{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Er kan op verschillende niveaus gevarieerd worden in de subsidievoorwaarden. 1. Op het niveau van de algemene voorwaarden, zoals bepaalt in hoofdstuk 1, zodat een voorwaarde voor alle subsidieaanvragen geldt. 2. Op gebiedsniveau, zodat een voorwaarde voor het gebied in dat hoofdstuk en dus voor alle gevallen waar die specifieke voorkeurstechniek bestaat geldt. 3. Op deelgebiedsniveau, zodat een voorwaarde uitsluitend voor één deelgebied geldt. Vanuit het oogpunt van de gelijke en eenvoudige behandeling van aanvragen is het streven om zoveel mogelijk zaken op het niveau van de algemene voorwaarden te regelen, maar sommige zaken moeten nu eenmaal iets specifieker bepaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepalen van die afwijkende subsidievoorwaarden gebeurt op basis van de uitkomsten van de voor dat gebied bepaalde wijkaanpak. In de wijkaanpak wordt samen met de eigenaren, gebruikers en partijen die de infrastructuur aanleggen en beheren gezocht naar de beste oplossing voor de hele wijk om de stap (en eventuele tussenstappen) naar aardgasvrij te maken. Dit vraagt om een complexe belangenafweging met betrekking tot de volgende zaken: de breed gedragen voorkeuren van eigenaren en gebruikers in een gebied voor een specifiek alternatief; de isolatiegraad van bestaand vastgoed; het beschermde of monumentale karakter van het bestaand vastgoed; renovatieplannen van vastgoedeigenaren; de geschiktheid van inpandige installaties in bestaand vastgoed voor bepaalde aardgas alternatieven; de geschiktheid van bestaande bouwkundige constructies voor bepaalde aardgas alternatieven; de mate van afschrijving die gedaan is op de aanwezige aardgasverbrandingsinstallaties; de mate waarin het eigendom van bestaande gebouwen is gefragmenteerd; de investeringsbereidheid en -gereedheid van eigenaren van de bestaande gebouwen; de mate waarin verhuurders instemming van huurders nodig hebben en kunnen krijgen voor alternatieven voor aardgas; de uitvoeringscapaciteit van installatiebedrijven; de ligging en nabijheid van potentiële alternatieve warmtebronnen; de beperkte beschikbaarheid van potentiële alternatieve warmtebronnen; de ontwikkeling en stimulering van alternatieve warmtebronnen; de ligging en nabijheid van potentiële alternatieve energieinfrastructuur; de geschiktheid van bestaande energieinfrastructuur voor de implementatie van alternatieven; de hoeveelheid vastgoed of het percentage van vastgoed dat minimaal moet kiezen voor een collectieve oplossing om de aanleg ervan rendabel en betaalbaar te maken. de mate van afschrijving op de bestaande energieinfrastructuur; de investeringsbereidheid en -gereedheid van partijen die energieinfrastructuur aanleggen en beheren; de uitvoeringscapaciteit bij de partijen die de energieinfrastructuur aanleggen en beheren; de onderhoudsplanning voor bestaande ondergrondse infrastructuur; de mate waarin de bestaande inrichting van de openbare ruimte is afgeschreven; de onderhoudsplanning voor de openbare ruimte in het gebied; de hoeveelheid beschikbare ruimte in de ondergrond voor de aanleg van alternatieve of supplementaire energieinfrastructuur; de ontwikkelingsplannen van de gemeente in nabijgelegen gebieden; de verkeerkundige consequenties van de aanleg van alternatieve infrastructuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">de bedrijfsvoeringsconsequenties voor bestaande ondernemers van de aanleg van alternatieve infrastructuur. het wettelijke kader en de beschikbare juridische instrumenten die betrekking hebben op de energietransitie; de algemene stand van de techniek voor alternatieve warmtebronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn er nog zaken die niet specifiek zijn voor ieder (deel)gebied, maar met het verstrijken van tijd kunnen veranderen en kunnen leiden tot aanzienlijke verschillen tussen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel van de voorgenoemde zaken treffen belangen die aanmerkelijk breder zijn dan het belang van de eigenaar of gebruiker van het vastgoed die subsidie kan aanvragen op basis van een gebiedsgerichte uitwerking. Deze belangen in overweging nemende, is het te rechtvaardigen dat verschillende voorwaarden worden bepaald in verschillende gebieden. Voorbeelden van voorwaarden waarin gevarieerd kan worden, zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het subsidieplafond voor een (deel)gebied, zodat dat aansluit bij het aantal gebouwen in het gebied en de te verwachten te verlenen subsidie per gebouw. Dit is ter voorkoming van reservering van grote hoeveelheden gemeentemiddelen voor gebouwen in (delen van) gebieden waarvan de uitvoering niet binnen afzienbare tijd zal beginnen of waar subsidieaanvragen niet mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten waarvoor subsidie aangevraagd kan worden, zodat gericht voorkeursalternatieven kunnen worden gestimuleerd en het subsidiëren van tussenoplossingen en deeloplossingen mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie, zodat deze beter aansluit bij de te verwachten kosten voor de installatie van het voorkeursalternatief in het vastgoed in het gebied of zodat een vast subsidiebedrag in plaats van een maximaal subsidiebedrag bepaald kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functies van de gebouwen waarvoor subsidie beschikbaar gesteld kan worden, zodat naast woningen ook bestaande maatschappelijke organisaties of kleine ondernemingen in een bepaald gebied gestimuleerd kunnen worden om de transitie te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragers, zodat bijvoorbeeld uitgesloten kan worden dat aanvragers een winstoogmerk hebben of zodat verzekerd kan worden dat aanvragen uitsluitend vanuit VvE verband gedaan kunnen worden om de besturen van de in het gebied aanwezige VvE’s in een stevigere positie te brengen ten opzichte van de deeleigenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in te dienen gegevens, zodat deze aansluiten bij de afwijkende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden, zodat deze beter aansluiten bij de concrete plannen en afspraken die uit de wijkaanpak volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn waarbinnen de subsidie kan worden aangevraagd, zodat eigenaren en bewoners in een gebied gestimuleerd worden om snel de overstap naar het alternatief te maken en de kosten die gemoeid zijn met een functionerend maar deels gebruikte alternatieve verwarmingsinstallatie worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende verplichtingen, zodat deze beter aansluiten bij eventuele andere activiteiten en de concrete afspraken die uit de wijkaanpak volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverklaring en staatssteun Op 2 juni 2020 heeft het college van B&amp;W met het oog op grotere aanvragen van vastgoedbezitters voor aardgasvrij subsidie (zoals geregeld in hoofdstukken 1 tot 4) besloten om minder dwingend te zijn met betrekking tot de de-minimisverklaring. Als gevolg daarvan is de de-minimisverklaring in deze gevallen geen gedwongen weigeringsgrond meer. Het voldoen aan de de-minimisvereisten is een ‘kan’ bepaling geworden. De bedoeling hiervan is dat het college aanvragers van subsidie, geen toegelaten instellingen zijnde, die subsidie aanvragen voor meerdere woningen of meerdere bedrijfs- of maatschappelijke ruimten, waardoor er meer dan €200.000,- gemoeid zou zijn, niet direct meer weigert. In de plaats daarvan onderzoekt en bepaalt het college in die individuele gevallen of er vanuit de artikel 107 of 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (of daarop gebaseerde regelgeving en richtlijnen) beperkingen worden opgelegd. Het college zal bij de verlening rekening houden met deze beperkingen en daardoor de subsidie mogelijk lager of zelfs op nihil verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stadsbrede subsidie (hoofdstuk 2) De eerste en uitzonderlijke gebiedsgerichte aardgasvrije subsidie ligt besloten in hoofdstuk 2. Het werkingsgebied voor dit hoofdstuk betreft de gehele stad, met uitzondering van gebieden die in andere hoofdstukken zijn aangewezen. Zodra er een gebiedsgerichte uitwerking voor een gebied bestaat, is het voor eigenaren en gebruikers van vastgoed in dat gebied dus in principe niet meer mogelijk om subsidie aan te vragen voor dat vastgoed op basis van de stadsbrede regeling in hoofdstuk 2. Als vanzelfsprekend is het ook niet mogelijk om subsidie aan te vragen op basis van de voorwaarden die voor een ander gebied gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stadsbrede hoofdstuk fungeert als een waarborg dat iedereen die slechts een appartement of enkele gebouwen bezit aanspraak kan maken op subsidie voor het aardgasvrij maken van zijn of haar gebouwen. Grote vastgoedbezitter met meer dan 20 verblijfsobjecten in hun bezit zijn kunnen geen gebruik maken van de stadsbrede subsidie. Deze partijen worden geacht mee te werken aan het stand brengen van gebiedsgerichte oplossingen. Het grote werkingsgebied van dit hoofdstuk laat weinig ruimte voor maatwerk en de maximale subsidiebedragen zijn aan de lage kant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de inwerkingtreding van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij voorzag de stadsbrede regeling uitsluitend in subsidie voor het aardgasvrij maken van woningen. Met de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit duurzame Amsterdamse gebouwen is het ook voor bedrijven en maatschappelijke organisaties, binnen het werkingsgebied van hoofdstuk 2, mogelijk geworden om aanspraak te maken op subsidie voor het aardgasvrij maken van bedrijfsruimten en maatschappelijk vastgoed. Scholen zijn uitgesloten van deze subsidie, omdat voor deze groep een andere subsidie is voorzien. De bedoeling is dat nieuwe gebiedsgerichte uitwerkingen ook zullen voorzien in subsidie voor bedrijfsruimten en maatschappelijk vastgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Warm Amsterdam (hoofdstuk 3) Het op 10 april 2022 door het college vastgestelde hoofdstuk 3 regelt de subsidie voor gebieden waar aansluiting op het stadwarmtenet de voorkeur geniet. Deze voorkeur is een direct gevolg van de Warmtemotor, een samenwerkingsverband gebaseerd op concrete afspraken tussen Vattenfal, de Amsterdamse woningcorporaties en de gemeente Amsterdam om voor 2030 10.000 van het aardgas te halen. Het gebied waar de voorwaarden uit hoofdstuk 3 van toepassing zijn wordt in zogenaamde tranches uitgebreid. Elke tranche bestaat uit een aantal deelgebieden. Door de vraag in deze gebieden te bundelen onderhandelen de woningcorporaties samen sterker met de exploitant van het warmtenet over de prijs die voor de aansluiting wordt betaalt en de termijn waarbinnen zij hun vastgoed in die gebieden aan zullen sluiten. De gemeente stemt de hoogte van de beschikbare subsidies in elke tranches af op de hoogte van de kosten die geraamd worden. Particulieren en andere eigenaren van vastgoed kunnen onder dezelfde voorwaarden als de corporaties een aansluiting aanvragen en krijgen een gelijke subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Techniekneutraal gebied (hoofdstuk 3a) Op 25 oktober 2022 stelde het college het nieuwe hoofdstuk 3a vast. Dit hoofdstuk was een bundeling van de gebiedsspecifieke uitwerkingen die voorheen in de hoofdstukken met nummers 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3z waren besloten. Bij de bundeling van deze hoofdstukken zijn de voorwaarden zoveel als redelijkerwijs mogelijk geüniformeerd. Dit betekent dat de subsidiabele activiteiten in sommige gevallen iets veranderd zijn. Een belangrijke vereenvoudiging is dat de systematiek van forfaitaire kosten niet meer wordt gebruikt, waardoor het voor aanvragers beter te begrijpen is hoeveel subsidie ze kunnen verwachten. De hoogte en de looptijden van de subsidieplafonds zijn gelijk gebleven. Een aantal uitzonderlijke bepalingen over subsidiabele kosten in de Gentiaanbuurt en de Wildemanbuurt, die voortkomen uit toezeggingen aan de vastgoedbezitters in die gebieden komen ook terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het hoofdstuk de naam techniekneutraal draagt zijn er vanuit de algemene voorwaarden in hoofdstuk 1 wel vereisten aan de techniek die gebruikt wordt om het vastgoed in het gebied van dit hoofdstuk aardgasvrij te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in hoofdstuk 3a gebundelde en dus vervallen hoofdstukken 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3z waren respectievelijk op 2 juni 2020, 2 juni 2020, 26 oktober 2021, 18 januari 2022, 18 januari 2022 en 19 november 2019 door het college vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Riothermie Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld Op 24 januari 2023 heeft het college van B&amp;W met het oog op de concrete plannen en afspraken die voorlagen voor het aardgasvrij maken van delen van het vastgoed in de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld, besloten om een specifieke (i.e. op die buurt gerichte) uitwerking van de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen vast te stellen. Deze subsidie is opgenomen in het nieuwe hoofdstuk 3b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in hoofdstuk 3b voor delen van de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld bepaalde subsidiabele activiteiten wijken af van die in hoofdstuk 2. Door deze afwijking is er uitsluitend subsidie op grond van hoofdstuk 3b als woningen aangesloten worden op het lokale bronnet dat gevoed wordt met behulp van riothermie. Er is gericht een klein gebied aangewezen waar grote zekerheid is over de investeringsbereidheid van de vastgoedbezitters in het lokale bronnet op Riothermie. Het is daarom uitsluitend mogelijk om in dit gebied subsidie te krijgen als aangesloten wordt op het te realiseren bronnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele activiteiten in de aangewezen delen van de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld vereisen in afwijking van de subsidie in andere gebieden niet dat de woningen direct geheel aardgasvrij worden. Riothermie is een relatief nieuwe techniek, het in de praktijk ervaring opdoen met de toepassing er van op de beoogde schaal is onderdeel van het project. De planvorming het lokale bronnet voorziet in een gefaseerde ontwikkeling van installaties die de capaciteit van de het lokale bronnet om warmte te leveren vergroten. Tegelijkertijd is er sprake van een gefaseerd plan van betrokken vastgoedeigenaren om hun vastgoed aanvullend te isoleren. Dit zal op termijn leiden tot een daling van de warmtevraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totdat beide maatregelen getroffen zijn wordt het verstandig geacht om een gasgestookt alternatief voor de piekvraag en storing te gebruiken en achter de hand te houden. Normaliter wordt een dergelijke gasgestookte achtervang- en piekvoorziening als onderdeel van de installaties in de kosten van de aanleg van het lokale bronnet berekend. Om de kosten voor de aanleg van dit lokale bronnet laag te houden en om de vastgoedeigenaren de tijd te gunnen om de benodigde isolatiemaatregelen door te voeren is gekozen om de bestaande inpandige gasgestookte verwarmingsinstallaties in stand te houden. Aanvullend wordt voorzien in de mogelijkheid om een onzelfstandige woonruimten te subsidiëren om aan te sluiten op het lokale bronnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van deze subsidie wordt bepaald op basis van het aardgasverbruik van de onzelfstandige woonruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een potentieel hoger subsidiebedrag beschikbaar gesteld voor de subsidiabele activiteiten in deze buurt, dan op grond van de stadsbrede subsidie beschikbaar is. Om echter aanspraak te kunnen maken op dit hogere bedrag zullen ook aanzienlijk hogere werkelijk subsidiabele kosten gemaakt moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond voor deze delen van de Buikslotermeer Noord en de Kleine Wereld is lager dan de som van de op basis van de afspraken en concrete plannen voor deze buurt verwachte aanvragen gedurende de beperkte periode dat het mogelijk is om subsidie aan te vragen. De reden hiervoor is dat verwacht wordt dat de aanvragers gebruik zullen maken van de Subsidieregeling Aardgasvrij Huurwoningen van het Rijk en daarom uiteindelijk minder subsidie van de gemeente nodig zullen hebben.