{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">* Als een partij afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.’ en ‘B4./O4.’ ‘B7.’, ‘B8.’, of de toepassingslocatie heeft of krijgt een bestemming Plaatsen waar kinderen spelen of moes-/volkstuin(complex) (zie § 4.3.3) , dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring of een gepaste strategie uit de NEN 5740 en waaruit blijkt dat deze voldoet aan de gestelde toepassingseis of Lokale Maximale Waarde. ** Als na een keuring blijkt dat het schone grond betreft, hoeft er geen melding plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de Omgevingsdienst Rivierenland. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de Omgevingsdienst Rivierenland vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de beoordeling van de Omgevingsdienst Rivierenland moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ heeft en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling, zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen, zie § 4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’, ‘B8. Wegbermen buitengebied’ worden relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met zware metalen en/of PAK aangetoond. In bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’ komen relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met bestrijdingsmiddelen voor. De gemeenten stellen daarom strenger beleid, dan het generieke kader van het Besluit, vast voor grond die vanuit deze bodemkwaliteitszone in een grootschalige bodemtoepassing wordt toegepast. Grond vanuit deze bodemkwaliteitszone moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten en de toets aan de emissietoetswaarden mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond is afkomstig van een gezoneerd gebied (zie hoofdstuk 2 voor de niet gezoneerde gebieden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond is afkomstig van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (zie § 8.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 5.1 en bijmenging van asbest (zie § 5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 4.3.2 zijn strengere eisen gesteld aan grootschalige bodemtoepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen PFAS-houdende grond De PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau 18 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. moet voldoen aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’:</p>\n<p class=\"lf-p\">PFOA: 7,0 µg/kg ds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau 19 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. moet voldoen aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">PFOA: 1,9 µg/kg ds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere PFAS-verbindingen: 1,4 µg/kg ds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 5.1 en § 5.2) mag de grond worden toegepast. De gemeenten staan toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2), als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek; zie § 8.1); én afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335[30] of de BRL SIKB 7500[31].</p>\n<p class=\"lf-p\">Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer. Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1[32].</p>\n<p class=\"lf-p\">Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit document ziet expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP 3)[33] als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 5.10.1Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond vanuit oude categorie-1 werken In de gemeenten zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat: het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (zie § 8.2.1). als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (zie § 8.2.2). Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de toe te passen grond moet enerzijds voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de toe te passen grond van een vergelijkbare of betere kwaliteit zijn als die van de ontvangende bodem. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctie en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctie is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook bijlage 1, kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen van grond').</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond vanuit oude categorie-1 werken (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.2Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. In de onderstaande paragrafen is aangegeven hoe hiermee om te gaan. Bij alle eerder uitgevoerde onderzoeken geldt, dat in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst Rivierenland of het bewijsmiddel gebruikt mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgevoerde specifiek onderzoek van de NEN 5740 of partijkeuring De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 574020 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001[34]) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 8.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en toepassen grond Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd, bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie, geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de gebiedseigen kwaliteit (de 90-percentielwaarde21 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de 90-percentielwaarde lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd. van de betreffende bodemkwaliteitszone; zie bijlage 7b), dan hoeft er geen aanvullende partijkeuring plaats te vinden. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de gebiedseigen kwaliteit (de 90-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone) dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor (voormalige) boomgaarden geldt dat er een bodemonderzoek en eventueel een partijkeuring moet worden uitgevoerd op bestrijdingsmiddelen, conform tabel 8.1 uit</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 8.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en kwaliteit ontvangende bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als uit een bodemonderzoek, uitgevoerd volgens de NEN 5740, blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.3Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag, leeflaag in een sanering Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Grond kan binnen de saneringslocatie worden herschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als grond van buiten de saneringslocatie op de saneringslocatie nuttig wordt toegepast, dan gelden dezelfde eisen als voor het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszone waarin de saneringslocatie is gelegen. Voor grond, afkomstig vanuit het bodembeheergebied (zie § 4.