{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Verder was het onder de AVOI 2015 mogelijk voor het college om een vergunning voor werkzaamheden aan kabels te weigeren, of daar voorschriften aan te verbinden, vanwege de openbare orde en de veiligheid (aan een instemmingsbesluit voor werkzaamheden aan kabels kunnen alleen voorschriften verbonden worden). Hoewel dit op het oog niet strookt met het karakter van de Verordening fysieke leefomgeving als regeling ten aanzien van de fysieke leefomgeving, zijn de betreffende regels toch overgenomen. Bij nadere lezing blijkt namelijk dat het gaat om het voorkomen van problemen op het gebied van openbare orde en veiligheid als gevolg van de werkzaamheden. Een dergelijk aspect kan bij het college neergelegd worden als onderdeel van de algemene toetsing van de wenselijkheid van werkzaamheden in verband met de fysieke leefomgeving. Het betreft dus nadrukkelijk niet de onmiddellijke handhaving van de openbare orde en veiligheid waar de burgemeester op grond van de Gemeentewet mee is belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.8Wegen en water (hoofdstuk 8) Hoofdstuk 8 bundelt, verdeeld over twee afdelingen, een aantal regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening over wegen (Afdeling 8.1) en water (Afdeling 8.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen over wegen betreffen onder andere het verbod om zonder vergunning wegen aan te passen (Artikel 8.1.1, voorheen artikel 2:11 van de APV) en het verbod om zonder vergunning een uitweg te maken (Artikel 8.1.2, voorheen artikel 2:12 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de bepalingen over uitwegen is een nieuwe toetsingsgrond toegevoegd, namelijk de waterhuishouding. In de praktijk konden uitwegen die een watergang kruisten en niet voorzagen in een duiker, niet om die reden geweigerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overige is met de bepalingen over wegen geen wijziging beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel 'Water' bevat één bepaling, namelijk de regeling van de toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV bevat nog meer regels met betrekking tot water, maar deze leenden zich niet voor opname in de Verordening fysieke leefomgeving. Dit was bijvoorbeeld omdat deze regels gericht waren op directe handhaving van de openbare orde. Dit betrof onder meer het verbod op het onklaar maken van reddingsmiddelen en het verbod om zonder redelijk doel aan vaartuigen te hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de regels uit de APV over het innemen van ligplaatsen (onder andere door woonschepen) is niet opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Deze regels waren deels achterhaald en hadden voor het overige alleen betrekking op locatie-aspecten. Dergelijke regels zijn bij uitstek geschikt om in een bestemmingsplan op te nemen. Die regels worden dan ook opgenomen in het Chw bestemmingsplan \"Deventer, Stad en Dorpen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">2.9Procedureregels (hoofdstuk 9) 2.9.1Aanvraag Deze afdeling bevat één artikel waarin eisen worden gesteld aan het indienen van een aanvraag, maar ook het doen van meldingen en kennisgevingen en het indienen van documenten (Artikel 9.1.1). Dit artikel vervangt alle vergelijkbare regelingen uit de opgenomen verordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdregel is dat als er een formulier is vastgesteld voor het indienen van een aanvraag, het doen van een melding etc., het gebruik van dat formulier verplicht is (eerste lid). De regel schrijft zelf geen formulieren voor en in de meeste onderdelen van de verordening worden evenmin formulieren verplicht gesteld. Uit oogpunt van flexibiliteit wordt het aan het uitvoerende bevoegde bestuursorgaan overgelaten om zo nodig een formulier vast te stellen. Dit kan uiteraard ook een digitaal formulier zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens wordt bepaald dat het formulier in enkelvoud ingediend kan worden (tweede lid). Papieren post wordt gescand en het digitale exemplaar dat daardoor ontstaat, kan door alle betrokken medewerkers geraadpleegd en beoordeeld worden. Het in meervoud indienen van aanvragen is niet meer nodig. Dit brengt een vermindering van administratieve lasten voor de burger met zich mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt de mogelijkheid gegeven om aanvragen langs digitale weg in te dienen (derde lid). Dit is mogelijk als voor de betreffende aanvraag de digitale weg is opengesteld. Een voorbeeld hiervan is het MOOR-platform dat gebruikt kan worden om langs digitale weg een aanvraag om een instemmingsbesluit in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.9.2Besluit Deze afdeling bevat regels die betrekking hebben op de beoordeling van een aanvraag en het besluit dat daar op volgt. De regels staan op de volgorde van de stappen die in het besluitvormingsproces genomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wil zeggen dat eerst een beslistermijn wordt gegeven (Artikel 9.2.1). Hierbij wordt aangesloten bij de algemene beslistermijn die de Algemene wet bestuursrecht geeft (acht weken), tenzij elders in de verordening een andere beslistermijn is vermeld. Daarbij is de mogelijkheid gegeven om de beslistermijn eenmalig te verlengen. Ook is hier geregeld op welke vergunningen de Lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning bij niet tijdig beslissen) van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens worden er weigeringsgronden gegeven waaraan aanvragen worden getoetst (Artikel 9.2.2). In deze afdeling zijn algemene weigeringsgronden opgenomen die zo veel mogelijk uit de opgenomen verordeningen zijn gedestilleerd. Her en der in de Verordening fysieke leefomgeving staan voor bepaalde onderwerpen nog aanvullende, specifieke weigeringsgronden die zich niet leenden voor opname in de algemene regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de weigeringsgronden hangt samen de bevoegdheid om voorschriften, voorwaarden en beperkingen aan een vergunning te verbinden (Artikel 9.2.3) ter bescherming van de belangen die met de vergunning gemoeid zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een vergunning eenmaal is verleend (al dan niet met voorwaarden) wordt bepaald dat die een persoonlijk karakter heeft (Artikel 9.2.4) en wat de geldingsduur ervan is (Artikel 9.2.5). De geldingsduur (onbepaalde tijd of bepaalde tijd) moet per soort beschikking bepaald worden op basis van toepasselijke regels, zowel in deze verordening als in wetgeving (Algemene wet bestuursrecht, Dienstenwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.9.3Intrekking of wijziging De laatste afdeling van Hoofdstuk 9 bevat een regeling voor het wijzigen of intrekken van vergunningen (Artikel 9.3.1). Een vergunning kan om diverse redenen gewijzigd of ingetrokken worden, bijvoorbeeld omdat de houder van de vergunning dat verzoekt, maar ook in geval van gewijzigde omstandigheden of als de vergunninghouder zich niet aan de voorschriften houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling vervangt de vergelijkbare regelingen uit de opgenomen verordeningen. Sommige verordeningen bevatten een specifieke regeling voor de intrekking of wijziging van vergunningen. Deze blijven gehandhaafd, en hebben een plaats gekregen in het betreffende hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.10Straf-, overgangs- en slotregels (hoofdstuk 10) 2.10.1Strafregels, toezicht en handhaving De afdeling bevat regels over strafbaarheid, toezicht en handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Artikel 10.1.1 worden straffen gesteld op overtreding van de regels van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de gemeenteraad niet toegestaan om in haar verordeningen hogere of andere straffen op te nemen dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening fysieke leefomgeving is de strafbaarheid van overtreding van de regels ongewijzigd overgenomen uit de geïntegreerde verordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat op overtreding van de regels de hoogst mogelijke straf staat die in een gemeentelijke verordening kan worden opgenomen, met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak (Artikel 10.1.1, eerste lid). Uitzonderingen hierop zijn Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Hoofdstuk 3 zijn de inhoudelijke regels uit de Bouwverordening en de Verordening bodembescherming opgenomen. Op overtreding van deze regels was geen straf gesteld. Dit blijft ongewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Hoofdstuk 7 zijn de inhoudelijke regels uit de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur opgenomen. In die verordening was slechts op overtreding van enkele bepalingen een straf gesteld, lager dan het maximaal toegestane. Dit lagere maximum is overgenomen (Artikel 10.1.1, derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal vergunningstelsels in de Verordening fysieke leefomgeving worden door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangemerkt als omgevingsvergunningen. Op overtreding van de betreffende regels is door de Wet op de economische delicten al straf gesteld. Om dubbele strafbaarstelling te voorkomen is een regel toegevoegd die strafbaarstelling op grond van Artikel 10.1.1, eerste lid, uitsluit, als de Wet op de economische delicten van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.1.2 regelt vervolgens wie toezicht houden op de naleving van het bepaalde bij en krachtens de Verordening fysieke leefomgeving. Dit zijn de toezichthouders van het team Toezicht en Handhaving, politieambtenaren en degenen die verder door burgemeester en wethouders als toezichthouder zijn aangewezen. Voor de naleving van Hoofdstuk 2 is daarnaast de marktmeester aangewezen als toezichthouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.1.3 vervult een voorwaarde voor de mogelijkheid om toezichthouders op grond van de Algemene wet op het binnentreden te machtigen om zonder toestemming van de bewoner een woning binnen te treden, als het gaat om handhaving van voorschriften die strekken tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.10.2Overgangs- en slotregels Deze afdeling bevat overgangsregels en slotregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste wordt geregeld dat de Verordening fysieke leefomgeving in werking treedt op de eerste dag na bekendmaking (Artikel 10.2.1, eerste lid). Op die dag vervallen ook de verordeningen die in de Verordening fysieke leefomgeving geïntegreerd zijn (Artikel 10.2.1, tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervallen van de regels die uit de Algemene Plaatselijke Verordening overgaan in de Verordening fysieke leefomgeving, wordt hier niet geregeld. Dit gebeurt door een afzonderlijke herziening van de APV, waarbij de APV wordt opgeschoond en geactualiseerd naar aanleiding van de meest recente wijzigingen in de Model APV van de VNG. Deze herziening van de APV wordt tegelijk met de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgangsregels (Artikel 10.2.2) bepalen welk recht er geldt in procedures die aanhangig zijn op het moment dat de Verordening fysieke leefomgeving in werking treedt. Verder wordt de status geregeld van besluiten die zijn genomen op grond van de geïntegreerde verordeningen. Die besluiten gelden als besluiten op grond van de Verordening fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste artikel regelt de citeertitel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11Begrippen (bijlage 1) Zoals in paragraaf 2.1 al werd vermeld, zijn in de bijlage begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen zijn verdeeld over zeven artikelen. Artikel 1.1 van de bijlage bevat enkele algemene begripsbepalingen, die in verschillende hoofdstukken van de Verordening fysieke leefomgeving voorkomen. Artikelen 1.2 tot en met 1.7 bevatten begripsbepalingen die specifiek op hoofdstukken 2 tot en met 7 van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrippen worden, voor zover nodig, nader toegelicht in de bijlagen bij de toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3Verordening fysieke leefomgeving onder de Omgevingswet 3.1Algemeen In dit hoofdstuk wordt een doorkijkje gemaakt naar het moment waarop de Omgevingswet in werking treedt. In de Omgevingswet zelf en in de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen omtrent onder andere regels in verordeningen. Op het moment van schrijven van deze toelichting is de Invoeringswet Omgevingswet nog niet tot wet verheven, maar het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en de verwachting is dat er niet veel meer zal wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2Omgevingsplan Wanneer de Omgevingswet in werking treedt zullen onder meer bestemmingsplannen automatisch deel gaan uitmaken van het