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Duurzame Nieuwbouw</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Routekaart naar een Klimaatneutrale stad blijken de zeer hoge ambities van de gemeente Amsterdam op het gebied van de duurzaamheid van nieuwbouw. In vele gevallen leiden deze ambities ertoe dat de eisen die gemeente Amsterdam stelt aan deze gebouwen ver boven de wettelijke vereisten liggen. De bovenwettelijke maatregelen zijn vaak duur en voor organisatie die te maken hebben met maximale huurprijzen zijn de kosten voor het realiseren van deze gemeentelijke ambities moeilijk op te brengen. Tegelijkertijd heeft college de ambities om aanzienlijk aandeel van de nieuwbouw te laten bestaan uit sociale huurwoningen. Het college acht het onwenselijk om de duurzaamheidseisen voor sociale huurwoningen lager te maken en daarmee op termijn de minder bedeelden op te zadelen met hogere energierekeningen. Om de partijen die dergelijke woningen realiseren een steun in de rug te geven heeft het college daarom besloten om in specifieke gebieden waar dergelijke eisen van toepassing zijn aan partijen die te maken hebben met de maximale huurprijzen een subsidie beschikbaar te stellen die een deel van de hogere kosten dekt. De bepalingen die betrekking hebben op deze subsidie zijn opgenomen hoofdstuk 5 van deze regeling. Het doel van dit hoofdstuk is het in specifieke gebieden stimuleren van de realisatie van duurzame sociale nieuwbouw die bijzonder gunstige eigenschappen heeft qua energiehuishouding en een bijzonder lage milieubelasting tot gevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor duurzame sociale huurwoningen Strandeiland en Buiksloterham Op 23 november 2021 heeft het college besloten om voor het Strandeiland en de Buiksloterham subsidies beschikbaar te stellen aan corporaties om uiterst duurzame sociale huurwoningen te realiseren. Dit zijn twee gebieden waar uitzonderlijk hoge ambities gelden op het gebied van de duurzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is nadrukkelijk de bedoeling om in dit hoofdstuk voorwaarden te stellen die het voor de aanvrager eenvoudig maken om de subsidie binnen een jaar voor de start van de bouw aan te vragen. De lichte ingangsvereisten hebben als gevolg dat de gemeente weinig zekerheid heeft over hetgeen daadwerkelijke gerealiseerd zal worden. Er is daarom gekozen om bij de subsidieverlening een maximaal subsidiebedrag te bepalen dat afhankelijk van hetgeen daadwerkelijk wordt gerealiseerd lager vastgesteld kan worden. Na de oplevering van de bouw kan de subsidie worden vastgesteld en daarbij kan de aanvrager om aanmerkelijk meer informatie gevraagd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Verduurzamende woningverbetering</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam besloten om hoofdstuk 6 toe te voegen aan de subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen. Het betreft een zelfstandig hoofdstuk dat geen juridische wisselwerking heeft met de andere hoofdstukken in de regeling. Het hoofdstuk is er op gericht om verenigingen van eigenaren met particuliere woningbezitters in specifieke gebieden te stimuleren om gelijktijdig achterstallig onderhoud aan gebouwen weg te werken en energiebesparende maatregelen te treffen. De eerste gebieden waar deze subsidie aan te vragen is liggen in Amsterdam Zuidoost. Het college zet met deze subsidie een stap in de richting van de realisatie van het Masterplan Zuidoost. De gemeente Amsterdam heeft op 14 juli 2021 financiële steun gekregen voor deze op Amsterdam Zuidoost gerichte subsidie vanuit het door de het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bestuurde Volkshuisvestingsfonds in de vorm van een specifieke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieregeling in hoofdstuk 6 wordt gekenmerkt door een relatief lage bewijslast voor verlening, stevige vereisten aan de in te dienen stukken voor een voorschot en stevige vereisten voor vaststelling van de subsidie. Lees hierover meer bij de artikelsgewijze toelichting bij respectievelijk artikelen 6.10, 6.12 en 6.14. De bedoeling van deze opzet is dat aanvrager snel duidelijkheid kunnen krijgen hoeveel steun ze van de gemeente kunnen verwachten en op basis van die duidelijkheid de nodige voorbereidingen treffen. De verwachting is dat deze vroege duidelijkheid vanuit de gemeente in combinatie met de duidelijke verplichtingen de besluitvorming binnen vve’s zal bespoedigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is nadrukkelijk gericht op het stimuleren van particulieren in aangewezen gebieden om hun woningen te verbeteren. De hoogte van de subsidie wordt voor het grootste deel bepaald door het aantal woningen in particulier bezit. Woningen die in het bezit zijn van een rechtspersoon en dus per definitie niet bewoond kunnen wordt door de eigenaar kunnen niet leiden tot een hogere subsidie. Uitzondering op dat laatste vormen de woningen en corporatiebezit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen met betrekking tot gebiedsgericht aardgasvrij</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen in dit hoofdstuk zijn algemeen van aard en zijn van algemene toepassing binnen hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling. De artikelen in de daaropvolgende hoofdstukken hebben uitsluitend betrekking op het in het eerste artikel van dat hoofdstuk bepaalde gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn definities opgenomen van begrippen die in hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling gebruikt worden. Het is in mogelijk dat de betekenis van deze definities afwijkt van de betekenis die de gebruikte begrippen in het algemeen taalgebruik hebben. In dat laatste geval is, de definitie leidend. Een aantal begrippen wordt nader toegelicht, mede omdat in de uitvoeringspraktijk is gebleken dat er onduidelijkheid over de duiding ervan kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij: de definitie van een “aardgasvrij” omvat ook de mogelijkheid van groen gas in een gebouw. Ook is er ruimte voor verschillende soorten kookoplossingen, zolang deze minder fijnstof produceren dan aardgas. Reden daartoe is dat fijnstofproductie een zorg is voor de gemeente Amsterdam. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat de voorgestelde oplossing minder fijnstof produceert. De begrippen groen gas, verwijderen aardgas aansluiting, bestaand gebouw zijn later gedefinieerd. Het begrip gebouwgebonden verwijst naar de later gedefinieerde fysieke gebouwgebonden voorziening. Met fossiele brandstoffen wordt gedoeld op exotherm oxideerbare koolwaterstoffen die uit de aardkorst worden gewonnen, zoals o.a. kolen, aardolie en aardgas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een verblijfsobject (bijv. een appartement), onderdeel is van een pand met meerdere woningen of een groter gebouw en aangesloten is op een collectieve gebouwgebonden warmte of warm water installatie (bijv. gasgestookte blokverwarming), dan worden deze installaties ook aan de verblijfsobject verbonden geacht. Dit heeft als gevolg dat een appartementseigenaar die aan blokverwarming is aangesloten geen subsidie kan ontvangen voor het aardgasvrij maken van de aardgas verbruikende installaties in het appartement, zolang het de blokverwarming niet ook aardgasvrij is. In samenhang met weigeringsgrond in artikel 1.8, tweede lid, onderdeel h worden eigenaren van appartementen met een collectieve verwarmingsinstallatie uitsloten van subsidie als ze niet de collectieve verwarmingsinstallatie aardgasvrij maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lees hierover meer bij artikel 1.8, tweede lid, onderdeel h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afsluiting: het verwijderen van de aardgasaansluiting wordt gedaan door de netbeheerder. De kosten die de netbeheerder in rekening brengt voor de afsluiting worden bepaald in lagere wet- en regelgeving die volgt uit de gaswet en worden gecontroleerd door de Autoriteit Consument en Markt. De kosten hiervoor worden in sommige gebieden aangemerkt als subsidiabele activiteiten. De netbeheerder levert de aanvrager een schriftelijk bewijs van afsluiting bijvoorbeeld in de vorm van een voldane factuur. Het college kan gebruik maken van de informatie in het EAN codeboek om te controleren of een woning daadwerkelijk afgesloten is van het aardgas. Bij het gebruik van Het EAN codeboek moet echter wel rekening gehouden worden met de relatieve lage updatefrequentie, waardoor deze soms verouderde informatie bevat. Het codeboek is beschikbaar via www.eancodeboek.nl. Afsluiting gaat nadrukkelijk over het permanent verwijderen van de gasmeter, niet het verzegelen van de meter om tijdelijk de gaslevering te stoppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke gebouwgebonden activiteiten: Met het begrip fysiek wordt gedoeld op het materiele en tastbare aspect van activiteiten. Immateriële zaken als bijvoorbeeld rechten, vergoedingen of afspraken vallen er dus niet onder. Met gebouwgebonden wordt gedoeld op het duurzaam schoef- of nagelvast met het gebouw of de bijbehorende gronden verbonden zijn. Een andere mogelijke indicator van het gebouwgebonden karakter van een activiteiten is of deze bij beëindiging van verhuring in de woning aanwezig blijft en dus als onderdeel van het gehuurde aangemerkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied: Gebieden in deze regeling komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de gebieden, zoals die gedefinieerd worden in artikel 1 van de Verordening op het lokaal bestuur in Amsterdam. Een gebied kan bestaan uit verschillende deelgebieden en deze deelgebieden zijn niet noodzakelijkerwijs aan elkaar verbonden. Een gebied of deelgebied is nooit kleiner dan één adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woning: Met het begrip woning wordt aangesloten bij de definities die gebruikt worden in de Wet Basisregistratie Adressen en Gebouwen. Dit maakt het bij de beoordeling eenvoudig om de in de basisregistratie beschikbare gegevens te gebruiken. Een burger kan deze informatie met betrekking tot zijn eigen woning controleren door zijn adres op te zoeken op data.amsterdam.nl. Als er voor het adres van de woning onder het kopje ‘verblijfsobject’ bij het gebruiksdoel ‘woonfunctie’ staat voldoet de woning aan deze voorwaarde. Als het adres niet te vinden is of een ander gebruiksdoel heeft, dan wordt het niet aangemerkt als woning. De begrippen verblijfsobject, stand- of ligplaats volgen de Catalogus Basisregistratie Adressen en Gebouwen 2018 die bijlage I vormt van de ministeriele Regeling BAG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruiksdoel woonfunctie sluit aan bij de Bijlage van het Besluit basisregistratie adressen en gebouwen. Het gebruiksdoel (bouwkundige bestemming) is initieel afgeleid uit de bouwkundige gebruiksfunctie conform de categorisering van het Bouwbesluit 2012. De Wet op de huurtoeslag en artikel 7:234 BW stellen dezelfde eisen aan zelfstandige woonruimte als de Wet bag aan adresseerbaar object met woonfunctie. Weliswaar kent de BAG alleen een gebruiksdoel toe aan een verblijfsobject, maar ook standplaatsen en bepaalde ligplaatsen kennen een BAG+-gebruiksdoel op grond van art. 2.1 lid 1 onder a, c of d, en art. 8.2a Wabo. Dit heeft als consequentie dat woonboten met ligplaatsvergunning en vergunde standplaatsen voor woonwagen ook in aanmerking komen voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid ASA 2013</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De op 20 mei 2022 vigerende Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 (ASA 2013) is te vinden op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR419314/5. De ASA2013 is een verordening van de raad die de bevoegdheid aan het college geeft om subsidieregelingen op te stellen. Het college moet bij het gebruik maken van deze bevoegdheid binnen de kaders die de raad in die verordening stelt blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regeling in hoofdstukken 1 tot 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de inleiding hiervoor. Om in 2040 een stad zonder aardgas te zijn, moet het aantal aardgasvrije bestaande woningen en nieuwe woningen binnen kleinschalige transformatie in Amsterdam fors stijgen. Door in plaats van aardgas te verwarmen met en te koken op een duurzaam alternatief wordt de CO2-uitstoot in de gemeente Amsterdam teruggedrongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling is daarom het stimuleren van het uitvoeren van activiteiten die het gebruik van aardgas gebiedsgericht terugdringen. Met een robuuste en laagdrempelige subsidieregeling wordt een zo groot mogelijk aantal eigenaren of gebruikers gestimuleerd om over te gaan tot het uitvoeren van activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Europees kader bij subsidie aan woningcorporaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstukken 1 tot 4 van de subsidieregeling Duurzame Amsterdamse gebouwen is getoetst aan de staatssteunregels. Onderscheid kan worden gemaakt tussen subsidie die wordt verstrekt aan i) woningcorporaties, ii) ondernemers, niet zijnde woningcorporaties en iii) niet-ondernemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van steun die aan woningcorporaties wordt verleend ten behoeve van hun taak op het gebied van sociale huurwoningen geldt het DAEB-vrijstellingsbesluit. Ingevolge de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 zijn woningcorporaties onder andere belast met het in stand houden van en uitvoeren van activiteiten aan haar woongelegenheden; het treffen van energiebesparende voorzieningen valt hier onder. Op grond van artikel 5, tweede lid, van het DAEB-vrijstellingsbesluit mag voor de uitvoering van deze taak maximaal tien jaar compensatie worden verleend, mits het compensatiebedrag niet hoger is dan nodig ter dekking van de nettokosten daarvan. In artikel 1.6 is geregeld dat de subsidie nooit hoger kan zijn dan de daadwerkelijke kosten die de aanvrager heeft. Lees bij de toelichting bij dat artikel meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het DAEB-vrijstellingsbesluit stelt ten aanzien van de compensatie in artikel 5, negende lid, wel de eis dat als activiteiten worden verricht, die zowel diensten van algemeen economisch belang (DAEB) als andere activiteiten betreffen, de met het uitvoeren van energiebesparende activiteiten verband houdende kosten gescheiden in de boekhouding worden opgenomen. Dit is geregeld in artikel 7, tweede lid. Dit betreft dus een verplichting die vanuit Europees recht wordt opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt voor de gehele regeling, tenzij er in specifieke hoofdstukken bepalingen zijn die hiervan nadrukkelijk afwijken, welke kosten als subsidiabele kosten worden aangemerkt. In de specifieke hoofdstukken wordt vaak bepaald welke percentage (tussen de 0% en 100%) van de subsidiabele kosten gesubsidieerd wordt en tot welk maximale bedrag. