{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden mogen gehanteerd worden, omdat middels risicoberekeningen, met behulp van de Risico Tool Box bodem [Lit. 4], aangetoond is dat de bij de aangegeven toetswaarde behorende gehalten, de risico-index voor beoordeling humane risico’s (Wonen met tuin) onder de 1 liggen. Dit houdt er geen humane risico’s aan de orde zijn bij het toepassen van grond, bij het hanteren van de aangegeven toetswaarde. Voor het berekenen van de ecologische risico’s is, gelet op de bodemfunctieklasse in de beleidszone Bebouwing (Wonen), uitgegaan van een matig ecologisch beschermingsniveau. Aangetoond is dat met dit uitgangspunt, de bij de aangegeven toetswaarde behorende gehalten, de risico-index voor beoordeling ecologische risico’s (Wonen met tuin, ecologische risico’s WEL meeberekend) onder de 1 liggen. Dit houdt er geen ecologische risico’s aan de orde zijn bij het toepassen van grond, bij het hanteren van de aangegeven toetswaarde. De risicoberekeningen zijn opgenomen in bijlage 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Grondstromenmatrix (tabel 14) is voor sommige beleidszones aangegeven dat vrijkomende grond zonder partijkeuring alleen toegepast mag worden onder duurzaam aaneengesloten verhardingen of funderingen, binnen dezelfde bk-zone. Dat geldt voor alle bk- zones waarvan de boven- of ondergrond in kwaliteitsklasse Industrie valt. De toepassing is echter alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor geen enkele stof overschrijdt de P95 de interventiewaarde (zie bijl. 3);</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen grond bevat geen stoffen die uit kunnen logen naar het grondwater én de toepassing vindt plaats boven de grondwaterspiegel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.3.Buitengebieden Buitengebieden zijn gebieden buiten de bebouwde kom, exclusief de gebieden die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen, zoals bijv. lintbebouwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het buitengebied worden de volgende beleidszones onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengebied 1/1 Buitengebied 2/1 Buitengebied 3/1 (komt alleen voor in de Voorveldse Polder bij De Bilt) Buitengebied 3/2 (komt alleen voor in het noordelijk deel van het Toemaakdekgebied) De ligging van de onderscheiden beleidszones is weergegeven op de kaart van bijlage 5A van deze Nota (Beleidszones bodemkwaliteitskaart werkgebied ODRU (15 gemeenten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het buitengebied komen ook percelen voor met een andere (minder gevoeligere) bodemfunctie dan landbouw/natuur of volkstuin (bijv. bebouwde percelen). Die percelen zijn, om praktische redenen, niet allemaal afzonderlijk ingetekend op de Bodemfunctiekaart. Binnen het bouwvlak van een perceel mag klasse Wonen-grond in de bovengrond toegepast worden, als ook aan alle andere eventueel geldende (Gebiedsspecifieke) eisen voldaan wordt (zie par. 5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de Gebiedsspecifieke Toepassingskaart (zie bijlage 5D van deze Nota) is de grens van de geldende toepassingseis aangegeven met gekleurde vlakken. Op het grensvlak buitengebied/bebouwd gebied is deze grens niet hard en is de bodemfunctie die in het vigerend bestemmingsplan is aangegeven leidend voor de toepassingseis. Bijvoorbeeld als een agrarisch perceel is gelegen in het vlak ‘wonen’, mag hier alsnog maximaal klasse L/N-grond worden toegepast en andersom als een bouwvlak is gelegen in het vlak ‘landbouw/natuur’ mag hier binnen het bouwvlak klasse Wonen-grond worden toegepast. Op een toekomstige verandering van de bodemfunctie kan alleen geanticipeerd worden als er een bestemmingsplan voor in procedure gebracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande versoepeling geldt alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de betreffende gemeente vastgestelde bodembeheergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing vrijkomende grond aan het “saneringscriterium”</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige bk-zones is een partijkeuring verplicht is om de kwaliteit van de grond op een ontgravingslocatie aan te kunnen tonen. In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat de 95-percentielwaarde van een bk-zone getoetst moet worden aan de interventiewaarde, om te kunnen bepalen of de Ontgravingskaart als bewijsmiddel gebruikt mag worden om de ontgravingskwaliteit aan te tonen van de betreffende bk-zone. Als de P95 van een zone de interventiewaarde overschrijdt is er altijd een partijkeuring nodig om de ontgravingskwaliteit aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting 95-percentielwaarde:</p>\n<p class=\"lf-p\">P95: 95 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 5 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 20 partijkeuringen afgekeurd worden als de P95 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende bk-zones overschrijdt de P95 voor één of meerdere stoffen de interventiewaarde en is dus altijd een partijkeuring nodig als er grond ontgraven wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengebied 3/2 Toemaakdek De Venen I Overig (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-17), vanwege het gehalte aan Koper, Lood en Zink in de bovengrondzone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengebied 3/1 Voorveldse Polder (zie bijlage 3, bkk 13 gemeenten, tabelaanduiding: 8-21) vanwege het gehalte aan Arseen in de bovengrondzone.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.Toepassen van klasse L/N-grond in beleidszones Buitengebied met de Ontgravingskaart-S als bewijsmiddel Generieke kader voor het toepassen van grond Volgens het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, mag op percelen die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur alleen klasse L/N-grond worden toegepast. Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid hiervan afwijken door in diffuus verontreinigde buitengebieden, niet de bodemfunctieklasse maar de kwaliteit van de ontvangende bodemzone leidend te maken voor de geldende toepassingseis, als aangetoond kan worden dat het hanteren van de gekozen Lokale Maximale Waarde (LMW) voor de betreffende stof geen onaanvaardbare ecologische risico’s met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voor alle onderscheiden bk-zones is het opstellen van Gebiedsspecifieke toepassingseisen nuttig of nodig. Dat is het geval als de bodemzone al in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt. In dat geval biedt het hanteren van de landelijk geldende toepassingseisen (klasse L/N-grond) al voldoende waarborgen om ecologische risico’s bij het toepassen van grond te voorkomen. Dat geldt voor de beleidszones:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengebied 1/1 (boven- en ondergrondzone) Buitengebied 2/1 (ondergrondzone) Buitengebied 3/1 (ondergrondzone) Gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond In de volgende beleidszones is de heersende bodemkwaliteit gemiddeld slechter dan voor de bodemfunctie (Landbouw/Natuur) gewenst is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengebied 2/1 (bovengrond) Buitengebied 3/1 (bovengrond) Buitengebied 3/2 (zowel boven- als ondergrond) Om het toepassen van “gebiedseigen” grond binnen dezelfde bk-zone of afkomstig uit een andere beleidszone Buitengebied, met gebruikmaking van de Ontgravingskaart als bewijsmiddel, mogelijk te maken, zijn er voor de aangegeven bodemzones Gebiedsspecifieke toepassingseisen opgesteld. Hierdoor is het mogelijk om in deze bodemzones grond toe te passen die niet aan de Generieke toepassingseis (klasse Landbouw/Natuur) voldoet, mits aan alle Gebiedsspecifieke toepassingsesien uit par. 5.2 wordt voldaan. In tabel 15 zijn de toepassingseisen voor de beleidszone Buitengebied weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 15: Toepassingseisen beleidszone Buitengebied met de Ontgravingskaart als bewijsmiddel Beleidszone bovengrond (0 – 0,5 m -mv) Ondergrond (0,5 – 2 m -mv) Buitengebied 1/1 Klasse Landbouw/Natuur Klasse Landbouw/Natuur Buitengebied 2/1 Klasse Landbouw/Natuur Klasse Landbouw/Natuur voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone: gebiedskwaliteit (LMW) Buitengebied 3/1 Klasse Wonen (LMW) Klasse Landbouw/Natuur voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone: gebiedskwaliteit (LMW) Buitengebied 3/2 Klasse Wonen (LMW) Klasse Landbouw/Natuur voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone: gebiedskwaliteit (LMW) voor hergebruik binnen dezelfde bk- zone: gebiedskwaliteit (LMW) Hergebruik van grond binnen dezelfde bk-zone is alleen mogelijk als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijkomende grond wordt binnen dezelfde bk-zone en in dezelfde bodemzone27 Per bk-zone worden 2 bodemzones onderscheiden, nl. boven- en ondergrondzone toegepast als waar de grond uit afkomstig is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het voorgenomen grondverzet zijn specifiek verdachte deellocaties (zoals gedempte sloten, puindammen en stortplaatsen) uitgesloten. Dat moet aangetoond worden op basis van een historisch vooronderzoek, dat voldoet aan de NEN 5725;</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing vindt niet plaats op een risicicogevoelige bodemfunctie (zie par. 5.2.2);</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen grond bevat niet meer bodemvreemd materiaal dan toegestaan is voor de betreffende bodemfunctie (zie par. 5.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen in de volgende gemeenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gemeenten die liggen in het Bodembeheergebied ODRU, maar alleen voor grond die afkomstig is van binnen het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied. Als de grond afkomstig is van buiten het werkgebied van de ODRU, geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebruik van een partijkeuring: de resultaten worden getoetst a.d.h. van de toetswaarden die aangegeven zijn in de tabellen van bijlage 13;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebruik van een ontgravingskaart: het rekenkundig gemiddelde van de zone waarbinnen de ontgravingslocatie is gelegen, wordt getoetst aan de in de tabellen van bijlage 13 aangegeven toetswaarden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor grond die afkomstig is van buiten het door de gemeente vastgestelde bodembeheergebied, gelden de Generieke toepassingseisen. Die zijn afhankelijk van de uitkomst van de toets aan functie (Landbouw/Natuur) en heersende bodemkwaliteit (dubbele toets). De strengste van deze twee toetsingen bepaald de geldende toepassingseis. In dit geval is de functie leidend en mag er alleen klasse L/N-grond28 In de volksmond wordt dit ook wel “schone grond” genoemd toegepast worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden voor toepassingen van grond in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gebieden die op de Bodemfunctiekaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse landbouw/Natuur én waarvan de bovengrond of ondergrond is ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Wonen of Industrie. Het gaat om de gebieden die in de volgende beleidszones zijn ingedeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengebied 2/1 (bovengrond) alleen voor uitwisselen van grond binnen deze beleidszone Buitengebied 3/1 (bovengrond) alleen voor hergebruik binnen dezelfde bk-zone Buitengebied 3/2 (zowel boven- als ondergrond) alleen voor hergebruik binnen dezelfde bk- zone in dezelfde bodemzone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op risicogevoelige functies mag alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast worden (zie par. 5.2.2). In paragraaf 5.2.3 wordt aangegeven dat voor het toepassen van grond in tuinen een aangescherpte toepassingseis voor lood geldt (max. 100 mg/kg), om jonge kinderen extra te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Grondstromenmatrix (zie tabel 16) is aangegeven welke uitwisselingmogelijkheden er zijn tussen de beleidszones Buitengebied die in het werkgebied van de ODRU onderscheiden worden. Bovendien wordt hierin aangegeven of hiervoor de Ontgravingskaart-S gebruikt kan worden of dat er eerst een partijkeuring nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 16: Grondstromenmatrix voor de beleidszone Buitengebied met Ontgravingskaart als bewijsmiddel Verklaring van de symbolen in de tabel B.Toepassingen van grond toetsen met een partijkeuring als bewijsmiddel De indeling van een bk-zone is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van alle meetwaarden van de “standaardstoffen”29 Dat zijn alle stoffen uit het “standaardstoffenpakket grond” + Arseen en Chroom. die gebruikt zijn om de BKK-S op te stellen. Plaatselijk kan de grondkwaliteit beter of slechter zijn dat dit gemiddelde. Bij toepassing en hergebruik van de grond kan, in de meeste gevallen, de Ontgravingskaart (boven- of ondergrond), gebruikt worden als bewijsmiddel om de kwaliteit van de toe te passen grond aan te tonen en is geen partijkeuring nodig. Het kan echter zijn dat een partijkeuring verplicht is (omdat de P95 de interventiewaarde overschrijdt) of dat er al een partijkeuring beschikbaar is. Een partijkeuring gaat in hiërarchie boven een ontgravingskaart. De kwaliteit van de grond die de partijkeuring aangeeft is dan maatgevend voor de kwaliteit van de toe te passen partij grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat een partijkeuring te snel wordt afgekeurd is gekeken naar de statistische kengetallen van de bk-zone (zie bijl. 3). Op basis hiervan worden partijkeuringsresultaten in sommige bk-zones in beleidszone Buitengebied, niet getoetst aan het rekenkundig gemiddelde van de bk-zone, maar aan een vervangende toetswaarde. Dit kan zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De 90-percentielwaarde (P90) van de zone waar de grond wordt toegepast De 80-percentielwaarde (P80) van de zone waar de grond wordt toegepast Hieronder wordt een toelichting gegeven op de genoemde (percentiel)waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting percentielwaarden en rekenkundig gemiddelde:</p>\n<p class=\"lf-p\">P90: 90 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 10 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 10 partijkeuringen afgekeurd worden als de P90 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden..</p>\n<p class=\"lf-p\">P80: 80 % van alle gebruikte meetwaarden zijn lager dan deze meetwaarde. Er is dus een kans van 20 % dat bij een partijkeuring voor de betreffende stof een waarde wordt gemeten die hoger is dan de aangegeven waarde. Theoretisch zou dus 1 op de 5 partijkeuringen afgekeurd worden als de P80 gebruikt wordt bij de toetsing of de grond hergebruikt mag worden. Om de P80 als Gebiedsspecifieke toetsingsregel te mogen gebruiken zal per stof, d.m.v. een risicoberekening, vastgesteld moeten worden of dit niet leidt tot onaanvaardbare ecologische risico’s. Er wordt, gelet op de functie van het gebied (landbouw/natuur), niet getoetst aan humane risico’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De (percentiel)waarden waaraan getoetst wordt, kunnen per bk-zone verschillen. In de tabellen in bijlage 13 wordt per bk-zone (of beleidszone) aangegeven aan welke percentielwaarden de resultaten van een partijkeuring getoetst worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toetsen van partijkeuringsresultaten gelden onverkort de Gebiedsspecifieke toepassingseisen die in par. 5.2 zijn genoemd. Dat betekent o.a. dat op risicogevoelige functies alleen grond mag worden toegepast als de partijkeuring aantoont dat de grond in klasse landbouw/Natuur valt (par. 5.2.2) en dat de grond niet meer dan 5 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevat (par. 5.