{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende negen maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het eerste lid omschreven bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek van de andere gewezen echtgenoot bepalen dat het tweede lid buiten toepassing blijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel166</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gescheiden echtgenoten met elkaar hertrouwen, herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van het huwelijk en het nieuwe huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL10Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed AFDELING1Scheiding van tafel en bed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door scheiding van tafel en bed wordt de verplichting van de echtgenoten tot samenwoning opgeheven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel169</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als echtscheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De artikelen 151 en 154 tot en met 159 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen aanvangen op de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot die dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De scheiding van tafel en bed komt tot stand door inschrijving van de beschikking in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één van hen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel174</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen van de gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, is hij gehouden, nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat de beschikking van scheiding van tafel en bed is ingeschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak bepalen dat, als die echtgenoot op het ogenblik dat de beschikking is ingeschreven een woning bewoont die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden nadat de beschikking is ingeschreven, tegen een redelijke vergoeding voort te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tegen hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden tegengeworpen ten nadele van zijn in het eerste lid omschreven bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn wil te verklaren, dan kan de rechter die in eerste aanleg over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft beslist, op verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat het tweede lid buiten toepassing blijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een scheiding van tafel en bed eindigt van rechtswege door de verzoening van de echtgenoten; deze doet alle gevolgen van het huwelijk herleven alsof er geen scheiding van tafel en bed had plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen die tussen de scheiding en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip van de handeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel177</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De verzoening komt tot stand door de inschrijving daarvan in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De inschrijving geschiedt op gemeenschappelijk verzoek van partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING2Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel179</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken, indien de scheiding ten minste drie jaren heeft geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De termijn van drie jaren kan op verzoek van een echtgenoot worden bekort, indien de andere echtgenoot zich heeft schuldig gemaakt aan wangedrag in die mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel180</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding van het huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft ingediend, zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen het verzoek verweer voert, kan het verzoek niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing: indien redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen; indien de andere echtgenoot zich langdurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan, naar redelijkheid geen enkele verstrekking van levensonderhoud zou kunnen worden gevergd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel181</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun gemeenschappelijk verzoek uitgesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel182</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot en met 160 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde lid, bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel183</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ontbinding van het huwelijk komt tot stand door de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De artikelen 163, tweede en derde lid, en 166 zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL11Afstamming AFDELING1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel197</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel198</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel199</span><span class=\"lf-art-t\">Vader van een kind is de man:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onder b geldt; wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de vader van het kind; die het kind heeft erkend; wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of die het kind heeft geadopteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-199a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel199a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in deze titel gestelde termijnen kunnen door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-199b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel199b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ieder heeft het recht om voor zover mogelijk te weten van welke biologische ouders men afstamt.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING2Ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel200</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap kan, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, worden ontkend: door de vader of de moeder van het kind; door het kind zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man voor het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vader of moeder kunnen het in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de verwekker.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door de moeder bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door het kind bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit vermoeden, kan het verzoek tot uiterlijk twaalf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel201</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze echtgenoot, het gerecht in eerste aanleg verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200, zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de eerste graad van het kind het gerecht in eerste aanleg verzoeken de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Indien het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden, wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind gedurende de minderjarigheid, dan dient het verzoek te worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in leven zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan wel, indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is gekomen van de verzoeker, binnen een jaar na die kennisneming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel202</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Nadat de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor echter niet geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Door de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen vordering tot teruggave van kosten van verzorging en opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erkenning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel203</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Erkenning van een kind geschiedt bij een akte van erkenning, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel204</span><span class=\"lf-art-t\">1.De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">door een man die krachtens artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten; door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt; indien het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder; zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder; na het verstrijken van de wettelijke termijn van aangifte van de geboorte van het kind, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan; door een man tussen wie en het kind een leeftijdsverschil van minder dan zestien jaren bestaat, tenzij aannemelijk is dat de man de biologische vader van het kind is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De toestemming van de moeder waarvan het kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van het gerecht in eerste aanleg worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel205</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij het gerecht in eerste aanleg worden ingediend: door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden; door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen; door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het openbaar ministerie kan wegens strijd met de Sint Maartense openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is, vernietiging van de erkenning vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verzoek wordt door het kind ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met het vermoeden dat de man niet zijn biologische vader is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit vermoeden, kan het verzoek tot uiterlijk twaalf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop van de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. In geval het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel206</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor echter niet geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING4Gerechtelijke vastestelling van het vaderschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel207</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechter in eerste aanleg worden vastgesteld op verzoek van: de moeder, tenzij het kind de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt; het kind; de voogdijraad, tenzij het kind de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt of de moeder blijk geeft van verzet tegen het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Vaststelling van het vaderschap kan niet geschieden, indien: het kind een vader heeft; of tussen de man en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Overlijdt het kind voordat vaststelling van het vaderschap heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling van het kind in de eerste graad de vaststelling van het vaderschap aan het gerecht in eerste aanleg verzoeken, mits de man bedoeld in het eerste lid, nog in leven is. Het verzoek wordt gedaan binnen een jaar na de dag van overlijden van het kind of binnen een jaar nadat het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel207a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de in artikel 207, eerste lid, bedoelde man voor de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is overleden en de erfopvolging bij versterf door het kind die een gevolg is van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, een bijzondere hardheid betekent voor de weduwe of andere kinderen van de man, kan de rechter in eerste aanleg op verzoek de erfrechtelijke aanspraken van het kind beperken. De rechter houdt in voorkomende gevallen rekening met de reden waarom niet eerder het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt ingediend meer dan vijf jaren na het overlijden van de man en deze een weduwe of andere kinderen heeft achtergelaten, heeft de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, onverminderd het bepaalde in afdeling 3 van titel 7 van Boek 3, geen erfopvolging bij versterf door het kind tot gevolg met betrekking tot de nalatenschap van de man.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel207b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vaderschap dat is vastgesteld op grond van deze afdeling kan door het kind worden ontkend op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is. Afdeling 2 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel208</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitspraak waarbij het vaderschap wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend verzoek ten behoeve van het kind een bijdrage toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 404 of in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel 395a.