{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken cliënt Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken huishouden Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken woning Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.4Minder inzet dan volledige overname/afschalen In september 2022 zijn nadere instructies toegevoegd voor het toepassen van het Normenkader HHM 2019 over onder meer het afschalen of minderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week bij volledige overname. Het gaat ook over de mogelijkheid om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen mogelijkheden (eigen kracht) Uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat leefbaar huis te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp Bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wasverzorging Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 17 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.5Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten) Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt.</p>\n<p class=\"lf-p\">30 of 60 minuten Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede keer In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera. Het college kan overwegen of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.6Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer) Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader. Bijvoorbeeld voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.7Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote bijkeuken Een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede badkamer Wordt deze niet (noodzakelijkerwijs) gebruikt als badkamer, dan wordt de ruimte aangemerkt als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Separaat toilet boven Als er geen toilet in de badkamer zit is dit een onderdeel van ‘het sanitair boven’ en vergt geen extra tijdsinzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kantoor Als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dat valt niet binnen de Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote kelder Dit wordt afgewogen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.8Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp) In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer personen in leefeenheid Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er MINDER dan volledige overname of MEER dan volledige overname moet worden ingezet. De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.9Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken) De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88). Maar het hebben van huisdieren kan leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. In geval van een hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw overweegt het college dat (RBGEL:2018:1741). Zie de mogelijkheid tot opplussen in Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels. Heeft de cliënt huisdieren, anders dan een hulphond, dan geldt in het algemeen dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.10Strijken en boodschappen Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar (zie 6.14.1 van deze beleidsregels). Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.11Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken?</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.12Afronding van de indicatie Nadat alle te bereiken resultaten zijn beoordeeld wordt het totaal aantal minuten per week afgerond op 5 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Begeleiding en dagbesteding Artikel 4.3 en 4.4 Verordening 7.1Inleiding Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding en dagbesteding wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Dagbesteding is een vorm van begeleiding, waarbij sprake is van structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt, anders dan arbeid of onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Algemene uitgangspunten De ondersteuningsvraag/behoefte van de cliënt staat centraal. Deze wordt integraal bekeken waarbij de verschillende leefgebieden worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning is laagdrempelig en dichtbij en is ontwikkelingsgericht, gericht op stabilisering en waar mogelijk, herstelgericht. Er wordt ingezet op o.a. reablement (herstelgerichte zorg en ondersteuning), met als doel dat mensen vaardigheden (weer) aanleren zodat ze zich langer zelfstandig kunnen redden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gestuurd op doelen, casusregie en tussentijdse resultaatevaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Begeleiding individueel Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus. De volgende uitgangspunten zijn voor begeleiding individueel van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand, bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld dagbesteding, is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.1Begeleiding individueel basis Begeleiding individueel basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.2Begeleiding individueel plus Begeleiding individueel plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.3Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus Basis Plus De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig Met een positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de cliënt tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de cliënt een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken tot juiste beslissingen komen Met een intensieve en proactieve benadering komt de cliënt tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de cliënt de risico’s niet en maakt de cliënt beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken De cliënt is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de ondersteuner.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de ondersteuner aan te nemen. De cliënt trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De ondersteuner moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de cliënt de resultaten te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden De cliënt heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en/of escalaties Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag Er zijn afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de cliënt is dit voldoende om de resultaten te behalen zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een structureel terugkerend patroon van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Maatwerkvoorziening dagbesteding Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet van dagbesteding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de cliënt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met andere ondersteuning, bijvoorbeeld begeleiding individueel is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.1Dagbesteding basis Dagbesteding basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2Dagbesteding plus Dagbesteding plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.3Uitwerking kenmerken dagbesteding basis en plus Basis Plus De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig De cliënt heeft een positieve benadering en aanmoediging nodig om tot activiteit te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gestructureerd programma aangevuld met een instructie of voorbeeld is voldoende voor de cliënt om een taak te volbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft een aanmoediging nodig om mee te doen in het groepsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de cliënt een haalbare vaardigheid eigen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft om tot activiteit te komen een intensieve en proactieve benadering nodig, die gericht is op motiveren, inspireren en activeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is aan de te behalen resultaten) is bij herhaling sturing en/of toezicht nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft moeite om mee te doen met het groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsproces en de cliënt zelf. De cliënt heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de cliënt. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen De cliënt heeft beperkt inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft een realistisch of beperkt realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft beperkt of geen realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of passiviteit te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de ondersteuner op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de cliënt aan de dagbesteding. De cliënt verstoort het groepsproces niet of nauwelijks.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige gedragsproblematiek heeft consequenties voor de deelname van de cliënt en/of groepsleden. Er is ondersteuning nodig om dit te compenseren. - De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen - Bij een cliënt ontstaan grote problemen door kleine (dagelijkse) veranderingen buiten de vaste structuur. Het lukt de cliënt niet om zich aan te passen aan deze kleine veranderingen. Hierdoor raakt de cliënt bijvoorbeeld in de stress, wordt emotioneel, of kan zich op een andere manier niet meer beheersen 7.4.4Dagbesteding en vervoer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder dagbesteding kan tevens het noodzakelijke vervoer vallen zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding. De cliënt die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van en naar de locatie te reizen waar de groepsondersteuning wordt geboden, kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder hulp van anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak van vervoer op basis van art. 4.4 lid 6 Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Wonen en zich in en om de woning verplaatsen Artikel 3.4, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 Verordening 8.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Bij de beoordeling van de aanvraag kunnen beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde zijn. In dat kader wordt opgemerkt dat in de verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De verordening bepaalt dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing, traplift of andere huislift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is art. 16 Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt art. 2.3.7 Wmo 2015 dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in art. 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van art. 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Dat betekent ook dat het college, voordat wordt besloten op de aanvraag, moet beoordelen of het plaatsen van bijvoorbeeld een traplift niet in strijd is met andere wet- en regelgeving (CRVB:2024:1511).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Hoofdverblijf Artikel 4.6 lid 1 onder b en lid 3 Verordening Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen hoofdverblijf Er zijn twee uitzonderingen. De eerste geldt in het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen van de (co)ouders. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situatie kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is, omdat die kan worden meegenomen naar de woning waar het kind verblijft. Alleen in de situatie van co-ouderschap kunnen dus in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, Dit kan niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen (waarbij het kind bij de ene ouder slechts op bezoek gaat). Een tweede uitzondering gaat over het bezoekbaar maken van de woning. De verordening bepaalt voor wie het bezoekbaar maken van de woning is bestemd en wat daaronder valt (art. 4.9 Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4Langdurige noodzaak Artikel 4.6 lid 2 Verordening Gelet op de mogelijk hoge kosten van woningaanpassingen of het aanbrengen van een (trap)lift speelt ook de onomkeerbaarheid een rol bij deze bepaling. De Verordening bepaalt dat sprake moet zijn van een langdurige noodzaak om tot verstrekking van een woningaanpassing of een traplift of andere huislift over te gaan. Wat onder langdurig wordt verstaan is afhankelijk van de individuele situatie en ter beoordeling aan het college. Het gaat er in ieder geval wat in redelijkheid van de client mag worden verwacht zodat vooralsnog geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt. Het kan bijvoorbeeld gaan om een tijdelijke herinrichting van de woning of het gebruik van een hoog-laag bed (Zorgverzekeringswet) op de begane grond. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 4.6 lid 4 Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 lid 1 verordening. Dat een maatwerkvoorziening, zoals een bad, een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelenzorg Een cliënt die thuis gebruik maakt van hemodialyse, kan aanspraak maken op een vergoeding voor noodzakelijke woningaanpassingen en de redelijk te achten kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen (water, elektriciteit, enz.) op grond van de Zorgverzekeringswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten Artikel 4.6 lid 4 Verordening De Verordening bepaalt hoe het college om gaat met het verstrekken van maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. Er zijn een limitatief aantal maatwerkvoorzieningen genoemd. De brandveiligheid kan ook een rol spelen (CRVB:2022:2441). Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7Doelgroepengebouw Artikel 4.6 lid 6 Verordening Als het college vaststelt dat de cliënt een woning of wooncomplex bewoond waarvan verwacht mag worden dat deze geschikt voor de bewoners aan wie wordt verhuurd of verkocht, dan verstrekt het college geen woningaanpassingen of hulpmiddelen. Het gaat om een te verwachten ondersteuningsbehoefte als bedoeld in de Wmo 2015 of een zorgbehoefte als bedoeld in de Wet langdurige zorg (vergelijk CRVB:2008:BD0268).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8Primaat van verhuizen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het college het uitgangspunt van de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij de noodzaak van een woningaanpassing en/of een traplift. Om te voorkomen dat bij relatief lage kosten het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de meest geschikte beschikbare nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn, geldt als uitgangspunt de maximale hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die dan toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 3.4 lid 3 verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Daarvoor zijn de afwegingsfactoren in 8.4.1 van deze beleidsregels ook van belang. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat het college, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRVB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Hier kunnen hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zal misschien zelfs niet meer geschikt zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangevraagde woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. c Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot een slechtere bereikbaarheid van voorzieningen voor de cliënt dan geldt voor de huidige woning. Denk aan: apotheek, huisarts, supermarkt, bibliotheek etc. Het college weegt dit aspect mee bij de beoordeling of het verhuisprimaat kan worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een substantiële stijging van de woonlasten die verbonden zijn aan de woning waar de cliënt naar moet (kan) verhuizen (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. De huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs aanvaardbaar is. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers, iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan ook gaan om een huurwoning in de vrije sector of een koopwoning. Daarvoor gelden dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn, hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Dat beoordeelt het college op basis van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen, worden de netto woonlasten van de eigen woning als volgt berekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9Specifieke criteria Art. 4.7 van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verstrekken van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geen dringende reden is om te verhuizen (bijv. CRVB:2023:731).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning (bijv. CRVB:2019:290).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning (CRVB:2003:AM5445).