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder is een globaal aangegeven wanneer een vervangende toetswaarde gebruikt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvatting gebruik “vervangende toetswaarden” bij hergebruik grond met partijkeuringbinnen de beleidszone Buitengebied (zie tabellen van bijlage 13):</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing aan de P90 van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bk-zone Buitengebied 3/1 (Voorveldse Polder) en bk-zone Buitengebied 3/2 (Toemaakdek De Venen I Overig): alleen voor hergebruik van grond in de bovengrond van deze bk-zones. Voor grond afkomstig uit een andere beleidszone wordt getoetst aan de P80 van deze bk- zones of (voor sommige stoffen) aan een andere toetswaarde. Voor details zie de tabellen van bijlage 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing aan de P80 van de ontvangende bk-zone is aan de orde voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidszone Buitengebied 1/1 en Buitengebied 2/1. Voor de uitzonderingen en details, zie de tabellen van bijlage 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een partijkeuringsresultaat te kunnen toetsen aan de kwaliteitseisen die gelden bij hergebruik van grond binnen de onderscheiden bk-zone of beleidszone, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond moet onderzocht zijn in een partijkeuringsrapport dat niet ouder is dan 3 jaar en uitgevoerd is conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de tabellen van bijlage 13 aangegeven vervangende toetswaarden mogen gehanteerd worden, omdat middels risicoberekeningen, met behulp van de Risico Tool Box bodem [Lit. 4], aangetoond is dat de bij de vervangende toetswaarde behorende gehalten, geen sprake is van onaanvaardbare ecologische risico’s bij het toepassen van grond, bij het hanteren van de aangegeven vervangende toetswaarde. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.4.Aangepaste toetsingsregel voor zand in de “zandgemeenten”</p>\n<p class=\"lf-p\">In welke kwaliteitsklasse grond wordt ingedeeld, hangt af van de gehalten waarin de onderzochte stoffen in de grond aanwezig zijn. De gemeten gehalten worden voor elke stof omgerekend naar een standaardbodem, voordat bepaald wordt in welke kwaliteitsklasse de grond wordt ingedeeld (klasse Landbouw/Natuur, klasse Wonen of klasse Industrie). Zie bijlage 10 voor de Maximale Waarden waar de meetwaarden van de stoffen uit het standaardstoffenpakket grond, moeten voldoet voor de indeling in een kwaliteitsklasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">De factor die gebruikt wordt bij de omrekening naar een standaard bodem verschilt per stof en is voor een aantal stoffen afhankelijk van het percentage organische stof, ook wel humus genoemd (H) en minerale deeltjes, ook wel lutum genoemd (L), in de grond. Met name in gemeenten waar sprake is van weinig organische stof in de grond, de zogenoemde “zandgemeenten”, kan dit tot een knelpunt leiden bij de toetsing voor de parameter minerale olie. Dit wordt hieronder toegelicht onder het kopje “Generieke kader”. De oplossing die is bedacht om dit knelpunt op te lossen is beschreven onder het kopje “Gebiedsspecifiek beleid”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Generieke kader Het komt in gemeenten met een zandige bodem, regelmatig voor dat een partij grond moet worden afgekeurd voor hergebruik, vanwege het gehalte aan minerale olie, terwijl er eigenlijk geen sprake is van een verontreiniging. Deze “foute” conclusie wordt veroorzaakt door het feit dat de MW Landbouw/Natuur, voor minerale olie gelijk is aan de MW Wonen (zie bijlage 10). Een geringe overschrijding van de MW van klasse L/N leidt voor minerale olie dus direct tot een indeling in kwaliteitsklasse Industrie. Met als gevolg dat deze grond niet of maar zeer beperkt hergebruikt kan worden en in het ongunstigste geval zelfs afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker. Hierdoor wordt de afzet van voor geschikte grond onnodig beperkt. Dit leidt tot onnodige kostenverhoging bij projecten. Gemeente kunnen dit knelpunt met een Gebiedsspecifieke beleidsregel oplossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsspecfiek beleid (aangepaste toetsingsregel voor minerale olie) Het Gebiedsspecifieke beleid voor dit thema houdt in dat grond die afkomstig is uit een “zandgemeente” binnen het werkgebied van de ODRU, bij het hanteren van de toetsingsregel voor minerale olie, onder een gemeten gehalte van 100 mg/kg de normstelling niet gecorrigeerd wordt voor organische stof (H). Hiermee wordt voorkomen dat zandgrond vanwege een zeer licht verhoogd gehalte aan minerale olie, direct als klasse Industrie-grond gekwalificeerd wordt, terwijl deze grond prima geschikt is om binnen een woonfunctie (her) te gebruiken. Hierdoor wordt het knelpunt bij hergebruik van grond met een laag organische stofgehalte voor minerale olie in de “zandgemeenten” opgelost én heeft dit voor organisch rijkere gronden geen negatieve uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsbereik Deze Gebiedsspecifieke beleidsregel geldt voor het toetsen van grond die afkomstig is uit één van de volgende gemeenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Utrechtse Heuvelrug, Zeist, Veenendaal, Renswoude en Rhenen én weer binnen het “Bodembeheergebied ODRU” wordt toepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Gebiedsspecifiek beleid voor PFAS Voor de randvoorwaarden en de uitgangspunten van het PFAS-beleid wordt verwezen naar hoofdstuk 5 (par. 5.1 t/m 5.2) van de “Beleidsnota PFAS provincie Utrecht”, van 7 april 2021 [Lit . 15]. Deze beleidsnota is opgesteld voor alle 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU én voor de gemeenten in het werkgebied van de RUD Utrecht die nog geen eigen PFAS-beleid hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.Bodembeheergebied PFAS T.a.v. het opgestelde PFAS-beleid voor het toepassen van grond, omvat het bodembeheergebied het grondgebied van alle gemeenten in de provincie Utrecht, die nog geen eigen PFAS-beleid door het gemeentebestuur hebben laten vaststellen. Om verwarring met het bodembeheergebied dat geldt voor het toepassen van grond voor het standaard stoffenpakket te voorkomen, wordt dit gebied het “bodembeheergebied PFAS” genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 5: Afbeelding van het bodembeheergebied PFAS Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal gemeenten in het werkgebied van de RUD Utrecht heeft eigen PFAS-beleid opgesteld. Welke gemeenten dat zijn is niet in figuur 5 aangegeven, omdat dit kan wijzigen. Zie daarvoor de website van de RUD Utrecht (www.rudutrecht.nl) Binnen het “Bodembeheergebied PFAS” (de provincie Utrecht) zijn de volgende PFAS-zones te onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv):</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS B1: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (westelijk deel) en Lopik.</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS B2: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden (ten zuiden van de A12), Utrecht (ten zuiden van de A12), Oudewater, Montfoort en IJsselstein.</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS B3: omvat het grondgebied van de gemeente Woerden (ten noorden van de A12), Utrecht (ten noorden van de A12) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv):</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS O1: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (westelijk deel).</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS O2: omvat het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht, met uitzondering van de gemeente Lopik.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.Gebiedsspecifieke beleidsregels voor PFAS Voor de toepassing van grond binnen de provincie Utrecht, is voor PFAS een Ontgravingskaart-PFAS opgesteld. Deze kan gebruikt worden als bewijsmiddel om de PFAS- kwaliteit aan te tonen. Daarmee is het uitvoeren van een partijkeuring op PFAS niet meer nodig, mits de toepasser voldoende aan kan tonen dat de ontgravingslocatie niet specifiek PFAS-verdacht is. De Ontgravingskaart-PFAS is opgenomen in bijlage 6A en 6B van deze Nota. Toch kan niet uitgesloten worden dat er partijkeuringen getoetst moeten worden op PFAS. Daarom zijn de toepassingswaarden voor PFAS hieronder weergegeven. Voor sommige toepassingen zijn Gebiedsspecifieke toepassingswaarden geformuleerd, zogenaamde Lokale Maximale Waarden (LMW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behulp van de Grondstromenmatrix voor PFAS (zie par. 6.2.5) kan bepaald worden of de Ontgravingskaart-PFAS voor de voorgenomen toepassing gebruikt kan worden. De toepassingswaarden die gelden wanneer getoetst wordt als er een partijkeuring op PFAS is uitgevoerd, zijn vermeld in de par. 6.2.1 t/m 6.2.4. Er is daarbij onderscheid gemaakt in de volgende toepassingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hergebruik van grond binnen dezelfde PFAS-zone (par. 6.2.1);</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwisselen van grond tussen de PFAS-zones (par. 6.2.2);</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen van grond afkomstig van buiten de provincie Utrecht (par. 6.2.3);</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen van grond op locaties met een risicicogevoelige bodemfunctie (par. 6.2.4) 6.2.1.Hergebruik van grond binnen dezelfde PFAS-zone Toepassing van grond binnen dezelfde PFAS-zone kan plaatsvinden als de gehalten in de toe te passen grond niet hoger zijn dan de P95 van de betreffende PFAS-zone of, in plaats daarvan als, niet hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS, als de P95 lager ligt dan deze waarden. Voor toepassing op percelen met de functie landbouw/natuur zijn in deze situatie voor PFOS en PFOA Lokale Maximale Waarden vastgesteld, die de landelijk geldende toepassingswaarden vervangen (zie onderstaande tabel). Voor toepassing van grond op moes-/volkstuinen en in waterwingebieden gelden strengere toepassingswaarden (zie onder par. 6.2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 17: Toepassingswaarden PFAS voor grond die binnen dezelfde PFAS-zone wordt toegepast (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Verklaring 6.2.2.Uitwisselen van grond tussen de PFAS-zones Aan de uitwisseling van grond tussen zones in het beheergebied PFAS zijn strengere eisen gesteld dan voor het grondverzet binnen de eigen PFAS-zone. Dit is gedaan om verspreiding van grond met hogere PFAS-gehalten naar zones met lagere PFAS-gehalten te voorkomen (het gaat daarbij om PFOS en PFOA). Uitwisseling van grond van de ene naar de andere PFAS-zone kan plaatsvinden als de gehalten in de toe te passen grond niet hoger zijn dan de P80 van de ontvangende PFAS-zone of, in plaats daarvan als, niet hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS, als de P80 lager ligt dan deze waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing op percelen met de functie landbouw/natuur zijn in deze situatie voor PFOA Lokale Maximale Waarden vastgesteld, die de landelijk geldende toepassingswaarden vervangen (zie onderstaande tabel). Voor toepassing van grond op moes-/volkstuinen en in waterwingebieden gelden strengere toepassingswaarden (zie onder par. 6.2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 18: Toepassingswaarden PFAS voor het toepassen van grond van de ene in de andere PFAS-zone (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Verklaring 6.2.3.Toepassen van grond afkomstig van buiten de provincie Utrecht Voor het toepassen van grond die afkomstig is van buiten het beheergebied PFAS, geldt dat dat alleen toegestaan is als de PFAS-gehalten in de toe te passen grond gelijk zijn aan of lager zijn dan de gemiddeld gemeten gehalten aan PFAS in de bodem van de ontvangende PFAS-zone. Als het gemiddeld gemeten gehalte lager ligt dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS, dan gelden deze landelijke waarden. Voor toepassing op percelen met de functie landbouw/natuur zijn in deze situatie voor PFOA Lokale Maximale Waarden vastgesteld, die de landelijk geldende toepassingswaarden vervangen (zie onderstaande tabel). Voor toepassing van grond op risicogevoelige functies (moes-/volkstuinen, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden) gelden strengere toepassingswaarden (zie onder 6.2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 19: Toepassingswaarde PFAS voor grond afkomstig van buiten het beheergebied PFAS (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Verklaring 6.2.4.Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties Met betrekking tot PFAS worden de volgende bodemfunctie als risicogevoelig aangemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Moes- en volkstuinen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebieden (excl. boringvrije zones);</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterwingebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna is voor elk van de onderscheiden risicogevoelige bodemfunctie aangegeven welke toepassingswaarden er voor PFAS gelden. Boringsvrije zones worden in het kader van deze beleidsnota niet als een risicogevoelige functie aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moes- en volkstuinen Voor moes- en volkstuinen is in de Regeling bodemkwaliteit vastgelegd dat hier alleen klasse Landbouw/Natuur-grond toegepast mag worden. het wordt niet wenselijk geacht om hier met Gebiedsspecifiek beleid van af te wijken. Voor PFAS houdt dit in dat grond die op een moes-of volkstuin toegepast wordt moet voldoen aan de landelijk geldende toepassingswaarden voor de functie Landbouw/Natuur. De weergegeven toepassingseisen voor PFAS gelden voor alle moes- en volkstuinen, ongeacht in welke PFAS-zone ze voorkomen of in welke bodemfunctieklasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 20: Toepassingswaarden PFAS voor moes- en volkstuinen (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Verklaring Grondwaterbeschermingsgebieden Grondwaterbeschermingsgebieden liggen als een schil rond de waterwingebieden. De grens van dit gebied is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten voor de drinkwaterwinning te bereiken (de 25-jaarszone). Overeenkomstig het THK 2020 gelden er voor grondwaterbeschermingsgebieden strengere toepassingswaarden voor PFAS. Dit is gedaan om extra bescherming te bieden voor grondwater dat gewonnen wordt voor drinkwater. De situering van de grondwaterbeschermingsgebieden is aangegeven op de Toepassingskaart-PFAS (zie bijlage 6C en 6D). Voor de toepassing van grond in een grondwaterbescher-mingsgebieden, worden de volgende situaties onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van grond in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen binnen dezelfde PFAS-zone;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van grond in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen in meerdere PFAS-zones;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van grond in een grondwaterbeschermingsgebied, als de grond afkomstig is van buiten een grondwaterbeschermingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de onderscheiden situaties gelden verschillende toepassingswaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. a:</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een grondwaterbeschermingsgebied dat geheel gelegen is binnen de grenzen van één en dezelfde PFAS-zone, mag grondverzet plaatsvinden als aan de toepassingswaarden voor PFAS voldaan wordt zoals weergegeven in de tabel 17. De toepassingswaarde is voor deze situatie gebaseerd op de P95 van de betreffende PFAS-zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. b:</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een grondwaterbeschermingsgebied dat gelegen is in meerdere PFAS-zones, mag uitwisseling van grond tussen de verschillende PFAS-zones plaatsvinden als aan de toepassingswaarden voor PFAS voldaan wordt zoals weergegeven in de tabel 18. De toepassingswaarde is voor deze situatie gebaseerd op de P80 van de ontvangende PFAS- zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. c:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond afkomstig van buiten een grondwaterbeschermingsgebied, die in een grondwater- beschermingsgebied wordt toegepast, mag alleen worden toegepast als middels een partijkeuring vastgesteld is dat de PFAS-gehalten in de toe te passen grond gelijk zijn aan of lager zijn dan de gemiddeld gemeten gehalten aan PFAS in de bodem van de ontvangende PFAS-zone. Dat geldt ook als deze gehalten lager liggen dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS. De toepassingswaarden zijn voor deze situatie gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten aan PFAS van de ontvangende PFAS-zone. Dit wordt ook wel de “gebiedskwaliteit” genoemd. In deze situatie wordt geen onderscheid gemaakt voor de bodemfuncties landbouw/natuur enerzijds en wonen/industrie anderzijds. Voor deze situatie geldt het werkelijk gemeten gemiddelde als gebiedskwaliteit, ook al ligt dit onder de landelijke achtergrondwaarden van PFAS. Zie onderstaande tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 21: Toepassingswaarden voor