{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een mediadienst op aanvraag van een publieke media-instelling met een lage omzet of een klein publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het Commissariaat kan aan een publieke media-instelling of aan de NPO ontheffing verlenen van het tweede en het derde lid indien de toepassing van deze leden gelet op de aard of het onderwerp van deze mediadienst op aanvraag praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.116</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoeveel procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, wordt besteed aan Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Het percentage, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld op ten minste tien en ten hoogste vijfentwintig procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op elk van de televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op elk van de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.118</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste een derde deel van de programma’s, bedoeld in de artikelen 2.116 en 2.117, is niet ouder dan vijf jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.120</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt media-aanbod dat niet geproduceerd is door: a. een publieke media-instelling; b. een commerciële media-instelling; c. een buitenlandse omroepinstelling; d. een rechtspersoon waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, al dan niet door middel van een of meer dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft; e. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, samen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of f. een vennootschap waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a tot en met c, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur: a. kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid en de artikelen 2.116 tot en met 2.119; en b. kan worden bepaald dat in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen media-aanbod wordt aangemerkt als onafhankelijke productie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.121</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de artikelen 2.116, tweede lid, en 2.117 tot en met 2.120 blijft buiten beschouwing media-aanbod: a. dat bestaat uit nieuws; b. dat betrekking heeft op sport; c. dat het karakter van een spel heeft, met uitzondering van media-aanbod van culturele of educatieve aard dat mede het karakter van een spel heeft; d. dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie; e. dat van kerkelijke of geestelijke aard is en media-aanbod van politieke partijen en de overheid; en f. dat bestaat uit teletekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de toepassing van artikel 2.116, eerste lid, blijft buiten beschouwing media-aanbod als bedoeld in het eerste lid, onder a, d, e en f.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.5.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nederlands- en Friestalige producties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.122</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten beschouwing: a. programma-aanbod dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting; en b. programma-aanbod dat van kerkelijke of geestelijke aard is en programma-aanbod van politieke partijen en de overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.123</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma-aanbod, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst bestaat uit producties als bedoeld in artikel 2.122, eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van een verplichting betreffende het percentage, bedoeld in het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.5.4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Films</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het media-aanbod van de publieke mediadiensten worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.5.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.5.5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Taak</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.125</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.126</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.5.5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.127</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.5.5.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begroting en jaarrekening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.128</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.129</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.130</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.5.5.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Statuten en ontbinding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.131</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.5.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nevenactiviteiten en overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.132</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke mediaopdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan: a. mediabedrijven ten behoeve van de versterking en verbetering van de nieuws- en informatievoorziening; of b. culturele instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over: a. de wijze van melden; b. de omvang en duur van het experiment; c. de aard en inhoud van de nevenactiviteiten; en d. de samenwerking met de in het vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde instellingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.133</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of daaraan verbonden namen en merken buiten de publieke mediadienst te exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.134</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van nevenactiviteiten kunnen de NPO en de publieke media-instellingen rechtspersonen of samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten van nevenactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De instellingen die nevenactiviteiten willen verrichten, tonen desgevraagd ten genoegen van het Commissariaat aan dat de nevenactiviteiten voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2.132 en dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.135</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de NPO, de RPO en de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht gebruiken, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.136</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die: a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de vereniging en haar organen; b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken; of c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de vereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten: a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de stichting en haar organen; b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende stichting om de band met en tussen de contribuanten te versterken; of c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.137</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is omroepverenigingen niet toegestaan in het kader van ledenwerving op geld waardeerbare voordelen aan leden te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverminderd het eerste lid kan het Commissariaat regels stellen over het verstrekken van op geld waardeerbare voordelen aan leden en over activiteiten in het kader van ledenwerving. De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt de regels in acht nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.138</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een omroeporganisatie voornemens is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Na de melding kan de omroeporganisatie in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een commerciële omroepdienst kan verzorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Tijdens de periode dat een omroeporganisatie activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij beschouwd als omroeporganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2138a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.138a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een omroeporganisatie uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2.171, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het Commissariaat kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, verlengen met een door hem te stellen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Mede op basis van de eindafrekening, bedoeld in het eerste lid, stelt het Commissariaat het terug te betalen bedrag vast. Teruggevorderde bedragen voegt het Commissariaat toe aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In het geval, bedoeld in het eerste lid: a. betaalt de omroeporganisatie de op het moment, bedoeld in artikel 2.138, eerste lid, aanwezige gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke omroep, terug aan het Commissariaat; b. draagt de omroeporganisatie er zorg voor dat programmamateriaal dat verspreid is op de programmakanalen van de landelijke publieke omroep dan wel daarvoor is geproduceerd of aangekocht en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- of gebruiksrecht daarop bij de omroeporganisatie berust, gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, om niet ter beschikking wordt gesteld aan de raad van bestuur voor gebruik op aanbodkanalen van de landelijke publieke omroep; c. stelt de omroeporganisatie het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel b, ter beschikking aan de door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief; en d. onthoudt de omroeporganisatie zich gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor een erkenning of voorlopige erkenning is verleend, van gebruik of exploitatie van het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel a, en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- en gebruiksrecht bij de omroeporganisatie berust, tenzij daarover met de raad van bestuur een overeenkomst is gesloten tegen een marktconforme vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder omroeporganisatie tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, als: a. aan een omroeporganisatie geen erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, wordt verleend; b. een erkenning of voorlopige erkenning overeenkomstig artikel 2.33 wordt ingetrokken; en c. een omroeporganisatie in strijd met artikel 2.34, eerste lid, tijdens een erkenningperiode niet langer als omroeporganisatie media-aanbod voor de landelijke publieke omroep verzorgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2138b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.138b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.139</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De landelijke publieke media-instellingen stellen de volgende gegevens van hun programma-aanbod ter beschikking van de NPO: per programma de titel, een korte omschrijving, de naam van de landelijke publieke media-instelling die het programma verzorgt, het programmakanaal waarop het programma wordt verspreid, de datum en het tijdstip van verspreiding, en de classificatie, bedoeld in artikel 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De landelijke publieke media-instellingen aanvaarden dat de NPO de gegevens voor vermenigvuldiging en openbaarmaking aan het publiek via gedrukte of elektronische programmagidsen ter beschikking stelt aan de omroeporganisaties en tegen een marktconforme vergoeding aan andere afnemers die daarom verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tijdig ter beschikking van de NPO. De NPO stelt die gegevens ten minste zes weken voorafgaand aan de verspreiding van het desbetreffende programma-aanbod ter beschikking van de omroeporganisaties en van de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De NPO sluit met de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid, een overeenkomst met betrekking tot de beschikbaarstelling van de gegevens. De overeenkomst bepaalt in elk geval dat de gegevens niet worden gewijzigd, en bevat overigens geen bepalingen of voorwaarden die de terbeschikkingstelling van de gegevens hinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, is voor zover het betreft afnemers die programmagidsen binnen Nederland uitbrengen: a. voor gedrukte programmagidsen: € 0,0195 voor elk afgezet exemplaar van een gedrukte programmagids; b. voor elektronische programmagidsen die door middel van technische voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma’s op digitale wijze mogelijk maken, gevoed of verspreid worden: per maand per huishouden € 0,006 voor elke zodanige technische voorziening; en c. voor overige elektronische programmagidsen: per jaar € 2.500 per elektronische programmagids.