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake. De gemeente behoudt het recht voor om externe expertise in te schakelen voor de beoordeling van de kosten en haalbaarheid van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, eerste lid De voor subsidie in aanmerking komende kosten zijn de kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Er zijn echter specifieke kostensoorten uitgesloten van aanmerking als subsidiabele kosten. Dat gebeurt in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, aanhef Dit lid regelt welke kosten expliciet uitgesloten zijn van aanmerking als subsidiabele kosten. Voor de zaken die in de onderdelen bij dit lid opgesomd geldt dat de geen onderdeel zijn van de subsidiabele kosten en dat de aanvrager er dus ook geen subsidie voor kan krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel a Kosten voor eigen arbeid worden in geen enkel geval gesubsidieerd. De subsidieaanvrager kan dus geen uurtarief voor zijn eigen arbeid laten subsidiëren en dus ook geen facturen voor zijn eigen arbeid opvoeren. Indien een aanvrager zelf de werkzaamheden verricht zijn in de praktijk alleen de gebruikte materialen subsidiabel. Indien een subsidieaanvrager werknemers heeft, dan wordt het werk van de werknemers geacht onderdeel te zijn van de eigen arbeid. Als een rechtspersoonlijkheid een dochter-, zuster-, of moederorganisaties waarvan de winst uiteindelijk naar dezelfde partij gaat huurt, dan wordt de arbeid van medewerkers van deze dochter-, zuster-, of moederorganisaties ook aangemerkt als eigen arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel b De kosten voor isolatievoorzieningen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat het grootste deel van de investering in de isolatievoorziening zichzelf terugverdient door de daling in energielasten als gevolg van het afgenomen energieverbruik. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor isolatievoorzieningen betaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel c De kosten voor zonnepanelen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat zonnepanelen zichzelf in principe terugverdienen als gevolg van de besparing op de energierekening vanwege de vergoeding die gegeven wordt voor de levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet. Verder zijn er adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor zonnepanelen gefinancierd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel d Vanwege de negatieve effecten op de luchtkwaliteit komen hout- en pelletkachels en biomassaverbrandingsketels niet in aanmerking voor subsidiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel e Installaties met fossiele brandstof als olie, butaangas of kolen komen ook niet in aanmerking, omdat deze nog vervuilender zijn dan aardgas. ‘Olie, butaangas of kolen’ vormen als zodanig geen limitatieve opsomming, de/alle andere fossiele brandstoffen zijn ook uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel f De aanschaf van pannen en ander keukengerei is niet aan te merken als een fysieke gebouwgebonden voorziening en de kosten die daarmee gemoeid zijn dus niet subsidiabel. Deze uitsluiting is daardoor in principe overbodig. De ervaring leert echter dat met een expliciet vermelding in de regeling onduidelijkheid vermeden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel g Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen of minimum kwaliteitseisen. De gemeente wil hiermee uitsluiten dat zij daaraan meebetaalt, terwijl het aan de aanvrager zelf is om dit gat te dichten alvorens subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling. De voorzieningen moeten verder gaan dan het moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen. Het gaat erom dat de aanvrager die extra stap zet naar aardgasvrij, die zonder deze subsidie niet was gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, tweede lid, onderdeel h Het elektrisch verwarmen van een woning brengt, als dit niet op de juiste manier gebeurt, hogere milieubelasting en veel hogere gebruikskosten met zich mee dan het gebruik van aardgas. Om de CO2 uitstoot te beperken en te voorkomen dat huurders opgezadeld worden met onredelijk hoge energielasten wordt met dit artikel daarom de minst efficiënte elektrische verwarmingsoplossingen uitgesloten van subsidie. Ook wordt op deze manier de belasting van de zwaar belaste elektriciteitsinfrastructuur in Amsterdam verminderd. Het gaat nadrukkelijk om verwarmingsinstallaties, dus ruimteverwarming en tapwaterverwarming en niet om de kookvoorziening. Voor kookvoorzieningen zijn er helaas geen praktisch bruikbare alternatieven. Met de uitsluiting van de kosten voor elektrische weerstandsverwarming wordt gedoeld op apparaten die een opwekrendement (= bruikbare warmte energie (J) gedeeld door verbruikte elektrische energie in (J)) hebben dat niet hoger is dan 1. Het gaat nadrukkelijk om het uitsluiten van de minst efficiënte elektrische verwarmingsoplossingen. Voor de helderheid worden de kosten voor warmtepompen, directe infraroodpanelen en elektrische boilers met een voldoende groot opslagvat worden wel als subsidiabele kosten aangemerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Maximering en stapeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt een concreet maximum aan de subsidie, zodat in alle gevallen voldaan wordt aan het compensatiecriterium dat volgt uit het Altmark-arrest. Het maximum dat uit dit artikel volgt staat in principe los van het maximale subsidiebedrag dat volgt uit de hoogte van de subsidie die wordt bepaald in de hoofdstukken die met een nummer 2 of 3 beginnen. Het betreft een onafhankelijk controle en waarborg tegen overcompensatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grens die de gemeente Amsterdam stelt om stapeling tegen te gaan heeft uitsluitend effect op de subsidies die gemeente Amsterdam verleent. Het is goed mogelijk dat de andere subsidieverstrekker er andere of strengere voorwaarden tegen stapeling op nahoudt. Daarop heeft de deze subsidieregeling geen invloed en daar wordt ook geen rekening mee gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6, eerste lid Het eerste lid regelt dat de subsidie niet hoger mag zijn dan de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Daadwerkelijk gemaakte kosten blijken uit de facturen die de aanvrager volgens artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a meestuurt bij zijn aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan in principe gestapeld worden, maar er is een grens. De zinsnede ‘met andere voor de subsidiabele activiteiten verleende of vastgestelde subsidies verminderde’ zorgt voor deze grens. De stapeling mag er niet toe leiden dat er in totaal meer subsidie betaalt wordt dan dat er daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten zijn. Het is niet de bedoeling dat aanvragers de subsidie kunnen benutten om winst te behalen op de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Deze vermindering kan uitgevoerd worden op grond van de informatie die de aanvrager aanlevert op grond van artikel 1.10, eerste lid, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6, tweede lid Dit lid regelt hoe omgegaan wordt met gevallen waar redelijkerwijs te verwachten is dat de andere subsidies voor dezelfde subsidiabele activiteiten lager uit zullen vallen. Het gaat hier nadrukkelijk om een discretionaire ruimte voor het college om te bepalen wat het verwachte lagere bedrag zal zijn. Het college laat zich daarbij informeren door de onderbouwing die de aanvrager aanlevert, maar kan er ook voor kiezen om de verstrekker van de andere subsidie hierover te benaderen. De uitwisseling van mogelijke tot een persoon herleidbare gegevens die in dit kader plaatsvind valt onder noodzakelijke verwerking voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de gemeente Amsterdam om de juiste subsidie te bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt welke gegevens en stukken de aanvrager in moet dienen in het kader van de subsidieaanvraag op grond van hoofdstukken 1 tot 4 van deze regeling. De vereisten in dit artikel komen bovenop de vereisten die volgen uit artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Amsterdam 2013. Het is niet uitgesloten dat in een hoofdstuk nummer dat begint met het getal 2 of 3 nog specifieke aanvullende stukken gevraagd kunnen worden, alhoewel het nadrukkelijk het streven is om dat te vermijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a Met dit overzicht van de uit te voeren activiteiten inclusief een kostenraming maakt de aanvrager duidelijk welke activiteiten zij van plan is uit te voeren. Dat betekent dat voldoende duidelijk is aan welke gebouwen of verblijfsobjecten de activiteiten uitgevoerd worden. Verder moet elke activiteit die uitgevoerd wordt duidelijk omschreven worden en moet de kosten die daaraan verbonden zijn worden genoemd inclusief een verwijzing naar de offerte waar de kosten voor die activiteiten genoemd staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b De offertes voor uitvoering van de subsidiabele activiteiten, waarop het deel van de kosten die subsidiabel zijn voldoende duidelijk uitgesplitst en aangemerkt zijn dienen als onderbouwing van de te verwachten kosten voor het plan waarvoor subsidie wordt aangevraagd en zijn een belangrijke basis voor de verlening. Het feit dat de aanvrager offertes aan moet leveren heeft als consequentie dat het plan voor de subsidiabele activiteiten al in een ver gevorderd stadium moet zijn voordat de subsidie kan worden aangevraagd. Er mag echter nog niet begonnen zijn met de uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevraagd wordt om kopieën van de offertes. De offertes dienen van een dusdanige kwaliteit te zijn dat hieruit de juistheid en betrouwbaarheid van de geraamde kosten kan worden afgeleid. Indicatoren van een kwalitatief goede offerte zijn als de vermelding van de volgende gegevens:</p>\n<p class=\"lf-p\">De volledige naam van de leverancier en die van de aanvrager De juridische naam is vermeld. De handelsnaam kan ook, als die in combinatie met het adres en woonplaats bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige adres van de leverancier en dat van de aanvrager Het adres waar de leverancier feitelijk is gevestigd is vermeld. Vermelding van alleen een postbusnummer is niet voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige btw-nummer van de leverancier Het KvK-nummer van de leverancier De datum dat de offerte is uitgereikt De aard van de goederen of diensten die de leverancier zal leveren de hoeveelheid van de goederen of de omvang van de diensten die de leverancier zal leveren de beoogde datum waarop de goederen of diensten worden geleverd het bedrag dat de leverancier in rekening brengt, exclusief btw het btw-tarief dat de leverancier in rekening brengt het btw bedrag Verzameloffertes waarvan slechts een deel van de kosten subsidiabel zijn dienen voldoende duidelijk uitgesplitst te zijn, zodat beoordeeld kan worden welk deel van de kosten subsidiabel is. De aanvrager dient er zorg voor te dragen dat de subsidiabele kosten op de offerte voldoende duidelijk aangemerkt zijn. De gegevens op de offertes dienen aan de sluiten bij de gegevens in de kostenraming en het dient eenvoudig te herleiden te zijn welke kosten bij de beoogde voorzieningen horen. Dit kan in sommige gevallen betekenen dat de aanvrager de opsteller van de offerte moet vragen om de offerte te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de werkzaamheden door aanvrager zelf uitgevoerd worden dienen offertes voor de aanschaf van de benodigde materialen geleverd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel c De aanvrager moet een bewijs leveren dat de bankrekening waarop ze het geld van de subsidie gestort willen hebben op naam van aanvrager staat. Indien een aanvrager een andere partij machtigt om namens hem of haar de aanvraag moet de bankrekening nog steeds op naam van de aanvrager staan. Uitzondering hierop vormt de situatie dat de aanvrager in de machtiging ook de gemachtigde toestemming geeft om het geld namens de aanvrager op zijn of haar bankrekening te ontvangen. De informatie over de bankrekeninggegevens wordt gebruikt om in het financiële systeem van de gemeente Amsterdam een crediteur aan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bewijs kan een recent bankrekeningafschift of een kopie van een bankpas overlegd worden, waaruit duidelijk moet blijken dat het bankrekeningnummer op naam staat van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel d De aanvrager moet inzichtelijk maken welke eventuele andere subsidies zijn aangevraagd voor dezelfde activiteiten. Het begrip dezelfde activiteiten levert altijd een duidingsvraag op en het oordeel of en in hoeveel een activiteit overlapt ligt binnen de beslissingsruimte van het college. De subsidieaanvrager doet er daarom verstandig aan om een compleet overzicht aan te leveren en daarbij zelf te onderbouwen in hoeverre de activiteit daadwerkelijk overlapt. Deze informatie wordt gebruikt om de hoogte van de te verlenen subsidie te bepalen op basis van artikel 1.6, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel e Als er een subsidieaanvraag wordt gedaan voor omzetting van een collectieve installatie moeten extra gegevens aangeleverd worden. De reden hiervoor is hoofdzakelijk dat het bij een aanvraag met betrekking tot de omzetting van een collectieve installatie niet per sé noodzakelijk is dat alle verblijfsobjecten in het gebouw aardgasvrij worden, maar het is daarom voor het college van belang om goed inzicht te krijgen welke verblijfsobjecten nu wel of niet aardgasvrij zijn of zullen worden. De verschillende subonderdelen gaan hier op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel e, subonderdelen i, ii en ii Om inzicht te krijgen in de aantallen woning waar een collectieve aanvraag betrekking op heeft zijn de onder dit gevraagde gegevens noodzakelijk. Het gevraagde overzicht zou een tabelvorm aan kunnen nemen die lijkt op de onderstaande:</p>\n<p class=\"lf-p\">Straat Huis# Toev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na activiteiten verbonden aan collectieve tapwater installatie Na activiteiten verbonden aan collectieve verwarmingsinstallatie Individuele gasaansluiting Verwijderd individuele gasaansluiting Prinsengracht 342 HS 1 1 1 0 Prinsengracht 342 1A 1 1 1 1 Prinsengracht 342 1V 1 1 1 1 Prinsengracht 342 2A 1 1 0 0 Prinsengracht 342 2V 1 1 1 1 Prinsengracht 342 3 1 1 1 1 Prinsengracht 344 HS 1 1 1 0 Prinsengracht 344 1 0 1 1 0 Prinsengracht 344 2 0 1 1 1 Prinsengracht 344 3 0 1 0 0 Totaal 7 10 8 5 1 = ja 0 = nee Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel e, subonderdelen iv Bewijs dat de aanvrager gemachtigd is de aanvraag te doen kan verschillende vormen aannemen, Bij een VvE bijvoorbeeld een afschrift van de notulen van de VvE vergadering waaruit blijkt dat de leden instemmen met de activiteiten waar de subsidieaanvraag betrekking op heeft. Bij een stichting een handtekening van een daartoe volgens de Kamer van Koophandel bevoegd bestuurder op een begeleidend schrijven bij de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel f De ingevulde verklaring de-minimissteun is uitsluitend is uitsluitend vereist voor ondernemingen. Het begrip onderneming is gedefinieerd in artikel 1.1. Het wijkt af van de definitie in het dagelijks taalgebruik en sluit aan bij de definitie van onderneming die volgt uit het verdrag van de werking van de Europese Unie. De Europese definitie van onderneming is meeromvattend dan die in het dagelijks taalgebruik. Noch het feit dat een organisatie geen winstoogmerk heeft of het feit dat een organisatie geen BV of NV is zijn doorslaggevende feiten. Bepalend is of de organisatie zich mengt in een Europese markt en of de activiteiten van de organisatie een grensoverschrijdend effect hebben. Het is aan het oordeel van het college of een organisatie een onderneming is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Kort samengevat komt het erop neer dat de onderneming van de