grond afkomstig van buiten het grondwaterbeschermingsgebied (gecorrigeerde gehalten in µg/kg) Verklaring Waterwingebieden Een waterwingebied is de locatie waar de onttrekkingsputten voor drinkwater zijn gevestigd. Deze gebieden worden begrensd door de lijn vanaf waar het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de drinkwaterwinning te bereiken. Om de drinkwaterwinning extra te beschermen, gelden in waterwingebieden de strengste toepassingswaarden voor PFAS. Hier mag alleen schone grond toegepast worden. Voor PFAS houdt dit in dat grond de gemeten gehalten in de toe te passen grond moeten voldoen aan de bepalingswaarde/detectielimiet van 0,1 µg/kg. Die waarde ligt dus een stuk lager dan de landelijke achtergrondwaarden van PFAS uit het THK 2020. Overigens geldt er voor het toepassen van grond of baggerspecie in een waterwingebied een meldingsplicht ingevolge art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.16 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht. De melding moet ingediend worden bij de provincie Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tabel hieronder zijn de geldende toepassingswaarden voor toepassing van grond in waterwingebieden visueel gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 22: Overzicht van toepassingseisen voor PFAS in waterwingebieden (in µg/kg) Verklaring 6.2.5.Grondstromenmatrix voor het toepassen van PFAS-houdende grond Het PFAS-beleid is o.a. opgesteld om hergebruik van PFAS-houdende grond, waar dat zonder risico’s voor mens en milieu kan, mogelijk te maken zonder dat de toe te passen grond bij elk grondverzet weer opnieuw op PFAS onderzocht hoeft te worden. Om dat te bereiken is het noodzakelijk dat de Gebiedsspecieke regels voor het toepassen en hergebruiken van PFAS- houdende grond bekend zijn bij een breed publiek. In par. 11.3 wordt aangegeven op welke manier dat doel bereikt kan worden. Tabel 23 kan gebruikt worden om te bepalen of voor de toepassing van grond een partijkeuring op PFAS nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 23: Grondstromenmatrix PFAS-houdende grond in de provincie Utrecht *) de bodemfunctieklasse vind je op de Bodemfunctiekaart (zie bijlage 4) Verklaring van de symbolen in de tabel Voor de toepassing van grond op risicogevoelige functie, zoals moestuinen, volkstuinen, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden, kan de bovenstaande Grondstro- menmatrix niet gebruikt worden. Voor toepassing van grond op één van de genoemde functies, wordt voor de daarvoor geldende toepassingswaarden verwezen naar de tabellen in par. 6.2.4 (Toepassing van PFAS-houdende grond op risicogevoelige functies).</p>\n<p class=\"lf-p\">Fig. 6: ligging van de PFAS-zones bovengrond Fig. 7: ligging van de PFAS-zones ondergrond 7.Handvat grondverzet 7.1.Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van de verschillende kaartlagen die voor het reguleren van het grondverzet nodig zijn en op de aspecten die komen kijken bij het ontgraven en hergebruiken/toepassen van grond en bagger. Tevens zijn enkele aandachtspunten benoemd die in de praktijk van het grondverzet van belang zijn. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen en gebruikt te worden met de hoofdstukken 5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.Erkende bewijsmiddelen Het belangrijkste bewijsmiddel bij grondverzet is de Ontgravingskaart. Dit is één van de kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart. Er is een Ontgravingskaart voor PFAS opgesteld, deze wordt verder Ontgravingskaart-PFAS genoemd. En er is een Ontgravingskaart voor stoffen uit het standaardstoffenpakket grond opgesteld, verder Ontgravingskaart-SS genoemd. Deze kunnen niet los gezien worden van elkaar. Bij elke toepassing van grond, waarvoor geen onderzoek nodig is, kunnen deze ontgravingskaarten gebruikt worden als bewijsmiddel om de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de bodemkwaliteitskaart zijn de volgende bewijsmiddelen in het Besluit bodemkwaliteit aangeduid als milieuhygiënische verklaringen en daarmee een erkend bewijsmiddel voor het toepassen van grond:</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijkeuring uitgevoerd volgens de geldende regels en richtlijnen Erkende kwaliteitsverklaring Fabrikant-eigen-verklaring Bodemonderzoek dat uitgevoerd is volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 die een monstername-intensiteit heeft die vergelijkbaar is met die van een partijkeuring);</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbodemonderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5720; (Water)bodemkwaliteitskaarten, mits deze aan de eisen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 7.3 is een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen. Het grondverzet start bij het ontgraven van een partij grond. Voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone (bk-zone) is op de Ontgravingskaart de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit weergegeven op relatief onbelaste locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de Toepassingskaart wordt voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die in de betreffende zone toegepast wordt. Voor een aantal zones/toepassingen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld door de gemeente. In dat geval gelden de Gebiedsspecifieke eisen in plaats van (of zijn aanvullend op) de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk van het grondverzet worden vooral de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt. De Ontgravingskaarten en de Toepassingskaarten zijn opgenomen in de bijlagen 5 en 6 van deze Nota. In par. 7.3 (Stappenschema grondverzet), wordt aangegeven hoe en wanneer deze kaarten bij het grondverzet gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.Stappenschema grondverzet In het traject van ontgraven en definitief toepassen van de grond dienen de nodige stappen doorlopen en vragen beantwoord te worden. De volgende stappen zijn te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging?</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 2: Wat is de (verwachte) kwaliteit van de ontgraven grond? Zie par. 4.2.2 (voor stoffen uit het standaardstoffenpakket) en par. 4.3.2 (voor PFAS) Stap 3: Wat is de toepassingseis op de toepassingslocatie? Zie par. 4.2.3 (voor stoffen uit het standaardstoffenpakket) en par. 4.3.3 (voor PFAS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn er voor de beoogde toepassing Gebiedspecifieke beleidsregels vastgesteld (zie par. 5.2, 5.3 en 6.2). Dezelfde toepassingseis geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.2.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden (zie hoofdstuk 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 5: Geldt er een meldingsplicht voor de voorgenomen toepassing (zie toelichting bij stap 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder zijn de onderscheiden stappen toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand aan een ontgraving dient een (historisch) vooronderzoek uitgevoerd te worden, zodat zo goed mogelijk van te voren ingeschat kan worden wat men kan verwachten qua kwaliteit van de grond, hoeveelheid bodemvreemd materiaal, asbestverdachtheid enz. Voor ontgravingen waarbij de bodemkwaliteitskaart (BKK) als bewijsmiddel wordt gebruikt voor het elders toepassen van de vrijkomende grond in het bodembeheergebied, kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (puntbronnencheck). De resultaten van de puntbronnencheck moeten bij de melding Besluit bodemkwaliteit gevoegd worden (zie stap 5: Melden). Als voldoende aangetoond kan worden dat de locatie waar de grond vrijgekomen komt onverdacht is, dan kan de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van de vrijkomende grond gebruikt worden. Als dit niet aangetoond kan worden, zal eerst onderzoek uitgevoerd moeten worden om verontreinigingen die een belemmeringen kunnen vormen voor de beoogde toepassing, uit te kunnen sluiten. Hoe het (historisch) onderzoek of puntbronnencheck eruit moet zien en welke eisen gesteld worden aan het uitvoeren van een bodemonderzoek kun je vinden in par. 9.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardstoffen (verdachtheid) De volgende locaties/activiteiten kunnen als bodemverdacht worden aangemerkt (dit betreft een niet limitatieve opsomming):</p>\n<p class=\"lf-p\">Bermen langs doorgaande wegen met een wegcapaciteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal en (bermen van) wegen waar in het verleden teerhoudend asfalt is gebruikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootdempingen, stortplaatsen en stookplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden waarbij bodemverontreinigende stoffen zijn gebruikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag van bodembedreigende stoffen bij particulieren (bijv. olietank);</p>\n<p class=\"lf-p\">Erven van woon- en bedrijfspercelen in lintbebouwingen in veengebieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties waar een bodemverontreiniging bekend is of waar een sterk vermoeden bestaat dat de grond verontreinigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS (verdachtheid) Specifiek voor PFAS verdachte locaties zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandweer(oefen)locaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties waar grote (chemische) branden hebben plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vliegvelden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Militaire (oefen)locaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen van BRZO-bedrijven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Galvanische bedrijven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijven die werken met blusschuim;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terreinen met bekende bodemverontreiniging met PFAS; (Voormalige) stortplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">RWZI’s/AWZI’s (slibvelden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is helaas (nog) geen kaart met PFAS-bronlocaties beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 2: Wat is de verwachte kwaliteit op de ontgravingslocatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardstoffen (ontgravingskwaliteit) De te verwachten kwaliteit van de te ontgraven grond is voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket grond, aangegeven op de Ontgravingskaarten-S van de boven- en ondergrond. Voor het opstellen van de Ontgravingskaarten-S zijn alleen bodemgegevens gebruikt van onverdachte locaties. De Ontgravingskaarten-S geven dan ook een verwachte algemene zone-kwaliteit aan. De Ontgravingskaart-S kan daarom alleen als bewijsmiddel voor het toepassen van grond gebruikt worden als de grond aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte locatie. De Ontgravingskaarten-S van de boven- en ondergrond zijn resp. opgenomen in bijlage 5B en 5C van deze Nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS (ontgravingskwaliteit) Voor PFAS dient de Ontgravingskaart-PFAS geraadpleegd te worden (zie bijlage 6A en 6B). Het hele grondgebied van de provincie Utrecht is daarop ingedeeld in PFAS-zones. De ontgravings-kwaliteit voor PFAS, voor resp. de boven- en de ondergrond, is aangegeven in de onderstaande tabellen. Van deze getallen mag men uitgaan bij het graven, als door middel van een (historisch) vooronderzoek voldoende aangetoond is dat de ontgravingslocatie niet specicifiek op PFAS verdacht is. Zie onder stap 1 welke locaties specifiek op PFAS verdacht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 24: Ontgravingskwaliteit PFAS-zones (gecorrigeerde gemiddeld gemeten gehalten in µg/kg) Verklaring De achtergrondwaarden voor PFOS, PFOA en PFAS Overig zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">PFOS: 1,4 µg/kg PFOA: 1,9 µg/kg PFAS Overig: 1,4 µg/kg Stap 3: Welke eisen gelden er op de toepassingslocatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de Toepassingskaarten wordt per onderscheiden zone/gebied aangegeven welke kwaliteit grond primair mag worden toegepast. Er is een Toepassingskaart voor PFAS opgesteld, deze wordt verder Toepassingskaart-PFAS genoemd. En er is een Toepassingskaart voor stoffen uit het standaardstoffenpakket grond opgesteld, verder Toepassingskaart-SS genoemd. Deze kunnen niet los gezien worden van elkaar. Bij elke toepassing van grond moeten deze toepassingskaarten gebruikt worden om na te gaan aan welke kwaliteitseisen de toe te passen grond moet voldoen. Als er Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden voor een bepaalde toepassing, gelden deze regels ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan deze toepassing (zie par. 5.2.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardstoffen (toepassingseisen) De geldende kwaliteitseisen voor het toepassen van grond, zijn voor de stoffen uit het standaardstoffenpakket, af te lezen van de Toepassingskaart-SS boven- en ondergrond. Deze zijn opgenomen in bijlagen 5D (Gebiedsspecifieke Toepassingskaart) en 5E (Generieke Toepassingskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS (toepassingseisen) De geldende kwaliteitseisen voor het toepassen van grond, zijn voor PFAS af te lezen van de Toepassingskaart-PFAS boven- en ondergrond. Deze zijn opgenomen in bijlage 6C en 6D van deze Nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de op de Toepassingskaarten aangegeven kwaliteitseisen, dient toe te passen grond ook altijd te voldoen aan de overige in deze Nota beschreven Gebiedsspecifieke toepassingseisen die hierop eventueel van toepassing zijn (zie par. 5.2 en 5.3.). In par. 5.2 is aangegeven welke Gebiedsspecifieke beleidsregels er gelden voor het toepassen van grond voor standaardstoffen. Voor PFAS kan de grondstromenmatrix uit par. 6.2.5 gebruikt worden om na te gaan of er een partijkeuring op PFAS vereist is. In de par. 6.2.1 t/m 6.2.4 zijn de toepassingswaarden voor PFAS opgenomen waaraan partijkeuringsresultaten kunnen worden getoetst. Er kunnen meerdere Gebiedsspecifieke beleidsregels voor een toepassing of locatie tegelijk gelden. De toepassing is alleen toegestaan als aan alle eisen voldaan wordt. Bij conflicterende regels geldt de strengste eis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast Gebiedsspecifieke eisen kunnen er ook bijzondere omstandigheden zijn die vragen om een andere aanpak of die vanuit een ander (wettelijk) kader beschermt zijn. Na het beoordelen van de toepassingseisen in stap 3, zal daarom door de initiatiefnemer of uitvoerder ook nagegaan moeten worden of er sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals beschreven in hoofdstuk 8 van deze Nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 5: Moet er een melding gedaan worden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding toepassing en tijdelijke opslag van grond en bagger Melden van de toepassingen en tijdelijke opslagen van grond en bagger is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (art. 42, lid 1). Voorafgaand aan de toepassing is een melding bij het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit) noodzakelijk. Dit moet minimaal 5 werkdagen voordat de daadwerkelijke toepassing plaatsvindt. Het is de bedoeling dat de toepasser eerst zelf nagaat of de beoogde toepassing toegestaan is volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en bovendien niet in strijd is met de Gebiedsspecifieke beleidsregels uit deze Nota. Wanneer de toepasser tot de conclusie komt dat de toepassing in strijd is met het Besluit of met deze Nota dan mag de grond niet op de voorgenomen wijze toegepast worden. Het indienen van een melding is dan niet zinvol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende 3 typen meldingen zijn van belang in het kader van het grondverzet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Werk schone grond Toepassing partij Tijdelijke opslag Soms wordt, vaak om begrijpelijke redenen, het verkeerde meldingtype gebruikt of zijn niet alle vereiste documenten bijgevoegd. Om vertraging of het buiten behandeling laten van een melding te voorkomen, is het van belang om een juiste en volledige melding in te dienen. De typen meldingen worden hierna verder toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding Werk schone grond:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit type melding is uitsluitend bedoeld voor het toepassen van klasse L/N-grond. Bij dit type melding zal (ook) een milieuhygiënische verklaring gevoegd moeten worden op basis waarvan de instantie die de meldingen behandeld (ODRU), kan vaststellen of het inderdaad om klasse L/N-grond gaat. Soms zijn meerdere bewijsmiddelen nodig om dit aan te kunnen tonen en is een partijkeuring niet voldoende, omdat hierbij vaak alleen de stoffen uit het standaardpakket grond zijn onderzocht. Meer informatie hierover is te vinden in bijlage 2, onder de definitie van schone grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding Toepassing partij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit type melding is bedoeld voor het toepassen van klasse Wonen-grond of klasse Industrie- grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding Tijdelijke opslag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit type melding dient gebruikt te worden als men grond tijdelijk (maximaal 3 jaar) opslaat, voorafgaande aan een definitieve toepassing. Deze toepassing moet nuttig en functioneel zijn. Om dit voorafgaand aan de tijdelijke opslag te kunnen toetsen, dient bij de melding tevens de eindbestemming te worden aangegeven. In paragraaf 5.4.10 is aangegeven welke vormen van tijdelijke opslag in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden en welke eisen hier aan gesteld worden. Voor een tijdelijke opslag gelden dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregels als die eventueel gelden voor een voorgenomen toepassing op de eindbestemming. Bij een melding van een tijdelijke opslag moet de verwachte duur van de opslag en de eindbestemming worden aangegeven (zie par. 5.4.