{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het komende kalenderjaar te verlenen subsidies landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, vast: de tarieven voor de verschillende landschapselementen als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter of stuks; de tarieven voor de monitoring van de kwaliteit van de verschillende binnen een natuurterrein gelegen landschapselementen, uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter of stuks.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.2.6 (beschikking tot subsidieverlening) Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, vermeldt in elk geval: a. het landschapselement waarvoor subsidie wordt verleend; b. de hoogte van de subsidie, én c. dat Gedeputeerde Staten gedurende de periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt een nadere uitwerking kunnen geven van de in artikel 5.1.2.3 bedoelde beheeractiviteiten die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.2.7 (ambtshalve vaststellen) 34[Toelichting: De subsidie landschapsbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het landschapselement waarvoor subsidie is verleend, en het aantal landschapselementen waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van een landschapselement gedurende de zes kalenderjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald. Dit gedeelte wordt de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (5.1.2.4, derde lid en 5.1.3.4, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld (5.1.2.7, eerste lid en 5.1.3.7, eerste lid). Als voor het beheer van een landschapselement subsidie wordt verleend, geldt gedurende de zes kalenderjaren waarvoor deze wordt verstrekt, voor ieder beheertype het tarief dat bij aanvraag van de subsidie gold. De tarieven worden dus niet jaarlijks opnieuw vastgesteld. Wel stellen gedeputeerde staten jaarlijks voor nieuw af te sluiten subsidies nieuwe tarieven vast (5.1.2.5 en 5.1.3.5). ] 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.1.3 Subsidie landschapsbeheer buiten natuurterreinen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.1 (begunstigden) 35[Toelichting: Een subsidie landschapsbeheer kan worden verstrekt voor: - landschapselementen die zijn gelegen op terreinen die zijn aangewezen als natuurterrein. De begunstigden zijn dezelfde begunstigden als zij die in aanmerking komen voor een subsidie natuurbeheer, met uitzondering van gemeenten. - Landschapselementen die zijn gelegen buiten natuurterreinen. Begunstigden zijn landbouwers die het landschapselement beheren krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Overigens geldt dat het begrip landbouwes in deze breed moet worden gezien. Ook particulieren die een landschapselement buiten natuurterreinen beheren vallen onder deze noemer. Voor beide subsidies geldt de systematiek van de peildatum: degene die op de peildatum de zeggenschap heeft over het beheer (natuurbeheer of samenwerkingsverbanden) of het beheer voert (agrarisch natuurbeheer), heeft recht op de jaarvergoeding. ] 1. Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan worden verstrekt aan een landbouwer die het landschapselement ten behoeve waarvan hij het beheerpakket landschap uitvoert of zal uitvoeren bij aanvang van de subsidie beheert krachtens een zakelijk recht of een persoonlijk recht, en voorts gedurende de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt verleend ten minste op de peildatum van ieder kalenderjaar dat landschapselement beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht is belast met of is afgeleid van een ander recht, kan slechts een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, worden verstrekt voor zover dat andere recht geen afbreuk doet aan de mogelijkheid het beheer uit te voeren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.2 (aanvraag subsidie) Een aanvraag tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, gaat vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond, waarop de landschapselementen ten behoeve waarvan het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd en een nummering van die landschapselementen zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.3 (subsidieverplichtingen) 36[Toelichting: Net als bij een subsidie natuurbeheer geldt voor een subsidie landschapsbeheer binnen natuurterreinendat de subsidieontvanger als belangrijkste subsidieverplichting een algemene beheerverplichting heeft: hij draagt er zorg voor dat alle beheeractiviteiten worden verricht die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het op het natuurterrein aanwezige landschapselement en dat geen handelingen worden verricht of gedoogd die afbreuk doen aan de instandhouding van het landschapselement. Voor de ontvangers van een subsidie landschapselementen buiten natuurterreinen gelden concrete beheervoorschriften, zoals dat ook bij subsidies agrarisch natuurbeheer het geval is. Wat betreft de achtergrond van het feit dat in het artikel gebruik wordt gemaakt van de formulering ‘draagt er zorg voor' zij verwezen naar de toelichting bij de artikelen 3.6 en 4.1.1.6. ] 1. Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b: draagt er zorg voor dat wordt voldaan aan de beheereisen die behoren bij het beheerpakket landschap waarvoor de subsidie wordt verstrekt, en dat geen handelingen worden verricht of gedoogd die daaraan afbreuk doen; draagt er zorg voor dat ten aanzien van het landschapselement ten behoeve waarvan het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd en op zijn gehele bedrijf wordt voldaan aan de voorschriften, opgenomen in: i. artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, én ii. bijlage 2 van de Beleidsregels verlagen subsidie POP2; draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met betrekking tot het landschapselement ten behoeve waarvan het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd; meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg waarvan hij redelijkerwijs niet kan voldoen aan één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen tien werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van die omstandigheden; meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de subsidieverplichtingen kan worden voldaan, en doet dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van de subsidieverplichtingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, dient uiterlijk op de peildatum van ieder kalenderjaar, middels een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier, bij Gedeputeerde Staten een aanvraag in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat kalenderjaar, waarbij de artikelen 7 en 8 van verordening (EG) nr. 1975/2006 van overeenkomstige toepassing zijn. 37[Toelichting: Ingevolge het derde lid moet een subsidieontvanger ieder jaar uiterlijk 15 mei een aanvraag indienen voor het verkrijgen van de jaarvergoeding. De jaarvergoedingen worden dus niet – zoals dat bij subsidies landschapsbeheer in natuurterreinen het geval is - ambtshalve als voorschot uitgekeerd. De aanvraag verloopt via de zogenaamde verzamelaanvraag. ] 3. In een geval als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, rust de in het tweede lid van het onderhavige artikel bedoelde verplichting op die derde voor zover deze het beheer heeft overgenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.4 (hoogte subsidie) 38[Toelichting: De subsidie landschapsbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het landschapselement waarvoor subsidie is verleend, en het aantal landschapselementen waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van een landschapselement gedurende de zes kalenderjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald. Dit gedeelte wordt de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (5.1.2.4, derde lid en 5.1.3.4, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld (5.1.2.7, eerste lid en 5.1.3.7, eerste lid). Als voor het beheer van een landschapselement subsidie wordt verleend, geldt gedurende de zes kalenderjaren waarvoor deze wordt verstrekt, voor ieder beheertype het tarief dat bij aanvraag van de subsidie gold. De tarieven worden dus niet jaarlijks opnieuw vastgesteld. Wel stellen gedeputeerde staten jaarlijks voor nieuw af te sluiten subsidies nieuwe tarieven vast (5.1.2.5 en 5.1.3.5). ] 1. Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, bedraagt de som van zes jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor het eerste kalenderjaar van de in artikel 5.1.1.2 bedoelde periode op grond van artikel 5.1.3.5, eerste lid, voor het desbetreffende beheerpakket landschap is vastgesteld, en het aantal hectares, meters of stuks waarvoor voor dat betreffende beheerpakket landschap subsidie wordt verstrekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren: beslissen Gedeputeerde Staten binnen de in artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a, genoemde termijn omtrent de hoogte van de jaarvergoeding die bij het betreffende kalenderjaar behoort, én keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes weken nadat de in onderdeel a bedoelde beslissing op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot uit aan de landbouwer die op de peildatum van het kalenderjaar waarop de jaarvergoeding betrekking heeft, beschikt over het in artikel 5.1.3.1 bedoelde zakelijk of persoonlijk recht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.5 (hoogte tarief per kalenderjaar) 39[Toelichting: De subsidie landschapsbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het landschapselement waarvoor subsidie is verleend, en het aantal landschapselementen waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van een landschapselement gedurende de zes kalenderjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald. Dit gedeelte wordt de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (5.1.2.4, derde lid en 5.1.3.4, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld (5.1.2.7, eerste lid en 5.1.3.7, eerste lid). Als voor het beheer van een landschapselement subsidie wordt verleend, geldt gedurende de zes kalenderjaren waarvoor deze wordt verstrekt, voor ieder beheertype het tarief dat bij aanvraag van de subsidie gold. De tarieven worden dus niet jaarlijks opnieuw vastgesteld. Wel stellen gedeputeerde staten jaarlijks voor nieuw af te sluiten subsidies nieuwe tarieven vast (5.1.2.5 en 5.1.3.5). ] 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het komende kalenderjaar te verlenen subsidies landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, de tarieven voor de verschillende beheerpakketten landschap vast, uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter of stuk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.6 (beschikking tot subsidieverlening) Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, vermeldt in elk geval: a. het beheerpakket landschap waarvoor subsidie wordt verleend, én b. de hoogte van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1.3.7 (ambtshalve vaststelling) 40[Toelichting: De subsidie landschapsbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het landschapselement waarvoor subsidie is verleend, en het aantal landschapselementen waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van een landschapselement gedurende de zes kalenderjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald. Dit gedeelte wordt de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (5.1.2.4, derde lid en 5.1.3.4, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld (5.1.2.7, eerste lid en 5.1.3.7, eerste lid). | Als voor het beheer van een landschapselement subsidie wordt verleend, geldt gedurende de zes kalenderjaren waarvoor deze wordt verstrekt, voor ieder beheertype het tarief dat bij aanvraag van de subsidie gold. De tarieven worden dus niet jaarlijks opnieuw vastgesteld. Wel stellen gedeputeerde staten jaarlijks voor nieuw af te sluiten subsidies nieuwe tarieven vast (5.1.2.5 en 5.1.3.5). ] 1. Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden verdaagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, omvat ook de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 5.1.3.3, tweede lid, voor zover die aanvraag betrekking heeft op het zesde en laatste kalenderjaar.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Subsidie organisatiekosten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.1 (grondslag subsidie) Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie organisatiekosten verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.2 (duur subsidie) Een subsidie organisatiekosten wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes aaneengesloten kalenderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.3 (begunstigden) Een subsidie organisatiekosten kan worden verstrekt aan een agrarische natuurvereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.4 (aanvraag subsidie) 41[Toelichting: Onderdeel van een aanvraag voor subsidie organisatiekosten is een activiteitenplan waarin de activiteiten voor het ondersteunen en stimuleren van agrarisch natuurbeheer worden beschreven.] 1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend uiterlijk 31 oktober direct voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: een beschrijving van het gebied waar de agrarische natuurvereniging agrarisch natuurbeheer ondersteunt en stimuleert; een activiteitenplan, gericht op het ondersteunen en stimuleren van agrarisch natuurbeheer, waarin ten minste voor de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd per kalenderjaar staat beschreven voor welke activiteiten subsidie wordt aangevraagd, én een begroting, waarin uitgesplitst per kalenderjaar de verwachte uitgaven en inkomsten staan beschreven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.5 (subsidieverplichtingen) De ontvanger van een subsidie organisatiekosten voert de activiteiten ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt uit conform het activiteitenplan en de daarbij behorende begroting, bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, onderdelen b en c, voor zover deze door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.6 (subsidiabele kosten) 1. Als subsidiabele kosten komen in aanmerking de noodzakelijke kosten voor de organisatie van activiteiten, gericht op: kennisbevordering, kwaliteitsborging en professionalisering van agrarisch natuurbeheer; werving en aanvraagbegeleiding van landbouwers; promotie, draagvlak en samenwerking in een gebied; monitoring en toezicht ten behoeve van de ecologische sturing in het gebied.