebouwingslint en de doorgaande weg aan beide zijden sloten. Aan de oostzijde ligt een ventweg met parkeerplaatsen. Aan de westzijde loopt geen ventweg, maar worden de kavels direct vanaf de doorgaande weg ontsloten met bruggetjes en dammen met duikers. Het Noorderpad en de Volgerweg hebben een symmetrisch profiel met een centrale weg, geflankeerd door bermen met laanbomen (Noorderpad knotbomen) en aan weerzijden een sloot met kavelbruggen. Aan de Zuiderweg ligt aan de zuidkanten van de weg een sloot; de erven daar worden ontsloten via bruggetjes. Aan de noordkant is een sloot gedempt. De weg is voorzien van een middenberm, met een niet doorlopende rij bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster De Jisperweg ter hoogte van Westbeemster verandert niet van karakter: de weg behoudt het profiel met centrale rijweg (asfalt) geflankeerd door bermen met laanbomen. Beeldbepalend voor het profiel zijn de sloten aan weerszijden van de weg met kavelbruggen naar de huizen en boerderijen. De openbare ruimte bij de kerk en de school is voorzien van een simpele bestrating met gebakken klinkers en betontegels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordbeemster In de openbare ruimte van Noordbeemster is een tweedeling te onderscheiden. Het oostelijk deel van de Oosthuizerweg en het noordelijk deel van de Middenweg hebben als deel van de N509, geen volledig traditioneel ‘polderprofiel’ meer. Toch hebben de wegen ook geen geheel op het autoverkeer gericht N-weg profiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de oostelijke Oosthuizerweg ligt een sloot aan de noordkant van de weg, met bruggen naar de huiserven. Het relatief brede centrale deel voor autoverkeer wordt geflankeerd door tegelstroken voor het langzaam verkeer. Ook de Middenweg ten noorden van de Oosthuizerweg heeft een centraal deel voor het autoverkeer, daarnaast ligt een vrijliggend fietspad. Er staan in het profiel minder bomen dan langs de smallere wegen in de polder. De Middenweg ten zuiden van de kruising met de Oosthuizerweg verandert ter hoogte van Noordbeemster niet van karakter. Beelbepalend voor het profiel zijn de sloten aan weerszijden van de weg met bruggen naar de aanliggende bebouwing en de bomenrijen in de berm tussen weg en sloot. De weg is voorzien van een vrijliggend fietspad, met nog een rij bomen in de berm tussen het fietspad en het weggedeelte voor gemotoriseerd verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing Zuidoostbeemster Kenmerkend voor het gebied is het individuele karakter van de bebouwing. Er staan arbeiderswoningen, vrijstaande woningen en enkele twee-onder één-kapwoningen. In de verschijningsvorm zit veel variatie. De bebouwing is individueel vormgegeven en dateert uit verschillende periodes, maar is in maat, schaal, kleur- en materiaalgebruik onderling sterk verwant. Panden bestaan uit één laag met een kap, met daarin vaak wel een tweede verdieping. Alle gebouwen hebben een kap. De kapvorm en kaprichting van de bebouwing variëren. Veel bebouwing heeft architectonisch een verticale opbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster/Noordbeemster De bebouwing in beide kernen, gericht op de weg, voegt zich in de vorm van (stolp)boerderijen in het agrarisch lint langs de lengtewegen (Jisperweg, Middenweg). Daarnaast staan er kleinschaliger woonhuizen en een enkel (voormalig) woon-winkelpand. In Westbeemster hebben het voormalige klooster en de school, als relatief grootschalige instellingsgebouwen, een voor De Beemster bijzonder karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering, materiaal en kleur Zuidoostbeemster De bebouwing is sober gedetailleerd. Oudere bebouwing is rijk(er) gedetailleerd, met veel aandacht voor de kroonlijsten, raampartijen en de entree. Vooral de symmetrie en de detaillering en centrale plaatsing van de entree zijn kenmerkend voor de oudere bebouwing. Het materiaal bestaat uit steen, hout en gebakken pannen. De meest gebruikte kleuren zijn zwart, grijs en oranje voor de pannen en aardetinten (rood en bruin) voor het metselwerk. Voor de kozijnen, deuren en andere detaillering worden vaak de kleuren wit en groen toegepast, en in beperkte mate donkerrood.