subsidieaanvrager in de voorgaande drie belastingjaren (bij indiening op 10 februari 2018 gaat dit om de jaren 2016, 2017 en 2018) niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun (dat wil zeggen subsidies verleend onder de de-minimisverordening) vermeerderd met de aangevraagde subsidies voor dit project mag hebben ontvangen. Steun onder deze drempel valt onder de de-minimisverordening, wat betekent dat de steun niet behoeft te worden aangemeld bij de Europese Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien twee ondernemingen een bepaalde band met elkaar onderhouden, kan het voor de toepassing van de de-minimisverordening zo zijn dat deze ondernemingen als één zelfstandige onderneming worden gezien. Bij het invullen van de Verklaring de-minimissteun wordt een onderneming geacht daar rekening mee te houden. Onder de de-minimisverordening kan ook steun vallen die is vervat in leningen en garantstellingen, waarbij het mogelijk is om deze, onder voorwaarden, ook toe te passen op leningen en garantstellingen die langer dan drie jaar lopen. De voorwaarden hiervoor zijn uiteengezet in artikel 4 van de de-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel g Onder geldende goedkeuringsverplichtingen wordt bijvoorbeeld bedoeld 70% van de huurders die moeten instemmen (eventuele kopers tellen niet mee) met een renovatievoorstel van de verhuurder, zoals een akkoord van de huurders wanneer de aanvrager een woningcorporatie is. Dan is volgens de wet sprake van een 'redelijk' voorstel waaraan de betrokken huurders zijn gebonden, ook de eventuele tegenstemmers (minder dan 30%). Het begrip goedkeuringsverplichting wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, tweede lid, aanhef Dit lid regelt de aanvullende gegevens en stukken die aangeleverd moeten worden als een aanvraag door een ander dan de eigenaar of een namens de eigenaar gemachtigde wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a Dergelijke aanvragers die geen eigenaar zijn, zijn verplicht is om een schriftelijk bewijs van instemming van de eigenaar met de subsidiabele activiteiten mee te sturen. In deze verklaring geeft de eigenaar toestemming dat de activiteiten die leiden naar het aardgasvrij maken van het verblijfsobject en de afsluiting van het gas in het betreffende gebouw uitgevoerd mogen worden. Zijn er meerdere eigenaren dan moeten zij allen deze toestemming in een verklaring geven. Al deze verklaringen moeten bij de subsidieaanvraag gevoegd worden. De eigenaar mag aan de toestemming om het verblijfsobject aardgasvrij te maken de voorwaarde verbinden dat huurder dit bij vertrekt ongedaan maakt. De aanvullende verplichting uit artikel 1.9, onderdeel b bevat voor dergelijke situaties een specifieke uitzondering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook mogelijk voor huurders om subsidie aan te vragen als een tussenkomst van de rechter noodzakelijk is geweest om de eigenaar te bewegen om de voorgestelde activiteiten uit te laten voeren. Artikel 7:243 BW voorziet op de mogelijkheid voor huurders om de eigenaar te dwingen om mee te werken met een redelijk voorstel tot het aanbrengen van isolerende voorzieningen en energie-efficiënte verwarmingsketels. Artikel 7:215 BW betreft de mogelijk voor huurders om zelf voorzieningen aan te brengen in een woonruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond in artikel 1.8, eerste lid, onderdeel b hangt samen met dit indieningsvereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b Een aanvrager die niet de eigenaar is moet wel aantonen dat hij of zij een direct belang heeft bij het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Een huurder of gebruiker van het vastgoed heeft een dergelijk belang. Bij het ontbreken van een dergelijk belang kan de subsidie geweigerd worden op grond van artikel 9, tweede lid onderdeel f van de ASA 2013. Het belang van het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen wordt niet als een belang gezien. Het is geenszins de bedoeling dat partijen subsidie aan gaan vragen voor verblijfsobjecten waar ze niets mee te maken hebben. Als deze noch eigenaar, noch huurder, noch via een uitvoeringsovereenkomst een belang heeft bij het verblijfsobject is er reden om aan te nemen dat deze partij niet de capaciteit heeft om de subsidiabele activiteit uit te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen in de twee leden van dit artikel bevatten gronden voor weigering of gedeeltelijke weigering van subsidieaanvragen. Het wezenlijke verschil tussen de twee leden betreft de mate van beslissingsvrijheid die het college heeft. De gronden in het eerste lid zijn dwingend, terwijl de gronden in het tweede lid een ‘kan’ bepaling betreffen. De ‘kan’-bepaling heeft als gevolgd dat het college kan afwegen of zij de weigeringsgrond toepassen .</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, eerste lid, onderdeel a De subsidie is bedoeld ter stimulering van het nemen van fysieke voorzieningen voor het aardgasvrij maken van vastgoed. Daarom is in het eerste lid, bepaald dat de voorzieningen niet al getroffen zijn voordat de aanvraag is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is voor de gemeente, zonder buitensporige administratieve lasten, niet mogelijk om te bepalen wanneer activiteiten uitgevoerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de verleningsfase kan uitsluitend geconstateerd worden dat een offerte voor de uit te voeren activiteiten recent en geldig is. In de praktijk is het echter eenvoudig om een recente en geldige offerte te verkrijgen, ook als het werkzaamheden betreft die reeds uitgevoerd zijn. De waarde van de offerte om te toetsen of er al met de uitvoering begonnen is zeer beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vaststellingsfase ontvangt de gemeente facturen en bewijzen dat facturen voldaan zijn. De datum van de facturen en de datum waarop de facturen voldaan zijn, zijn sterkere instrumenten om te controleren of de werkzaamheden uitgevoerd waren op het moment van aanvraag. Als gedurende de vaststellingsfase blijkt dat bepaalde de werkzaamheden al waren uitgevoerd kan de subsidie lager of nihil vastgesteld worden. De datum waarop voorzieningen uitgevoerd worden geacht valt samen met die van de btw-plichtige factuur van de uitvoerende partij die betrekking heeft op de uitvoering van de te subsidiëren fysieke activiteiten. Als de aanvrager zelf de fysieke activiteiten treft, dan is de datum van de aanschaf van noodzakelijke materialen leidend. Alle kosten die voor de aanvraagdatum gefactureerd zijn, zijn niet subsidiabel. Datzelfde geldt ook voor termijnfacturen. Termijnbedragen die vóór de aanvraagdatum gefactureerd zijn, zijn niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, eerste lid, onderdeel b De weigeringsgrond in dit onderdeel is uitsluitend gericht op subsidieaanvragen waar een aanvrager niet de eigenaar is van het verblijfsobject waar de subsidiabele activiteiten plaats zouden moeten vinden. De gemeente moedigt in sommige delen van de stad huurders aan om zelf het initiatief te nemen om hun verblijfsruimte aardgasvrij te maken. Het is echter uiterst onwenselijk dat huurders dat doen, zonder dat er instemming van de verhuurder is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in dit onderdeel nadrukkelijk aan het oordeel van het college om te bepalen wat zij een gegronde reden achten om aan te nemen dat de vereiste toestemming en het vereiste bevel van de rechter ontbreken. Als één van de twee documenten wel bestaat, dan wordt niet aan de vereisten van deze weigeringsgrond voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwoording van dit onderdeel met gebruikmaking van ‘gegronde reden om aan te nemen’ hangt er mee samen dat het praktisch onmogelijk is voor het college om te bewijzen dat de gevraagde documenten niet bestaan. Er moet dus met gegronde reden aangenomen worden dat die zaken niet bestaan. Het onvermogen of onwillendheid van een aanvrager om de gevraagde bewijzen te leveren kan een gegronde reden om aan te nemen dat de documenten niet bestaan. Het kan ook bijvoorbeeld zijn dat de instemming onvoldoende duidelijk verwoord is, of dat het rechtelijke bevel onvoldoende duidelijke verwoord. Het college kan ter controle van een instemming in contact treden met de eigenaar en de uitkomsten van dat contact kan een gegronde reden vormen om aan te nemen dat de toestemming ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel a Deze optionele weigeringsgrond is er op gericht te voorkomen dat de het college subsidie moet verlenen voor excessieve en onredelijk kostbare maatregelen. In principe wordt de hoogte van de subsidiebedragen zodanig bepaalt dat er geen onredelijk hoge subsidie kan worden gegeven, maar desondanks kunnen zich situaties voordoen waar het verstrekken van de subsidie ongewenst is. Een voorbeeld hiervan waren elektrische warm-water installaties, naast het warm-water uit de CV-installatie, in de keuken werden geïnstalleerd om te zorgen dat er altijd direct water op 100 graden celsius beschikbaar is. Een ander voorbeeld is de installatie van exorbitant dure elektrische kookplaten. In deze gevallen wegen de kosten niet op tegen het resultaat en de duurzaamheid niet of nauwelijks gediend met de hoge kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel b Deze optionele weigeringsgrond is er op gericht te voorkomen dat een vastgoedbezitter aan voorwaarden probeert te ontkomen door andere partijen in zijn plaats de subsidieaanvraag te laten doen. Een voorbeeld waar deze weigeringsgrond zou kunnen worden toegepast is artikel 2.6. Als een natuurlijke persoon eigenaar is van 40 BV’s die ieder één pand met huurwoningen exploiteren, dan is het onwenselijk dat de BV de subsidie kan aanvragen. Het college kan in dat geval op grond van deze bepaling de subsidie weigeren te verlenen. De bepaling ziet er ook op te voorkomen dat vastgoedbezitter huurders als stroman gebruiken door huurders te stimuleren om subsidie aan te vragen voor activiteiten waarvan de vastgoedbezitter in werkelijkheid de opdrachtgever is. In het geval een woningcorporaties onderdeel is van een VvE en de VvE de subsidie aanvraagt wordt in de meeste gevallen afgezien van toepassing van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel c De optionele weigeringsgrond dient tot een algemene waarborgen van de doeltreffendheid van de subsidieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel d Deze weigeringsgrond wordt toegepast als al eerder subsidie werd verleend voor het aardgasvrij maken van het vastgoed en het college de redelijkerwijs de verwachting zou mogen hebben dat het vastgoed al aardgasvrij is, omdat er al eerder subsidie is verleend voor dat gebouw. Zeker als de verleende subsidie is vastgesteld is het redelijk voor het college om te verwachten dat het gebouw al aardgasvrij is. In dat geval is subsidie niet gepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college gebruikt deze weigeringsgrond ook om het subsidiebedrag voor voorzieningen in verblijfsobjecten binnen een pand met meerdere woningen te verlagen in het geval dat er al eerder voor een collectieve installatie in dat pand met meerdere woningen een subsidie is verleend. Het reeds verleende subsidiebedrag dat voor een soortgelijke activiteit per aardgasvrije woning is verleend voor de collectieve installaties wordt in mindering gebracht op het maximale subsidiebedrag voor die activiteit in het verblijfsobject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel e Deze weigeringsgrond borgt dat het college de subsidie kan weigeren als de verlening van de subsidie tot een overschrijding van de de-minimisvereisten zou leiden. Het betreft een optionele weigeringsgrond, omdat het college in sommige gevallen kan kiezen om te onderzoeken of op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening of het DAEB-vrijstellingsbesluit een uitzondering gemaakt kan worden. Het is college is nadrukkelijk niet verplicht om te onderzoeken of een dergelijke uitzondering mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel f Deze optionele weigeringsgrond is erop gericht te voorkomen dat een subsidieaanvrager voor dezelfde subsidiabele activiteit subsidie aanvraagt op basis van verschillende hoofdstukken. Het is onwaarschijnlijk dat dit kan gebeuren, omdat idealiter hoofdstukken geen overlappende gebieden bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel g In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat sommige mensen die al een aardgasvrij woning hebben, omdat deze op het stadwarmtenet is aangesloten alsnog wilden investeren in hun woning om zo van het stadswarmtenet af te sluiten. Om ingewikkelde discussies over de definitie van aardgasvrij en het gebruik van aardgas bij de opwek van elektriciteit en restwarmte te voorkomen is gekozen om een expliciete weigeringsgrond toe te voegen. Als je aangesloten bent op het warmtenet, dan acht de gemeente jouw woning (behalve voor mogelijk kookgas) aardgasvrij. Er is in dat geval dan ook geen subsidie voor omschakeling naar bijvoorbeeld een warmtepomp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8, tweede lid, onderdeel h Deze bepaling regelt dat er geen subsidie is voor werkzaamheden aan individuele installaties als er een collectieve installatie in het pand is. Collectieve installaties dragen bij aan de vereenvoudiging van de aansluiting van panden aan het stadswarmtenet en met deze bepaling wordt voorkomen dat afbreuk gedaan wordt aan de geschiktheid van die installatie voor een dergelijke omzetting. Bovendien kan het individueel afsluiten van een collectieve installatie tot grote moeilijkheden leiden voor de resterende gebruikers in die collectieve installatie. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat individuen met een collectieve installatie in hun gebouw zich inspannen om deze gehele installatie aardgasvrij te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is desondanks gekozen om in dit geval een optionele weigeringsgrond te maken. Er zijn immers gevallen denkbaar van zeer grote gebouwen waar een collectieve installatie een deel van de verblijfseenheden van warmte voorziet, maar dat er bepaalde later bijgevoegde verblijfseenheden een eigen installatie hebben. In die gevallen leidt de omzetting niet tot een afbraak van het draagvlak voor de collectieve oplossing en kan het college toch kiezen om subsidie te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conform de ASA worden in dit artikel voor de aanvrager verplichtingen gesteld. Op grond van artikel 4:48, eerste lid, onder b AWB kan het college vóór de vaststelling van de subsidie overgaan tot intrekking als niet aan deze voorwaarden is voldaan. Op grond van artikel 4:49 ,eerste lid, onder c AWB kan het college na de vaststelling van de subsidie overgaan tot intrekking als niet aan deze voorwaarden is voldaan. Na intrekking vordert het college de eventuele uitbetaalde subsidie terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel a Binnen één jaar na de beschikkingsdatum dienen de activiteiten volledig te zijn uitgevoerd. Er zijn situaties denkbaar waarbij dit, bijvoorbeeld door externe factoren, niet haalbaar is. De aanvrager is verplicht om dit bij de subsidieaanvraag kenbaar te maken. Het college kan in dat geval akkoord gaan met de afwijkende uitvoeringsperiode. Indien na het afgeven van de verleningsbeschikking blijkt dat door onvoorziene omstandigheden de activiteiten niet binnen één jaar kunnen worden uitgevoerd, dient de aanvrager aan het college uitstel te verzoeken. Dit verzoek dient voorzien te zijn van een stevige onderbouwing waaruit o.a. blijkt dat de opgelopen vertraging niet redelijkerwijs te voorzien was. Als het verzoek ingediend is voor de gestelde termijn verstreken is kan het college kan hiermee akkoord gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel b De verplichting in dit onderdeel is erop gericht te zorgen dat een aanvrager het resultaat van de subsidiabele activiteiten niet ongedaan maakt. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de aanvrager opnieuw in gasaansluiting neemt. Het college vereist echter niet dat de volgende eigenaar van de woning de woning aardgasvrij houdt. Er is dus geen sprake van een verplichting om een kettingbedding te vestigen, dat het verblijfsobject aardgasvrij blijft. Eenzelfde situatie geldt voor huurders. Een huurder kan niet afdwingen dat de verhuurder na zijn vertrek het verblijfsobject aardgasvrij houdt. Er is zelfs nadrukkelijk geregeld dat als de verhuurder van de huurder heeft geëist dat deze de het verblijfsobject weer van aardgas voorziet na zijn vertrek, dat de huurder het verblijfsobject weer van aardgas mag voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen is echter via een andere weg uitgesloten dat er weer een gasaansluiting in een verblijfsobject komt. Op grond van artikel 10, lid 7, onderdeel b van de Gaswet kan het college gebieden aanwijzen waar de netbeheerder geen taak meer heeft om nieuwe gasaansluitingen te realiseren. Als een woning een dergelijk aangewezen gebied aardgasvrij is gemaakt kan een nieuwe eigenaar, een nieuwe huurder, of een vertrekkende huurder die de gasaansluiting terug moet brengen die gasaansluiting niet krijgen. Het is staande praktijk van het college van B&amp;W om gebieden die aangewezen worden in hoofdstukken waarvan het nummer begint met een 3 ook aan te wijzen als een gebied waar de netbeheerder geen taak heeft om een gasaansluiting te realiseren. Lees meer over de aangewezen gebieden in het besluit gasaansluitplicht netbeheerder Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel c Dit onderdeel is er op gericht te borgen dat de gemeente een inspecteur kan sturen om de voortgang van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten te controleren. De aanvrager wordt geacht binnen de grenzen van de redelijkheid medewerking te verlenen met deze controles. Als een aanvrager geen of onvoldoende medewerking verleend kan dat op zichzelf reden zijn tot een lager of zelfs nihil vaststelling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel d Dit artikel is er hoofdzakelijk op gericht te benadrukken dat het verkrijgen van subsidie niet geduid of geconstrueerd moet worden als een bevestiging dat het college instemt met de uitvoering van de voorgenomen plannen. Als er een vergunningplicht bestaat voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten moet de aanvrager zelf zorg dragen voor verkrijgen van de benodigde vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verkrijgen van vergunningen voor de subsidiabele activiteiten, kan bijvoorbeeld aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gedacht worden. Of en welke vergunning vereist is, zal sterk afhangen van het gebouw waarin de voorzieningen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een eigenaar of huurder van een woonboot met ligplaatsvergunning het voornemen heeft om de woonboot te gaan verbouwen naar aardgasvrij, zal deze aanvrager een omgevingsvergunning, of een gedoogbeschikking nodig kunnen hebben op grond van het Gedoogkader Woonboten Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel e Dit onderdeel is er op gericht te borgen dat woningcorporaties een administratie van voldoende kwaliteit voeren om te kunnen toetsen of aan de vereisten van het DAEB-vrijstellingsbesluit wordt voldaan. Of aan deze verplichting is voldaan blijkt vaak tijdens de verantwoording van de subsidie pas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.9, onderdeel f Dit onderdeel is er op gericht te zorgen dat een verhuurder die subsidie heeft aangevraagd maatregelen treft om te zorgen dat huurders niet alsnog de subsidiabele activiteiten ongedaan maken. In dat geval is immers de verplichting uit artikel 1.9, onderdeel b niet van toepassing, omdat het niet de aanvrager is de gesubsidieerde activiteiten ongedaan maakt. De vorm van deze borging is niet bepaald en deze borging wordt ook niet actief gecontroleerd. In het geval dat artikel 10, lid 7, onderdeel b van de Gaswet van toepassing is in het gebied is deze onmogelijkheid automatisch geborgd. In andere gevallen kan de verhuurder een bepaling in het huurcontract opnemen dat het verblijfsobject niet voorzien wordt van gas. De verhuurder stemt in ieder geval niet in met zelf aangebracht voorzieningen die ertoe leiden dat het verblijfsobject aangesloten wordt aan het aardgas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording en vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bestaat uit twee leden. Beide leden hebben betrekking op de documenten die een aanvrager, nadat de subsidie is verleend en nadat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd, bij een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vereisten in de leden en onderdelen van dit artikel komen nadrukkelijk bovenop de vereisten die volgen uit artikel 14 van de ASA 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, eerste lid, onderdeel a De aanvrager moet in ieder geval kopieën van de betaalde facturen meesturen bij een aanvraag tot vaststelling van de subsidie. De betaalde facturen worden gevraagd, omdat het college daaruit redelijkerwijs moet kunnen afleiden dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Gevraagd wordt in feite om kopieën van de facturen. Indicatoren van een kwalitatief goede offerte zijn als de vermelding van de volgende gegevens:</p>\n<p class=\"lf-p\">De volledige naam van de leverancier en die van de aanvrager De juridische naam is vermeld. De handelsnaam kan ook, als die in combinatie met het adres en woonplaats bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige adres van de leverancier en dat van de aanvrager Het adres waar de leverancier feitelijk is gevestigd is vermeld. Vermelding van alleen een postbusnummer is niet voldoende;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het volledige btw-nummer van de leverancier;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het KvK-nummer van de leverancier;</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum waarop de factuur is uitgereikt; de aard van de goederen of diensten die de leverancier heeft geleverd; de hoeveelheid van de goederen of de omvang van de diensten die de leverancier heeft geleverd; de datum waarop de goederen of diensten zijn geleverd; het bedrag dat de leverancier in rekening brengt, exclusief btw het btw-tarief dat de leverancier in rekening brengt; en het btw bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzamelfacturen waarvan slechts een deel van de kosten subsidiabel zijn dienen voldoende duidelijk uitgesplitst te zijn, zodat beoordeeld kan worden welk deel van de kosten subsidiabel is. De aanvrager dient er zorg voor te dragen dat de subsidiabele kosten op de factuur voldoende duidelijk aangemerkt zijn. De gegevens op de facturen dienen aan de sluiten bij de gegevens in het verslag van uitvoering, zoals bedoeld onder artikel 14, tweede lid, onder a ASA2013 en het dient eenvoudig te herleiden te zijn welke kosten bij de beoogde voorzieningen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevraagde betaalbewijs kan bijvoorbeeld bestaan uit een bankrekeningafschrift van de betaling of een schriftelijke verklaring van de partij die de facturen heeft verstuurd dat de facturen die betrekking hebben op de subsidiabele activiteiten voldaan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betaalde factuur aan de netbeheerder dient aangeleverd te worden als er subsidie is verleend voor het laten verwijderen van de aardgasaansluiting uit het vastgoed. Deze factuur fungeert tevens als schriftelijke bewijs dat het vastgoed van het aardgas is afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, eerste lid, onderdeel b Bij de aanvraag tot vaststelling wordt de subsidieaanvrager opnieuw gevraagd om een overzicht aan te leveren van eventuele andere verleende of vastgestelde subsidies. Deze vereisten sluiten nauw aan bij de vereisten uit artikel 1.7, onderdeel d. Deze gegevens worden gebruikt bij de berekening van de maximering uit artikel 1.6. Lees bij de toelichting bij dat artikel meer over de omgang met verwachte lagere andere subsidies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, eerste lid, onderdeel c Dit indieningsvereiste is uitsluitend van toepassing als er subsidie aangevraagd wordt voor de realisatie van een collectieve verwarmingsinstallatie. In die gevallen is er meer informatie nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om inzicht te krijgen hoeveel woningen er bij een collectieve aanvraag nu daadwerkelijk aardgasvrij zijn geworden dient de aanvrager daarvan een overzicht in te dienen. Een dergelijk overzicht zou er als volgt uit kunnen zien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Straat Huis# Toev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele gasaansluiting verwijderd Prinsengracht 342 HS Was niet aanwezig Prinsengracht 342 1A Niet verwijderd Prinsengracht 342 1V SBA – 00012577 Prinsengracht 342 2A Was niet aanwezig Prinsengracht 342 2V SBA – 00012577 Prinsengracht 342 3 SBA – 00012590 Prinsengracht 344 HS Was niet aanwezig Prinsengracht 344 1 Was niet aanwezig Prinsengracht 344 2 Zie bijlage C1 Prinsengracht 344 3 Was niet aanwezig Als bewijs van afsluiting kunnen het SBA-nummer van de aanvraag van subsidie voor het afsluiten van het kookgas voor het verblijfsobject of een kopie van de betaalde factuur voor afsluiting van het aardgasnet van dat verblijfsobject dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.10, tweede lid Dit artikellid is uitsluitend van toepassing op aanvragen door woningcorporaties. Dit artikel stelt een aanvullende en concretiserende eis aan het financieel verslag dat op grond van de ASA 2013 bij een subsidieaanvraag moet worden ingediend. Deze concrete eis hangt samen met het goed inzichtelijk krijgen welk deel van de kosten nu daadwerkelijk met de subsidiabele activiteiten samenhangt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Directe vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 (jo. artikel 17) van de ASA 2013 bepaalt dat subsidies tot en met € 5.000,- door het college direct moeten worden vastgesteld (en uitbetaald), zonder dat de subsidieontvanger daarvoor nog een verantwoording van de besteding van de subsidiegelden hoeft in te dienen. Artikel 2, derde lid, van de ASA 2013 bepaalt echter dat middels een bijzondere regeling hiervan kan worden afgeweken als de aard van de subsidie of het beoogde doel van de te subsidiëren activiteit daartoe noodzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.11, eerste lid Gelet op het potentiële frauderisico dat gepaard gaat met deze subsidie en de hogere uitvoeringskosten die het tegengaan van dat risico met zich meebrengt, wordt een afhandelingswijze met direct vaststelling in dit geval niet wenselijk gevonden. Om die reden wordt in dit lid bepaald dat ook voor subsidies onder de €5000,- een schriftelijke aanvraag tot vaststelling moet worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.11, tweede lid Het tweede lid van dit artikel ziet er in aanvulling op de ASA2013 op, dat ook voor subsidies onder de €5000,- een termijn geld waarbinnen de aanvragen tot vaststelling dienen te worden ingediend. Deze termijn is gelijk gesteld aan de termijn die uit de ASA2013 volgt voor subsidies tussen de €5000,- en €50.000,-.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Stadsbrede subsidie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Het gebied is voor dit hoofdstuk gelijk aan de gemeentegrenzen van de gemeente Amsterdam met uitzondering van de gebieden die in de hoofdstukken waarvan het nummer met een 3 begint zijn aangewezen, zoals hoofdstuk 3 en 3a. Naarmate er in de volgende hoofdstukken meer gebieden aangewezen worden zal het werkingsgebied van dit hoofdstuk dus kleiner worden. De bedoeling hiervan is te borgen dat er ook een subsidie is als het vastgoed niet ligt binnen een gebied waar de gemeente al met de wijkaanpak begonnen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2, eerste lid Voor woningen, panden met meerdere woningen, kleinschalige transformatie en collectieve installaties is in het eerste lid €3.000.000.- beschikbaar gesteld. Dit kan tussentijds worden aangepast door het college. Na het verlopen van het tijdvak of nadat het subsidieplafond is bereikt kan de subsidie niet meer worden aangevraagd. Aanvragen die na het verlopen van het tijdvak of het bereiken van het subsidieplafond worden ingediend zullen worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1, tweede lid Voor bedrijven en maatschappelijke organisaties is in het tweede lid € 500.000.- beschikbaar gesteld. Ook dit bedrag kan tussentijds worden aangepast door het college. Na het verlopen van het tijdvak of nadat het subsidieplafond is bereikt kan de subsidie niet meer worden aangevraagd. Aanvragen die na het verlopen van het tijdvak of het bereiken van het subsidieplafond worden ingediend zullen worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie, die als gevolg van een uitzonderingsbepaling in een ander hoofdstuk, voor verblijfsobjecten in andere gebieden voor activiteiten op grond van artikel 2.3, onderdelen d, e en f worden verleend tellen mee bij dit subsidieplafond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald welke activiteiten subsidiabel zijn. Een subsidieaanvraag kan in principe iedere mogelijke combinatie van de onder dit artikel genoemde activiteiten bevatten. Het is echter onmogelijk dat een pand met meerdere woningen tegelijkertijd ten dele en geheel aardgasvrije wordt, waardoor activiteiten uit onderdeel c de activiteiten uit onderdeel a uit sluiten voor zo ver die laatste betrekking hebben op het gehele pand met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel a De activiteiten onder dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een bestaande woning wordt omgezet in een aardgasvrije woning. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van activiteiten nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Ook is er een subsidie voor de afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening wordt gebracht. Het is essentieel dat de bestaande installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel b De activiteiten bij dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een woning die bij een kleinschalige transformatie ontstaat, er is in deze gevallen geen sprake van nieuwbouw en het gaat altijd om minder dan 25 woningen, aardgasvrij wordt. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van voorzieningen nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Er is bij kleinschalige transformatie geen subsidie voor afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening worden gebracht. Het is essentieel dat de bestaande installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel c De activiteiten onder dit onderdeel zien op panden met meerdere woningen met collectieve installaties, waar het als gevolg van gefragmenteerd bezit vaak erg moeilijk kan zijn om het gehele pand met meerdere woningen aardgasvrij te maken. Deze panden met meerdere woningen worden als gevolg van de onder dit onderdeel genoemde activiteiten ten dele aardgasvrij. Met “ten dele” wordt bedoelt dat een deel van de verblijfsruimten binnen het pand met meerdere woningen niet aardgasvrij wordt. In een pand met meerdere woningen met blokverwarming kan dit betekenen dit de collectieve installatie voor de gehele flat door een aardgasvrije vervangen wordt, maar dat slechts sommige van de verblijfsruimten ook de aan die verblijfsruimte verbonden aardgasaansluiting laten verwijderen. Met “ten dele” wordt niet bedoeld dat de individuele subsidiabele activiteiten slechts leiden tot een reductie in het aardgasgebruik, omdat er bijvoorbeeld een installatie wordt geplaatst uitsluitend tijdens piekbelasting aardgas gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdelen d en e Onderdelen d en e regelen een subsidie voor het aardgasvrij maken van respectievelijk bestaand maatschappelijke vastgoed of een bestaande bedrijfsruimte door het uitvoeren van één of meerdere van de volgende activiteiten: de gasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; de gasgestookte tapwaterverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is essentieel dat de bestaande en om te zetten installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrippen maatschappelijk vastgoed en bedrijfsruimte zijn gedefinieerd in artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, onderdeel f Het zesde onderdeel regelt een subsidie om bestaande bedrijfsruimte of bestaande maatschappelijk vastgoed aardgasvrij te maken door bestaande aardgasverbruikende bedrijfsmiddelen om te zetten naar aardgasvrije. Ook hier is essentieel dat een bestaand bedrijfsmiddelen omgezet wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdstuk specifieke subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een specifieke bepaling over subsidiabele kosten die van toepassing is binnen dit hoofdstukken en in het bijzonder gericht is op de omzetting van aardgas gebruikende bedrijfsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel f. Alle andere bepalingen over subsidiabele kosten zijn opgenomen in artikel 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op de gebruikelijke praktijk zijn bij bedrijfsmiddelen uitsluitend de meerkosten subsidiabel. Meerkosten betreffen in dit geval het verschil tussen een nieuw gasverbruikend bedrijfsmiddel en een nieuw aardgasvrij bedrijfsmiddel. Er is bewust gekozen om een ‘nieuw’ gasverbruikend bedrijfsmiddel als referentie te nemen. Andere oplossingen waarbij meer rekening gehouden wordt met de huidige waarde van het bestaande bedrijfsmiddelen zijn in de praktijk niet uitvoerbaar, omdat er teveel sterk uiteenlopende bedrijfsmiddelen zijn, waardoor de bepaling van de waarde van het bedrijfsmiddel de kans op willekeur zou vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.8, tweede lid wordt de aanvrager gevraagd om een onderbouwde kostenraming te geven voor een nieuw aardgas verbruikend bedrijfsmiddel. De kosten van het aardgasvrije bedrijfsmiddel blijken uit de offertes die de aanvrager op grond van artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b moet overleggen. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.8, tweede lid kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als de onderbouwde raming van de investeringskosten van het aardgas gebruikende bedrijfsmiddel niet redelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt per activiteit in artikel 2.3 de hoogte van de subsidie die kan worden verleend. De leden 1 tot en met 6 van dit artikel corresponderen respectievelijk met de onderdelen a tot en met f van de artikel 2.3. De onderdelen van dit artikel corresponderen met de subonderdelen van artikel 2.3. De maximale subsidiebedragen voor woningen, leden 1, 2 en 3, zijn zo vormgegeven dat er maximaal €3000,- subsidie per aardgasvrije woning is. Daar komen de afsluitkosten van het aardgasnet nog bovenop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5, derde lid Dit lid regelt de maximale subsidie voor subsidiabele die ertoe leiden dat een gebouw met collectieve verwarmingsinstallatie gedeeltelijk aardgasvrij wordt. Omdat niet per definitie het gehele gebouw aardgasvrij wordt is een afwijkende en iets ingewikkeldere methode nodig om te bepalen hoeveel subsidie er is. De subsidiabele kosten zijn evenredig met het deel van het pand met meerdere woningen dat aardgasvrij wordt als gevolg van de activiteiten. Indien het niet redelijkerwijs mogelijk is om de kosten voor het aardgasvrij maken van de ruimteverwarming en het aardgasvrij maken van het warm tapwater te scheiden, dan kunnen de kosten bij elkaar opgeteld blijven en moet uitgegaan worden van een gecombineerd maximum van €2500,- per aardgasvrije woning voor beide activiteiten. Met behulp van een tweetal voorbeelden wordt deze bepaling van de hoogte van de subsidie nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VvE van een pand met 50 woningen en een collectieve verwarmings- en tapwaterinstallatie wil subsidie aanvragen. Alle 50 deze woningen zijn aangesloten op de installatie; 10 van de woningen koken al elektrisch en hebben geen individuele woning gebonden gasaansluiting. Na de uitvoering van de beoogde voorzieningen is de collectieve verwarmings- en tapwater installatie aardgasvrij. Bovendien hebben 20 woningeigenaren de intentie uitgesproken binnen een jaar elektrisch te gaan koken en de individuele woning gebonden gasaansluiting te laten verwijderen. Dit betekent dat er na alle activiteiten 30 aardgasvrije woningen in het pand zullen zijn. Het vervangen van de gasinstallatie met een WKO installatie voor het gehele pand met meerdere woningen kost €200.000,-. €150.000 daarvan is toe te schrijven aan de ruimteverwarming (2.5, derde lid, onderdeel a). € 50.000 aan het warm tapwater (2.5, derde lid, onderdeel b). De afsluiting van de aardgasaansluiting voor de collectieve installatie kost €5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij ruimteverwarming De kosten voor de WKO installatie die te maken hebben met de ruimteverwarming bedragen €150.000. Op grond van artikel 1.5, zijn al deze kosten aan te merken als de subsidiabele kosten voor deze subsidiabele activiteit. Er zijn 50 woningen in het pand en 30 daarvan worden aardgasvrij. Dit levert de volgende berekening van de maximale subsidie als gevolg van de subsidiabele kosten op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is echter hoger dan de maximale subsidie per aardgasvrije woning voor deze activiteit. Deze bedraagt immers €2000,- per aardgasvrije woningen. Waardoor het subsidiebedrag voor deze activiteit uitkomt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij tapwater De kosten voor de WKO installatie die te maken hebben met het warmte tapwater bedragen €50.000. Op grond van artikel 1.5, zijn al deze kosten aan te merken als de subsidiabele kosten voor deze subsidiabele activiteit. Er zijn 50 woningen in het pand en 30 daarvan worden aardgasvrij. Dit levert de volgende berekening op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is echter hoger dan de maximale subsidie per aardgasvrije woning. Deze bedraagt immers €500,- per aardgasvrije woningen. Waardoor het subsidiebedrag voor deze activiteit uitkomt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De collectieve aardgasaansluiting De kosten voor het afsluiten van de collectieve aardgasaansluiting bedragen €5.000. Deze hoogte de subsidie voor deze kosten bedraagt op grond van artikel 2.5, derde lid, onderdeel c dus € 5000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele kookgasaansluitingen De 20 eigenaren en bewoners (of de VvE namens hen) die de intentie hebben uitgesproken om elektrisch te gaan koken en hun individuele woning gebonden gasaansluiting laten verwijderen kunnen vervolgens ook nog subsidie aanvragen voor op grond van artikel 2.3, onderdeel a, subs iii en iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht voorbeeld 1 Dat levert het volgende overzicht op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteit Subsidiabele kosten Maximum als gevolg van subsidiabele kosten Maximum als gevolg van aantal woningen Subsidie voor activiteit Collectieve ruimteverwarming € 150.000 € 90.000 € 60.000 € 60.000 Collectief warm tapwater € 50.000 € 30.000 € 15.000 € 15.000 Collectief afsluiten aardgas € 5.000 € 5.000 - € 5.000 Collectief totaal € 205.000 - - € 80.000 Individuele kookvoorziening Kosten per woning variëren 100% subsidiabele kosten €500 per woning Onbekend Individuele aardgasaansluiting afsluiten Volgt uit Tarievencode ACM Door netbeheer in rekening gebrachte kosten €1.000 per woning Onbekend Voorbeeld 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VvE van een pand met meerdere woningen met 100 woningen en een gasgestookte collectieve ruimteverwarmingsinstallatie wil subsidie aanvragen. 95 van de woningen zijn aangesloten op de installatie en 5 van de woningen in het pand met meerdere woningen zijn al op eigen houtje aardgasvrij en drie daarvan willen niet overstappen naar de collectieve installatie. In 10 van de woningen in het pand met meerdere woningen, waaronder de 5 aardgasvrije, wordt elektrisch gekookt. De helft van de woningen heeft een gasgestookte tapwater voorziening. De ander helft heeft een elektrische tapwater voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VvE en alle bewoners behalve één besluiten om aardgasvrij te worden met behulp van stadwarmte. Deze éne bewoner zegt een emotionele verbinding met zijn geiser en gaskookplaat te hebben. Na de uitvoering van de beoogde voorzieningen is de collectieve ruimteverwarmingsinstallatie aardgasvrij. De tapwaterinstallaties zijn nog steeds individueel per verblijfsobject geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van de gasinstallatie met stadswarmte voor het gehele pand met meerdere woningen kost €250.000,-. De afsluiting van het aardgas voor de collectieve installatie kost €5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrije ruimteverwarming (collectief) De beschreven casus heeft als gevolg dat er na alle activiteiten 94 extra aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen zullen zijn. 5 van de woningen waren al aardgasvrij, daar is dus geen subsidie voor. 1 woning blijft aan het aardgas, omdat de eigenaar er zo aan gehecht is. Dat levert de volgende berekening van de maximale subsidie als gevolg van de subsidiabele kosten op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is hoger dan de maximale subsidie per woning. Deze bedraagt maximaal €2000,- per aardgasvrije woning voor de verwarmingsinstallatie. (artikel 2.3, derde lid, onderdeel a).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij warm tapwater Het warm tapwater wordt niet collectief aangepakt, dus dat is geen subsidiabele activiteit op grond van artikel 2.5, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aardgasaansluiting De kosten voor het afsluiten van de collectieve aardgasaansluiting bedragen €5.000. Deze hoogte de subsidie voor deze kosten bedraagt op grond van artikel 2.5, derde lid, onderdeel c dus € 5000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten aan individuele installaties De 49 eigenaren en bewoners (of de VvE namens hen) die niet vooraf al elektrisch warm tapwater opwekten en de intentie hebben uitgesproken om over te stappen naar een aardgasvrije tapwater installatie bestaat de mogelijkheid om subsidie aan te vragen op grond van artikel 2.3, onderdeel a, sub ii. Voor de 50 verblijfsobjecten die reeds aardgasvrije tapwater hadden, m.a.w. de mensen die al elektrische hun tapwater verwarmden is er voor deze activiteit geen subsidie. Deze mensen doen immers niets, ze blijven gewoon hun bestaande installatie gebruiken. Ook de drie woningbezitters die hun woning al aardgasvrij hadden, maar toch naar de collectieve installatie overstappen krijgen geen subsidie. Als vanzelfsprekend is er ook geen subsidie voor de ene bewoner die zijn woning niet aardgasvrij wil maken De 89 eigenaren en bewoners (of de VvE namens hen) die de intentie hebben uitgesproken om elektrisch te gaan koken en hun individuele woning gebonden gasaansluiting laten verwijderen kunnen vervolgens ook nog subsidie aanvragen voor op grond van artikel 2.3, onderdeel a, subs iii en iv. Voor de 10 reeds aardgasvrije woningen en de ene bewoner die niet aardgasvrij wil worden is er geen subsidie op grond van artikel 2.3, onderdeel a, sub iii en iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht voorbeeld 2 Dat levert het volgende overzicht op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele activiteit Subsidiabele kosten Maximum als gevolg van subsidiabele kosten Maximum als gevolg van aantal woningen Subsidie voor activiteit Collectieve Ruimteverwarming € 250.000 € 247.368,42 € 188.000 € 188.000 Collectieve Warm tapwater € 0 € 0 € 47.000 € 0 Collectieve afsluiting aardgas € 5.000 € 5.000 - € 5.000 Collectief Totaal € 255.000 - - € 203.000 Individuele tapwatervoorziening Kosten per woning variëren 100% subsidiabele kosten € 500 per woning Onbekend Individuele kookvoorziening Kosten per woning variëren 100% subsidiabele kosten € 500 per woning Onbekend Individuele aardgasaansluiting afsluiten Volgt uit Tarievencode ACM Door netbeheer in rekening gebrachte kosten € 1000 per woning Onbekend Artikel 2.5, eerste lid, onderdeel d en derde lid, onderdeel c Met het (laten) afsluiten van het verblijfsobject is aansluiting gezocht met de tarieven, zoals deze vooraf zijn vastgesteld door de netbeheerder die in Amsterdam actief is. Op de website van de netbeheerder zijn de tarieven terug te vinden, zowel voor particuliere als zakelijke afsluitingen. Vanaf 2020 waren deze op nihil gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5, vierde lid Dit artikellid regelt de hoogte van de subsidie voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed. Deze subsidiabele activiteiten staan omschreven in artikel 2.3, onderdeel d. De subsidiabele kosten waar in dit artikel naar verwezen wordt, worden bepaald op basis van artikel 1.5. De maximale subsidie is nooit hoger dan 50% van deze subsidiabele kosten. Degene die zijn maatschappelijk vastgoed aardgasvrij maakt, wordt dus in ieder geval geacht de helft van de kosten voor die activiteiten zelf te dragen. Daarnaast zijn er nog twee maxima, waarbij de laagste het maximale subsidiebedrag bepaald. Er is een maximum van €3,- per jaarlijks bespaarde kubieke meter aardgas. Het aardgasverbruik wordt bepaald op basis van de, op grond van artikel 2.7, eerste lid vereiste, door de aanvrager bij de aanvraag meestuurde energierekening. Ook geldt er een maximum van € 60.000,- per verblijfsobject. Aanspraak op de maximale subsidie kan dus worden gedaan als er € 120.000,- aan subsidiabele kosten zijn en er voortaan 20.000 kubieke meter aardgas per jaar minder verstookt wordt. Het begrip verblijfsobject wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5, vijfde lid Dit artikellid regelt de hoogte van de subsidie voor het aardgasvrij maken van bedrijfsruimten. Deze subsidiabele activiteiten staan omschreven in artikel 2.3, onderdeel e. De subsidiabele kosten waar in dit artikel naar verwezen wordt, worden bepaald op basis van artikel 1.5. De maximale subsidie is nooit hoger dan 50% van deze subsidiabele kosten. Degene die zijn bedrijfsruimte aardgasvrij maakt wordt dus in ieder geval geacht de helft van de kosten voor die activiteiten zelf te dragen. Daarnaast zijn er nog twee maxima, waarbij de laagste het maximale subsidiebedrag bepaald. Er is een maximum van €3,- per jaarlijks bespaarde kubieke meter aardgas. Het aardgasverbruik wordt bepaald op basis van de, op grond van artikel 2.7 eerste lid vereiste, door de aanvrager bij de aanvraag meestuurde energierekening. Ook geldt er een maximum van € 30.000,- per verblijfsobject. Aanspraak op deze maximale subsidie kan dus worden gedaan als er € 60.000,- aan subsidiabele kosten zijn en er 10.000 kubieke meter aardgas per jaar minder verstookt wordt. Het begrip verblijfsobject wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5, zesde lid Dit artikellid regelt de hoogte van de subsidie voor het aanschaffen van aardgasvrije bedrijfsmiddelen. Deze subsidiabele activiteiten staan omschreven in artikel 2.3, onder f. De subsidiabele kosten waar in dit artikel naar verwezen wordt, worden bepaald op basis van artikel 2.4. Het