omgevingsplan (artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, Invoeringswet Omgevingswet). Dit betreft het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan, dat geldt tot het moment waarop de gemeenteraad conform de Omgevingswet voor de hele gemeente een 'echt' omgevingsplan heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verordeningen geldt het bovenstaande niet, op enkele uitzonderingen na. Eén van die uitzonderingen betreft regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Die regels zullen wel deel gaan uitmaken van (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan. Voor de Verordening fysieke leefomgeving betreft dit artikelen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3 (inzake de bescherming van archeologische waarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op termijn zullen bepaalde regels uit de Verordening alsnog in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Dit betreft regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen (zie artikel 2.7 van de Omgevingswet en artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit, zoals gewijzigd door het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Welke bepalingen dit betreft, zal te zijner tijd in het kader van het vaststellen van het omgevingsplan nader in beeld gebracht worden. Voor nu lijkt wel duidelijk dat het voor de Verordening fysieke leefomgeving in ieder geval zal gaan om regels over het wijzigen van monumenten, het vellen van houtopstanden, het maken van uitwegen en het wijzigen van wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3Omgevingsvergunning onder Omgevingswet Het grootste deel van de regels uit de Verordening fysieke leefomgeving zal dus niet automatisch deel gaan uitmaken van het omgevingsplan, en zal pas op termijn alsnog kunnen of moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Dat wil echter niet zeggen dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet direct gevolgen heeft voor die regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22.8 van de Omgevingswet bepaalt namelijk het volgende. Als de regels die in het omgevingsplan opgenomen moeten worden (dus de regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen), een vergunning of ontheffing vereisen, dan wordt die vergunning of ontheffing aangemerkt als een omgevingsvergunning in de zin van de Omgevingswet (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Omgevingswet, inzake de zogenaamde omgevingsplanactiviteiten). De procedurele bepalingen van de Omgevingswet zijn dan van toepassing op die vergunningen en ontheffingen, en niet meer de procedurele bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving. Dit systeem is vergelijkbaar met het systeem van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat bijvoorbeeld de kapvergunning uit de Algemene Plaatselijke Verordening als omgevingsvergunning aanmerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 1 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1.1 Begrippen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen deel van de toelichting (par. 2.1) is al voldoende ingegaan op de wijze waarop de begripsbepalingen zijn opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving (namelijk in een bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de bijlage met begripsbepalingen en de afzonderlijke begripsbepalingen wordt in deze en de volgende bijlagen bij de toelichting ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 - Begripsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd gezag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip bevoegd gezag is gereserveerd voor de toekenning van bevoegdheden met betrekking tot vergunningen, die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden aangemerkt. Dit geldt voor de volgende vergunningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het wijzigen etc. van een gemeentelijk monument (artikel 4.3.1);</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het vellen van een houtopstand (artikel 5.1.1);</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 8.1.1), en De vergunning voor het maken van een uitweg (artikel 8.1.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 2.2, eerste lid, respectievelijk onder b, g, d en e, van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Wabo wordt een omgevingsvergunning als hoofdregel verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij burgemeester en wethouders, maar bij gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de bevoegdheden die afkomstig zijn uit de Bouwverordening en die verband houden met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn in de Verordening fysieke leefomgeving toegekend aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt op enkele plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel het bevoegd gezag op grond van de Wabo, afhankelijk van aan wie Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.</p>\n<p class=\"lf-p\">College Het college van burgemeester en wethouders van Deventer. Bevoegdheden in deze verordening die niet aan het bevoegd gezag op grond van de Wabo toekomen, zijn bij burgemeester en wethouders belegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Dit begrip komt slechts één keer voor in de Verordening fysieke leefomgeving, en wel in artikel 9.2.2 (Weigeringsgronden). Het begrip is desondanks belangrijk genoeg om van een begripsbepaling te voorzien. Voor die begripsbepaling is, net als in de APV, aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg Voor de bepaling van het begrip ‘weg’ wordt aangehaakt bij de Wegenverkeerswet 1994. Deze hanteert als definitie van ‘wegen’: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 2 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 2 (Ambulante handel) Algemeen Dit hoofdstuk is van toepassing op standplaatsen op markten en op standplaatsen niet op markten. In bijlage 1 bij de Verordening is een markt omschreven als “de door het college ingestelde week- en jaarmarkten, niet zijnde door derden georganiseerde themamarkten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een standplaats is als volgt omschreven: een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats, een markt daaronder begrepen, vanaf waar goederen worden aangeboden, verkocht of afgeleverd of anderszins goederen en diensten worden aangeboden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, met uitzondering van vaste standplaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke vormen van standplaatsen zijn de ideële standplaatsen en de foodtruckstandplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ideële standplaatsen hebben een niet-commercieel karakter en zijn bedoeld voor bijvoorbeeld maatschappelijke of charitatieve activiteiten. Hoofdstuk 2 van de verordening bevat overigens geen regels ten aanzien van ideële standplaatsen. Ideële standplaatsen zijn desondanks genoemd om de mogelijkheid te hebben om daar beleidsregels voor vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij foodtruckstandplaatsen is het fysieke middel dat wordt gebruikt omschreven als voertuig of aanhangwagen. De aangeboden goederen bestaan hierbij uit een innovatief aanbod van etenswaren en dranken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.1 Algemene bepalingen ten aanzien van vergunningen voor standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een verbod op het, zonder vergunning, innemen van een standplaats. Het maakt hierbij niet uit of het om een standplaats op een markt, of om een standplaats elders gaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Soorten vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beschrijft welke soorten vergunningen kunnen worden verleend voor het innemen van een standplaats. Het gaat hier om de vier soorten standplaatsvergunningen uit de Marktverordening (vaste standplaats, seizoensplaats, dagplaats en standwerker) en de standplaatsvergunning uit de APV, die betrekking heeft op standplaatsen elders dan op een markt. Deze laatste standplaatsvergunning is omschreven als ‘individuele standplaatsvergunning’, om het onderscheid te benadrukken met standplaatsen op een markt (waarvan er altijd meer zijn).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten vergunningaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel stelt eisen aan het indienen van een aanvraag om een standplaatsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Een vergunning wordt schriftelijk of langs elektronische weg aangevraagd in de daarvoor opengestelde periode. De opengestelde periode volgt uit de bepalingen die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. Is er geen opengestelde periode bepaald, dan kan een aanvraag altijd ingediend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid bevat een afwijkende regeling voor het aanvragen van dagplaatsvergunningen. Dagplaatsvergunningen worden alleen verleend als een vaste standplaats op een markt niet wordt ingenomen. Aangezien dit meestal pas kort van tevoren bekend is, moet de dagplaatsvergunning op de dag zelf, voor aanvang van de markt, aangevraagd worden. Uit praktisch oogpunt is het toegestaan de vergunning mondeling ten overstaan van de marktmeester aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Deze eis wordt gesteld om te kunnen controleren of de aanvrager gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene toetsingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel bevat de criteria waaraan een aanvraag om een standplaatsvergunning op een markt worden getoetst. Voor individuele standplaatsvergunningen is het niet nodig deze toetsingscriteria te hanteren. Het is vooral van belang om de kwaliteit van (standplaatsen op) de markten te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de Marktverordening is het ook mogelijk voor een rechtspersoon om een standplaatsvergunning aan te vragen. Wel blijft de eis dat per persoon (dat wil zeggen een natuurlijk persoon of een rechtspersoon) maximaal één vergunning per markt kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid bevat de verplichting om aanvragen te toetsen aan het inrichtingsplan voor de markt. Deze regel ontbrak in de Marktverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.2 Inrichtingsplan markt</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichtingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schrijft voor dat burgemeester en wethouders per markt een inrichtingsplan vaststellen en regelt wat daarin geregeld moet en kan worden. Zo moet per markt onder andere bepaald worden wat de markttijd is en welke delen van de markt bestemd zijn voor welke marktactiviteiten. Opgemerkt wordt dat de wijze van verlenen van vaste standplaatsvergunningen voor elke markt gelijk is en om die reden geregeld is in de verordening zelf. Ieder inrichtingsplan dient voorzien te zijn van een kaart, waarop onder meer de grenzen van de markt staan aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Mandaatverboden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat enkele mandaatverboden met betrekking tot het vaststellen en wijzigen van inrichtingsplannen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.3 Vaste standplaatsvergunningen en seizoensplaatsvergunningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Selectiestelsel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een selectiestelsel uitgewerkt waarmee aanvragen voor de te verlenen nieuwe vaste standplaatsvergunningen op bepaalde aspecten kunnen worden beoordeeld. Een wijziging ten opzichte van de Marktverordening is dat als slechts één aanvraag wordt ingediend, deze niet aan het selectiestelsel hoeft te voldoen (maar wel aan de algemene toetsingscriteria uit artikel 2.1.4).