{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">vruchtbomen voor zover het betreft laagstamfruitbomen; het dunnen van een houtopstand; het vellen van kweekgoed; het vellen van een houtopstand waarvoor een melding aan gedeputeerde staten op grond van artikel 4.2 lid 1 van de Wet natuurbescherming nodig is, met uitzondering van hoogstamfruitbomen; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving op last van het college; het periodiek vellen van griend- of hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: ten minste eens per tien jaar worden geoogst; bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en; zijn aangelegd na 1 januari 2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.124</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunning moet schriftelijk gemotiveerd en onder bijvoeging van een situatieschets worden aangevraagd. Het college kan eisen dat bij de aanvraag voor een kapvergunning een onderzoeks- rapport naar de algehele onderhoudstoestand van de te kappen boom wordt overgelegd. Het onderzoeksrapport moet opgesteld zijn door een beëdigd boomtaxateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag kan worden gedaan door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer door of namens het bevoegde Ministerie aan het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in de Wet Natuurbescherming, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De houder van de vergunning moet zorg dragen, dat deze vergunning ten tijde van het uitvoeren van de kapwerkzaamheden aanwezig is op het betreffende terrein waarop de houtopstand zich bevindt. De vergunning moet op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening, ter inzage worden gegeven aan deze ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.125</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; beeldbepalende waarden; monumentale waarden; waarden voor recreatie en leefbaarheid; waarden voor volksgezondheid; waarden van groot maatschappelijk belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan bij het weigeren, of onder voorschriften verlenen van een vergunning, tevens de boomwaarde als motivering hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college verwijst bij weigering van een vergunning zoveel mogelijk naar gemeentelijke Omgevings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.126</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en in overeenstemming met de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien het gemeentelijk beleid of een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt zo vaak mogelijk een herplantplicht opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een vergunning kan worden verleend onder de voorwaarde van feitelijk niet-gebruik, tot het moment van onherroepelijk worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat: de beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat er beroep is ingediend; beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening; beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.127</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid van dit artikel opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplanting en op welke wijze niet- geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van dit artikel is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.128</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud compensatieplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning of wordt toegevoegd aan de melding voor het vellen van een houtopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het compensatieplan wordt het volgende bepaald: waar zal worden herplant, op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, aangegeven op een voldoende gedetailleerde kaart; een omschrijving van de te herplanten houtopstand (soortnaam, maatvoering), inclusief een aanduiding van de ecologische waarde daarvan conform de lijst van Register ecologische bomen; een onderbouwing dat de kwalitatieve waarde van de aanplant verbetert ten opzichte van de te vellen houtopstand, gebaseerd op ecologische waarden, waarde voor klimaatadaptatie, waarde voor een functionele aankleding van de directe leefomgeving; indien een houtopstand geveld wordt in verband met een ruimtelijke ontwikkeling: een omschrijving van de groeiplaats (bovengronds en ondergronds) met onderbouwing dat deze groeiplaats van voldoende kwalitatieve waarde is om de te herplanten houtopstand, conform het gestelde wenselijke eindbeeld ter plaatse, duurzaam te handhaven; indien een houtopstand geveld wordt in verband met een ruimtelijke ontwikkeling: een beheerplan voor de eerste drie jaren, gerekend vanaf de aanplant, waarin onder andere de termijn voor de eerste aanplant, inboetperioden, aanwijzingen voor plantgatvoorbereiding, verzorging- en groeibevorderende maatregelen, welk plantmateriaal, welke soort, de stamomtrek en het aantal is opgenomen; indien sprake is van kap van 30 procent of meer van een als eenheid te herkennen structuur, de wijze waarop fasering van de kap en herplant over meerdere groeiseizoenen zal worden toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.129</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding van boomziekten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daarvoor door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die deze boomziekte kan verspreiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.130</span><span class=\"lf-art-t\">Spoedeisendheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde toestemming geven tot het direct vellen, als er sprake is van grote gevaarzetting of een daarmee te vergelijken spoedeisend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De toestemming wordt schriftelijk bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aan de toestemming kan een herplantplicht worden verbonden. De artikelen 3.126 en 3.127 zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk4Beheer en onderhoud Afdeling4.1 Water en riolering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud, renovatie en vervanging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het beheer, onderhoud, renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat de desbetreffende onderhouds- dan wel herstelwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van het particulier riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: het via deze aansluiting lozen van stoffen die vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het openbaar riool veroorzaken; het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding aantasten of schadelijk zijn voor het milieu en/of stankoverlast veroorzaken zoals oplosmiddelen en aardolieproducten; het lozen van hemelwater en/of drainagewater op de drukriolering of vacuümriolering; het lozen van hemelwater en/of drainagewater op de afvalwaterleiding van het (verbeterd) gescheiden stelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De kosten voor het onderhoud van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij onomstotelijk vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de perceelsaansluiting ten gevolge van een wijziging van het openbaar riool. (Voor de rest gereserveerd) Hoofdstuk5Financiële bepalingen (Gereserveerd) Hoofdstuk6Procesregels Afdeling6.1 Advies Paragraaf6.1.1Advies bij aanwijzing gemeentelijk monument</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen, advies en aanwijzingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Meerssen adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college beslist binnen 13 weken na ontvangst van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Meerssen, maar in ieder geval binnen 26 weken na de adviesaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.1.2Advies bij aanwijzing gemeentelijk beschermd stadsgezicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Advies bij aanwijzen gemeentelijk beschermd stadsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college vraagt advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Meerssen voordat de gemeenteraad een besluit neemt over de aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 2.10. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Meerssen adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6.1.3Advies bij omgevingsvergunning monument</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Advies omgevingsvergunning rijksmonument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Meerssen, bedoeld in artikel 6.1, eerste lid. Artikel 6.1, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7Handhaving, overgangs- en slotbepalingen Afdeling7.1 Handhaving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de toezichthouders belast die bij besluit van het college zijn aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het eerste lid, zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Legitimatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een standplaats op een markt inneemt of wil innemen, of die handelt met een volmacht is verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is bij het eerste verzoek van een toezichthouder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onmiddellijke verwijdering van de markt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; de marktmeester belemmert in het uitoefenen van zijn functie danwel de door of namens het college gegeven aanwijzingen niet opvolgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt, voor zover daartegen niet bij of krachtens een hogere regeling straf is bedreigd, gestraft met: hechtenis van ten hoogste drie maanden; of geldboete van ten hoogste de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak, voor zover daarentegen niet bij of krachtens een hogere regeling straf is bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit artikel is niet van toepassing als in het onderwerp is voorzien door de Wet economische delicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7.2 Overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende verordeningen worden geheel ingetrokken: de Marktverordening gemeente Meerssen 2013; de Afvalstoffenverordening gemeente Meerssen 2010; de Bouwverordening gemeente Meerssen 1992 (inclusies 12e serie wijzigingen); de Erfgoedverordening gemeente Meerssen 2022; de Aansluitverordening gemeente Meerssen 2022; de Hemel- en grondwaterverordening Meerssen 2022.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 7.5 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van de verordeningen bedoeld in artikel 7.5 zoals die golden voor het inwerking treden van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze verordening nadere regels vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van het college in bijzondere individuele gevallen de toepassing van een artikel van in deze verordening leidt tot een onbillijke situatie, dan is het college bevoegd hiervan af te wijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt inwerking acht dagen na de dag waarop deze bekend is gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Meerssen 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage I: Begripsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: archeologisch monument: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; bebouwde kom: de bebouwde komgrens conform artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen; cultureel erfgoed: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van de Erfgoedwet; dB(A): decibel (A-gewogen), maat voor de geluidsterkte gecorrigeerd naar de gevoeligheid van het menselijke oor; dB(C): eenheid voor geluid (de decibel), de C-correctie is met name geschikt voor metingen van hoge geluidniveaus. Het frequentie spectrum onder de 1000 Hz wordt veel beperkter gecorrigeerd dan bij de A-correctie, waardoor de bijdrage van het LF-geluid beter kan worden beoordeeld; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; geluidgevoelig gebouw: woning en andere geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; geluidgevoelige ruimte: geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken die op grond van deze verordening als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht zijn aangewezen, omdat deze van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, of wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is aangewezen op grond van paragraaf 2.1.1 van deze verordening; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten waarmee kennelijk wordt beoogd een commercieel belang te dienen;</p>\n<p class=\"lf-p\">HMRI-99: handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van Vrom, uitgave 1999; inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; monument: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van de Erfgoedwet; motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; omgevingsvergunning: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; ongewoon voorval: gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare inrichting: een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 lid 1, van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Meerssen; openbare ruimte: ruimte die openstaat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; reclame: openbare aanprijzing of werving van goederen, diensten of denkbeelden; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; terras: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2:27 lid 2, de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Meerssen; uitstalling: al hetgeen direct voor de gevel van een pand of trottoir wordt geplaatst om de aandacht te vestigen op de winkel of onderneming die in dat pand is gevestigd; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting VFL</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Verordening fysieke leefomgeving (hierna: Vfl) is een begrippenlijst opgesteld die bestaat uit de begrippen van de verordeningen die hierin op zijn gegaan. Hierbij is kritisch gekeken naar welke begrippen noodzakelijk zijn, enkele begrippen die slechts één keer of helemaal niet voorkomen zijn uit deze lijst geschrapt. De definities zijn zo veel mogelijk onveranderd gebleven. De begrippenlijst is opgenomen in artikel 1.1 van Bijlage I bij de Verordening fysieke leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is overgenomen uit de Omgevingswet (eveneens artikel 1.2) en regelt het toepassingsgebied van de Omgevingswet en dus deze verordening. Het toepassingsgebied van de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. In dit artikel wordt de fysieke leefomgeving geduid door het noemen van de fysieke onderdelen daarvan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingswet gaat niet alleen over de fysieke leefomgeving maar ook over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Vanwege de gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen regels worden gesteld over handelingen met stoffen of objecten die niet tot de fysieke leefomgeving behoren. Zo kunnen bijvoorbeeld regels worden gesteld over het plaatsen van voertuigen, rolcontainers of glasbakken, ook al behoren deze objecten zelf niet tot de fysieke leefomgeving. Op grond van artikel 1.2, vierde lid, worden ook gevolgen voor de mens vanuit de fysieke leefomgeving en gevolgen van menselijk activiteiten voor de mens die verlopen via de fysieke leefomgeving binnen de reikwijdte van de wet gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen vanuit de fysieke leefomgeving voor de mens zijn er bijvoorbeeld bij overstromingen. Bij gevolgen via de fysieke leefomgeving gaat het om gevolgen voor de mens, bijvoorbeeld geluidoverlast, en om gevolgen voor menselijke bezittingen die niet tot de fysieke leefomgeving behoren, bijvoorbeeld de gevolgen van emissies op landbouwgewassen. Dit artikel sorteert voor op de Omgevingswet, welke per 1 januari 2024 in werking treedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen van de verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is overgenomen uit de Omgevingswet (eveneens artikel 1.3) en bevat de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet en dus deze verordening. Zij zijn richtinggevend bij de uitvoering van de wet en de uitvoeringsregeling. De Omgevingswet stimuleert een cultuur waarbij de doelen in samenhang worden bezien en de oplossing die het meest recht doet aan alle betrokken belangen wordt gekozen. Voor overheden geven de doelen richting aan de bevoegdheden die bij of krachtens de Omgevingswet worden toegekend. Dit artikel sorteert voor op de Omgevingswet, welke per 1 januari 2024 in werking treedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften- en regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag in individuele gevallen afwijken van algemene regels voor activiteiten. Een maatwerkvoorschrift is alleen mogelijk als dit door de gemeente bij die algemene regels is aangegeven. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag juist voor concrete gevallen afwijken van algemene regels. Maatwerkregels hebben het voordeel dat ze voor een heel gebied of een hele categorie van gevallen gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding tot andere regelgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening is niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze wet anders blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Meest recente versie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in de Verordening fysieke leefomgeving wordt verwezen naar meerdere andere documenten die kunnen worden gewijzigd of vervangen, zoals de provinciale omgevingsverordening, is dit artikel opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentelijk erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten of cultuurgoederen. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als gemeentelijk monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voornemen tot aanwijzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Advies gemeentelijke adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit artikel is aansluiting gezocht bij de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht. Het artikel zelf is gebaseerd op artikel 3.2 Erfgoedwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Algemene wet bestuursrecht. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 2.5 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 3.14 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-210-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 3.116 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing inzameldienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid geeft de raad aan het college de opdracht om een onderdeel van de gemeentelijke inzameldienst aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de raad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. Hiervoor kan verwezen worden naar het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Meerssen 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid, dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een daartoe strekkende aanvraag zou worden beslist. De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing van inzamelplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op deze plaats wordt afzonderlijk geregeld dat op ten minste een plaats ook buiten kantooruren of in het weekend (in voldoende mate dus) gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur verplicht in verband met de in artikel 7 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Ingevolge artikel 10.26, tweede lid, van de Wm is dit verplicht. Het gaat hier om een daartoe ter beschikking gestelde plaats, waar alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen locaties voor innemen standplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door middel van dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden om weggedeelten of andere delen van de openbare ruimte aan te wijzen voor het innemen van een standplaats, als bedoeld in afdeling 3.9 van deze verordening. Deze standplaatsen zijn terug te vinden in het Marktreglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Afgelasting of wijziging van de Markt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft aan de Marktmeester de bevoegdheid om in belang van de orde op de markt en de veiligheid van personen en goederen de vergunninghouders te verplichten noodzakelijk maatregelen te treffen dan wel de markt onmiddellijk te beëindigen. Tevens kent lid 2 aan het college de bevoegdheid om af te wijken van de in het inrichtingsplan vastgestelde tijden en plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel sorteert voor op de Omgevingswet en regelt de afbakening van Hoofdstuk 3: Activiteiten in de fysieke leefomgeving van de Verordening fysieke leegomgeving. Hoofdstuk 3 gaat enkel over de activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Wanneer het gaat om activiteiten die geen gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving, dan is deze verordening niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke personen als normadressaat worden gezien. Het gaat hierbij om degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald in deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is overgenomen vanuit de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van die verleende vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een ongewoon voorval is snel optreden nodig. De uitvoerder van de activiteit waar het ongewoon voorval ontstaat, is daar als eerste verantwoordelijk voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gebeurtenis is een ongewoon voorval als de volgende criteria allemaal gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een activiteit gebeurt iets dat afwijkt van het normale verloop Als er iets bijzonders gebeurt bij een activiteit kan dat een storing of een ongeluk zijn, maar ook een zwaar ongeval of een ramp. Het maakt daarbij niet uit wat de oorzaak is. Vaak is de oorzaak een fout bij het uitvoeren van de activiteit. Soms kan de uitvoerder er zelf weinig aan doen zoals bij vandalisme of een blikseminslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebeurtenis heeft (mogelijk) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving Het begrip fysieke leefomgeving is breed. Mogelijke gevolgen kunnen daardoor van alles zijn, bijvoorbeeld milieuschade, hinder, risico's voor de omgeving, schade aan wegen of bruggen of aan een monumentaal pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is al sprake van een ongewoon voorval als de schade er nog niet is, maar wel dreigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevolgen van de gebeurtenis zijn significant Als de gevolgen van een gebeurtenis klein zijn, is het niet nodig dat de overheid ingrijpt. De extra regels voor ongewone voorvallen gelden alleen bij grote, merkbare gevolgen, zoals: een ongeval in de bouw een storing waardoor de elektriciteit uitvalt een gaslek Bij preventieve maatregelen minder snel een ongewoon voorval Preventieve maatregelen bij een activiteit kunnen de gevolgen klein houden. Stel dat een automobilist na het tanken vergeet het vulpistool af te koppelen. Bij het wegrijden breekt de slang en stroomt er benzine weg. Een goed ontworpen tankstation heeft een vloeistofdichte vloer rond de tankzuil en een korte slang die niet buiten de vloer terecht kan komen. Als de slang breekt, komt de benzine op de vloeistofdichte vloer terecht. Hierbij dreigt dan geen bodemverontreiniging. Slangbreuk bij een goed ontworpen tankstation is geen ongewoon voorval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen ongewoon voorval bij uitvoering activiteiten De uitvoerder van de activiteit heeft de volgende verplichtingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerder van een activiteit denkt van tevoren na wat er mis kan gaan. Als het kan, neemt hij maatregelen om dat te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er toch iets mis gaat, neemt de uitvoerder direct maatregelen om de gevolgen zo klein mogelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerder geeft het bevoegd gezag meteen door dat er iets mis is gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerder geeft, zodra dat kan, alle informatie aan het bevoegd gezag die nodig is om de gevolgen voor de leefomgeving in te schatten. Dat is in ieder geval: de oorzaak en het verloop van de gebeurtenis; de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; genomen of overwogen maatregelen om verdere gevolgen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een ongewoon voorval neemt de uitvoerder als dat kan maatregelen om te voorkomen dat het nog een keer gebeurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene aanvraagvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de algemene aanvraagvereisten die gelden voor een aanvraag om een (omgevings)vergunning of ontheffing. Met dit algemene artikel is voor de aanvrager direct duidelijk wat er verstrekt moet worden, ongeacht de activiteit. Onder lid 1 a tot en met d worden de gegevens en bescheiden genoemd die bij een aanvraag in ieder geval moeten worden verstrekt. Lid 2 regelt een aanvullende aanvraagvereiste voor aanvragen die betrekking hebben op bodemgevoelige gebouwen en bodemgevoelige locaties. Voor deze categorie aanvragen dient er, naast de zaken genoemd onder lid 1 a tot en met d, een bodemonderzoek te worden verstrekt. Lid 3 heeft het college de bevoegdheid om nadere eisen te stellen aan de in te dienen gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 3.9 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het creëren van een vergunning- of ontheffingsplicht de formulering wordt gebruikt “het is verboden om … te doen zonder vergunning/ontheffing