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het Commissariaat kan bij regeling andere bedragen dan de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, vaststellen, als de resultaten van zijn tweejaarlijks onderzoek naar de marktprijs van de vergoedingen daartoe aanleiding geven. Het Commissariaat maakt de resultaten van het onderzoek en de wijze van berekening van de marktprijs van de vergoedingen bekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.140</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.141</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, met al hun activiteiten niet dienstbaar zijn aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.142</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Toestemming wordt alleen gegeven als de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste tot en met derde lid handelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2142a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.142a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO, de RPO, de landelijke en regionale publieke media-instellingen en de instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie, richten hun bestuurlijke organisatie zodanig in dat overeenkomstig hun statuten en reglementen: a. de inrichting daarvan sober, doelmatig en evenwichtig is; b. er een helder onderscheid is tussen het dagelijks bestuur en het toezichthoudende orgaan; c. deugdelijk, onafhankelijk en deskundig toezicht wordt uitgeoefend; en d. de leden van het toezichthoudende orgaan worden benoemd op basis van vooraf vastgestelde openbare profielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De NPO en de landelijke publieke media-instellingen volgen daarbij zo veel als mogelijk aanbevelingen uit de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden omschreven wanneer sprake is van een sobere, doelmatige en evenwichtige inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  2.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging publieke mediadiensten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bekostigingsaanspraak</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.143</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen voorzien op onafhankelijke wijze in de uitvoering van de publieke mediaopdracht en hebben daarvoor op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht en ter bestrijding van de overige kosten, bedoeld in artikel 2.146, worden onder de naam «rijksmediabijdrage» jaarlijks gelden beschikbaar gesteld door Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.144</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rijksmediabijdrage bestaat ten minste uit een bedrag dat voor het jaar 2025 € 1.040.379.000 bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bedrag van de rijksmediabijdrage wordt jaarlijks bijgesteld overeenkomstig: a. de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland; en b. de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.145</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de artikelen 2.143, tweede lid, en 2.144.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster dienen ter bestrijding van de kosten verbonden aan: a. de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau volgens afdeling 2.6.2; b. de bekostiging van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau volgens afdeling 2.6.5; c. het Europese media-aanbod, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel e; d. het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, genoemd in artikel 8.1; e. de Raad voor cultuur, voor zover samenhangend met de advisering over radio, televisie, pers en andere vormen van massacommunicatie, tot een door Onze Minister te bepalen bedrag; f. het Commissariaat; g. door Onze Minister bekostigd onderzoek in het belang van de massacommunicatie; h. vervallen; i. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren; j. vergoedingen aan een door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief; k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden; l. het door Onze Minister aangewezen overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen; en m. bijdragen voor de verzorging van media-aanbod van regionale en lokale publieke mediadiensten dat gericht is op minderheden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging landelijke publieke mediadienst</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begroting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.147</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De begroting bevat in elk geval: a. een beschrijving van de wijze waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. een overzicht van aard en aantal van de aanbodkanalen; c. de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de landelijke publieke mediadienst te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar; d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en e. een beschrijving van de samenwerking met de regionale en lokale publieke media-instellingen en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld: a. de financiële middelen voor de verzorging van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; b. de eigen inkomsten van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod; c. de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; en d. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.148</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De NPO maakt de begroting openbaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling budgetten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2148a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.148a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand aan elke periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, wordt door Onze Minister het bedrag vastgesteld dat de landelijke publieke mediadienst in die periode jaarlijks ten minste ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van zijn taakvervulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het in het eerste lid bedoelde bedrag is voor het eerste jaar van de genoemde periode gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar. Het aandeel van de rijksmediabijdrage in dat bedrag wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig: a. de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland; en b. de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien na aanvang van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de met inachtneming van het eerste en tweede lid vastgestelde bedragen, kan Onze Minister de hoogte van het voor resterende jaren ter beschikking te stellen bedrag wijzigen met inachtneming van een redelijke termijn. De hoogte van het aldus gewijzigde bedrag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende jaar waarin het gewijzigde bedrag voor het eerst van toepassing is ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig de onderdelen a en b van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In geval van een wijziging van het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, vergoedt Onze Minister de schade die de landelijke publieke mediadienst lijdt doordat hij in vertrouwen op het eerder vastgestelde bedrag anders heeft gehandeld dan hij met inachtneming van het gewijzigde bedrag zou hebben gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.149</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december met inachtneming van artikel 2.148a de budgetten van de landelijke publieke mediadienst voor het komende jaar vast voor: a. de verzorging van het media-aanbod van de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, gezamenlijk; b. de verzorging van het media-aanbod van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, gezamenlijk; c. de verzorging van het media-aanbod van de NOS; d. de verzorging van het media-aanbod van de NTR; e. de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO; en f. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de NPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.150</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, bedraagt vijftig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a en b, en dertig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen c en d.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan stimulering van de verzorging van media-aanbod en samenwerking ter bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het media-aanbod, bedoeld in artikel 2.54, tweede lid, komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder f.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2150a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.150a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, in de loop van het jaar verhogen naar aanleiding van een bijstelling als bedoeld in artikel 2.148a, tweede lid. Daarbij geeft hij toepassing aan de verdeling, bedoeld in artikel 2.150, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.151</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt de budgetten door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen e en f, besteedt de raad van bestuur aan de daar genoemde doelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.152</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder a, over de omroeporganisaties met een erkenning, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt dat gelijk is aan de som van de bedragen die worden toegerekend aan de organisaties waaruit de omroeporganisatie is samengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De organisaties waaruit een omroeporganisatie kan zijn samengesteld zijn: a. een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a; b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24; c. een omroepvereniging met een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bepalend voor de indeling, bedoeld in het tweede lid, is de organisatie waarvan sprake was bij aanvang van de erkenningperiode met begindatum 1 januari 2016, met dien verstande dat: a. een omroepvereniging die op dat moment was vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep voor de indeling niet afzonderlijk in aanmerking wordt genomen; en b. met een samenwerkingsomroep gelijk wordt gesteld een omroepvereniging die op 1 januari 2016 was gevormd uit twee of meer omroepverenigingen die afzonderlijk een erkenning hadden bij aanvang van de daaraan voorafgaande erkenningperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor indeling bij het tweede lid, onder c, geldt ook een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, in een erkenningperiode later dan die, bedoeld in het derde lid, maar eerder dan de erkenningperiode waarin het jaar valt waarop op de budgetverdeling betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De bedragen die worden toegerekend aan de organisaties, bedoeld in het tweede lid, onder respectievelijk a, b en c, verhouden zich tot elkaar als 3: 2: 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2152a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.152a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder b, over de omroepverenigingen met een voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, zodanig dat elke omroepvereniging met een voorlopige erkenning over een bedrag beschikt dat gelijk is aan vijftien procent van het bedrag voor een omroeporganisatie die met toepassing van artikel 2.152, derde lid, wordt ingedeeld als omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen de bedragen, bedoeld in het eerste lid en artikel 2.150, derde lid, van elk van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, ten beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De landelijke publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a tot en met d, besteden de ontvangen bedragen en de budgetten aan de in de desbetreffende onderdelen genoemde doelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.153</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.154</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur kan ten hoogste vijftien procent van het voor een instelling vastgestelde bedrag inhouden als: a. de desbetreffende instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van bestuur; of b. een omroeporganisatie naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Ingehouden bedragen worden toegevoegd aan het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder f.