{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd, met een verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek Boek 1,Titel 3. In artikel 12 lid 1 staat: \"Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent [...]. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\" Deze beschrijving geldt tot en met 31-12-2021, vanaf 1-1-2022 wordt het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet aangepast. De exacte formulering hiervan is nu nog niet bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. l.maatwerkvoorziening In de Jeugdwet is de mogelijkheid opgenomen om een individuele voorziening aan te vragen, in de Wmo wordt gesproken over een maatwerkvoorziening. In deze verordening is qua begrip aansluiting gezocht bij de Wmo, omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en indien een cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening. De voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. o.melding De melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd. Voor de Jeugdwet bestaat een melding in dusdanige niet, enige vorm van melding wordt gezien als aanvraag. Terwijl het in de Wmo 2015 een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen. q. ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Het plan geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen. Het doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningsplan bestaat uit modules, die, afhankelijk van de situatie van de cliënt, wel of niet worden ingevuld. u.vertegenwoordiger(gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger):</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo 2015 is in artikel 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, bewindvoerder, mentor, ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de hulp/zorgverlening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2, integrale benadering</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang tot ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners kunnen op een laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aankloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 staat omschreven dat het in deze fase (nog) niet noodzakelijk is om persoonsgegevens te registeren. Dat wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein een oplossing gevonden kan worden. Het verzamelen van informatie en persoonsgegevens zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een melding, zoals bedoeld in artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het als onnodig belastend kan worden gezien om betrokkene te verplichten meermaals hetzelfde verhaal te vertellen in de verschillende fases aan verschillende vertegenwoordigers van de gemeente, kunnen de relevante bevindingen van de integrale intake op verzoek van de betrokkene ter beschikking worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Melding hulpvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan melden bij de gemeente. De melding is een verzoek van een cliënt of diens vertegenwoordiger om hulp of toekenning van een voorziening in het kader van de Wmo en het leerlingenvervoer. De melding kan niet worden gezien als een aanvraag voor een voorziening. De melding kan wel resulteren in een aanvraag voor een voorziening. Voor de Jeugdwet geld dat een melding gelijk staat aan een aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan. In artikel 2.15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens een inwoner’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan met toestemming van de inwoner bijvoorbeeld diens ouders/verzorgers, vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, of andere betrokkene de melding doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 is opgenomen dat het college met de inwoner een afspraak maakt voor een gesprek en dat deze afspraak schriftelijk bevestigd wordt. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder. Bij de schriftelijke bevestiging worden in ieder de volgende bijlagen gevoegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheden van gratis cliëntondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie over privacy (conform de AVG);</p>\n<p class=\"lf-p\">De gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid voor een inwoner om een eigen plan op te stellen; infographic over het proces en de besluitvorming van de hulpvraag;</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 is een specifieke bepaling opgenomen als de hulpvraag een minderjarige betreft. In dat geval informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4, lid 1, sub a) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 5 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 6 staat omschreven dat de aanvraagprocedure voor het leerlingenvervoer niet gelijk is aan de Jeugdwet en de Wmo 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Spoedeisende ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is bijvoorbeeld het geval als er een spoedmachtiging door de rechter (of andere instantie) is afgegeven, omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en de aanvraag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een tijdelijke maatregel, wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bieden van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning is een wettelijke verplichting van het college aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4, lid 1, sub a) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering, alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van de melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1 wordt aangegeven dat, in het kader van zorgvuldig onderzoek, het onderzoek start met een gesprek. Dit staat ook zo expliciet benoemd in de Wmo 2015, maar is ook mogelijk voor Jeugd. Daar waar cliënt of diens vertegenwoordiger zich tot het college wendt met een melding, kan in eerste instantie een gesprek gevoerd worden met een consulent of een medewerker van het sociaal team. Samen met cliënt (eventueel met aanwezige mantelzorger(s)) wordt geïnventariseerd waar cliënt en zijn mantelzorger(s) beperkingen ondervinden in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt onderzocht welke oplossingen de effecten van de beperkingen weg kunnen nemen en in hoeverre cliënt zelf of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 gaat in op de identificatieplicht. In het kader van rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 wordt weergegeven welke aspecten het college, daar waar noodzakelijk, onderzoekt. De Centrale Raad van Beroep heeft twee duidelijke uitspraken gedaan, waarin vermeld staat hoe het college onderzoek moet doen: ECLI:NL:CRVB:2018:819 (Jeugdwet, r.o. 4.4.2) en ECLI:NL:CRVB:2017:1477 (Wmo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De essentie van het onderzoek is te achterhalen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de vraag/behoefte van de cliënt is en hoe de vraag/behoefte ontstaan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoeverre de cliënt zelf, of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Hierbij wordt de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger, meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke oplossingen passend zijn, hoe deze oplossingen afgestemd kunnen worden op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, en/of werk en inkomen, en wie de oplossingen inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen die in lid 3 staan genoemd zijn niet uitputtend. Daar waar het college van mening is dat er aanvullende aspecten van belang zijn voor het onderzoek, worden aanvullende onderdelen in het onderzoek meegenomen. Welke aspecten onderwerp van onderzoek zijn of in het onderzoek worden uitgediept, hangt af van de vraag van cliënt en zijn/haar persoonlijke situatie. Het betreft altijd maatwerk. Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal onderdelen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het onderzoek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 gaat in op de onderzoeksmethoden van het college om de in het vorige lid van dit artikel genoemde aspecten te onderzoeken. De onderzoeksmethodieken worden in samenspraak met cliënt gehanteerd. De onderzoeksmethoden kunnen in combinatie met elkaar worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kunnen er andere wettelijk toegestane onderzoeksmethodieken worden gebruikt. Hierbij geldt dat de grenzen van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 5 is bepaald, dat de cliënt, indien hij dit wenst, binnen tien werkdagen een gespreksverslag toegestuurd kan krijgen. Hierin wordt weergegeven wat besproken is tijdens het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid. De cliënt kan opmerkingen of latere aanvullingen op het verslag aan leveren. Dit is een bovenwettelijke termijn die de gemeente zichzelf oplegt. De termijn is verruimd van 5 naar 10 werkdagen om in het geval van een eenvoudige hulpvraag binnen tien werkdagen het totale ondersteuningsplan toe te kunnen sturen (incl. het gespreksverslag). Dit scheelt een processtap en is daarmee sneller en efficiënter. De totale doorlooptijd wordt hier korter van. Voor de volledigheid een schematische weergave van de wettelijke doorlooptijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid bepaalt dat het college met een door de cliënt overhandigd persoonlijk plan rekening moet houden. Jeugdige