van … of in afwijking daarvan“ (conform Igr 50), dan is een bepaling als in het tweede lid niet nodig. Het handelen in strijd met een vergunnings- of ontheffingsvoorschrift is dan immers ook verboden en levert dus een overtreding op waartegen met een last onder bestuursdwang kan worden opgetreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal ver overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander, terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen naar voren te brengen (artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voorkomt het ontstaan zogenaamde ´slapende vergunningen´ of ´slapende ontheffingen´. Doel is dat de feitelijke situatie overeenkomt met de vergunde situatie. Verleende (omgevings)vergunningen met een onbeperkte geldigheidsduur, kunnen in principe tot in het oneindige blijven voortbestaan, zonder dat de vergunde rechten worden gebruikt. Dit is ongewenst, met name vanwege ruimtelijke en administratieve belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat de vergunning of automatisch vervalt in de gevallen genoemd onder lid 1 a tot en met d:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, zijn er zes maanden verlopen zonder dat er handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b gedurende een jaar zijn er geen handelingen verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing en dit is niet te wijten aan overmacht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder c de oorspronkelijk verleende vergunning of ontheffing in het geval een vervangende vergunning of ontheffing van kracht geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-310-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.10 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden: er is dan formeel sprake van een beperkte geldigheidsduur, maar verlening vindt van rechtswege plaats; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang: wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige ‘herverdeling’ van de schaarse vergunningen worden georganiseerd; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich naar hun aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.9 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Uit ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, blijkt dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de algemene weigeringsgronden genoemd. Alleen als voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 3.11 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a De aanvrager die geen enkel belang heeft bij de aanvraag van de desbetreffende vergunning of ontheffing kan door de toevoeging van deze weigeringsgrond op voorhand al worden geweigerd. Er is dus geen inhoudelijk beoordeling van de aanvraag meer nodig voordat het tot een afwijzing komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b In sommige gevallen kan het voorkomen dat door gebruikmaking van de vergunning een duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. Om lastige situaties in de toekomst te voorkomen kan in een dergelijk geval de vergunning of ontheffing meteen geweigerd worden zodat problemen in de toekomst worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder a In de praktijk kan het voorkomen dat een aanvraag dusdanig laat wordt ingediend dat een volledige, goede en tijdige beoordeling niet mogelijk is vóór het beoogde tijdstip van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder b De verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens kan op grond van artikel 3.9 leiden tot intrekking of wijziging van de vergunning of ontheffing. Door dit ook op te nemen als weigeringsgrond kan dit voorafgaand aan het verlenen van de vergunning of ontheffing al leiden tot een weigering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid In sommige gevallen is er sprake van regelmatig terugkerende vergunningen- of ontheffingsaanvragen, denk aan jaarlijkse evenementen zoals kermissen of collectes of aan verlengingen van reeds bestaande vergunningen. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om de vergunning of ontheffing te weigeren indien het college op grond van een eerder (ten dele) niet naleven van voorschriften en beperkingen mag vermoeden dat ook nu de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zullen worden nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat voldoende gegevens van de aanvrager worden opgevraagd om zo te kunnen beoordelen of de gestelde voorschriften en beperkingen nu wel door de aanvrager voldoende kunnen worden nageleefd. Bijvoorbeeld als bij een evenement veel vuil is achtergebleven, zullen er voldoende waarborgen moeten zijn dat het evenementen terrein schoon wordt achtergelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip ‘voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen’ valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Het onderzoek naar bodemverontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 3.12 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 3.12. Beide toelichtingen moeten in combinatie met elkaar worden gelezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Uit de systematiek van NEN 5740:2009+A1:2016nl volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016nl is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707:2015nl ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. De volgende collectieve festiviteiten zijn in dit kader aangewezen: Oudejaarsavond, de vrijdag en zaterdag direct voorafgaande aan carnaval en de drie carnavalsdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Deze bepaling geeft aan het college de bevoegdheid om festiviteiten terstond als collectieve activiteit, als bedoeld in lid 1, aan te wijzen. Deze bevoegdheid is van toepassing op collectieve festiviteiten die redelijkerwijs niet voorzien waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde tot en met zesde lid In deze bepalingen wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen, maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid De bevoegdheid van lid 1 geldt niet voor een terras of buitenterrein van een inrichting. Het buitenterrein behorende bij een sport- en/of recreatie-inrichting is hiervan uitgezonderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.16</span><span class=\"lf-art-t\">Melding incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’-toernooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In het besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel is bepaald dat op maximaal 6 dagen viering van incidentele festiviteiten per inrichting l zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van twaalf dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met het tot 1 januari 2008 geldende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wel is veranderd, is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (dat wil zeggen inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer of Besluit glastuinbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Voor de kennisgeving, bedoeld in lid 1, dient het beschikbare gestelde formulier te worden gebruikt. Dit formulier dient volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig ingeleverd te zijn op de plaats zoals vermeld in het formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid In het geval dat het college een incidentele festiviteit terstond toestaat op verzoek van de houder van een inrichting, wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde tot en met tiende lid In deze bepalingen wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren beperkt. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen, maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.17</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van geluidmeten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (Handleiding) geeft richtlijnen en aanwijzingen voor het meten en berekenen van het geluid afkomstig van inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:18 verbiedt het zich ‘geluidhinderlijk’ gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. ‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door vrachtauto’s</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verbiedt het op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. In lid 2 is een mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing door het college opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-320-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.20</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door in het eerste lid de zinsnede ‘een inrichting’ (in de zin van de Wet milieubeheer) op te nemen, wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen), ofwel zij valt onder de algemene regels op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 a tot met e zijn voorschriften opgenomen over de mate van geluidhinder en de begin- en eindtijden om de overlast zo veel mogelijk te beperken. Voor meldingsplichtige evenementen is de eindtijd voor muziek gesteld op 24.00 uur Dit zijn de kleinschalige evenementen die vaak in woonbuurten plaatsvinden. Voor vergunningsplichtige evenementen is een eindtijd van 01.00 uur gesteld. Dit zijn de grotere evenementen die meestal plaatsvinden op locaties die geschikt zijn voor een evenement. In de vergunning kunnen nadere voorschriften over de beperking van de geluidsoverlast worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit en het Bouwbesluit 2012 een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsverordening Limburg 2014 is toegevoegd aan dit lid. In een provinciale omgevingsverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de VFL van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.20 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enzovoort; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enzovoort; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 3.20 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektroakoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enzovoort. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.21</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans en dergelijke, en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Het artikel moet zo gelezen worden dat het niet van toepassing is als de voertuigen, vaartuigen of afvalstoffen en dergelijke zich binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de weg, daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:22 heeft een aanvullend karakter op de andere in het derde lid genoemde wet- en regelgeving. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het WvSr, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het BPR (zie bijvoorbeeld artikel 1.15 van dit reglement).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vfl-bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het BPR legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.24</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.25</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het BPR bepaalt aan welke verkeersregels de schippers van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar water. Artikel 3.25 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op dit reglement door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5 van de WVW 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te verbieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid Uitgangspunt van de Vfl-bepalingen over ligplaatsen is dat het in beginsel is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen binnen de gemeente, tenzij de plaats deel uitmaakt van door het college aangewezen openbaar water (eerste lid). Er geldt slechts een verbod om een ligplaats in te nemen in strijd met de nadere regels van het college op grond van het tweede lid, onder a (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156 van de Gemeentewet). Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 3.27 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan vaartuigen die gedurende langere tijd een ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en vijfde lid Naast de algemene regels die krachtens het tweede lid kunnen worden uitgevaardigd, kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele eigenaar van een vaartuig nog nadere aanwijzingen te geven. Het vierde lid biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Het spreekt voor zich dat het college geen aanwijzingen geeft of kan geven die strijd opleveren met hogere regelgeving. De eigenaar van de boot is verplicht de aanwijzingen op te volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op, aan of boven de weg De bepalingen in dit artikel hebben betrekking op (verboden) gedragingen ´op, aan of boven de weg´. De term ´aan de weg´ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid regelt de vergunningplicht voor het gebruik van een weg of weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning indien het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Hier zijn de algemeen geldende weigeringsgronden opgenomen. Daarnaast is er een verbijzondering opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde gebruik problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik ervan (‘rubrica est lex’-regel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid, onder a (evenementen) Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van de APV Meerssen, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 3.28 Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid, onder b (standplaatsen) Het verbod is niet van toepassing op standplaatsen waarvoor vergunning is verleend op grond van artikel 3.79 of artikel 3.86. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een standplaats kan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid, onder c (terrassen) Het in artikel 3.28 bedoelde gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorende bij een openbare inrichting, waarvoor door de burgemeester een vergunning (exploitatievergunning) is verleend op grond van de APV Meerssen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV Meerssen is bepaald dat het verboden is om een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Onder de term ´openbare inrichting´ wordt verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of shisha-lounge en elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid, onder d (afbakening met wetgeving) Dit lid regelt de afbakening met landelijke en provinciale wet- en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder a (vlaggen, wimpels en vlaggenstokken) Het verbod is niet van toepassing op vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder b (zonneschermen) Het verbod is niet van toepassing op zonneschermen, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder c (voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan) Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder d (voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard) Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg Vijfde lid, onder e (uitstallingen) Het verbod is niet van toepassing op uitstallingen als bedoeld in artikel 1.1 van Bijlage I , mits er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder f (voorwerpen en materialen ten behoeve van werkzaamheden) Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen en materialen ten behoeve van werkzaamheden, mits er wordt voldaan aan artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg. Het betreft de volgende voorwerpen en materialen: containers ten behoeve van bouwwerkzaamheden op de rijweg, steigers en bouwhekken op het voor voetgangers bestemde deel van de weg, hijskranen en hoogwerkers op de rijbaan of op het voor voetgangers bestemde deel van de weg en overige materialen en voorwerpen ten behoeve van werkzaamheden op het voor voetgangers bestemde deel van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder g (aankondigingen ten behoeve van evenementen) Het verbod is niet van toepassing op aankondigingen ten behoeve van evenementen, mits er wordt voldaan aan artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid, onder h (plantenbakken en banken) Het verbod is niet van toepassing op plantenbakken en banken, mits er wordt voldaan aan artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Dit lid regelt de meldingsplicht voor reclameborden in de vorm van driehoeksborden. Het plaatsen van driehoeksborden in de vorm van driehoeksborden is enkel toegestaan indien er wordt voldaan aan de regels van artikel 9, lid 1 a t/m h van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op aan, of boven de weg (voorwaarde onder a). Bovendien is het verplicht om melding te doen van het voornemen tot plaatsen van de reclameborden in de vorm van driehoeksborden. Deze melding moet gedaan worden op de wijze zoals omschreven in artikel 9, lid 2 van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op aan, of boven de weg (voorwaarde onder b). Na het ontvangen van de melding wordt er op basis van beschikbaarheid in de gevraagde periode bepaald of plaatsing mogelijk is of niet. De gemeente houdt een kalender bij waarin de beschikbaarheid van de plaatsingslocaties