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag gericht is op het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10Rechtstreeks oorzakelijk verband Artikel 4.7 lid 3 Verordening Woonvoorzieningen, waaronder een financiële tegemoetkoming voor verhuizen, zijn alleen bedoeld voor ondervonden problemen die in direct verband staan met de bouwkundige of woontechnische aspecten van de woning zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor het gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling van de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers, de mogelijkheden van de cliënt/het kind, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, de beschikbare ruimte, de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de \"natte cel\" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12Kindvoorzieningen Het verstrekken van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielers Het college kan een driewieler verstrekken die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt ook hier of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Het gaat vaak om hulpmiddelen die op grond van de Zvw verstrekt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13Zich verplaatsen in en om de woning Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans worden deze rolstoelen gebruikt als men zich naar elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering In bijzondere situaties kan wel een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verstrekt. Dat is het geval als een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de zeer korte vervoersafstanden. Dan is er sprake van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Zo’n cliënt is aangewezen op een incidenteel te gebruiken rolstoel om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt structureel niet in staat is om zeer korte afstanden zelfstandig, al dan niet met een loophulpmiddel, af te leggen. Deze zogeheten transportrolstoel kan worden meegenomen in de maatwerkvoorziening collectief vervoer of in de eigen auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik Het gebruiksgebied De aandrijving door middel van het eigen lichaam door het bedienen van een aandrijfmechanisme voortduwen door anderen De zithouding en de eisen aan de ondersteuning De meeneembaarheid Antropometrische gegevens 9Deelname maatschappelijk verkeer Artikel 3.4 en 4.10 Verordening 9.1Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. De Verordening bepaalt wat onder lokaal wordt verstaan. Het lokale vervoer moet aansluiten op Valys. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand. Voor de langere afstand hanteert het college in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Daaronder valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Tijdens het onderzoek na de melding van de hulpvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en wat de noodzakelijke lokale vervoersbehoefte is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Beleidsuitgangspunten Het college hanteert de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een fiets of brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat het kunnen bereiken van het openbaar vervoer ook afhankelijk is van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellen vervoersbehoefte Het college stelt de vervoersbehoefte vast van de cliënt. Daarbij kan het nodig zijn om rekening te houden met kinderen die (op grond van leeftijd of beperking) afhankelijk zijn van de cliënt. Maar ook van die kinderen zelf. Denk aan ouders met gehandicapten kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang in kilometers Uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan afwijken van deze norm, gelet op de vervoersbehoefte van de cliënt. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(en) kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen mogelijkheden van de cliënt. Denk ook aan de hulp van de huisgenoot in het kader van gebruikelijk hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van 1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen (bijv. CRVB:2020:2644).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vervoersvoorzieningen die geschikt zijn voor de korte en/of middellange afstand gaat het college er in het algemeen van uit dat daarmee voor 750-1000 kilometer op jaarbasis kan worden voorzien in de vervoersbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medisch vervoer Onderdeel van een lokale vervoersbehoefte kan een ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met de maatwerkvoorziening collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen, vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Voor zover geen aanspraak bestaat op medisch vervoer op grond van de Zvw, valt het 'medisch' vervoer onder de Wmo 2015 (CRVB:2010:BL4037). Denk bijvoorbeeld aan het bezoek aan de huisarts of specialist in het ziekenhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere wettelijke aanspraak Volgens de verordening is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In zo’n geval behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een feitelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of waarvan het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kunnen verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35 lid 3 WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015, net als onder de Wmo (oud), niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3Primaat maatwerkvoorziening collectief vervoer De maatwerkvoorziening collectief vervoer is collectief aanvullend openbaar vervoer en kan bestaan uit zowel een collectieve maatwerkvoorziening maar ook uit individueel (rolstoel)taxivervoer. Of gebruik van deze maatwerkvoorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage, is eerst afhankelijk van de vraag of de cliënt daar - medisch gezien - gebruik van kan maken. Verder is het afhankelijk van de vraag of de maatwerkvoorziening collectief vervoer gelet op de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen geschikt is. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen waarmee de maatwerkvoorziening collectief vervoer voor de korte afstand een passende bijdrage kan zijn (vergelijk CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage. In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491 en CRVB:2019:3669). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen (CRVB:2018:1643).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat de maatwerkvoorziening collectief vervoer niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101 en zie CRVB:2018:1487). Betreft het een minderjarig kind met beperkingen, dan kan het college een uitzondering maken op het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding nodig Het spreekt voor zich dat bezien moet worden of de cliënt (medisch gezien) gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer, al dan niet met begeleiding. De begeleider kan gratis toegang krijgen. als de cliënt door zijn medische beperkingen de rit niet alleen kan afleggen. Het gaat in deze situaties letterlijk om vervoer van deur tot deur. Dat betekent ook dat de cliënt zonder begeleider geen toegang krijgt tot de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Naast een medisch begeleider (die gratis meereist) mag een cliënt één persoon meenemen als ‘sociaal’ begeleider; deze laatste reist tegen het gereduceerde tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hardheidsclausule Om af te wijken van het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan onder zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast. Het gaat er dan om dat er bij de cliënt ten opzichte van de personenkring die gebruik maakt (moet maken) van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen waarom het college onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van het primaat. Deze omstandigheden moeten door de cliënt worden gesteld en zonodig desgevraagd worden onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ritbijdrage en reserveringstoeslag maatwerkvoorziening collectief vervoer Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Dit zijn algemeen gebruikelijke kosten. Gebruikers van de maatwerkvoorziening collectief vervoer zijn in dat kader een zogeheten ritbijdrage verschuldigd en mogelijk een reserveringstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan weliswaar aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Naast de maatwerkvoorziening collectief vervoer gaat het om vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel, bijzondere fietsvoorziening, of autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers, de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel, er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets, de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage), de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest), er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moet op een adequate wijze gebeuren. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. Het college kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen mogelijkheden Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het (veilig) stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektrische fiets Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit op grond waarvan hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Maar het college beoordeelt ook of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan namelijk goedkoper zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maken het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een bijzondere fiets gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar in ieder geval als algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt gelet op de hoogte van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Autoaanpassingen Autoaanpassingen zijn erop gericht lokale verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dat wil zeggen dat het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer bij hen niet kan worden toegepast. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Het gaat om situaties waarin de cliënt auto aanschaft en het college verzoekt om de aanpassingen van die auto. Het ligt op de weg van de cliënt om een geschikte auto te kiezen in een prijsklasse die voorziet in bijvoorbeeld een cruisecontrol (CRVB:2009:BK1515). Voor deze aanpassingen kan in geen beroep worden gedaan op de Wmo 2015 als gebruik kan worden gemaakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer (vergelijk CRVB:2011:BU7172).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich lokaal verplaatsen én is de maatwerkvoorziening collectief vervoer (waaronder individueel taxivervoer) geen passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner; diens auto wordt dan beoordeeld op noodzaak tot aanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is nog ten minste zeven jaar te gebruiken moet zijn. Daarvoor doet het college onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder speelt het aantal kilometers dat met auto is gereden een rol. Is er al 100.000 kilometer of meer mee gereden, dan is een autoaanpassing meestal niet meer verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fondsenwerving Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de cliënt daar op is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Immers ligt het niet voor de hand dat het college daarvoor een auto of een bus als maatwerkvoorziening moet verstrekken. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met het college contact te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5Bovenlokaal vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Dat betekent ook dat het onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de lokale verplaatsingen. Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OV-zones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig (aan te vragen bij Valys).</p>\n<p class=\"lf-p\">10Financiële tegemoetkoming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Financieel besluit 10.1Inleiding Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de wet ruimte biedt om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken (CRVB:2018:395 en 396).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringspraktijk Het gaat in de praktijk om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Een voorbeeld: Een cliënt zal op grond van de wet niet snel zijn aangewezen op een bruikleenauto. Maar de cliënt kan wel voor het lokale vervoer wel zijn aangewezen op zijn eigen auto en daarvoor is brandstof nodig. Die zal het college niet in natura kunnen verstrekken. De tegemoetkoming kan op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2Kosten gebruik eigen auto De cliënt die in het bezit is van een eigen auto en geen gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening collectief vervoer kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Het gaat om de cliënt die eigenaar is én bestuurder van de auto of waarvan de partner bestuurder is. Heeft de cliënt geen eigen auto, dan is het mogelijk om een financiële tegemoetkoming te verstrekken als de cliënt afhankelijk is van vervoer door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale en samenvallende vervoersbehoefte De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de lokale vervoersbehoefte van de cliënt. Daarnaast spreekt het voor zich dat de samenvallende vervoersbehoefte van echtgenoten of daarmee gelijkgestelden een rol speelt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt daarop afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3Individueel (rolstoel)taxi vervoer Onder de maatwerkvoorziening collectief vervoer valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Het spreekt voor zich dat cliënten hier alleen voor in aanmerking kunnen komen als zij geen gebruik kunnen maken van het ‘reguliere’ collectief vervoer. Individueel (rolstoel)taxivervoer wordt ook in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt die op declaratiebasis wordt verstrekt (art. 4.11 lid 5 Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4Verhuis- en inrichtingskosten De cliënt op wie het primaat van verhuizing van toepassing is, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen. Deze financiële tegemoetkoming wordt in principe pas uitbetaald als de cliënt feitelijk is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. Als de cliënt echter een huurcontract overlegt, dan kan het college eerder overgaan tot uitbetaling. Wel moet duidelijk zijn dat het om een geschikte woning gaat. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is in principe gemaximeerd (zie Financieel besluit). Het college stelt de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten in het individuele geval vast op basis van de noodzaak en de goedkoopst adequate oplossing. Immers niet iedereen zal voor dezelfde kosten komen te staan. Mogelijk kan raambekleding of vloerbedekking meeverhuizen naar de nieuwe woning. Daarnaast kan het zijn dat de cliënt van de vorige bewoner zaken kan overnemen, of mogelijk zijn daar geen kosten aan verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5Tijdelijke huisvesting Een cliënt kan gelet op het realiseren van woningaanpassing tijdelijk aangewezen zijn op andere huisvesting. De kosten daarvan kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. De hoogte bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten rekening houdend met de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6Eenvoudige woonvoorziening en woningaanpassingen Het college kan ook een financiële maatwerkvoorziening verstrekken voor het aanbrengen van eenvoudige woonvoorzieningen en/of het realiseren van eenvoudige woningaanpassingen. Bij de noodzaak voor deze maatwerkvoorzieningen wordt de kwaliteit wel beoordeeld (zie begripsbepaling financiële tegemoetkoming in art. 1.1 van de verordening). Dat heeft vooral te maken met de veiligheid van bijvoorbeeld beugels en douchezitjes (aanschaf en het aanbrengen daarvan). Dat zal moeten blijken uit een offerte of een proforma-factuur. Dat wil ook zeggen dat de financiële tegemoetkoming voldoende moet zijn om een veilige maatwerkvoorziening aan te schaffen dan wel te (laten) realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7Overig Omdat de Wmo 2015 uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">Financieel besluit 11.1Inleiding De tegemoetkoming meerkosten is een inkomensondersteunende maatregel en dus geen maatwerkvoorziening of pgb. De tegemoetkoming mag op basis van declaratie rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Het college kan ook overgaan tot uitbetaling op basis van een ondertekende offerte of proforma-factuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2Sportvoorziening De cliënt die niet is aangewezen op een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening kan eens per drie jaar in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de aanschaf tot een maximumbedrag (zie Financieel besluit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Het college beoordeelt of: de beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem aantoonbare of aannemelijke meerkosten meebrengt, en de tegemoetkoming bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie, en er een vergoeding kan worden verkregen op basis van een andere (wettelijke) regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan cliënt om dat aannemelijk te maken. In de praktijk worden hier geen strenge eisen aan gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Persoonsgebonden budget Artikel 2.3.3 en 2.3.6 Wmo 2015 Artikel 3.2 en hoofdstuk 5 Verordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-2\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Financieel besluit 12.1Inleiding Een pgb vertegenwoordigt de geldswaarde van een maatwerkvoorziening die het college in natura zou verstrekken aan de cliënt. Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de maatwerkvoorziening die als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt, ingekocht moet kunnen worden bij tenminste één partij (CRVB:2018:3093, CRVB:2018:2829). Dat betekent dus dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening. Uit de wet volgt dat het college geen ondersteuningsplicht heeft in het buitenland. De cliënt moet om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist op het verzoek om ondersteuning als ook op de leveringsvorm pgb. Als de cliënt voor een pgb in aanmerking wenst te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening van toepassing kunnen zijn op de situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2Spoedeisende situatie: geen pgb Het kan voorkomen dat een vorm van maatschappelijke ondersteuning met spoed moet worden ingezet voordat het college het onderzoek naar hulpvraag heeft afgerond (art. 2.3.3 Wmo 2015). In die gevallen kan een pgb niet aan de orde zijn omdat het onderzoek volgens het stappenplan (nog) niet is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3Aanvraag pgb binnen budgetperiode Artikel 3.2 lid 2 Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de cliënt verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:819). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gedaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818, CRVB:2015:4918). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door cliënt gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als het verloren gaan van de maatwerkvoorziening niet aan de cliënt is te wijten of er gewijzigde omstandigheden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4Pgb met terugwerkende kracht Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd en verzoekt om vergoeding van de kosten. Zie 3.3 van deze beleidsregels hoe het college zo’n verzoek beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5Budgetplan bij diensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de cliënt met een indicatie voor diensten die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Onder diensten vallen: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en wonen met verblijf (kortdurend verblijf). Het college zorgt er voor dat het Budgetplan ook daadwerkelijk kan worden ingediend door een format van een Budgetplan beschikbaar te stellen. Het college kan een uitzondering maken voor het opstellen van een Budgetplan bij huishoudelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 en de eventuele overige bepalingen in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreken Budgetplan Het college zal het ingevulde Budgetplan met de budgethouder en eventueel de gewaarborgde hulp bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend of is het niet volledig of op juiste wijze ingediend, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Dat geldt ook als de budgethouder of diens gewaarborgde hulp een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6Voldoen aan wettelijke voorwaarden Artikel 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015 Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de drie wettelijke voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt is pgb-bekwaam (art. 2.3.6 lid 2 onder a Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">De client motiveert waarom hij een pgb wenst (art. 2.3.6 lid 2 onder c Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in te kopen maatwerkvoorziening is van goede kwaliteit (art. 2.3.6 lid 2 onder c en lid 3 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt verschaft het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens dan wel verleent zijn medewerking aan het onderzoek (art. 2.3.8 Wmo 2015 en art. 9.2 lid 1 Verordening). De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.7Pgb-bekwaamheid Artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet als eerste beoordelen of de cliënt dan wel zijn pgb-vertegenwoordiger pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De cliënt moet dat zelf kunnen vertellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weten welke regels er horen bij een pgb. De cliënt kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de cliënt digitaal vaardig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De cliënt weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de cliënt zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners. De cliënt moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de SVB beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de cliënt dat zelf aangeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen. De cliënt moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze (moeten) gaan geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De cliënt moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt (conform de overeenkomst). Omgekeerd moet de cliënt kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de cliënt de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de cliënt zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf de ondersteuning regelen met één of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De cliënt moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de cliënt passen. De cliënt moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de cliënt zelf vervanging kunnen regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken, weten wat ze moeten doen. De cliënt durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De cliënt betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De cliënt moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de cliënt sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de cliënt moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen limitatief overzicht beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overnemen van de bekwaamheid Is de cliënt niet pgb-bekwaam, dan kan iemand worden gemachtigd om dat overnemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerder niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Artikel 8.4 lid 2 onder a Verordening Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwalitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Alvorens over te gaan tot het weigeren van het pgb stelt het college stelt de budgethouder in de gelegenheid een andere vertegenwoordiger aan te wijzen die de gewaarborgde hulp wel kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gewaarborgde hulp Art. 8.4 lid 2 onder d Verordening De cliënt kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de ondersteuner, de kwaliteit en het behalen van het resultaat, en de financiële verantwoording rondom het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkt uit onderzoek dat de pgb-vertegenwoordiger niet de gewaarborgde hulp kan worden geboden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de cliënt in de gelegenheid moeten stellen om een andere persoon te machtigen die in staat is de pgb-bekwaamheid van de budgethouder over te nemen. Lukt dat niet, dan zal het college het pgb weigeren en een maatwerkvoorziening in natura verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegrond vermoeden Het kan ook voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de