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de melding te verstrekken informatie Bij een melding Besluit bodemkwaliteit, dient, ongeacht het type melding, de volgende informatie door de melder verstrekt te worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resultaat van de uitgevoerde puntbronnencheck;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een erkend bewijsmiddel waaruit de kwaliteit van de grond blijkt, bijv. een door de gemeente vastgestelde Ontgravingskaart, een door de gemeente geaccepteerde BKK van een andere gemeente, of een partijkeuring. Op basis daarvan kan de ODRU vaststellen of de toepassing of tijdelijke opslag toegestaan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toepassen van grond dient bovendien aangegeven te worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke Ontgravingskaart is gebruikt (onder- of bovengrond) én Ontgravingskaart-S en/of Ontgravingskaart-PFAS;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit welke zone de grond vrijgekomen is (zie Zoneringskaart-S in bijlage 5A en Ontgravingskaart-PFAS van deze Nota);</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanduiding van de aard van de voorgenomen toepassing: op of in de bodem, laagdikte en diepte;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemfunctie waar de grond wordt toegepast. De volgende bodemfuncties zijn daarbij onderscheiden (meerdere bodemfuncties kunnen tegelijk van toepassing zijn):</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsen waar kinderen spelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Moes- of volkstuin Grondwaterbeschermingsgebied Waterwingebied Ecologisch beschermingsgebied (Sier)tuin bij woning Uitzonderingen op de meldplicht voor het toepassen van grond De meldingsplicht uit het Besluit bodemkwaliteit geldt voor alle toepassingen van grond en baggerspecie, met uitzondering van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het direct verspreiden van ongerijpte bagger op aangrenzende percelen. Wel dient voldaan te worden aan de zorgplicht bodem (zie par. 7.4.1);</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (dit betreft vaak kleine hoeveelheden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van grond of baggerspecie binnen gronden die horen bij een landbouwbedrijf, als het perceel waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast een zelfde of vergelijkbare teelt heeft dan het perceel waar de grond of baggerspecie vrijkomt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van klasse L/N-grond in een volume kleiner dan 50 m3. Op verzoek (bijvoorbeeld bij een veldwerkcontrole) moet de toepasser wel aan kunnen tonen dat de grond inderdaad in de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid bij de toepassing De toepasser blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de toepassing, ook al komt er vanuit het bevoegd gezag geen reactie op een ingediende melding. Bovendien wordt de toepasser verantwoordelijk gehouden voor het indienen van de melding, ook al wordt deze ingediend door een andere partij of rechtspersoon. In het Besluit bodemkwaliteit is namelijk niet expliciet aangegeven wie de melding moet verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opdrachtgever voor de werkzaamheden en de uitvoerder van de werkzaamheden zijn beiden verantwoordelijk voor het doorlopen van de bovengenoemde stappen. De ODRU behandeld namens de gemeente de ingediende Bbk-meldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.Aandachtspunten 7.4.1.Zorgplicht bodem Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven, tijdelijk opslaan of toepassen van grond en baggerspecie de wettelijk zorgplicht bodem in acht worden genomen. De zorgplicht bodem houdt het volgende in: een ieder die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat de voorgenomen handelingen kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de bodemkwaliteit, dient alle maatregelen te nemen om deze nadelige beïnvloeding te voorkomen. Degene die de handelingen uitvoert is hier primair voor verantwoordelijk, maar de opdrachtgever van de werkzaamheden is ook medeverantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2.Samenvoegen van grond Het samenvoegen of opbulken van grond tot een volume van meer dan 25 m3 is niet toegestaan zonder erkenning. Het samenvoegen of opbulken van grond tot en met een volume van 25 m3 is alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond is afkomstig van één en dezelfde locatie en is aaneengesloten ontgraven;</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond is niet sterk verontreinigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond is niet asbestverdacht;</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond van de afzonderlijke partijen komt qua samenstelling (o.a. de hoeveelheid bodemvreemd materiaal) overeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.3.Overige aandachtspunten Naast het Besluit bodemkwaliteit kunnen er nog verschillende andere wetten en regelgeving van toepassing zijn op het graven in de bodem en het toepassen van grond of bagger in een bepaald gebied. Hieronder wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van thema’s die eventueel ook aan de orde kunnen zijn. Informatie hierover is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de RUD Utrecht, de ODRU (Geoloket) of van de gemeente zelf. Het gaat om o.a. informatie over:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet bodembescherming Archeologie Niet gesprongen explosieven Aardkundige Waarden Flora &amp; Fauna Natuurbeschermingswet Ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht 2022 Bepalingen uit bestemmingsplannen Omgevingswet Regels m.b.t. het toepassen van grond die (zaden van) invasieve exoten bevatten, bijv. van de Japanse Duizendknoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Bijzondere omstandigheden 8.1Gebieden/situaties die zijn uitgezonderd van de BKK-S In een aantal gebieden kan de bodemkwaliteitskaart niet (zonder meer) gebruikt worden als bewijsmiddel voor het toepassen van grond/bagger. Het gaat om de volgende gebieden/situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlaktewateren (hieronder worden in deze Nota naast meren en hoofdwatergangen ook verstaan: kleinere sloten, vennen en greppels). Voor het toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater is de gemeente geen bevoegd gezag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte bermen van (spoor)wegen. Het opgestelde Gebiedsspecifiek beleid voor het uitwisselen van bermgrond zonder onderzoek (zie par. 5.2.5), geldt alleen voor onverdachte wegbermen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesaneerde locaties. Hier geeft de Ontgravingskaart geen representatief beeld van de werkelijke bodemkwaliteit op de ontgravingslocatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties waar gereinigde grond is toegepast. Gereinigde grond valt in een speciale categorie en heeft vaak andere eigenschappen (voor wat betreft uitloging van stoffen e.d.) dan normale gebiedseigen grond;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties die op basis van de puntbronnencheck (zie paragraaf 9.2) worden aangemerkt als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. Hier dient eerst aanvullend een bodemonderzoek te worden uitgevoerd op de verdachte stoffen op de verdachte plaatsen en diepten. Voor PFAS-verdachte locaties wordt verwezen naar de opsomming in Stap 1 in het Stappenschema voor het grondverzet (par. 7.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er bagger op de landbodem toegepast of verspreid wordt, kan de bodemkwaliteitskaart niet gebruikt worden, maar zal er een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd moeten zijn om de kwaliteit van de bagger aan te kunnen tonen. Tenzij voldoende onderbouwd kan worden dat de betreffende watergang onverdacht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden die als “bodemverdacht” worden aangemerkt De volgende gebieden worden op voorhand al als verdacht aangemerkt. Als hier grond ontgraven wordt moet er altijd eerst een bodemonderzoek uitgevoerd worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Erven van agrarische bedrijven (de grond bevat vaak meer dan 20% bodemvreemd materiaal);</p>\n<p class=\"lf-p\">Tracés van gedempte sloten (zolang aard en herkomst dempingsmateriaal onbekend zijn, worden slootdempingen als bodemverdacht aangemerkt);</p>\n<p class=\"lf-p\">Puindammen en puinpaden (vaak asbestverdacht, dat moet eerst uitgesloten kunnen worden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Stedelijke ophooglagen (zijn vaak matig/sterk verontreinigd met zware metalen, PAK of minerale olie);</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude bedrijfs- en industrieterreinen (hier zijn vaak veel puntbronnen aanwezig);</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS-verdachte locaties (zie bij Stap 1 in het Stappenschema voor het grondverzet (par. 7.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgezonderde situaties Ook voor de volgende situaties is de Ontgravingskaart niet als kwaliteitsbewijsmiddel te gebruiken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sterk verontreinigde grond. D.w.z. grond die voor één of meer stoffen gehalten bevat die de interventiewaarde overschrijden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Direct nat verspreiden van ongerijpte baggerspecie op aangrenzende percelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond met meer dan 20 % aan bijmenging met bodemvreemde materialen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond die asbest-verdacht is en grond die meer dan 100 mg/kg asbest bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.1.Gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging wanneer het gemeten gehalte van één of meerdere stoffen in de bodemvolume van meer dan 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt. Wanneer er sprake is van een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing op deze locatie/situatie en dus geldt ook het Gebiedsspecifieke beleid niet in deze gevallen. Er dient dan altijd eerst contact op te worden genomen met het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb). Tot de inwerking treding van de Omgevingswet is dat de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD), namens de provincie Utrecht. Er is in deze Nota geen kaart opgenomen met locaties waar sprake is van een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging, omdat het gaat om informatie die regelmatig wijzigt. Het is daarom nodig om voorafgaand aan grondverzet en andere activiteiten, altijd de beschikbare bodeminformatiebronnen te raadplegen. Of er op de betreffende locatie sprake is van een reeds bekend geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging kan nagegaan worden via het Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl) en op het Geoportaal van de Omgevingsdienst regio Utrecht (www.odru.nl). Voor het uitvoeren van vooronderzoek om een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreinigingen uit te kunnen sluiten, wordt verwezen naar paragraaf 9.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.2.Grootschalige bodemtoepassingen (GBT) Een grootschalige bodemtoepassing (GBT) is een toepassing waarin een grote hoeveelheid grond of baggerspecie aaneengesloten wordt toegepast. Een GBT moet (zoals beschreven is in de artikelen 62 t/m 64 van het Besluit bodemkwaliteit) aan een aantal eisen voldoen. In bijlage 11 van deze Nota wordt hierop een toelichting gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeflaag van een GBT Een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van grond of baggerspecie van tenminste 0,5 meter. Deze leeflaag moet geschikt zijn voor de gebruiksfunctie en passen bij de daadwerkelijke kwaliteit van de omliggende bodem. In het geval de grootschalige toepassing is gelegen in gebied waarvoor Gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn vastgesteld (LMW), en voor de leeflaag gebiedseigen materiaal gebruikt wordt, dan gelden deze LMW ook als toepassingseis voor de leeflaag van de GBT.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle Gebiedsspecifieke kwaliteitseisen zijn af te lezen van de Toepassingskaarten. Daarom moet ook altijd par. 5.2, 53 en 6.2 geraadpleegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.3.Verspreiden van bagger (op aangrenzend perceel) Ook voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen is in het Besluit bodemkwaliteit een separaat kader opgenomen. Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is vastgelegd in artikel 35, lid f van het Besluit bodemkwaliteit: 'verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als het oogmerk is: het verbeteren of herstellen van het perceel, wordt deze activiteit als een nuttige toepassing in de zin van art 35 aangemerkt en valt deze activiteit onder de regels die in deze Nota beschreven zijn. Opgemerkt wordt dat het beschreven toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort) of andere verdachte locaties. Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit. In bijlage 12 van deze Nota is beschreven hoe bepaald wordt of de bagger milieuhygiënisch verspreidbaar is op aangrenzende percelen (d.m.v. de zogeheten msPAF-methode).</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Omgevingswet in werking treedt wordt de spreidingsruimte voor natte baggerspecie verruimd tot maximaal 10 kilometer vanaf de watergang waaruit de bagger afkomstig is. Tegelijkertijd wordt de kwaliteitseis voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen aangescherpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL2 Dit deel gaat over Graven en Saneren De beleidsregels uit dit deel komen niet rechtstreeks in het Tijdelijke deel van het Omgevingsplan terecht, maar moeten worden uitgewerkt in het Omgevingsplan. Het in dit deel beschreven beleid is alleen van toepassing op situaties waarin sprake is van: projectmatige ontgravingen van niet-ernstig verontreinigde grond zonder saneringsdoel; saneringen van niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Beleid voor graven en saneren 9.1.Verschil tussen graven en saneren De activiteit graven is niet gericht op het verbeteren van de bodemkwaliteit, maar op het uitvoeren van een bepaald werk. Een bodemsanering is bedoeld om verontreinigingen die een belemmering vormen voor het beoogde bodemgebruik te verwijderen of zodanig maatregelen te nemen dat contact met en/of verspreiding van de verontreiniging tegengegaan wordt. In de Omgevingswet, die binnenkort van kracht wordt, wordt er duidelijk onderscheid gemaakt in de activiteiten graven en saneren. Zie ook hoofdstuk 10 (Doorkijk naar de Omgevingswet).