betreft een afwijkende methode van berekening van de subsidiabele kosten. Lees daarover meer bij de toelichting bij artikel 2.4. De subsidiabele kosten zijn in dit geval de meerkosten van een aardgasvrij bedrijfsmiddelen t.o.v. een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel dat hetzelfde doet. Als gevolg van dit artikel is de helft van deze meerkosten subsidiabel. Daarbij geldt bovendien een maximumsubsidie van € 1.000,- per verblijfsobject. Aanspraak op deze maximale subsidie kan gedaan worden als er sprake is van € 2.000,- of meer meerkosten. Het begrip verblijfsobject wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.6 De aanvrager Dit artikel regelt wie de subsidie op grond van dit hoofdstuk kan aanvragen. Wie potentieel aanvrager is hangt mede af van de subsidiabele activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd. In geen geval kan subsidie op grond van dit hoofdstuk worden aangevraagd door personen (natuurlijk of rechtspersoon) die meer dan 20 verblijfsobjecten in Amsterdam in hun bezit hebben. Het begrip verblijfsobject is gedefinieerd in artikel 1.1. Deze uitsluiting is doelbewust, om ervoor te zorgen dat partijen met veel vastgoed, zoals woningcorporaties, gedwongen worden om zich op de gebiedsgerichte aardgasvrij aanpak te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel huurders als eigenaren in de vorm van particulieren, woningcorporaties, of andere entiteiten kunnen subsidie aanvragen voor het geheel aardgasvrij maken van woningen (artikel 2.3, onderdeel a) of het realiseren van aardgasvrije woningen in een kleinschalige transformatie (artikel 2.3, onderdeel b). Onder eigenaren worden ook de bedrijfsmatige eigenaren van bestaande woningen verstaan die deze woningen bedrijfsmatig exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de woningcorporaties en ondernemingenkunnen vanuit het staatssteunrechtelijke kader andere eisen gelden dan voor particulieren. Zeker als er veel woningen door één aanvrager aardgasvrij worden gemaakt, zouden de subsidiabele kosten daarvan hoog kunnen zijn. Corporaties dienen aan de eisen te voldoen die vanuit de staatssteunregels voor hen gelden volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">VvE’s kunnen gezamenlijk een aanvraag indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.6, tweede lid Uitsluitend eigenaren, waaronder begrepen rechtspersonen waarmee eigenaren zich verenigen, kunnen voor het aardgasvrij maken van een pand met meerdere woningen subsidie aanvragen (art. 2.3, onderdeel c). Huurders zijn hiervan uitgesloten. Huurders hebben onvoldoende belang bij een op een pand met meerdere woningen gerichte aanvraag, omdat zij bijna nooit partij zijn als er sprake is van een VvE of andere rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.6, derde lid Uitsluitend eigenaren, waaronder begrepen rechtspersonen waarmee eigenaren zich verenigen, kunnen voor het aardgasvrij maken van een pand met maatschappelijk vastgoed of bedrijfsruimten subsidie aanvragen (art. 2.3, onderdelen c, d en e). Huurders zijn hiervan uitgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt een aantal hoofdstuk specifieke in te dienen gegevens. Deze gegevens hangen samen met de subsidie voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed, bedrijfsruimten en bedrijfsmiddelen in respectievelijk artikel 2.3, onderdelen d, e en f. Deze subsidiabele activiteiten zijn uniek binnen hoofdstukken 1 tot 4 en vergen specifieke informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.7, eerste lid Aanvragers die subsidie aanvragen op grond van artikel 2.3, onderdelen d en e, zijnde subsidie voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed of een bedrijfsruimte, worden gevraagd om een recente energierekening voor een periode van een jaar mee te sturen. Het is aan de aanvrager zelf om te bepalen of ze de rekening van het afgelopen jaar of het jaar daarvoor meesturen. Deze ruimte is gelaten, omdat energiebedrijven niet altijd even regelmatig facturen. Er is bewust gekozen om niet de gegevens van het lopende jaar te gebruiken, omdat deze gegeven niet compleet zijn en extrapolatie van gedeeltelijke gebruiksgegevens tot discussie en willekeur zou kunnen leiden. Bovendien zou het gebruik van huidige jaargegeven aanvragers kunnen stimuleren om extra gas te verkwisten. De maximale subsidie per bespaarde m3 aardgas is immers hogers dan de prijs van dat aardgas. De gebruiksgegevens op deze energierekening worden gebruikt om te bepalen hoeveel aardgas er bespaard zal worden met de subsidiabele activiteiten. Deze informatie is van belang om de subsidiehoogte te bepalen op grond van artikel 2.5, vierde en vijfde lid, onderdelen a. Het niet meesturen van deze gegevens bij een subsidieaanvraag leidt er, na een verzoek tot aanvullende gegevens, toe dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, omdat deze niet volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.7, tweede lid Aanvragers die subsidie aanvragen op grond van artikel 2.3, onderdeel f, zijnde subsidie voor de aanschaf van aardgasvrije bedrijfsmiddelen, worden gevraagd een onderbouwde raming van de investeringskosten voor een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel, dat het bestaande aardgasverbruikend bedrijfsmiddel zou kunnen vervangen mee sturen. Onderbouwing van die raming kan met behulp van een recente offerte of een unieke productomschrijving. Er is gekozen om zowel een recente offerte of een unieke productomschrijving te accepteren. Met een unieke productomschrijving wordt gedoeld op een naam van een specifiek product op basis waarvan het college kan bepalen hoeveel dat product kost. Een screenshot van een website waar het product te koop staat en waarbij de prijs vermeld staat zouden dat doel goed dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen om niet uitsluitend een offerte te accepteren, omdat het college zich ervan bewust is dat het niet altijd even makkelijk is om een offerte voor een product te krijgen, vooral als men dat product eigenlijk niet eens aan wil schaffen, maar simpelweg de offerte nodig heeft om in aanmerking te komen voor subsidie. De unieke productomschrijving is laagdrempeliger. De informatie uit deze raming wordt gebruikt om de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 2.4, tweede lid en indirect de hoogte van de subsidie, zoals bedoeld in artikel 2.5, zesde lid, te bepalen. Het niet meesturen van deze gegevens bij een subsidieaanvraag leidt er, na een vergeefs herhaald verzoek tot aanvullende gegevens, toe dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, omdat deze niet volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.8 weigeringsgronden De twee leden van dit artikel regelen een tweetal hoofdstuk specifieke weigeringsgronden. Deze hangen met de subsidie voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed, bedrijfsruimten en bedrijfsmiddelen in respectievelijk artikel 2.3, onderdelen d, e en f. Deze subsidiabele activiteiten zijn uniek binnen hoofdstukken 1 tot 4 en vergen specifieke weigeringsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.8, eerste lid Dit artikellid regelt dat het college kan weigeren subsidie te verlenen als voor dezelfde activiteit gelijktijdig subsidie wordt aangevraagd op grond van zowel artikel 2.3, onderdelen d en e. Aanvragen op grond van onderdeel e worden geweigerd als het college voornemens is subsidie te verlenen op grond van onderdeel d. Voor subsidies op grond van onderdeel d gelden strengere voorwaarden, maar deze subsidies kennen ook gunstigere voorwaarden qua bedragen. In situatie waar subsidies niet gelijktijdig, maar na elkaar worden aangevraagd wordt gebruik gemaakt van de weigeringsgrond in artikel 1.8, tweede lid, onderdeel d. Het betreft een harde weigeringsgrond, omdat er niet twee maal subsidie wordt verleend voor dezelfde activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.8, tweede lid Dit artikellid regelt een specifieke weigeringsgrond met betrekking tot de subsidie voor aardgasvrije bedrijfsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 2.3, onderdeel f. De subsidiabele kosten en uiteindelijk de hoogte van deze subsidie wordt bepaald op basis van het verschil in prijs tussen een aardgasvrije en een aardgasverbruikende variant van het bedrijfsmiddel. Lees hierover meer bij de toelichting bij artikel 2.4 en artikel 2.5, zesde lid. Deze situatie schept een prikkel voor de aanvrager om een zo goedkoop mogelijk aardgasverbruikend alternatief op te voeren. Een goedkoper aardgasverbruikend alternatief leidt immers tot hogere subsidiabele kosten en dus tot een hogere maximale subsidie. Deze weigeringsgrond maakt het mogelijk om in het geval van onredelijk goedkope aardgasverbruikende bedrijfsmiddelen de subsidie lager vast te stellen of te weigeren. Dit betreft een weigeringsgrond waar het college een behoorlijke beslissingsruimte heeft als gevolg van de ‘kan’ bepaling en de bewust relatief vage omschrijving van de redenen voor de lage prijs van het aardgas verbruikend alternatief.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Warm Amsterdam</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1, eerste lid Conform de in hoofdstukken 1 tot 4 gebruikelijke systematiek wordt in dit artikellid het werkingsgebied van het hoofdstuk bepaald. Het werkingsgebied van dit hoofdstuk bestaat uit verschillende deelgebieden in plaats van één enkel gebied. De deelgebieden zijn in tranches ingedeeld. De in dit artikellid opsomde deelgebieden worden in bijlage I nauwkeurig omschreven. De onderdelen van dit lid bevatten de tranches. De subonderdelen van dit lid bevatten de namen van de aangewezen buurten. Omwille van de bondigheid en de leesbaarheid kon de letterlijke omschrijving van alle gebieden niet in dit artikellid plaatsvinden. Deze bepaling krijgt zijn werking door het toepassingsbereik van artikel 3.3, het artikel over de subsidiabele activiteiten, te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1, tweede lid Met dit lid wordt de werking van artikel 2.1 gewijzigd. De hoofdregel is dat stadsbrede subsidievoorwaarden uit hoofdstuk 2 niet van toepassing zijn in gebieden waar een specifieke uitwerking voor bestaat. Als gevolg van dit lid blijven de stadsbrede subsidievoorwaarden uit hoofdstuk 2 binnen het gebied van toepassing voor bedrijfsruimten en maatschappelijke vastgoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de hoogte en de looptijd van het subsidieplafond voor de subsidies op grond van artikel 3.3. De looptijd van het plafond vangt aan bij de inwerkingtreding van de Wijzigingsregeling aardgassubsidie warmtemotor tranche. Die inwerkingtreding heeft op 25 mei 2022 plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het subsidieplafond gedurende de looptijd bereikt is worden subsidieaanvragen geweigerd op grond van artikel 4:24, tweede lid Awb. Dit plafond wordt gedeeld door alle deelgebieden die in dit hoofdstuk aan de orde komen en verdelingssystematiek die volgt uit artikel 7, eerste lid van de ASA2013 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt voor welke activiteiten op grond van dit hoofdstuk subsidie aangevraagd kan worden. Het is uitsluitend mogelijk om subsidie aan te vragen voor deze activiteiten voor zover ze uitgevoerd worden aan vastgoed dat gelegen is binnen het in artikel 3.1 gelegen gebied. Er is binnen warmtemotorbuurten in afwijking tot veel van de andere aangewezen gebieden en dat stadsbrede aardgasvrij subsidie geen subsidie voor het afsluiten van het aardgas door de netbeheerder. De begrippen aardgasvrij, bestaande woning en fysieke gebouwgebonden voorzieningen worden allemaal gedefinieerd in de algemene definities uit artikel 1.1. Het artikel bevat na de aanhef twee onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3, aanhef en onderdeel a Dit onderdeel regelt de subsidie voor activiteiten aan woningen. In de aanhef van dit onderdeel wordt bepaald dat het mogelijk is voor elke combinatie van de in de subonderdelen i tot en met iii opgesomde activiteiten subsidie aan te vragen onder de voorwaarde dat het ertoe leidt dat een bestaande woning aardgasvrij wordt. Onderdelen i en ii bevatten de voorwaarde de vervangende installaties in de warmtevraag voorzien door middel van onttrekking van warmte aan het stadswarmtenet. Daarmee wordt in feite bedoelt dat we woningen aangesloten moeten worden op het warmtenet. Het begrip omzetting impliceert dat de aardgas verbruikende installatie uit de woning verdwijnt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3, aanhef en onderdeel b Dit onderdeel regelt de subsidie voor activiteiten aan panden met meerdere woningen, zoals appartementencomplexen en flatgebouwen, die een collectieve installatie omzetten naar een aansluiting op het warmtenet. Deze bepaling is, behalve voor vereiste dat aangesloten wordt op het warmtenet, identiek aan de bepalingen in de stadsbrede subsidie voor collectieve installaties, zoals omschreven in artikel 2.3, onderdeel c. Lees daarom de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.3, onderdeel c.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3a</span><span class=\"lf-art-t\">Opt-out</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel regelt een tijdelijke uitzondering op het vereiste dat aangesloten moet worden op het warmtenet om in aanmerking te komen voor subsidie voor het omzetten van de ruimteverwarmings- en tapwaterinstallaties (de opt-out). Als gevolg van deze bepaling is het mogelijk om subsidie te krijgen als het vastgoed aardgasvrij wordt gemaakt met behulp van bijvoorbeeld een warmtepomp. Het is nadrukkelijk de bedoeling om zoveel mogelijk oplossingen die veel elektriciteit gebruiken of veel elektriciteit in een korte tijd gebruiken uit te sluiten van deze opt-out mogelijkheid. Deze uitzondering is tijdelijk en met het verstrijken van de in het artikel vermelde datum komt de opt-out te vervallen en vangt het hoofdstuk aan techniek specifiek te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de hoogte van de subsidie voor de in artikel 3.3 omschreven activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, eerste lid Het eerste lid regelt voor de verschillende tranches of deelgebieden het maximale subsidiebedrag per aardgasvrije woning. Dit is het zogenaamde deelgebied specifieke subsidiebedrag per aardgasvrijewoning. Dit bedrag per woning kan in geen geval overschreden worden. Hetgeen ook wordt benadrukt in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, tweede lid Het tweede lid regelt de hoogte van de subsidie voor de activiteiten in artikel 3.3, onderdeel a. Dit zijn de zogenaamde activiteit specifieke maximum bedragen. De activiteit specifieke maximumbedragen gelden voor alle deelgebieden binnen het warmtemotorgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a Onderdeel a gaat over de ruimteverwarming, daarvoor geldt geen activiteit specifiek maximum en deze subsidie is bovendien niet afhankelijk van de hoogte van de subsidiabele kosten. Voor deze subsidiabele activiteit is het deelgebied specifieke maximumbedrag dus altijd van toepassing. Het harde maximum dat volgt uit artikel 1.6 blijft echter wel gelden, waardoor daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten voor het realiseren van de subsidiabele activiteiten een bepalend blijven voor het uiteindelijke subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, tweede lid, onderdeel b Onderdeel b gaat over het warme tapwater, voor die activiteit wordt niet meer dan het aangegeven maximumbedrag per woning aan subsidie verleend of vastgesteld. Dit bedrag is kan bovendien niet hogere zijn dan de subsidiabele kosten voor deze activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c Onderdeel c gaat over de kookvoorziening, ook voor die activiteit wordt niet meer dan het aangegeven maximumbedrag per woning aan subsidie verleend of vastgesteld. Dit bedrag is kan bovendien niet hogere zijn dan de subsidiabele kosten voor deze activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, derde lid, onderdelen a en b Het derde lid regelt welk deel van de subsidiabele kosten in aanmerking komt voor subsidie als er een collectieve verwarmingsinstallatie op gas omgezet wordt naar een aansluiting op het warmtenet. Dat deel is gelijk aan het deel van de woning in het pand dat door het uitvoeren van de activiteiten aardgasvrij wordt. De formulering van deze bepaling is vrijwel identiek de bepaling voor de hoogte van de subsidie voor collectieve installaties in hoofdstuk 2. Lees bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.5, derde lid meer over deze berekening. Onderdeel a heeft betrekking op de ruimteverwarming, daarvoor geldt geen activiteit specifiek maximum. Het gebied specifieke maximum per woning, uit het eerste lid, is wel van toepassing. Onderdeel b heeft betrekking op het warme tapwater, daarvoor geldt net als bij de woningen met individuele installaties een activiteit specifiek maximum van €1000,- per woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4, vierde lid Dit lid valt aan te merken als overcompleet, maar maakt expliciet dat het gebied specifieke maximum per woning uit het eerste lid niet overschreden kan worden als gevolg van de activiteit specifieke subsidiemaxima. De activiteit specifieke maximumbedragen kunnen gecombineerd worden met de subsidiebedragen voor activiteiten waar geen activiteit specifieke maximum voor geldt, maar ook al is die som hoger, de verleende of vastgestelde subsidie is niet hoger dan het gebied specifieke maximum per woning uit het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.5 De aanvrager Dit artikel regelt wie de subsidie kan aanvragen. Het gaat om eigenaren en verenigingen van eigenaren en organisaties die voldoende op verenigingen van eigenaren lijken. Het gaat nadrukkelijk niet om huurders. Lees daarover meer in de algemene toelichting bij hoofdstuk 3.