cliënten hebben dit reeds met ouders, bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, in de zin van artikel 1.1 van de Jeugdwet opgesteld, een zogenoemd ‘familiegroepsplan’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden worden de uitkomsten vastgelegd in een ondersteuningsplan. Het gespreksverslag (zoals bedoeld in artikel 6 lid 5) maakt hier onderdeel van uit. Het ondersteuningsplan is geen vaste invuloefening waarbij elk onderdeel ingevuld moet worden, dit is maatwerk en afhankelijk van de ondersteuningsvraag. Zo bevat het ondersteuningsplan niet altijd een volledig afgeronde diagnose. Het stellen van de diagnose kan onderdeel uitmaken van de totale behandeling/ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid geeft aan dat de gemeente Zuidplas zoveel als mogelijk werkt vanuit de gedachte één gezin, één plan, één regisseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 is bepaald, dat het gespreksverslag onderdeel uit maakt van het ondersteuningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningsplan is opgebouwd aan de hand van het de door de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) vastgestelde stappenplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar cliënt het ondersteuningsplan ontvangt en feitelijke onjuistheden ontdekt, dan kan cliënt of diens vertegenwoordiger deze onjuistheden corrigeren (lid 3). De correcties worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Wanneer cliënt of diens vertegenwoordiger opmerkingen heeft bij het verslag, dan kan hij/zij dit kenbaar maken en worden de opmerkingen aan het ondersteuningsplan toegevoegd, zie ook de mogelijkheid die lid 4 biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het ondersteuningsverslag, wordt de cliënt gevraagd om dit document te tekenen voor: akkoord zoals voorgesteld en aanvragen, akkoord maar anders dan voorgesteld aanvragen, geen aanvraag en aan het college te verstrekken. Het vijfde lid regelt dit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekken van een maatwerkvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1 is bepaald, dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden. Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen; zelfredzaamheid en participatie algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht Lid 1 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan ECLI:NL:CRVB:2019:772 over de eigen kracht van een cliënt. In deze uitspraak wordt verwezen naar de memorie van toelichting waarin wordt vermeld dat onder eigen kracht wordt verstaan dat de betrokkene zich in hoge mate moet inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op de vraag of de financiële kracht onderdeel is van de eigen kracht meegedeeld dat de regering van mening is dat maatschappelijke ondersteuning voor eenieder toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het is van belang dat ook financieel daadkrachtige cliënten een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, bijvoorbeeld als zij niet in staat zijn maatschappelijke ondersteuning te (doen) organiseren, maar deze wel kunnen betalen. De financiële mogelijkheden van een cliënt kunnen op grond van dit wetsvoorstel wel worden betrokken door een eigen bijdrage te vragen binnen de grenzen die door de regering worden bepaald in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 24). Ten slotte volgt uit de memorie van toelichting dat een aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de eigen bijdrage, niet op die grond mag afwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp In de Wmo 2015 is bepaald dat de aanwezigheid van gebruikelijke hulp een reden is om geen maatwerkvoorziening te verstrekken (artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015). Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, zo is bepaald in artikel 1.1.1 Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding wordt enige ondersteuning door partner, ouders, inwonende kinderen vanaf 18 jaar of andere huisgenoten in het sociale verkeer verstaan. Gebruikelijke ondersteuning door partner kan verschillen van gebruikelijke ondersteuning door inwonende kinderen of van andere huisgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is, dat partners samen activiteiten ondernemen zoals: samen naar een verjaardag gaan; familie bezoeken; samen koken; samen eten; afspraken maken; het voeren van een administratie; het regelen van de bankzaken; het onderhouden van contacten met en het bezoeken van instanties; het verschijnen op afspraken; het openen van post; wandelingetje maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijst is niet limitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als belanghebbende met hulp van mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk zelf in eigen oplossingen kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen Lid 1 onder b en c bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als algemene, algemeen gebruikelijke en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en leiden tot het te bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen Dit zijn voorzieningen die niet voor iedereen bedoeld zijn, maar door degene voor wie ze wél bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken zijn. Voorbeelden kunnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagrecreatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Boodschappenbus, de vrijwillige boodschappenhulp;</p>\n<p class=\"lf-p\">Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een glazenwasser.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen hoeven niet vanuit de Wmo 2015 te worden verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én; in de reguliere handel verkrijgbaar is, én; in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heel duidelijk zijn deze criteria niet. De jurisprudentie verwoordt het zo: ‘een voorziening waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende daarover ook zou hebben beschikt als hij niet gehandicapt was’ (onder andere CRvB 14-07-2010, nr 09/562). Bovendien blijkt uit jurisprudentie dat een voorziening voor de ene persoon wel algemeen gebruikelijk kan zijn en voor de ander niet. Zo kunnen beugels in het toilet voor een persoon van boven de 70 jaar algemeen gebruikelijk zijn, maar voor een jongere persoon die na een ongeluk gehandicapt is geraakt, niet (ECLI:NL:CRVB:2017:148 in combinatie met ECLI:NL:CRVB:2016:614 geeft meer richting aan deze beoordeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op deze criteria kunnen zijn situaties waarin: de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal aangeschaft of vervangen moeten worden; de aanvrager een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem geldende bijstandsnorm dreigt te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); fiets met lage instap, ligfiets; spartamet/tandemmet; rollator elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; bakfiets, fietskar, aanhangfiets; personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; eenhendelmengkranen; thermostatische kranen; keramische- of inductiekookplaat; verhoogd toilet of toiletverhoger; tweede toilet of sanibroyeur; renovatie van badkamer of keuken; antislipvloer/coating; wandbeugels; zonwering (inclusief elektrische bediening); ophogen tuin/bestrating bij verzakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het keukentafelgesprek, het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag zal het begrip algemeen gebruikelijk worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggende voorzieningen Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik maken van mogelijkheden van behandeling/therapie (Zorgverzekeringswet). Wanneer door behandeling resultaten ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen. Zich laten opereren wordt niet als voorliggend op maatwerkvoorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q. revalidatie-periode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfredzaamheid en participatie Daarnaast moet de maatwerkvoorziening er volgens het college voor zorgen dat de cliënt zelfredzaam wordt of kan participeren. Ook dit zal moeten worden vastgesteld op basis van het onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 bepaalt dat het college bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening moet houden met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van de inwoner. Dit is tenslotte de kern van het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het college gebruikt voor deze bepaling het onderzoek dat is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en dit zal worden vastgelegd in het ondersteuningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 bepaalt dat wanneer meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt ingezet die als goedkoopst adequaat aan te merken is. Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat, als de meest goedkope voorziening te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigenschappen, die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 bevat een verwijzing naar andere hoofdstukken van deze verordening. In de hoofdstukken 3 staan aanvullende criteria van de Jeugdwet en van de Wet maatschappelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 bepaalt, dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als een voorziening in natura of als een persoonsgebonden budget.