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING5Inroeping of betwisting van staat</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel209</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iemands afstamming volgens zijn geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel210</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring onderworpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel211</span><span class=\"lf-art-t\">1.Een verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan worden ingediend:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">door het kind zelf; door de erfgenamen van het kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of binnen drie jaren nadien is overleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het kind een verzoek als bedoeld in het eerste lid had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING6De bijzondere curator</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel212</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door het gerecht in eerste aanleg dat over de zaak beslist. Ook de voogdijraad kan tot bijzondere curator worden benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL12Adoptie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel227</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Adoptie geschiedt door een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg op verzoek van twee personen van verschillend geslacht tezamen of op verzoek van één persoon alleen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind, vaststaat dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders te verwachten heeft, en aan de voorwaarden door artikel 228 gesteld, wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Zijn de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter, nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien dat twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In zaken van adoptie is de minderjarige ouder bekwaam in rechte op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel228</span><span class=\"lf-art-t\">1.Voorwaarden voor adoptie zijn:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, tijdens zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant; dat de adoptant of ieder van de adoptanten ten minste zestien jaren ouder dan het kind is; dat geen van de ouders het verzoek tegenspreekt; dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt; dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen het gezag heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid, onder d, kan worden voorbijgegaan: indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd; of indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XII tot en met XIV en XVII tot en met XXI van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel229</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Door adoptie komen de geadopteerde, de adoptiefouder en zijn bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun bloedverwanten op te bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot van die ouder of de levensgezel van die ouder van verschillend geslacht het kind adopteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan het gerecht in eerste aanleg bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen 377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel230</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou blijken dat de rechter de door artikel 228 gestelde voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel231</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De adoptie kan door een uitspraak van het gerecht in eerste aanleg op verzoek van de geadopteerde worden herroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verzoek tot herroeping wordt door de geadopteerde bij het gerecht in eerste aanleg ingediend binnen vijf jaren nadat het kind bekend is geworden met de adoptie. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk twaalf jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het tweede lid gestelde termijn kan door de rechter buiten toepassing worden gelaten voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel232</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Door herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten anderzijds op te bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden had te bestaan, herleeft door de herroeping.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL13Minderjarigheid AFDELING1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel233</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest of met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel234</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING2Handlichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel235</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Handlichting waarbij aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend, kan wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, op zijn verzoek door de rechter in eerste aanleg worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zij wordt niet verleend tegen de wil van de ouders voor zover deze het gezag over de minderjarige uitoefenen, met inachtneming nochtans van artikel 253a, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij het verlenen van handlichting bepaalt de rechter uitdrukkelijk welke bevoegdheden van een meerderjarige aan de minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de gehele ontvangst van zijn inkomsten en de beschikking daarover, het sluiten van verhuringen, het in een vennootschap deelnemen en het uitoefenen van een beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door handlichting niet bekwaam tot het beschikken over registergoederen, effecten, of door hypotheek gedekte vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Hij kan ter zake van de handlichting zelf en van handelingen, waartoe hij krachtens de verkregen handlichting bekwaam is, eisend of verwerend in rechte optreden. Artikel 12, eerste lid, geldt voor die handelingen niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel236</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verleende handlichting kan door de rechter in eerste aanleg worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De intrekking geschiedt op verzoek van een van de ouders van de minderjarige, voor zover deze het gezag over hem uitoefenen en met inachtneming van artikel 253a, eerste lid, of op verzoek van de voogd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel237</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een beschikking waarbij handlichting is verleend of ingetrokken, moet worden bekend gemaakt in de Landscourant en in twee in de beschikking aan te wijzen dagbladen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de bekendmaking moet nauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot welk doel zij is verleend. Vóór de bekendmaking werkt zomin de handlichting als haar intrekking tegen derden die hiervan onkundig waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING3Voogdijraden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel238</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Er is een voogdijraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De taak en de bevoegdheden van de voogdijraad worden bij landsverordening bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De door de voogdijraad gemaakte kosten komen ten laste van Sint Maarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden zijn samenstelling en werkwijze geregeld, alsmede de wijze, waarop de door de voogdijraad gemaakte kosten door hem verantwoord en door het Land betaald worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel239</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogdijraad kan optreden ten behoeve van een minderjarige, die in Sint Maarten hetzij zijn woonplaats of laatste woonplaats hetzij zijn werkelijk verblijf heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.[vervallen] 3.Ten behoeve van een minderjarige, die in Sint Maarten noch woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk verblijf heeft, is de voogdijraad eveneens bevoegd op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel240</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogdijraad zorgt voor de minderjarigen die hun krachtens enig wettelijk voorschrift door de rechter of het openbaar ministerie voorlopig zijn toevertrouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voogdijraad draagt zorg, dat de gelden die hem ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop recht hebbende worden uitbetaald, en ziet toe dat zij overeenkomstig hun bestemming worden besteed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel241</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de voogdijraad blijkt, dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt hij de rechter in eerste aanleg in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het ter voorkoming van de zedelijke of lichamelijke ondergang van een dergelijk minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan het openbaar ministerie hem voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen; deze laatste wendt zich in dit geval binnen zes weken tot de rechter in eerste aanleg ten einde een voorziening in het gezag over deze minderjarige te verkrijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel242</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voogdijraad stelt zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel243</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ministers en ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de voogdijraad alle inlichtingen, en verstrekken deze kosteloos alle afschriften en uittreksels uit hun registers, die de raad ter uitvoering van diens taak van hen vragen; de te verstrekken afschriften en uittreksels zijn vrij van zegel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Alle verzoeken die de voogdijraad ter uitvoering van diens taak tot de rechter richt,worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die de raad tot dat doel aanvraagt, zijn vrij van zegel en worden deze door de griffier vrij van alle kosten uitgereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Alle stukken en exploten, die van de voogdijraad uitgaan, zijn vrij van zegel en worden voor zover hun registratie vereist is, gratis AFDELING3ACentraal meldpunt voor kindermishandeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel243a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogdijraad houdt in stand een centraal meldpunt voor kindermishandeling. Dit meldpunt heeft tot taak: het verstrekken van advies aan een persoon die een vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die door hem in verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen daarbij; het naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of sprake is van kindermishandeling; het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft; het in kennis stellen van andere justitiële autoriteiten van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de minderjarige dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft; het registreren van gevallen van kindermishandeling of vermoeden van kindermishandeling; het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, alsmede van de huisarts en in voorkomende gevallen, indien wenselijk, een leerkracht van de minderjarige, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder kindermishandeling verstaan elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel243b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een centraal meldpunt voor kindermishandeling verstrekt geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien: een persoon die in een beroepsmatige, hulpverlenende of pedagogische relatie tot de minderjarige of zijn gezin staat, de persoonsgegevens naar aanleiding van een melding heeft verstrekt en het verstrekken van die inlichtingen een bedreiging vormt of kan vormen voor de minderjarige of andere minderjarige leden van het gezin waartoe de minderjarige behoort, een bedreiging vormt of kan vormen voor die persoon of medewerkers van die persoon of leidt of kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met het gezin waartoe de minderjarige behoort; het andere personen betreft dan die als bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel243c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding verplicht is, kan zonder toestemming van degene die het betreft aan een centraal meldpunt voor kindermishandeling inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel243d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen in dat landsbesluit aangewezen beroepsgroepen worden verplicht een meldcode op te stellen en toe te passen 2.De in het eerste lid bedoelde meldcode omvat in elk geval een stappenplan voor het handelen bij signalen van kindermishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Omtrent de elementen van de meldcode kunnen bij regeling van de Minister van Justitie voorwaarden worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling4Registers betreffende het over minderjarigen uitgeoefende gezag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel244</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het gerecht in eerste aanleg berusten openbare registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking hebben. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze aantekening geschiedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL14Het gezag over minderjarige kinderen AFDELING1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel245</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Minderjarigen staan onder gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend.Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel246</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij waarvan de geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze stoornis van tijdelijke aard is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel247</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel248</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 247, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel249</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De minderjarige dient rekening te houden met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel250</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechter in eerste aanleg indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING2Ouderlijk gezag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1-268\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel251</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel251a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien hij wijziging van het gezag in het belang van het kind wenselijk oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De beslissing op grond van het eerste lid wordt gegeven bij de beschikking houdende scheiding van tafel en bed, echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een beslissing op grond van het eerste lid niet alle kinderen der echtgenoten betrof, vult de rechter haar aan op verzoek van een van de ouders, van de voogdijraad of ambtshalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaren of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel252</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezamenlijk uit, indien dat op hun beider verzoek in het in artikel 244 bedoelde register is aangetekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het tijdstip van het verzoek: één of beide ouders onbevoegd is tot het gezag, één van beide ouders is ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder het gezag uitoefent, een voogd met het gezag over het kind is belast, of de voorziening in het gezag over het kind is komen te ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tegen de weigering van de aantekening is alleen beroep mogelijk, indien zij heeft plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid van één of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de rechter in eerste aanleg worden verzocht de aantekening te gelasten. Hij wijst het verzoek af, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien gewezen echtgenoten met elkaar hertrouwen en onmiddellijk daaraan voorafgaande één van de echtgenoten het gezag over de minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege het gezamenlijk gezag, tenzij een van de echtgenoten onbevoegd is tot dit gezag dan wel daarvan is ontheven of ontzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De echtgenoot voor wie het gezag niet is herleefd, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken hem daarmede te belasten. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien door verzoening van de echtgenoten een scheiding van tafel en bed eindigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter in eerste aanleg worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben; de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft; de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd; de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De rechter beproeft alvorens te beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De rechter behandelt het verzoek binnen zes weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-2-274\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Het gezag van één ouder anders dan na scheiding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat of indien de vader en moeder van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid bedoelde moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft, kan de tot het gezag bevoegde moeder de rechter in eerste aanleg verzoeken haar met het gezag over het kind te belasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Wanneer de vader het gezag over het kind uitoefent, wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer de moeder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten als bedoeld in het eerste lid, kan ook door de moeder worden gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de voorziening in het gezag over een kind als bedoeld in artikel 253b, eerste lid, komt te ontbreken, kunnen zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn de rechter in eerste aanleg verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Hebben beiden een verzoek ingediend anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in het belang van het kind oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien voordat over het verzoek van één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253e</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inwilliging van het verzoek van een van de ouders, bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d, heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende, tot gevolg dat de laatste het gezag verliest. Dit gevolg treedt niet in indien de ouders als gevolg van de rechterlijke beslissing met het gezamenlijk gezag zijn belast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de dood van een van de ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het tijdstip van overlijden het gezag uitoefent.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253g</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de rechter in eerste aanleg dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter doet dit op verzoek van de voogdijraad, de overlevende ouder of ambtshalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het derde lid is mede van toepassing indien de overleden ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253h</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien na het overlijden van één van de ouders een voogd is benoemd, kan de rechter in eerste aanleg deze beslissing te allen tijde in die zin wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292 en deze inmiddels is opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, mits het verzoek van de overlevende ouder binnen één jaar na het begin van de voogdij wordt gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-2a\"><span class=\"lf-art-num\">§2a</span><span class=\"lf-art-t\">Gezag na meerderjarigverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel253ha 1.De minderjarige vrouw die als degene die het gezag heeft, haar kind wenst te verzorgen en op te voeden kan, indien zij de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de rechter in eerste aanleg verzoeken haar meerderjarig te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verzoek kan ten behoeve van de vrouw ook worden gedaan door de voogdijraad. Deze behoeft hiertoe haar schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt, indien de vrouw haar toestemming intrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek kan ook vóór de bevalling door of ten behoeve van de vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw eerst omstreeks het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek niet eerder dan na de bevalling of, indien de vrouw op dat tijdstip nog geen zestien jaar is, nadat zij die leeftijd heeft bereikt, beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De rechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt. Indien een ander met het gezag is belast, wordt de moeder daarmee belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De minderjarige vrouw is bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3-283\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Het bewind van de ouders</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253i</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 253a is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Oefent een ouder het gezag alleen uit, dan wordt door die ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd en het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Van het eerste en derde lid kan worden afgeweken: indien de rechter bij de beschikking waarbij de uitoefening van het gezag over het kind aan een van de ouders wordt opgedragen op eensluidend verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen, mits de ander zich daartegen niet verzet, heeft bepaald dat de ouder die niet het gezag over het kind zal uitoefenen, het bewind over het vermogen van het kind zal voeren; ingevolge artikel 276, tweede lid, bij ontheffing of ontzetting van het gezag; indien hij die een minderjarige goederen schenkt of vermaakt, bij de gift onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft bepaald dat een ander het bewind over die goederen zal voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In het laatstbedoelde geval zijn de ouders, of indien een ouder het gezag alleen uitoefent, die ouder, bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij het vervallen van het door de schenker of erflater ingestelde bewind zijn het eerste en tweede lid, onderscheidenlijk het derde lid, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253j\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253j</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ouders of een ouder moeten het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren. Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade aansprakelijk, behoudens voor de vruchten van dat vermogen voor zover de wet hun het genot daarvan toekent.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253k\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253k</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het bewind van de ouders of een ouder zijn de artikelen 342, tweede lid, 344 tot en met 357 en 370 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253l\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253l</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, heeft het vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij de ouder inwoont en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet, is het verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de huishouding van het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de ouder van het gezag is ontheven, tenzij de andere ouder het gezag uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aan bedoeld vruchtgenot zijn de lasten verbonden, die op vruchtgebruikers rusten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253m\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253m</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ouder heeft geen vruchtgenot van het vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet zullen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING3Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253n\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253n</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen kan de rechter in eerste aanleg het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als dan bepaalt de rechter aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de minderjarige kinderen toekomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste en derde lid van artikel 251a zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253o\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253o</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge de paragrafen 1, 2 en 2a en artikel 253n kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechter in eerste aanleg worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter in eerste aanleg is eveneens bevoegd kennis te nemen van verzoeken tot wijziging van beslissingen inzake het gezag of samenhangend met gezag die door een buitenlandse autoriteit zijn gegeven na een in het buitenland tot stand gekomen echtscheiding of scheiding van tafel en bed, indien de minderjarige gewoon verblijf heeft in Sint Maarten. Deze rechter is voorts bevoegd om in het gezag te voorzien of een met het gezag samenhangende beslissing te geven, indien de buitenlandse beslissing niet voor erkenning in aanmerking komt, dan wel indien na de echtscheiding of scheiding van tafel en bed zodanige beslissing niet is gegeven en de minderjarige gewoon verblijf heeft in Sint Maarten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253p\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253p</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In de gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, neemt dit een aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na de gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding van tafel en bed begint het gezag nochtans niet voordat de beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of voordat de beschikking houdende scheiding van tafel en bed is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een aantekening was gedaan als bedoeld in artikel 252, eerste lid, begint het aan één van de ouders opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening door de griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier schriftelijk mededeling aan beide ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253q\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253q</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, op een van de in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een van de in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de rechter in eerste aanleg een voogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een van de in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast de rechter in eerste aanleg de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Alsdan benoemt hij een voogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad of ambtshalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Wanneer de grond van de onbevoegdheid van de in het derde lid eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op zijn verzoek, opnieuw met het gezag belast, indien de rechter in eerste aanleg overtuigd is dat het kind opnieuw aan de ouder mag worden toevertrouwd. Op verzoek van de ouders of een van hen kan hij de ouders gezamenlijk met het gezag belasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253r\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253r</span><span class=\"lf-art-t\">1.Artikel 253q is van overeenkomstige toepassing, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het gezag dat aan één of beide ouders toekomt, is geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253s\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel253s</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover de volgens het eerste lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling van het kind, dan wel tot ontheffing of ontzetting van een of beide ouders aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING4Ondertoezichtstelling van kinderen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel254</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een kind zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de rechter in eerste aanleg het onder toezicht stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij kan dit doen op verzoek van een van de ouders, een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, een van de bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad, de voogdijraad of op vordering van het openbaar ministerie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel255</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij de toewijzing van het verzoek of van de vordering benoemt de rechter in eerste aanleg tevens een gezinsvoogd, die onder zijn leiding op het kind toezicht houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij deze benoeming let de rechter op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van het kind en van het gezin waartoe het kind behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel256</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg is bevoegd te allen tijde de gezinsvoogd door een ander te vervangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel257</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg kan hangende het onderzoek het kind voorlopig onder toezicht stellen. Dit voorlopige toezicht blijft gelden totdat omtrent de ondertoezichtstelling bij gewijsde is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel258</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter in eerste aanleg bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling op een termijn van ten hoogste één jaar, die hij telkens met ten hoogste één jaar kan verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter in eerste aanleg kan de ondertoezichtstelling te allen tijde opheffen.Zij eindigt door de meerderjarigheid van het kind.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel259</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gezinsvoogd zoekt zoveel mogelijk persoonlijk aanraking met het kind en met het gezin waartoe het behoort. Hij bevordert het geestelijk, lichamelijk en toekomstig stoffelijk welzijn van het kind. Hij dient de ouders van raad bij de verzorging en opvoeding en tracht hen te overreden hiertoe het nodige te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel260</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij de verzorging en opvoeding van het onder toezicht gestelde kind moeten de ouders zich gedragen naar de aanwijzingen van de gezinsvoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ouder, die met de gezinsvoogd van mening verschilt ten aanzien van de in het belang van het kind te nemen maatregelen, kan op mondeling of schriftelijk verzoek de beslissing van de rechter in eerste aanleg inroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aanwijzingen tot het nemen van maatregelen die kosten zullen veroorzaken, kan de gezinsvoogd slechts geven met machtiging van de rechter in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Plaatsing van het kind buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de ouders daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogd overgaan, alleen krachtens de artikelen 262 en 263.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel261</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen dat het kind door de gezinsvoogd voor hem wordt gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel262</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen het kind tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid voor ten hoogste drie maanden te doen opnemen in een door hem aan te wijzen observatiehuis. Hij kan de termijn van de opneming eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen, indien het belang van het kind dit gebiedend noodzakelijk maakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel263</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien dit in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk is, kan de rechter in eerste aanleg het kind doen opnemen in een door hem aan te wijzen inrichting of elders dan in een inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij zijn keuze let de rechter in eerste aanleg op de wensen van hen die het gezag uitoefenen, en op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van het kind en van het gezin waartoe het kind behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De rechter in eerste aanleg bepaalt de duur van de opneming op een termijn van ten hoogste een jaar. Hij kan deze termijn telkens met een jaar verlengen en te allen tijde verkorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De termijn van opneming in een tuchtschool kan een jaar of, indien het kind nog niet veertien jaren oud is, zes maanden niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Opneming in een inrichting eindigt mede door een besluit van de Minister van Justitie, de rechter in eerste aanleg gehoord, wanneer de Minister van Justitie dit in verband met een juiste verdeling van de in de aangewezen inrichtingen beschikbare plaatsruimte noodzakelijk oordeelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel263a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in de artikelen 262 en 263, kan de rechter in eerste aanleg of de gezinsvoogd voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een beslissing van de gezinsvoogd geldt als een aanwijzing. Artikel 260, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel263b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de duur van de maatregel kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de gezinsvoogd of ambtshalve een rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op het verzoek van de met het gezag belaste ouder, de omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaren of ouder en de gezinsvoogd kan de rechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt een ingevolge deze bepaling vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 377a dan wel 377f.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel264</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kosten van de maatregelen bedoeld bij de artikelen 260, derde lid, 262 en 263 komen ten laste van de ouders, of - voor zover deze onvermogend zijn - ten laste van het kind; voor zover ook het kind onvermogend is, komen die kosten ten laste van Sint Maarten. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel265</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden voorschriften gegeven ten aanzien van alles wat in verband met de uitvoering van de voorschriften van deze afdeling nog nadere voorziening behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING5Ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel266</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet, kan de rechter in eerste aanleg een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel267</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de voogdijraad of op vordering van het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval, bedoeld in artikel 268, tweede lid, onder d, kan, indien de rechter in eerste aanleg een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf van hun kind heeft afgewezen, de ontheffing bovendien verzocht worden door degene die het kind op het tijdstip van het verzoek ten minste een jaar verzorgd en opgevoed heeft. Indien het kind door meer dan een persoon wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan. Is de ontheffing verzocht of gevorderd, dan blijft artikel 253s, tweede lid, buiten toepassing totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel268</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze regel lijdt uitzondering: indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een opneming krachtens de artikelen 262 en 263 van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om het kind voor zedelijke of lichamelijke ondergang te behoeden; indien zonder de ontheffing van de ene ouder de ontzetting van de andere ouder het kind niet aan diens invloed zou onttrekken; indien de geestvermogens van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan de voogdijraad - van tenminste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel269</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechter in eerste aanleg het in het belang van het kind noodzakelijk oordeelt, kan hij een ouder van het ouderlijk gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van: misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen; slecht levensgedrag; onherroepelijke veroordeling: wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige; wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XII tot en met XIV en XVII tot en met XXI van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht; tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer; het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmeren van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming; het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder misdrijf wordt in dit artikel begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel270</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontzetting van het gezag wordt