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5A en 5B). Voor grond van buiten het bodembeheergebied (zie § 4.2), gelden de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 4A en 4B). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 5.1 en § 5.2 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond die wordt toegepast als aanvulgrond van de saneringsput, of als ophooglaag/leeflaag in een sanering in woongebieden minimaal 1 meter dik, moet ook worden gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.4Provinciale beschermingsgebieden In het bodembeheergebied liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn monumenten voor archeologie/cultuurhistorie en aardkundige monumenten en waardevolle gebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden, habitatgebieden en gebieden in het Natuurnetwerk Nederland. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de provincie Gelderland: https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen deze gebieden mag alleen grond met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ worden toegepast (zie bijlage 7a). Dit moet worden aangetoond met een partijkeuring, onder voorwaarden is geen partijkeuring noodzakelijk (zie § 8.2.1). Overigens is de Omgevingsverordening (zie § 2.3 van bijlage 2) in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden leidend voor het toepassen van grond en baggerspecie. Als deze wordt aangepast en vastgesteld door Provinciale Staten, dan geldt het aangepaste beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit Volgens het Activiteitenbesluit moet een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatie-onderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatie-onderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt wel eens voor dat de nulsituatie in het verleden niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeenten staan het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek voor een activiteit dat in het verleden is gestart, de bodemkwaliteitskaart mag worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. In sommige gebieden kan met de bodemkwaliteitskaart worden aangetoond dat het verwijderen van een verontreiniging tot aan de Achtergrondwaarde (AW2000) niet realistisch is. Een bepaalde stof kan namelijk diffuus verhoogd voorkomen in een gebied. Het eindsituatieonderzoek kan dan worden getoetst aan de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen, of aan de Achtergrondwaarde (AW2000) als het gemiddelde van een stof lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12Nieuwe onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van deze nota bodembeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop. Deze uitheemse plant brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Momenteel zijn de gemeenten in afweging of speciaal beleid hiervoor wordt opgesteld. Als dit beleid is opgesteld volgen de gemeenten dit beleid. Totdat gemeentelijk beleid is opgesteld, moet bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[35] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente waar de werkzaamheden plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De uitwerking van het beleid voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie 6.1Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegde gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met (binnendijks) het Waterschap Rivierenland, https://www.waterschaprivierenland.nl of (buitendijks: uiterwaarden en bergingsgebieden van grote rivieren) Rijkswaterstaat, https://www.rijkswaterstaat.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 6.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onderhoudsbaggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’ en toekomstige ontwikkelingen binnen het Besluit hierbij. In een aantal situaties mag baggerspecie worden verspreid naar percelen die niet aan de watergang grenzen. Dit is beschreven in § 6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland is het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel (volgens het generiek kader van het Besluit) in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden toegestaan binnen 20 meter van de watergang waar de baggerspecie uit afkomstig is. Voorwaarden hierbij zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie moet zijn onderzocht conform de NEN 5720.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten voldoen aan de msPAF-toets (‘verspreidbaar’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verdere informatie over het verspreiden van baggerspecie wordt hier volstaan met een verwijzing naar het ‘Handvat verspreiden baggerspecie’[36].</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel en tijdelijke opslag in weilanddepot (generiek beleid) Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden de toepassingswaarden uit het ‘Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’:</p>\n<p class=\"lf-p\">PFOA: 7,0 µg/kg ds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook met deze toepassingswaarden komt het uitgangspunt van stand-still niet in het geding. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen. Wel wordt aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een puntbron. Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om een representatief aantal waterbodemmonsters ook op PFAS te analyseren. Dit geldt ook voor nog uit te voeren waterbodemonderzoeken. Gecontroleerd moet worden of er eventueel sprake is van onverwacht hoge gehalten aan PFAS-verbindingen. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de Omgevingsdienst Rivierenland, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in zijn beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het toepassen van baggerspecie uit watergangen op de kant is het in het kader van de dubbele toets die normaal gesproken voor toepassen op de landbodem geldt, niet nodig om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dit heeft geen toegevoegde waarde omdat de uitkomsten voor het mogen toepassen geen relevante informatie opleveren. Het uitgangspunt is namelijk dat de baggerspecie als afgespoelde grond weer op de landboden kan worden toegepast zonder dat dit tot verslechtering leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande komt overeen met de huidige praktijk bij het onderhoud van watergangen door waterschappen waarbij periodiek baggerspecie op de kant wordt gezet. Deze praktijk kan dus doorgang vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie binnen de gemeenten (gebiedsspecifiek beleid) 6.3.1Inleiding In het Besluit geldt, voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op het aangrenzend perceel, een risicogrens als maximale norm voor de kwaliteit van de te verspreiden baggerspecie (de zogenaamde msPAF methode). Deze toets geldt alleen bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op percelen direct grenzend aan de watergang van herkomst. In regio Rivierenland is echter vaak geen of onvoldoende ruimte voor het verspreiden van deze specie op de aangrenzende percelen. Hierdoor wordt deze baggerspecie vaak onnodig afgevoerd naar een verwerker, terwijl milieuhygiënisch er geen bezwaar is deze bagger te verspreiden en er vraag is naar deze baggerspecie bij agrariërs. De baggerspecie wordt door hen gebruikt voor algehele bodemverbetering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2010 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de kwaliteit van de vrijkomende baggerspecie in regio Rivierenland[37]. Dit onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre de kwaliteit van de bagger overeenkomt met de voor de landbodem gestelde normen. Hieruit blijkt dat 80% van de meetresultaten voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ en meer dan 95% van de metingen in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De stoffen minerale olie, PAK, DDE/DDD en in mindere mate koper komen vaker verhoogd voor tot boven de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Deze verhogingen zijn vermoedelijk het gevolg van verschillende diffuse en puntbronnen (lozingen, landbouw en scheepvaart) die de waterbodem hebben verontreinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de mogelijkheden van verspreiding van baggerspecie te kunnen vergroten, hebben de gemeenten de definitie van de term ‘aangrenzend perceel’ verruimd en Lokale Maximale Waarden gedefinieerd voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.2Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’ Daarbij gelden de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verspreiden van baggerspecie uit stedelijk gebied in landelijk gebied gelden de Lokale Maximale Waarden (zie § 6.3.4). De PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingswaarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verspreiden van baggerspecie naar stedelijk groen22 Bijvoorbeeld parken, plantsoenen en terreinen voor recreatief gebruik. gelden de Lokale Maximale Waarden (zie § 6.3.4). De PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingswaarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verruiming geldt niet voor bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.3Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het tijdelijk opslaan van (ongerijpte) onderhoudsbaggerspecie in een weilanddepot Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag van (ongerijpte) baggerspecie op een perceel, aangrenzend aan de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is. Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’ De voorwaarden bij het tijdelijk opslaan van baggerspecie in een weilanddepot zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het weilanddepot is niet gelegen in een bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie moet zijn onderzocht conform de NEN 5720.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten voldoen aan de msPAF-toets (‘verspreidbaar’). De in de § 6.3.4 vermelde uitzondering voor baggerspecie uit stedelijk gebied voor PAK en minerale olie geldt hier niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opslag mag maximaal drie jaar duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanuit het weilanddepot in een nuttige toepassing worden aangebracht. Het ophogen van landbouw- en natuurgronden met het oog op het verbeteren van de (bodem)gesteldheid wordt als een nuttige toepassing beschouwd. Het verspreiden van de baggerspecie in oppervlaktewater wordt niet als een nuttige toepassing gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij weilanddepots is geen toetsing aan de ontvangende bodemkwaliteit nodig. Daarentegen moet (historische) informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de het weilanddepot niet verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4Lokale Maximale Waarden verspreiden van ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied voor bodemverbetering Om aan de vraag naar baggerspecie gehoor te geven en ook te voldoen aan de gestelde doelen van zelfvoorzienendheid, hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen hergebruiken. Omdat uit waterbodemonderzoeken is gebleken dat baggerspecie uit het buitengebied veelal schoner is dan de bagger vrijkomend uit het stedelijk gebied, zijn hiervoor verschillende toepassingseisen opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verspreiden van baggerspecie uit het stedelijk gebied geldt dat: een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 moet worden uitgevoerd; de baggerspecie bij toepassing op stedelijk groen23 Bijvoorbeeld parken, plantsoenen en terreinen voor recreatief gebruik. moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’; de baggerspecie bij toepassing in het landelijk gebied moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, uitgezonderd de organische parameters PAK en minerale olie waarvoor respectievelijk een gehalte van 4,5 mg/kg ds en 500 mg/kg ds (gecorrigeerd voor standaardbodem) geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.B. Deze verruiming geldt niet bij het verspreiden van baggerspecie in bodembeschermingsgebieden (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden -zie § 4.3.2-, Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de extra toetsnormen voor PAK en minerale olie wordt rekening wordt gehouden met het feit dat stedelijk bagger vaak verontreinigd is met PAK en minerale olie, maar wordt voorkomen dat de ontvangende bodem verontreinigd raakt met deze stoffen vanuit het stedelijk gebied. De gehalten van deze stoffen reduceren in de tijd door biologische afbraak mits de bagger niet in te dikke lagen wordt toegepast24 Uit een onderzoek van Alterra, dat is gepubliceerd in het vakblad Bodem (nummer 5 van oktober 2009) blijkt dat door biologische afbraak de concentraties aan minerale olie en PAK in een periode van 5 jaar minimaal 70-80% reduceren. Voorwaarde hierbij is dat er alleen snelle biologische afbraak plaatsvindt in zuurstofrijke omstandigheden. (zie ook § 6.3.