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Subsidie wordt niet verstrekt voor activiteiten waarvoor reeds een subsidie wordt verstrekt op grond van: hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel, of hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de kosten en activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die voor vergoeding in aanmerking komen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.7 (hoogte subsidie) Een subsidie organisatiekosten bedraagt hetzij: a. ten hoogste 100 procent van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, hetzij b. een door Gedeputeerde Staten te bepalen maximumbedrag, waarbij de genoten inkomsten op de aldus bepaalde bedragen in mindering worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.8 (aanvraag tot voorschotverlening) Gedeputeerde Staten kunnen ten hoogste éénmaal per kalenderjaar op aanvraag een voorschot verlenen, waarbij dat voorschot ten hoogste 80% bedraagt van de subsidiabele kosten zoals die voor dat kalenderjaar in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde begroting zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.9 (beschikking tot subsidieverlening) Een beschikking tot verlening van een subsidie organisatiekosten vermeldt in elk geval: a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend; b. de periode waarvoor subsidie wordt verleend, én c. de maximale hoogte van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.10 (aanvraag tot subsidievaststelling) 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de subsidie organisatiekosten jaarlijks vaststellen voor dat gedeelte dat ziet op de in het voorgaande kalenderjaar gemaakte subsidiabele kosten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk acht weken na afloop van het in dat lid bedoelde kalenderjaar ingediend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als een subsidieontvanger geen of slechts gedeeltelijk aanvragen als bedoeld in het eerste lid heeft ingediend, wordt door hem uiterlijk acht weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend voor de periode waarover nog geen subsidievaststelling heeft plaatsgevonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten, de betalingsbewijzen daarvan, de daadwerkelijk genoten inkomsten en een verslag van de uitgevoerde activiteiten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Wijziging en intrekking</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.1 (overmacht) 42[Toelichting: Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kunnen een reden zijn om subsidie te beëindigen. De voorschriften inzake overmacht en uitzonderlijke omstandigheden zijn bij subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer binnen natuurterreinen iets soepeler dan bij subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen en probleemgebiedensubsidies (zie het eerste en tweede lid). Voor subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer binnen natuurterreinen zijn de termen overmacht en onvoorziene omstandigheden niet nader ingevuld, voor subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen en probleemgebiedensubsidies is dat wel het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorsprong van dit verschil is gelegen in het feit dat subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen en probleemgebiedensubsidies, in elk geval gedeeltelijk, onderdeel vormen van het plattelandsontwikkelingsprogramma. In het Nederlands plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP) staat opgenomen dat Nederland als overmacht of uitzonderlijke omstandigheden beschouwd de in artikel 47, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006 bedoelde gevallen. Dit zijn: overlijden of arbeidsongeschiktheid van de subsidieontvanger, onvoorzienbare onteigening van een gedeelte van het bedrijf, ernstige natuurrampen, het door een ongeluk tenietgaan van een veehouderijbedrijf of een epizoötie die de veestapel van de landbouwer geheel of gedeeltelijk treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Europese voorschriften mag in dergelijke gevallen de subsidie worden ingetrokken zonder dat het subsidiebedrag geheel of gedeeltelijk moet worden teruggevorderd. De Europese voorschriften zijn op grond van het POP enkel van toepassing op subsidies die in het kader van het POP worden verstrekt. Dit betreft een gedeelte van de subsidies agrarisch natuurbeheer (niet zijnde regionaal maatwerk, zie bijlage 3, onderdeel B, onder 2), en een gedeelte van de subsidies landschapsbeheer (subsidies verstrekt aan begunstigden als bedoeld in artikel 5.1.1.1, onderdeel b). Niet alle gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden zullen leiden tot beëindiging van de subsidie. Op grond van het derde lid honoreren gedeputeerde staten het verzoek tot beëindiging als de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden van dien aard zijn dat het doel van de subsidie niet kan worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat gevallen van tijdelijke overmacht of tijdelijke onvoorziene omstandigheden niet per definitie leiden tot beëindiging van de subsidie. Gedeputeerde staten zullen dus bij verzoeken op basis van het eerste of tweede lid steeds een afwezig moeten maken: heeft het - in het licht van de doelstelling van de subsidie - zin de subsidie voort te zetten of niet (vierde lid). ] 1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, kan, indien sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, een aanvraag indienen tot wijziging of intrekking van de betreffende beschikking tot subsidieverlening vanaf het moment dat de overmacht zich voordoet of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, probleemgebiedensubsidie of subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan, als sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1974/2006, een aanvraag indienen tot wijziging of intrekking van de betreffende beschikking tot subsidieverlening vanaf het moment dat de overmacht zich voordoet of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid honoreren en de betreffende subsidie naar evenredigheid vaststellen, als de overmacht of uitzonderlijke omstandigheden van dien aard is, respectievelijk zijn, dat het doel van de betreffende subsidie niet of niet meer kan worden behaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid afwijzen en de betreffende subsidie ongewijzigd voortzetten als de overmacht of uitzonderlijke omstandigheden van dien aard is, respectievelijk zijn, dat het doel van de betreffende subsidie alsnog kan worden behaald en de ontvanger van de betreffende subsidie zich ertoe bereid heeft verklaard de subsidieverplichtingen weer na te zullen leven zodra de overmacht is, respectievelijk de uitzonderlijke omstandigheden zijn, geëindigd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.2 (overlijden subsidieontvanger) 43[Toelichting: In geval van overlijden zullen de zesjarige subsidies natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer of subsidies agrarisch natuurbeheer in de regel worden vastgesteld met ingang van de datum van overlijden van de begunstigde. Echter, als de rechtsopvolger onder algemene titel de rechten en verplichtingen die behoren bij de subsidie voor de resterende looptijd wil overnemen, is dat onder voorwaarden mogelijk. Als een verzoek daartoe niet binnen zes maanden na het overlijden van de begunstigde bij gedeputeerde staten is ingediend, trekken gedeputeerde staten de subsidie in. ] 1. Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer overlijdt, kan diens rechtsopvolger onder algemene titel binnen 24 weken na het overlijden een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de overname van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten trekken de beschikking tot subsidieverlening met ingang van de datum van het overlijden in en stellen de subsidie ambtshalve naar evenredigheid vast als er binnen de in het eerste lid genoemde termijn geen aanvraag als bedoeld in dat lid is ingediend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening overeenkomstig het eerste lid wijzigen als de rechtsopvolger aangemerkt kan worden als begunstigde voor de betreffende subsidie, tenzij de oorspronkelijke subsidieontvanger een gecertificeerde begunstigde was en de rechtsopvolger dit niet is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen, in afwijking van de artikelen 3.7, 3.10, 4.1.1.7, 4.1.1.10, 4.1.2.4, 4.2.9, 5.1.2.4, 5.1.2.7, 5.1.3.4 en 5.1.3.7, de verstrekking dan wel betaling van een jaarvergoeding of de vaststelling van een subsidie opschorten tot vier weken na de dag waarop de termijn, genoemd in het eerste lid, is verstreken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.3 (overdracht aan andere beheerder) 44[Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.3 gaat over de overdracht van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan subsidies natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer of subsidies agrarisch natuurbeheer in verband met overdracht van grond. Voor subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer binnen natuurterreinen geldt dat een verzoek tot overdracht van deze rechten en verplichtingen kan worden ingediend als de zeggenschap krachtens een van de in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, of 5.1.2.1, eerste lid, genoemde rechten overgaat (eerste lid). Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer buiten natuurterreinen geldt dat een verzoek tot overdracht van deze rechten en verplichtingen kan worden ingediend als het beheer over de landbouwgrond of de landschapselementen wordt overgedragen (tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies behoeven niet te worden overgedragen als de zeggenschap over het beheer (natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer) tijdelijk overgaat en deze tijdelijke overgang valt buiten de peildatum van 15 mei. Zodra de overdracht wel de peildatum van 15 mei van een van de kalender- of beheerjaren behelst, heeft de begunstigde geen recht meer op de jaarbetaling (zie begunstigdenbegrip art. 3.3, art 4.1.1.3, art 5.1.2.1 en 5.1.3.1). Hij is er dan dus bij gebaat de subsidie over te dragen aan degene die wel als begunstigde kan worden aangemerkt. Voor subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer binnen natuurterreinen moet de overdracht uiterlijk 1 juli worden aangevraagd (derde lid). Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer buiten natuurterreinen moet de jaarbetaling via de verzamelaanvraag uiterlijk 15 mei van een beheerjaar worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen toetsen of de verzamelaanvraag correct is gedaan, en degene die de jaarbetaling aanvraagt ook recht heeft op de jaarbetaling, moeten mutaties voor subsidies agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer buiten natuurterreinen uiterlijk op de peildatum worden doorgegeven (zie vierde lid). || Het moment dat de rechten en verplichtingen daadwerkelijk overgaan van de oorspronkelijke subsidieontvanger naar de nieuwe, is afhankelijk van het moment waarop de zeggenschap over het beheer of het beheer over wordt gedragen. Vindt de overdracht plaats na de peildatum maar nog binnen het kalenderjaar of beheerjaar, dan is de subsidieontvanger op grond van zijn subsidieverplichtingen (draagt zorg voor) gedurende dat kalenderjaar of beheerjaar nog verantwoordelijk voor de uitvoering van het beheer en de overige subsidieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij zal civielrechtelijk kunnen regelen dat de subsidieverplichtingen worden nageleefd. De subsidie gaat dan ook pas over vanaf aanvang van het nieuwe kalenderjaar of beheerjaar. Vindt de overdracht plaats lopende het kalenderjaar of beheerjaar, maar nog voor de peildatum, dan gaat de subsidie over vanaf het moment van overdracht, namelijk het moment dat de nieuwe subsidieontvanger als begunstigde geldt: de nieuwe subsidieontvanger heeft immers op de peildatum van dat kalenderjaar de zeggenschap over het beheer van het natuurterrein of de landschapselementen of beheert op het peilmoment de landbouwgrond of de landschapselementen. De subsidieverplichtingen blijven dan dus tot het moment van overdracht liggen bij de oorspronkelijke begunstigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit omdat de nieuwe begunstigde geen invloed heeft op de activiteiten die de oorspronkelijke subsidieontvanger uitvoert voor de overdracht. ] 1. Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, de zeggenschap over het beheer overdraagt aan een derde, waardoor hij op de peildatum van een kalenderjaar niet kan worden aangemerkt als begunstigde, dan kan hij tezamen met die derde een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of gedeeltelijke overname door die derde van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, het beheer overdraagt aan een derde, waardoor hij op de peildatum van een beheerjaar respectievelijk kalenderjaar niet kan worden aangemerkt als begunstigde, dan kan hij tezamen met die derde een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of gedeeltelijke overname door die derde van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk 15 augustus van het betreffende kalenderjaar gedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt uiterlijk op de peildatum van het betreffende beheerjaar respectievelijk kalenderjaar gedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening overeenkomstig het eerste of tweede lid wijzigen als de derde aangemerkt kan worden als begunstigde voor de betreffende subsidie, tenzij de oorspronkelijke subsidieontvanger een gecertificeerde begunstigde was en de derde dit niet is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Onverminderd het vijfde lid honoreren Gedeputeerde Staten een aanvraag als bedoeld in het eerste lid niet met betrekking tot het gedeelte van een subsidie natuurbeheer dat ziet op de toeslag, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel b, voor zover de derde niet in staat is de aan die toeslag verbonden verplichtingen na te leven, maar stellen zij ambtshalve het betreffende deel van de subsidie naar evenredigheid vast.