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud vaste standplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt wat er in een vaste standplaatsvergunning moet staan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk innemen standplaats; vervanging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdregel is dat de vergunninghouder zelf de standplaats inneemt. Dit artikel maakt mogelijk dat de vergunninghouder zich tijdelijk laat vervangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Geldingsduur vaste standplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de geldingsduur van een vaste standplaatsvergunning. Aangezien deze vergunning een schaars recht vertegenwoordigt (de situatie kan zich voordoen dat er meer gegadigden voor een standplaatsvergunning zijn dan er standplaatsvergunningen zijn) is een vaste standplaatsvergunning van tijdelijke aard. De termijn is gesteld op 5 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overschrijven vaste standplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de gevallen en voorwaarden waaronder het mogelijk is om vaste standplaatsvergunningen over te schrijven. Het gaat om overschrijving van een vaste standplaatsvergunning met alle daaraan verbonden voorschriften en beperkingen. Een nieuwe toevoeging ten opzichte van de Marktverordening is dat een vaste standplaatsvergunning ook kan worden overgeschreven op naam van iemand die de vergunninghouder aantoonbaar twee jaar of langer heeft bijgestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-236-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Verordening fysieke leefomgeving bevat in artikel 9.3.1 een algemene regeling voor het intrekken en vervallen van vergunningen. De regeling voor het intrekken en vervallen van vaste standplaatsvergunningen is echter zodanig anders dat hier een apart artikel voor is opgenomen. Dit is artikel 2.3.6. In het eerste en tweede lid wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin het intrekken van de vergunning dwingend is voorgeschreven en de situatie waarin dat facultatief is. Het derde lid bepaalt dat een vergunning tijdelijk vervalt als de standplaats niet tijdig is ingenomen. De standplaats kan dan als dagplaats aan iemand anders worden vergund.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Mandaatverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel een mandaatverbod met betrekking tot het verlenen en intrekken van vaste standplaatsvergunningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-238-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Seizoensplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels die gelden voor vaste standplaatsvergunningen, gelden ook voor seizoensplaatsvergunningen. De geldingsduur bedraagt echter maximaal zes maanden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.4 Dagplaatsvergunningen en standwerkvergunningen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Dagplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een regeling voor dagplaatsvergunningen. Het innemen van een dagplaatsvergunning is alleen mogelijk als een vaste standplaats niet wordt ingenomen of als er nog plaatsen vrij zijn op de markt. Dagstandplaatsvergunningen kunnen daarom slechts op korte termijn verleend worden (zie ook artikel 2.1.3, tweede lid) en overdragen van de vergunning of vervanging op de standplaats is niet mogelijk. Achterliggende gedachte is dat de standplaatsen op de markt zo veel mogelijk gevuld moeten zijn, om zo de bezoekers een aantrekkelijke markt te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Standwerkvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de standwerkvergunningen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.5 Individuele standplaatsvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Deze afdeling regelt de standplaatsen elders dan op markten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat enkele specifieke weigeringsgronden voor individuele standplaatsvergunningen. Strijd met het bestemmingsplan is een dwingende weigeringsgrond (eerste lid), de overige weigeringsgronden zijn facultatief (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Foodtrucks</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om voor foodtruckstandplaatsen een afwijkende regeling te treffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakingsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is opgenomen om doorkruising van hogere regelgeving te voorkomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.6 Algemene bepalingen ten aanzien van standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Markttijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de markttijden. Het beoogt de overlast van het op- en afbouwen van de markt te beperken, en tegelijk te waarborgen dat er gedurende markttijden genoeg marktkramen aanwezig zijn om voor de bezoeker een aantrekkelijke markt te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de bezoeker een aantrekkelijke markt te bieden, is het noodzakelijk dat houders van vaste standplaatsvergunningen daadwerkelijk hun standplaats innemen. Dit artikel voorziet in een regeling voor gevallen waarin dat wegens ziekte, vakantie en dergelijke niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht houders van standplaatsvergunningen ertoe de omgeving van hun standplaats schoon te houden en na afloop afval op te ruimen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Onmiddellijke verwijdering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat het gemeentebestuur onder andere ter uitvoering van gemeentelijke verordeningen de bevoegdheid heeft een last onder bestuursdwang op te leggen. Artikel 2.6.7 geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een bijzondere vorm van bestuursdwang (verwijdering) toe te passen als een vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog op de markt of bij andere overtredingen van hoofdstuk 2 van de Verordening fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze vorm van bestuursdwang wordt spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Awb, verondersteld. Dan kan de bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last. Bij zéér spoedeisende gevallen, waarbij een besluit niet kan worden afgewacht, kan bestuursdwang onmiddellijk worden toegepast (artikel 5:31, tweede lid, van de Awb). Wel dient het besluit in dat geval achteraf alsnog bekendgemaakt te worden overeenkomstig artikel 5:31, tweede lid, van de Awb jo. artikel 5:24, derde lid, van de Awb. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of er sprake is van een spoedeisend geval of misschien zelfs van een zeer spoedeisend geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage3Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3 (Bodem)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Afdeling 3.1 bevat regels die ter voldoening aan artikel 8 van de Woningwet moeten worden opgenomen in de bouwverordening. Aangezien een regeling omtrent de welstandscommissie (artikel 8, vijfde lid, Woningwet) al is opgenomen in een afzonderlijke verordening, resteren voor opname in de Vfl alleen nog de voorschriften omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem (artikel 8, tweede lid, Woningwet). Aan wat er in die voorschriften wordt geregeld, zijn aanvullende eisen gesteld (artikel 8, derde en vierde lid, Woningwet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Status</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 van de Woningwet verplicht ertoe een (inmiddels klein) aantal zaken te regelen in de zogenaamde bouwverordening. Gebruikelijk is dat die verordening ook zo heet, en het is niet bekend of het opnemen van de te regelen onderwerpen in een verordening met een andere naam tot problemen leidt. Om die problemen te voorkomen is in artikel 3.1.1 een statusbepaling opgenomen, om duidelijk te maken dat afdeling 3.1 van de Verordening fysieke leefomgeving is bedoeld om te voldoen aan de verplichting in artikel 8 van de Woningwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, staan in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Dit artikel bepaalt voor wat betreft het toetsen van aanvragen aan de bouwverordening, alleen nog dat er een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem moet worden ingediend. Dit vereiste is verder uitgewerkt in artikel 3.1.2 van de Verordening fysieke leefomgeving. Het artikel bepaalt ook in welke gevallen geen onderzoeksrapport hoeft worden ingediend. Ook het Besluit omgevingsrecht bevat hier regels over (art. 4.4 Besluit omgevingsrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">De structuur van de regeling is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd (artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, hoeven niet opnieuw te worden verstrekt (art. 4.4, tweede lid, Besluit omgevingsrecht). Uiteraard moeten die gegevens en bescheiden nog wel voldoen aan de daaraan gestelde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Onderdeel a bepaalt waaruit het bodemonderzoek, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet, moet volden. Hiervoor wordt verwezen naar de NEN 5740. Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag afzien van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term ‘recent’ in onderdeel a is in de bijlage bij de Verordening fysieke leefomgeving omschreven als niet ouder dan vijf jaren. Hiermee wordt discussie voorkomen over de vraag of een bodemonderzoek nog wel recent genoeg is. De toevoeging ‘actueel’ brengt met zich mee dat een onderzoek dat weliswaar ‘recent’ (dus niet ouder dan vijf jaren) is, niettemin een goed beeld van de bodemgesteldheid moet geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor het bouwen van bepaalde bouwwerken is geen omgevingsvergunning nodig. Welke bouwwerken dit zijn, is bepaald in het Besluit omgevingsrecht (bijlage II, artikelen 2 en 3). Als gevolg van het ontbreken van de vergunningplicht hoeft geen vergunning te worden aangevraagd en hoeft dus ook geen bodemonderzoek te worden gedaan. Het tweede lid van artikel 3.1.2 bepaalt dat voor bouwwerken die naar aard en omvang (met uitzondering van hoogte) gelijk zijn aan vergunningvrije bouwwerken (maar die zelf dus niet vergunningvrij zijn), ook geen bodemonderzoek hoeft te worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bepaalt dat ervan moet worden afgezien een recent en actueel bodemonderzoek te eisen, als het college al beschikt over bruikbare recente onderzoeksresultaten. Dit is een specificatie van het bepaalde in artikel 4.4 van het Besluit omgevingsrecht. In dat geval wordt strikt genomen niet voldaan aan de indieningsvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, maar omdat het college op basis van al beschikbare gegevens het aspect bodem voldoende kan beoordelen, is het ontbreken van een nieuw bodemonderzoek geen reden de aanvraag wegens onvolledigheid buiten behandeling te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de term ‘afwijken’ in dit artikel is overigens niet bedoeld om aan te sluiten op bijvoorbeeld de bevoegdheden in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om van onder andere bestemmingsplannen af te wijken. Het afzien van het eisen van een recent en actueel bodemonderzoek moet niet gezien worden als besluit, maar meer als beleidsregel voor de beoordeling van de volledigheid van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Het bevoegd gezag kan in die gevallen bij het verlenen van de omgevingsvergunning bepalen dat het bodemonderzoek later wordt overgelegd (artikel 2.7, derde lid, Besluit omgevingsrecht).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel vormt de kern van de regeling omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem. Het bevat namelijk de verbodsbepaling voor het bouwen op verontreinigde bodem. Het verbod kan een grond zijn om een omgevingsvergunning voor het bouwen niet te verlenen. Een aantal aspecten van het verbod wordt hieronder nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouwproducten alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kortdurende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe zijn aangewezen volgens de Wet bodembescherming (hiertoe behoort ook gemeente Deventer) het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt dat het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen weliswaar niet hoeft te worden aangehouden, maar dat na het nemen van het besluit de omgevingsvergunning pas in werking treedt nadat de verontreiniging conform de Wet bodembescherming is afgewikkeld (art. 