slechts uitgesproken op verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of aanverwanten van het kind tot en met de vierde graad, de voogdijraad, of op vordering van het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval, bedoeld in artikel 269, eerste lid, onder e, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op zich genomen heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel271</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechter in eerste aanleg het in het belang van het kind noodzakelijk acht, kan hij een ouder wiens ontzetting verzocht of gevorderd is, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen. Gelijke bevoegdheid komt hem toe ten opzichte van een ouder wiens ontheffing verzocht of gevorderd is, in de gevallen, bedoeld in artikel 268, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de andere ouder mede het gezag uitoefent, wordt gedurende de schorsing het gezag door hem alleen uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Acht de rechter in dit laatste geval de schorsing van de te ontzetten ouder onvoldoende om het kind aan diens invloed te onttrekken, dan kan hij ook de andere ouder schorsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Betreft de schorsing beide ouders of een ouder die het gezag alleen uitoefent, dan vertrouwt de rechter het kind voorlopig toe aan de voogdijraad, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen van dit kind de bevoegdheden verleent die hij geschikt acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De in dit artikel bedoelde beschikkingen blijven van kracht, totdat de uitspraak omtrent de ontzetting of de ontheffing in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel272</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op grond van feiten die tot ontzetting van een ouder kunnen leiden, kan het openbaar ministerie - indien het dit in het belang van het kind noodzakelijk acht - het kind aan het gezag van de ouders onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Gelijke bevoegdheid komt het toe op grond van feiten die tot ontheffing van een ouder kunnen leiden in de gevallen, bedoeld in artikel 268, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De toevertrouwing vervalt, indien het openbaar ministerie niet binnen veertien dagen van de rechter in eerste aanleg haar bekrachtiging heeft gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wordt de bekrachtiging tijdig gevorderd, dan kan de rechter in eerste aanleg hetzij de teruggave van het kind aan zijn ouders bevelen, hetzij een van de beschikkingen geven, bedoeld in artikel 271.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In dit laatste geval bepaalt de rechter tevens hoe lang de gegeven beschikking van kracht zal blijven. Is echter voor het einde van deze termijn - die op verzoek van de voogdijraad kan worden verlengd - een verzoek of vordering tot ontzetting of ontheffing aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat over de ontzetting of de ontheffing bij gewijsde is beslist. De rechter kan die beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel273</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten die de voogdijraad maakt ten behoeve van het hem toevertrouwde kind, komen ten laste van de ouders, of - voor zover deze onvermogend zijn - ten laste van het kind; voor zover ook het kind onvermogend is, blijven die kosten ten laste van Sint Maarten, met inachtneming van de regels dienaangaande bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen. Wanneer de toevertrouwing niet door de ontzetting of de ontheffing van één of beide ouders gevolgd wordt, kan de rechter in eerste aanleg bevelen, dat hetgeen zij of het kind ter bestrijding van bedoelde kosten hebben betaald hun geheel of ten dele wordt teruggegeven. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel274</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van ontheffing of ontzetting van een ouder die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de rechter in eerste aanleg te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De rechter die het verzoek, bedoeld in het tweede lid, heeft afgewezen, kan deze beschikking steeds wijzigen. Hij doet dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder, en niet dan op grond van omstandigheden, waarmee de rechter bij het geven van de beschikking geen rekening heeft kunnen houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel275</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de andere ouder het gezag niet voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechter een voogd over de minderjarigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ieder die tot uitoefening van de voogdij bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken met de voogdij te worden belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van ontheffing met toepassing van artikel 268, tweede lid, onderdeel d, benoemt de rechter in eerste aanleg bij voorkeur tot voogd degene, dan wel een dergenen, die op het tijdstip van het verzoek het kind ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel276</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ontheven of ontzette ouder het bewind over het vermogen van zijn kind voerde, wordt hij tevens veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan zijn opvolger in dit bewind.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zijn er kinderen die goederen gemeen hebben en komen zij onder het gezag van verschillende personen, dan kan de rechter een van dezen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de waarborgen die de rechter van hem verlangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op het bewind krachtens het tweede lid is artikel 253k van toepassing, indien een van de ouders als bewindvoerder is aangewezen, en anders afdeling 6, paragraaf 10. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van minderjarige deelgenoten, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel277</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechter overtuigd is dat een minderjarige opnieuw aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden toevertrouwd, kan hij deze ouder op zijn verzoek in het gezag herstellen. Indien de niet met elkaar gehuwde ouders gezamenlijk het gezag willen uitoefenen, wordt het verzoek daartoe door hen beiden of een van hen gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien bij gelegenheid van de ontzetting of ontheffing het gezag aan de andere ouder was opgedragen, belast de rechter de ontheven of ontzette ouder die alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel278</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verzoek, bedoeld in artikel 277, kan ook worden gedaan door de voogdijraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hangende het onderzoek kan zowel de voogdijraad als de te herstellen ouder de rechter verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een door hem te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De rechter is te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING6Voogdij</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§1</span><span class=\"lf-art-t\">Voogdij in het algemeen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel280</span><span class=\"lf-art-t\">De voogdij begint:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor de voogd die door een ouder is benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het overlijden van deze ouder bereid verklaart de voogdij te aanvaarden; de verklaring moet door de betrokkene in persoon of bij bijzondere gevolmachtigde worden afgelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg; de verklaring moet worden afgelegd binnen veertien dagen, of - indien de persoon die de verklaring moet afleggen, zich in het buitenland bevindt - binnen vier weken nadat de benoeming is betekend; tot betekening kan iedere belanghebbende, alsmede de voogdijraad opdracht geven; voor de voogd die - nadat hij zich bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden - door de rechter is benoemd: op de dag waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van gewijsde is gegaan, of - zo deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard - daags nadat de benoeming van de voogd is verstrekt of verzonden; een mondelinge bereidverklaring geschiedt ten overstaan van de rechter die benoemt; een schriftelijke bereidverklaring wordt neergelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel281</span><span class=\"lf-art-t\">1.De voogdij eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de voogd is ontslagen of ontzet; het gezag over de onder zijn voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is opgedragen; of de voogdij overeenkomstig artikel 299a of 302, vierde lid, aan een andere voogd is opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Is een beschikking als in het eerste lid bedoeld, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, dan eindigt de voogdij daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2</span><span class=\"lf-art-t\">Voogdijdoor een van de ouders opgedragen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel292</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover een ouder het gezag over zijn kinderen uitoefent, kan hij bij uiterste wilsbeschikking bepalen wie na zijn dood voortaan als voogd het gezag over deze kinderen zal uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij kan geen rechtspersoon als voogd aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Hebben beide ouders van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, en sterven zij, zonder dat men kan weten wie het eerst overleden is, dan bepaalt de rechter in eerste aanleg ambtshalve wiens beschikking gevolg heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel293</span><span class=\"lf-art-t\">De door de ouder getroffen regeling heeft geen gevolg of vervalt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">indien na zijn overlijden de andere ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke beschikking het gezag over zijn kinderen uitoefent; indien en voor zover hij op het tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn kinderen niet meer uitoefende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3</span><span class=\"lf-art-t\">Voogdijdoor de rechter opgedragen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel295</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg benoemt een voogd over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel296</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Is voorziening nodig in afwachting van het begin van de voogdij overeenkomstig artikel 280, dan benoemt de rechter in eerste aanleg een voogd voor de duur van deze omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zodra bedoelde omstandigheden zijn vervallen, wordt deze voogd op verzoek van hem die hij vervangt, door de rechter in eerste aanleg ontslagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel297</span><span class=\"lf-art-t\">1.De rechter in eerste aanleg benoemt eveneens een voogd, wanneer voorziening nodig is wegens:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">tijdelijke onmogelijkheid, waarin een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen, onbekendheid van bestaan of verblijfplaats van de voogd, of in gebreke blijven van de voogd, het gezag uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Is de benoeming op het eerste lid, onder c, gegrond, dan kan de rechter de benoemde voogd een beloning toekennen en is de in gebreke gebleven voogd jegens de minderjarige aansprakelijk voor de kosten die de vervanging veroorzaakt, alsmede, behoudens zijn verhaal op de benoemde voogd, voor diens verrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Zodra de in het eerste lid genoemde omstandigheden zijn vervallen, wordt de benoemde voogd op eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt, door de rechter in eerste aanleg ontslagen, tenzij gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel298</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de in de artikelen 296 en 297 bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij geschorst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel299</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg benoemt de voogd op verzoek van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-299a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel299a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die met instemming van de voogd een minderjarige in zijn gezin - anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een voorlopige