</div>\n<p class=\"lf-p\">7.Onverminderd het vijfde lid honoreren Gedeputeerde Staten, indien er sprake is van een gedeeltelijke overdracht van een natuurterrein, een landschapselement, een beheereenheid of een beheerpakket landschap, een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid slechts indien zowel het overgedragen deel als het resterende deel voldoen aan de eisen van het desbetreffende natuurbeheertype, onderscheidenlijk de instapeisen van het desbetreffende landschapbeheertype, agrarisch beheerpakket of beheerpakket landschap.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Een wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het vijfde lid treedt in werking met ingang van het kalenderjaar respectievelijk beheerjaar waarin de derde op de peildatum als begunstigde aangemerkt kan worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.4 (overdracht aan Staatsbosbeheer, TBO of BBL) 45[Toelichting: In artikel 44, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006 staat verwoord onder welke voorwaarden de agromilieuverbintenissen voortijdig mogen worden beëindigd zonder dat de inmiddels betaalde jaarvergoedingen moeten worden terugbetaald. Deze voorwaarden zijn van toepassing op subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen. Op grond van artikel 44, tweede lid, onderdeel a, is voortijdige beëindiging toegestaan als de begunstigde al een belangrijk gedeelte van de verbintenis heeft uitgevoerd en als zijn landbouwactiviteiten definitief beëindigd zijn en als overname van de subsidie niet haalbaar is. ] 1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer kan, als hij de zeggenschap over het beheer of het beheer geheel of gedeeltelijk overdraagt aan Staatsbosbeheer, het Bureau beheer landbouwgronden of een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties zoals dat artikel tot 1 januari 2008 luidde, een aanvraag indienen tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening inzake agrarisch natuurbeheer of landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van overdracht slechts geheel of gedeeltelijk intrekken en naar evenredigheid vaststellen, als voldaan is aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 44, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EG) nr. 1974/2006.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.5 (wijziging subsidie ivm vergroting areaal) 46[Toelichting: Artikel 7.5 biedt de mogelijkheid om het natuurterrein, de landbouwgrond of de landschapselementen waarop een subsidie natuurbeheer, landschapsbeheer of agrarisch natuurbeheer ziet, uit te breiden. Deze mogelijkheid is echter beperkt: de uitbreiding moet leiden tot een verhoging van jaarvergoeding van ten minste €50,-. Achtergrond van deze beperking is onder andere de beheersing van uitvoeringskosten. Voor agrarisch natuurbeheer en agrarisch landschapsbeheer buiten natuurterreinen is het tevens een uitvoering van artikel 45 van verordening (EG) nr. 1974/2006. Daar staat onder andere dat vergroting van het terrein alleen mag zijn toegestaan als dat gunstig is voor de betrokken maatregel, als het gerechtvaardigd is vanuit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de omvang van de oppervlakte. Tegen deze achtergrond is de maximale uitbreiding beperkt en is de uitbreiding slechts eenmaal per jaar toegestaan. ] 1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer kan éénmaal per kalenderjaar onderscheidenlijk beheerjaar een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar of beheerjaar, gericht op de vergroting van het areaal waarvoor subsidie wordt verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie natuurbeheer naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als die wijziging leidt tot een verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per kalenderjaar. De artikelen 1.3, eerste lid, 3.3, 3.4 en 3.5 zijn van overeenkomstige toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als: de vergroting niet meer dan twee hectare bedraagt en evenmin meer dan 10% van het areaal landbouwgrond waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én de wijziging leidt tot een verhoging van de jaarbetaling van ten minste €50,- per beheerjaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.3, eerste lid, 4.1.1.3, 4.1.1.4 en 4.1.1.5 zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de in de agrarische beheerpakketten opgenomen eis ten aanzien van de minimale oppervlakte van de beheereenheid voor zover het areaal landbouwgrond waarop de aanvraag tot wijziging ziet grenst aan landbouwgrond waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én op de beide aldus aanééngrenzende arealen eenzelfde agrarisch beheerpakket zal worden uitgevoerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als die wijziging leidt tot een verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per kalenderjaar. De artikelen 1.3, eerste lid, 5.1.1.3, 5.1.2.1, en 5.1.2.2 zijn van overeenkomstige toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening inzake landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als: de vergroting niet meer dan twee hectare bedraagt en evenmin meer dan 10% bedraagt van het aantal hectares, meters of stuks waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én de wijziging leidt tot een verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per kalenderjaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.3, eerste lid, 5.1.1.3, 5.1.3.1 en 5.1.3.2 zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de in de beheerpakketten landschap opgenomen eis ten aanzien van de minimale oppervlakte van het landschapselement voor zover het beheerpakket landschap waarop de aanvraag tot wijziging ziet betrekking heeft op een landschapselement dat grenst aan een landschapselement waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én dat ten behoeve van de beide aldus aanééngrenzende landschapselementen eenzelfde beheerpakket landschap zal worden uitgevoerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Als een in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op het vergroten van het areaal waarvoor een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch beheer wordt verstrekt: is het derde lid, onderdeel a, niet van toepassing en artikel 4.1.1.4 niet van overeenkomstige toepassing; is er slechts sprake van een aanvraag als bedoeld in het onderhavige artikel voor zover de extra oppervlakte de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a, voor het betreffende gebied overschrijdt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>In afwijking van de artikelen 3.7, tweede lid, 5.1.2.4, tweede lid en 5.1.3.5, eerste lid wordt, indien Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening op grond van een in het eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag wijzigen, de uit die wijziging voortvloeiende verhoging van de subsidie en jaarvergoedingen gebaseerd op de tarieven die golden in het kalender- respectievelijk beheerjaar waarin de aanvraag is ingediend zoals die luidde vóórdat voor het eerst een aanvraag tot wijziging van de betreffende beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid is ingediend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.6 (wijziging subsidie ivm verkleining) 47[Toelichting: Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen zijn de mogelijkheden voor verkleining van het areaal, waarvoor subsidie ontvangen wordt, beperkt overeenkomstig artikel 45, vierde lid, van verordening (EG) 1974/2006. Dat artikel staat toe dat in geval van herverkaveling of ruilverkaveling van overheidswege of in geval van ruilverkaveling die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, de subsidie voortijdig wordt beëindigd zonder dat de reeds betaalde jaarvergoedingen worden terugbetaald. ] 1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, kan een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie indienen met het oog op de verkleining van het areaal waarvoor de subsidie wordt verstrekt, als die verkleining het gevolg is van de realisatie van een werk van algemene nutte.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie indienen, als hij als gevolg van omstandigheden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 de subsidieverplichtingen niet langer kan nakomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten trekken de desbetreffende subsidie voor het betreffende deel in en stellen haar naar evenredigheid vast als voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.7 (beëindiging subsidie natuurbeheer ivm wijziging natuurbeheertype) 1. Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer kan een aanvraag indienen tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid intrekken vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, en de subsidie naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen, als: de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan; de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte bescherming van de natuur, én de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar na afronding van de inrichtingsmaatregelen, bedoeld in artikel 11 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige verordening heeft aangevraagd en ontvangt. De hiervóór bedoelde subsidieaanvraag wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 14c van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien een subsidieontvanger subsidie ontvangt op grond van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, tweede volzin, en de beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de in het tweede lid, onderdeel c, eerste volzin, bedoelde instandhoudingsplicht weer van toepassing tot de termijn van zes jaar na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.8 (wijziging baseline) 48[Toelichting: Op grond van de Europese voorschriften zijn agromilieuverbintenissen (subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen) subsidies met een bovenwettelijk karakter: er wordt geen subsidie gegeven voor zaken die wettelijk al verplicht zijn, maar er wordt subsidie gegeven ter stimulering van zaken die niet wettelijk verplicht zijn. Alleen voor bovenwettelijke activiteiten mag subsidie worden toegekend. Wijziging van het wettelijk kader kan gevolgen hebben voor de vergoedingsmarge: wat tot op heden bovenwettelijk was, kan met de introductie van nieuwe wettelijke bepalingen een wettelijk voorschrift worden. Als dat zich voordoet, moet de subsidie worden aangepast. Omdat een subsidieontvanger niet kan worden verplicht een subsidie onder minder gunstige voorwaarden te accepteren, biedt het tweede lid de ruimte om de subsidie te beëindigen zonder dat de reeds betaalde jaarvergoedingen worden teruggevorderd. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, wijzigen als dit ingevolge artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 noodzakelijk is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, intrekken met ingang van het moment waarop zich de situatie als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 voordoet en de subsidie naar evenredigheid ambtshalve vaststellen als de subsidieontvanger een wijziging ingevolge het eerste lid niet aanvaardt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.9 (wijziging activiteiten organisatiekosten ) 1. Een ontvanger van een subsidie organisatiekosten kan jaarlijks een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk op 31 oktober voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de wijziging wordt aangevraagd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een onderbouwing van de wijziging; een gewijzigd activiteitenplan, én een gewijzigde begroting.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Certificering</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.1 Certificering</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.1 (bevoegdheid tot certificering) 1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag afgeven: een certificaat natuurbeheer; een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer; een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de in artikel 8.1.7 bedoelde stichting, met dien verstande dat een dergelijke aanvraag niet vóór 15 november 2010 ingediend kan worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.2 (wie kunnen worden gecertificeerd) 1. Voor een certificaat natuurbeheer komen in aanmerking begunstigden als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, onderdeel a, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel a.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer komen in aanmerking begunstigden als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, onderdeel b, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer komen in aanmerking rechtspersonen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.3 (certificeringsvoorwaarden) Gedeputeerde Staten kunnen een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat afgeven als is voldaan aan de voorwaarden, opgenomen in het corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen Kwaliteitshandboek Natuurbeheer, zoals dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en gepubliceerd in het Provinciaal Blad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.4 (aan certificering verbonden verplichtingen) Een houder van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat: a. draagt er zorg voor dat hij blijft voldoen aan de certificeringsvoorwaarden die behoren bij het aan hem afgegeven certificaat; b. draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.5 (schorsing en intrekking certificaat) 1. Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat voor een door hen te bepalen termijn schorsen als de houder van het certificaat niet voldoet aan één of meerdere certificeringsvoorwaarden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat intrekken als: na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de houder van het certificaat nog steeds niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde; blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, de houder van het certificaat opnieuw niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde; de houder van het certificaat opzettelijk een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie, bedoeld in de artikelen 3.1, 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, of 6.1, of willens en wetens heeft meegewerkt aan het indienen van een onjuiste aanvraag ter verkrijging door een landbouwer van een in artikel 4.1.2.4 bedoelde toeslag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De certificering wordt niet geschorst of ingetrokken als het niet voldoen aan de betreffende certificeringsvoorwaarde het gevolg is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.6 (rechtsgevolgen intrekking certificaat) 49[Toelichting: Als gedeputeerde staten een certificaat van een subsidieontvanger intrekken, is de subsidieontvanger niet langer gerechtigd de subsidie te blijven ontvangen onder de voorwaarden die gelden voor gecertificeerde begunstigden. Daarom trekken gedeputeerde staten de subsidie in beginsel in, tenzij de begunstigde aangeeft de subsidie te willen blijven ontvangen onder de voorwaarden die gelden voor niet gecertificeerde begunstigden. Dit betekent dat de subsidieontvanger alsnog de gegevens moet verstrekken die zijn vereist op artikel 3.4, eerste en tweede lid. ] 1. Als Gedeputeerde Staten een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer intrekken dat is afgegeven aan: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, respectievelijk een samenwerkingsverband dat, een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, ontvangt, wordt met ingang van de datum van intrekking van het certificaat de beschikking dan wel de beschikkingen tot verlening van die subsidie of subsidies ingetrokken, waarbij die subsidie of subsidies naar evenredigheid worden vastgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing als de voormalig gecertificeerde begunstigde binnen acht weken na de datum van intrekking van het certificaat verzoekt de betreffende subsidieverlening met ingang van die datum te wijzigen in een subsidieverlening op basis van de rechten en plichten zoals die voor niet-gecertificeerde begunstigden gelden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als Gedeputeerde Staten een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer intrekken, draagt de voormalig gebiedscoördinator zijn werkzaamheden en de daarop betrekking hebbende stukken in goede orde over aan een door Gedeputeerde Staten aangewezen gebiedscoördinator of ambtenaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.1.7 (mandaat Stichting) 1. Besluiten tot het afgeven, schorsen of intrekken van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat worden namens Gedeputeerde Staten genomen door het bestuur van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 11.1 wordt het toezicht op de naleving van de aan het betreffende certificaat verbonden certificeringsvoorwaarden namens Gedeputeerde Staten uitgeoefend door het bestuur van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.2 Subsidie certificeringskosten [Vervallen]</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Collectief beheerplan</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9.1 (aanvraag vaststelling collectief beheerplan of wijziging daarvan) Een gebiedscoördinator kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen tot vaststelling van: a. een collectief beheerplan; b. een wijziging van een op grond van artikel 9.2 vastgesteld collectief beheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9.2 (goedkeuring collectief beheerplan of wijziging daarvan) 50[Toelichting: Dit artikel biedt de ruimte om een collectief beheerplan jaarlijks te wijzigen / aan te passen op basis van ecologische en bedrijfseconomische redenen (eerste lid). Het tweede lid biedt de mogelijkheid om tot 1 februari nog kleine wijzigingen door te voeren. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen een collectief beheerplan dan wel een wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan vaststellen als: de aanvraag tot vaststelling is ingediend door een gebiedscoördinator die het beheer in het betreffende gebied coördineert; de aanvraag tot vaststelling uiterlijk op 15 december voorafgaand aan een beheerjaar is ingediend; het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan past binnen het natuurbeheerplan zoals dat zes weken vóór indiening van de in artikel 9.1 bedoelde aanvraag geldt, én het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel B.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een aanvraag als bedoeld in het eerste lid tot uiterlijk 1 februari van een beheerjaar worden aangepast, voor zover in die aangepaste aanvraag in vergelijking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag: geen nieuwe begunstigden zijn opgenomen, tenzij: i. het een geval van overdracht van een subsidie agrarisch natuurbeheer als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, betreft, én ii. de overgedragen subsidie agrarisch natuurbeheer werd verstrekt in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer; geen vergrotingen van het areaal als bedoeld in artikel 7.5, derde lid, zijn opgenomen die de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a, overstijgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid dient een aanpassing als bedoeld in dat lid in overeenstemming te zijn met de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel B.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10 Verlaging jaarvergoeding en subsidies</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.1 (niet-naleving subsidieverplichtingen) 51[Toelichting: Dit artikel geeft voor subsidies natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer, subsidies agrarisch natuurbeheer en probleemgebiedensubsidies de kaders voor het verlagen van de jaarlijks uit te betalen voorschotten (jaarbetalingen) en het vast te stellen totale subsidiebedrag. Uitgangspunt zal zijn dat aan het einde van een kalenderjaar of beheerjaar zoveel mogelijk dat jaar wordt afgesloten. Dit betekent dus dat niet alleen aan het einde van de subsidieduur een besluit wordt genomen over het al dan niet verlagen van de subsidie, maar in beginsel aan het einde van ieder kalenderjaar of beheerjaar. Voor natuurbeheer of landschapsbeheer op natuurgrond vindt een eventuele verlaging plaats op basis van door GS vastgesteld beleidsregels. Voor agrarisch natuur en landschapsbeheer buiten natuurterreinen hangt de verlaging samen met de Europese voorschriften die gelden voor agromilieuverbintenissen. Deze moeten jaarlijks worden uitbetaald (zie artikel 39, vierde lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005 en punt 51 van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013). Alleen in geval van zeer ernstige overtredingen zullen reeds betaalde voorschotten worden teruggevorderd. ] 1. Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie verbonden verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 3.7, tweede lid en 5.1.2.4, tweede lid, overeenkomstig de Beleidsregels verlagen subsidie POP2 van 7 juni 2010.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie of toeslag verbonden verplichtingen, niet zijnde de in artikel 10.2 bedoelde verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten: de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede lid, en 5.1.3.4, tweede lid; de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid; het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld, overeenkomstig: i. artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 indien de omvang van het uitgevoerde agrarisch beheerpakket, het uitgevoerde beheerpakket landschap of de oppervlakte van de landbouwgrond waarop wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan een de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, of een probleemgebiedensubsidie, kleiner is dan de omvang waarvoor die subsidie of toeslag is verleend; ii. artikel 18 van Verordening 1975/2006 en, voor zover ruimte resteert voor de toepassing daarvan, de Beleidsregels verlagen subsidie POP2, indien de niet-naleving een andere verplichting betreft als bedoeld onder i. of in artikel 10.2, voor zover het een in de aanhef bedoelde subsidie betreft die gedeeltelijk wordt gefinancierd met Europese middelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De in het tweede lid, onder i. en ii. genoemde artikelen en beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in de aanhef van het tweede lid die niet geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese middelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bij de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder i, wordt door Gedeputeerde Staten rekening gehouden met het bepaalde in artikel 66 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van de minister, zoals dat artikel vanaf 1 januari 2010 luidt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.2 (niet-naleving randvoorwaarden) 52[Toelichting: Voor de subsidie agrarisch natuurbeheer, probleemgebiedensubsidie en subsidie landschapsbeheer buiten natuurterreinen geldt als subsidievoorwaarde dat de randvoorwaarden gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden nageleefd. Uit de Europese voorschriften inzake plattelandsontwikkelingssteun (verordening 1975/2006) volgt dat bij niet naleving van de randvoorwaarden in een kalenderjaar de betalingen (bij probleemgebiedensubsidie) of de jaarvergoedingen (bij subsidies agrarisch natuurbeheer of landschapsbeheer buiten natuurterreinen) die in dat kalenderjaar worden gedaan of betaald, moet worden verlaagd. De uitgangspunten die gelden voor de hoogte van de verlaging zijn identiek aan de voorschriften die gelden voor subsidie verleend in het kader van de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB van de Minister van LNV. Omdat de Europese voorschriften uitgaan van één kortingensystematiek, zijn de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB van overeenkomstige toepassing verklaard op het niet naleven van de randvoorwaarden GLB in het kader van onder deze verordening vallende subsidies. Ook al worden niet alle subsidies agrarisch natuurbeheer, probleemgebiedensubsidies en subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen betaald met Europese middelen, toch zijn de randvoorwaarden van toepassing en wordt ook het kortingenkader zoals dat voor Europese subsidie geldt, van overeenkomstige toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit omdat het niet wenselijk is om subsidieontvangers, die gelijke soorten subsidies ontvangen onder gelijke subsidievoorwaarden, verschillend te behandelen. Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer buiten natuurterreinen die onderdeel uitmaken van het plattelandsontwikkelingsprogramma (zie bijlage 4, onderdeel B) gelden nog enkele aanvullende randvoorwaarden. De kortingensystematiek die voor overtredingen van deze aanvullende randvoorwaarden gelden, is neergelegd in het derde lid. ] 1. Gedeputeerde Staten verlagen: de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede lid, en 5.1.3.4, tweede lid; de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid; het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld, overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 en, voor zover ruimte resteert voor de toepassing daarvan, de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB, als de ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, in dat beheerjaar of kalenderjaar niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel c, bijlage 7, onderdeel C, subonderdeel 1 dan wel 2, artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel b.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie agrarisch natuurbeheer, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, die niet gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese middelen, voor zover niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel b.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>[vervallen].</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.3 (niet-nalevingen en overdracht) 53[Toelichting: Dit artikel ziet op de situatie waarin op grond van artikel 7.3, zevende lid, de subsidie wordt overgedragen gedurende een beheerjaar of kalenderjaar, maar vóór de peildatum. In dat geval gaat de subsidie over vanaf het moment dat de grond wordt overgedragen. Als de oorspronkelijk begunstigde gedurende de periode van het betreffende kalenderjaar of beheerjaar een overtreding van de randvoorwaarden heeft begaan, kan deze overtreding worden toegerekend aan de nieuwe begunstigde die op de peildatum van dat kalenderjaar of beheerjaar begunstigde is. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat overtredingen begaan in enig kalenderjaar of beheerjaar niet door de overdracht zonder gevolgen blijven. ] 1. Als een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig artikel 7.3, eerste lid, is overgedragen aan een derde, wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als aan de verplichting niet is voldaan door de oorspronkelijke subsidieontvanger.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, overeenkomstig artikel 7.3, tweede lid, is overgedragen aan een derde, wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als aan de verplichting niet is voldaan door de oorspronkelijke subsidieontvanger.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.4 (gevallen van overmacht en onvoorziene omstandigheden) [Vervallen] Artikel 10.5 (gevolgen niet-nalevingen voor de subsidievaststelling) Bij de vaststelling van de subsidies, bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2, houden Gedeputeerde Staten rekening met verlagingen die ingevolge die artikelen zijn opgelegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11 Controle</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11.1 (toezicht op naleving subsidieverplichtingen) 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze subsidieregeling zijn debij besluit van Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaren belast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.1 (intrekken PSN en PSAN) 54[Toelichting: Het nieuwe stelsel treedt gefaseerd in werking. Per 1 januari 2010 treden de onderdelen agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer buiten natuurterreinen van deze regeling in werking, evenals de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschapsbeheer. Subsidies voor natuurbeheer worden hangende de staatssteungoedkeuring vooralsnog via de PSN verleend. ] 1. De Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel en de hoofdstukken 5 en 6 van de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel wordt, voor zover in het eerste lid niet anders is bepaald, ingetrokken op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.2 (uitdienen onder bestaande voorwaarden) 1. Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel en de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel blijven in stand.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de regelingen, genoemd in het eerste lid, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze subsidieregeling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste en het tweede lid zijn slechts van toepassing voor zover de beschikking tot subsidieverlening op grond van de in die leden genoemde regelingen niet overeenkomstig artikel 12.3 is gewijzigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van het onderhavige artikel respectievelijk artikel 34, tweede lid, van de Regeling inrichting landelijk gebied van de minister, is artikel 66 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van de minister, zoals dat artikel vanaf 1 januari 2010 luidt, van overeenkomstige toepassing voor zover subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van één of meerdere beheerspakketten zoals opgenomen in: de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel, respectievelijk de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister, voor zover de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen op grond van artikel 4 van de Regeling inrichting landelijk gebied van de minister door Gedeputeerde Staten zijn overgenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.3 (vrijwillig overstappen mogelijk) 55[Toelichting: Subsidies verstrekt onder een provinciale Subsidieregeling natuurbeheer of een provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer kunnen onder voorwaarden worden omgezet naar een op grond van deze regeling te verstrekken subsidie. De omzetting moet op grond van het natuurbeheerplan zijn toegestaan. Tevens moet worden voldaan aan de voorwaarden opgenomen in artikel 27, 12e lid van (EG) Verordening 1974/2006. ] 1. Een ontvanger van één of meerdere subsidies op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer van de provincie Overijssel of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen tot omzetting van die subsidies in één subsidie op basis van de onderhavige verordening, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de aanvraag heeft betrekking op alle beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid genoemde regelingen; voor het basis-, plus- of landschapspakket bestaat een equivalent natuurbeheertype onderscheidenlijk landschapselement als bedoeld in de onderhavige verordening; de omzetting is in overeenstemming met het natuurbeheerplan en de voorwaarden van de onderhavige verordening; de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode voor het begrotingsjaar 2011, én de omzetting geschiedt voor een geheel nieuwe periode als bedoeld in artikel 3.2 onderscheidenlijk artikel 5.1.1.2, waarbij die periode slechts kan ingaan op 1 januari 2011.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of artikel 5 van de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel, kan de ontvanger van die subsidie slechts een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen voor zover: hij aangemerkt kan worden als een samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, of artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b; hij dit schriftelijk is overeengekomen met de betreffende beheerder, én in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag betrekking heeft op alle beheerseenheden van de in onderdeel b van het onderhavige lid bedoelde beheerder die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid genoemde regelingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een beheerder als bedoeld in het tweede lid kan voor de door hem beheerde beheerseenheden een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen, mits: hij dit schriftelijk is overeengekomen met de ontvanger van de betreffende subsidie, én onverminderd de verdere voorwaarden in het eerste lid, de aanvraag betrekking heeft op al zijn beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt verleend op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het eerste tot en met derde lid een in het eerste lid bedoelde aanvraag indient voor een in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel opgenomen landschapselement dat wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 56 van die regelingen, dan dient dat raster eveneens in de in het eerste lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een ontvanger van een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen tot wijziging van die beschikking tot subsidieverlening, inhoudende het voor de resterende looptijd van de beschikking tot subsidieverlening vervangen van de rechten en verplichtingen die behoren bij de betreffende subsidie door de rechten en verplichtingen die, op grond van de onderhavige verordening, behoren bij een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het vijfde lid een in dat lid bedoelde aanvraag indient voor een in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel opgenomen landschapselement dat wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 46 van die regeling, dan dient dat raster eveneens in de in het vijfde lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het vijfde lid met ingang van 1 januari 2012 wijzigen als: de beheerseenheden in hun geheel binnen de provincie liggen; de wijziging in overeenstemming is met het natuurbeheerplan en bijlage 8, alsmede de overige voorwaarden van de onderhavige verordening, én de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode voor het begrotingsjaar 2012.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>In afwijking van het eerste respectievelijk vijfde lid: kunnen beheerders als bedoeld in artikel 21 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, artikel 18 van de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel respectievelijk artikel 24 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de provincie Overijssel geen aanvragen als bedoeld in het eerste respectievelijk vijfde lid indienen; kan, indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in artikel 5 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel, niet de ontvanger van de betreffende subsidie, maar de in die bepaling bedoelde beheerders, elk voor de door hem beheerde beheerseenheden, de in het vijfde lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag indienen, mits: zij dit schriftelijk overeenkomen met de ontvanger van de betreffende subsidie, én, onverminderd de verdere voorwaarden in het zevende lid, de aanvraag betrekking heeft op al zijn beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen in een besluit als bedoeld in artikel 1.3 opnemen dat de omzetting danwel wijziging van de beschikking tot subsidieverlening zoals bedoeld in het onderhavige artikel voor bepaalde basis-, plus-, beheers- of landschapspakketten, categorieën van begunstigden of gebieden is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.4 (langere subsidieperiode) 56[Toelichting: Wanneer subsidies verstrekt onder een provinciale Subsidieregeling natuurbeheer, een provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de Minister van LNV of de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de Minister van LNV aflopen, kunnen begunstigden een subsidie aanvragen onder deze regeling. Nu kan het zo zijn dat het jaarritme van de oude subsidie en de nieuwe subsidie niet gelijk loopt. Zo kan het voorkomen dat de ene subsidie in bijvoorbeeld oktober afloopt terwijl de nieuwe subsidie ingaat per 1 januari. Gedeputeerde staten kunnen in die gevallen de nieuw aangevraagde subsidie verlenen voor zes jaar én de maanden die liggen tussen het einde van de oude subsidie en de ingang van de nieuwe subsidie. ] Als een begunstigde na de einddatum van een subsidie op grond van: a. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijsel; b. de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister; c. de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel; d. de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister; een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer wenst te ontvangen, kunnen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidie slechts verstrekken als: i. in afwijking van de artikelen 3.2, 4.1.1.2 en 5.1.1.2, de begunstigde zich ertoe verbindt de aan de subsidie natuurbeheer, de subsidie agrarisch natuurbeheer of de subsidie landschapsbeheer verbonden verplichtingen eveneens te zullen naleven gedurende de periode, gelegen tussen de einddatum van de subsidie op grond van de hiervoor genoemde regelingen en de datum waarop de subsidie natuurbeheer, de subsidie agrarisch natuurbeheer of de subsidie landschapsbeheer zou zijn ingegaan indien geen verlenging van die periode zou hebben plaatsgevonden; ii. het beheer dat op grond van de onderhavige subsidieregeling gevoerd wordt een voortzetting is van het beheer dat gevoerd werd op grond van de hiervoor genoemde regelingen, tenzij die regelingen geen soortgelijk beheer kennen, én iii. de aanvraag zo spoedig als op grond van de onderhavige subsidieregeling mogelijk is, wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.5 (niet-gecertificeerden tot 1 januari 2013) 57[Toelichting: Als een rechtspersoon een aanvraag tot certificering gebiedscoördinator heeft ingediend maar er nog niet is besloten op deze aanvraag, kan hij tot 1 januari 2011 toch een gebiedsplan ter goedkeuring bij gedeputeerde staten voorleggen. Als na indiening van zo'n collectief beheerplan het certificeringsverzoek wordt afgewezen, kunnen gedeputeerde staten het plan beoordelen op de inhoud. De afwijzing van het certificeringsverzoek heeft geen gevolgen voor het reeds ingediende verzoek tot goedkeuring van het plan. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die het collectief beheerplan heeft ingediend, zal geen wijzigingen van het collectief beheerplan mogen indienen. Landbouwers die subsidie ontvangen conform het collectief beheerplan zullen eventuele wijzigingen van het collectief beheerplan door een gebiedscoördinator moeten laten opstellen die wel in het bezit is van een certificaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 31 december 2011 kunnen ook daartoe aangewezen ambtenaren optreden als gebiedscoördinator. Dit om te voorkomen dat binnen een gebied waar geen gebiedscoördinator aanwezig is, geen collectief agrarisch natuurbeheer kan plaatsvinden. Als een begunstigde nog niet is gecertificeerd maar wel een verzoek tot certificering heeft ingediend, kan hij een aanvraag tot subsidie indienen als was hij gecertificeerd. Mocht de certificering niet worden toegekend, dan vervalt in beginsel de subsidie, tenzij de begunstigde aangeeft ook subsidie te willen ontvangen onder de voorwaarden van niet-gecertificeerde. Dit betekent onder andere dat de hoogte van de subsidie wordt beperkt (zie art 3.8). Dit verzoek van de begunstigde is nodig omdat de subsidieaanvraag ziet op een subsidie onder de voorwaarden die gelden voor gecertificeerden. ] 1. Een begunstigde als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, of 5.1.2.1, eerste lid, die een aanvraag indient voor een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt als ware hij gecertificeerd begunstigde, mits hij uiterlijk 1 januari 2011 een aanvraag tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het aanmerken van de begunstigde als ware hij gecertificeerd begunstigde eindigt op de datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2013.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een rechtspersoon die een aanvraag indient tot vaststelling van een collectief beheerplan wordt aangemerkt als ware hij gebiedscoördinator, mits hij uiterlijk 1 januari 2011 een aanvraag tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het aanmerken van de rechtspersoon als ware hij gebiedscoördinator eindigt op de datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2013.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Artikel 8.1.6, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing indien Gedeputeerde Staten de in het eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen, met dien verstande dat het in het tweede lid van artikel 8.1.6 bedoelde verzoek, in afwijking van de tekst van dat onderdeel, uiterlijk binnen acht weken na de afwijzing van de aanvraag wordt ingediend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Artikel 8.1.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien Gedeputeerde Staten de in het tweede lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Als er in een gebied geen gebiedscoördinator of een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid beschikbaar is, kan tot en met 31 december 2013 een daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaar optreden als gebiedscoördinator.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.6 (afwijkende beslistermijn op aanvragen 2010) In afwijking van artikel 1.6, eerste lid, beslissen Gedeputeerde Staten binnen 20 weken op een aanvraag als die aanvraag binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze subsidieregeling is ontvangen, waarbij de beslissing éénmaal met ten hoogste tien weken kan worden verdaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.7 (afwijkende termijn bekendmaking openstellingsbesluit 2010) In afwijking van de termijn, genoemd in artikel 1.3, vierde lid, maken Gedeputeerde Staten ten behoeve van het begrotingsjaar 2010 een besluit als bedoeld in dat artikel uiterlijk op 14 november 2009 bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.8 (goedkeuring Europese Commissie) 1. Subsidies of voorschotten daarop worden verstrekt onder het voorbehoud van goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beslissing tot verstrekking van een subsidie of een voorschot daarop kan worden ingetrokken of gewijzigd ter verkrijging van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de onderhavige subsidieregeling, of wegens het uitblijven daarvan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.9 (inwerkingtreding) 1. Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid treden de volgende onderdelen pas op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip in werking: de artikelen 1.9, tweede lid, 5.1.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 12.2 voor zover dat artikel verwijst naar de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel of op grond van die regeling ingediende aanvragen, en 12.3; de hoofdstukken 3 en 6; afdeling 5.1.2. [vervallen] 3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.10 (citeertitel) Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1: Beheertypen natuur Beheertypen natuurNatuurtype Natuurbeheertype NO1 Grootschalige, dynamische natuur N01.01 Zee en wad N01.02 Duin- en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N02 Rivieren N02.01 Rivier N03 Beken en bronnen N03.01 Beek en Bron N04 Stilstaande wateren N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete Plas N04.03 Brak water N04.04 Afgesloten zeearm N05 Moerassen N05.01 Moeras N05.02 Gemaaid rietland N06 Voedselarme venen en vochtige heiden N06.01 Veenmosrietland en moerasheide N06.02 Trilveen N06.03 Hoogveen N06.04 Vochtige heide N06.05 Zwakgebufferd ven N06.06 Zuur ven of hoogveenven N07 Droge heiden N07.01 Droge heide N07.02 Zandverstuiving N08 Open duinen N08.01 Strand en embryonaal duin N08.02 Open duin N08.03 Vochtige duinvallei N08.04 Duinheide N09 Schorren of kwelders N09.01 Schor of kwelder N10 Vochtige schraalgraslanden N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig schraalland N11 Droge schraalgraslanden N11.01 Droog schraalland N12 Rijke graslanden en akkers N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld N13 Vogelgraslanden N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N13.02 Wintergastenweide N14 Vochtige bossen N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en laagveenbos N14.03 Haagbeuke- en essenbos N15 Droge bossen N15.01 Duinbos N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos N16 Bossen met productiefunctie N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie N17 Cultuurhistorische bossen N17.01 Vochtig hakhout en middenbos N17.02 Droog hakhout N17.03 Park- en stinzenbos N17.04 Eendenkooi Bijlage 2 Voorschriften recreatiepakket (artikel 3.6, eerste lid, onderdeel b):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het natuurterrein is niet ingevolge het natuurbeheerplan of artikel 3.6, vierde lid, vrijgesteld van de openstellingsplicht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor openstelling van het natuurterrein is geen ontheffing verkregen als bedoeld in artikel 3.6, zesde lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De ontvanger van de subsidie onderhoudt de onder punt 3 genoemde wegen, vaarwegen en paden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De ontvanger van de subsidie verleent – indien van toepassing – medewerking aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes voor wandelen en fietsen in het kader van de lange afstandwandelpaden (LAW’s) en landelijke fietsroutes (LF).</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3 Agrarisch natuurbeheer Onderdeel A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch natuurtype en bijbehorend agrarische beheertypen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel AAgrarisch natuurtype Agrarisch beheertype A01 Agrarische Faunagebieden A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfoerageergebied A02 Agrarische floragebieden Onderdeel B:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel B.1. Agrarische beheertypen en bijbehorende agrarische beheerpakketten die zijn toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 in het kader van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 Onderdeel BAgrarische beheertypen Agrarische beheerpakketten A01.01 Weidevogelgebied A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode A01.01.02 Weidevogelgrasland met voorweiden A01.01.03 Plas-dras A01.01.04 Landbouwgrond met legselbeheer A01.01.05 Kruidenrijk weidevogelgrasland A01.01.06 Extensief beweid weidevogelgrasland A01.02 Akkerfaunagebied A01.02.01 Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02 Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels A01.02.03 Bouwland voor hamsters A01.03 Ganzenfoerageergebied A01.03.01 Overwinterende ganzen A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.01.01 Botanisch weiland A02.01.02 Botanisch hooiland A02.01.03 Botanische weide- of hooilandrand A02.01.04 Botanisch bronbeheer A02.02 Botanisch waardevol akkerland A02.02.01 Akker met waardevolle flora A02.02.02 Chemie en kunstmestvrij land A02.02.03 Akkerflora randen Beschrijving agrarische beheerpakketten Agrarisch beheerpakket A01.01.01: Weidevogelgrasland met rustperiode Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakket uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01 en de beheerspakketten uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel, bedoeld in artikel 4.1.1.5, derde lid, onderdeel a, van de onderhavige verordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Er wordt een rustperiode in acht genomen. De lengte van de rustperioden staat hieronder gedefinieerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan. Voor de eilanden Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog geldt dat in de rustperiode een kunstmestgift gegeven mag worden. In het goedgekeurde collectief beheerplan wordt geregeld hoe hierbij met het aanwezige legsel wordt omgegaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01a De rustperiode loopt van 1 april tot 1 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01b De rustperiode loopt van 1 april tot 8 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01c De rustperiode loopt van 1 april tot 15 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01d De rustperiode loopt van 1 april tot 22 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01e De rustperiode loopt van 1 april tot 1 juli;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01f De rustperiode loopt van 1 april tot 15 juli;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.01g De rustperiode loopt van 1 april tot 1 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.02: Weidevogelgrasland met voorweiden Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Er wordt een rustperiode in acht genomen. De lengte van de rustperiode staat hieronder gedefinieerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het grasland wordt vóór de rustperiode niet gemaaid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.02a De rustperiode loopt van 1 mei tot 15 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.02b De rustperiode loopt van 8 mei tot 22 juni.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.03: Plas-dras Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid is jaarlijks geïnundeerd. De inundatieperiode staat hieronder gedefinieerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de inundatieperiode staat op tenminste 60% van de beheereenheid het waterpeil ten minste 5 en ten hoogste 20 cm boven het maaiveld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03a De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 april;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03b De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 mei;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03c De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.03d De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 1 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.04: Landbouwgrond met legselbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland of bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid wordt tijdens het broedseizoen een of enkele malen afgezocht op aanwezige legsels; de legsels worden gemarkeerd en, indien de beheereenheid wordt beweid, van deugdelijke legselbeschermers voorzien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien een perceel grasland wordt gemaaid of anderszins bewerkt, wordt een enclave van tenminste 50m2 om de aanwezige nesten gevrijwaard van alle landbouwkundige werkzaamheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien een perceel bouwland wordt bewerkt, worden de nesten ontzien bij de werkzaamheden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a1 Legselbeheer op grasland met 35 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a2 Legselbeheer op grasland met 50 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a3 Legselbeheer op grasland met 75 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04a4 Legselbeheer op grasland met 100 broedparen per hectare;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.01.04b Legselbeheer op bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.05: Kruidenrijk weidevogelgrasland Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uitsluitend bemesting met vaste mest toegestaan buiten de rustperiode.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Er wordt een rustperiode in acht genomen van 1 april tot 15 juni.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In de rustperiode is de beheereenheid niet beweid, gemaaid, gerold, gesleept, of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het gewas wordt jaarlijks voor 1 augustus afgevoerd door middel van maaien en afvoeren. Tweede keer maaien en afvoeren is toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.01.06: Extensief beweid weidevogelgrasland Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03.01.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Beweiding is verplicht tot 15 juni met minimaal 1 en maximaal 1,5 GVE/ha.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Tussen 1 april en 15 juni is de beheereenheid niet gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest. In deze periode is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.02.01: Bouwland met broedende akkervogels Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is minimaal 9 meter breed, tenzij in de onderstaande varianten anders wordt bepaald, en heeft een minimale oppervlakte van 0,3 ha.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende gewassen telen, waaronder graan. Braakliggende grond beschouwen we als een gewas.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Tussen 1 mei en het moment van grondbewerking moet op de beheereenheid één van de volgende gewassen aanwezig zijn: grassen, granen (niet zijnde maïs of graanstoppel), kruiden of een mengsel van deze. Onder het moment van grondbewerking wordt verstaan de periode waarin de in de betreffende variant beschreven handelingen uitgevoerd mogen worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het gewas wordt ingezaaid, waarbij in het natuurbeheerplan wordt bepaald welke zaaimengsels en welke zaaidichtheden gebruikt mogen worden. Voor variant A01.02.01b geldt dat het gewas ook door spontane ontwikkeling aanwezig mag zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>20-70% van de beheereenheid dient jaarlijks ten minste twee maal te worden gemaaid tussen 1 maart en 15 september. Delen die opnieuw zijn ingezaaid hoeven in hetzelfde voorjaar niet te worden gemaaid. Het maaien mag niet gebeuren door klepelen. Het beheer wordt strooksgewijs uitgevoerd volgens onderstaande varianten. Het toegestane maairegime wordt verder gedifferentieerd in het natuurbeheerplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, haagwinde, heermoes of kleefkruid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De beheereenheid mag niet worden beweid of bemest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Daar waar ploegen is toegestaan, mag ook een andere diepe grondbewerking worden toegepast.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01a Jaarlijks dient 20-50% van de beheereenheid opnieuw tussen 1 september en 15 april worden geploegd en opnieuw ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven zaaimengsel. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01b Jaarlijks dient 20-50% van de beheereenheid opnieuw tussen 1 september en 15 april te worden geploegd. Tussen 1 maart en 15 april mag nog een grondbewerking worden uitgevoerd. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01c In het derde of vierde jaar dient de gehele beheereenheid tussen 1 september en 15 april te worden geploegd en opnieuw ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven zaaimengsel. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is op dat moment mogelijk. De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden. Van de verplichting om in het derde of vierde jaar te ploegen en opnieuw in te zaaien kan worden afgeweken als dit is opgenomen in het goedgekeurde collectief beheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.01d De beheereenheid is minimaal 12 meter breed. Tussen 15 april en 31 augustus mag maximaal 10% van de oppervlakte van de beheereenheid bedekt zijn met rijsporen. Tussen 1 september en 15 april mag maximaal 30% van de oppervlakte van de beheereenheid bedekt zijn met rijsporen. In het derde of vierde jaar dient tussen 1 september en 15 april over de gehele beheereenheid een diepe grondbewerking plaats te vinden en dient deze opnieuw te worden ingezaaid met een in het natuurbeheerplan voorgeschreven zaaimengsel. Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is op dat moment mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.02.02: Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is minimaal 9 meter breed en heeft een minimale oppervlakte van 0.3 ha en een maximale oppervlakte van 2 ha.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Roulatie binnen het bedrijfsoppervlak is mogelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende gewassen telen, waaronder graan. Braakliggende grond beschouwen we als een gewas.