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.155</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur beslist jaarlijks vóór 1 januari over de verdeling van de budgetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.156</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.157</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen tevens de bedragen ten beheer die zijn gemoeid met de bevoorschotting van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als een instelling zijn jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig indient: a. verzoekt het Commissariaat de raad van bestuur de bevoorschotting met twintig procent te verminderen; en b. kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als een instelling haar gelden in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet uitgeeft, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting te verminderen of te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken als bedoeld in het tweede en derde lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gelden voor bijzondere doelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.158</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.159</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging Wereldomroep</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begroting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.160</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.161</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.162</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling budgetten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.163</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.164</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.165</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene mediareserve</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.166</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster een algemene mediareserve vormen die bestemd is voor: a. de opvang van dalende inkomsten van de Ster; b. bijdragen in reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten; en c. de financiering van de door het Commissariaat aan te houden rekening-courantverhouding voor de betalingen ter uitvoering van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat beheert de algemene mediareserve.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.167</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan, voor zover dat de financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt, uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten behoeve van: a. de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen; b. het overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.146, onder l, het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, bedoeld in artikel 8.1, en de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie; c. het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de NPO en de landelijke publieke media-instellingen door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur. Voor de landelijke publieke media-instellingen is artikel 2.152a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de RPO, de regionale publieke media-instellingen en de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door tussenkomst van het Commissariaat aan hen ter beschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.168</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Renteopbrengsten uit het beheer van de algemene mediareserve zijn bestemd voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan: a. de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen; b. het overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.146, onder l, het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, bedoeld in artikel 8.1, en de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie; c. het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikel 2.167, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.169</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden op grond van de artikelen 2.167 en 2.168 voorschriften verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De voorschriften hebben geen betrekking op de specifieke inhoud van media-aanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onze Minister kan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, als de voorschriften niet worden nageleefd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2169a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.169a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De RPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de regionale publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De begroting bevat in elk geval: a. een beschrijving van de wijze waarop door de RPO en de regionale publieke media-instellingen invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet; b. een overzicht van aard en aantal van de aanbodkanalen; c. de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de regionale publieke mediadienst te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar; d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en e. een beschrijving van de samenwerking met de landelijke en lokale publieke media-instellingen en anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld: a. de eigen inkomsten van de regionale publieke media-instellingen, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod; en b. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de RPO.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2169b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.169b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De RPO maakt de begroting openbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2169c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.169c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het budget vast voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de RPO.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan aan een besluit tot het vast stellen van het budget schriftelijke voorwaarden verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het budget, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de RPO.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Onze Minister stelt het budget vast op tachtig procent van het budget van het voorgaande jaar als de RPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het budget, bedoeld in het eerste lid, besteedt het bestuur van de RPO aan de daar genoemde doelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.170</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het totaalbudget vast dat voor het volgend jaar beschikbaar is voor de bekostiging van de regionale publieke mediadiensten. Onze Minister stelt het totaalbudget ter beschikking aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan op aanvraag van regionale publieke media-instellingen uit het budget, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage verstrekken in de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van regionale publieke mediadiensten, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt. Het Commissariaat beslist jaarlijks vóór 1 januari op een aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Aan de verstrekking van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden geen voorwaarden verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van een begroting die is afgestemd op de begroting, bedoeld in artikel 2.169a, eerste lid, voor dezelfde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: a. de verdeling van het totaalbudget over de regionale publieke media-instellingen; b. de inhoud, de inrichting en het tijdstip van indiening van een aanvraag; en c. de inhoud en de inrichting van de begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begrotingen van de regionale publieke media-instellingen aan Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De regionale publieke media-instellingen besteden de ontvangen bedragen aan de verzorging van publieke mediadiensten op regionaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De regionale publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Als een regionale publieke media-instelling haar jaarrekening, bedoeld in artikel 2.173a, tweede lid, niet tijdig indient: a. vermindert het Commissariaat de bevoorschotting met twintig procent; en b. kan het Commissariaat de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een instelling voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan het Commissariaat de bevoorschotting verminderen of beëindigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2170a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.170a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een regionale publieke media-instelling voornemens is na afloop van de periode waarvoor een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.61 is verleend, een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media- instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Na de melding kan de regionale publieke media-instelling in het laatste jaar van de periode waarvoor een aanwijzing is verleend, activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft, na afloop van de periode waarvoor die aanwijzing is verleend, een commerciële omroepdienst kan verzorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als een regionale publieke media-instelling uitvoering geeft aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor een aanwijzing is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. Artikel 2.138a, eerste lid, tweede, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Mede op basis van de eindafrekening, bedoeld in het derde lid, stelt het Commissariaat het terug te betalen bedrag vast. Artikel 2.138a, tweede lid, tweede volzin, is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In het geval, bedoeld in het derde lid: a. betaalt de regionale publieke media-instelling de op het moment, bedoeld in het eerste lid, aanwezige gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod voor de regionale publieke mediadienst, terug aan het Commissariaat; b. stelt de regionale publieke media-instelling het programmamateriaal dat verspreid is op de programmakanalen van de regionale publieke media-instelling dan wel daarvoor is geproduceerd of aangekocht en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- en gebruiksrecht bij de regionale publieke media-instelling berust, ter beschikking aan de door Onze Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief voor gebruik door andere publieke media-instellingen; en c. onthoudt de regionale publieke media-instelling zich gedurende drie jaar na afloop van de periode waarvoor de aanwijzing is verleend, van gebruik of exploitatie van het programmamateriaal, bedoeld in onderdeel b, en de daaraan verbonden programmaformats, namen en merken, voor zover het auteurs- en gebruiksrecht bij de regionale publieke media-instelling berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Voor de toepassing van het derde, vierde en vijfde lid wordt onder regionale publieke media-instelling tevens begrepen haar rechtsopvolger of rechtsverkrijgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Als een regionale publieke media-instelling na afloop van de periode waarvoor een aanwijzing is verleend, niet opnieuw wordt aangewezen, draagt zij binnen vier maanden na afloop van de periode waarvoor die aanwijzing is verleend, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening wat betreft de financiën die betrekking hebben op de verzorging van media-aanbod voor de regionale publieke mediadienst. Artikel 2.138a, eerste lid, tweede, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.138a, tweede lid, is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 In het geval, bedoeld in het zevende lid, zijn het vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Het zevende lid is eveneens van toepassing, als een aanwijzing overeenkomstig artikel 2.67 of artikel 2.68 wordt ingetrokken. Artikel 2.138a, eerste lid, tweede, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.138a, tweede lid, is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 In het geval, bedoeld in het negende lid, zijn het vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2170b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.170b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de colleges van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2170c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.170c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het overlegorgaan dient jaarlijks vóór 1 mei een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in bij Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2170d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.170d</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster aan het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, een bijdrage in de kosten ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als het overlegorgaan niet voldoet aan artikel 2.170c of indien hij de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister: a. de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken; of b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzigen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.171</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De landelijke publieke media-instellingen en de Ster zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur. De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster nemen in het bestuursverslag, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.34i, 2.40 en 2.103, in samenhang met de artikelen 48 en 300 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een samengevatte jaarrekening op.