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van PFAS-verbindingen in de te verspreiden ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Bij verspreiding op direct aangrenzende percelen gelden de normen uit het generieke beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.5Aanvullende eisen voor baggerspecie uit het buitengebied en uit het stedelijke gebied Verder gelden voor zowel baggerspecie uit het buitengebied als baggerspecie uit het stedelijk gebied de volgende eisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie afkomstig uit het stedelijk gebied mag in diktes van maximaal 15 cm worden verspreid/toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie afkomstig uit het buitengebied mag in diktes van maximaal 30 centimeter worden verspreid/toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoogde toepassing wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie moet afkomstig zijn uit de watergangen die zijn gelegen in regio Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De baggerspecie mag alleen op de percelen in de gemeenten voor grondverbetering worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van baggerspecie buiten de aangrenzende percelen geldt geen ontvangstplicht; de perceeleigenaar van het perceel waarop de baggerspecie wordt toegepast moet dan altijd toestemming geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer van het baggerwerk (de ontdoener) moet aan de perceeleigenaar (de ontvanger) kwaliteitsgegevens overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Baggerspecie uit onverdachte watergangen (watergangen niet zijnde verdachte watergangen zoals gedefinieerd in bijlage 1) hoeft niet te worden onderzocht. Wél moet worden aangetoond dat het een onverdachte watergang betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de te toe te passen baggerspecie uit de overige watergangen is bepaald met een waterbodemonderzoek volgens de NEN 5720 (inclusief verdachtheid op asbest) of een partijkeuring conform § 8.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen en onderzochte baggerspecie uit het stedelijk gebied moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, uitgezonderd de organische parameters PAK en minerale olie waarvoor respectievelijk een gehalte van 4,5 mg/kg ds en 500 mg/kg ds (gecorrigeerd voor standaardbodem) geldt. Als aanvullende voorwaarde geldt dat de baggerspecie in diktes van maximaal 15 cm mag worden verspreid/toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verruiming geldt niet bij het verspreiden van baggerspecie in bodembeschermingsgebieden (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden -zie § 4.3.2-, Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden).</p>\n<p class=\"lf-p\">7Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie en moet worden aangetoond met een historisch onderzoek (zie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-81\"><span class=\"lf-art-num\">§ 8.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">). Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ (groen op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag overal worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ (oranje/bruin op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje/bruin en roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 5A en 5B).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ (roze/rood op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 5A en 5B).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitszones ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ en ‘B8. Wegbermen in het buitengebied’ vallen in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, maar hebben een relatief slechtere bodemkwaliteit dan de andere bodemkwaliteitszones in de gemeenten. In de grond komen relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met zware metalen en PAK voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Hetzelfde geld voor de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’. Hier komen relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met bestrijdingsmiddelen voor. Daarom hebben de gemeenten strenger beleid opgesteld (zie § 4.3.4, § 4.3.5 en § 5.4). Grond vanuit deze bodemkwaliteitszones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing worden onderzocht (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie § 5.10.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit een bodemonderzoek blijkt dat alle analyseresultaten voldoen aan de 90-percentielwaarde25 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de 90-percentielwaarde lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd. van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 7b), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie § 5.10.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie § 5.10.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond van buiten het bodembeheergebied (zie § 4.2), ook al zijn bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel geaccepteerd, moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (kaartbijlage 4A en 4B). Uitzondering hierop zijn de gebieden met strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.2 en § 4.3.3). Gebiedseigen grond moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (kaartbijlage 5A en 5B).