cliënt problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan: schuldenproblematiek, een gok- of drugsverslaving, niet over een positief sociaal netwerk beschikken, in een hoge mate beïnvloedbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de cliënt als ook de derde aan wie het pgb zal worden besteed problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.8Conflicterende belangen Het kan voorkomen dat de budgethouder zelf niet pgb-bekwaam is en ook geen hulp heeft van een vertegenwoordiger maar van andere personen. Het college beoordeelt in die situatie of:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd; of De beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb besteden aan een niet-professional De niet-professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn, tenzij: vast is komen te staan dat deze persoon als enige geschikt is om de aangewezen ondersteuning te bieden, én er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb besteden aan professionals De professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn. Dit geldt ook voor iedere aan die ondersteuner gelieerde derde in of buiten de professionele organisatie. Het college maakt hierop geen uitzondering (CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.9Motivatie-eis Uit art. 2.3.6 lid 1 Wmo 2015 volgt dat als de cliënt dat wenst, het college een pgb verstrekt waarmee een maatwerkvoorziening bij derden kan worden betrokken, mits wordt voldaan aan de voorwaarden. De cliënt moet dus zelf om een pgb verzoeken en het college zal daarover een besluit moeten nemen. De cliënt zal wel moeten aangeven waarom het pgb voor hem een gewenste vorm is. Het college stelt geen nadere eisen aan de motivatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.10Kwaliteitseisen diensten De derde en laatste voorwaarde gaat over de beoordeling of de met het pgb geboden maatwerkvoorziening van voldoende kwaliteit is als bedoeld in art. 3.1 Wmo 2015. De verordening bepaalt dat degene aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de aanbieders die door het college zijn gecontracteerd voor onder meer de vakbekwaamheid. Voor professionals gelden niet dezelfde eisen als voor niet-professionals.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor professionals geldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning sluit aan bij de beperkingen die de cliënt ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning sluit aan op het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voeren van een deugdelijke bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naleving van Governance zorg code 2022 rekening houdend met het aantal medewerkers dat in dienst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuner die (al dan niet werkzaam via een professionele organisatie) de geïndiceerde ondersteuning biedt voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid (zie hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuner (al dan niet werkzaam via een professionele organisatie) beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Een VOG is niet ouder dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden en niet ouder dan drie jaar. Een VOG wordt elke drie jaar opnieuw aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan hier de meldcode als bedoeld in artikel 3.3 van de wet en de meldingsplicht van calamiteiten en geweld als bedoeld in artikel 3.4 van de wet onder vallen. Dit laatste in het kader van signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen vakbekwaamheid diensten In onderstaande tabel is aangegeven welk diploma uit het diplomaregister DUO minimaal is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding individueel basis MBO 3 Begeleiding individueel plus MBO 4 Dagbesteding basis MBO 3 Dagbesteding plus MBO 4 Gelijkwaardig EVC-certificaat Beschikt de professionele ondersteuner niet over het vereiste diploma, dan kan een daarmee gelijkwaardig certificaat voor Erkenning Verworven Competenties (EVC-certificaat) verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC volstaan. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden de gestelde opleidingseisen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor niet-professionals geldt De cliënt zal allereerst zijn keus om met het pgb een niet-professional, bijvoorbeeld iemand uit het sociale netwerk in te schakelen, moeten motiveren. Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk op de cliënt hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming. Dat wil zeggen de cliënt mag in dat kader niet door deze persoon worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon is in staat om de gevraagde ondersteuning te bieden. Dat is afhankelijk van de aard en omvang van de beperkingen van de cliënt. Is de cliënt aangewezen op professionele ondersteuning, dat zal een persoon uit het sociaal netwerk die mogelijk niet kunnen bieden (zie verder onder voldoende distantie).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit maar ook de continuïteit van de geboden ondersteuning moet voldoende zijn gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de cliënt zullen de eisen in het algemeen strenger mogen zijn. de ondersteuner moet in het bezit te zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) die bij aanvang van de ondersteuning niet ouder is dan 3 maanden. Een uitzondering geldt voor eerste graad bloedverwanten (ouders). Een (ex)pleegouder, of een andere persoon kan hiermee worden gelijkgesteld. Het moet gaan om een VOG Natuurlijke Personen met algemeen screeningsprofiel; de ondersteuner raakt door het bieden van de ondersteuning niet overbelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor professionals en niet-professionals geldt nog het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoende distantie Het college beoordeelt of er sprake is van voldoende (professionele) distantie tussen de professional en niet-professional aan wie het pgb wordt besteed en de cliënt. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de jeugdige kan deze (professionele) distantie een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat moet worden bereikt. Het wil onder meer zeggen dat het niet de bedoeling is dat de ‘betrokken partijen’ aan elkaar hechten. Zo kan te veel emotionele betrokkenheid van de ondersteuner een negatief effect hebben op de relatie cliënt-ondersteuner. De cliënt kan ook (te) afhankelijk worden van de ondersteuner. Het college beoordeelt of de professionele ondersteuner handelt volgens de geldende professionele standaard die geldt voor de beroepsgroep. Ook kan het voorkomen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de cliënt, zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat kan de (professionele) kijk op de cliënt vertroebelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortdurende periode: beoordeling doeltreffend pgb Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een pgb in te kopen ondersteuning speelt ook een rol of de in te kopen maatwerkvoorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het pgb in te kopen ondersteuning effectief moet zijn om dat doel te bereiken. Het uitgangspunt van de wet is om burgers te ondersteunen in het versterken van hun zelfredzaamheid, voor zover dat mogelijk is. Eenvoudig gezegd: iemand leren zichzelf te helpen. De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is, gelet op de directe relatie, om de zelfredzaamheid van de cliënt te versterken door hem iets aan te leren. Het kan aannemelijk zijn dat het aanleren van activiteiten meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de cliënt staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt vooral als de te verstrekken ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn (dit kan bijv. aan de orde zijn als de cliënt of zijn huisgenoot (bij gebruikelijke hulp) leerbaar is). Het college kan zich dan op het standpunt stellen dat gecontracteerde professionele ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval zes maanden verstaan. Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn het resultaat van de ondersteuningsbehoefte verwacht wordt. Na afloop van de kortdurende periode zal het college evalueren wat het effect is geweest van het leren en dan (eventueel) opnieuw beoordelen of nog ondersteuning nodig is (vergelijk CRVB:2011:BU3228).