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk is het verschil tussen graven en saneren soms minder duidelijk. Immers niet alle grond die vrijkomt kan altijd zonder meer hergebruikt worden. Soms moet grond worden afgevoerd naar een erkend verwerker, zonder dat er sprake is van een sanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.Graven in de bodem 9.2.1.Onderzoek naar de kwaliteit van de grond Hieronder worden enkele wettelijke kaders genoemd die met grondverzet en saneringen te maken hebben:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet bodembescherming; vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging en van de mate van spoedeisendheid om te saneren Besluit uniforme saneringen (BUS): vaststelling van de bodemkwaliteit van grond die wordt ontgraven en teruggeplaatst, of (gedeeltelijk) wordt afgevoerd Besluit bodemkwaliteit: vaststelling van de bodemkwaliteit waarop (of waarin) grond/baggerspecie wordt toegepast en vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond/bagger die wordt toegepast (zie voorgaande hoofdstukken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de meeste activiteiten of handeling in of op de bodem is vooraf inzicht in (de te ver- wachten) bodemkwaliteit nodig. Bij activiteiten zonder grondverzet (bijv. funderingsherstel), kan de gemeente ontheffing verlenen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt “geen grondverzet” verricht: er wordt geen grond verplaatst, behalve door het eventueel in de grond dringen van funderingspalen, én De bestaande vloer blijft (grotendeels) intact: de vloer wordt alleen verwijderd op plaatsen waar eventueel funderingspalen worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing wordt alleen verleend als de aanvrager van de ontheffing verklaart niet bekend te zijn met de aanwezigheid van ondergrondse tanks of bodemverontreiniging (anders dan de reeds bekende diffuse verontreinigingen die blijken uit de Ontgravingskaarten).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.2.Projectmatige ontgravingen (zonder saneringsdoel) Wanneer in de bodem wordt gegraven, is dit meestal noodzakelijk voor een bepaald project. Dit noemen we in deze Nota een “projectmatige ontgraving”. Bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, een tunnel, herinrichting van een terrein/gebied, aanleg of onderhoud van kabels, leidingen en rioleringswerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt bij projectmatige ontgravingen geen saneringsdoel nagestreefd. Met andere woorden, het doel is het verplaatsen van grond en niet het verbeteren van de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang er niet in sterk verontreinigde grond gegraven wordt is het uitgangspunt bij projectmatige ontgravingen daarom: het zoveel mogelijk herbenutten van de vrijkomende grond, liefst binnen hetzelfde werk. Dat wordt ook wel “werk met werk maken” genoemd. Soms is een uitgebreid verkennend bodemonderzoek nodig, waarbij bovengrond, ondergrond en grondwater onderzocht worden en soms kan volstaan worden met een beperkter onderzoek en ligt een maatwerk-onderzoek meer voor de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand aan werkzaamheden in of op de bodem is inzicht in de (te verwachten) bodemkwaliteit nodig. Dit kan op verschillende manieren verkregen worden. Welke inspanningsverplichting hiervoor nodig is, hangt af van verschillende factoren, onder andere het doel van de ontgraving, het gebied waar gegraven wordt en de bodeminformatie die eventueel al van dat gebied bekend is. Dit wordt verder toegelicht in par. 9.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.3.Historisch vooronderzoek Elk bodemonderzoek en elke partijkeuring begint met een (historisch) vooronderzoek. Dit moet doorgaans zijn gebaseerd op de NEN 5725 (strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek). Dat is bijvoorbeeld voorgeschreven bij bouwactiviteiten. Voor het verrichten van projectmatige ontgravingen, wordt het echter niet in alle gevallen nodig gevonden om een vooronderzoek uit te voeren dat helemaal conform de NEN 5725 is uitgevoerd en kan in sommige gevallen volstaan worden met een beperkt vooronderzoek. De globale bodemkwaliteit van de locatie waar gegraven wordt is immers al bekend en aangeduid op de Ontgravingskaart. Het gaat er daarom alleen om dat bijzondere omstandigheden uitgesloten kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt vooronderzoek (“puntbronnencheck”) Bij kleinschalige projectmatige ontgravingen kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (de zogeheten puntbronnencheck). Een puntbronnencheck volstaat voor kleinschalige projectmatige ontgravingen die uitgevoerd worden binnen een bodemvolume dat kleiner is dan 25 m3. De meeste graafwerkzaamheden in de grond voldoen aan dit criterium. Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgesomd van graafwerkzaamheden die doorgaans een beperkte omvang hebben:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het graven van een inspectieput voor funderingsonderzoek De aanleg van of het verrichten van herstelwerkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen Het plaatsen van een lichtmast, oplaadpaal, gaskast, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het graven van een boomplantgat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de puntbronnencheck worden in ieder geval de volgende informatiebronnen geraadpleegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl). Hierop vindt men informatie over geregistreerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging (status, uitgevoerde onderzoeken, beschikkingen en gewenste vervolgacties) Geoportaal van de ODRU (www.odru.nl). Hierop vindt men o.a. informatie van uitgevoerde bodemonderzoeken, ondergrondse tanks, gedempte sloten en (voormalige) boomgaardpercelen, kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart (o.a. de Ontgravings- kaarten boven- en ondergrond) en de Loodverwachtingenkaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkt de locatie niet verdacht, dan mag met de Ontgravingskaart een inschatting worden gemaakt van de lokale bodemkwaliteit. Blijkt de locatie wel verdacht, dan is de kans aanwezig dat er verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn die een belemmering opleveren bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden en zal er eerst een onderzoek naar de kwaliteit van de grond en/of het grondwater moeten worden uitgevoerd, volgens de geldende normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.4.BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond Zowel de herkomstlocatie van de grond als de toepassingslocatie, moet op eventuele bron- gerelateerde verontreinigingen worden onderzocht. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de melding als men grond wil toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (zie verder paragraaf 7.3, stap 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverdacht Is de herkomstlocatie ‘niet verdacht’ dan mag worden aangenomen dat de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven op de Ontgravingskaart. De bodemkwaliteitskaart kan dan als bewijsmiddel worden gebruikt en er hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het resultaat van de check kan in een briefrapport worden verantwoord. Voor PFAS kan worden uitgegaan van de ontgravingskwaliteit die aangegeven is in tabel 6 in par. 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdacht Leidt de puntbronnencheck wel tot een verdenking, dan moet eerst een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) en/of een asbestonderzoek (conform de NEN 5707) worden uitgevoerd voor het ontgraven/toepassen van de grond. Dat onderzoek moet gericht zijn op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De parameters waarop de grond verdacht is;</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaats en het bodemtraject waar de verontreiniging verwacht wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen bodemonderzoek uitgevoerd is, moet men tijdens graafwerkzaamheden extra alert zijn op bodemvreemd materiaal of onverwachte verontreinigingen. Mocht men daarop stuiten, dan moet dit worden gemeld bij de ODRU. De ontgraving wordt dan onmiddellijk gestaakt en de verontreinigde laag wordt onderzocht op de te verwachten stoffen. De werkzaamheden mogen in dat geval niet worden voortgezet voordat het onderzoeksresultaat door de ODRU is beoordeeld en gebleken is dat er geen aanvullende bodemmaatregelen getroffen hoeven te worden. Daarnaast moet, indien noodzakelijk, de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) zo snel mogelijk door de initiatiefnemer op de hoogte worden gesteld en wordt, afhankelijk van de ernst van de situatie, het veiligheidsregime van de werkzaamheden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.5.Veiligheid en gezondheid Werkzaamheden waarbij in de grond wordt gegraven moeten veilig worden uitgevoerd. Wanneer gegraven wordt in verontreinigde grond is dat met passende veiligheidsmaatregelen. Soms is een onderzoek wenselijk om eventuele Arbo-risico’s te bepalen. Voor het bepalen van bodemgerelateerde Arbo-risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRC- Arbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde van de bk-zone waar de ontgraving plaatsvindt. De percentielwaarden (o.a. P80, P90 en P95), van de bk-zones zijn opgenomen in de tabellen van bijlage 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.Gemeentelijk beleid voor het graven in de grond Voor een aantal werkzaamheden wordt het nodig geacht om gemeentelijk beleid vast te stellen om knelpunten in de uitvoeringspraktijk weg te nemen en om beter grip te krijgen op de grondstromenketen als er in verontreinigde grond gegraven wordt. Het gaat om de volgende thema’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering (par. 9.3.1);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontgraven van grond op een diepte van meer dan 2 meter beneden het maaiveld (par. 9.3.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.1.Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering Het verrichten van graafwerkzaamheden ten behoeve van kabels, leidingen en rioleringen is een veel voorkomende activiteit in de bodem. Hierbij wordt de vrijkomende grond veelal weer teruggeplaatst. Veel van deze activiteiten vallen onder het begrip tijdelijke uitname. In bijlage 8 van deze Nota is een samenvatting van het Handvat tijdelijke uitname opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk geldende regels Volgens de regels uit de regeling bodemkwaliteit, dient bij het ontgraven van grond rekening te worden gehouden met de grondsoort, de chemische kwaliteit van de grond en de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de grond. Het tijdelijk uitnemen en daarna weer terugplaatsen van de grond, zonder het uitvoeren van onderzoek naar de chemische kwaliteit, is alleen mogelijk als:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond onder dezelfde condities en op dezelfde plek weer wordt teruggeplaatst, zonder te zijn bewerkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende grondlagen gescheiden ontgraven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak is gescheiden ontgraven niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de grond al geroerd is door eerdere graafwerkzaamheden. Gescheiden ontgraven betekent dat de ontgraven grond tijdelijk gescheiden opgeslagen moet worden. Hier is niet altijd ruimte voor (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). Het gescheiden ontgraven brengt meerkosten met zich mee en is niet in alle gevallen doelmatig. Daarom kiezen alle gemeente in het werkgebied van de ODRU ervoor om voor het ontgraven van grond ten behoeve van kabels, leidingen en riolering een gemeentelijke beleidsregel vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke beleidsregel Door het vaststellen van een gemeentelijke beleidsregel, wordt het mogelijk om grond niet gescheiden te ontgraven en niet gescheiden ontgraven grond, weer terug te plaatsen. Op onverdachte locaties kan de bodemkwaliteitskaart (Ontgravingskaart) gebruikt worden om aan te tonen dat de grond niet ernstig verontreinigd is. Dit is verder uitgewerkt in par. 9.2. Daar wordt beschreven welke eisen worden gesteld aan het (historisch) vooronderzoek bij projectmatige ontgravingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Gemeentelijke beleidsregel voor dit onderdeel is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en riolering is het, onder voorwaarden, toegestaan de verschillende bodemlagen niet gescheiden van elkaar te ontgraven en deontgraven grond in geroerde toestand weer terug te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet gescheiden ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en/of riolering, en vergelijkbare projectmatige ontgravingen t.b.v. infrastructuur, wordt alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgraving is nuttig en functioneel. Dat wil zeggen er wordt niet dieper gegraven en er komt niet meer grond vrij dan doelmatig is voor het geplande werk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet middels een (historisch) vooronderzoek aangetoond kunnen worden dat de bodem op de locatie waar de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden, niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 9.2;</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheid bodemvreemd materiaal voldoet aan de Gebiedsspecifieke toepassingseis die voor de betreffende bodemfunctie geldt. Zie par. 5.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de vrijkomende grond niet wordt teruggeplaatst, maar elders binnen de gemeente wordt hergebruikt, wordt, bij niet gescheiden ontgravingen, als kwaliteitsklasse voor de toepassing van de grond elders, uitgegaan van de kwaliteitsklasse die op de Ontgravingskaart-S30 Dit is de Ontgravingskaart die opgesteld is voor de standaardstoffen. Zie definitie in bijl. 2. bovengrond (zie bijlage 5B) of de Ontgravingskaart-S ondergrond (zie bijlage 5C) aangegeven wordt. De slechtste kwaliteit van de genoemde bodemlagen (boven- en ondergrond) wordt dan aangehouden bij het toetsen of de vrijkomende grond toegepast mag worden. In de meeste gevallen is dat de kwaliteit die de ontgravingskaart van de bovengrond aangeeft. Het staat de initiatiefnemer overigens altijd vrij om alsnog een partijkeuring uit te voeren, bijv. als de acceptant van de grond daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.2.Ontgraven van grond dieper dan 2 meter De Ontgravingskaart-SS ondergrond geeft de verwachte bodemkwaliteit aan tot een maximale diepte van 2 meter beneden het maaiveld. Voor grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld vrijkomt, kan de Ontgravingskaart-SS dus niet gebruikt worden als bewijsmiddel om de te verwachten kwaliteit van de grond aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk geldende regels Volgens de regels uit de Regeling bodemkwaliteit betekent dit dat er een partijkeuring of verkennend bodemonderzoek nodig is om de kwaliteit van de grond aan te kunnen tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke beleidsregel Omdat verwacht mag worden dat, in de meeste gevallen, de diepere ondergrond schoner is dan de grond in de ondiepere bodemlagen, kiezen alle gemeente in het werkgebied van de ODRU ervoor om een Gemeentelijke beleidsregel vast te stellen voor het graven in de bodem dieper dan 2 meter. Hierdoor is het in de meeste gevallen niet meer nodig om de grondkwaliteit middels een onderzoek aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Gemeentelijke beleidsregel voor dit onderdeel is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ontgravingen dieper dan 2 meter wordt als gemiddelde kwaliteit de verwachte kwaliteit van de grond in de bodemlaag 0,5 – 2 m -mv gehanteerd De vrijkomende grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld ontgraven wordt, kan elders in dezelfde of een andere ODRU-gemeente, zonder onderzoek, toegepast worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn tijdens het graven geen aanwijzingen gevonden dat de vrijkomende grond verontreinigd zou kunnen zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het raadplegen van het GeoPortaal van de ODRU (www.odru.nl) zijn geen gegevens naar voren gekomen op grond waarvan een bodemverontreiniging vermoed kan worden. Zie par. 9.