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De raad van bestuur zendt vóór 1 juli de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.172</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekeningen, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen over de winst- en verliesrekening zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen over winst en verlies zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening, waaronder regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering of wijzigingen van die regels worden niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat een ontwerp daarvan aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.7, verslag uit over de rechtmatigheidstoetsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2173a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.173a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de RPO en de regionale publieke media-instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De RPO en de regionale publieke media-instellingen zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De artikelen 2.172 en 2.173 zijn van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Reservering en terugvordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.174</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De landelijke publieke media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De NPO kan gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen, reserveren. De NPO kan tevens gelden die bestemd zijn voor de uitvoering van zijn taken en werkzaamheden, reserveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van de NPO en de landelijke publieke media-instellingen met uitzondering van de uitgaven aan verenigingsactiviteiten, zoals opgenomen in de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2174a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.174a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136 tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag reserveren voor die verenigingsactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, slechts tot een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag overeenkomstig het eerste lid reserveren voor eigen verenigingsactiviteiten. De instelling ontvangt jaarlijks aan het einde van het boekjaar, bedoeld in artikel 2.172, tweede lid, van de omroepverenigingen over dat boekjaar het deel van hun exploitatiesaldo dat overblijft na aftrek van de overeenkomstig de eerste volzin voor verenigingsactiviteiten gereserveerde gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd of in strijd met het tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.175</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regionale publieke media-instellingen kunnen met toestemming van het Commissariaat en onder door hem te stellen voorwaarden, die per instelling kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De RPO kan gelden reserveren die bestemd zijn voor de uitvoering van haar taken en werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van een regionale publieke media-instelling of de RPO.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan het Commissariaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.176</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gereserveerde gelden voor de verzorging van media-aanbod worden in het volgende kalenderjaar besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan voor de landelijke publieke media-instellingen op verzoek van de raad van bestuur ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat kan op verzoek van een regionale publieke media-instelling ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.177</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gelden die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gebruikt of die in strijd met de artikelen 2.174, tweede lid, 2.174a, eerste lid, en 2.175, eerste lid, zijn gereserveerd, of die in strijd met artikel 2.174a, tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, vordert het Commissariaat van de NPO, de RPO of de landelijke of regionale publieke media-instelling terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Teruggevorderde gelden worden toegevoegd aan de algemene mediareserve.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2.6.6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.178</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Ster richten hun organisatie zodanig in dat een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van de bedrijfsprocessen gewaarborgd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Ster voeren een deugdelijke administratie waaruit te allen tijde Onze Minister, de raad van bestuur en het Commissariaat elk de benodigde informatie die zij voor de uitvoering van hun taken nodig hebben, op eenduidige wijze kunnen verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De raad van bestuur en het Commissariaat bevorderen dat onderscheidenlijk de landelijke publieke media-instellingen en de regionale publieke media-instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.179</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  2.6.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.180</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vijf jaar in.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De meerjarenplannen zijn afgestemd op het voor de desbetreffende periode geldende concessiebeleidsplan voor de landelijke publieke mediadienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.181</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen dienen jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De instellingen dienen jaarlijks vóór 1 mei bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.182</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De meerjarenplannen en de jaarrekeningen behoeven de instemming van Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met betrekking tot de meerjarenplannen hoort Onze Minister de NPO.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.183</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen een bijdrage in de kosten ter beschikking. Onze Minister stelt de bijdrage voor de instelling die is aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur, die de bijdrage ter beschikking stelt aan de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als een instelling niet voldoet aan de artikelen 2.180 en 2.181 of de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister: a. de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken; of b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzigen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  2.7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Evaluatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.184</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO evalueert regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke mediaopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een evaluatie vindt in elk geval eens in de vijf jaar plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als de evaluatiecommissie in haar rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn aan te nemen dat een omroeporganisatie onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar en vier jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht een eerste respectievelijk tweede evaluatie plaats van de wijze waarop de betreffende omroeporganisatie uitvoering geeft aan deze publieke taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de NTR en de NOS en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun wettelijke taak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.185</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De NPO stelt een commissie in die tot taak heeft de evaluatie te verrichten voor de duur van de evaluatie. De commissie bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is zo veel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De leden van de evaluatiecommissie worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.186</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatiecommissie rapporteert in elk geval over: a. de wijze waarop de NPO en de landelijke publieke media-instellingen gezamenlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; b. de mate waarin het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst tegemoet komt aan de interesses en inzichten van het algemene publiek en van specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen; c. de wijze waarop de omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie of die door Onze Minister zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De evaluatiecommissie rapporteert over de wijze waarop omroeporganisaties, de NTR of de NOS afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau als bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.187</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatiecommissie kan aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht in de komende jaren uitvoering wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De evaluatiecommissie brengt op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de raad van toezicht van de NPO, die het aan Onze Minister zendt en openbaar maakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.188</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden criteria vastgesteld op basis waarvan afzonderlijke landelijke publieke media-instellingen worden geëvalueerd als bedoeld in artikel 2.186, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Commerciële mediadiensten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Toestemming omroepdiensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet is het verzorgen van een commerciële omroepdienst alleen toegestaan met toestemming van het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid is artikel 3.29b van overeenkomstige toepassing voor zover de commerciële omroepdienst bestaat uit het verzorgen van radioprogramma-aanbod via het open internet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als een commerciële media-instelling meerdere programmakanalen verzorgt, is voor ieder programmakanaal afzonderlijk toestemming nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Als een commerciële media-instelling het door een derde aangeleverde programma-aanbod van een programmakanaal wijzigt, heeft die commerciële media-instelling voor het gewijzigde programmakanaal toestemming nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aanvragen voor een toestemming worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een toestemming wordt op aanvraag verleend en geldt voor vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een toestemming is niet overdraagbaar en vervalt van rechtswege na afloop van de toestemmingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In de toestemming wordt aangegeven of deze betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Op grond van een toestemming voor televisieomroep is het tevens toegestaan teletekst te verzorgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn; of b. redelijkerwijs te verwachten is dat de aanvrager zich niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat trekt een toestemming in als de commerciële media-instelling: a. daarom verzoekt; of b. in gebreke blijft met de betaling van de verschuldigde toezichtskosten, bedoeld in artikel 3.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan een toestemming intrekken als de commerciële media-instelling: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt blijkt te hebben; of b. overigens niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Programma-aanbod</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid en verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële media-instelling bepaalt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door haar verzorgde programma-aanbod en is daar verantwoordelijk voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een commerciële media-instelling brengt in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod een redactiestatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een commerciële media-instelling neemt passende maatregelen om te voorkomen dat het aanbod van haar mediadiensten aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de gronden genoemd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, of uitlokt tot het plegen van een terroristisch misdrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële media-instelling stelt ten minste de volgende gegevens van de media-instelling gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar voor het publiek: a. naam; b. plaats van vestiging; c. contactgegevens waaronder e-mailadres of internetadres; en d. de naam van het Commissariaat als het orgaan dat is belast met het toezicht op de naleving op grond van titel 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een commerciële media-instelling informeert het Commissariaat onverwijld over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de bevoegdheid van Nederland over deze commerciële media-instelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reclame- en telewinkelboodschappen, gesponsord programma-aanbod en productplaatsing zijn als zodanig herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In reclame- en telewinkelboodschappen, gesponsord programma-aanbod en programma-aanbod met productplaatsing worden geen subliminale technieken gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het programma-aanbod bevat geen sluikreclame.