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster/Noordbeemster De stolpboerderijen en woonhuizen in Westbeemster en Noordbeemster laten een detaillering en materiaalgebruik zien die overeenkomen met het buitengebied (stolpen) en Zuidoostbeemster (woonhuizen). De bijzondere bebouwing in Westbeemster onderscheidt zich door het wat grootschaliger karakter van de overige dorpsbebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essenties Zuidoostbeemster Verdichting binnen structuur oorspronkelijk agrarisch lint, afwijkende maatvoering binnen het geometrisch stelsel door opdeling oorspronkelijke percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie van de percelen, haaks op de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Occupatiepatroon op de koppen van de percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strakke of iets verspringende rooilijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woongevel naar weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortuin, begroeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontsluiting erf via kavelbrug en erfpad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleinste en bepalende eenheid van het gebied is één enkel vrijstaand pand met een individueel karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegprofiel met sloten en bruggetjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster Verdichting binnen het van oorsprong geheel agrarische lint aan de Jisperweg in combinatie met enkele in maat en schaal grotere rooms-katholieke instellingsgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing als geheel voegt zich in historisch verkavelingspatroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimte aan de Jisperweg niet verbijzonderd ter hoogte van de dorpskom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwarsprofiel met aan weerszijden bermen met laanbomen, sloten en kavelbruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordbeemster Verdichting grotendeels buiten het van oorsprong geheel agrarische lint (aan de Middenweg) aan dwarsweg, de Oosthuizerweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing als geheel voegt zich in historisch verkavelingspatroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimte aan zuidelijk deel Middenweg niet verbijzonderd ter hoogte van het dorp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwarsprofiel zuidelijke Middenweg met aan weerszijden bermen met laanbomen, sloten en kavelbruggen; vrijliggend fietspad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profiel N509 (Oosthuizerweg – Middenweg noordelijk deel) met gedeeltelijk traditionele elementen: bermsloot, laanbeplanting, bruggen naar erven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria voor ruimtelijke kwaliteit Bouwwerken Relatie met de omgeving Rooilijnen aanhouden/herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij samenvoeging van panden wordt ritmiek van de gevelwand gehandhaafd/aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nokrichting dient óf haaks op, óf parallel aan de straat te zijn, conform de historisch gegroeide situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgevel van het pand moet naar de straat gekeerd zijn en daaraan evenwijdig te liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Massa en opbouw van het gebouw Aanpassingen en ondergeschikte toevoegingen moeten worden uitgevoerd conform de architectonische vormtaal van het hoofdgebouw, maar zijn niet per se historiserend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De elementen in de gevel (deuren, ramen etc.) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bebouwing heeft een individuele hoofdvorm die past binnen het historisch dorpslint.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing heeft een eenvoudige, heldere massa en een herkenbare kapvorm die kan afwijken van belendende panden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouwen zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Balkons dienen klein en ‘luchtig’ te zijn, met een houten, stalen of smeedijzeren detaillering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een duidelijke overgang tussen gevel en dak (schaduwwerking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gesloten gevels aan de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Platte daken zijn voor hoofdgebouwen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wolfseind is niet toegestaan bij het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels dienen verticaal geleed te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer wordt gerefereerd aan de stolpboerderij, dient te worden voldaan aan de specifieke criteria die voor de stolpboerderij gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering, materiaal en kleur Kozijnen, dorpels, lateien, vensterbanken, goten, gootklossen, windveren en dergelijke dienen zorgvuldig gedetailleerd te worden, eventuele karakteristieke details moeten