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en praktijkrichtlijnen (NPR's). Wanneer van een norm of praktijkrichtlijn een nieuwe versie is uitgegeven, kan het bevoegd gezag daar rekening mee houden. Om die reden is in afdeling 3.1 ervan afgezien om versies van normen te vermelden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.2 Bodembescherming</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud saneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een saneringsplan dient zodanig opgesteld te zijn dat het college zich een goed beeld kan vormen van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd. Onder meer de aard en omvang van de verontreiniging en de hoedanigheid van de voorgenomen maatregelen dienen duidelijk in het plan omschreven te worden, zodat er getoetst kan worden of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal en kan worden gesaneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het saneringsplan moeten naast de eisen genoemd in artikel 39 lid 1 Wbb aan de in artikel 3.2.1 gestelde eisen worden voldaan. De bevoegdheid om nadere regels te stellen is neergelegd in artikel 39 lid 1 Wbb. De gemeente toetst zowel een saneringsplan ingediend door derden als een saneringsplan voor haar eigen saneringen aan de eisen die neergelegd zijn in de Wbb en artikel 3.2.1 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijkt het niet altijd haalbaar of van essentieel belang te zijn om te voldoen aan alle eisen die in artikel 3.2.1, eerste lid, aan het saneringsplan worden gesteld. Daarom is het tweede lid een afwijkingsmogelijkheid ingebouwd. Deze nadere regels omtrent de ontvankelijkheid van een saneringsplan zijn nadrukkelijk alleen van toepassing op de eisen gesteld in de gemeentelijke verordening en niet op de eisen die aan een saneringsplan gesteld worden in artikel 39 lid 1 van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Melding start, diepste punt en einde feitelijke sanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De melding voor de start van de saneringswerkzaamheden biedt een aanknopingspunt voor een meer effectieve wijze van toezicht houden. De toezichthouder en inspecteur kunnen op deze manier het juiste moment kiezen voor het houden van een controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid sluit hierbij aan. Als het diepste punt (of punten bij een gefaseerde sanering) wordt gemeld, geeft dit de inspecteur de gelegenheid een monster te nemen t.b.v. een contraexpertise, zodat de uiteindelijk opgegeven resultaten kunnen worden gecontroleerd en geverifieerd aan het eigen genomen monster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is opgenomen om de termijn voor het indienen van het saneringsverslag vast te kunnen stellen. Voor het indienen van de genoemde meldingen dient gebruik te worden gemaakt van standaard meldingsformulieren. De praktijk heeft uitgewezen dat meldingen van de start sanering, het bereiken van het diepste punt en het einde van de sanering vaak telefonisch worden doorgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Melding wijzigingen saneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In overeenstemming met het voorgaande artikel dienen wijzigingen op het saneringsplan schriftelijk door middel van een standaardformulier te worden gemeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Het saneringsverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het saneringsverslag wordt ingediend na afronding van de saneringswerkzaamheden en geeft het college inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het saneringsverslag kan worden beslist of de sanering naar behoren is uitgevoerd, dan wel dat er nog aanvullende saneringsmaatregelen nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 39c Wbb staat waar een saneringsverslag ten minste aan moet voldoen. Op grond van het derde lid kan de gemeente nadere regels stellen m.b.t. de eisen die aan een saneringsverslag gesteld worden. Aan deze bevoegdheid is in artikel 3.2.4 invulling gegeven. De eisen die in de wet genoemd worden zijn op dit punt nogal summier, daarom is er ten behoeve van de duidelijkheid voor gekozen om zo uitgebreid mogelijk aan te geven waar een saneringsverslag aan dient te voldoen. De ervaring leert dat alle gevraagde gegevens nodig zijn om tot een goede eindbeoordeling van de sanering te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting bij artikel 3.2.4, derde lid, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.2.1 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het nazorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 januari 2006 is in de Wbb neergelegd dat het nazorgplan instemming behoeft van het bevoegd gezag. Instemming kan ingevolge artikel 39d Wbb, derde lid, slechts gegeven worden indien de in het plan opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de achtergebleven verontreiniging niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals die beschreven is in het saneringsverslag. Op grond van het vijfde lid kan het college nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het nazorgplan worden opgenomen. Deze regels zijn gesteld in artikel 3.2. De gegevens die worden overlegd dienen er onder meer toe te leiden dat de monitoring en/of isolatie van de restverontreiniging nauwkeurig wordt gerapporteerd en geregistreerd. Indien blijkt dat de restverontreiniging niet in voldoende mate wordt beheerd, dient er een terugvalscenario te worden aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door het college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van conformiteit is ervoor gekozen om aan onderzoeken, saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door de overheid, dezelfde eisen te stellen als aan particulieren/ derden. De overheid als opdrachtgever dient zich m.a.w. te houden aan de procedurele eisen die in afdeling 3.2 van deze verordening zijn neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 4 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 4 (erfgoed) Bijlage 1, artikel 1.4 Begripsbepalingen Gemeentelijk monument Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip ‘terreinen’ dient ruim te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijk archeologisch monument Om duidelijk te maken dat ook archeologische monumenten kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument, is die mogelijkheid expliciet vermeld in artikel 4.1.1 van de verordening. Om dit verder te benadrukken is het begrip gemeentelijk archeologisch monument afgesplitst van het begrip gemeentelijk monument. Voor het begrip gemeentelijk archeologisch monument is aangesloten bij het begrip archeologisch monument uit de Erfgoedwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijk erfgoedregister, Gemeentelijke monumentenlijst, Lijst van beschermde stads- en dorpsgezichten Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening aangewezen monumenten registreert, en de lijst waarop de overeenkomstig de verordening aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten worden aangewezen. Het verwerken van aanwijzingen als monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, en wijzigingen en intrekkingen van die aanwijzingen, is een administratieve handeling. Het is nadrukkelijk geen vereiste voor het in werking treden van een aanwijzing of een wijziging of intrekking van een aanwijzing. Aanwijzingen etc. treden in werking op de dag dat zij conform de Algemene wet bestuursrecht bekendgemaakt zijn. Ook zijn in de verordening geen gevolgen verbonden aan het niet voldoen aan de verplichting om het register bij te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Adviesraad monumenten De adviesraad monumenten is een commissie die adviseert aan het college over beleidsmatige aangelegenheden en over de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planadviesraad monumenten en beschermd stadsgezicht De Planadviesraad monumenten en beschermd stadsgezicht brengt advies uit aan het bevoegd gezag over aanvragen voor wijziging van gemeentelijke en rijksmonumenten. In artikel 15 van de Monumentenwet 1988 is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De taken van de planadviesraad strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Wabo en de Monumentenwet 1988.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologisch beleidsgebied en Archeologische beleidskaart Het grondgebied van de gemeente is op basis van fysisch-geografische of historische informatie ingedeeld in archeologische verwachtingsgebieden. Deze verwachtingsgebieden zijn op de archeologische beleidskaart vertaald naar beleidswaarden 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7. De archeologische beleidskaart kent daarnaast beleidswaarde 0. Deze is gereserveerd voor gebieden waar in het geheel geen archeologische verwachting meer is, en die dus niet beschermd hoeven te worden. De archeologische beleidskaart is door de gemeenteraad vastgesteld en wordt primair gebruikt om te bepalen hoe in het bestemmingsplan de bescherming van archeologische waarden wordt geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar die regeling ontbreekt, geldt artikel 4.4.1 van de Verordening fysieke leefomgeving als vangnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.1 Bevoegdheden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.1.1 De aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument Dit artikel bevat de bevoegdheid om gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten aan te wijzen, en om gedane aanwijzingen te wijzigen of in te trekken. Een aanwijzing kan geen betrekking hebben op rijks- en provinciale monumenten, dit om doorkruising van hogere regelgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.1.2 De aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht Dit artikel bevat de bevoegdheid om beschermde stads- of dorpsgezichten aan te wijzen, en om gedane aanwijzingen te wijzigen of in te trekken. Een aanwijzing kan geen betrekking hebben op rijks- en provinciale beschermde stads- en dorpsgezichten, dit om doorkruising van hogere regelgeving te voorkomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.2 Procedures</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt op welke bevoegdheden afdeling 4.2 van toepassing is: de aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of als beschermd stads- of dorpsgezicht, inclusief de wijziging of intrekking van zulke aanwijzingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering door de adviesraad Monumenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat de verplichting voor het college om advies te vragen aan de adviesraad Monumenten. In tegenstelling tot de Erfgoedverordening bevat de Verordening fysieke leefomgeving geen regels omtrent de termijnen voor advisering door de adviesraad. Eventuele beslistermijnen op aanvragen zijn leidend, daarbinnen zal door middel van werkafspraken tot tijdige advisering gekomen moeten worden. Mocht niet tijdig worden geadviseerd, dan wordt er geacht te zijn geadviseerd. Tijdig betekent in dit geval op een zodanig moment dat het college het advies nog in de besluitvorming kan meenemen, zonder beslistermijnen te overschrijden. Indien het gaat om een ambtshalve aanwijzing en er geen beslistermijn geldt, dan zal het college een termijn kunnen stellen waarbinnen geadviseerd moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bepaalt nadrukkelijk niet dat de adviesraad een positief advies gegeven moet hebben, wil aanwijzing als monument of beschermd stads- of dorpsgezicht mogelijk zijn. Aanwijzing na een negatief advies is ook mogelijk. Het advies van de adviesraad weegt zwaar, maar is niet bindend. Het is uiteindelijk de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het college om te besluiten omtrent aanwijzing. Het college kan zich daarbij niet ‘verschuilen’ achter de adviesraad. Uiteraard dient het college te motiveren waarom een advies niet overgenomen wordt. In voorkomende gevallen is het ook nodig om te motiveren waarom een advies juist wel overgenomen wordt (bijvoorbeeld als het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of als er een deskundig tegenadvies is ingediend).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de zogenaamde voorbescherming van zaken die mogelijk als gemeentelijk (archeologisch) monument worden aangewezen. De voorbescherming houdt in dat het kandidaat- monument tijdelijk valt onder het verbod om monumenten te wijzigen, afbreken etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moment van aanvang van de voorbescherming is bepaald op het moment waarop het college kennisgeeft van het voornemen om een aanwijzing te doen (op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om een zienswijze in te dienen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorbescherming eindigt: ofwel op het moment dat de aanwijzing in werking is getreden. Dit vereist bekendmaking van het besluit aan de belanghebbende. Het is niet nodig dat de aanwijzing al onherroepelijk is; ofwel het voornemen is ingetrokken. Dit laatste zal moeten blijken uit een mededeling van het college. Mocht een dergelijke mededeling uitblijven, dan kan de belanghebbende daarom verzoeken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving zakelijk gerechtigden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat de verplichting om zakelijk gerechtigden kennis te geven van besluiten tot aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument, dan wel de wijziging of intrekking van een aanwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om kennisgeving aan de eigenaar, pachter, houders van opstalrechten en andere zakelijke rechten. Huurders of andere gebruikers van het monumenten hoeven niet geïnformeerd te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentelijk erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat alle aanwijzingen bijgehouden moeten worden in het gemeentelijke erfgoedregister, en welke informatie er per aanwijzing opgenomen moet worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.3 Instandhouding gemeentelijke monumentale zaken en beschermde stads- en dorpsgezichten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod en vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid bevat een absoluut verbod op het beschadigen of vernielen van gemeentelijke monumenten. Het verlenen van een vergunning daarvoor is niet mogelijk. Het is immers absoluut onwenselijk dat een monument wordt beschadigd of vernield. In aanvulling daarop is het ook verboden om aan een monument het onderhoud te onthouden dat nodig is voor de instandhouding ervan. Dit verbod gold onder de Erfgoedverordening nog niet, maar dit verbod gold al wel voor rijksmonumenten. De bescherming van gemeentelijke en rijksmonumenten wordt hiermee gelijkgetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid bevat de vergunningplicht voor onder andere het wijzigen en aanpassen van monumenten. Dergelijke werkzaamheden kunnen legitiem zijn en het is dan ook mogelijk om daar een vergunning voor te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het verbod van het tweede lid (en dus niet het eerste lid) geldt niet, als het college nadere regels heeft gesteld over de wijze waarop werkzaamheden aan monumenten moeten worden uitgevoerd. De gedachte is dat als die regels worden opgevolgd, er voldoende rekening wordt gehouden met de monumentale waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Ook in het vierde lid wordt de bescherming van gemeentelijke monumenten afgestemd op de bescherming van rijksmonumenten. Hier wordt een uitzondering gemaakt op de vergunningplicht uit het tweede lid, als het gaat om gewoon onderhoud of inpandige aanpassingen zonder gevolgen voor de monumentale waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het vijfde lid beschrijft specifieke belangen waar bij het besluiten omtrent vergunningverlening rekening gehouden moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Het zesde lid bevat een specifieke regeling voor het aanwijzen van monumenten met een religieuze bestemming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering door Planadviesraad</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij besluiten omtrent vergunningverlening met betrekking tot gemeentelijke monumenten moet het college advies vragen, in dit geval aan de Planadviesraad. De regeling is hetzelfde als in artikel 4.2.2, kortheidshalve wordt dan ook verwezen naar de toelichting op dat artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermend bestemmingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel verplicht de gemeenteraad zichzelf om voor beschermde stads- en dorpsgezichten een bestemmingsplan vast te stellen, dat het stads- en dorpsgezicht daadwerkelijk beschermt. Deze verplichting een bestemmingsplan vast te stellen is het enige rechtsgevolg van een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van deze verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.4 Instandhouding van archeologische terreinen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikelen 4.4.1, 4.4.2 en 4.4.3 hebben als grondslag artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Die wet is weliswaar ingetrokken met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, maar onder andere artikel 38 blijft van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (artikel 4.6) is bepaald dat een regel op grond van artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 bij inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit betreft het tijdelijk deel van het omgevingsplan, dat geldt tot de gemeenteraad conform de Omgevingswet een nieuw omgevingsplan vaststelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een vereenvoudigde versie van het vergunningstelsel met betrekking tot archeologische terreinen, dat eerder in de Erfgoedverordening was opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste wijziging is dat het verbod nu slechts geldt, als er in het geldende bestemmingsplan geen regels tot bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen. Dit zal in de regel altijd het geval zijn, maar mocht dat niet het geval zijn, dan bevat artikel 4.4.1 een vangnet. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat als de bestemmingsplanwetgever er bewust voor heeft gekozen om in het bestemmingsplan gronden niet van een archeologische dubbelbestemming te voorzien, artikel 4.4.1 niet van toepassing is. Deze bewuste keuze moet dan blijken uit de toelichting bij het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verbod vervolgens toepassing vindt, dan is er nog een aantal uitzonderingen opgenomen. De eerste uitzondering is als er een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken. In het kader van een dergelijke omgevingsvergunning wordt ook het aspect archeologie betrokken, zodat een vangnetverbod niet nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede en derde uitzonderingen doen zich voor als er geen strijd is met het gemeentelijk archeologiebeleid en als uit vooronderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Booronderzoek, opgraving en begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Erfgoedwet bevat in paragraaf 5.1 regels omtrent het verrichten van opgravingen. Dit betreft vooral certificering van archeologische uitvoerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling daarop bevat artikel 4.4.2 een regeling waardoor het college een programma van eisen met nadere regels ten aanzien van opgraving en begeleiding vast moet stellen. Verder is de archeologische uitvoerder verplicht (voor alle vormen van onderzoek) een plan van aanpak op te stellen en ter goedkeuring aan het college voor te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook buiten het programma van eisen en goedkeuring van het plan van aanpak om kan het college nadere regels stellen (voor alle vormen van onderzoek).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4.5 Financiële bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86, 604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de archeologische monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 aangepast, waarbij de drempelwaarde om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen zo hoog is geworden dat aanvragers nauwelijks nog aanspraken kunnen maken. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m d). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage5Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 5 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 5 (Houtopstanden) Begripsbepalingen (Bijlage 1, artikel 1.5) De begripsbepalingen voor hoofdstuk 5 van de Verordening fysieke leefomgeving (Houtopstanden) spreken voor zich. Wel is het goed te vermelden dat het begrip ‘houtopstand’ is aangepast ten opzichte van de regeling in de Algemene Plaatselijke Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsbepaling is namelijk geen stamomtrek meer opgenomen. Dat betekent dat elke boom of struik, ongeacht afmeting, telt als ‘houtopstand’ in de zin van de Verordening. Deze aanpassing is opgenomen om mazen in de regeling te dichten. Zie daarover ook de toelichting op artikel 5.1.1 Een en ander wil niet zeggen dat elke boom of struik daarmee kapvergunningplichtig is. Een stamomtrek is opgenomen in artikel 5.1.1 van de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het begrip ‘rechthebbende’ opgenomen. Dit begrip betreft ten eerste de eigenaar van de grond waar een houtopstand op staat of stond. De eigenaar van de grond is in de regel ook de eigenaar van de houtsopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede gaat het om anderen die tot het treffen van voorzieningen bevoegd zijn. Dit hoeft niet per se de eigenaar van de boom te zijn. Onder deze laatste categorie vallen houders van opstalrechten en andere beperkte zakelijke rechten op houtopstanden, maar ook personen die bijvoorbeeld (bouw)werkzaamheden uitvoeren die gevolgen hebben voor een houtopstand.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.1 Vellen van houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod en omgevingsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid bevat het verbod om zonder omgevingsvergunning houtopstanden te vellen. Omdat het een omgevingsvergunning betreft is de bevoegdheid voorbehouden aan het bestuursorgaan dat onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het bevoegd gezag is. Dit is als hoofdregel, maar niet altijd, het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod betreft drie categorieën van gevallen (onderdelen a, b en c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a heeft betrekking op houtopstanden die een minimale stamomtrek hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b betreft houtopstanden die zijn aangelegd ter uitvoering van een herplant- of instandhoudingsplicht. De stamomtrek van de houtopstanden is daarbij niet relevant. Ook kleinere houtopstanden vallen onder dit verbod. Dit was eerder niet het geval, zodat bomen die in het kader van een herplantplicht waren aangebracht, zonder vergunning geveld konden worden als zij onder de minimale stamomtrek kwamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c betreft houtopstanden, die zijn aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon. Het zal hier vooral gaan om overeenkomsten waarbij een bepaalde erfinrichting is afgesproken, bijvoorbeeld in het kader van de toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Ook hier is de stamomtrek niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid zijn uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. Deze behoeven geen verdere toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512-159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat de criteria waar een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden aan wordt getoetst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513-160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor het vellen van een houtopstand die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon, is een advies van het betreffende bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon wenselijk. Het eerste lid bevat een verplichting voor het bevoegd gezag om dat advies op te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht niet tijdig worden geadviseerd, dan wordt er geacht te zijn geadviseerd (tweede lid). Tijdig betekent in dit geval op een zodanig moment dat het bevoegd gezag het advies nog in de besluitvorming kan meenemen, zonder beslistermijnen te overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bepaalt nadrukkelijk niet dat het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon een positief advies gegeven moet hebben, wil het bevoegd gezag de vergunning kunnen verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningverlening na een negatief advies is ook mogelijk. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het advies, maar het advies is niet bindend. Het is uiteindelijk de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om te besluiten omtrent aanwijzing. Het bevoegd gezag kan zich daarbij niet ‘verschuilen’ achter de adviseur. Uiteraard dient het bevoegd gezag te motiveren waarom een advies niet overgenomen wordt. In voorkomende gevallen is het ook nodig om te motiveren waarom een advies juist wel overgenomen wordt (bijvoorbeeld als het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of als er een deskundig tegenadvies is ingediend).