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Reclame en telewinkelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële media-instelling die reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod opneemt, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reclame- en telewinkelboodschappen zijn door akoestische, visuele of ruimtelijke middelen duidelijk onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het programma-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor: a. medische behandelingen; en b. alcoholhoudende dranken tussen 06.00 uur en 21.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In de naam van een programmakanaal mogen namen of (beeld-)merken van personen, bedrijven of instellingen op neutrale wijze worden vermeld of getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het Commissariaat kan nadere regels stellen voor de vermelding of vertoning, bedoeld in het derde lid, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het televisieprogramma-aanbod bevat voorts geen reclame- en telewinkelboodschappen voor: a. kansspelen waarvoor een vergunning als bedoeld in de artikelen 14a, 15, 23, 27g en 31 van de Wet op de kansspelen vereist is, of die gespeeld worden op een automaat in een speelautomatenhal voor de aanwezigheid waarvan een vergunning vereist is, tussen 06.00 en 21.00 uur; b. overige kansspelen waarvoor ingevolge de Wet op de kansspelen een vergunning vereist is, tussen 06.00 en 19.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het vijfde lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op radioprogramma-aanbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het programma-aanbod op een programmakanaal bestaat voor niet meer dan twintig procent van de tijdvakken tussen 06:00 uur en 18:00 uur en tussen 18:00 uur en 24:00 uur uit reclame- of telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Met inachtneming van deze afdeling kunnen in het programma-aanbod bestaande uit het verslag of de weergave van sportevenementen afzonderlijke reclame- of telewinkelboodschappen worden geplaatst en in het overige programma-aanbod bij uitzondering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het programma-aanbod op een programmakanaal duren blokken van telewinkelboodschappen zonder onderbreking ten minste vijftien minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Blokken van telewinkelboodschappen zijn gedurende de gehele duur daarvan door visuele en akoestische middelen duidelijk als zodanig herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikel 3.8, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op de telewinkelblokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In programma’s worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als deze geen afbreuk doen aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het desbetreffende programma of aan de rechten van rechthebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In programma’s die bestaan uit de weergave van kerkelijke of geestelijke samenkomsten worden geen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen telewinkelboodschappen opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.11</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende programma’s worden ten hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen: a. programma’s bestaande uit films; b. programma’s bestaande uit nieuws of commentaar op het nieuws.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden ten hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclameboodschappen opgenomen, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan dertig minuten bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In televisieprogramma’s die bestaan uit het verslag van een evenement worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.14</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 3.8 en 3.11 mag een televisieprogrammakanaal worden verzorgd dat: a. uitsluitend bestaat uit ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden reclameboodschappen; of b. uitsluitend bestaat uit telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In het programma-aanbod van een televisieprogrammakanaal als bedoeld in het eerste lid mogen andere reclameboodschappen worden opgenomen met inachtneming van de bepalingen die gelden voor het opnemen van reclameboodschappen in televisieprogramma-aanbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Sponsoring</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.15</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Programma-aanbod wordt alleen gesponsord als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod ten opzichte van de sponsors.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Programma-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie wordt niet gesponsord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.16</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij gesponsord programma-aanbod wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het programma-aanbod is gesponsord.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De vermelding is zodanig vormgegeven dat: a. tussen 06.00 uur en 21.00 uur de vermelding van sponsors die zich bezighouden met de productie of verkoop van alcoholhoudende dranken, geschiedt door neutrale vermelding of vertoning van naam of (beeld)merk; en b. in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a, de vermelding geschiedt door vermelding of vertoning van naam, (beeld)merk of ander onderscheidend teken en het publiek niet rechtstreeks door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij een gesponsord programma vindt de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde van de in het programma opgenomen reclameboodschap of reclameboodschappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.17</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In gesponsord programma-aanbod mogen: a. onverminderd afdeling 3.2.3a, producten of diensten van sponsors worden vermeld of getoond; en b. in de titel de naam, het (beeld)merk, producten of diensten van sponsors worden vermeld of getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het vermelden en vertonen als bedoeld in het eerste lid mogen het publiek niet door middel van specifieke aanprijzingen aansporen tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat kan nadere regels stellen voor de vertoning of vermelding in de titel, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.16, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van programma-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij programma-aanbod dat bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mogen de namen of (beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een financiële of andere bijdrage hebben gegeven voor de totstandkoming van het evenement worden vermeld of getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Artikel 3.16, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties die vallen onder het verbod op sponsoring op grond van artikel 5 van de Tabaks- en rookwarenwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.2.3a</h3>\n<p class=\"lf-p\">Productplaatsing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Productplaatsing in het programma-aanbod is toegestaan met uitzondering van nieuws- en actualiteitenprogramma’s, programma's over consumentenzaken, programma’s van kerkelijke of geestelijke aard en programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Deze afdeling is niet van toepassing op aanbod dat is geproduceerd voor 19 december 2009.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Productplaatsing mag alleen voorkomen als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod in verband met productplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Productplaatsing in het programma-aanbod is zodanig vormgegeven dat: a. het publiek niet rechtstreeks door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van producten of afname van diensten; en b. het betrokken product geen overmatige aandacht krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Productplaatsing is niet toegestaan voor: a. medische behandelingen; en b. alcoholhoudende dranken tussen 06.00 uur en 21.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij programma-aanbod waarin productplaatsing is opgenomen wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat het programma-aanbod voorzien is van productplaatsing. De vermelding geschiedt op passende wijze en vindt plaats aan het begin en het einde van het programma en eveneens aan het begin of het einde van de in het programma opgenomen reclameboodschap of reclameboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het Commissariaat kan nadere regels stellen over de toepassing van productplaatsing in programma-aanbod, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.19b, vierde lid, is niet van toepassing op programma-aanbod met productplaatsing dat niet geproduceerd of besteld is door of in opdracht van de commerciële media-instelling dan wel door of in opdracht van een aan haar verbonden onderneming.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.4.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Europese en onafhankelijke producties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.20</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële media-instelling gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.21</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Ten minste een derde deel van de producties, bedoeld in het eerste lid, is niet ouder dan vijf jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.22</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt programma-aanbod dat niet geproduceerd is door: a. een publieke media-instelling; b. een commerciële media-instelling; c. een buitenlandse omroepinstelling; d. een rechtspersoon waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a, b of c, al dan niet door middel van een of meer dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft; e. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b of c, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, samen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of f. een vennootschap waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a, b, of c, of een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur: a. kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel en de artikelen 3.20 en 3.21; en b. kan worden bepaald dat in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen programma-aanbod wordt aangemerkt als onafhankelijke productie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.23</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de artikelen 3.20 tot en met 3.22 blijft buiten beschouwing programma-aanbod dat: a. bestaat uit nieuws; b. betrekking heeft op sport; c. het karakter van een spel heeft, met uitzondering van programma’s van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben; d. bestaat uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie; e. bestaat uit stilstaande beelden; en f. bestaat uit teletekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De artikelen 3.20 tot en met 3.22 zijn niet van toepassing op: a. programma-aanbod dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen; b. programma-aanbod als bedoeld in artikel 3.14; en c. programma-aanbod dat uitsluitend bestemd is voor ontvangst in andere staten dan de lidstaten van de Europese Unie en dat niet direct of indirect kan worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nederlands- en Friestalige producties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.24</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.25</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma’s, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het programma-aanbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, voorzien is van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van een verplichting betreffende het percentage, bedoeld in het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3.2.4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Films</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het programma-aanbod worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  3.2.