behouden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dienen traditionele kleuren te worden gebruikt, voornamelijk aardetinten, donkergroen en crèmewit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient gebruik te worden gemaakt van materiaal dat voor het gebied kenmerkend is, namelijk hout (voor kozijnen, ramen en deuren), metselwerk (voor gevel) en keramische dakpannen, witte steen als hoofddrager is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verbouw en renovatie van een bestaand pand het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik als uitgangspunt nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kunststof kozijnen, deuren, etc. zijn toegestaan mits deze qua detaillering, kleur en structuur het oorspronkelijk materiaal visueel zo dicht mogelijk benaderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakgoten en boeiboorden zichtbaar vanuit de openbare ruimte mogen niet te zwaar zijn (niet meer dan 15 cm hoog).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogglans geglazuurde dakpannen zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van plaatmateriaal alleen toegestaan voor wanden van bijgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige ingrepen Zuidoostbeemster Handhaven lineair karakter wegen met rechte tracés en kruisingen onder een rechte hoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven dwarsprofiel Purmerenderweg met doorgaande weg met aan beide zijden sloten en ventweg aan de oostkant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven ontsluiting aan de oostkant van de Purmerenderweg met bruggen en dammen met duikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale rijweg, geflankeerd door bermen met regelmatige laanbeplanting en aan weerszijden van de weg een sloot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven symmetrisch dwarsprofiel Noorderpad en Volgerweg met centrale weg, geflankeerd door bermen met laanbomen en aan weerzijden een sloot met kavelbruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het dwarsprofiel van de Zuiderweg handhaven weg met aan de zuidkant de sloot met kavelbruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Westbeemster/Noordbeemster Handhaven dwarsprofiel lengtewegen (Jisperweg, zuidelijke Middenweg) met aan weerszijden bermen met laanbomen, sloten en kavelbruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noordbeemster: handhaven traditionele elementen in profiel N509 (Oosthuizerweg, noordelijke Middenweg): bermsloten, laanbeplanting, bruggen naar erven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 RANDEN Regieniveau: bijzonder Gebied De randen van de bebouwde gebieden (hst. 7, 8, 11 en 12) grenzend aan het buitengebied (hst. 6) Kenmerken Structuur Het buitengebied van de gemeente Beemster bestaat uit een aantal landschappelijke ‘kamers’, open ruimtes die worden begrensd door de historische boerderijlinten en de wegen met hun opgaande beplanting. De boerderijen begrenzen niet alleen de open ruimte, maar zijn er ook functioneel en ruimtelijk direct aan gerelateerd. In een aantal gevallen, vooral waar in de 20ste eeuw uitbreiding van de dorpen heeft plaatsgevonden, wordt zo’n open ruimte begrensd door bebouwing die een dergelijke relatie niet heeft. Deze bebouwing is de buitenste rand van de binnengebieden, stedenbouwkundig en architectonisch daarvan onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De randen voegen zich merendeels door hun rechte beloop in het lineaire karakter van De Beemster. Daardoor en door het opgaand groen (straatbomen, bomen in tuinen) hebben de randen een ruimtebegrenzende werking die min of meer overeenkomstig is aan die van de boerderijen in het raster en de beplante wegen. Hierin ligt ook hun belang voor de ruimtelijke kwaliteit van De Beemster: de kwaliteit van de randen is van invloed op de kwaliteit van de open ruimte. Een rand die qua maat en schaal of qua bebouwing niet ‘des Beemsters’ is, heeft een negatieve impact op de aangrenzende open ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is de bebouwing in de randen met de achterkant naar het buitengebied gekeerd, in andere gevallen met de voorkant. In beide gevallen onderscheidt de randbebouwing zich in maat, schaal en materialisering niet of nauwelijks van de overige bebouwing in het binnengebied. De volgende varianten zijn te onderscheiden in de wijze waarop de rand vorm heeft gekregen: achterkanten (schuurtjes andere bijgebouwen op een erf/tuin) grenzend aan het buitengebied, of garages met toegangsweg. Scheiding van erven en buitengebied door een sloot;</p></div>", "next": 239901}