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub a en b betreffen de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 en artikel 6 en 7 van deze verordening). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met lid 1, sub c wordt bepaald dat het niet de bedoeling is dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: is de voorziening gewoon te koop? is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub d geeft aan dat alvorens de noodzakelijkheid van een maatwerkvoorziening vast te kunnen stellen er zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden. Wanneer de cliënt niet meewerkt en daardoor de noodzakelijkheid van een passende maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, dat wordt de gevraagde voorziening afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub e betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 2.3.5, zesde lid en artikel 2.3.6, vijfde lid van de Wmo 2015. Door het hier te herhalen wordt een volledig beeld geschetst van de afwijzingsgronden. Het betreft hier de weigeringsgronden op grond van een Wlz indicatie en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub f betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid en artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet. Door het hier te herhalen wordt een volledig beeld geschetst van de afwijzingsgronden. Het betreft hier de weigeringsgronden op grond van een Wlz indicatie, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub g geeft aan dat alleen voorzieningen worden toegekend die een passende bijdrage leveren aan een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Wanneer uit onderzoek is gebleken, dat de cliënt een voorziening wenst die hieraan niet voldoet, dat wordt deze niet verstrekt. Bijvoorbeeld: Een cliënt heeft een vervoersprobleem en wenst alleen in aanmerking te komen voor een scootmobiel. Wanneer uit onderzoek blijkt, dat het rijden op een scootmobiel niet veilig is, dan wordt geconcludeerd dat een scootmobiel voor deze cliënt niet passend is. Een scootmobiel kan dan om deze reden afgewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met lid 1, sub h wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een melding doet, maar de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, waar vroegtijdig mee is begonnen, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. In de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan, dient de noodzakelijkheid achteraf vastgesteld kunnen worden. Is dit niet het geval, dan wordt de gevraagde voorziening afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub i geeft aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment een aanvraag voor een vervangende maatwerkvoorziening worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door lid 2 zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in lid 2, sub c zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub d en e geven aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 bepaalt dat de maatwerkvoorzieningen beschermd- en beschut wonen niet geschikt zijn voor personen die uitsluitend (feitelijk) dak- of thuisloos zijn. De persoon in kwestie dient zich in deze gevallen te melden bij de maatschappelijke opvang in de centrumgemeente Gouda.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 geeft aan dat de toegang tot maatschappelijke opvang geweigerd kan worden als de cliënt zich niet aan de (huis)regels houdt, onveiligheid of overlast veroorzaakt, niet bereid is om mee te werken aan het een passend ondersteuningstraject, er sprake is van een contra-indicatie waardoor een opvangtraject ongeschikt is, ernstig misdraagt jegens andere, de eigen bijdrage niet betaalt, of wanneer er in het geval van de vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 5 is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 38 t/m 43 van deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende budgetplan dient als basis voor de beoordeling. Zonder een volledig budgetplan kan het college niet beoordelen of de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 en 7 geven weer waarvoor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) niet is bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag van een maatwerkvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo (artikel 2.3.2, lid 9) is bepaald dat een aanvraag kan worden gedaan nadat er onderzoek is ingesteld naar de melding. Dit geldt alleen wanneer het onderzoek binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd en tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen. In lid 1 is geregeld dat de aanvraag van een voorziening altijd schriftelijk moet worden gedaan. De verplichting van een schriftelijke aanvraag is een verplichting op grond van artikel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat, tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt, een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden ingediend. De aanvraag mag, naast door de cliënt alleen, ook worden ingediend door een door hem gemachtigd persoon of vertegenwoordiger. In de Awb is de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 is geregeld, dat een aanvraag kan worden ingediend door het opsturen van een ondertekend ondersteuningsplan. Voorwaarde hierbij is wel dat het aanmerken van het ondertekende ondersteuningsplan als aanvraag door de cliënt in het betreffende ondersteuningsplan aangegeven moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet wordt er niet gesproken van een melding en wordt enige vorm van melding direct aangeschreven als een aanvraag en in dusdanige behandeld. Dit houdt in dat een melding binnen 8 weken moet worden afgehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 wordt er uitwerking gegeven over het door de gemeente aangeboden aanvraagformulier. Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Een dergelijk formulier kan bijvoorbeeld door de cliënt benut worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1 wordt er gesproken over de directe verwijzing van jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In artikel 2.3, lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen. In lid 1 wordt directe verwijzer naar jeugdhulp beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregelen, als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet in het kader van de maatregel besluiten tot inzet van jeugdhulp. In het artikel wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikking maatwerkvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12 geeft de bepalingen weer betreffende de beschikking die de cliënt ontvangt bij een maatwerkvoorziening. Lid 1 stelt daarbij dat het college haar besluit altijd kenbaar maakt aan de cliënt door middel van een beschikking. Het besluit is een toekenning of afwijzing van de aanvraag. Ook een gedeeltelijke toekenning is hierbij mogelijk. Dit is bepaald in artikel 1.3 van de Awb, dat stelt dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (in dit geval het college) is, waarbij een beschikking een besluit van niet algemene strekking is, ongeacht of dit een afwijzing of een toekenning is. Met ‘van niet algemene strekking’ wordt bedoeld dat het een besluit betreft dat toegespitst is op de cliënt en de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 geven aan welke aspecten in ieder geval in een beschikking moeten worden opgenomen wanneer een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget. Kern van lid 2 en 3 is dat de cliënt die de beschikking ontvangt, helder heeft wat er precies is toegekend en welke rechten en plichten daarbij horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat er precies moet worden opgenomen in een beschikking als deze een afwijzing van de aanvraag bevat, is niet opgenomen in de verordening. Dit, omdat dit geregeld is artikel 3.46 en 3.47 van de Awb, waarin gesteld wordt dat een besluit moet berusten op deugdelijke motivering en dat deze motivering vermeld moet worden bij de bekendmaking van het besluit, in dit geval de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 sluit aan bij lid 2 en 3 met de bepaling dat het ook in de beschikking moet worden vermeld als een cliënt een eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 moet betalen. De Jeugdwet kent geen eigen bijdrage.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3:</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.1 Jeugd</h3>\n<p class=\"lf-p\">De in deze paragraaf genoemde artikelen vallen onder de jeugdwet, gericht op hulpverlening voor jeugdigen tot 18 jaar, met uitzonderingen zoals beschreven in artikel 21 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene voorzieningen Jeugd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 regelt de algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een beschikking van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 geeft aan dat het college nadere regels kan vaststellen over welke aanvullende algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorzieningen Jeugd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen en die alleen beschikbaar zijn als de algemene voorzieningen geen oplossing bieden. Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan maatwerkvoorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking staat. Deze voorzieningen zijn regionaal ingekocht, maar worden lokaal ingezet. Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college regionaal contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 t/m artikel 18 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer bij jeugdhulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze vergoeding bestaande cliënten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar in 2014 naast een behandeling in de GGZ ook vervoer werd vergoed door de zorgverzekeraar wordt dit vanaf 1 januari 2015 ook vergoed door de gemeente. Hiertoe dient er een melding gedaan te worden bij het Sociaal Team, onderbouwd met de aanvraag die is gedaan bij de zorgverzekeraar en het besluit hierop van de zorgverzekeraar. Het Sociaal Team geeft een beschikking af waarbij een inschatting wordt gemaakt van de totale kosten. Waar mogelijk kan het Sociaal Team inzetten op een nieuwe oplossing indien een passend aanbod gedaan kan worden op basis van reeds bestaande vervoersafspraken die door de gemeente(n) zijn gemaakt. Hierbij wordt voor eigen vervoer een tarief van € 0,19 per kilometer gehanteerd, voor de kilometers dat de jeugdige inzittende is van de auto. Een vervoersvoorziening kan worden toegekend indien een dergelijke voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Werkwijze vergoeding nieuwe cliënten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten moeten een onderbouwde aanvraag indienen voor vervoer bij het Sociaal Team Zuidplas. Daarbij dient te worden aangetoond dat binnen een periode van 12 maanden gereisd moet worden van en naar een locatie waar jeugdhulp geboden wordt. . Ook dient aangetoond te worden dat er niet een behandellocatie dichter in de buurt aanwezig is. Daarbij kan de gemeente het vervoer vergoeden tot een vastgesteld maximum als de cliënt bewust kiest voor een zorgaanbieder die verder weg is gevestigd waar er wel een vergelijkbaar zorgaanbod dichterbij beschikbaar is. Dit maximum wordt per casuïstiek vastgesteld door het Sociaal Team Zuidplas. Er wordt voor eigen vervoer een tarief van € 0,19 per kilometer gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf/logeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kortdurend verblijf wordt ingezet voor verzorgenden of mantelzorgers die permanente zorg leveren aan de jeugdige. Ontlasting van pleegouders door het inzetten van kortdurend verblijf wordt ingezet door de pleegzorgaanbieder en is dan ook een uitzondering op artikel 20.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Zestienjarige en voortzetting jeugdhulp na achttien jaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat een jeugdige die ondersteuning ontvangt die hij nodig heeft, maar ook dat er continuïteit is in de ondersteuning vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds wordt daarom met de jeugdige, waarvan verwacht wordt dat hij ook na zijn 18e jaar nog ondersteuning nodig zal hebben, gewerkt aan de voorbereiding op het moment dat hij 18 jaar (en dus meerderjarig wordt) en hij daarna in het kader van de Wmo 2015 die vervolgondersteuning ontvangt die hij nog nodig heeft. De aanvraag voor Wmo hulpverlening zal tijdig voor de leeftijdswisseling door de jeugdige zelf worden uitgevoerd. Eventuele voortzetting van specifieke vormen van jeugdhulp, waarin niet voorzien kan worden in het kader van de Wmo 2015, vindt in principe plaats tot uiterlijk het 23e levensjaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.2 Wmo</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene voorzieningen Wmo</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De bedoelde voorzieningen worden in het kader van de Wmo 2015 aangeboden door enerzijds het gemeentelijke sociale team en anderzijds de welzijnspartijen in de wijken. De voorzieningen zijn vrij toegankelijk en kunnen daarom beschikkingsvrij worden aangeboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning in de vorm van zorg, hulpmiddelen of aanpassingen kunnen gericht zijn op één of meer van de in het eerste lid genoemde diensten. Binnen deze diensten zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte. In het onderzoek wordt bepaald op welk gebied en in welke vorm er ondersteuning noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, bepaalt dat de raad bij verordening regelt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In het vijfde lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou gaan wonen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning door het sociaalteam of een verwijzing naar een algemene voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet schrijft voor dat de ondersteuning een passende bijdrage moet leveren aan de belemmeringen van de cliënt. Met andere woorden: de (maatwerk)voorziening moet een zo goed mogelijke bijdrage leveren aan de oplossing van de belemmeringen van de cliënt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Wanneer het college daarbij de mogelijkheid heeft te kiezen uit meerdere oplossingen, kiest het college voor de meest voordelige oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de toelichting bij artikel 31, ten aanzien van de keuze tussen de aanpassing van een woning of verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorzieningen, anders dan voor dienstverlening, kunnen in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt deze door het college ingekocht en aan de cliënt geleverd. Een maatwerkvoorziening in natura kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, sluit de cliënt daarvoor een bruikleenovereenkomst af.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 7 zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening die het college kan hanteren bij het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening. De criteria zijn echter niet voor alle situaties en voor alle maatwerkvoorzieningen relevant. De Wmo 2015 betekent maatwerk, zodat ook bij de toepassing van de criteria die in dit lid worden genoemd, maatwerk wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Dat betekent dat een cliënt binnen zijn vermogen (tijdig) die maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij zo lang mogelijk zelfredzaam is en kan participeren en geen beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub a Algemeen gebruikelijke voorzieningen en maatregelen kunnen niet worden verstrekt via een maatwerkvoorziening. Algemeen gebruikelijke kosten zijn bijvoorbeeld een maaltijdservice of een boodschappendienst. Maar ook voorzieningen die in de reguliere handel of bij een thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn of geleend kunnen worden. Of deze kosten algemeen gebruikelijk zijn, wordt beoordeeld in relatie tot de situatie en persoon van de cliënt. Zo is een fiets met trapondersteuning voor een jong kind niet algemeen gebruikelijk. Zie voor een uitgebreidere uitwerking van het begrip algemeen gebruik in de toelichting van artikel 8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub b Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor hemzelf of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht of rijbewijs heeft niet in aanmerking kunnen komen voor een aangepaste auto of een snelle scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub c Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en die voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet in aanmerking voor een nieuwe maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub d Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat dit niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub e De maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is gericht op het bereiken van resultaten: versterking of behoud van zelfredzaamheid en participatie staan daarbij centraal. Ook overige voorzieningen, zoals hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen, zijn vaak hierop gericht. De inzet van maatwerkvoorzieningen maakt onderdeel uit van een ondersteuningsplan, waar behalve de maatwerkvoorziening ook inzet van de cliënt wordt verwacht, gebruik van algemene voorzieningen of deelname aan bepaalde activiteiten. Als een cliënt weigert om aan het onderzoek en de opstelling van een dergelijk ondersteuningsplan mee te werken die het college noodzakelijk vindt voor het bereiken van de resultaatgebieden, of niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, kan dit tot gevolg hebben dat ook de maatwerkvoorziening wordt geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub f Als de noodzaak tot het vervangen van een verleende voorziening aan de cliënt te verwijten is, bijvoorbeeld omdat de voorziening niet op de juiste manier is onderhouden, cliënt roekeloos met de voorziening is omgesprongen of de cliënt zijn eerder verstrekte pgb niet op de juiste wijze heeft besteed, kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren. Maar ook als de cliënt bijvoorbeeld zonder goede redenen verhuist van een voor hem geschikte woning naar een woning die niet is aangepast aan zijn beperkingen, kan dit reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de dienst hulp bij het huishouden kunnen er meerdere resultaten worden gerekend. In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoon en leefbaar huis Dit betekent dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet de cliënt gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken, douche/toilet en gang. Om dit te realiseren is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat de vertrekken gedweild of gestofzuigd worden, de keuken