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet 8.1Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties die onderdeel uitmaken van een geldige en binnen de regio Rivierenland geaccepteerde bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Arbowetgeving en het werken in en met verontreinigde bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en op die locatie grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag of het uitvoeren van een sanering in het kader van de Wet bodembescherming. In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd door het invullen van het ‘Vragenformulier historische gegevens’ (zie bijlage 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het aangrenzend terrein tot een minimum van 25 meter. Voor een deel van de historische informatie moet contact worden opgenomen met de gemeente Tiel (voor locaties in de gemeente Tiel) of met de Omgevingsdienst Rivierenland. Aanvullend daarop kan een deel van de bodeminformatie ook via het internet aangevraagd/opgezocht worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Tiel: gemeente@tiel.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart. (Voormalige) boomgaarden via de website: http://www.topotijdreis.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige en binnen regio Rivierenland geaccepteerde bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (zie hoofdstuk 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de bodem/partij grond negatief hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst Rivierenland of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een ophooglaag, een bodembedreigende activiteit, afvaldump of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toepassen van grond moet ook worden vastgesteld of de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit; zie ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); de ontgravings- en toepassingslocatie in een zone van de bodemkwaliteitskaart ligt (zie hoofdstuk 2). Is dat niet zo, dan geldt het generieke kader van het Besluit en moet de kwaliteit van de toe te passen grond én van de ontvangende bodem worden vastgesteld (zie § 5.10.1 en § 8.2); het grondverzet plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (zie § 5.10) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (zie § 2.1.5 van bijlage 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontgravings- en/of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie in eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem 8.2.1Toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd of zijn onderzocht met een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 met een gepaste strategie voor de ontgravingslocatie, als deze grond: ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; afkomstig is van een uitgesloten gebied van de eigen of geaccepteerde en geldige bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2; en § 5.10.1; gespecificeerd in hoofdstuk 2 en de rapportages van de geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten); wordt toegepast in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 4.3.2, § 4.3.4 en § 5.10.4). Een toepassing van grond in waterwin- of grondwaterbeschermingsgebieden dient tevens te voldoen aan de aanvullende kwaliteitsbepalingen in de provinciale omgevingsverordening; afkomstig is van oude categorie-1 werken (zie § 5.10.1); afkomstig is van gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaarten niet hebben geaccepteerd (zie § 4.2 en § 5.6). afkomstig is uit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ en niet in een onverharde berm wordt toegepast (zie § 4.3.5); wordt toegepast op een regionale waterkering als teeltlaag (zie § 4.3.6); onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, meer gewichts- of volumeprocent aan bijmenging van bodemvreemde materialen dan de ontvangende bodem, kleur, geur; zie § 5.1); afkomstig is uit de bodemkwaliteitszone ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ (zie § 5.4); afkomstig is uit een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 5.9 zijn beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een partijkeuring moet plaatsvinden conform het BRL 1000 – protocol 1001 of de NEN 574026 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Het bodemonderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor het BRL 2000 – protocol 2001[38] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Als de grond onderzocht wordt op asbest moet het bodemonderzoek ook zijn uitgevoerd door een voor het BRL 2000 – protocol 2018[39] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek bij toepassing grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’ en/ of kassen (periode 1945-2000) In verband met heterogeniteit van de bodemverontreiniging op de (voormalige) boomgaarden zal bij grondverzet en herinrichting van een (voormalige) boomgaard een bodemonderzoek op het te ontgraven perceel moeten plaatsvinden om vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (en daarmee te voorkomen dat ernstig verontreinigde grond wordt verspreid). Bij het onderzoek moet de bovenste 50 cm van de bodem conform de NEN 5740 strategie “diffuse verontreiniging met heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming” (niet-lijnvormige locatie) worden onderzocht. Hierbij moeten analyses plaatsvinden op het standaard NEN 5740 stoffenpakket aangevuld met organochloorbestrijdingsmiddelen. Als de (voormalige) tussenwaarde wordt overschreden dan vindt er een nader bodemonderzoek plaats en wordt er vastgesteld of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Is dit niet het geval dan komt de grond in aanmerking voor hergebruik. In eerste instantie kan hiervoor gebruik worden gemaakt van het bodemonderzoek. Het maximaal gemeten gehalte wordt hierbij getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van de ontvangende bodem (zie § 4.3.4). Als hergebruik niet mogelijk is, kan worden overwogen de partij vervolgens te keuren conform het Besluit bodemkwaliteit (zie eerder in deze paragraaf). In het laatste geval kan aan het gemiddelde gehalte worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 8.1 is aangegeven onder welke condities grond uit (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) mag worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 8.1. Onderzoeksinspanning en toepassingseisen bij (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) NAAR VAN (Voormalige) boomgaarden buitengebied (Voormalige) boomgaarden stedelijk gebied (Voormalige) boomgaarden bodem-beschermingsgebied Overige gebieden in de gemeenten (Voormalige) boomgaarden buitengebied Bodemonderzoek Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 1 Bodemonderzoek Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 2 Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) Bodemonderzoek Toepassingseis: Generieke toepassingseis (Voormalige) boomgaarden stedelijk gebied Bodemonderzoek Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 1 Bodemonderzoek Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 2 Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) Bodemonderzoek Toepassingseis: Generieke toepassingseis (Voormalige) boomgaarden bodem-beschermings-gebied Bodemonderzoek Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 1 Bodemonderzoek Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 2 Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) Bodemonderzoek Toepassingseis: Generieke toepassingseis Overige gebieden in de gemeenten Geen keuring en toetsing bestrijdingsmiddelen, verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer Geen keuring en toetsing bestrijdingsmiddelen, verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer Geen keuring en toetsing bestrijdingsmiddelen, verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer Geen keuring en toetsing bestrijdingsmiddelen, verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer Boomgaarden buiten het bodembeheergebied Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) Partijkeuring Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000) 8.2.2Ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als: de toepassingslocatie is gelegen in een uitgesloten gebied (zie hoofdstuk 2); op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een puntbron is vastgesteld. al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 5.10.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Procedures 9.1Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet Voorafgaand aan het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie § 8.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevulde ‘Vragenlijst historische gegevens’ (zie bijlage 8; ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie § 9.2) worden ingeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Melden tijdelijk opslaan en toepassen van grond 9.2.1Algemeen De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente waarin de locatie van de tijdelijke opslag of de toepassing is gelegen. De meldingen voor de gemeenten worden doorgezonden naar de Omgevingsdienst Rivierenland. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, zoals sloten, is dat het Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsdienst Rivierenland is (namens de gemeenten) op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijnen mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook eenieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.4 en § 1.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit. Het toepassen van de grond bij een sanering die wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeenten is dat de provincie Gelderland die deze taken heeft gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Arnhem; post@gelderland.nl). Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit).</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 9.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.2Toepassen van grond De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd met uitzondering van: de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; het toepassen van schone grond in hoeveelheden maximaal 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingsdienst Rivierenland kan ondanks de ontheffing van de meldplicht namens de gemeenten wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie. De Omgevingsdienst Rivierenland maakt van deze bevoegdheid altijd gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.3Tijdelijke opslag van grond De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als tijdelijk opslag niet binnen een vergunningsplichtige inrichting plaatsvindt, moet toestemming worden verkregen van de perceeleigenaar waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de website van Rijkswaterstaat/Bodem+ is bij de veelgestelde vragen bij het Besluit bodemkwaliteit , Grond en baggerspecie – Tijdelijke opslag meer informatie te lezen onder welke voorwaarden grond en baggerspecie tijdelijk mag worden opgeslagen (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-top/). Hierbij gaat het over het tijdelijk opslaan van gescheiden partijen grond. Het samenvoegen van verschillende partijen grond is erkenningsplichtig. Op de website van Rijkswaterstaat/Bodem+ is bij de veelgestelde vragen bij het Besluit bodemkwaliteit, Grond en baggerspecie – Samenvoegen en partijdefinitie te lezen onder welke voorwaarden partijen grond en baggerspecie samengevoegd mogen worden en wat wordt verstaan onder een partij grond of baggerspecie (https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-bagger-samen/).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het gebiedsspecifiek beleid (vaststellen Lokale Maximale Waarden, zie § 4.3) zijn enkele knelpunten in de gemeenten als gevolg van de landelijke regelgeving opgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 9.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 9.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden - Ja1) Tijdelijke opslag op landbodem 3 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming Opslag tijdelijke uitname Looptijd van de werkzaamheden - Nee</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.3Registratie en archivering van de meldingen De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) worden door de Omgevingsdienst Rivierenland (voor de gemeenten) bij binnenkomst via het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geregistreerd en gearchiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing (zie ook § 1.4 en § 1.5). Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de gemeenten) nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4Beoordeling van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeenten worden door de Omgevingsdienst Rivierenland (voor de gemeenten) beoordeeld. De Omgevingsdienst Rivierenland probeert de melder altijd binnen 5 werkdagen op de hoogte te stellen van haar oordeel over de melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond én de toepassingseis vanuit deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt gecontroleerd of de melding volledig is ingevuld, het bewijsmiddel mag worden gebruikt (inclusief Kwalibo), de tijdelijke opslag of toepassing nuttig is, of strijdig is met andere ruimtelijke aspecten, of dat de tijdelijke opslag vergunningsplichtig is. Ook wordt aandacht besteed of andere wet- en regelgeving van invloed is (zie § 2.1.5 van bijlage 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5Transport van grond Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook § 9.