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wil dus niet zeggen dat nooit een pgb verstrekt kan worden aan iemand uit het sociaal netwerk; het gaat specifiek om een kortdurende periode waarin de cliënt (of huisgenoot) iets wordt (aan)geleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reguliere werkweek Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de ondersteuner de noodzakelijke omvang van de ondersteuning wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij Zzp’ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een Zzp’er zal namelijk ook door andere cliënten worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.11Kwaliteitseisen woningaanpassing en hulpmiddel Programma van eisen De kwaliteitseisen voor een woningaanpassing worden vastgesteld op basis van het programma van eisen. De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van het hulpmiddel en de geldende eisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod. De kwaliteitseis kan betrekking hebben op de geldende norm NEN-EN-ISO en/of een keurmerk. Zie verder onder 12.15 (hoogte pgb hulpmiddel en woningaanpassing) van de beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet via de SVB In tegenstelling tot diensten lopen pgb’s voor woningaanpassingen en hulpmiddelen niet via de SVB. Deze pgb’s worden door het college aan de derde uitbetaald. Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een woningaanpassing zijn de volgende aspecten in ieder geval van belang: is de cliënt in staat om de opdracht aan een aannemer te verlenen conform het programma van eisen en de overige vereisten? is de cliënt in staat de uitvoering aan te sturen en de oplevering te controleren conform het programma van eisen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een hulpmiddel is in ieder geval van belang of de cliënt in staat is een hulpmiddel te selecteren om het resultaat mee te bereiken volgens de kwaliteitseisen die aan het hulpmiddel mogen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.12Besteding pgb algemeen Artikel 3.2 en 5.4 Verordening Artikel. 2.2 Nadere regels Technisch geschikte maatwerkvoorziening De melding van een hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Het gaat om situaties waarbij de budgetperiode is verstreken. In die gevallen geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om maatwerkvoorzieningen die technisch nog niet zijn afgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorziening Het spreekt voor zich dat met het verstrekken van een pgb geen andere bepalingen doorkruist kunnen worden. Daarom bepaalt de verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan een algemeen gebruikelijke voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp en overbelasting Het kan voorkomen dat een huisgenoot overbelast is of dreigt te geraken door het bieden van gebruikelijke hulp aan de cliënt. Zijn hiervoor geen andere oplossingen mogelijk, dan ligt het voor de hand dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Wenst de cliënt in aanmerking te komen voor een pgb en wordt voldaan aan de voorwaarden, dan geldt dat het pgb niet mag worden besteed aan degene van wie, als hij niet overbelast zou zijn, gebruikelijke hulp wordt verwacht. Zie voor gebruikelijke hulp hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse kosten en verantwoordingsvrij bedrag Verder schrijft de verordening voor dat bepaalde kosten niet uit het pgb mogen worden betaald, zoals bemiddelingskosten. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlijden pgb-houder In geval van overlijden van de cliënt hanteert het college geen eenmalige uitkering aan de derde die ondersteuning verleent. De zorgovereenkomst stopt ter stond en er kan worden gedeclareerd tot en met de sterfdag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besteden binnen de termijn Verder bepaalt de verordening de termijn waarbinnen het pgb moet zijn besteed. Voor woningaanpassingen geldt een afwijkende termijn. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf in het buitenland De inzet van een maatwerkvoorziening is bestemd voor en gericht op cliënten die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente hebben. Verder bepaalt de verordening dat de cliënt die een hulpmiddel meeneemt naar het buitenland verantwoordelijk is een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal (art. 3.2 lid 6 Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensten Voor diensten, anders dan huishoudelijke ondersteuning, mag het verstrekte pgb in principe worden besteed buiten de gemeente of in het buitenland aan dezelfde ondersteuner genoemd in het Budgetplan. Denk bijvoorbeeld aan vakantie. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt dat het bestemd is voor de woning waar de cliënt woonachtig is. Van de cliënt wordt daarom ook verwacht dat hij een vakantie- of verblijfslocatie kiest waar hij geen huishoudelijke ondersteuning nodig heeft. Voor begeleiding ligt dat dus anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlenging termijn verblijf buiten de gemeente of buitenland op aanvraag Het is toegestaan om maximaal 13 weken per kalenderjaar, waarvan zes weken aaneengesloten, een pgb voor begeleiding te besteden buiten de gemeente of in het buitenland. Het college kan de termijnen op aanvraag verlengen als zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor verlenging is aangewezen. Daar zal in de praktijk zelden sprake van zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.13Overige weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden, besproken onder 3.3 (onder meer aanvraag maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht en nieuwe aanvraag pgb binnen zelfde budgetperiode) en 12.8 (conflicterende belangen pgb), geldt nog een tweetal situaties waarin het college een pgb kan weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.6 lid 5 onderdeel a Wmo 2015 Het kan voorkomen dat de cliënt het pgb wenst te besteden aan een duurdere maatwerkvoorziening dan waar het college de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de cliënt het meerdere van de kosten zelf moet betalen. Het meerdere dat aan de maatwerkvoorziening wordt besteed, wordt dan door het college geweigerd. Let wel: ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat het college de kwaliteit mag beoordelen maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de cliënt wel in staat is om de duurdere maatwerkvoorziening te bekostigen. Als de cliënt niet bereid is het meerdere zelf te betalen, kan het college overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Dit met het oog op de bevoegdheid van het college om te beoordelen of aan de (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstorten diensten De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art. 2b lid 6 Uitvoeringsregeling Wmo 2015).. In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van maatschappelijke ondersteuning. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2.3.6 lid 5 onderdeel b Wmo 2015 Als de cliënt een pgb wenst, gaat het college na of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onderdeel a, d of e Wmo 2015. Denk aan: het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid het niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; of het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt Op grond van dit artikel kan het college als -onder meer- sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt een aanvraag voor een pgb weigeren (schending inlichtingenplicht). Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid hanteert het college een grens. De aanvraag voor een pgb wordt geweigerd als de schending van verplichtingen (tot maximaal) twee jaar voorafgaand aan de nieuwe aanvraag heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.14Hoogte pgb diensten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb voor diensten (begeleiding, kortdurend verblijf en huishoudelijke ondersteuning) wordt vastgesteld. Daarbij gelden gedifferentieerde tarieven voor: ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of die werkzaam zijn als Zzp’er; personen uit het sociaal netwerk of personen die niet als professional worden aangemerkt. Denk bijvoorbeeld aan een student met een bijbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepalingen In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een Zzp’er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.15Hoogte pgb hulpmiddel en woningaanpassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hulpmiddelen De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. Onder de kostprijs wordt de huurprijs verstaan die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het kan voorkomen dat het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment zit van de gecontracteerde partij en dat er geen afspraken zijn gemaakt dat de aanbieder het betreffende hulpmiddel aanschaft. In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat de goedkoopst passende bijdrage kan worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte pgb hulpmiddel Onder de kostprijs wordt de huurprijs verstaan die het college verschuldigd is aan de aanbieder. Het gaat om een maandbedrag. Het pgb wordt dan ook maandelijks aan de cliënt overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wenst de cliënt een hulpmiddel te huren bij de door het college gecontracteerde partij, dan gaat het in ieder geval om een toereikend pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil de cliënt een andere maatwerkvoorziening aanschaffen waarmee het resultaat ook wordt bereikt, dan kan ook een pgb worden verstrekt. Het college gaat daarbij uit van het geïndiceerde hulpmiddel en de afschrijvingsperiode die daarvoor wordt gehanteerd. De maandelijkse kostprijs wordt vermenigvuldigd met 12 maanden en de afschrijvingsperiode in jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningaanpassing Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder veiligheid. De offerte zal moeten aansluiten bij een door het college goed te keuren programma van eisen. Woningaanpassingen zullen doorgaans ook moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Bouwbesluit. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren, mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte pgb woningaanpassing De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van een door het college goedgekeurd programma van eisen, richtprijzen en -normen voor woningaanpassingen uit Casadata en/of één of meerdere offertes. Mede gelet op het principe van de goedkoopst passende bijdrage, maakt het college gebruik van Casadata om een berekening te maken van de kosten van de woningaanpassing. Casadata is in principe leidend bij het bepalen van de kosten van de woningaanpassing. In plaats van, of aanvullend, kan het college zich baseren op één of meerdere offertes. Het aantal op te vragen offertes door het college of de cliënt is afhankelijk van de kosten van de woningaanpassing. Bij bedragen tot (naar schatting) € 50.000,- kan worden volstaan met één offerte. Op basis van Casadata en/of de offerte(s) (en bijbehorend Programma van Eisen) stelt het college de hoogte van het pgb vast. De cliënt kan op basis hiervan de aanpassing inkopen bij de aanbieder van zijn keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningaanpassing Zorg in natura Bij zorg in natura regelt het college de woningaanpassing voor de cliënt. Zij toetst in dat geval de offertes aan Casadata. Aan de hand daarvan wordt bepaald wie de opdracht krijgt om de woningaanpassing uit te voeren. Nadat het besluit genomen is, kan met het uitvoeren van de woningaanpassing worden gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige kosten Daarnaast kan het zijn dat er naast de kosten van de woningaanpassing ook nog andere noodzakelijke kostenposten zijn die het college in aanmerking neemt. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.16Herindicatie en verzoek om pgb Na afloop van de indicatie kan de cliënt zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor ondersteuning. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verlening geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de cliënt de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan moet worden opgesteld. Bij een verlenging of wijziging in de indicatie en de ondersteuning wordt door dezelfde ondersteuner uitgevoerd hoeft niet altijd opnieuw een VOG-verklaring ingediend te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">13.1Inleiding De Wmo 2015 schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het college rust een voorlichtingsplicht om de cliënt tijdens het onderzoek te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet (fraudepreventie). De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij niet-naleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder. Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt, kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van artikel 8.1 Verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De aanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 8.3 Verordening). Afhankelijk van de uitkomsten van zo’n onderzoek (controle), zal het college daar gevolgen kunnen verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3Weigering pgb Artikel 8.4 lid 1 Verordening Het spreekt voor zich dat het college het ingevulde Budgetplan met de cliënt (budgethouder) wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Wordt er geen Budgetplan ingediend, dan wordt het pgb in principe geweigerd. Dat geldt ook als de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking daarover weigert of zonder tegenbericht niet verschijnt op een uitnodiging van het college. Het college zal de budgethouder dan wel diens vertegenwoordiger in ieder geval twee keer uitnodigen om een Budgetplan in te dienen dan wel het ingediende Budgetplan te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.4 lid 2 Verordening In de verordening worden een aantal situaties beschreven die kunnen leiden tot een weigering van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet ingestaan voor nakomen verplichtingen Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan: onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin, de situatie dat eerder is gebleken dat geen of niet voldoende kwalitatieve ondersteuning is ingekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inschrijving BRP Als de derde niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), dan roept dat de vraag op of de continuïteit van de aangewezen ondersteuning wel kan worden geboden. De derde die niet staat ingeschreven in de BRP moet daar een afdoende verklaring voor geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtens zijn vrijheid ontnomen In die gevallen bestaat er feitelijk geen mogelijkheid voor de derde om ondersteuning te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewaarborgde hulp De cliënt kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van een pgb-vertegenwoordiger ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de ondersteuner, de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de ondersteuning, en de financiële verantwoording rondom het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze derde zal moeten verklaren inhoudelijke verantwoordelijkheid te willen dragen voor het nakomen van de pgb-verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8.5 lid 3 Verordening Het staat de budgethouder, die voldoet aan de voorwaarden, vrij om het pgb te besteden aan een derde. De budgethouder kan, lopende de budgetperiode of na afloop daarvan, besluiten om een andere derde in te schakelen, mits wederom wordt voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast kan het voorkomen dat de omstandigheden wijzigen en het college aanleiding heeft om de ondersteuningsbehoefte gewijzigd vast te stellen of het recht op het pgb in te trekken. Dat is de reden waarom in de verordening is bepaald dat een overeenkomst met een derde waarin ook huurbepalingen van de woonruimte zijn opgenomen, in principe niet is toegestaan. Dit voorkomt dat de budgethouder zonder woonruimte komt te zitten als hij het pgb niet meer besteedt aan de derde met wie hij de overeenkomst voor ondersteuning én woonruimte is aangegaan. De cliënt geniet dan namelijk geen huurbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4Opschorten betaling pgb Artikel 8.6 en 8.7 Verordening Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen zal het college niet in alle gevallen direct over kunnen (of willen) gaan tot het herzien of intrekken van het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorting betaling pgb algemeen</p></div>", "next": 239877}