wordt bijgehouden. Aanvrager ontvangt bericht of plaatsing al dan niet mogelijk is en indien van toepassing, een overzicht met de plaatsingslocaties en de (veiligheid)voorschriften die nageleefd dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid In dit lid wordt er aan het college de bevoegdheid gegeven om nadere regels te stellen voor de categorieën genoemd in lid 5 a t/m h en lid 6. Deze nadere regels zijn vastgesteld in het Uitvoeringsbesluit bij artikel 3.28 Voorwerpen of stoffen, op, aan of boven de weg. Indien er aan de voorwaarden van deze nadere regels wordt voldaan, geldt het verbod van lid 1 niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste, negende en tiende lid Deze leden regelen de afbakening met landelijke wet- regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elfde lid Dit lid spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twaalfde lid Voor zover er sprake is van opslag van roerende zaken als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder j en k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is een omgevingsvergunning nodig en is de lex silencio positivo in ieder geval van toepassing. De lex silencio positivo houdt in dat een vergunning wordt geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord door het bevoegde bestuursorgaan binnen de gestelde beslistermijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Het maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding Dit artikel geeft de gemeente de bevoegdheid om zowel het maken van een uitweg naar de weg, van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg, het veranderen van een bestaande uitweg naar of uit de weg, als het gebruik van een uitweg te binden aan voorschriften middels een omgevingsvergunning. Dit, met het oog op de bruikbaarheid en veiligheid van die (uit)weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid regelt de vergunningplicht voor de volgende situaties: het maken van een uitweg naar de weg, gebruikmaking van de weg voor het hebben van een uitweg, het aanbrengen van verandering in een bestaande uitweg naar de weg en veranderen van het gebruik van een uitweg. De procedure van de Wabo is van toepassing, dat brengt bijvoorbeeld met zich mee dat de lex silencio positivo van afdeling 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is. De lex silencio positivo houdt in dat een vergunning wordt geacht te zijn verleend bij het uitblijven van een antwoord door het bevoegde bestuursorgaan binnen de gestelde beslistermijn. Dit hoeft dan ook niet meer uitdrukkelijk bepaald te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Hier zijn de algemeen geldende weigeringsgronden opgenomen voor de in lid 1 opgenomen activiteiten. De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit lid regelt de afbakening met landelijke en provinciale wet- en regelgeving. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien op nationaal en/of provinciaal niveau.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.30</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan artikel 3.30 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Mor. Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting bij het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 3.30 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) telecommunicatieverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. De VNG ziet geen reden om in gevallen waarin de Wabo niet van toepassing is hiervan af te wijken. Daarom is voor die gevallen het vijfde lid opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.31</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald dat het verboden is om beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.32</span><span class=\"lf-art-t\">Openen straatkolken en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.33</span><span class=\"lf-art-t\">Kelderingangen, koekoeken en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 427, onder 1˚ en 3˚ van het Wetboek van Strafrecht, verplicht de eigenaar tot het treffen van de nodige voorzorgsmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van voorbijgangers. Artikel 3.33 gaat verder. Kelderingangen, koekoeken en dergelijke blijven, ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen en dergelijke wordt hiermee tegengegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.34</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt, wordt door het college aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.35</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt het verbod om op, aan of boven het gedeelte van de weg dat bestemd is voor voetgangers, of (brom)fietsers prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen, lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. In lid 2 wordt een uitzondering gemaakt op het in lid 1 bedoelde verbod, mits er aan de voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 regelt de afbakening met landelijke wetgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.36</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet Privaatrecht is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-336a-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.36a</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat het voor een niet-daartoe bevoegd persoon verboden is om een bord of een andere voorziening voor het openbaar verkeer, de openbare verlichting of enig ander belang dat tot de huishouding van de gemeente hoort te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen of de werking ervan te verhinderen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan: verkeersborden, wegverlichtingen, bewegwijzering en verkeersgeleiders. Het tweede lid van dit artikel regelt de afbakening met landelijke wetgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-337-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.37</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het opnemen van dit artikel achterwege blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 3.37 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, in casu twee meter, uit bestemmingsplan en VFL op elkaar afgestemd zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-338-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.38</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel worden de ijsvlakten die voor publiek toegankelijk zijn, beschermd tegen beschadiging, verontreiniging en versperring. Het is op basis van dit artikel bovendien verboden om het verkeer dat zich op deze ijsvlakten bevindt, te belemmeren of in gevaar te brengen. Om de veiligheid op het ijs verder te borgen, is onder lid 1, sub b het verbod opgenomen om bakens of andere voorwerpen die zijn geplaatst op de publiek toegankelijke ijsvlakten te verplaatsen, weg te halen, te beschadigen of het gebruik daarvan op elke andere manier te verhinderen of belemmeren. Het tweede lid van dit artikel regelt de afbakening met landelijke en provinciale wet- en regelgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-339-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.39</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt de conditie en de gesteldheid van openbare wegen en openbaar gebied beschermd. Degenen die een openbare weg of een openbaar gebied gebruiken, mogen geen schade toebrengen aan de weg of het openbaar gebied. Voorwaarde voor de aansprakelijkheid op grond van dit artikel is dat de schade van een dermate omvang moet zijn dat de bruikbaarheid en veiligheid van de weg wordt beïnvloed. In het verlengde van het algemeen verbod van het eerste lid is in het tweede lid een bindende zorgplicht opgenomen. Degenen die een openbare weg of een openbaar gebied gebruiken hebben de plicht om de weg of het gebied schadevrij en opgeruimd achter te laten. Als de gemeente constateert dat de gebruiker niet aan deze zorgplicht heeft voldaan, dan ruimt/herstelt de gemeente het terrein op kosten van deze gebruiker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-340-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.40</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.41</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de activiteiten aangewezen met betrekking tot afval waar deze verordening op ziet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.42</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt de meer algemene zorgplicht uit artikel 3.3 verder vormgegeven met betrekking tot het thema afval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.43</span><span class=\"lf-art-t\">Regulering andere