schoongemaakt is en het bed verschoond wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzorgen van de buitenruimte, zoals de tuin of het zemen van de ramen aan de buitenzijde, behoort niet tot de reikwijdte van deze dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe vaak een en ander moet worden schoongemaakt, is afhankelijk van de aard en het gebruik van de ruimte. Ook kunnen er individuele omstandigheden zijn waardoor het schoonmaken vaker moet gebeuren. Bijvoorbeeld de allergieën die een cliënt heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over schone en draagbare kleding Een cliënt moet kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dat wil zeggen dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt en bovenkleding waar nodig ook gestreken. Ook zal de kleding weer opgevouwen en opgeborgen moeten worden in de kast. Het kan zo zijn dat de cliënt wel in staat is om de was in de wasmachine te doen, maar niet om de was op te hangen of te strijken. In dat geval hoeft niet voor alle onderdelen (volledige) ondersteuning geboden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden Het gaat er binnen dit resultaat om dat de cliënt kan beschikken over de noodzakelijke boodschappen voor levensonderhoud. Ook het verzorgen van de maaltijden valt hieronder. Als een cliënt geacht wordt om gebruik te maken van een voorliggende voorziening, zoals een boodschappendienst dan is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. In sommige gevallen dient de cliënt echter ondersteund te worden bij de boodschappen, bijvoorbeeld doordat de huishoudelijke hulp de boodschappen doet en deze opbergt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzorgen van maaltijden kan bestaan uit het verzorgen van een warme maaltijd, het opwarmen van een maaltijd, het verzorgen van een broodmaaltijd. Soms kan volstaan worden met het bestellen van warme maaltijden bij een maaltijdservice, of het deelnemen aan “open tafels” in de wijk. In andere gevallen zal de huishoudelijke hulp zelf een maaltijd moeten bereiden. Zowel in de wijze waarop, als de frequentie waarmee voorzien wordt in de warme maaltijd zijn diverse varianten mogelijk, afhankelijk van de situatie van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voeren van regie over het doen van het huishouden Het voeren van regie betreft het organiseren van het huishouden met als doel dat de cliënt weer in staat is het huishouden zelf te regisseren en (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorziening kan alleen toegekend worden aan leerbare cliënten. Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden. Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Huishoudelijke hulp toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze regeling wordt aan cliënten met een maatwerkvoorziening en aan mantelzorgers de mogelijkheid geboden - indien gewenst - uren in te kopen tegen een gereduceerd tarief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Individuele begeleiding wordt toegekend opdat de cliënt zo lang als mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dit is de achterliggende doelstelling als aan de cliënt de maatwerkvoorziening wordt toegekend. De begrenzing van deze Wmo-doelstelling wordt gevormd door artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeeld in welke mate de cliënt zelfredzaam is en of, en zo ja welke ondersteuning en in welke intensiteit het nodig is om de cliënt op een zo volwaardige manier te laten meedoen in de maatschappij. Uiteraard gaan hierbij de algemene voorzieningen voor op de maatwerkvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de individuele begeleiding gelden de volgende kernbegrippen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning is erop gericht dat cliënt door stimulans en/of toezicht in staat is om het (sociale) leven zelfstandig vorm te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning kan zich ook richten op het (tijdelijk) overnemen van taken tot en met het aanleren ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding is onder meer gericht op één of meer van de volgende resultaten: sociale activiteiten buitenshuis met als doel duurzaam sociaal contact en ontmoeting; structuur en veiligheid; ontlasten mantelzorger; het aanbieden van routine en structuur voor de dag; voorkomen van verwaarlozing/opname.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met als achterliggend doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de vertrekking van de maatwerkvoorziening dagbesteding is het mogelijk om een maatwerkvoorziening vervoer naar de dagbesteding te indiceren, indien een cliënt gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat de dagbesteding/dagbehandeling in de nabijheid van de woonomgeving is. De intensiteit van het vervoer is afhankelijk van de mate van het gebruik van de dagbesteding (aantal dagdelen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als bij de mantelzorger van de cliënt de balans tussen draagkracht en draaglast is verstoord of verstoord dreigt te raken, dan is er reden om voor cliënt logeeropvang of logeerverblijf buiten de thuissituatie mogelijk te maken. Dit kan plaatsvinden in een instelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening rolstoel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een rolstoel voorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rolstoelvoorziening is onder andere gericht op een of meer van de volgende resultaten: het kunnen bereiken van winkels; het kunnen onderhouden van sociale contacten; het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de cliënt; de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning; overige noodzakelijke verplaatsingen in kader van het leven van alledag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor maatwerk woonvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van een woonvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een woningaanpassing of een traplift. Daarnaast kan een maatwerkvoorziening worden toegekend zodat de cliënt zich in en om de woning kan verplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat het college het verhuisprimaat toepast, wordt een belangenafweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning. Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen en wordt er in ieder geval gekeken naar: de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; de beschikbaarheid van een woningen binnen een medisch aanvaardbaar termijn; sociale omstandigheden; gezinssituatie; afstemmingen met andere voorzieningen; werksituatie; verandering in woonlasten; is cliënt huurder of eigenaar van de woning; wooncomfort; de wil van cliënt om te verhuizen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het primaat van verhuizen is in ieder geval van kracht als de totale kosten voor het aanpassen van de woning hoger zijn dan €10.000,- of als er uit de belangenafweging voldoende argumenten zijn die voor verhuizen pleiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan over het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het aanpassen van de woning, waarbij er in de belangenafweging is geconstateerd dat verhuizen goedkoper en – eveneens – adequaat is: ECLI:NL:CRVB:2018:2602. Dit laat onverlet dat steeds de vraag moet worden beantwoord of met de toepassing van het primaat verhuizen in een concreet geval een passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 wordt geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het inadequaat verhuizen, waarmee cliënt voor hem geen passende oplossing heeft gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem. Hierdoor heeft cliënt geen recht op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting: ECLI:NL:CRVB:2018:702.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Raad onderstreept dat hij die woning niet overeenkomstig haar essentiële elementaire woonfuncties (niet in staat om de slaapkamer en natte cel te bereiken) kan bewonen. Dit betekent dat de woning, gezien de beperkingen, ongeschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (toe- en doorgang).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria maatwerkvoorziening vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving gericht op zelfredzaamheid en participatie. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld sociale contacten te onderhouden. De verplaatsingen kunnen betrekking hebben op de korte, de middellange en/of op de langere afstanden binnen de leefomgeving van de cliënt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor maatwerk sportvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorziening ziet op het kunnen uitoefenen van een sport en kan naast een andere vervoersvoorziening verstrekt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat is te participeren. Ook kan sportbeoefening bijdragen aan de zelfredzaamheid: het draagt bij aan de verbetering van de conditie en vertrouwen in zichzelf en kan eraan bijdragen dat de cliënt zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden (her)ontdekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet er sprake zijn van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. Bijvoorbeeld doordat hij een speciale sportvoorzieningen nodig heeft. Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor topsport of sport op hoog niveau geldt dat hiervoor sprake is van voorliggende mogelijkheden voor een sportvoorziening op basis van sponsoring en mogelijkheden via diverse fondsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Afschrijvingsperioden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 34 legt vast hoelang de gemeente Zuidplas het gebruik van een voorziening gebruikelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehanteerde afschrijvingsperiode wordt gebruikt voor het vervangen van de trapliften (standaard en preventief na 10 jaar).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen was een bepaling uit de nadere regels die nu in de verordening wordt vastgelegd. Het college verstrekt een tegemoetkoming voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, en een sportrolstoel op basis van dit artikel. Het betreft hier expliciete aantoonbare meerkosten. Daarnaast blijft uiteraard van belang dat bij de beoordeling vooraf wordt bekeken in hoeverre men in staat is zelf het een en ander te regelen of dat het in de betreffende situatie meer voor de hand ligt om een maatwerkvoorziening te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De extra kosten voor het toppakket collectieve ziektekostenverzekering is komen te vervallen omdat er geen onderscheid meer gemaakt wordt in de diverse pakketten van de collectieve ziektekostenverzekering. Meer informatie over de collectieve ziektekostenverzekering is te vinden op de website van VGZ: https://www.vgz.nl/ijsselgemeenten. Daarnaast staat er ook een nieuwsbericht op de website van de gemeente Zuidplas: https://www.zuidplas.nl/organisatie-en-bestuur/nieuws_46866/item/collectieve-ziektekostenverzekering-voor-minima-en-mensen-met-meerkosten_56491.html.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 36 regelt de bijdrage in de kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningen: de eigen bijdrage Wmo. Per 1 januari 2020 heeft het kabinet enkele wijzigingen doorgevoerd in het landelijke eigen bijdrage beleid, waardoor cliënten sinds 1 januari 2020 maximaal € 19.00 per maand betalen aan eigen bijdrage Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 maakt het mogelijk om de eigen bijdrage op nul euro vast te stellen als een cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding: een scheiding heeft grote impact emotioneel en financieel. Men blijft met minder inkomsten en even grote (soms grotere) uitgaven achter. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk: het verlies van betaald werk zorgt voor een grote terugval in inkomsten (30%), dit heeft gevolgen voor de betaalcapaciteit. Bij het verliezen van betaalde arbeid kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft een budgetmaatje: indien een cliënt een budgetmaatje heeft spelen er over het algemeen financiële problemen en is hij/zij bezig zijn financiële situatie te verbeteren (en dus ook zijn/haar betalingscapaciteit te vergroten). Deze situatie geeft aanleiding om tijdelijk de eigen bijdrage op nul te zetten. Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje wordt de eigen bijdrage voor 6 maanden op nul gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten: indien een cliënt in een schuldsaneringstraject zit is de betaalcapaciteit zeer beperkt. Door middel van dit traject is cliënt bezig om de situatie op te lossen. Dit geeft aanleiding om de eigen bijdrage op nul te zetten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet. (Dit vraagt afstemming met de GR IJsselgemeenten om de correcte termijn door te geven aan CAK) De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening Wmo wordt door het CAK vastgesteld en geïnd. De cliënt betaalt nooit meer aan eigen bijdrage Wmo dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het collectief vraagafhankelijk vervoer kent pieken in vervoersbewegingen gedurende de dag. Aan reizigers die buiten deze pieken reizen wordt een ander tarief berekend aan reizigersbijdrage van aan reizigers die binnen deze pieken willen reizen. De tijdsblokken waarin de reizigersbijdrage hoger is zijn tussen 7.00 en 9.00 uur en tussen 14.00 en 16.00 uur. Dit zijn daarmee niet de spitstijden zoals het openbaar vervoer deze kent, maar de spitstijden die binnen het collectief vraagafhankelijk vervoer worden gezien. De reizigersbijdrage wordt voldaan aan de vervoerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Blijk van waardering voor mantelzorgers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een uitwerking van de verplichting in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 om in de verordening te bepalen op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de manier waarop mantelzorgers in aanmerking kunnen komen voor deze waardering geregeld. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen via een melding bij het college in aanmerking komen voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerste lid). Het tweede lid bepaalt waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat, namelijk: een jaarlijkse activiteit en praktische ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van artikel 37 wordt gedaan door het mantelzorgsteunpunt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 geeft aan dat de gemeente Zuidplas een pgb verstrekt op basis van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, in de Wmo 2015 en in de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit artikel wordt geregeld op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer cliënt naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening, en hij vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, zijn er aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-budgetplan, waarmee de cliënt zijn aanvraag voor een pgb moet indienen. In het tweede lid wordt bepaald wat er in het pgb-budgetplan dient te zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de motivering in het pgb-budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe en waarom men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 wordt gesproken van professionele ondersteuning (instellingen en zzp’er). Een zzp’er is een zelfstandige zonder personeel, die niet in loondienst is van een professionele organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder valt alle hulpverlening geboden door personen en bedrijven in het bezit van een KVK met betrekking tot de uitgevoerde ondersteuning. In artikel 40 van de verordening staan verdere voorwaarden beschreven om als professional te kunnen worden aangemerkt. Daarnaast wordt er gesproken van ondersteuning binnen sociaal netwerk. Onder het sociaal netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, zoals besproken in artikel 41 van de verordening De in het vierde lid van dit artikel bedoelde wettelijke verlenings- en weigeringsgronden staan voor wat betreft de Wmo 2015 in artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid en wat betreft de Jeugdwet in artikel 8.1.1, tweede en vierde lid. Het college verleent, dan wel weigert binnen deze en de overige in artikel 3.4.1 vermelde criteria een persoonsgebonden budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de bepaling onder ad d wordt verhinderd dat een cliënt beïnvloed en/of onderdruk wordt gezet door zijn omgeving om de via een pgb verstrekte zorg bij een specifieke zorgaanbieder in te kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 5 wordt beschreven dat het college van de cliënt een schriftelijke machtiging en verklaring verlangt. De machtiging houdt in dat cliënt schriftelijk aangeeft wie degene is die hem vertegenwoordigt. De schriftelijke verklaring houdt in dat zowel de cliënt als budgethouder, als diens vertegenwoordiger zich ten opzichte van het college en de cliënt verplichten tot het op juiste en verantwoordelijke wijze beheren van het pgb. De verklaring dient tevens als instrument ter bewustwording van cliënt en vertegenwoordiger van de rechten en plichten die een pgb met zich brengt In het in lid 6 wordt er een nadere uitleg gegeven over de criteria waarop een budgethouder niet in staat wordt geacht om de aan een pgb verbonden taken uit te voeren en een pgb kan worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 7 wordt er omschreven dat het college van de budgethouder verlangt dat in de tussen evaluatie in wordt gegaan op de tot dan toe behaalde resultaten en de aan het pgb verbonden voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 gaat in op de besteding van het pgb in het buitenland. (Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college toetst of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen doelen, alsmede of de kwaliteit is gewaarborgd. Hierbij zal de geleverde zorg moeten voldoen aan de randvoorwaarden van de Wmo en de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 9 wordt er ingegaan op de weigeringsgronden van een pgb. Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4 of ambtshalve maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 10 vijfde lid, is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning op basis van een vraagverhelderingsonderzoek. In zo’n geval is de ondersteuning voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b: Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die hem helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is cliënt hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hij ook zelf de keuze maakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb vertegenwoordiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een cliënt niet zelf tot het beheer van zijn pgb in staat is of nog niet de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, waardoor een situatie van (wettelijke) vertegenwoordiging aan de orde is, moet worden gewaarborgd dat de vertegenwoordiger die de cliënt ondersteunt hiertoe daadwerkelijk in staat is en dit vanuit zuiver hulpgedreven motieven doet. Hierbij gelden in ieder geval dezelfde contra-indicaties als voor de budgethouder zelf. De mogelijkheid dat er een ongewenste belangenverstrengeling tussen vertegenwoordiger en pgb-hulpverlener(s), danwel een ongewenste (financiële) afhankelijkheidsrelatie ontstaat, dient te worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden is een aantal aanvullende voorwaarden c.q. weigeringsgronden aan de vertegenwoordiging opgenomen. In principe mag de uitvoerder van de ondersteuning niet degene zijn die vertegenwoordiger is, aangezien de objectiviteit van de te beoordelen kwaliteit van de ondersteuning dan niet aanwezig is of andere, niet hulpgedreven overwegingen een doorslaggevende rol kunnen gaan spelen. Dit betekent onder andere dat bij minderjarigheid van de cliënt, vanwege de automatische vereniging van rollen van inkoper en uitvoerder van een (informeel) persoonsgebonden budget, een dergelijk pgb aan een ouder in beginsel niet mogelijk is. Slechts bij hoge uitzondering kan hier door het college van worden afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb professional</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis in het tweede lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één gezin, één plan, één regisseur” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb sociaal netwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet specifiek op de situatie dat hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Uitgangspunt is, dat huishoudelijke hulp door een persoon uit het sociale netwerk is niet aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger zodat het verstrekken van een pgb hiervoor niet voor zal komen. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Het blijft altijd om maatwerk gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van een pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 42 is bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld. Uitgangspunt is dat met een pgb een maatwerkvoorziening wordt ingekocht. Welke maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening en het opgestelde ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Vervolgens wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening bepaald. Wanneer meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk zijn, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening gehanteerd als bedoeld in artikel 8 lid 3 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder lid 3 is bepaald, dat het pgb toereikend moet zijn om aan de wettelijke kwaliteitseisen te kunnen voldoen. Wanneer sprake is van onderhoud en verzekeringen wordt hiervoor eveneens een pgb vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 tot en met 12 bepalen op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Hiermee wordt aangesloten bij de al geldende regels uit voorgaande verordeningen Wmo en Jeugdhulp. Voor de berekening van een pgb wordt onderscheid gemaakt tussen een beroepskracht die voor een zorgorganisatie werkt (lid 7) of een beroepskracht die als zzp’er werkt (lid 9). Uitgangspunt is, dat een zzp’er minder of geen overheadkosten heeft. Dit komt tot uiting in de berekeningswijze van respectievelijk 100% voor hulpverlener instelling en 75% voor zzp’er.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het college heeft bepaald dat een pgb mag worden aangewend voor het inkopen van begeleiding bij een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt, dan wordt het uurtarief gebaseerd op het uurtarief zoals deze in de Wet Langdurige Zorg wordt gehanteerd inclusief de kosten voor een VOG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span><span class=\"lf-art-t\">Besteding en verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De besteding van het pgb dient te geschieden binnen de afspraken die daarvoor met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit het goedgekeurde pgb-budgetplan en hiernaar zal worden verwezen in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij kunnen ook verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de besteding, de termijn waarbinnen een pgb moet zijn besteed, het nakomen van verplichtingen in relatie tot het trekkingsrecht en verantwoording van het pgb. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit op basis van te overleggen documenten, zoals een factuur of overeenkomst met de zorgleverancier. Voor de eenmalige pgb’s doet het college dit namens de SVB</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen leerlingenvervoer</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke plicht De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren, dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening is deze grens vastgesteld op zes kilometer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand, te weten € 502 (schooljaar 2020-2021). Dit bedrag wordt jaarlijks op 1 april aangepast met de wijziging die het indexcijfer voor de gezinsconsumptie heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Wanneer er twee of meer kinderen uit één gezin tegelijk per eigen auto vervoerd worden en er om die reden éénmaal kilometervergoeding wordt uitbetaald, wordt het drempelbedrag per gezin in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de draagkracht en wordt per gezin geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verschil gemaakt tussen bepalingen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Dit zijn verschillende paragrafen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>begeleiding Een leerling kan begeleiding tijdens het vervoer nodig hebben van een ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden. Onder deze begeleiding wordt de fysieke begeleiding van de leerling verstaan, met andere woorden het meereizen. Onder begeleiding wordt niet verstaan bijvoorbeeld assistentie van de leerling door middel van app op telefonisch contact.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd begint.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer. Hierbij geldt de toelatingsleeftijd (artikel 39, eerste lid van de WEC) van 4 jaar, met uitzondering van cluster 2: toelatingsleeftijd is dan 2 jaar. Lid 4 van artikel 39 van de WEC bepaalt de leeftijd van het verlaten van het VSO, namelijk uiterlijk aan het einde van het schooljaar waarin de leerling 20 is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en dat leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en – voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of overplaatsing naar reguliere scholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient eerst op overeenstemming gericht overleg (hierna: OOGO) te hebben plaatsgevonden met het college van de gemeenten die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn gelegen (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>opdc Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. In de verordening is de begripsomschrijving uitgebreid met ‘veerdienst’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. Een aanvraag kan ook worden ingediend door een meerderjarige handelsbekwame leerling. Daar waar in de verordening gesproken wordt over ouders, wordt ook deze leerling bedoeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om te bepalen of een leerling die met het openbaar vervoer naar school kan reizen in aanmerking komt voor aangepast vervoer. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan een bepaalde tijd onderweg is, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c en d, en artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b). De reistijd wordt berekend aan de hand van de website 9292.nl waarbij er een looptijdcorrectie voor kinderen onder de twaalf jaar wordt gebruikt, gezien het feit dat zij langzamer lopen dan een volwassene. De looptijdcorrectie is: reistijd gedeeld door twaalf maal zeventien. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Deze tijd wordt dan ook uitgesloten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">De reistijd wordt berekend aan de hand van de schooltijden die vermeld staan in de schoolgids of bij voortgezet onderwijs aan de hand van het rooster van de betreffende leerling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>samenwerkingsverband Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.</div>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor speciaal onderwijs en/of voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2°: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>stage Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC).</div>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school.