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.27</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële media-instelling brengt jaarlijks verslag uit aan het Commissariaat over de maatregelen die zij treft om de toegankelijkheid van het audiovisuele media-aanbod voor personen met een handicap verder te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat brengt uiterlijk 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit aan de Europese Commissie over de uitvoering van het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 3.8, 3.9, eerste en derde lid, 3.10, tweede lid, 3.11 tot en met 3.14 en 3.19 tot en met 3.26 zijn niet van toepassing op programma-aanbod dat niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden en dat: a. voor zover het de beeldinhoud betreft uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden; of b. hoofdzakelijk bestaat uit informatie over programma-aanbod en andere diensten die via een omroepzender of omroepnetwerk worden aangeboden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  3.2a</h3>\n<p class=\"lf-p\">Commerciële mediadiensten op aanvraag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29a</span><span class=\"lf-art-t\">In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">animatie: audiovisuele productie met toepassing van een filmtechniek waarbij de illusie van beweging wordt gecreëerd door verschillende stilstaande beelden na elkaar af te spelen; commerciële mediadienst op aanvraag: mediadienst op aanvraag die door een commerciële media-instelling wordt verzorgd en waarbij het media-aanbod betrekking heeft op producten met bewegende beeldinhoud al dan niet mede met geluidsinhoud. Daaronder worden ook begrepen bijbehorende ondertitelingsdiensten en elektronische programmagidsen; documentairefilm: audiovisuele productie in het genre non-fictie waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl, met een vertoningsduur van ten minste 50 minuten; documentaireserie: audiovisuele productie in het genre non-fictie, waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl, met een doorlopende verhaallijn en in een beperkte reeks, met een totale vertoningsduur van ten minste 120 minuten, verdeeld over meerdere afleveringen van ieder ten minste twintig minuten; dramaserie: audiovisuele productie in het genre fictie, met een doorlopende verhaallijn en in een beperkte reeks, met een totale vertoningsduur duur van ten minste 120 minuten, verdeeld over afleveringen van ieder ten minste twintig minuten, dan wel in het geval van een serie die in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar of van een animatie, met een totale vertoningsduur van ten minste 100 minuten, verdeeld over afleveringen van ieder ten minste tien minuten; speelfilm: audiovisuele productie in het genre fictie met een vertoningsduur van ten minste 60 minuten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt of beëindigt, meldt het moment van de aanvang of de beëindiging van de mediadienst op aanvraag binnen twee weken na dat moment aan het Commissariaat. Als een media-instelling een door een derde aangeleverde commerciële mediadienst op aanvraag wijzigt, meldt deze media-instelling eveneens de gewijzigde commerciële mediadienst op aanvraag. De volgende gegevens van de media-instelling worden daarbij in elk geval verstrekt: a. naam; b. plaats van vestiging; en c. contactgegevens waaronder e-mailadres of internetadres.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, stelt eveneens ten minste de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gemakkelijk, rechtstreeks en permanent beschikbaar, alsmede de naam van het Commissariaat als het orgaan dat is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt informeert het Commissariaat onverwijld over wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de bevoegdheid van Nederland over deze media-instelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het audiovisueel media-aanbod van een commerciële mediadienst op aanvraag bestaat voor ten minste dertig procent uit Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Europese producties op een commerciële mediadienst op aanvraag worden door de media-instelling die de commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt onder de aandacht van het publiek gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag met een lage omzet of een klein publiek verzorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het Commissariaat kan voor een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid indien de toepassing van deze leden gelet op de aard of het onderwerp van deze mediadienst op aanvraag praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op commerciële mediadiensten op aanvraag zijn de artikelen 3.5, 3.5b, 3.6, 3.7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 3.15 tot en met 3.19c, 3.26 en 3.27 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de artikelen 3.16, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en 3.19b, derde lid, onderdeel b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, investeert in Nederlands cultureel audiovisueel product.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De investering bedraagt vijf procent van de relevante omzet per boekjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De relevante omzet per boekjaar bestaat uit alle in Nederland gegenereerde omzet die verband houdt met het aanbieden van de betreffende commerciële mediadienst op aanvraag. Hiertoe wordt gerekend omzet uit: a. reclameboodschappen; b. abonnementen; c. gebruikerstransacties; d. sponsoring; en e. productplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid is niet van toepassing indien de relevante omzet per boekjaar minder dan € 10 miljoen bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het Commissariaat kan een media-instelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het eerste lid indien toepassing gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het Commissariaat kan nadere regels stellen over de ontheffing, bedoeld in het vijfde lid, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder Nederlands cultureel audiovisueel product wordt verstaan een Europese productie in de zin van artikel 1, onderdeel n, van de Europese richtlijn, niet zijnde een verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden, die voldoet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden, waarvan ten minste één van de onder a of b genoemde voorwaarden: a. het scenario is voor ten minste 75 procent geschreven in de Nederlandse of Friese taal; b. de hoofdpersonages drukken zich voor ten minste 75 procent uit in de Nederlandse of Friese taal; c. het scenario is gebaseerd op een origineel literair werk in de Nederlandse of Friese taal; d. het hoofdthema houdt verband met de Nederlandse cultuur, geschiedenis, maatschappij of politiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29g</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De investering, bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid, wordt uitgevoerd voordat twee boekjaren zijn verstreken sinds het einde van het boekjaar waarin de relevante omzet, bedoeld in artikel 3.29e, is gegenereerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien een media-instelling in één boekjaar meer investeert dan waartoe hij op grond van artikel 3.29e verplicht is, telt het meer geïnvesteerde mee in het daarop volgende boekjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De investering vindt plaats in media-aanbod dat kwalificeert als Nederlands cultureel audiovisueel aanbod en bestaat uit: a. een investering in een productie of coproductie; b. de verkrijging vooraf van een exploitatielicentie ten aanzien van een nog niet voltooide productie; of c. de verkrijging van een exploitatielicentie ten aanzien van een productie die op het moment van de verkrijging niet ouder is dan vier jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Ten minste de helft van het te investeren bedrag wordt aangewend ten behoeve van media-aanbod dat kwalificeert als Nederlands cultureel audiovisueel product en een documentairefilm, documentaireserie, dramaserie of speelfilm is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Ten minste zestig procent van het te investeren bedrag wordt aangewend ten behoeve van onafhankelijke producties als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid. Artikel 3.22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De investering is uitgevoerd wanneer een of meer overeenkomsten zijn gesloten ten behoeve van een investering of verkrijging als bedoeld in het derde lid dan wel, voor zover het betreft een investering, bedoeld in het derde lid, onder a, het te investeren bedrag op andere wijze aantoonbaar daarvoor is aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gevolgen voor het uitvoeren van de investering van de ontbinding of niet nakoming van een overeenkomst als bedoeld in het vijfde lid, dan wel van het niet langer op aantoonbare wijze aanwenden van het te investeren bedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29h</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een media-instelling als bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid, informeert het Commissariaat jaarlijks vóór 1 juli met betrekking tot het voorgaande boekjaar over het volgende: a. de samenstelling en hoogte van de relevante omzet; en b. de uitvoering van de investering bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing op een media-instelling waarvan de totale in Nederland gegenereerde omzet minder dan € 10 miljoen per boekjaar betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanlevering van informatie of stukken bij het Commissariaat ter uitvoering van het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29i</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 3.29e, 3.29g en 3.29h zijn eveneens van toepassing op een aanbieder van mediadiensten die krachtens artikel 2 van de Europese richtlijn onder de bevoegdheid van een andere lidstaat valt en een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt die zich geheel of gedeeltelijk richt op publiek in Nederland, behalve wanneer de mediadienst een klein publiek heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan een aanbieder van mediadiensten als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van artikel 3.29e, eerste lid, indien toepassing gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn. Artikel 3.29e, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen indicatoren worden vastgesteld waaruit kan worden opgemaakt dat een mediadienst zich richt op publiek in Nederland.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  3.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Toezichtskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.30</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële media-instelling is aan het Commissariaat jaarlijks kosten verbonden aan het toezicht verschuldigd voor elke verkregen toestemming en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de vaststelling van de toezichtskosten, bedoeld in het eerste lid, waarbij in elk geval: a. onderscheid kan worden gemaakt tussen omroepdiensten en mediadiensten op aanvraag; b. onderscheid kan worden gemaakt tussen toestemmingen voor radio-omroep en voor televisieomroep; en c. rekening kan worden gehouden met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma-aanbod kan ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat kan de verschuldigde toezichtskosten invorderen bij dwangbevel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.31</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  3a</h3>\n<p class=\"lf-p\">Videoplatformdiensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanbieder van een videoplatform: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een videoplatformdienst aanbiedt; audiovisuele commerciële communicatie: beelden, al dan niet met geluid, die dienen om direct of indirect de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten en deel uitmaken van audiovisueel media-aanbod of van een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie; door gebruiker gegenereerde video: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt, die door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload; gedragscode: gedragscode voor een of meer videoplatformen, gericht op de gebruikers van een videoplatformdienst, waarin in ieder geval regels als bedoeld in artikel 3a.3 zijn opgenomen. productplaatsing: het tegen betaling of soortgelijke vergoeding opnemen van of het verwijzen naar een product, dienst of (beeld)merk binnen het kader van een programma, met een programma overeenkomend onderdeel van het media-aanbod, of door een gebruiker gegenereerde video; sponsoring: het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een onderneming of een natuurlijke persoon die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of videoplatformdiensten, of met de vervaardiging van audiovisuele werken, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video’s, teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken; videoplatformdienst: dienst of een losstaand gedeelte daarvan, a. waarvan het hoofddoel of een essentiële functie bestaat uit het aan het algemene publiek aanbieden van audiovisueel media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video’s ter informatie, vermaak of educatie; b. waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt; c. waarvan de organisatie met automatische middelen of algoritmen wordt bepaald door de aanbieder van het videoplatform; en d. die wordt aangeboden door middel van openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Onder de bevoegdheid van Nederland valt een aanbieder van een videoplatformdienst die krachtens artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn in Nederland is gevestigd of geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een aanbieder van een videoplatform stelt, gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ten minste de volgende gegevens beschikbaar voor het publiek: a. naam; b. plaats van vestiging; c. contactgegevens waaronder e-mailadres of internetadres; en d. de naam van het Commissariaat als het orgaan dat is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een aanbieder van een videoplatform heeft een gedragscode die maatregelen voorschrijft als bedoeld in artikel 28ter, eerste lid, en tweede lid, tweede en vierde alinea, van de Europese richtlijn, en past deze gedragscode en maatregelen op dit videoplatform toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, omvat daartoe naargelang het geval de maatregelen als genoemd in artikel 28ter, derde lid, van de Europese richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De gedragscode, bedoeld in eerste lid, bevat duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen en voorziet in: a. regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen worden bereikt; en b. doeltreffende handhaving, met inbegrip van doeltreffende en evenredige sancties.