inzamelaars</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de mate waarin het voor anderen dan de inzameldienst mogelijk is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In beginsel is dit verboden. Er zijn echter drie categorieën van andere inzamelaars dan de inzameldienst, die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Ten eerste als een inzamelaar is aangewezen. Het gaat dan om een beschikking, waaraan op grond van het tweede lid voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Ten tweede kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het eerste lid, onder b, is mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten derde zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wm in algemene maatregelen van bestuur verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene verboden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen alleen mag geschieden via de kanalen die daarvoor in de artikelen 2.10 en 2.11 zijn aangewezen. Dit verbod is de keerzijde van de bij of krachtens die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte gebod om het afval in te zamelen en het in artikel 3.43, eerste lid, opgenomen verbod voor anderen om afval in te zamelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Gescheiden afvalinzameling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regelen van de frequentie en locatie van de inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Dit is onder meer van belang omdat artikel 3.45 aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345a-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45a</span><span class=\"lf-art-t\">Inzamelmiddelen en -voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt welke inzamelmiddelen voor specifieke afval- en grondstoffen moet worden gebruikt voor de huishoudens in de grondgebonden als ook in de niet grondgebonden woningen. De specificatie daarvan is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Meerssen 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345b-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45b</span><span class=\"lf-art-t\">Frequentie van inzamelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de inzamelingfrequentie voor specifieke afval- en grondstoffen voor de huishoudens in de grondgebonden als ook in de niet grondgebonden woningen. De specificatie daarvan is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Meerssen 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Gescheiden aanbieding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de keerzijde van artikel 3.45 Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-347-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.47</span><span class=\"lf-art-t\">Verpakking van huishoudelijk afval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt hoe afval- en grondstoffen aangeboden dienen te worden. Nadere regels omtrent de wijze waarop dit moet gebeuren, zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Meerssen 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-348-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdstip van aanbieding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tijdstippen voor de inzameling van huishoudelijk afval worden door het college bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-349-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze en plaats van aanbieding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen, dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. De regels over het gebruik van de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen zijn in beginsel algemeen verbindende voorschriften. Het college kan in deze regels ook concreet locaties aanwijzen voor de inzamelvoorzieningen. Een dergelijk onderdeel van de regels is geen algemeen verbindend voorschrift dus daartegen staat bezwaar en beroep open.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een verbod om de inzamelmiddelen buiten het perceel te laten staan buiten de door het college vastgestelde venstertijden. Gebruikers van een perceel zijn gehouden de inzamelmiddelen binnen het perceel te bewaren. Het verbod geldt ook voor afval dat op de ophaaldag is buitengezet, maar om wat voor reden dan ook, niet is opgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De venstertijden zijn vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Meerssen 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid bevat een grondslag voor nadere regels over de wijze van gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen voor categorieën van percelen. Te denken valt aan een onderscheid dat gemaakt kan worden tussen hoogbouw en laagbouw. De regels kunnen een vrijstelling van het verbod in het eerste lid [of het verbod in het tweede lid] inhouden. Deze vrijstelling blijkt dan uit de nadere regels van het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-350-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat de inzameling van afval- en grondstoffen plaatsvindt met of in de daarvoor bestemde inzamelmiddelen, die door de gemeente of de inzameldienst, dan wel de door het college aangewezen inzamelaars worden gebruikt. Nadere regels daaromtrent zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Meerssen 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-351-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling bedrijfsafvalstoffen door een inzameldienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De inzameldienst kan ook bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om kantoor- winkel- en dienstenafval (KWD) dat in de route voor huishoudelijk afval wordt meegenomen. Bedrijven met afval die qua aard en omvang niet gelijken op een huishouden, moeten een contract sluiten met een marktpartij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de bedrijfsafvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wm. De memorie van toelichting zegt hierover: “Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieuregels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 van de Wm voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt.”(Kamerstukken 26 638, nr. 3, blz. 48). Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen deze regels gelden voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-354-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Dumpingsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeente een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. Artikel 10.25, onder a, van de Wm is de grondslag voor het opnemen van een dergelijk artikel in de Afvalstoffenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.55</span><span class=\"lf-art-t\">Zwerfafval in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wm kunnen gemeenten in de Afvalstoffenverordening (nu VFL) de zwerfafvalproblematiek regelen. Het eerste lid gaat over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die \"buiten een perceel ontstaan\". Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de hier bovenstaande bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid behoeft het begrip zwerfafval zelf geen verdere definitie. Uit de redactie blijkt dat van zwerfafval sprake is wanneer ter inzameling gereedstaand afval wordt verspreid, omgestoten of omgeschopt, enz. De redactie brengt ook mee dat doorzoeken op een manier die geen zwerfafval veroorzaakt, bijvoorbeeld door morgensterren of stadsjutters, niet onder het verbod valt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-355a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.55a</span><span class=\"lf-art-t\">Ongeadresseerd drukwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.55a heeft als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk, en daarmee uiteindelijk afval, te voorkomen. De grondslag voor dit artikel is artikel 10.23 van de Wm.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid zijn de definities opgenomen met het onderscheid tussen ongeadresseerd reclamedrukwerk voor commerciële doeleinden en huis-aan-huisbladen of drukwerk van niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals bijvoorbeeld “aan de bewoners van dit pand of gebouw”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat huis-aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie vervullen voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat huis-aan-huisbladen bezorgd mogen worden bij een perceel (een woning, bedrijf of woonschip), tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Met de komst van nee-nee-, ja-ja- en nee-ja-brievenbusstickers kunnen bewoners hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huisbladen kenbaar maken (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1528).