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Op de beheereenheid moet tussen 1 mei en 15 maart een graanmengsel staan van tenminste 50% zomertarwe, aangevuld met rogge, haver of een zaadragend gewas niet zijnde graan of maïs. De beheereenheid mag niet worden geoogst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid dient jaarlijks tussen 16 maart en 30 april te worden ingezaaid met een gangbare zaaidichtheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, haagwinde, heermoes of kleefkruid.</div>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.02a Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op kleigrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.02b Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.02.03: Bouwland voor hamsters Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het jaar voorafgaand aan het contract moet u op bedrijfsniveau minimaal 4 verschillende gewassen telen waaronder graan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de variant Bouwland voor hamsters geldt: de beheereenheid is ten minste 0,3 ha groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voor de variant Opvangstrook voor hamsters geldt: de beheereenheid is minimaal 15 meter breed en minimaal 100 meter lang.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.03a Bouwland voor hamsters 3. Grondbewerking mag niet dieper dan 25 cm plaatsvinden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de beheereenheid wordt in overleg met de gebiedscoördinator één van de volgende gewassen geteeld: luzerne, graan (niet zijnde maïs), bladrammenas of een combinatie van deze gewassen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Luzerne wordt jaarlijks tussen 20 april en 20 juni gemaaid en afgevoerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Graan wordt niet geoogst.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De beheereenheid wordt jaarlijks in februari geklepeld. Buiten deze periode is bij overlast van de bruine rat klepelen toegestaan in overleg met de gebiedscoördinator.</div>\n<p class=\"lf-p\">A01.02.03b Opvangstrook voor hamsters 1. Grondbewerking mag niet dieper dan 25 cm plaatsvinden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid bestaat van augustus tot en met januari uit volgroeid graan (niet zijnde maïs). Bij overlast van de bruine rat is klepelen toegestaan in overleg met de gebiedscoördinator.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.03.01: Overwinterende ganzen Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland of bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 hectare en maakt onderdeel uit van een verzameling beheereenheden binnen één foerageergebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.01.01 tot en met A01.01.06.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is niet toegestaan binnen de periode van 1 oktober tot 1 april handelingen te verrichten of toe te laten die de foerageerfunctie van het gebied voor ganzen en/of smienten negatief beïnvloeden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onderhoud van sloten, walkanten en drainagesystemen is toegestaan van 1 oktober tot 1 februari.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de vier onderstaande varianten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01a Ganzen op grasland.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Op 1 november moet een grassnede aanwezig zijn met een voederwaarde van minimaal 500 kVEM/ha.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Maaien of bloten om te lang gras te voorkomen is toegestaan van 27 oktober tot 1 november.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beweiding met melkvee is toegestaan tot 15 november, waarbij na 15 november minimaal 500 kVEM/ha beschikbaar moet blijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Beweiding (uitgezonderd melkvee) is vanaf 1 november tot 1 februari toegestaan met maximaal 0,45 GVE/ha.</div>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01b Ganzen op bouwland.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor 15 november moet één van de gewassen; winterkoolzaad, wintertarwe, wintergerst, Rogge of graszaad zijn ingezaaid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het gewas onder 1 wordt tot 1 april in stand gehouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</div>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01c Ganzen op vroege groenbemester.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een groenbemester is vóór 1 oktober ingezaaid met één van de gewassen; Italiaans raaigras, Engels raaigras, Snijrogge, of met een mengsel van deze gewassen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De groenbemester wordt tot 1 februari in stand gehouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</div>\n<p class=\"lf-p\">A01.03.01d Ganzen op late groenbemester.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een groenbemester is vóór 1 november ingezaaid met één van de gewassen; Italiaans raaigras, Engels raaigras, Snijrogge, of met een mengsel van deze gewassen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De groenbemester wordt tot 1 april in stand gehouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is niet toegestaan de beheereenheid te beweiden en/of te maaien.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.01.01: Botanisch weiland Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Standweiden is het gehele jaar toegestaan met max. 2 GVE per hectare. Van 1 oktober tot 1 maart is onbeperkt weiden toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.01.02: Botanisch hooiland Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beweiding is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het gewas wordt jaarlijks minimaal éénmaal gemaaid en afgevoerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.01.03: Botanische weide- of hooilandrand Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid heeft een minimale (rand)breedte van 2 meter.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is slechts toegestaan voor pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en brandnetel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het grasland mag niet worden geklepeld, gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voor botanische weiderand geldt: beweiding is toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Voor botanische hooilandrand geldt: beweiding is niet toegestaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.01.03a Botanische weiderand A02.01.03b Botanische hooilandrand Agrarisch beheerpakket A02.01.04: Botanisch bronbeheer Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De beheereenheid is gelegen in een brongebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De beheereenheid staat niet in verbinding met open water, behalve bij natuurlijke afwatering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beweiding is uitsluitend toegestaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het gewas wordt jaarlijks minimaal éénmaal gemaaid en afgevoerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Bron vrijwaren van beschadiging door vee.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Geen kunstmatig waterbeheer.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.02.01: Akker met waardevolle flora.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Verbouwing van maïs is in het geheel niet toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de jaren waarin graan wordt verbouwd, vindt geen bemesting met kunstmest plaats.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In de jaren waarin graan wordt verbouwd, vindt er in de beheereenheid geen mechanische onkruidbestrijding plaats vanaf het zaaien (bij zomergraan) of vanaf 1 april (bij wintergraan) tot de oogst en is het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen en insecticiden niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van haarden met akkerdistel, ridderzuring, kleefkruid of haagwinde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de drie onderstaande varianten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.01a Drie van de zes jaar graan: In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.01b Vier van de zes jaar graan: In tenminste vier van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.01c Vijf van de zes jaar graan: In tenminste vijf van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.02.02: Chemie en kunstmestvrij land Instapeisen voor het beheerpakket:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid bestaat uit bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid is ten minste 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan, met uitzondering van maïs, verbouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest is niet toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Overig beheer wordt uitgevoerd op basis van één van de drie onderstaande varianten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.02a Drie van de zes jaar graan: In tenminste drie van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.02b Vier van de zes jaar graan: In tenminste vier van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A02.02.02c Vijf van de zes jaar graan: In tenminste vijf van de zes jaren van de beheerperiode wordt graan verbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A02.02.03: Akkerflora randen Instapeisen voor het beheerpakket:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid is in gebruik als bouwland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid heeft een oppervlakte van minimaal 0,3 ha.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Cumulatie met alle beheerpakketten is uitgesloten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Op de beheereenheid wordt in de beheerperiode graan, met uitzondering van maïs, verbouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de beheereenheid vindt geen mechanische onkruidbestrijding plaats vanaf het zaaien (bij zomergraan) of vanaf 1 april (bij wintergraan) tot de oogst en is het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van haarden met akkerdistel, ridderzuring of kleefkruid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bemesting en beweiding van de beheereenheid is niet toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De beheereenheid mag niet als wendakker gebruikt worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel B.2. Agrarische beheertypen en bijbehorende regionale agrarische beheerpakketten Onderdeel B.2.Agrarische beheertypen Agarische beheerpakketten (regionaal) A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfoerageergebied A01.03.Lb01 Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen A01.04 Insectenrijke graslanden A01.04.Lb01. Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal A01.04.Lb02 Insectenrijke graslanden Roerdal A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.02 Botanisch waardevol akkerland Beschrijving regionale agrarische beheerpakketten Agrarisch beheerpakket A01.03.Lb01: Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid is een perceel grond, welk minimaal 0,5 hectare groot is en gelegen binnen de begrenzing van de aangegeven zoekgebieden in het beheerplan voor de overzomerende Grauwe gans in Limburg.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De beheereenheid bestaat uit bemest grasland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Er dient op de beheereenheid in het foerageerseizoen te allen tijde aantrekkelijk gras voor ganzen aanwezig te zijn. Onder aantrekkelijk gras wordt verstaan; gras met een lengte van 5 tot 15 cm. Er dient op geen enkele plaats binnen het foerageergebied gras met een lengte van meer dan 30 cm aanwezig te zijn, tenzij dit niet volgens de goede landbouwpraktijk voorkomen kan worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de beheereenheid mogen geen ganzen verjaagd worden. Overige dieren die schade veroorzaken mogen wel ver- en bejaagd worden, mits de ganzen niet verstoord worden. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk ganzen op de beheereenheid te krijgen en te behouden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid dient 3 keer per jaar gemaaid of gebloot te worden. Dit dient niet volvelds te worden gedaan om altijd kwalitatief, voldoende gras aan te kunnen bieden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Overige werkzaamheden die de graskwaliteit verbeteren, maar het foerageren op korte termijn belemmeren, dienen in gedeeltes uitgevoerd te worden. (vb: slepen van grasland, bemesten, bloten, oogsten). Onder normale weersomstandigheden dient te allen tijden geschikt gras aanwezig te zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien de grasgroei het toelaat kan er geweid worden. Het vee mag niet langer dan 4 weken op een perceel lopen. Het totale perceel mag ingedeeld worden in kleinere percelen om de dieren te laten omweiden. Hierbij dient de beweiding in dienst van het beheerdoel te staan. Om ganzen niet te verstoren dient de beweiding van 1 juli tot en met 30 september plaats te vinden met maximaal 4 GVE per hectare op enig moment. Dit geldt op perceelsniveau.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien er een maaisnede wordt geoogst of dat de graasdieren omgeweid worden dient het te maaien perceel of het perceel waarin het vee wordt omgeweid getaxeerd te worden. De schade zal middels de graslandhoogtemeter opgenomen worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Onkruiden dienen pleksgewijs bestreden te worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met drijfmest bemest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met kunstmest bemest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Indien er op plekken minder smakelijke grassen voorkomen of door vertrapping het gras verdwenen is, dienen deze plekken doorgezaaid te worden zodat er weer aantrekkelijk eiwitrijk gras ontstaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Administratieve verplichtingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Ondernemers houden op perceelsniveau een grasland logboek bij, dit wordt aangeleverd door de projectleider en wordt maandelijks teruggestuurd naar de projectleider.