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3a Techniekneutraal gebied</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">1 Gebiedsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conform de in hoofdstukken 1 tot 4 gebruikelijke systematiek wordt in het eerste lid van dit artikel het werkingsgebied van het hoofdstuk bepaald. Het werkingsgebied van dit bestaat uit verschillende deelgebieden. De in dit lid opsomde deelgebieden worden in bijlage III nauwkeurig omschreven. De subonderdelen van dit lid bevatten de namen van de aangewezen buurten. Omwille van de bondigheid en de leesbaarheid kon de letterlijke omschrijving van alle gebieden niet in dit artikellid plaatsvinden. Deze bepaling krijgt zijn werking door het toepassingsbereik van artikel 3a.3, het artikel over de subsidiabele activiteiten, te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid regelt dat de stadsbrede subsidie voor bedrijven en maatschappelijke organisatie aanvraagbaar blijft voor bedrijven en maatschappelijke organisatie met vastgoed dat gelegen is het in het eerste lid aangewezen gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Subsidieplafonds</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In combinatie met de aanhef bepaalt ieder onderdeel van dit de looptijd en de plafondhoogte voor ieder van de in artikel 3a.1 bepaalde deelgebieden. Zonder expliciet besluit tot wijziging van de regeling en tot besteding van de raad kan ruimte voor subsidieverlening binnen het éne deelgebied niet gebruikt worden om een bereikt plafond in ander gebied aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De looptijden en de plafondhoogten komen overeen met de looptijden en plafondhoogten die in de voormalige hoofdstukken 3, 3a, 3b, 3c, 3d en 3e opgenomen waren. Het zijn nadrukkelijk dezelfde plafonds.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald welke activiteiten subsidiabel zijn. Een subsidieaanvraag kan in principe iedere mogelijke combinatie van de onder dit artikel genoemde activiteiten bevatten. Het is echter onmogelijk dat een pand met meerdere woningen tegelijkertijd ten dele en geheel aardgasvrije wordt, waardoor activiteiten uit onderdelen a de activiteiten uit onderdeel b uit sluiten voor zo ver die laatste betrekking hebben op het gehele pand met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, aanhef en onderdeel a De activiteiten onder dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een bestaande woning wordt omgezet in een aardgasvrije woning. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van activiteiten nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Ook is er een subsidie voor de afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening wordt gebracht. Het is essentieel dat de bestaande installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan een aardgas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, aanhef en onderdeel b De activiteiten onder dit onderdeel zien op panden met meerdere woningen met collectieve installaties, waar het als gevolg van gefragmenteerd bezit vaak erg moeilijk kan zijn om het gehele pand met meerdere woningen aardgasvrij te maken. Deze panden met meerdere woningen worden als gevolg van de onder dit onderdeel genoemde activiteiten ten dele aardgasvrij. Met “ten dele” wordt bedoelt dat een deel van de verblijfsruimten binnen het pand met meerdere woningen niet aardgasvrij wordt. In een pand met meerdere woningen met blokverwarming kan dit betekenen dit de collectieve installatie voor de gehele flat door een aardgasvrije vervangen wordt, maar dat slechts sommige van de verblijfsruimten ook de aan die verblijfsruimte verbonden aardgasaansluiting laten verwijderen. Met “ten dele” wordt niet bedoeld dat de individuele subsidiabele activiteiten slechts leiden tot een reductie in het aardgasgebruik, omdat er bijvoorbeeld een installatie wordt geplaatst uitsluitend tijdens piekbelasting aardgas gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de hoogte van de subsidie voor de verschillende subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4, eerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid regelt de maximale subsidie die verleend kan worden voor omzetten van de warmtevoorziening en het omzetten van de tapwatervoorziening in de deelgebieden in dit hoofdstuk. Elk van de onderdelen stelt een maximumbedrag voor dat specifieke deelgebied. Een toelichting waarom deze bedragen zoveel kunnen variëren tref je in de algemene toelichting, onder de paragraaf hoofdstukken 1 tot 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt niet meer dan 50% van de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten zijn in artikel 1.5 gedefinieerd. Consequentie van deze bepaling is dat een aanvrager twee keer zoveel kosten moet hebben als dat deze subsidie kan krijgen. De aanvrager wordt in deze gebieden dus nadrukkelijk geacht de helft van de kosten van de subsidiabele activiteiten zelf te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is nadrukkelijk de bedoeling dat dit maximumbedrag geldt voor de combinatie van activiteiten of de activiteiten uitzonderlijk. Als het omzetten van de warm tapwatervoorziening er bijvoorbeeld toe leidt dat een woning in dit gebied aardgasvrij wordt en die omzetting ontzettend duur is, dan kan daar dus het gehele in de onderdelen opgesomde subsidiebedrag voor worden verleend. De weigeringsgrond in artikel 1.8, tweede lid, onderdeel geeft het college de ruimte om hiervoor een redelijke bovengrens te bepalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4, tweede lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid regelt de maximale subsidie voor het aardgasvrij maken van de kookvoorziening in een woning. Net als in het eerste lid geldt hier een maximum van 50% van de subsidiabele kosten. Het maximumbedrag is voor alle deelgebieden €500,-. De aanvrager moet dus €1000,- subsidiabele kosten hebben om de maximale subsidie voor deze activiteit te krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4, derde lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de maximale subsidie voor het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting. De voorwaarden in dit artikel gelden voor het verwijderen van individuele gasaansluitingen, zoals bedoeld in artikel 3a.3, onderdeel a, subonderdeel iv. Deze voorwaarden gelden ook voor het verwijderen van collectieve gasaansluitingen, zoals bedoeld in artikel 3a.3, onderdeel b, subonderdeel iii. Het subsidiebedrag is gelijk aan het door de netbeheerder in rekening gebrachte kosten voor het verwijderen van de aardgasaansluiting. De kosten voor het verwijderen van de aardgasaansluiting uit een woning worden gereguleerd door de autoriteit consument en markt en zijn in 2022 bepaald op €0,-. Als op een later moment dat nihil bedrag veranderd is de subsidie maximaal €1000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4, vierde lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De twee onderdelen van dit lid dienen om de maximale subsidie voor de omzetting van een collectieve ruimteverwarmingsinstallatie en een collectieve warm tapwater installatie te bepalen. Qua opzet zijn deze onderdelen identiek aan respectievelijk artikel 2.5, derde lid, onderdelen a en b. Lees daarom de toelichting bij die onderdelen voor een algemene toelichting. Deze bepaling wijkt echter op twee punten af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening van de hoogte van de subsidie op basis van de subsidiabele kosten moet in dit geval, in tegenstelling tot artikel 2.5, derde lid, onderdelen a en b, uitgevoerd worden met de helft van de subsidiabele kosten voor de subsidiabele activiteit en niet het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens zijn er verschillende maximale subsidiebedragen voor het omzetten van de collectieve ruimteverwarmingsinstallatie per woning. De hoogte van deze maxima is gerelateerd aan de hoogte die op grond van het eerste lid voor het deelgebied is bepaald. Het bedrag is voor collectieve ruimteverwarmingsinstallaties echter €500,- lager dan het bedrag dat uit het eerste lid voor het deelgebied geldt. De reden hiervoor is simpelweg, omdat die €500,- beschikbaar is voor de omzetting van collectieve warm tapwater installaties. In artikel 3a.3, onderdeel a zijn de activiteiten omzetting van ruimteverwarming en warm tapwater gecombineerd. In artikel 3a.3, onderdeel b zijn deze twee activiteiten gescheiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Deelgebied specifieke bepalingen over subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De twee leden van dit artikel zien op ieder op zeer specifieke voorwaarden die in bepaalde deelgebieden van toepassing zijn. Deze bijzondere voorwaarden zijn nodig, omdat met de bewoners en gebruikers afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de zaken waarvoor ze subsidie kunnen krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">5, eerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid is specifiek van toepassing in de Gentiaanbuurt. Een aantal bewoners in de van der Pekbuurt heeft tijdens grootschalige renovatie van een woning die zij van een woningcorporatie kochten kosten gemaakt hun een woning aardgasvrij-ready te maken. Er is inpandig leidingwerk aanvullende inpandig leidingwerk uitgevoerd. Tegelijkertijd was het voor deze eigenaren niet mogelijk om al op het warmtenet aan te sluiten, omdat de warmteleiding nog niet in de straat lag. Daardoor was het niet mogelijk voor deze mensen om subsidie aan te vragen. Dit lid ziet er op dat de kosten voor dit leidingwerk subsidiabel zijn. De kosten moeten voldoen aan de in onderdelen a tot en met e genoemde criteria om in aanmerking te komen. Onderdeel e ziet er te borgen dat kosten die uitgesloten zijn van subsidie ook in dit geval uitgesloten zijn. Artikel 3a.6 ziet er op dat de aanvragers de benodigde informatie aanleveren om te beoordelen of voldaan wordt aan de criteria van dit lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6, tweede lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid is specifiek van toepassing in de Wildemanbuurt. Bij de voorbereiding van de het buurtuitvoeringsplan voor de Wildemanbuurt zijn concrete afspraken gemaakt tussen de gemeente en één van de deelnemende partijen over hoeveel subsidie er per gebouw beschikbaar zou zijn. De omzetting van een aantal gebouwen naar aardgas leek echter zo goedkoop te worden dat de aanvrager niet het maximale (en afgesproken) subsidiebedrag zou krijgen. Tegelijkertijd waren de kosten bij een ander gebouw in dezelfde buurt veel hoger. Deze bepaling maakt het mogelijk om deze hogere kosten bij een ander gebouw in de buurt te gebruiken om de kosten bij de goedkopere gebouwen te verhogen. Op die manier kan toch het maximale (en afgesproken subsidiebedrag) aangevraagd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Deelgebied specifieke bepalingen over in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet op een aantal aanvullende indieningsvereisten die samenhangen met artikel 3a.5, eerste lid. Een subsidieaanvraag waarin aanspraak gemaakt wordt op artikel 3a.5 zal deze aanvullende bescheiden in moeten dienen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 – Duurzame Nieuwbouw</h3>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5.1, onderdeel b – Gebiedsbepaling Buiksloterham De Buiksloterham wordt gedefinieerd met behulp van een verwijzing naar de investeringsnota Buiksloterham 2020. Afbeelding 1.2.1 waar naar verwezen wordt ziet er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de legenda volgt dat uitsluitend het rood aangemerkte deel het plangebied van de investeringsnota betreft. Subsidies die beschikbaar zijn voor de Buiksloterham zijn daarom uitsluitend beschikbaar in het rood aangemerkte gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De investeringsnota waar naar wordt verwezen is via de website amsterdam.raadsinformatie.nl bij agendapunt 6 van de raadsvergadering van de gemeente Amsterdam van 5 november 2020 terug te vinden. Ook kan de volgende URL gebruikt worden om deze op te zoeken: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/9402485/1/raadsbesluit_189A_1195_3a_20_Bijlage%20Concept%20Investeringsnota%20Buiksloterham%202020%20gecomprimeerd artikel 5.1, onderdeel d – DAEB-vrijstellingsbesluit Dit is het besluit op grond waarvan diensten van algemene economisch belang niet als staatsteun aangemerkt worden. Lees daarover meer in de algemene toelichting van hoofdstuk bij de laatste alinea van de paragraaf Subsidie voor duurzame sociale huurwoningen Strandeiland en Buiksloterham. artikel 5.1, onderdeel e – energielabel Het energielabel speelt een belangrijke rol bij het bepalen de energieprestaties van een woning. De energieprestaties met betrekking tot de energiebehoefte, het primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie maken tegenwoordig onderdeel uit van dit label. Essentieel is dat het energielabel van een gebouw opgenomen is in de landelijke database EP-online. Met opname in de landelijke database wordt geborgd dat het een door een gekwalificeerde organisatie en gecertificeerd duurzaamheidsexpert afgegeven, conform NTA 8800 bepaalde indicator van de energieprestaties van een woning is. Op grond van het besluit energieprestaties gebouwen dient een gebouw bij oplevering een in de landelijke database opgenomen energielabel te hebben. De aanvullende verplichting uit artikel 5.12, onderdeel e borgt dat dit energielabel voor de woningen waarvoor subsidie is verleend ook daadwerkelijk de informatie bevat die nodig is om te bepalen of de beoogde energieprestaties bereikt zijn. artikel 5.1, onderdelen f en k – energieneutrale en nul-op-de-meter woning</p></div>", "next": 239348}