toevertrouwing aan de voogdijraad - ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, kan de rechter in eerste aanleg verzoeken hem, dan wel een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tot voogd te benoemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de minderjarige door meer dan een persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek kan ook worden gedaan door de voogdijraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De rechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Is het bij het eerste lid bedoelde verzoek gedaan, dan blijft artikel 336a, tweede lid, buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel301</span><span class=\"lf-art-t\">1.De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de rechter in eerste aanleg onverwijld kennis:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van het overlijden van ieder die minderjarige kinderen achterlaat; van de aangifte van de geboorte van ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het gezag uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de voogdijraad onverwijld kennis: van het overlijden van ieder, die minderjarige kinderen nalaat, tenzij van rechtswege in het gezag over deze kinderen is voorzien; van de aangifte van de geboorte van ieder kind, geboren binnen 306 dagen nadat het huwelijk van zijn moeder door de dood van haar echtgenoot is ontbonden, en van ieder kind, ten aanzien van wie alleen het moederschap vaststaat; van iedere latere vermelding houdende een erkenning, die is toegevoegd aan een geboorteakte van een minderjarige; van iedere door hem toegevoegde latere vermelding gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van een rechterlijke uitspraak die een minderjarige betreft, houdende een ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, gegrondverklaring van een betwisting of inroeping van staat of vernietiging van een dergelijk uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het huwelijk van de overledene die minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de overledene van tafel en bed gescheiden was, bericht de ambtenaar van de burgerlijke stand - indien de andere ouder nog leeft – deze omstandigheden tevens aan de voogdijraad; deze zendt alsdan de door hem ontvangen kennisgeving door aan de rechter in eerste aanleg die over het verzoek tot ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en bed heeft beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4\"><span class=\"lf-art-num\">§4</span><span class=\"lf-art-t\">Voogdij van rechtspersonen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel302</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter kan - mits op haar verzoek of na haar bereidverklaring - de voogdij opdragen aan een in Sint Maarten gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, wier statuten of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven, en die blijkens schriftelijke door de Minister van Onderwijs, Cultuur, Jeugd en Sport aanvaarde verklaring van het bestuur zich onderwerpt aan bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter die de voogdij aan een rechtspersoon opdraagt, let hierbij op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Elke voogdij van een rechtspersoon die door fusie ophoudt te bestaan, gaat over op de verkrijgende rechtspersoon, mits deze een rechtspersoon is waaraan de rechter krachtens het eerste lid een voogdij kan opdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Niettemin kan de rechter vervolgens op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de voogdijraad, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij aan een ander opdragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-303\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel303</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover de wet niet anders bepaalt, heeft de met voogdij belaste rechtspersoon dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De uitoefening van de voogdij geschiedt door het bestuur. Dit kan een of meer van zijn leden schriftelijk machtigen tot de uitoefening van de voogdij over de minderjarigen die in de machtiging zijn genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-304\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel304</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met de rechtspersoon zijn de bestuurders hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Iedere bestuurder zal zich echter van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen schuld heeft aan de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het bestuur overeenkomstig artikel 303, tweede lid, een of meer van zijn leden in het bijzonder tot de uitoefening van de voogdij gemachtigd heeft, wordt vermoed dat de schade uitsluitend aan de schuld van deze leden te wijten is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-305\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel305</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechtspersoon, die hem toevertrouwde minderjarigen uit huis plaatst, houdt de voogdijraad schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De plaatsen, waar met voogdij belaste rechtspersonen minderjarigen geplaatst hebben, worden door de voogdijraad bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand van de minderjarigen dienstig acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-306\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel306</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zonder toestemming van de rechter in eerste aanleg mag een rechtspersoon een hem toevertrouwde minderjarige niet in het buitenland plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-5\"><span class=\"lf-art-num\">§5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag van de voogdij</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel322</span><span class=\"lf-art-t\">Iedere voogd kan zich van zijn bediening doen ontslaan, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">hij aantoont dat hij ten gevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen; hij de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt heeft; een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechter in eerste aanleg deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-6\"><span class=\"lf-art-num\">§6</span><span class=\"lf-art-t\">Onbevoegdheid tot de voogdij</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel324</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer een voogd op een van de in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de rechter in eerste aanleg hem en vervangt hem door een andere voogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij doet dit op verzoek van de voogd, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel325</span><span class=\"lf-art-t\">[vervallen]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7\"><span class=\"lf-art-num\">§7</span><span class=\"lf-art-t\">Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel326</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op deze ondertoezichtstelling zijn de artikelen 254 tot en met 263 en 265 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande echter dat deze ondertoezichtstelling ook door de voogd kan worden verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De kosten, bedoeld in artikel 264, komen ten laste van de ouders, of - indien deze onvermogend dan wel overleden zijn - van de minderjarige zelf. Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van Sint Maarten. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de toepassing van het derde lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-8\"><span class=\"lf-art-num\">§8</span><span class=\"lf-art-t\">Ontzetting van voogdij</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel327</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan hij een voogd ten aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen ontzetten op grond van: slecht levensgedrag; misbruik van zijn bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij; de omstandigheid, dat hij op een van de beide voorgaande gronden van een andere voogdij - of op overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag - is ontzet; de omstandigheid dat hij in staat van faillissement verkeert; de omstandigheid dat hij in persoon, of dat zijn vader, moeder, echtgenoot of kind met de minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken is; onherroepelijke veroordeling: wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige; wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XII tot en met XIV en XVII tot en met XXI van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht; tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer; het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmering van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming; het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder misdrijf wordt in het eerste lid begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel328</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontzetting van een met voogdij belaste rechtspersoon kan slechts op de in artikel 327, eerste lid, onder b tot en met e, genoemde gronden geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn ontzetting kan echter bovendien plaats hebben, indien hij nalaat de voogdijraad overeenkomstig artikel 305 op de hoogte te houden van de plaatsen waar de hem toevertrouwde minderjarigen zich bevinden, dan wel indien hij het door de voogdijraad uit te oefenen toezicht belemmert of verhindert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel329</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontzetting van de voogdij kan slechts worden uitgesproken op verzoek van een van de bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad, de voogdijraad, of op vordering van het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval, bedoeld in artikel 327, eerste lid, onder h, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door hem die de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het geval, bedoeld in artikel 367, kan de rechter in eerste aanleg de ontzetting uitspreken, ook al had de voogdijraad deze niet verzocht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel331</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van de kinderen noodzakelijk acht, kan hij een voogd wiens ontzetting verzocht of gevorderd is, hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn voogdij over een of meer van de minderjarigen schorsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij schorsing van de voogd vertrouwt de rechter de minderjarigen voorlopig toe aan de voogdijraad, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen van de minderjarigen zodanige bevoegdheden verleent als hij geschikt zal achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste en tweede lid bedoelde beschikkingen blijven van kracht totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter in eerste aanleg kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel332</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden, kan de officier van justitie, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht, hen aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Artikel 272, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel333</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kosten die de voogdijraad ten behoeve van de hem toevertrouwde minderjarige maakt, komen ten laste van de ouders, of - indien deze onvermogend dan wel overleden zijn - van de minderjarige zelf. Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van Sint Maarten met inachtneming van de regels dienaangaande bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te stellen. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel334</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechter in eerste aanleg de ontzetting uitspreekt, voorziet hij tevens in het gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ieder die tot uitoefening van het gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken daarmee te worden belast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel335</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij die van de voogdij over een bepaalde minderjarige is ontzet, kan niet opnieuw tot voogd over die minderjarige worden benoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-9\"><span class=\"lf-art-num\">§9</span><span class=\"lf-art-t\">Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel336</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voogd draagt zorg dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel336a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover de volgens het eerste lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechter in eerste aanleg te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van de voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-10\"><span class=\"lf-art-num\">§10</span><span class=\"lf-art-t\">Het bewind van de voogd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel337</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd vertegenwoordigt de minderjarige in burgerlijke handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voogd moet het bewind over het vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien goederen die de minderjarige geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen. Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind van de voogd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel338</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd zorgt dat het vermogen van de minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is samengesteld, zo spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen acht weken na het begin van zijn voogdij doet de voogd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede gelden, effecten aan toonder en spaarbankboekjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Binnen acht maanden na het begin van zijn voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In de boedelbeschrijving is begrepen een opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het vermogen tot het ogenblik dat zij wordt opgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel339</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer de goederen van de minderjarigen een waarde van NAf 25.000,- niet te boven gaan, kan de voogd een door hem ondertekende, volgens een door de Minister van Justitie vastgesteld model opgemaakte, verklaring daaromtrent in plaats van de boedelbeschrijving inleveren. De voogd van twee of meer kinderen van dezelfde ouders kan met een zodanige verklaring slechts volstaan, wanneer bovendien de goederen van de minderjarigen samen een waarde van NAf 50.000,- niet te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de minderjarige, zoals dit op de datum van zijn beschikking is samengesteld, met overeenkomstige toepassing van artikel 338 moet worden opgemaakt en ingeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de bedragen, genoemd in het eerste lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel340</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter in eerste aanleg kan bij gebleken noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339 stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in artikel 339 is ingeleverd, doet de rechter binnen tien dagen na het einde van die termijn de voogd voor verhoor oproepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel341</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In de boedelbeschrijving of in de verklaring, bedoeld in artikel 339, moet de voogd opgeven wat hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal hij zijn vorderingsrecht niet voor diens meerderjarigheid kunnen uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zolang de voogd zijn vorderingsrecht niet kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel342</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De artikelen 338 tot en met 341 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de minderjarige gedurende de voogdij door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien aan de Ontvanger ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen heeft verkregen, is hij verplicht de rechter in eerste aanleg hiervan te verwittigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel343</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voogd kan, onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte schade, voor de minderjarige alle handelingen verrichten die hij in diens belang noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel344</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in bewaring bij de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten of een ingevolge de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen geregistreerde kredietinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter kan aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige moeten worden bewaard. De rechter onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen als hier bedoeld geven. Overigens is de rechter, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor effecten aan toonder, spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige samen met een of meer andere personen toekomen, geldt het eerste en tweede lid, wanneer de voogd die onder zijn berusting heeft. De rechter in eerste aanleg onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen geven. Overigens is de rechter in eerste aanleg, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel345</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd behoeft machtiging van de rechter in eerste aanleg om de navolgende handelingen voor rekening van de minderjarige te verrichten: aangaan van overeenkomsten strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige, tenzij de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel geschiedt; giften doen, andere dan gebruikelijke, niet bovenmatige; een making of gift, waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen; geld lenen of de minderjarige als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden; overeenkomen dat een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter in eerste aanleg kan bepalen dat de voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen van de minderjarige, het beschikken over saldi bij giro- of kredietinstellingen daaronder begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken, behoeft de voogd geen machtiging in het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of indien het voorwerp van de onzekerheid of het geschil een waarde van NAf 1.500 niet te boven gaat, noch indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan het bedrag, genoemd in het derde lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel346</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd kan geen goederen van de minderjarige kopen of huren zonder dat de rechter in eerste aanleg de te sluiten overeenkomst goedkeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van openbare verkoop of verhuur moet de goedkeuring binnen een maand daarna zijn aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel347</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een in strijd met artikel 345 of 346 verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar; op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de zijde van de minderjarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid geldt niet voor een rechtshandeling anders dan om niet, indien de wederpartij te goeder trouw was en voor een rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft berokkend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel348</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd kan, zonder dat de rechter in eerste aanleg de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen inschuld ten laste van de minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van een derde verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de overeenkomst nietig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel349</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een voogd die zonder machtiging van de rechter in eerste aanleg voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voogd mag niet zonder machtiging van de rechter in een tegen de minderjarige ingestelde eis of in een gedane uitspraak berusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Hij kan, alvorens voor de minderjarige in rechte verweer te voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak verzet te doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel350</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de minderjarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij behoeft voor elke belegging van gelden van de minderjarige machtiging van de rechter in eerste aanleg. Nochtans mag hij, voor zover de rechter niet anders bepaalt, zonder diens machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij een ingevolge de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen geregistreerde kredietinstelling op rekeningen, bestemd voor de belegging van gelden van minderjarigen, met het beding dat de gelden alleen worden terugbetaald met machtiging van de rechter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel351</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer het vermogen van de minderjarige of een gedeelte daarvan in een onderneming van handel, landbouw of nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor rekening, hetzij van de minderjarige alleen, hetzij van deze met anderen, niet voortzetten dan met machtiging van de rechter in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zonder machtiging van de rechter mag de voogd een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet onverdeeld laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel352</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks het ontbreken van de vereiste machtiging zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd met artikel 350 of artikel 351, geldig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel353</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voogd kan niet zonder machtiging van de rechter in eerste aanleg van een de minderjarige toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel354</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde de voogd voor verhoor doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel355</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan een met het gezag belaste ouder of aan een ouder die alleen het bewind over het vermogen heeft en die aangifte heeft gedaan van zijn voornemen een huwelijk aan te gaan, kan de rechter in eerste aanleg opdragen binnen een bepaalde termijn een beschrijving van het vermogen van de kinderen op te maken en deze beschrijving of een afschrift daarvan ter griffie van het gerecht in te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De artikelen 339, 340 en 341 zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel356</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aanwijzingen en machtigingen, als in deze paragraaf bedoeld, geeft de rechter in eerste aanleg slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden als hij dienstig oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij kan een gegeven aanwijzing of machtiging te allen tijde intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel357</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kosten van een ten behoeve van een minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking te diens laste zijn gebracht, treedt - in geval dientengevolge het vermogen van de minderjarige moet worden aangesproken – in de plaats van de bij artikel 345 bedoelde machtiging van de rechter in eerste aanleg, diens aanwijzing van de goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel358</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voogd mag alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige in rekening brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de rechter in eerste aanleg een bedrag bepaalt dat jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van diens vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag niet gespecificeerd te verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De rechter kan de voogd een beloning ten laste van de minderjarige toekennen, indien hij dit gezien de zwaarte van de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval mag de voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat is toegekend bij de akte, waarbij hij door een ouder benoemd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel359</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde ambtshalve aan de voogd de verplichting opleggen jaarlijks of eens in de twee of drie jaren ter griffie van het gerecht een rekening in te dienen van zijn bewind over de goederen van de minderjarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De datum voor de indiening van de rekening wordt door de rechter bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel360</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij verschil van mening omtrent de rekening kan de rechter in eerste aanleg verbetering daarvan gelasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij kan een of meer deskundigen benoemen, ten einde de ingediende rekening te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De rechter kan de kosten van dit onderzoek, indien slecht bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten dele ten laste van de voogd brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De voogd ontvangt een afschrift van het door de deskundigen in te dienen schriftelijk bericht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel361</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De periodiek door de voogd gedane rekening of een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel362</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg kan ambtshalve de schade vaststellen die blijkens de rekening de minderjarige door slecht bewind van de voogd geleden heeft, en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel363</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast. Inpandgeving van effecten aan toonder van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter bepaalt een redelijke termijn binnen welke de voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat hij de van hem verlangde zekerheid gesteld heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De rechter kan de voogd toestaan een gestelde zekerheid door een andere te vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het belang van de voogd het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of handhaving daarvan niet nodig is, kan de rechter hem machtigen daarvan namens de minderjarige afstand te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel364</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De door de voogd gestelde zekerheid houdt op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig artikel 377 verjaard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Alsdan worden op kosten van de minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op inschrijvingen in de grootboeken van de nationale schuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel365</span><span class=\"lf-art-t\">Indien de voogd in gebreke blijft:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gehoor te geven aan een oproeping van de rechter in eerste aanleg om voor hem te verschijnen; een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339 in te leveren; op de door de rechter bepaalde datum zijn periodieke rekening in te dienen; aan de minderjarige toebehorende spaarbankboekjes, gelden, of toondereffecten die hij niet op diens naam heeft doen stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren; de rechter het bewijs te leveren dat hij een van hem verlangde zekerheid gesteld heeft; of de schadevergoeding te betalen waartoe de rechter hem ingevolge artikel 362 veroordeeld heeft, kan de rechter de voogdijraad hiervan in kennis stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel366</span><span class=\"lf-art-t\">Eveneens kan de rechter in eerste aanleg de voogdijraad ervan in kennis stellen, dat:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de voogd in gevallen waarin hij machtiging van de rechter behoeft, zijn bewind eigenmachtig voert; de voogd zich in zijn bewind aan ontrouw, plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid blijkt te hebben schuldig gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel367</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voogdijraad die van de rechter in eerste aanleg zodanige mededeling ontvangt, onderwerpt, na onderzoek van de overige gedragingen van de voogd jegens de minderjarige, binnen zes weken na de dagtekening van die mededeling aan het oordeel van de rechter de vraag of ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid, onder b, moet volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel369</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien minderjarigen die onder voogdij van verschillende voogden staan, gemeenschappelijke goederen hebben, kan de rechter in eerste aanleg een van de voogden of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de door de rechter van hem verlangde waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Komt de in het eerste lid omschreven bevoegdheid aan verschillende rechters toe, dan vervalt deze nadat een van hen daarvan heeft gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel370</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De rechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan aan de voogd moet doen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van de voogd of de bewindvoerder of ambtshalve wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De bewindvoerder is verplicht aan de rechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn bewind aan de voogd, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten overstaan van de rechter rekening en verantwoording af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen, beslist de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Blijft een van de partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mee te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De rechter kan te allen tijde op verzoek van de bewindvoerder, de voogd of ambtshalve het bewind opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel371</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voogd is verplicht ter griffie van het gerecht in eerste aanleg kennis te geven van elke verandering in zijn woonplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel371a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De griffier van het gerecht dat een voogd benoemt, doet daarvan onverwijld mededeling aan het gerecht in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Woont de voogd niet meer binnen het rechtsgebied of is hij opgevolgd door een voogd binnen een ander rechtsgebied, dan zendt de griffier onverwijld de voogdijbescheiden naar de griffier van het gerecht waar de voogd of opvolgende voogd woonplaats heeft, onder opgave van diens adres.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-11\"><span class=\"lf-art-num\">§11</span><span class=\"lf-art-t\">De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel372</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na het einde van zijn bewind doet de voogd daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden door de voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de minderjarige, tenzij het bewind wegens ontzetting van de voogd eindigt. Voor zover de kosten niet op de minderjarige kunnen worden verhaald, komen zij ten laste van de ouders, en, zo zij ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van Sint Maarten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel373</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze rekening en verantwoording doet de voogd hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, hetzij aan zijn opvolger in het bewind.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel374</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bedoelde rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de rechter in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Over geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen, beslist de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Blijft een van de partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mee te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel375</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een rechtshandeling die de meerderjarig gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot of verricht met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt vóór het afleggen van de rekening en verantwoording; alleen van de zijde van de meerderjarig gewordene kan een beroep op de vernietigingsgrond worden gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel376</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wat de minderjarige aan de voogd schuldig blijft, draagt geen rente, zolang hij niet - na het sluiten van de rekening - met de voldoening van het verschuldigde in verzuim is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind – zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd - verjaart door verloop van vijf jaren na de dag waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TITEL15Omgang, informatie en raadpleging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ouder die alleen met het gezag is belast, is gehouden de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het belang van het kind dat vereist, kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd artikel 377b wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in het eerste lid bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het tweede lid begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of voor de voogd het gezag is begonnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377e</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377f</span><span class=\"lf-art-t\">[Vervallen]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377g</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a of 377b, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel377h</span><span class=\"lf-art-t\">[Vervallen]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TITEL16Curatele</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel378</span><span class=\"lf-art-t\">1.Een meerderjarige kan door de rechter in eerste aanleg onder curatele worden gesteld:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen; wegens verkwisting; wegens gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen, waardoor hij: zijn belangen niet behoorlijk waarneemt, in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft, of de eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien te verwachten is dat ten aanzien van een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, van een van de in het eerste lid genoemde gronden voor curatele sprake zal zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid worden uitgesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel379</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De curatele kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten alsmede door zijn voogd; zij kan ook worden gevorderd door het openbaar ministerie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel380</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan, op verzoek of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Hij regelt in deze beschikking de bevoegdheden van de bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind over bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan de rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die welke een curator niet heeft. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kan degene wiens curatele is verzocht, met betrekking tot die goederen niet zonder medewerking van de bewindvoerder daden van beheer en van beschikking verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In de beschikking kan tevens worden bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de bekendmaking van de benoeming maakt, op de onder bewind gestelde goederen gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet kunnen worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De beschikking kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst van de door hem beheerde goederen, tenzij de rechter in eerste aanleg daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel381</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De curatele werkt met ingang van de dag waarop zij is uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval, bedoeld in artikel 378, tweede lid, werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de onder curatele gestelde meerderjarig wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Vanaf deze tijdstippen is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming voor een bepaald doel moet schriftelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Met betrekking tot aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van een onder curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Hij is bekwaam over gelden die zijn curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze bestemming te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft, bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel382</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij die onder curatele staat mag geen familierechtelijke handelingen verrichten zonder toestemming van de rechter in eerste aanleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel383</span></h4></div>", "next": 239727}