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende verplichtingen 1. Elk jaar vindt er een evaluatie plaats of de doelen zijn gehaald en kunnen de broed- en opgroeilocaties anders ingedeeld worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op of aanmerkingen vanuit de projectleider worden opgevolgd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De percelen worden ter beschikking gesteld aan alle activiteiten die aan het project gerelateerd zijn (bijvoorbeeld tellingen, taxaties en beoordelingen).</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.04.Lb01: Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid is een perceel grasland van minimaal 0,5 hectare groot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het grasland of de strook is gelegen in het leefgebied Donker Pimpernelblauwtje zoals weergegeven in het Beschermingsplan Donker pimpernelblauwtje Roerdal (Boeren, J., 2005).</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Deze graslanden worden jaarlijks grotendeels gefaseerd gemaaid waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Er blijft ook een deel ongemaaid. Bemesting vindt alleen plaats met stalmest of kalk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Beweiding is toegestaan overeenkomstig de gekozen variant.</div>\n<p class=\"lf-p\">Varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.04.Lb01a Instandhoudingsbeheer basis 1. Jaarlijks maaien in de periode van 15 september tot 1 januari.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>25 % van de vegetatie niet maaien en in de winter laten overstaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gehele perceel nogmaals maaien tussen 1 mei en 1 juni. Maaisel steeds afvoeren.</div>\n<p class=\"lf-p\">A01.04.Lb01b Instandhoudingsbeheer plus 1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode tussen 15 september tot 1 januari. Het maaisel wordt afgevoerd. Het volgende jaar wordt de andere 50% gemaaid en afgevoerd, eveneens in de periode 15 september tot 1 januari.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bemesting mag alleen plaatsvinden met ruige stalmest, uitgezonderd pluimveemest, of met kalk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bodembewerking zoals freezen, ploegen, etc. is niet toegestaan. Het perceel bestaat uit blijvend grasland: dus ook niet scheuren en herinzaaien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding van jacobskruiskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Nabeweiding is toegestaan in de periode 15 september - 1 januari met maximaal 3 GVE. In het overig deel van het jaar wordt niet beweid, in verband met het behoud van typische hooilandplanten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.04.Lb02: Insectenrijke graslandranden Roerdal Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De beheereenheid is een strook grasland van minimaal 50 meter lang en tussen de 2 en 5 meter breed gelegen langs een wegberm, watergang of houtsingel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het grasland of de strook is gelegen in het leefgebied Donker Pimpernelblauwtje zoals weergegeven in het Beschermingsplan Donker pimpernelblauwtje Roerdal (Boeren, J., 2005).</div>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Minimaal één keer per jaar maaien en afvoeren, waarbij circa 50 % van de strook niet gemaaid wordt. Dit niet gemaaide deel mag elk jaar anders zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Maaien vindt plaats in de periode van 15 september tot 1 januari.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bemesting mag alleen plaatsvinden met ruige stalmest, uitgezonderd pluimveemest, of met kalk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bodembewerking zoals freezen, ploegen, etc. is niet toegestaan. De strook bestaat uit blijvend grasland: dus ook niet scheuren en herinzaaien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding van jacobskruiskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Beweiding is niet toegestaan in de als insectenstrook beheerde perceelsrand, de rest van het perceel mag wel beweid worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4: Aanvullende randvoorwaarden [vervallen] [vervallen] Bijlage 5: Eisen collectief beheerplan A. Een collectief beheerplan voldoet aan de volgende eisen: a. onderdeel van het collectief beheerplan maakt uit een elektronische kaart met een topografische ondergrond, waarop is aangegeven op welke landbouwgronden de deelnemende landbouwers welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren; b. de gebiedscoördinator sluit met elk van de deelnemende landbouwers een overeenkomst waarin het beheer, bedoeld in subonderdeel a, wordt vastgelegd. De overeenkomst wordt door beide partijen ondertekend en in elk geval opgenomen in de administratie van de gebiedscoördinator; c. als onderdeel van het collectief beheerplan voegt de gebiedscoördinator een advies van de gebiedscoördinator met betrekking tot de kwaliteit van het collectief beheerplan; d. het collectief beheerplan omvat tevens een omschrijving en plaatsaanduiding van het beheer, uitgevoerd door ontvangers van: een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige subsidieregeling; een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Overijssel; een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister; een subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Overijssel of een subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, voor zover dit beheer samenhangt met en relevant is voor het doel van het collectief agrarisch natuurbeheer waarvoor de gebiedscoördinator een collectief beheerplan opstelt; e. de gebiedscoördinator draagt er zorg voor dat de oppervlakte die per deelnemende landbouwer is opgenomen in het collectief beheerplan, groter gelijk onderscheidenlijk kleiner gelijk is dan de minimum- onderscheidenlijk maximumoppervlakte die de betreffende landbouwer heeft aangegeven in de aanvraag, bedoeld in artikel 4.1.2.1; f. aan nadere door Gedeputeerde Staten opgestelde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Een wijziging van een vastgesteld collectief beheerplan voldoet aan de volgende eisen: a. onderdeel van de wijziging maakt uit een elektronische kaart met een topografische ondergrond waarop de wijzigingen, bedoeld in de subonderdelen b en c, zijn aangegeven. b. op de in subonderdeel a bedoelde kaart is ten behoeve van landbouwers die reeds vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan deelnamen aan collectief agrarisch natuurbeheer in het gebied waarop het collectief beheerplan ziet, en voor zover daar door die landbouwers om is verzocht, aangegeven: op welke landbouwgronden waarvoor reeds een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt, zij welke gewijzigde agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (ander agrarisch beheerpakket op dezelfde beheereenheid); op welke gewijzigde landbouwgronden zij het agrarisch beheerpakket of variant daarvan wensen uit te gaan voeren dat vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan werd uitgevoerd op de onder i. bedoelde landbouwgronden (hetzelfde agrarische beheerpakket op andere beheereenheid); op welke gewijzigde landbouwgronden zij welke gewijzigde agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (ander agrarisch beheerpakket op andere beheereenheid); welke landbouwgronden waarvoor reeds een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt, zij voor de resterende periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt, wensen te vergroten overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid (vergroting bestaande beheereenheid); op welke landbouwgronden die niet vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat plan waren opgenomen, en die zelfstandig voldoen aan de voorwaarden van de onderhavige subsidieregeling voor de betreffende subsidie, zij overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid, voor de resterende periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor resterende subsidieperiode); op welke landbouwgronden die niet vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat plan waren opgenomen, zij voor de gehele periode, bedoeld in artikel 4.1.1.2, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor volledige subsidieperiode). c. op de in subonderdeel a bedoelde kaart is ten behoeve van landbouwers die niet reeds vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan deelnamen aan collectief agrarisch natuurbeheer in het gebied waarop het collectief beheerplan ziet, op verzoek van die landbouwers, aangegeven op welke landbouwgronden zij voor de gehele periode, bedoeld in artikel 4.1.1.2, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor volledige subsidieperiode).</p>\n<p class=\"lf-p\">d. de gebiedscoördinator sluit met elk van de deelnemende landbouwers een overeenkomst waarin het beheer, bedoeld in subonderdeel b onderscheidenlijk subonderdeel c, wordt vastgelegd. De overeenkomst wordt door beide partijen ondertekend en in elk geval opgenomen in de administratie van de gebiedscoördinator; e. als onderdeel van de wijziging voegt de gebiedscoördinator een advies van de gebiedscoördinator met betrekking tot de kwaliteit van het collectief beheerplan in relatie tot de verzochte wijzigingen in beheer; f. de gebiedscoördinator draagt er zorg voor dat de oppervlakte die per deelnemende landbouwer is opgenomen in het collectief beheerplan, groter gelijk is aan de minimumoppervlakte die de betreffende landbouwer heeft aangegeven in de aanvraag, bedoeld in artikel 4.1.2.1; g. aan nadere door Gedeputeerde Staten opgestelde eisen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Wijzigingen als bedoeld in subonderdeel b, onder i. en iii., zijn niet toegestaan voor zover deze tot gevolg hebben dat de landbouwer een agrarisch beheerpakket gaat uitvoeren dat behoort tot een ander agrarisch beheertype, of dat minder stringente eisen kent dan het agrarisch beheerpakket dat vóór het verzoek tot wijziging op die landbouwgrond of de gewijzigde landbouwgrond werd uitgevoerd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Wijzigingen als bedoeld in subonderdeel b, onder i. tot en met iii., zijn evenmin toegestaan voor zover zij betrekking hebben op agrarische beheerpakketten met de aanduiding A01.02.01, met uitzondering van variant c, A01.02.03 en A02.01.01 tot en met A02.02.03.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 6 Landschap Onderdeel A.1 Landschapsbeheertypen en bijbehorende landschapselementen waarvan de instandhouding is toegestaan binnen natuurterreinen, waarbij landschapselementen waarvan de alfanumerieke aanduiding eindigt op de cijfers “00” slechts door gecertificeerde begunstigden kunnen worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapsbeheertypen en bijbehorende landschapselementen Landschapsbeheertype Landschapselement L01 Groenblauwe landschapselementen L01.01 Poel en kleine historisch water L01.01.00 Poel en kleine historisch water - gemiddeld L01.01.01 Oppervlakte poel &lt; 175 m2 L01.01.02 Oppervlakte poel &gt; 175 m2 L01.02 Houtwal en houtsingel L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld L01.02.01 Houtsingel en houtwal L01.02.02 Hoge houtwal L01.02.03 Holle weg en graft L01.03 Elzensingel L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01 Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.02 Bedekking elzensingel 50%-75% L01.03.03 Bedekking elzensingel &gt; 75% L01.04 Bossingel en bosje L01.04.01 Bossingel en bosje L01.05 Knip- of scheerheg L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld L01.05.01 Heg jaarlijks scheren of knippen L01.05.02 Heg eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen L01.06 Struweelhaag L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld L01.06.01 Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar L01.06.02 Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar L01.07 Laan L01.07.00 Laan – gemiddeld L01.07.01 Laan stamdiameter bomen &lt; 20 cm L01.07.02 Laan stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.03 Laan stamdiameter bomen &gt; 60 cm L01.08 Knotboom L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01 Knotboom stamdiameter &lt; 20 cm L01.08.02 Knotboom stamdiameter 20-60 cm L01.08.03 Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm L01.09 Hoogstamboomgaard L01.09.01 Hoogstamboomgaard L03 Aardwerken L03.01 Aardwerk en groeve L03.01.01 Aardwerk en groeve Beschrijving landschapsbeheertypen Landschapsbeheertype L01.01 : Poel en klein historisch water Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In Zuid-Limburg heeft een voortplantingspoel voor amfibieën een oppervlakte van minimaal 0,2 are.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Vijvers die een onderdeel zijn van een park of tuin, of daarin aangelegd worden, vallen niet onder dit landschapsbeheertype.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Wateren die onder de natuurbeheertypen N06.05 Zwakgebufferd ven of N06.06 Zuur ven of Hoogveenven vallen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Sloten behoren niet tot dit beheertype.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p>\n<p class=\"lf-p\">De historische of natuurlijke contouren/vormen worden behouden. Dit is bijvoorbeeld belangrijk bij oude elementen zoals pingoruïnes waarvan de randzones archeologisch belangrijk kunnen zijn. Hierbij gaat het dan om de walachtige structuur rondom de plas. Maar het geldt ook bij de visvijvers. Dit landschapsbeheertype wordt periodiek opgeschoond om voldoende open water te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschapselementen L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld L01.01.01 Poel en klein historisch water &lt; 175 m2 L01.01.02 Poel en klein historisch water &gt; 175 m2 Landschapsbeheertype L01.02: Houtwal en houtsingel Instapeisen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit landschapsbeheertype, maar tot het landschapsbeheertype L01.03 Elzensingel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit landschapsbeheertype.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemene beheerverplichting (let op artikel 5.1.2.3 lid 1, onderdeel a, en lid 2):</p></div>", "next": 239713}