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de algemene regeling voor voorschriften in artikel 9.2.3 van de Verordening bevat artikel 5.1.4 enkele specifieke voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor het kappen kunnen worden verbonden. Deze voorschriften zien op herplant na het kappen, en over uitstel van het kappen in verband met andere werkzaamheden, zo lang er geen zekerheid is over het doorgaan van die werkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking geldingsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.2 Instandhouding en herplant van houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel bevat bevoegdheden tot behoud van houtopstanden. De regeling is verruimd ten opzichte van de Algemene Plaatselijke Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid heeft betrekking op de instandhouding van houtopstanden in verband met externe bedreigingen als gevolg van bouwwerkzaamheden etc. Het bevoegd gezag kan de rechthebbende de verplichting opleggen en Bomen Effect Analyse op te laten stellen. Uit de definitie van ‘rechthebbende’ volgt dat deze verplichting ook aan de uitvoerder van bouwwerkzaamheden kan worden opgelegd, zelfs als die niet de eigenaar van de houtopstand is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid heeft betrekking op de instandhouding van houtopstanden in verband met interne bedreigingen, zoals de staat van de houtopstand. Het bevoegd gezag kan de rechthebbende de verplichting opleggen een Boomveiligheidscontrole op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bevat een bevoegdheid om de resultaten van de Bomen Effect Analyse en de Boomveiligheidscontrole handen en voeten te geven. Het bevoegd gezag kan de verplichting opleggen om voorzieningen te treffen om de bedreiging weg te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Herplantplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een zelfstandige bevoegdheid om een herplantplicht op te leggen, los van een eventuele omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand. De herplantplicht kan worden opgelegd als een houtopstand is gekapt zonder de benodigde omgevingsvergunning, of als een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. De inhoud van een zelfstandige herplantplicht verschilt niet van een herplantplicht als voorschrift bij een omgevingsvergunning. Verder geldt de herplantplicht ook voor de rechtsopvolgers van degene aan wie de plicht in eerste instantie is opgelegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5.3 Overige regels</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Noodkap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit artikel bevat een uitzondering op de vergunningplicht, als een houtopstand vanwege openbare orde of veiligheid met spoed moet worden geveld. Voorwaarde is dat de burgemeester op grond van hem toekomende bevoegdheden daartoe bevel heeft gegeven. Die bevelsbevoegdheid is niet in de Verordening fysieke leefomgeving zelf opgenomen, omdat uitgangspunt is dat er geen burgemeestersbevoegdheden in de Verordening worden opgenomen. De bevoegdheid voor de burgemeester om een kapbevel te geven, wordt in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor houtopstanden die in het kader van noodkap zijn geveld, kan een herplantplicht worden opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding van bomenziekten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een regeling voor de bestrijding van boomziekten. Houtopstanden die met toepassing van dit artikel worden geveld, vallen onder de uitzondering van artikel 5.1.1, tweede lid, aanhef en onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afstand tot de erfgrens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage6Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 6 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 6</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.1 Geluidhinder</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 6.1.1 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximumaantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Activiteitenbesluit opgenomen. Ter beperking van geluidshinder is bepaald dat tijdens festiviteiten deuren en ramen dicht moeten blijven, tenzij personen of goederen doorgelaten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het Activiteitenbesluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het vierde lid biedt de mogelijkheid om rekening te houden met de aard van gebieden door gebiedsdifferentiatie toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde tot en met het zevende lid Deze artikelleden bevatten aanvullende voorschriften ten aanzien van het aanwijzen van collectieve festiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 3.148 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximumaantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Activiteitenbesluit is het maximumaantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en donkerte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.1.3 heeft betrekking op alle vormen van geluidhinder. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook evenementen kunnen hier onder vallen. In de praktijk wordt bij een evenementenvergunning dan ook een ontheffing op grond van dit artikel verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 6.1.3 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het activiteitenbesluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel er zijn algemene regels op grond van het activiteitenbesluit op van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet geluidhinder, Wet openbare manifestaties en het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale milieuverordening is toegevoegd in het derde lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.2 Diverse hinder</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanlichten van gebouwen en objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op verlevendiging in het Beschermd Stadsgezicht is aanlichting van enkele gebouwen/gevels/objecten beperkt toegestaan. Op andere plekken binnen het beschermd stadsgezicht wordt een zeer terughoudend beleid gevoerd. De regeling in artikel 6.2.1 van de Verordening fysieke leefomgeving beoogt overbelichting te voorkomen. Met het aanlichten van waardevolle gebouwen en objecten kan Deventer zijn cultuurhistorische rijkdom ook in de avonduren tonen; de identiteit van de stad blijft op deze wijze zichtbaar in het donker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeling is het aanlichten van cultuurhistorisch erfgoed, bijzondere gebouwen en -objecten in het beschermd stadsgezicht op grond van de Verordening fysieke leefomgeving formeel mogelijk te maken maar tegelijkertijd - mede op grond van milieuoverwegingen, denk aan LED-verlichting en behoefte van de natuur aan donkerte - een handvat te bieden om ongebreidelde aanlichting van gebouwen en andere objecten tegen te gaan. Het betreft zowel het aanlichten van gehele panden en objecten als het aanlichten van delen daarvan. Voorwaarde voor het mogen aanlichten van gebouwen en objecten is dat aanlichting past binnen de redelijke eisen van welstand en dat geen bovenmatige hinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Welstandsnota gemeente Deventer is (als bijlage) opgenomen onder welke voorwaarden en bij welke panden en objecten het aanlichten is toegestaan. Uitgangspunt van het beleid is dat het aanlichten beperkt wordt toegestaan. Namelijk op en rond de Brink, begane grondniveau van winkelstraten in het kernwinkelgebied en enige bijzondere objecten daarbuiten. De Planadviesraad van de gemeente Deventer zal op basis van de in de Welstandsnota meegegeven kaders beoordelen of een aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De technische eisen voor het aanlichten ter voorkoming van lichthinder zijn gebaseerd op de ‘Algemene Richtlijn betreffende lichthinder’, deel 3, aanstraling van gebouwen en objecten uit 2004, van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, Commissie lichthinder. De weigeringsgrond inzake lichthinder is niet van toepassing voor zover dit onderwerp wordt geregeld door het Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aanlichten past binnen de ‘redelijke eisen van welstand’ zal de wijze van aanlichting aan een aantal eisen moeten voldoen. Dit om lichthinder te vermijden. Deze eisen zijn opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Er is een maximum opgenomen voor de toegestane lichtsterkte van de armaturen zelf (lichtemissie in lux) en de lichtstraling die door het aanlichten door het gebouw of object wordt uitgestraald (luminantie). Ook aan de wijze van aanlichten zijn regels gesteld om strooilicht te beperken. Aanstralen moet plaatsvinden van onderaf dicht op de gevel of de wand van het object. Het licht zal daardoor vlak langs de gevel strijken. Naast het feit dat strijklicht het reliëf van het gebouw versterkt en daarmee esthetisch tot het beste resultaat leidt wordt door het toepassen van strijklicht zo veel mogelijk voorkomen dat het licht door de ramen naar binnen schijnt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Artikel 6.2.2 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of bromfietsen (als bedoeld in het RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op terreinen die geen weg zijn. Voor de afbakening met de Wegenverkeerswet 1994 is expliciet bepaald dat het gaat om wedstrijden op terreinen die geen weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 zijn. Voor wedstrijden op wegen bevat de Wegenverkeerswet een verbod in artikel 10. Het verbod in het eerste lid ziet bijvoorbeeld op terreinen die niet zijn ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de APV van toepassing (artikel 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid bevat de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om terreinen aan te wijzen waar het verbod niet geldt. Bij zo een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrosst mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging er</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Hoewel het begrip ‘weg’ in de bijlage bij de Verordening fysieke leefomgeving wordt omschreven, wordt in het derde lid voor alle duidelijkheid herhaald dat onder ‘weg’ wordt verstaan hetgeen daar in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 onder wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Wederom voor de afbakening ten opzichte van hogere regelgeving is in het vierde lid bepaald dat artikel 6.2.2, eerste lid, niet van toepassing is voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren in hetzelfde onderwerp voorziet. De genoemde regelingen zullen vooral van toepassing zijn op speciaal voor wedstrijden ingerichte terreinen, zoals circuits.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan niet vergunningplichtige reclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in dit artikel spreekt voor zich. Het verbod is niet beperkt tot inrichtingen; het kan ook gaan om reclame op of aan de weg of in een weiland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de reclame wordt gemaakt vanaf een inrichting, zijn de zorgplichten en andere regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer ook van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrooiing van as</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel regelt de incidentele verstrooiing van as. Hieronder wordt verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Ook blijft de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nabestaanden gelden deze beperkingen niet. Zij kunnen in principe op elke plaats de as van hun dierbare overledene verstrooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen echter niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Burgemeester en wethouders kunnen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het eerste lid, maar alleen voor wat betreft asverstrooiing op verharde delen van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Ongeacht de locatie en eventuele ontheffingen is het verboden om as te verstrooien op een zodanige manier dat daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage7Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 7 Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 7 (Ondergrondse infrastructuur) Algemeen Dit hoofdstuk bevat regels met betrekking tot het aanleggen, in stand houden en opruimen van kabels en leidingen. De regels betreffen zowel kabels en leidingen ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken als regels voor de overige kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernpunten van de regels en de daarop gebaseerde nadere regels zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruikbaarheid en het aanzien van de weg;</p>\n<p class=\"lf-p\">De veiligheid van de kabels en leidingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimaliseren van risico’s voor milieu en gezondheid van mens en dier;</p>\n<p class=\"lf-p\">Te stellen eisen aan de ordening en allocatie van kabels en leidingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Te stellen eisen aan exploitatie en onderhoud van kabels en leidingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracés en verwijdering van kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk bepaalt de Telecommunicatiewet (Tw) het kader voor de regels in dit hoofdstuk van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van de overige kabels en leidingen ontbreekt een dergelijke vorm van wetgeving. Sinds 1 januari 2015 is de vergunningverlening ten aanzien van kabels en leidingen beheerst door de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2015 (AVOI 2015). Deze verordening gaat op in de Verordening fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regime voor kabels en leidingen vallende onder de Tw en de overige kabels en leidingen is zoveel mogelijk geïntegreerd. Het onderscheid in toepassing blijkt expliciet uit de gebezigde tekst en uit de begripsomschrijvingen van ‘telecomkabel’ (alleen Tw) en ‘kabels en leidingen’ (alle kabels en leidingen inclusief telecomkabels).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.1 Inleidende bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 7 van de Verordening fysieke leefomgeving is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Zoals in de toelichting bij het begrip ‘openbare gronden’ reeds is aangegeven, vallen ook kunstwerken onder dit begrip. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing op alle openbare gronden, ongeacht wie deze beheert. Zo is de gemeente bijvoorbeeld voor gronden waar de provincie haar beheergebied heeft, toch het bevoegde gezag om voor werkzaamheden in die gronden een instemmingsbesluit af te geven. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Zoals gezegd gaat dit dus niet op voor werkzaamheden van andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.), zodat er buiten het beheergebied van de gemeente geen vergunningplicht geldt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.2 Instemmingsbesluit en vergunning</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vereiste van instemming of vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat werkzaamheden in openbare gronden verboden zijn, tenzij men beschikt over een vergunning of een instemmingbesluit. De vergunningplicht geldt alleen voor openbare gronden die in beheer zijn van de gemeente. Bij telecomkabels is dat anders als gevolg van het stelsel van de Telecommunicatiewet. Een instemmingsbesluit is namelijk vereist voor werkzaamheden in openbare gronden binnen de gemeente, ongeacht door wie deze beheerd worden. Een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bepaalde werkzaamheden kan worden volstaan met een lichtere meldingsprocedure (zowel voor telecomkabels als overige kabels en leidingen). De categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard waarvoor dit geldt, worden door het college vastgesteld in de nadere regels. Het college kan echter ook een geografisch gebied vaststellen (opgenomen in de nadere regels) waarbinnen altijd een vergunning of instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Een historische kern van een stad of dorp kan bijvoorbeeld worden aangewezen als gebied waarbinnen niet kan worden volstaan met een melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van storingen waarbij reparatie geen uitstel kan lijden, kan uiteraard vooraf geen vergunnings- of meldingsprocedure gelden. Deze dienen wel onverwijld, dus zo spoedig mogelijk en bij voorkeur nog voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, te worden gemeld. De burgemeester kan om redenen van openbare orde en veiligheid besluiten dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden. Deze laatste bevoegdheid is opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor werkzaamheden rond de kabels en leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering maar ook eventuele andere kabels en leidingen, is om praktische redenen het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit zullen intern binnen de gemeente de doelstellingen van dit hoofdstuk wel dienen te worden nageleefd. Ook is het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing op kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, waarvoor reeds een ander bestuursorgaan zoals het Rijk of de provincie op grond van haar beheertaak de vergunningverlenende instantie is. Hierbij dient wel bedacht te worden dat beheergebieden elkaar kunnen overlappen. Van belang is dus dat bij regelgeving van andere bestuursorganen voorzien wordt in hetzelfde onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overlap van beheergebied bij de vergunningverlening van een waterschap en de gemeente ten aanzien van kabels en leidingen, raakt elkaar vaak. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een gemeentelijke openbare weg over een waterkering loopt. In dit geval zal de netbeheerder zowel bij de gemeente als bij het waterschap een vergunning dan wel ontheffing aan dienen te vragen. De uit te voeren toets van het waterschap ziet namelijk op het belang van het waterstaatswerk, de toetsing van de gemeente op het belang van de weg. In dat kader wordt door beide bestuursorganen voorzien in een verschillend onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.2.2 De aanvraag en de melding In geval van voorgenomen werkzaamheden moet de melding of aanvraag bij de gemeente plaatsvinden. Formeel gebeurt dat bij het college van burgemeester en wethouders, maar in de praktijk bij de gemachtigde ambtenaar. Op het verlenen van een vergunning of instemmingsbesluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zoals het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitvoerende partij, de (onder)aannemer, vraagt in voorkomende gevallen namens de netbeheerder, de initiatiefnemer van werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, in stand houden of verwijderen van kabels en leidingen, een vergunning of een instemmingsbesluit aan. Hoewel de uitvoerende partij feitelijk de aanvraag indient, is het de netbeheerder die als aanvrager van de vergunning of het instemmingsbesluit moet worden beschouwd. De netbeheerder is ook de partij op wiens naam de beschikking is gesteld en die aangesproken dient te worden bij besluiten betreffende het wijzigingen of intrekken van een eerder afgegeven beschikking. Meldingen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 bepaalt dat het college nadere regels vaststelt ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. De gemeente heeft als beheerder van openbare gronden deze informatie nodig voor een juiste beoordeling van werkzaamheden en inzicht in de belangen die worden geraakt. De te verstrekken gegevens worden om praktische redenen niet in de verordening zelf opgesomd maar in de nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.2.3 De aanvraag, aanvullende bepalingen De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van overige benodigde vergunningen voor zijn werkzaamheden (bijvoorbeeld een omgevingsvergunning). Als de aanvrager hierom verzoekt, zal de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de ingediende aanvragen bij andere bestuursorganen bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval dat de netbeheerder een aanvraag wenst in te trekken, doet hij hiervan schriftelijk mededeling aan het college. Het college stelt de aanvraag na dit schriftelijk verzoek buiten behandeling. Een reden tot het verzoeken van het intrekken van een aanvraag kan gelegen zijn in het feit dat de netbeheerder een gedeelte van de te betalen legeskosten kan restitueren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel biedt de basis om aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden of de vergunning te weigeren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de voorschriften en beperkingen slechts mogen strekken tot bescherming van die belangen die hoofdstuk 7 beoogt te beschermen. In zoverre wijkt het artikel af van de algemene bepalingen in hoofdstuk 9 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meestal kan door het verbinden van voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit of de vergunning worden bereikt dat aan hetgeen in dit hoofdstuk is gesteld kan worden voldaan en de belangen waartoe dit hoofdstuk strekt voldoende worden beschermd. Indien ook door het stellen van voorschriften en beperkingen de genoemde belangen niet voldoende kunnen worden beschermd dan moet de vergunningaanvraag worden geweigerd. Een instemmingsbesluit kan op basis van de Telecommunicatiewet formeel niet worden geweigerd. Aan een instemmingsbesluit kunnen wel voorschriften en beperkingen worden verbonden. Daarnaast geldt dat een aanbieder, ondanks het ontbreken van een vergunningplicht, ingevolge artikel 5.2, tiende lid, van de Telecommunicatiewet gebonden is aan voorschriften die gelden bij of krachtens andere wetten, zoals de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Erfgoedwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit of vergunning om uitvoering geruime tijd na afgifte te voorkomen. Een gewijzigd gebruik van gronden kan de werkzaamheden inmiddels onwenselijk maken. Zo nodig kan in het instemmingsbesluit of de vergunning de werkingsduur van het besluit worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van een instemmingsbesluit of vergunning is verantwoordelijk voor de naleving van die besluiten en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen en kan daarop worden aangesproken, ook wanneer hij werkzaamheden laat uitvoeren door ondergeschikten of derden (bijvoorbeeld (onder)aannemers).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd om nadere regels vast te stellen ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-725-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging en intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een vergunning of instemmingsbesluit in te trekken of te wijzigen indien sprake is van een of meer van de in het eerste lid genoemde situaties. Een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Daardoor kan een instemmingsbesluit alleen worden gewijzigd of ingetrokken gedurende de werkzaamheden. Dit artikel bevat een specifieke regeling en wijkt daarom af van de algemene regeling in hoofdstuk 9 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst kan de vergunning of het instemmingsbesluit worden ingetrokken of gewijzigd indien de netbeheerder niet binnen zes maanden, of binnen een eventueel in de vergunning opgenomen afwijkende termijn, is begonnen met het werk en in de situatie waarin de werkzaamheden langer dan een periode van zes maanden stilliggen. Daarnaast kan het instemmingsbesluit of de vergunning worden ingetrokken als het besluit is genomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening, waaronder de nadere regels, of de vergunning(voorschriften) niet naleeft, kan het college de vergunning of het instemmingsbesluit eveneens intrekken of wijzigen. Dit middel zal echter pas worden ingezet als de netbeheerder geen gehoor heeft gegeven aan een waarschuwing van het college wegens niet-naleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer kabels of leidingen (niet vallende onder de Telecommunicatiewet) definitief buiten gebruik worden gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b van het tweede lid is van toepassing wanneer de gemeente vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak van oordeel is dat aanpassing van kabels of leidingen noodzakelijk is. Dit is het geval wanneer de gemeente werken uitvoert die het algemeen belang dienen, waardoor deze kabels of leidingen niet kunnen blijven liggen of moeten worden aangepast. In de meeste gevallen zal hierbij sprake zijn van een gedeeltelijke verlegging van de bestaande kabel of leiding. Per situatie zal door het college worden beoordeeld of met het wijzigen van de bestaande vergunning kan worden volstaan, of dat er een nieuwe vergunning afgegeven wordt. Bij deze keuze houdt het college rekening met de gerechtvaardigde belangen van de vergunninghouder. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor wijzigingen in kabels of leidingen die in het verleden zijn gelegd en waarvoor geen expliciete vergunning is verleend, een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoorplicht in het derde lid vloeit voort uit de eisen die de Awb stelt aan de zorgvuldige voorbereiding van besluiten. Bij een wijziging of intrekking van de vergunning dient daarom een vergunninghouder in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om aan het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning de verplichting te koppelen om de betreffende kabel of leiding te verleggen/verplaatsen of deze zelfs in zijn geheel te verwijderen. Wordt deze verplichting opgelegd dan geeft dit de netbeheerder vervolgens de mogelijkheid om een beroep te doen op de Nadeelcompensatieregeling, waarin de procedure en voorwaarden voor tegemoetkoming in de schade die de netbeheerder door de opgelegde verplichting lijdt, is geregeld. Overigens zal per geval ook altijd worden bezien of verwijdering van leidingdelen wel wenselijk is en ook technisch mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente puur handelt als private/commerciële partij is geen sprake van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Uit jurisprudentie blijkt echter wel dat een zeker commercieel belang niet in de weg staat aan de toepassing van de verordening (ABRvS 5 december 2012, 201108899/1/A3, rechtsoverweging 6.1). Het is echter op een dergelijk moment ter beoordeling aan het college hoe wordt omgegaan met het al dan niet toekennen van nadeelcompensatie, althans vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid ziet op de mogelijkheid tot het op verzoek van een vergunninghouder op naam overdragen van een vergunning. Dit zal de administratieve lasten verlichten. In de vergunning kan echter specifiek zijn bepaald dat dit niet mogelijk is. Dit kan in gevallen waarin wijziging van exploitatie een rol speelt. Een en ander in afwijking van artikel 9.2.4, waarin is bepaald dat een vergunning persoonlijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.3 Overleg, afstemming en overige verplichtingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg en afstemming en overige verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel benadrukt de regisserende rol die de gemeente kan hebben bij projecten. De gemeente zal als beheerder van de openbare ruimte de belangen van diverse gebruikers van die openbare ruimte trachten te behartigen en voor zover mogelijk ook proberen samen te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zal periodiek een strategisch overleg initiëren tussen alle betrokken partijen over alle uit te voeren projecten in de gemeente. Daarnaast neemt het college het initiatief tot overleg met alle betrokken partijen in de planfase dan wel voorafgaand aan de start van een specifiek door of vanwege de gemeente uit te voeren werk met mogelijke gevolgen voor de ondergrondse infrastructuur. Deze uitwisseling van informatie voorafgaand aan uit te voeren werkzaamheden moet leiden tot een betere afstemming tussen het boven- en ondergrondse werk en tussen netbeheerders onderling. Alle partijen hebben hier belang bij en kunnen profiteren van deze informatie-uitwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen tevens voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. De gemeente zoekt met de netbeheerder naar geschikte tracés, maar is hierin niet leidend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen netbeheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder (logischerwijs) primair verantwoordelijk is voor een goede staat van onderhoud van kabels of leidingen. Wanneer kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat van onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die dit hoofdstuk behartigt, biedt dit artikel aan de gemeenten een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichtingen in dit artikel zijn er verder op gericht dat de gemeente over de actuele informatie beschikt die zij nodig heeft om de doelstellingen van dit hoofdstuk te kunnen behartigen. Het in of uit gebruik nemen van telecomkabels is van belang in verband met artikel 5.2, negende lid, van de Telecommunicatiewet, waarin is bepaald dat een aanbieder verplicht is om aangelegde kabels, die gedurende periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, op te ruimen wanneer de gedoogplichtige (de gemeente) de aanbieder daartoe een redelijk verzoek doet. De gedoogplicht vervalt dan op het moment dat een redelijk verzoek is gedaan. Om die reden is het van belang dat de gedoogplichtige gemeente in kennis wordt gesteld van het in- of uit gebruik stellen van telecomkabels om bij overschrijding van die termijn over te kunnen gaan tot een verzoek tot verwijdering van de kabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op grond van het derde lid informatie over specifieke kabels of leidingen bij de netbeheerder opvragen. Dit gebeurt echter alleen indien het college dit noodzakelijk acht in het licht van de belangen die deze verordening behartigt. Het college kan ook vragen om informatie over het al dan niet in gebruik zijn, de diameter, het materiaal, of de leeftijd van kabels of leidingen. Deze informatie is doorgaans niet bij het Kadaster geregistreerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-733-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Medegebruik van voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel neergelegde bepalingen over medegebruik zijn ontleend aan het nieuwe hoofdstuk 5A van de Telecommunicatiewet en de WIBON. Medegebruik van bestaande voorzieningen beperkt het graven in de openbare gronden. Zodoende wordt een aanbieder verplicht zoveel als mogelijk medegebruik te maken van bestaande voorzieningen van een andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen. Indien de aanbieder echter aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is, geldt de in het eerste lid opgenomen verplichting niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften bij het instemmingsbesluit kunnen het medegebruik van voorzieningen bevorderen. Het medegebruik kan aan de orde komen in het vooroverleg over het af te geven instemmingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-734-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging, gevaar en hinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het voorkomen of bestrijden van verontreiniging, gevaar of hinder die veroorzaakt wordt door kabels en leidingen. De kosten voor deze maatregelen komen in beginsel ten laste van de netbeheerder. In situaties waarbij het niet redelijk is om alle kosten bij de netbeheerder te leggen kan worden afgeweken van dit uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de bevoegdheid van het tweede lid zal de gemeente slechts gebruik maken wanneer de belangen die de verordening behartigt in het gedrang (dreigen te) komen. Deze bepaling is aanvullend ten opzichte van sectorale wetgeving, zoals de Wet bodembescherming of de Erfgoedwet en de overige regels van de Verordening fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sluitstuk kan het college opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met dit hoofdstuk het beoordelingskader.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.4 Financiële bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-741-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadeelcompensatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding voor rechtmatig overheidshandelen) voor aanpassingen aan kabels en leidingen geregeld. Hierbij is zoveel mogelijk geanticipeerd op de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb, waarin nadeelcompensatie in het algemeen is gecodificeerd. Artikel 7.4.1 vormt tot de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb de invulling van de ongeschreven verplichting om onevenredige – boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende – schade te vergoeden. Dit volgt uit het algemene beginsel van behoorlijk bestuur égalité devant les charges publiques (gelijkheid voor de publieke lasten). Zowel vóór als na de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb fungeert de Nadeelcompensatieregeling als een beleidsregel, maar vanaf de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb ligt de grondslag voor nadeelcompensatie in art. 4:126 Awb, in plaats van in het ongeschreven recht, waardoor de Nadeelcompensatieregeling op dat moment als wetsinterpreterende beleidsregel zal fungeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van aanpassingen aan kabels en leidingen zijn er twee situaties waarin een netbeheerder in aanmerking komt voor nadeelcompensatie: de intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 7.2.5, tweede lid, onder b; de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, waarbij geen vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de aan te passen kabel of leiding niet in openbare gronden van de gemeente ligt, de zogenaamde buitenleidingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In algemene termen bestaat nadeelcompensatie uit schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en die een netbeheerder in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De concrete toepassing en procedure van nadeelcompensatie voor aanpassingen aan kabels en leidingen wordt uitgewerkt in de Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen die door het college wordt vastgesteld. Voor kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen is geen sprake van nadeelcompensatie, maar van het regime van de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van een project is niet afhankelijk van een verzoek tot nadeelcompensatie. Een project kan derhalve van start gaan en de uitvoering van een werk hoeft niet uitgesteld te worden tot het moment dat een dergelijk verzoek tot nadeelcompensatie is afgehandeld. Sterker nog; bij het college kan een aanvraag tot nadeelcompensatie pas na de melding dat het plangebied functievrij is en de kabels of leidingen op de definitieve plek liggen, ingediend worden. Wel is het verstandig om tijdens de planvorming een risicoanalyse van de eventueel te verwachten nadeelcompensatie op te stellen. De hoogte van het te verwachten bedrag kan dan opgenomen worden in het projectbudget.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-742-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Herstraat- en degeneratiekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde (graaf)werkzaamheden worden bij de netbeheerder in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen zullen de netbeheerder en het college vooraf vaststellen wat er wordt verstaan onder ‘de oude staat’. Dit zal zeker in die gevallen moeten gelden waar de gemeente streeft naar een vorm van graafrust. Dit kan het geval zijn indien binnen een termijn van bijvoorbeeld vijf jaar na oplevering van een project wederom werkzaamheden in de ondergrond zullen gaan plaatsvinden. Dit wordt niet wenselijk geacht, zodat de term ‘de oude staat’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Een gestelde termijn kan als ‘richtgetal’ fungeren, maar ‘de oude staat’ moet altijd per geval worden bekeken. Hetgeen wat onder ‘de oude staat’ wordt verstaan, kan dan als bijzondere voorwaarde bij een instemmingsbesluit of vergunning worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Begrippen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbieder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het begrip ‘aanbieder’ wordt bedoeld: een aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in de zin van de Telecommunicatiewet. Op deze ‘aanbieder’ zijn de rechten en plichten van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing. De verordening bevat enkele bepalingen die slechts van toepassing zijn op ‘aanbieders’ en niet op andere netbeheerders zoals de nutsbedrijven. Dit zijn bepalingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Telecommunicatiewet en die niet een op een voor andere partijen kunnen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraag Met het begrip ‘aanvraag’ wordt bedoeld: een aanvraag om een instemmingsbesluit (conform de Telecommunicatiewet) of een vergunning (overige kabels en leidingen). De aanvraag moet onderscheiden worden van de melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instemmingsbesluit De Telecommunicatiewet bevat een gedoogplicht voor de aanleg van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Deze gedoogplicht is vastgelegd in artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet. De aanbieder dient echter wel instemming te verkrijgen van de gemeente binnen wier grondgebied de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. De instemming geldt enkel voor werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming. Voor andere kabels en leidingen geldt de Telecommunicatiewet en de daarin opgenomen gedoogplicht niet. De toestemming om netten aan te leggen, in stand te houden en op te ruimen dient bij deze netten door middel van een vergunning plaats te vinden. In verband met de verschillende regimes is het noodzakelijk om tussen een instemmingsbesluit en een vergunning onderscheid te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen De begripsbepaling ‘kabels en leidingen’ is zodanig gedefinieerd dat hier in principe alle kabels en leidingen onder vallen, waaronder mede wordt begrepen de daarbij behorende onderdelen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, zoals brandkranen, afsluiters, mantelbuizen, kasten en gebouwen. Kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen (zie begripsbepaling: telecomkabel) en die in openbare gronden liggen of worden gelegd vallen eveneens onder deze definitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding In de Telecommunicatiewet wordt aangegeven dat een aanbieder slechts overgaat tot het uitvoeren van werkzaamheden, indien dit voornemen schriftelijk is gemeld bij het college én het college hiertoe instemming heeft gegeven. Dit wordt bepaald in artikel 5.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. In hetzelfde artikel in het vijfde lid wordt daarnaast bepaald dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen werkzaamheden van ingrijpende én niet-ingrijpende aard. Voor werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, welke staan omschreven in de nadere regels, is slechts een melding nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dient opgemerkt te worden dat met het begrip ‘melding’ in deze verordening uitsluitend de melding van werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt bedoeld. Indien een partij werkzaamheden verricht die vallen onder de categorie werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, kan dus worden volstaan met een melding die vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden dient te zijn ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Netbeheerder</p></div>", "next": 238782}