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De aanbieder van een videoplatform zorgt ervoor dat de gedragscode voldoende draagvlak heeft onder de belangrijkste betrokkenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een aanbieder van een videoplatform die audiovisuele commerciële communicatie in de handel brengt, verkoopt of organiseert, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Audiovisuele commerciële communicatie op een videoplatformdienst is als zodanig herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In audiovisuele commerciële communicatie wordt geen subliminale technieken gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Audiovisuele commerciële communicatie wordt niet aangeboden in de vorm van sluikreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien audiovisueel media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten en de aanbieder van een videoplatform daarvan op de hoogte is, informeert de aanbieder van een videoplatform de gebruiker van de videoplatformdienst hierover op een manier die voor de gebruiker duidelijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming jeugdigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het audiovisueel media-aanbod mag alleen dan aanbod bevatten dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar, als de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, en ter zake gebonden is aan de regels en het toezicht daarop van die organisatie met betrekking tot het verspreiden van het hiervoor bedoelde aanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De instelling die is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, toont dit aan door een schriftelijke verklaring van de erkende organisatie aan het Commissariaat over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover het audiovisueel media-aanbod wordt aangeboden in een andere lidstaat van de Europese Unie en de aanbieder daarvan aan het Commissariaat heeft aangetoond dat de bescherming van personen jonger dan zestien jaar tegen het betreffende audiovisuele media-aanbod ten minste overeenkomstig is aan het beschermingsniveau als bedoeld in artikel 4.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Audiovisueel media-aanbod dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod zodanig beschikbaar gesteld dat personen jonger dan zestien jaar deze normaliter niet te horen of te zien krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De meest schadelijke inhoud als nodeloos geweld en pornografie wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod ontoegankelijk gemaakt voor personen jonger dan zestien jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor zover het televisieprogramma-aanbod betreft dat niet als meest schadelijke inhoud kan worden gekwalificeerd, worden de maatregelen die volgen uit de regelingen als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, beschouwd als maatregelen als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De op grond van dit artikel door media-instellingen verzamelde of anderszins gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan een organisatie erkennen die voorziet in regelingen omtrent classificatie en het verspreiden van aanbod als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, en het toezicht daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De regelingen hebben in ieder geval betrekking op: a. criteria voor de classificatie van aanbod, waaronder in ieder geval de mate waarin:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. angst wordt opgewekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. brutaliserend geweld wordt vertoond of gerechtvaardigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. het gebruik van drugs aantrekkelijk wordt voorgesteld of vergoelijkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. sprake is van pornografie; en 5°. op andere gronden volgens algemeen geldende opvattingen producten niet geschikt zijn voor vertoning aan bepaalde categorieën personen jonger dan zestien jaar; b. de tijdstippen van verspreiding van het hiervoor bedoelde aanbod op een programmakanaal; en c. de wijze waarop de verspreiding van dit aanbod wordt voorafgegaan door of is voorzien van symbolen of waarschuwingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een organisatie komt slechts voor erkenning in aanmerking als: a. onafhankelijk toezicht door de organisatie op de naleving van de regelingen, bedoeld in artikel 4.2 , eerste lid, is gewaarborgd; b. voorzien is in voldoende betrokkenheid van belanghebbenden, onder wie in ieder geval vertegenwoordigers uit de consumentensfeer, publieke media-instellingen, deskundigen op het gebied van de audiovisuele media en producenten van audiovisuele media; en c. de financiële positie van de organisatie een adequate uitvoering van de werkzaamheden waarborgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de eisen bedoeld in het eerste lid en kunnen andere eisen voor erkenning worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister trekt een erkenning in als de erkende organisatie niet meer voldoet aan de artikelen 4.2 en 4.3, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan een erkenning intrekken als de erkende organisatie niet voldoet aan de nadere regels en andere eisen, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, of de voorschriften, bedoeld in artikel 4.3, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van een beschikking tot erkenning en intrekking van een erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst vastgesteld van evenementen die, wanneer zij als een televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal, en kan worden bepaald welke van die evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld in artikel 14 van de Europese richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een evenement kan op de lijst worden geplaatst als in ieder geval wordt voldaan aan twee van de volgende voorwaarden: a. het evenement is van algemeen belang voor de Nederlandse samenleving; b. het evenement is van bijzondere culturele betekenis; c. het evenement werd in het verleden ook al op een open televisieprogrammakanaal uitgezonden en kon rekenen op een grote kijkdichtheid; en d. het gaat om een groot internationaal sportevenement waaraan een nationaal team deelneemt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, waarbij in ieder geval wordt bepaald of de op de lijst genoemde evenementen, wanneer zij als televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel door middel van volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Publieke media-instellingen en commerciële media-instellingen oefenen verworven verspreidingsrechten die betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst van evenementen uit overeenkomstig de krachtens artikel 5.2 gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De instellingen oefenen na 30 juli 1997 verworven uitzendrechten uit overeenkomstig de regels die door andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 14, van de Europese richtlijn zijn gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieders van omroepdiensten die exclusieve rechten hebben verworven ten aanzien van evenementen van groot belang, stellen korte fragmenten daarvan tegen vergoeding ter beschikking van andere aanbieders van omroepdiensten in de Europese Gemeenschap die daarom verzoeken. De verzoekende aanbieder van een omroepdienst is vrij in de keuze van fragmenten van evenementen van groot belang en mag deze verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Korte fragmenten duren maximaal 90 seconden per evenement en mogen onbeperkt worden herhaald binnen één etmaal. Als de wedstrijdbepalende sportmomenten van het evenement samen langer duren dan 90 seconden en de weergave zich beperkt tot die sportmomenten, mogen korte fragmenten bij uitzondering maximaal 180 seconden duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor verspreiding van de korte fragmenten gelden de volgende voorwaarden: a. korte fragmenten worden uitsluitend opgenomen in dagelijks geprogrammeerde algemene nieuwsprogramma’s; b. korte fragmenten worden, indien het wedstrijdbepalende sportmomenten betreft, niet eerder verspreid dan nadat de exclusieve rechten van het evenement, voor volledig rechtstreekse en gedeeltelijk uitgestelde verslaggeving, voor de eerste maal zijn gebruikt; en c. tijdens de verspreiding van een kort fragment wordt de bron vermeld, tenzij dat om praktische redenen niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Alleen de media-instelling die korte fragmenten overeenkomstig het derde lid verspreidt, kan het desbetreffende programma in identieke vorm als media-aanbod van haar mediadienst op aanvraag aanbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een speeldag van een sportcompetitie of sportevenement wordt als één evenement beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De vergoeding voor een kort fragment bedraagt niet meer dan de extra kosten die rechtstreeks voortkomen uit het verschaffen van toegang tot het signaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het ter beschikking stellen van korte fragmenten en het gebruik daarvan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  6.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Politieke partijen en overheid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Politieke partijen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat wijst jaarlijks een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe aan politieke partijen die bij de laatstgehouden verkiezing van de leden van de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een of meer zetels hebben verworven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat wijst een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe aan: a. politieke partijen die in ten minste negentien kieskringen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal deelnemen; en b. politieke partijen die in Nederland aan de verkiezing van de leden van het Europese Parlement deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De uren, bedoeld in het tweede lid, zijn beschikbaar in een door het Commissariaat te bepalen periode die onmiddellijk vooraf gaat aan de dag die in Nederland voor de desbetreffende verkiezing is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een politieke partij op grond van de artikelen 137c, 137d, 137e, 137f, 137g of 429quater van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, wijst het Commissariaat in afwijking van artikel 6.1, eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Deze periode is: a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125; b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250; c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als een politieke partij is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht is, wijst het Commissariaat in afwijking van artikel 6.1, eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode van vier jaar die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als aan de lijst van een politieke partij aan de lijst waarvan op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk wordt op grond van de Kieswet geen zetels zijn toegewezen, op grond van een verkiezing die plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na die dag één of meer zetels worden toegewezen, gaat de periode gedurende welke aan deze politieke partij geen uren als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, worden toegewezen, in op de dag waarop de verkiezing heeft plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na een veroordeling als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, worden aan de politieke partij, zo nodig in afwijking van artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, in ieder geval geen uren als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, toegewezen binnen twee jaar na de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als aan een politieke partij met toepassing van artikel 6.2, eerste lid, geen uren meer worden toegewezen, dan vervallen met ingang van de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden van rechtswege ook de uren die al zijn toegewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een politieke partij gebruikt de aan haar toegewezen uren geheel en alleen voor programma-aanbod op politiek terrein.