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.Saneren Wanneer er in de grond of in het grondwater verontreinigingen aanwezig zijn, kan een terrein of gebied ongeschikt zijn voor een beoogd bodemgebruik. Dat is bijvoorbeeld het geval als er gebouwd wordt op een woningbouwlocatie, waarvan de bodem zodanig verontreinigd is dat er sprake is van humane risico’s. Dan moet de bodem voor het bodemgebruik Wonen geschikt gemaakt worden. Dat wordt “saneren” genoemd. Het doel is dan: het verbeteren van de kwaliteit. Wanneer sprake is van een ernstig verontreinigde bodem dient de saneerder van te voren een saneringsplan of een BUS-melding in te dienen, die door het bevoegd gezag beoordeeld wordt. Op dit moment is de provincie Utrecht nog steeds het bevoegd gezag voor het behandelen van saneringsplannen en BUS-meldingen. Deze taak wordt namens de provincie uitgevoerd door de RUD Utrecht. Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet zullen deze taken overgaan naar de gemeenten/ODRU.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.1.BUS-meldingen Het Besluit uniforme saneringen (BUS) is een landelijke uniforme regeling voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd kunnen worden afgerond. Voor eenvoudige werkzaamheden/saneringshandelingen in verontreinigde bodem kan worden volstaan met een melding op grond van deze regeling. Bijvoorbeeld voor het ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg van een kelder. Dan zijn de algemene regels van het BUS van toepassing. Na afloop van de bodemsanering moet een evaluatieverslag worden ingediend. Voor de melding en het evaluatieverslag wordt een landelijk formulier gebruikt. Bij een bodemsanering wordt eerst een risicobeoordeling en een bepaling van ernst en spoedeisendheid gedaan. Bij een bodemsanering die uitgevoerd gaat worden onder de BUS-regeling is die bepaling niet nodig. Er worden in het BUS een aantal categorieën onderscheiden, waaronder BUS Tijdelijk uitplaatsen, BUS-mobiel en BUS immobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerst genoemde categorie hoort eigenlijk niet onder het kopje “saneren” thuis, omdat deze graafwerkzaamheden niet tot doel hebben om de kwaliteit van de grond te verbeteren maar om het werk te kunnen uitvoeren. De uitvoeringsregels van het BUS zijn beschreven in de Regeling Uniforme Saneringen (RUS).</p>\n<p class=\"lf-p\">BUS-melding tijdelijk uitplaatsen (BUS-TUP) De meest voorkomende werkzaamheden in de bodem zijn het graven van sleuven en gaten ten behoeve van het aanleggen van kelders, werkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen. Bij deze werkzaamheden wordt geen saneringsdoel nagestreefd, maar moet grond, vaak tijdelijk, worden verwijderd om het werk uit te kunnen voeren. Als deze werkzaamheden worden uitgevoerd in ernstig verontreinigde grond, zal een BUS-TUP moeten worden ingediend bij de RUD Utrecht. Uitgangspunt bij de categorie BUS-TUP is dat de grond zoveel mogelijk wordt teruggebracht, maar afvoer is onder deze categorie óók mogelijk (bijv. als tijdens het graven blijkt dat de grond civieltechnisch ongeschikt is voor hergebruik op locatie). De proceduretijd van een BUS-TUP loopt uiteen van 5 weken (regulier) tot 5 werkdagen voor zeer eenvoudige saneringen. Voorwaarden om voor die verkorte procedure in aanmerking te komen zijn o.a:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle grond wordt na afloop weer teruggebracht in het profiel van de ontgraving (bouwput, sleuf, kuil enz.);</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond is tot de ontgravingsdiepte in gelijke mate verontreinigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond die teruggebracht wordt mag tussentijds geen bewerking ondergaan hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt niet gegraven op een locatie waar al sprake is van een isolatielaag (leeflaag, duurzame afdeklaag).</p>\n<p class=\"lf-p\">De RUS bevat voor de categorie tijdelijk uitplaatsen geen eisen voor de kwaliteit van de aanvulgrond. In art. 3.3.4 van de RUS (zie par. 9.2.3) staat echter dat de kwaliteit van terug te plaatsen grond niet mag verschillen met die van de aansluitende bodem. Bij de categorieën BUS-mobiel en BUS-immobiel is wel een apart artikel in de RUS opgenomen voor de kwaliteit van de aanvulgrond. Daarin staat dat de kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond moet voldoen aan de eisen van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">BUS-melding immobiel Voor immobiele verontreinigingen is een functiegerichte aanpak veelal voldoende om een locatie te saneren. Het uitvoeren van een uniforme sanering volgens de categorie BUS- immobiel is hiervoor een prima keuze. Na een melding in deze categorie behelst de saneringsaanpak normaliter het volledig verwijderen van de verontreiniging, of het aanleggen van een isolatielaag. Bij werkzaamheden die worden uitgevoerd volgens de categorie BUS- immobiel of BUS-mobiel wordt primair een milieuhygiënisch saneringsdoel gesteld, in tegenstelling tot de projectmatige aanpak van een uniforme sanering volgens de categorie BUS-TUP.</p>\n<p class=\"lf-p\">BUS-melding mobiel Een BUS-melding volgens de categorie “mobiel” is vooral bedoeld voor een standaardaanpak van het klassieke bodemverontreinigingsgeval “ondergrondse tank met olieverontreiniging”. Is de omvang van zo’n mobiele verontreiniging (minerale olie en vluchtige aromaten) beperkt, dan is het uitvoeren van een uniforme sanering mobiel veelal afdoende. Daarbij gelden o.a. de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle verontreinigde grond van de mobiele spot wordt door ontgraving verwijderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oppervlak waarbinnen de mobiele verontreiniging zich bevindt, bedraagt maximaal m2;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk uitplaatsen van mobiele verontreiniging tijdens de uitvoering is niet toegestaan; Alle verontreinigde grond moet direct worden afgevoerd naar een erkend verwerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.Gemeentelijke visie op aanpak van verontreinigingen In deze paragraaf wordt de gemeentelijke visie beschreven op de aanpak van een bodemverontreiniging in verschillende situaties, nadat de Omgevingswet in werking is getreden. Vanaf dat moment bepaalt de gemeente namelijk zelf , binnen de beleidsruimte die hiervoor aan gemeenten gegeven is, wanneer een sanering van de bodem nodig is. De onderdelen die in par. 9.5.1 en 9.5.2 beschreven zijn, zullen uitgewerkt worden in het Omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.1.Aanpak immobiele verontreinigingen Een locatie is na uitvoering van een sanering ’blijvend geschikt’ voor het gewenste bodemgebruik. De bodemkwaliteit voldoet dan aan de normen die horen bij die nieuwe bodemfunctie. Een woonlocatie (en bij lood gaat het met name om de tuin) is bijvoorbeeld “blijvend geschikt” als de bodem ter plaatse van de tuin (al of niet met aangebrachte leeflaag) tot een diepte van tenminste 0,5 meter maximaal 100 mg/kg aan lood bevat. De bodem voldoet dan aan de lokale normen. Dit onderdeel zal verder uitgewerkt worden in het Omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiewijziging naar gevoeliger bodemgebruik Als een perceel van bestemming of functie wijzigt, bijvoorbeeld bij het beëindigen van een bedrijf, dan kan het zijn dat de grond niet meer voldoet aan de kwaliteit die bij dat nieuwe bodemgebruik hoort (bijv. wonen). De functiewijziging zal dan in de meeste situaties het natuurlijk moment van saneren zijn. Wanneer sprake is van een tuin moet deze geschikt worden gemaakt voor de nieuwe en gevoeligere bodemfunctie. Bijvoorbeeld door het uitvoeren van een leeflaagsanering (of het in stand houden van een bestaande verharding). Als er geen sprake is van een gevoelig bodemgebruik (tuin, moestuin of kinderspeelplaats) hoeft er meestal geen sanering te worden uitgevoerd bij een functiewijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanering loodverontreiniging op gevoelige functies Wordt op een locatie een verontreiniging met lood geconstateerd met onaanvaardbare risico’s voor de mens, dan moet deze locatie worden gesaneerd. Is dat niet meteen mogelijk dan worden er tijdelijke veiligheidsmaatregelen getroffen. In gebieden waar diffuus lood in de bodem voorkomt (bijv. toemaakdek De Venen) kunnen, in gevallen waar niet direct gesaneerd hoeft te worden, de risico’s vaak worden beheerst door gebruiksadviezen voor lood in acht te nemen en/of eventueel door inrichtingsmaatregelen (bijv. afdekken van de bodem). Het definitief wegnemen van de loodverontreiniging kan dan later, op een natuurlijk moment (bijv. bij herontwikkeling) plaatsvinden (zie bijlage 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.2.Aanpak mobiele verontreinigingen Mobiele verontreinigingen zijn vaak perceelgrensoverschrijdend. In dat geval moet door de saneerder de hele mobiele verontreiniging in kaart worden gebracht. Dus ook het deel dat zich op een buurperceel bevindt. Als de eigenaar van het buurperceel medewerking aan het onderzoek weigert, dan hoeft de saneerder alleen het bronperceel te onderzoeken en te saneren. De restverontreiniging zal zo goed mogelijk door de saneerder in kaart moeten worden gebracht. De restverontreiniging zal zowel op het bron- als op het buurperceel worden geregistreerd. Als op het buurperceel nog geen stedelijke ontwikkeling plaatsvindt, hoeft de omvang van de verontreiniging op het buurperceel nog niet te worden bepaald (tenzij sprake is potentiële humane risico’s). Weten dat er een restverontreiniging of pluim zit, is in dat geval voldoende. Volledige afperking van de verontreiniging is pas relevant als daar (stedelijke) ontwikkeling plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectmatige ontgravingen in mobiele spots Bij projectmatige ontgravingen voor ondergrondse infrastructuur is het niet toegestaan vrijkomende grond, die sterk verontreinigd is met mobiele verontreinigingen (boven de interventiewaarde), zonder meer terug te plaatsen. De vrijkomende grond wordt in zo’n situatie als een afvalstof beschouwd die niet opnieuw gebruikt kan worden. Terugplaatsen zou kunnen betekenen dat nalevering van mobiele stoffen zou kunnen plaatsvinden naar het grondwater. Door het plaatsen van een isolerende voorziening (bijvoorbeeld een scheidingsdoek) tussen de verontreinigde grond en de aanvulgrond wordt zoveel mogelijk voorkomen dat in de toekomst herverontreiniging van de gesaneerde bodem plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke beveiligingsmaatregelen Tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij mobiele verontreinigingen kunnen noodzakelijk zijn bij als er gevreesd wordt voor stankoverlast, uitdamping van schadelijke stoffen (bijv. chloorverbindingen) of als direct contact met de verontreiniging mogelijk is. Afhankelijk van de situatie moeten dan (tijdelijke) maatregelen worden getroffen, zoals het aanbrengen van een laag grond, het afdekken met folie of het plaatsen van hekwerk, totdat de mobiele spot wordt aangepakt. Ook moeten bewoners en eventueel omwonenden op de hoogte worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandstofverontreinigingen (vóór 1 januari 1987) Mobiele verontreinigingen uit oude brandstoftanks (zoals huisbrandolie, benzine) moeten worden opgeruimd, als dat niet reeds is gebeurd. Dat geldt in principe zowel voor de tanks zelf als voor de verontreinigde bodem, maar soms gelden uitzonderingen. Bijvoorbeeld als een tank in het verleden is gevuld met zand, maar een keuringsbewijs (Kiwa-certificaat) ontbreekt, of als een tank is gevuld met zand, maar niet eerst inwendig is gereinigd. Daarnaast komt het voor dat een tank op een moeilijk bereikbare plaats (onder een gebouw of direct naast een muur) ligt en verwijdering tot onevenredig hoge kosten zou leiden. In deze gevallen kan het bevoegd gezag (de gemeente) toestaan dat de tank niet wordt verwijderd, maar onklaar gemaakt wordt conform het Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Doorkijk naar de Omgevingswet 10.1.Activiteiten graven en saneren Onder de Omgevingswet (OW) wordt er straks duidelijk onderscheid gemaakt in de activiteiten graven en saneren. De activiteit graven is niet gericht op het verbeteren van de bodemkwaliteit, maar op het uitvoeren van een bepaald werk. Een sanering is bedoeld om verontreinigingen die een belemmering vormen voor het beoogde bodemgebruik te verwijderen of zodanig maatregelen te nemen dat contact met en/of verspreiding van de verontreiniging tegengegaan wordt. Er zijn verschillende saneringsmethoden, deze vallen buiten de scope van deze nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1.1.Landelijke meldingsplicht voor ontgravingen &gt; 25 m3 Bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet geldt er in sommige gevallen een meldingsplicht voor het graven. De regels hiervoor worden opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Dat is het Uitvoeringsbesluit van de Omgevingswet. Dit Besluit stelt regels aan het verrichten van zogeheten milieubelastende activiteiten. Onder de Omgevingswet wordt alleen het graven in de bodem als milieubelastende activiteit aangemerkt als het bodemvolume waarin gegraven wordt meer is dan 25 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1.2.Graafwerkzaamheden van beperkte omvang (&lt; 25 m3 ) Het graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3 wordt niet aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Dat betekent dat aan deze categorie graafwerkzaamheden geen regels en voorwaarden verbonden worden in het BAL, ongeacht de chemische kwaliteit van deze bodem. Voor het ontgraven van sterk verontreinigde grond (gehalten boven de interventiewaarde) worden in de bruidsschat regels opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bruidschat Bruidsschatregels zijn regels die van rechtswege worden ingevoegd in de decentrale regelgeving. Deze regels zorgen ervoor dat er geen juridisch gat ontstaat voor onderwerpen of specifieke regels die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk geregeld werden, maar na inwerkingtreding gedecentraliseerd zijn. Decentrale overheden kunnen de regels die met de bruidsschat in hun omgevingsplan zijn ingevoegd op ieder gewenst moment vanaf inwerkingtreding aanpassen (rekening houdend met de instructieregels van het Rijk en de provincie). Het Aanvullingsbesluit bodem bevat bruidsschatregels voor bouwen op verontreinigde grond (inclusief een specifieke beoordelingsregeling bouwen op verontreinigde bodem), nazorg na saneren van de bodem, kleinschalig graven (bodemvolume &lt; 25 m3 en gehalten boven de interventiewaarde bodemkwaliteit) en activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging met een aanvaardbaar risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL3 Dit deel gaat over de bestuurlijke vaststelling van het beleid en de communicatie en implementatie De gemeenteraad kan sommige taken aan het college delegeren. Communicatie over en implementatie van het beleid is van essentieel belang om de van te voren bedachte en verwachte baten van het onderhavige beleid ook daadwerkelijk in de dagelijkse uitvoeringspraktijk te kunnen verzilveren. Hier zal dan ook na vaststelling van het beleid op grote schaal aandacht aan geschonken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Bestuurlijke vaststelling In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de procedures die gevolgd moeten worden bij het vaststellen van de bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer. Bovendien wordt ingegaan op het delegeren van taken van de gemeenteraad naar het college en het accepteren van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten, zodat deze ook als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt als er grond van buiten het werkingsgebied van de BKK werkgebied ODRU wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.Vaststelling kaart en beleid 11.1.1.Vasstelling en geldigheid In het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is vastgelegd dat een Nota bodembeheer een maximale geldigheid heeft van 10 jaar. Een bodemkwaliteitskaart heeft een maximale geldigheid van 5 jaar en kan daarna voor nog eens maximaal 5 jaar verlengd worden als uit de evaluatie blijkt dat de kaart niet (drastisch) aangepast hoeft te worden. Tussentijdse herziening van deze Nota, of de bodemkwaliteitskaart, kan eerder nodig zijn als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van deze Nota is, omdat de gemeente gekozen heeft voor het vaststellen van een Gebiedsspecifiek bodembeleid, een besluit van de gemeenteraad (Bbk, art. 44, lid 1). Het is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat het besluit open staat voor indiening zienswijzen en beroep bij de rechter. Deze Nota, met bijbehorende bodemkwaliteitskaart, treedt in werking nadat deze door de gemeenteraad is vastgesteld en deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (publicatie in het Gemeenteblad).