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1: Overzicht wanneer bezorging gewenst is en dus mag geschieden Overzicht stickers Ongeadresseerd reclamedrukwerk gewenst Ongeadresseerde huis-aan- huisbladen gewenst ja-ja sticker Ja Ja geen sticker Ja Ja of nee-ja sticker Nee Ja nee-nee sticker Nee Nee</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-356-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Afval en verontreiniging op de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in dit artikel met name over laden, lossen en vervoeren. Het artikel bevat een gebod om de veroorzaakte verontreiniging op te ruimen. Mocht aan dit gebod geen gehoor gegeven worden, dan is sprake van een overtreding die strafbaar is gesteld op grond van artikel 7.4. Daarnaast is er de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen. Dit kan inhouden dat de gemeente de verontreiniging zelf opruimt en de kosten daarvoor op de overtreder verhaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.57</span><span class=\"lf-art-t\">Geen opslag van afval in de open lucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, het gaat niet op het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Waarneembaar gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van reukoverlast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-357a-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.57a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Artikel 3.57a vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wm aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor artikel 3.57a betekent dit concreet het volgende. Artikel 3.57a, tweede lid, biedt de mogelijkheid om – naast de ontheffing op grond van de Wm – een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de Vfl dan aan de Wm. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigerings- gronden worden genoemd in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-358-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.58</span><span class=\"lf-art-t\">Ontdoen van autowrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun Afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-359-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.59</span><span class=\"lf-art-t\">Kadavers van gezelschapsdieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Het eerste lid regelt wat onder gezelschapsdier moet worden verstaan. Tot de gezelschapsdieren worden gerekend onder meer honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, eenden, ganzen en fazanten behoren eveneens tot deze categorie indien er geen com- merciële opbrengst aan verbonden is, zoals de (commerciële) productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of huiden. Het artikel heeft geen betrekking op hobby- en landbouwhuisdieren zoals runderen, paarden, schapen, (dwerg)geiten, hangbuikzwijnen, varkens en herten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente draagt zorg voor de verwerking en verwijdering van kadavers van gezelschapsdieren. De kadavers zijn een bijzondere vorm van afvalstoffen, die op grond van de Wet dieren nadere regeling behoeven. De grondslag voor deze nadere regeling is deels gelegen in artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, en voor het overige in artikel 3.5 van de Wet dieren. De Wet dieren verplicht de gemeente diegene aan te wijzen die met de inzameling van kadavers is belast (tweede lid). Deze draagt dan zorg voor de overdracht van de kadavers van gezelschapsdieren aan Rendac Son B.V. Deze verwerker is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wet dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde tot en met zesde lid zijn de verantwoordelijkheden en plichten van de houder van een kadaver van een gezelschapsdier opgenomen. De houder (meestal de eigenaar) is ervoor verantwoordelijk dat het kadaver wordt verwijderd. Op grond van de Wet dieren kan de houder het dier op eigen terrein begraven, of afgeven aan een van de erkende dierencrematoria of dierenbegraafplaatsen. In dat geval gelden de bepalingen in het vierde lid niet voor de houder op grond van het zesde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de houder van die mogelijkheid geen gebruik maakt, dan moet de houder het kadaver afgeven aan degene die de inzameling daarvan doet. Deze afgifte vindt plaats uiterlijk op de eerste werkdag nadat de houder het overlijden heeft geconstateerd. Tot het moment van afgifte wordt het kadaver zodanig bewaard dat er geen vermenging met ander materiaal kan plaatsvinden (vijfde lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-360-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.60</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht handelsreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in artikel 7, vierde lid, van de Grondwet geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste gevallen is voor handelsreclame op grond van de Wabo een omgevingsvergunning bouwen nodig. In sommige gevallen kan handelsreclame niet worden aangemerkt als een bouwwerk. Ook deze vorm van reclame kan hinderlijk zijn of gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid. Voor die gevallen kan op grond van artikel 2.2, lid 1 onder h. en i. van de Wabo een vergunningsplicht worden ingevoerd door middel van een gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.60 is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsplicht geldt alleen voor handelsreclame die zichtbaar is vanaf de openbare weg, geen bouwwerk zijnde. De volgende gevallen zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame op door de overheid aangewezen plaatsen zoals algemene reclameborden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame ten behoeve van de verkoop van onroerend goed;</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame ten dienste van het openbaar vervoer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame ten behoeve van bouwwerkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-361-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.61</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsplicht is met name ingevoerd om de risico’s te beperken van handelsreclame voor de (verkeers)veiligheid en de openbare orde. Daarnaast kan handelsreclame ook hinderlijk zijn of het woon- en leefklimaat aantasten. Daarom maken een welstandstoets en een ruimtelijke afweging deel uit van het vergunningsverleningsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afleidende objecten langs snelwegen Rijkswaterstaat heeft op 21 oktober 2011 het Beleidskader “Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen” vastgesteld. De hoofdlijn voor objecten (waaronder reclame) is nu: bewegende objecten of beelden zijn niet toegestaan; de objecten of beelden mogen niet verblinden (moeten voldoen aan richtlijn lichthinder); de objecten of beelden moeten op voldoende afstand van de rijbaan zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke verordening kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip ‘weg’ of binnen de definitie van ‘openbare plaats’ als genoemd in artikel 1.1 van Bijlage I. In dat geval zal het rijksbeleidskader handvaten kunnen bieden om te bepalen of het object het verkeer in gevaar brengt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.62</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’ mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van lessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het woord ‘vergen’ is gebezigd in plaats van ‘duren’ teneinde zoveel mogelijk twijfel uit te sluiten over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is. Bij het gebruik van de term ‘vergen’ beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het eerste lid, onder b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Meerssen heeft gekozen voor een straal van 25 meter. Op basis van deze bepaling mogen er dan binnen een cirkel met een straal van dat meteraantal maximaal twee, dus geen drie, voertuigen staan. Eén van de op de weg geparkeerde voertuigen geldt als middelpunt van de cirkel. Voor eventuele volgende voertuigen die buiten deze cirkel staan, geldt opnieuw dat er maximaal twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van het meteraantal mogen staan. En zo verder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder b Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.63</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</p></div>", "next": 239648}