</div>\n<p class=\"lf-p\">In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WVO kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Hierbij geldt als uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>woning Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span><span class=\"lf-art-t\">De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 45 bepaalt dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de ouders/verzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde lid van artikel 45 is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 geeft het college de mogelijkheid om ouders te wijzen op andere mogelijkheden dan bijvoorbeeld het aangepast vervoer. Hierbij kan gedacht worden aan het attent maken op de mogelijkheid om leerlingen zelf, en wellicht ook in samenwerking en gezamenlijkheid met andere ouders naar school te brengen. Hierbij worden geen gegevens van ouders uitgewisseld, tenzij ouders hebben aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben.”</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. In de verordening zijn deze bepalingen verankerd in artikel 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Dit is de ANWB routeplanner, gemeten langs de kortste route per fiets. Hierbij is het niet relevant of de betreffende leerling daadwerkelijk kan fietsen of gebruik zal gaan maken van de fiets. Wanneer de gemeten afstand dicht rond de kilometergrens ligt (te weten vanaf 5,8 tot en met 6,0 kilometer) dan wordt de afstand gecheckt bij andere routeplanners.</p>\n<p class=\"lf-p\">De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg, volgens een uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr. R03.88.7309).</p>\n<p class=\"lf-p\">De route hoeft ook niet voor de betreffende leerling voor wie de aanvraag gedaan wordt toegankelijk te zijn. Het gaat erom dat de route in zijn algemeenheid toegankelijk is waarbij de leerling niet perse als zelfstandig verkeersdeelnemer gezien wordt. Het gaat erom dat een leerling onder begeleiding gebruik kan maken van de gemeten route (uitspraak van de ABRvS, 12 juli 2006, nr LJN AY3674).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richting Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen etc. Voor het bepalen van de richting moet de BRIN registratie geraadpleegd worden (ECLI:NL:RVS:2014:1119).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring Op grond van artikel 46, derde lid, dienen ouders van een leerling die een school bezoekt die op grotere afstand is gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling passende scholen bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening schriftelijk aan te geven dat zij gekozen hebben voor deze school. Het college is niet gerechtigd deze verklaring inhoudelijk te verifiëren (Uitspraak Raad van State (2020:2467).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend onderwijs Rol samenwerkingsverband De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld, is een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar de leerling is aangemeld, niet zelf in de benodigde onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de verantwoordelijkheid van deze school om een andere school te vinden die wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de leerling binnen het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod op het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of een school zelf in de benodigde ondersteuning kan voorzien, vormt het schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin - onder meer – wordt aangegeven welk niveau van basisondersteuning voor elke school geldt, hoe de scholen met elkaar een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen hebben gecreëerd, op welke wijze verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen bepaalde ondersteuning kunnen bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op overeenstemming gericht overleg met gemeenten In de wet is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het concept van het ondersteuningsplan OOGO voeren met de gemeente(n). Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente, behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien is de gemeente per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het leerlingenvervoer is een van de thema’s die bij het OOGO ter sprake kunnen komen. In het ondersteuningsplan wordt aangegeven op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke tussenvoorzieningen er zullen worden gecreëerd. Hiervan is een helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én bij de voorbereiding daarvan met de scholen in gesprek. De partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de hoogte. Uit het bovenstaande volgt logischerwijs dat de gemeente bij de beoordeling van een aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan betrekt, zoals is vastgelegd in het vierde lid van artikel 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen voor cluster 1 en cluster 2 Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: de instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven, vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de hand van criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op begeleiding vanuit de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De school is vol Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is, heeft geen zorgplicht voor de leerling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dislocaties en nevenvestigingen Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging, dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de verordening moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht, kan worden aangemerkt als ‘school’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stage Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan tijdens het overleg scholen erop attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect dan mee laten wegen door een stageplek te zoeken zo dicht mogelijk bij huis, of op de route van het leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Symbiose Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet Soms wordt op 1 locatie behandeling vanuit de Jeugdwet gecombineerd met onderwijs. Het vervoer van de betreffende leerling valt onder het leerlingenvervoer als er 50% of meer tijd van de schoolweek aan onderwijs wordt besteed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span><span class=\"lf-art-t\">Toekenning vervoersvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om enige beleidsruimte te creëren is in artikel 47 bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 47 geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingangsdatum Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 47, tweede lid). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente, zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De gemeente stelt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Wanneer het gaat om een verklaring dat een leerling niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer kan reizen, dient er in de verklaring ingegaan te worden op de vraag of de betreffende leerling wel onder begeleiding gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer. Een verklaring die aangeeft dat een leerling niet zelfstandig kan reizen en om die reden is aangewezen op aangepast vervoer is niet voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug of verzoekt om het verstrekken van aanvullende gegevens. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 48, derde lid, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken een beslissing neemt., mits alle voor de beoordeling benodigde stukken ontvangen zijn. Mocht lid 2 van dit artikel van toepassing zijn en heeft het college ouders om aanvullende informatie of stukken verzocht, dan wordt de beslistermijn in dat geval vanaf de dag van de opschorting als het ware bevroren tot het moment dat de stukken zijn ingeleverd. Het aantal dagen dat de aanvraag bevroren is, wordt bij de beslistermijn opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslistermijn Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven, in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdaging Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen (artikel 48, vierde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 48 zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaar en beroep Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. Het is niet meer mogelijk om tegen niet tijdig beslissing bezwaar in te stellen. Er dient in gebreke gesteld te worden. Wanneer na de ingebrekestelling binnen 2 weken niet alsnog besloten is, dan gaat de dwangsom lopen en kan iemand direct in beroep wegens niet tijdig beslissen. In dit geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar In de verordening wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend. Het is van belang dat de aanvraag wordt ingediend zodra bekend is welke school de leerling gaat bezoeken. Rekening houdend met de behandeltermijn van 8 weken na ontvangst van de aanvraag is het aan te raden de aanvraag voor 1 juni bij de gemeente in te dienen. Op die manier is de aanvrager er zeker van dat er voor aanvang van het nieuwe schooljaar een beslissing op de aanvraag is genomen en er, in het geval van toekenning aangepast vervoer, tijd is om aangepast vervoer te regelen ingaande de eerste schooldag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49</span><span class=\"lf-art-t\">Peildatum leeftijd leerling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar elf jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als elf jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar twaalf jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 50</span><span class=\"lf-art-t\">Andere vergoedingen</span></h4></div>", "next": 239579}