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.2.Evaluatie/aanpassing van het beleid of kaart Er kunnen tussentijds redenen zijn om het beleid of kaart aan te passen nog voordat de wettelijk vastgelegde geldigheidsduur van 5 jaar, verstreken is. Bijvoorbeeld als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding toe geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodiek zal worden getoetst of de vastgestelde regels nog werkbaar zijn en of voldaan wordt aan de verwachtingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoveel mogelijk hergebruiken van gebiedseigen grond binnen het bodembeheergebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijkheid voor aannemers, adviesbureaus en gemeentelijke afdeling over de geldende regels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Besparing van kosten en tijd bij het toepassen en hergebruiken van grond en bagger;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzaam en kostenefficiënt bodembeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.Delegeren bevoegdheden van raad naar college Het vaststellen van deze Nota en het daarin beschreven Gebiedsspecifieke beleid is een besluit dat genomen wordt door de gemeenteraad. Hiermee staan de kaders van het beleid voor grondverzet en bodemsaneringen in de gemeente vast. Op onderdelen kunnen kleine wijzigingen de effectiviteit van het beleid vergroten of is actualisatie nodig. Om aan te sluiten bij de dynamiek van grondverzet, kunnen besluiten over kleine aanpassingen van beleid of kaart met een uitvoerend karakter, door de gemeenteraad gedelegeerd worden naar het college van burgemeester en wethouders. De delegatie kan geen betrekking hebben op wijziging van de Lokale Maximale Waarden (LMW) of de maximaal toegestane percentages bodemvreemd materiaal, aangezien de vaststelling daarvan wettelijk is voorbehouden aan de raad. Delegatie van die onderdelen is daarom niet mogelijk (Gemeentewet, art. 156, lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het delegeren van besluiten van de raad aan het college gaat concreet over de volgende zaken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van de Bodemfunctiekaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlengen van de bodemkwaliteitskaart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten Uitbreiden bodembeheergebied Hierna worden de bovengenoemde onderdelen afzonderlijk toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.1.Wijziging van de Bodemfunctiekaart 31 Onder de OW wordt de term “Bodemfunctieklassenkaart” vervangen door de term “Bodemfunctiekaart”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de vaststelling van Gebiedsspecifiek beleid zoals vastgelegd in deze Nota, is ook de vaststelling van de Bodemfunctiekaart (bijlage 4 van deze Nota). Op de Bodemfunctiekaart is het grondgebied van de gemeenten ingedeeld in bodemfunctieklassen (Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie). De Bodemfunctiekaart wordt gebruikt bij het beoordelen van het resultaat van een bodemsanering en bij het toepassen of hergebruiken van grond. De bodemfunctieklasse op de Bodemfunctiekaart sluit aan bij de (hoofd)functie van de op de Bodemzoneringskaart onderscheiden bodemkwaliteitszones. De bodemfunctieklasse die aan een zone is toegekend, is afgeleid van het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het wijzigen van de Bodemfunctiekaart is daarom feitelijk niet meer dan een uitvoeringshandeling. Om deze reden kunnen besluiten tot wijziging van de Bodemfunctiekaart door de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders worden gedelegeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.2.Verlengen van de Bodemkwaliteitskaart Een bodemkwaliteitskaart heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Na 5 jaar kan deze kaart voor nog eens 5 jaar verlengd worden als aan een aantal voorwaarden voldaan wordt. Eén van de voorwaarden is dat er een evaluatie uitgevoerd is, waarbij nagaan is of wijzigingen van de kaart mogelijk is zonder het beleid inhoudelijk te wijzigen. De geldigheid van de bodemkwaliteitskaart kan dan voor de duur van maximaal 5 jaar verlengd worden. Omdat het daarbij in feite gaat om een uitvoeringsbesluit, kunnen besluiten over het verlengen (en kleine wijzigingen) van de bodemkwaliteitskaart door de gemeenteraad gedelegeerd worden aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit de evaluatie blijkt dat de bodemkwaliteitskaart niet aangepast kan worden zonder het vastgestelde beleid ingrijpend aan te passen, dan wordt de gemeenteraad hier direct over geïnformeerd. Bij ingrijpende wijzigingen van het vastgestelde beleid, zal er een nieuwe openbare procedure gevolgd moeten worden. In dat geval zal de gemeenteraad de gewijzigde kaart en het gewijzigde beleid opnieuw moeten vaststellen. Delegatie van die taken aan het college, is in dat geval niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.3.Acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten De ambitie van de gemeenten in het werkgebied van de ODRU is niet alleen het grondverzet in de eigen gemeente, maar in het hele werkgebied van de ODRU te optimaliseren. Dit betekent dat er naar gestreefd wordt om grond en baggerspecie op een eenvoudige en kostenefficiënte wijze toe te kunnen passen en uit te kunnen wisselen met andere gemeenten in het werkgebied van de ODRU. Gelijktijdig met de vaststelling van deze Nota bodembeheer en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart ODRU (BKK-ODRU), stemt de gemeenteraad dan ook in met het accepteren van de bodemkwaliteitskaart ODRU als bewijsmiddel om grond afkomstig uit één van de andere ODRU-gemeenten toe te mogen passen in haar gemeente. Dit houdt in dat er geen partijkeuring meer nodig is om de kwaliteit van de grond aan te kunnen tonen, als voldoende aangetoond kan worden dat de ontgravingslocatie onverdacht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acceptatie van een bodemkwaliteitskaart van een gemeente die buiten het bodembeheergebied ODRU ligt, is een besluit dat door de raad aan het college gedelegeerd kan worden. Hieronder is aangegeven aan welke voorwaarden een bodemkwaliteitskaart, moet voldoen om geaccepteerd te kunnen worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitsklasse waarin de bodem is ingedeeld is gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitskaart is nog geldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acceptatie van een bodemkwaliteitskaart van een gemeente die buiten het bodembeheergebied ODRU ligt, betekent niet dat de toepasser van grond die de geaccepteerde kaart als bewijsmiddel gebruikt om grond toe te passen, kan profiteren van de Gebiedsspecifieke eisen die de gemeente waar de grond wordt toegepast heeft vastgesteld (als deze soepeler zijn dan de landelijk geldende eisen). Daarvoor is het nodig dat de gemeente ook het bodembeheergebied heeft uitgebreid met het grondgebied van deze gemeente (zie par. 11.2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.4.Uitbreiden bodembeheergebied De ambitie van de gemeenten in het werkgebied van de ODRU is niet alleen het grondverzet in de eigen gemeente, maar in het hele werkgebied van de ODRU te optimaliseren. Met het vaststellen van het beleid uit deze Nota, wordt daarom hele werkgebied van de ODRU als bodembeheergebied vastgesteld. Dit wordt het Bodembeheergebied ODRU genoemd. Dat houdt in dat de Gebiedsspecifieke beleidsregels die voor de eigen gemeenten worden vastgesteld, ook gelden voor grond afkomstig uit een van de andere ODRU-gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding van het Bodembeheergebied ODRU, wordt gerealiseerd door eenzijdige of wederzijdse erkenning van de Nota bodembeheer en het daarin beschreven beleid, van een gemeente die buiten het Bodembeheergebied ODRU is gelegen. Besluiten over uitbreiding van het Bodembeheergebied ODRU met het grondgebied van een andere gemeente, worden door de raad gedelegeerd aan het college. Hieronder is aangegeven aan welke voorwaarden een Nota bodembeheer moet voldoen om geaccepteerd te kunnen worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vastgestelde LMW en de maximaal toelaatbare percentages bodemvreemd materiaal, mogen niet hoger zijn dan die zijn vastgesteld voor de eigen gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitskaart voldoet aan de eisen die opgesomd zijn onder par. 11.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.Communicatie Na het vaststellen van deze Nota komt het aan op de uitvoering. Goede communicatie is daarbij belangrijk. Het communicatietraject richt zich niet alleen op de eigen organisatie, maar ook op partijen daarbuiten. Bij de totstandkoming van deze Nota zijn naast de gemeenten, ook vertegenwoordigers van andere overheden, adviesbureaus en marktpartijen betrokken. Voor de implementatie van het beleid is het noodzakelijk de communicatie breed op te zetten en te laten aansluiten bij de uitvoeringspraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4.Implementatie Hiervoor benaderen de gemeente en de ODRU de doelgroepen actief. Hiervoor zal een Implementatieplan opgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroepen Intern (gemeentelijke organisatie en Omgevingsdienst) Binnen de gemeenten zijn verschillende afdelingen betrokken bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie. Beleidsmedewerkers, handhavers en uitvoerders hebben elk hun eigen invalshoek. Het succes van implementatie hangt af van de samenwerking, waarbij de verschillende uitgangspunten elkaar aanvullen. De ODRU organiseert bijeenkomsten waarin de disciplines beleid, handhaving en uitvoering gezamenlijk geïnformeerd worden over het (nieuwe) Gebiedsspecifieke beleid voor grondverzet en bodemsanering. De bijeenkomsten zijn op de praktijk gericht. Op deze manier wordt niet alleen duidelijk wie welke rol heeft en wat iedereen te doen staat, maar ook de samenwerking wordt bevorderd. De bijeenkomsten zullen om de zoveel jaar worden herhaald om enerzijds de kennis over de regels omtrent grondverzet en bodemsaneringen op te frissen en anderzijds informatie bij de betrokkenen op te halen over mogelijke knelpunten en om na te kunnen gaan of het beleid en de tools die daarbij horen nog steeds voldoende zijn voor het doel waarvoor ze zijn ontwikkeld. Zo nodig wordt het beleid bijgesteld en worden nieuwe tools ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extern (organisaties en particulieren) Buiten de gemeentelijke organisatie houden verschillende andere partijen zich ook bezig met grond- en baggerstromen. Daaronder zijn overheidsorganisaties als Rijkswaterstaat, waterschappen, Staatsbosbeheer en de provincie Utrecht, maar ook projectontwikkelaars, aannemers, grondbanken en agrariërs. Voor deze partijen organiseert de ODRU, samen met de gemeenten in het werkgebied van de ODRU, regelmatig regionale informatiebijeenkomsten, waarin het Gebiedsspecifieke beleid wordt toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit soort bijeenkomsten wordt benut om informatie op te halen over eventuele knelpunten die men in de praktijk tegenkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners van een gemeente zijn over het algemeen slechts incidenteel betrokken bij grondverzet en bodemsaneringen. Op die momenten is het handig om de grote lijnen van het gemeentelijk beleid te kennen en te weten wat de gemeente van de inwoner verwacht. Daarom zal op de gemeentelijk website de mogelijkheid worden geboden om de Nota bodembeheer te downloaden. De bodemkwaliteitskaart (incl. alle bijbehorende kaartlagen) zijn voor een ieder te raadplegen op het GeoPortaal van de Omgevingsdienst regio Utrecht (www.odru.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1:Lijst met literatuurverwijzingen Besluit bodemkwaliteit Regeling bodemkwaliteit Tijdelijk Handelingskader PFAS, 2 juli 2020 Risico Toolbox Bodem Herziene handreiking toepassing van PFOA-houdende grond Zuid-Holland Zuid (OZHZ, 13 juni 2018) Nota bodembeheer regio Zuid-Holland Zuid (OZHZ, 1 juli 2010) Nota bodembeheer regio Zuidoost Utrecht (Milieudienst ZOU, december 2011) * Nota bodembeheer regio Noordwest Utrecht (MARMOS Bodemmanagement, dec. 2015) * Nota bodembeheer gemeente Renswoude (ODRU, december 2014) * Nota bodembeheer Vijfheerenlanden (ODRU, oktober 2020) * BKK-rapport Vijfheerenlanden ((MARMOS Bodemmanagement, augustus 2020) Nota bodembeheer IJsselstein (ODRU, mei 2021) * BKK-rapport IJsselstein (MARMOS Bodemmanagement, januari 2021) Handelingskader voor diffuus lood in de bodem (provincie Utrecht, ref.nr. 81F8FFB6, 24 sept. 2019) Beleidsnota PFAS provincie Utrecht (ODRU en RUD Utrecht, april 2021) Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht (ODRU en RUD Utrecht, april 2021) BKK-rapport 13 gemeenten in het werkgebied van de ODRU (MARMOS Bodemmanagement, 18 oktober 2021) * deze nota’s komen na vaststelling te vervallen Bijlage2:Lijst met begrippen en definities Definities en toelichting van in deze Nota gebruikte begrippen. De hoofdstukken verwijzen naar de hoofdstukken uit deze Nota waar de term of het begrip (het meest) gebruikt wordt. Verder zijn de begrippen en definities zoveel mogelijk gerubriceerd. De volgende rubrieken zijn onderscheiden (op volgorde):</p>\n<p class=\"lf-p\">KLASSEN KAARTEN NORMEN GROND STATISTIEK WET BODEMBESCHERMING BESLUITEN EN REGELINGEN GRAVEN OVERIGE BEGRIPPEN EN DEFINITIES</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2:</h3>\n<p class=\"lf-p\">Generieke kader: Kader dat landelijk geldt voor het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger en waarvan de regels zijn vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit en in de Regeling bodemkwaliteit Maximale Waarden (MW): Waarden waaraan toe te passen grond of bagger tenminste moeten voldoen in het Generieke kader Gebiedsspecifieke beleidskader: Kader dat geldt voor de onderdelen waarvoor een gemeente lokale beleidsregels heeft vastgesteld Lokale Maximale Waarden (LMW): Waarden waaraan toe te passen grond of bagger tenminste moeten voldoen volgens het door de gemeente vastgestelde Gebiedsspecifieke beleidskader. Deze waarde vervangt voor de met name genoemde toepassingen de Maximale Waarde uit de Regeling bodemkwaliteit Gebiedsspecifieke beleidsregel: Regel die geldt voor het graven in de bodem, het toepassen of tijdelijk opslaan van grond en bagger of voor het verspreiden van bagger op de landbodem Toepassingsbereik: Het toepassingsbereik geeft per Gebiedsspecifieke beleidsregel aan of de regel alleen van toepassing is op het eigen grondgebied of op het uitgebreidere bodembeheergebied (werkgebied van de ODRU) Stand-still: Dit beginsel houdt in: het plaatselijk verslechteren van de bodemkwaliteit binnen een bepaald bodembeheergebied, is toegestaan als er elders binnen ditzelfde gebied een kwaliteitsverbetering plaatsvindt en als de verslechtering van de bodemkwaliteit geen milieuhygiënische risico’s oplevert Nuttige toepassing Toepassing zoals beschreven in art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit (limitatieve opsomming) Duurzaam bodembeheer: Dit begrip houdt in: de bodem zodanig gebruiken, benutten en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Onderdeel daarvan is dat hergebruik van gebiedseigen grond gestimuleerd wordt waar dit mogelijk is en milieuverantwoord is. Hierdoor zijn er minder primaire grondstoffen en minder transport- bewegingen nodig, wat leidt tot minder verkeersbelasting en minder uitstoot van uitlaatgassen, CO2 en fijnstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS: Deze afkoring staat voor: poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Voorbeelden van PFAS zijn: PFOA, PFOS en GenX.