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat wijst jaarlijks op aanvraag van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe ten behoeve van overheidsvoorlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over: a. het tijdstip waarop een aanvraag wordt ingediend; en b. de termijn waarbinnen een besluit op de aanvraag wordt genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toegewezen uren zijn beschikbaar voor Onze Ministers voor gebruik door overheidsinstellingen of personen die door hen zijn aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De toegewezen uren worden geheel gebruikt en alleen voor overheidsvoorlichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.1.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen politieke partijen en overheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor politieke partijen en de overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen meer uren vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2.53, 2.59, 2.60, 2.88, eerste lid, 2.89, 2.106 tot en met 2.109, 2.114, 2.124, 2.139 en 2.142 en hoofdstuk 4 zijn van overeenkomstige toepassing op politieke partijen en de overheid en het gebruik van de aan hen toegewezen uren. De artikelen 2.59 en 2.60 zijn daarbij slechts van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft de activiteiten die verband houden met het gebruik van de toegewezen uren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  6.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen voor het via een omroepzender verzorgen van een omroepdienst voor een bijzonder doel, met een beperkt bereik en van beperkte duur. Het Commissariaat kan tevens de toestemming verlenen voor het verzorgen van een omroepdienst zonder beperkte duur voor zover dit aangewezen is gelet op de aard van de omroepdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan aan een toestemming voorschriften verbinden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  6.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9a</span><span class=\"lf-art-t\">In deze afdeling wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">«abonnee»: natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een pakketaanbieder met betrekking tot de ontvangst van een of meer programmapakketten; «pakketaanbieder»: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een of meer programmapakketten tegen betaling verspreidt of laat verspreiden door middel van een omroepnetwerk of een omroepzender; «programmapakket»: een door een natuurlijk persoon of rechtspersoon samengesteld geheel van televisie- en radioprogrammakanalen die hoofdzakelijk door derden zijn geproduceerd; «standaardprogrammapakket»: een programmapakket als bedoeld in artikel 6.13 of in artikel 6.14.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.3.1.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiding programma-aanbod</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk verspreidt geen programma-aanbod als de instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het desbetreffende programma-aanbod, krachtens deze wet of krachtens de op die instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving niet gerechtigd is voor verspreiding bestemd programma-aanbod te verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk toegestaan via de omroepzender of het omroepnetwerk: a. programma-aanbod te verspreiden dat bestaat uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten of van een gemeenteraad; en b. informatie over het via de omroepzender of het omroepnetwerk aangeboden programma-aanbod en diensten te verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.3.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.12</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op pakketaanbieders die een of meer programmapakketten naar ten minste 100.000 abonnees in Nederland verspreiden of laten verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als een pakketaanbieder programma-aanbod door middel van twee of meer omroepnetwerken of omroepzenders verspreidt of laat verspreiden, worden voor de toepassing van het eerste lid de desbetreffende aantallen abonnees samengevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als een pakketaanbieder een rechtspersoon is, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die pakketaanbieder en de aantallen abonnees van de dochtermaatschappijen die de pakketaanbieder in stand houdt. Als de pakketaanbieder een rechtspersoon is en een dochtermaatschappij die door een andere pakketaanbieder in stand wordt gehouden, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die dochtermaatschappij, het aantal abonnees van de pakketaanbieder die deze dochtermaatschappij in stand houdt, en de aantallen abonnees van de andere dochtermaatschappijen die deze pakketaanbieder in stand houdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.13</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een pakketaanbieder een of meer digitale programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer digitale programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een digitaal standaardprogrammapakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste dertig televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. Bij ministeriële regeling kunnen diensten worden aangewezen waarvan het signaal als integraal onderdeel van de programmakanalen moet worden doorgegeven en kunnen nadere regels worden gesteld voor de doorgifte van deze diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor zover het betreft televisieprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval: a. de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst, bedoeld in artikel 2.50, onder a, en een derde algemeen televisieprogrammakanaal voor zover dat door de landelijke publieke mediadienst wordt verzorgd; b. één televisieprogrammakanaal van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincie of het deel van de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; c. de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincies aangrenzend aan de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; d. één televisieprogrammakanaal van de lokale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen de abonnees woonachtig zijn en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van televisieprogrammakanalen; e. ten hoogste twee televisieprogrammakanalen van de lokale publieke mediadienst met ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel d, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat is gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van televisieprogrammakanalen; en f. drie televisieprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover het betreft radioprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval: a. vijf algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst; b. één radioprogrammakanaal van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincie of het deel van de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn; c. één radioprogrammakanaal van de lokale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen de abonnees woonachtig zijn en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van radioprogrammakanalen; d. ten hoogste vijf radioprogrammakanalen van de lokale publieke mediadienst met ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel c, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat is gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van radioprogrammakanalen; en e. vijf radioprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij de vaststelling of een pakketaanbieder heeft voldaan aan het vereiste, bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, worden de volgende regels in acht genomen: a. ten minste dertig unieke televisieprogrammakanalen worden aangeboden in een door de pakketaanbieder te bepalen uitzendkwaliteit; b. als televisieprogrammakanalen in verschillende uitzendkwaliteit worden aangeboden, worden programmakanalen met dezelfde naam en ordening van het programma-aanbod als één programmakanaal aangemerkt; c. als televisieprogrammakanalen in verschillende uitzendkwaliteit worden aangeboden, worden programmakanalen met dezelfde naam maar met een verschillende ordening van het programma-aanbod als afzonderlijke programmakanalen aangemerkt; en d. als televisieprogrammakanalen via omroepzenders worden verspreid zonder dat voor de ontvangst andere kosten moeten worden betaald dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken, en deze programmakanalen zijn opgenomen in de elektronische programmagids die onderdeel van de technische voorzieningen is, worden deze programmakanalen aangemerkt als televisieprogrammakanalen als bedoeld in onderdeel a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een pakketaanbieder een of meer analoge programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer analoge programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een analoog standaardprogrammapakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste vijftien televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. De programmakanalen worden ongewijzigd verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdelen a, b, d en e, is van toepassing. Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdeel f, is van toepassing met dien verstande dat het aantal televisieprogrammakanalen twee bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, is van toepassing. Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing met dien verstande dat het aantal radioprogrammakanalen twee bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het digitale standaardprogrammapakket dat een pakketaanbieder door middel van een satelliet verspreidt of laat verspreiden, bevat in afwijking van artikel 6.13, derde en vierde lid, niet het programma-aanbod op programmakanalen als bedoeld in de onderdelen b, c, d en e van artikel 6.13, derde lid, onderscheidenlijk de onderdelen b, c en d van artikel 6.13, vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.13, 6.14 en 6.14b en de op die artikelen berustende voorschriften, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  6.3.1.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Geschillencommissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.12 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.16</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een pakketaanbieder voorziet in de instelling van een geschillencommissie voor de behandeling van klachten van abonnees over de samenstelling van het digitale standaardprogrammapakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, kunnen twee of meer pakketaanbieders besluiten gezamenlijk een geschillencommissie als bedoeld in het eerste lid in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, worden bij ministeriële regeling tevens voorschriften gegeven over de wijze van behandeling van de klachten, de samenstelling van de geschillencommissie en over de gevolgen van de beslissing van de geschillencommissie in geval van gegrondheid van een klacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.17</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.18</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.19</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-620\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.20</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.21</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.22</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  6.3.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik frequentieruimte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.23</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, wijst de frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het verspreiden van radioprogramma-aanbod dat overwegend bestaat uit Nederlandstalige muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven in welke gevallen radioprogramma-aanbod aan deze eis voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, wijst andere frequentieruimte in de FM-band aan die slechts mag worden gebruikt voor het verspreiden van bij die aanwijzing vast te stellen categorieën radioprogramma-aanbod dat, gelet op de aard, inhoud of doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of verhoudingsgewijs hoge kosten meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als aard en omvang van de frequentieruimte in de FM-band die beschikbaar is voor het verspreiden van radioprogramma-aanbod daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, afzien van het aanwijzen van frequentieruimte in de FM-band op grond van het eerste en tweede lid.</p></div>", "next": 239869}