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5:</h3>\n<p class=\"lf-p\">(Uitgebreide) bodembeheergebied: Het gebied waarvoor de door de gemeente vastgestelde Gebiedsspecifieke regels gelden. Dit gebied kan voor wat betreft de herkomst van de grond/bagger, groter zijn dan het eigen grondgebied (ook wel eigen bodembeheergebied genoemd in deze Nota) Niet-zone gerelateerde beleidsregels: Dit zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden voor toepassingen van grond die in principe in elk van de onderscheiden bodemkwaliteitszones voor kunnen komen Zone gerelateerde beleidsregels: Dit zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels die alleen gelden voor met name genoemde toepassingen van grond binnen een bepaald bk-zone Beleidszone Deze term wordt in deze nota gebruikt om de bk-zones met dezelfde bodemkwaliteitsklasse aan te duiden. Sommige gebiedsspecifieke beleidsregels gelden alleen voor een specifieke bk-zone en andere gelden voor de hele beleidszone Bodemvreemd materiaal: Onder bodemvreemd materiaal wordt begrepen: steenachtig materiaal dat niet van nature in die hoedanigheid in de bodem wordt aangetroffen en hout. Het in de Regeling bodemkwaliteit genoemde maximale gewichtspercentage van 20 %, geldt dan ook alleen voor steenachtige materialen en hout. Overige bodemvreemde materialen (zoals glas, plastic, metaal etc, mogen alleen sporadisch in de toe te passen grond voorkomen, als ze redelijkerwijs niet uit de toe te passen grond te verwijderen zijn Asbest-verdacht: Zie bijlage 9 voor een uitleg over asbest-verdachte grond risicogevoelige bodemfunctie: Locatie, waar gelet op het bij de functie horende bodemgebruik, eerder potentiële blootstellingsrisico’s voor de mens of ecosysteem te verwachten zijn bij een verontreinigde bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologisch beschermingsgebied: Gebieden die deel uitmaken van de NNN-gebieden, vanwege hun bijzondere ecologische waarde. Voor deze gebieden gelden in het Gebiedsspecifieke kader dat de gemeente heeft vastgesteld voor het toepassen van grond, strengere regels dan in het Generieke kader NNN-gebieden: Gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland. Zie provinciale Plannenviewer op de website van de provincie Utrecht OCB: Organochloor bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen die chloorverbindingen bevatten (o.a. drins, DDT/DD/DDE en HCH) Wegberm: Strook grond van maximaal 10 meter breed, langs een weg. Als er sprake is van een bermsloot gaat het alleen om de strook tussen de weg en de sloot. Let op: op de kaartlagen van de BKK zijn de wegbermen niet apart ingetekend (om praktische redenen). Zie verder bijlage 14 (On)verdachte wegberm: Een wegberm wordt, in het kader van de Nota, als verdacht aangemerkt als: er visueel meer dan 20% bodemvreemd materiaal in de bodem aanwezig is of verwacht wordt; het aantal motorvoertuigen op de weg waarlangs de berm gelegen is, meer bedraagt dan 10.000 per etmaal; in de weg waarlangs de berm gelegen is teerhoudend asfalt is gebruikt Aangrenzende percelen: Deze term wordt gebruikt bij het verspreiden van bagger op de landbodem. Percelen die grenzen aan (één van) de te baggerwatergangen wordt aangemerkt als aangrenzend perceel. De gemeente IJsselstein heeft het begrip aangrenzende percelen middels een gebiedsspecifieke beleidsregel, verruimd tot alle percelen die binnen dezelfde zone zijn gelegen als de watergang waaruit de bagger vrijkomt Ongerijpte bagger: Bagger die nog niet steekvast is (On)verdachte watergang: Een watergang wordt, in het kader van deze Nota, als verdacht aangemerkt als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlaktewater: In deze Nota worden hier, naast kanalen, rivieren, grote meren, sloten en hoofdwatergangen ook kleinere sloten, vennen en greppels (waarin wel eens water staat) begrepen Tijdelijke opslag: Het Besluit bodemkwaliteit onderscheidt een aantal vormen van tijdelijke opslag. Dit is aangegeven in par. 5.4.10, tabel 10 van de Nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weilanddepot: Vorm van tijdelijk opslag van baggerspecie op een perceel dat aan de gebaggerde watergang grenst. In het depot wordt de bagger ontwaterd, om daarna te kunnen verspreiden op één of meerdere percelen die aan de gebaggerde watergang grenst Tijdelijke uitname: Voor een definitie hiervan en voor de criteria die gelden voor tijdelijke uitname wordt verwezen naar bijlage 7 van deze Nota KLASSEN:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemfunctieklasse: Klasse waarin een gebied op de Bodemfunctiekaart is ingedeeld (Landbouw/Natuur, Wonen of Industrie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitsklasse: Klasse die aangeeft de kwaliteit van toe te passen grond of van de ontvangende bodem aangeeft (klasse L/N-grond, klasse Wonen-grond of klasse Industrie-grond). Grond die vuiler is dan klasse Industrie-grond, wordt Niet toepasbare grond genoemd. Deze grond is niet geschikt voor hergebruik en moet, als deze vrijkomt, afgevoerd worden nar een erkend verwerker Klasse AW-grond/Klasse L/N-grond (Klasse Landbouw/Natuur): Grond waarvan de gehalten zijn gelegen beneden de Maximale waarde die is vastgesteld voor het toepassen van grond voor in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur (officiële term is klasse Achtergrondwaarde). Zie bijlage 9 voor een overzicht van de Maximale Waarden per onderscheiden bodemfunctieklasse Klasse Wonen-grond: Grond waarvan de gehalten zijn gelegen beneden de Maximale waarde die is vastgesteld voor het toepassen van grond voor in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Wonen. Zie bijlage 9 voor een overzicht van de Maximale Waarden per onderscheiden bodemfunctieklasse Klasse Industrie-grond: Grond waarvan de gehalten zijn gelegen beneden de Maximale waarde die is vastgesteld voor het toepassen van grond voor in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Industrie. Zie bijlage 9 voor een overzicht van de Maximale Waarden per onderscheiden bodemfunctieklasse KAARTEN:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart (BKK): Samenstelsel van kaartlagen met elk hun eigen gebruiksfunctie. Hieronder vallen: Bodemzoneringskaart, Ontgravingskaart en Toepassingskaart BKK-S Bodemkwaliteitskaart voor de “standaardstoffen”</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardstoffen Stoffen die gebruikt zijn om de BKK-S te vervaardigen. Dit zijn de stoffen uit het standaardstoffenpakket + Arseen en Chroom BKK-PFAS Bodemkwaliteitskaart specifiek voor PFAS Bodemzoneringskaart: Kaart waarop de onderscheiden bodemkwaliteitszones zijn ingedeeld. Deze kaart is te vinden in bijlage 4A van deze Nota Ontgravingskaart: Kaart waarop per onderscheiden zone de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit wordt aangeduid, die men kan verwachten bij het graven in de bodem. Deze kaart is te vinden in bijlage 4B (bovengrond) en 4C (ondergrond) van deze Nota Toepassingskaart: Kaart waarop per onderscheiden zone aangegeven is welke kwaliteit grond toegepast mag worden (en evt. welke overige Gebiedsspecifieke eisen er gelden bij het toepassen van grond). Deze kaart is te vinden in bijlage 4D (voor grond afkomstig van binnen het uitgebreide bodembeheergebied) en bijlage 4E (voor grond afkomstig van buiten buiten het uitgebreide bodembeheergebied) van deze Nota Bodemfunctiekaart: Kaart waarop het bodembeheergebied is ingedeeld in bodemfunctieklassen: Wonen of Industrie. Niet ingedeelde gebieden vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Elke gemeente dient (volgens het Besluit bodemkwaliteit, art. 55) een Bodemfunctiekaart te hebben. Deze kaart is opgenomen in bijlage 5 van deze Nota NORMEN:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 5740: Norm die geldt voor het uitvoeren van bodemonderzoeken NEN 5725: Norm die geldt voor het uitvoeren van (historisch) vooronderzoeken bij bodemonderzoek NEN 5707: Norm de geldt voor het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in de bodem NEN 5720: Norm die geldt voor het uitvoeren van waterbodemonderzoeken NEN 5717: Norm die geldt voor het uitvoeren van (historisch) vooronderzoeken bij waterbodemonderzoek GROND:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond: Zie definitie van grond in art.1 van het Besluit bodemkwaliteit. Onder dit begrip vallen o.a.: zand, klei, veen etc, maar ook bagger Standaardbodem: Bodem die bestaat uit 10% organische stof en 25 % lutum Schone grond: Formeel is dat grond die geen verontreinigingen bevat. In de praktijk wordt het begrip schone grond gebruikt voor grond die in een bodemonderzoek of partijkeuring onderzocht is op het standaardstoffenpakket en op basis daarvan ingedeeld kan worden in klasse Landbouw/Natuur. Er is echter pas sprake van schone grond als de grond, naast de stoffen uit het standaardpakket bodem ook op andere relevante stoffen die in de grond verhoogd verwacht kunnen worden, is geanalyseerd en vastgesteld is dat de Maximale Waarde (MW) van de klasse Landbouw/Natuur niet overschreden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardstoffenpakket: Stoffenpakket dat onderzocht wordt als de grond niet verdacht is. Het standaardstoffenpakket bestaat uit de volgende parameters: Cadmium, Koper, Kwik, Lood, Nikkel, Zink, Barium, Kobalt, Molybdeen, PAK (10), PCB (7), minerale olie. Voor de onderhavige BKK zijn ook de parameters Arseen en Chroom meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldpunt bodemkwaliteit: Digitaal meldpunt voor het toepassen of tijdelijk opslaan van grond en bagger (www.meldpuntbodemkwaliteit) Grootschalige bodemtoepassing (GBT): Toepassing van grond of bagger in een werk met een minimale omvang van 5000 m3 en een minimale toepassingshoogte. Een GBT moet passen in het landschap, moet aanmerkt worden als een nuttig toepassing en moet functioneel zijn (niet hoger of groter dan noodzakelijk voor het doel van de GBT) Afdeklaag: Laag grond of bouwstof die verplicht aangebracht moet worden bij het realiseren van een rootschalige bodemtoepassing STATISTIEK:</p>\n<p class=\"lf-p\">Percentielwaarde(n): Waarde waar beneden een bepaald percentage waarnemingen ligt. Bijv. de 90-percentielwaarde (P90) geeft aan dat 90% van de meetwaarde uit een dataset lager is dan de aangegeven waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Statistische kengetallen: Kengetallen die gebruikt worden voor de statistische analyse van een bepaalde dataset met meetgegevens. In dit geval de meetgegevens die zijn gebruikt uit eerder verrichte bodemonderzoeken en partijkeuringen WET BODEMBESCHERMING:</p>\n<p class=\"lf-p\">Interventiewaarde: Waarde waarboven sprake is van sterk verontreinigde grond. De interventiewaarden zijn vastgelegd in bijlage 1 van de Circulaire Bodemsanering Geval van (vermoedelijk)ernstige bodemverontreiniging: Hier is sprake van als één of meerdere stoffen de interventiewaarde overschrijdt in een bodemvolume van meer dan 25 m3 Wet bodembescherming (Wbb): (Alleen onderdelen die in het kader van deze Nota van belang zijn, zijn benoemd) Wet die regels stelt om de bodem te beschermen (zorgplicht bodem, art. 13) en bij het verrichten van handelingen in of op ernstig verontreinigde grond. Na 1-1- 2022 komt deze wet te vervallen voor nieuwe bodemsaneringsgevallen Leeflaag: Laag grond die aangebracht wordt bij een bodemsanering, waarbij ervoor gekozen is de verontreiniging niet (geheel) te ontgraven. De leeflaag moet contact met de verontreiniging voorkomen en moet daarom intact blijven Terugsaneerwaarde: Waarde waaraan gehalten van stoffen in de bodem na een sanering moeten voldoen om de sanering als afgrond te kunnen beschouwen BESLUITEN EN REGELINGEN:</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit uniforme saneringen (BUS): Besluit dat regels stelt voor eenvoudige gelijksoortige saneringen die in korte tijd afgerond kunnen worden Regeling uniforme saneringen (RUS: Regeling waarin de uitvoeringsregels worden genoemd die horen bij het Besluit uniforme saneringen (technische details) Besluit bodemkwaliteit (Bbk): (Alleen onderdelen die in het kader van deze Nota van belang zijn, zijn benoemd) Besluit dat op 1 juli 2008 in werking is getreden voor het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger en voor het verspreiden van bagger Regeling bodemkwaliteit: Regeling waarin de uitvoeringsregels worden genoemd die horen bij het Besluit bodemkwaliteit (o.a. de Maximale Waarden en de verspreidingsnorm voor bagger) Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL): (Alleen onderdelen die in het kader van deze Nota van belang zijn, zijn benoemd) Besluit behorende bij de Omgevingswet. Hierin wordt opgesomd welke activiteiten als milieubelastend worden aangemerkt (bijv. het graven in een bodemvolume van meer dan 25 m3 en het saneren van de bodem) Besluit kwaliteit Leefomgeving (BKL): Besluit behorende bij de Omgevingswet. Dit besluit geeft aan wat de inhoudelijke normen zijn voor overheden om te voldoen aan de nationale doelstellingen (Omgevingsplan, Omgevingsvergunning, Programma etc) en internationale verplichtingen GRAVEN:</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectmatige ontgravingen: Ontgravingen die in de bodem worden verricht zonder saneringsdoel (dus niet met het doel om de bodemkwaliteit te verbeteren) Kleinschalige ontgraving: Projectmatige ontgravingen in een bodemvolume dat kleiner is dan 25 m3 (Historisch) vooronderzoek: Een onderzoek voorafgaand aan het verrichten van een activiteit op of in de bodem. Bij dit onderzoek worden informatiebronnen geraadpleegd en wordt een locatie- inspectie uitgevoerd. Het vooronderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5725.</p>\n<p class=\"lf-p\">OVERIGE BEGRIPPEN EN DEFINITIES:</p>\n<p class=\"lf-p\">KWALIBO: Dit staat voor Kwaliteitsborging in het bodembeheer. Er worden in dit besluit onder meer eisen gesteld aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en instellingen t.b.v. het bodembeheer Erkende bodemintermediairs: bedrijven, instellingen of personen die beschikken over de benodigde certificaten of erkenningen om de betreffende werkzaamheden uit te mogen voeren (zie ook KWALIBO) Erkende bewijsmiddelen: Ook wel milieuhygiënische verklaring genoemd. Het besluit bodemkwaliteit geeft aan welke milieuhygiënische verklaringen gebruikt mogen worden voor het toepassen van grond. Zie verder par. 6.2 Risico Toolbox Bodem (RTB): Door het RIVM ontwikkelde tool om bodemrisico’s te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt o.a. gebruikt bij het vaststellen van een Lokale Maximale Waarde (LMW), voor de toepassing van grond of voor het beoordelen van de actuele bodemkwaliteit. Deze term wordt in deze Nota aangehaald in par. 5.5.3 (hergebruik grond in zone D) Risico-index: Dit is een beleidsmatige indicator. Het geeft de verhouding aan tussen het (lokale) blootstellingsniveau van een bepaalde stof en de algemene effectgrenswaarde die gekozen is. A.d.h. van de risico-indexen kan afgeleid worden voor welke vormen van bodemgebruik de risico’s (bij normaal bodemgebruik) het grootst zijn Bijlage3:Tabellen met statistische kengetallen bodemkwaliteitszones 13 gemeenten: Wijk bij Duurstede, Bunnik, Woerden, Oudewater, Montfoort, De Ronde Venen, Stichtse Vecht, De Bilt, Utrechtse Heuvelrug, Zeist, Rhenen, Veenendaal en Renswoude 8-1 Bebouwing 1/1 regio Noordwest (beleidszone: Bebouwing 1/1) 8-2 Bebouwing 1/1 kleigrond regio Zuidoost (Beleidszone: Bebouwing 1/1) 8-3 Bebouwing 1/1 zandgrond regio Zuidoost (Beleidszone: Bebouwing 1/1) 8-4 Bebouwing 2/1 regio Noordwest (beleidszone: Bebouwing 2/1) 8-5 Bebouwing 2/1 kleigrond regio Zuidoost (beleidszone: Bebouwing 2/1) 8-6 Bebouwing 2/1 zandgrond regio Zuidoost (beleidszone: Bebouwing 2/1) 8-7 Bebouwing 2/2 (beleidszone: Bebouwing 2/2) 8-8 Bebouwing 3/1 overgang Noorderpark (beleidszone: Bebouwing 3/1) 8-9 Bebouwing 3/1 zandgrond regio Zuidoost (beleidszone: Bebouwing 3/1) 8-10 Bebouwing 3/2 regio Noordwest (beleidszone: Bebouwing 3/2) 8-11 Bebouwing 3/2 kleigrond regio Zuidoost (beleidszone: Bebouwing 3/2) 8-12 Bebouwing 3/2 Noorderpark (beleidszone: Bebouwing 3/2) 8-13 Bebouwing 3/2 Veenendaal (beleidszone: Bebouwing 3/2) 8-14 Bebouwing 3/3 (beleidszone: Bebouwing 3/3) 8-15 Droogmakerijen De Ronde Venen (beleidszones: Bebouwing 2/1 + Buitengebied 2/1) 8-16 Toemaakdek De Venen I (beleidszone: Bebouwing 3/3) 8-17 Toemaakdek De Venen I overig (beleidszones: Bebouwing 3/2 + Buitengebied 3/2) 8-18 Toemaakdek De Venen II (beleidszone: Buitengebied 2/1) 8-19 Kievitsbuurt (beleidszones: Bebouwing 2/1 + Buitengebied 2/1) 8-20 Noorderpark (beleidszone: Buitengebied 2/1) 8-21 Voorveldse Polder (beleidszone: Buitengebied 3/1) 8-22 Buitengebied overig regio Noordwest (beleidszone: Buitengebied 1/1) 8-23 Buitengebied kleigrond regio Zuidoost (beleidszone: Buitengebied 1/1) 8-24 Buitengebied veengrond Veenendaal (beleidszones: Bebouwing 1/1 + Buitengebied 1/1) 8-25 Buitengebied zandgrond regio Zuidoost (beleidszone: Buitengebied 1/1) Nota bodembeheer gemeente Vijfheerenlanden 6A Zone A: Bebouwing 1/1 (beleidszone: Bebouwing 1/1)</p>\n<p class=\"lf-p\">6B Zone B: Bebouwing 2/1 (beleidszone: Bebouwing 2/1) 6C Zone C: Bebouwing 2/2 (beleidszone: Bebouwing 2/2) 6D Zone D: Bebouwing 3/3 (beleidszone: Bebouwing 3/3) 6E Zone E: Buitengebied (beleidszone: Buitengebied 1/1) Nota bodembeheer gemeente IJsselstein 8A Bebouwing 1/1 (beleidszone: Bebouwing 1/1)</p></div>", "next": 239833}