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6Repeterende vrachten en omvangrijk grondverzet Binnen werken met omvangrijke hoeveelheden grondverzet, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de gemeenten). Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7Grondtransporten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn die in het Besluit is erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Toezicht en handhaving 10.1Betrokkenen bij grondwerkzaamheden Bij toezicht en handhaving tijdens het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond op of in de bodem zijn verschillende 'spelers' betrokken. In tabel 10.1 staat een overzicht van de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen rond het toepassen van grond conform het Besluit. Naast de in tabel 10.1 betrokken 'spelers' zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken bij grondwerkzaamheden, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 10.1: Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen Verantwoordelijkheden Gemeente Tiel (Besluit bodemkwaliteit) Het (digitaal) ontsluiten van de bodeminformatie en inzage geven in archieven met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel (Besluit bodemkwaliteit) Beschikbaar stellen van bodeminformatie aan de Omgevingsdienst Rivierenland die deze informatie (digitaal) ontsluit en het inzage geven in archieven met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsdienst Rivierenland voor de gemeenten (Besluit bodemkwaliteit) Voeren van vooroverleg met de initiatiefnemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de gemeenten het digitaal ontsluiten van bodeminformatie en de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit voor de gemeenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezicht en handhaving van de melding (administratief en in het veld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeren taken waaronder het in ontvangst nemen, registreren, archiveren, beoordelen en toetsen van de melding voor het nuttig toepassen van grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provincie Gelderland (Besluit bodemkwaliteit) Als gemeente en Omgevingsdienst Rivierenland, maar dan bij het nuttig toepassen van grond in Wet milieubeheer-inrichtingen met de provincie als vergunningverlener en ter plaatse van beschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschap Rivierenland (Besluit bodemkwaliteit) Als gemeente en Omgevingsdienst Rivierenland, maar dan bij het nuttig toepassen of verspreiden van grond en baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, het toepassen van grond in/op waterkeringen in beheer van het Waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsdienst Rivierenland voor de gemeenten (Wet bodembescherming) Toezicht en handhaving van niet-ernstige en nieuwe gevallen van ernstige bodemverontreiniging, met uitzondering van de gemeente Tiel voor verontreinigingen buiten inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Tiel (Wet bodembescherming) Toezicht en handhaving van niet-ernstige en nieuwe gevallen van ernstige bodemverontreiniging buiten inrichtingen Omgevingsdienst Regio Arnhem (Wet bodembescherming) Toezicht en handhaving van (oude) gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolg tabel 10.1: Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen Verantwoordelijkheden Leverancier (ontdoener) van de grond Het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren grond en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de ingevulde begeleidingsbrief krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Transporteur Tijdens het transport beschikken over een ingevulde begeleidingsbrief met, indien noodzakelijk, een afvalstroomnummer. Overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (provincie, politie, gemeente). Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partij die de grond toepast (initiatiefnemer of een ieder die op een bepaald moment macht uit oefent). Dit kan ook een gemeentelijke afdeling zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform het Besluit bodemkwaliteit (laten) melden bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nagaan of vanuit andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze navolgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieupolitie Toezicht en handhaving (strafrechtelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsdienst Bestuursrechtelijk handhaving Inspectie Leefomgeving en Transport Het uitvoeren van de handhaving op de keten van grond voorafgaand aan de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder Kwalibo vallen. Hierbij gaat het zowel om het toepassen van grond op of in de landbodem als het toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2Toezicht en handhaving De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten zijn voor haar eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. De Omgevingsdienst Rivierenland voert in opdracht van deze gemeenten die taken uit. Bij de tijdelijke opslag en de toepassingen van grond kan toezicht en handhaving plaatsvinden: tijdens de melding; in het veld (tijdens het transport of bij de tijdelijke opslag of de toepassing); na de tijdelijke opslag of de toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toezicht en de handhaving voor het Besluit maakt de Omgevingsdienst Rivierenland namens de gemeente gebruik van het zelf opgestelde ‘Handboek bodemadvisering’[40] en de ‘Checklist toezicht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de gemeenten) constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De Omgevingsdienst Rivierenland kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten. Een dwangsom is een indirect dwangmiddel in de vorm van een geldboete die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het Besluit is voor toepassingen van grond op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegd-gezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen. Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van het handelen van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtredingen zoals afwijken van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/melden-en-vragen. De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Uitwerking bodembeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming 11.1Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geregeld dat deze niet eerder in werking treedt nadat: is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of een BUS-melding is gedaan en de vijfwekentermijn is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet bodeminformatie worden verzameld (zie artikel 8 vierde lid van de Woningwet en artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht). Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw is geen bodemonderzoek nodig wanneer: het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; of het bouwwerk de grond niet raakt; of in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag mensen verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op! Vanuit andere regelgeving (bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit) kan bodemonderzoek toch nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten bieden de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te gebruiken om uit te sluiten dat er gebouwd gaat worden op ernstig verontreinigde grond (zie § 11.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming In de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet altijd is bij een bestemmingswijziging op voorhand een bodemonderzoek noodzakelijk. Wil men een klein bouwwerk bijvoorbeeld ten behoeve van nutsvoorzieningen realiseren? Of betreft het een verandering in gebruik waarbij er qua bodem geen (extra) risico's zijn voor het beoogde gebruik en/of uitvoerbaarheid van het plan? Dan is bodemonderzoek waarschijnlijk niet noodzakelijk. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de betreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op! Vanuit andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten bieden de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te gebruiken om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming (zie § 11.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming Voor locaties die zijn gelegen in de bodemkwaliteitszones ‘B3./O3. Wonen na 1950’ en ‘B6./O6. Buitengebied’ bieden de gemeenten de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart kan dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op het betreffende perceel of de betreffende percelen. Deze vrijstellingsmogelijkheid geldt niet voor de gemeente Neder-Betuwe. De voorwaarden voor de andere gemeenten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een historisch onderzoek is uitgevoerd volgens de laatste versie van de NEN 5725 volgens strategie A ‘opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’. Het historisch onderzoek moet zijn uitgevoerd door een gecertificeerd/erkend persoon of bureau voor de BRL 2000 – protocol 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor een omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Op basis van de bekende gegevens moet het vragenformulier historische gegevens worden ingevuld door de aanvrager. Bij twijfel beslist het bevoegd gezag of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag moet aantoonbaar het historische onderzoek hebben gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gemeente Tiel geldt de vrijstelling alleen voor kleinschalige particuliere aanvragen (bijvoorbeeld de bouw van 1 of 2 woningen). Voor het gebruik maken van de vrijstellingsmogelijkheid binnen de gemeente Tiel dient contact te worden opgenomen met de gemeente Tiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het historisch onderzoek, eventueel vergezeld van ingevuld vragenformulier, inclusief aantoonbare controle door het bevoegd gezag, moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente waarin de locatie is gelegen en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit het historisch onderzoek blijkt dat de locatie verdacht is voor bodemverontreiniging moet alsnog een verkennend bodemonderzoek volgens een passende strategie uit de NEN 5740 of de NEN 5707 en eventueel een nader onderzoek worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen sprake is van een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging of een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld als gevolg van een bedrijfsmatige activiteit, een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een voormalige boomgaard, een gedempte watergang of een verdachte diffuus verontreinigde ophooglaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geldigheidsduur bodemonderzoek De gemeenten bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (bouw, bestemmingsplan of bestemmingsplanwijziging) een bodemonderzoek dat niet is uitgevoerd volgens de meest recente versie van de NEN 5740 en/of NEN 5707 (asbestbodemonderzoek), tóch als representatief beschouwd kan worden voor de bodemkwaliteit. De voorwaarden voor de gemeenten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager moet het vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 8) indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag moet toetsen of er sinds de uitvoering van het bodemonderzoek geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden; eventuele verdenkingen die ten tijde van het uitgevoerde onderzoek aanwezig waren op een afdoende wijze zijn onderzocht; of de bodemkwaliteit, blijkend uit het verouderde bodemonderzoek, toereikend is voor de beoogde bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder zijn enkele voorbeelden gegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Weiland of woonbuurt, geen boomgaard, onderzoek uit 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Checken website Topotijdreis, luchtfoto’s en Google streetview (meestal vanaf 2009 beschikbaar). Resultaat er komen geen activiteiten naar voren die de bodem hebben kunnen verontreinigen. Conclusie: als het bodemonderzoek destijds goed is uitgevoerd kan dit onderzoek nog representatief zijn. Als bodemonderzoek niet goed is uitgevoerd moet een aanvullend bodemonderzoek worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerrein, onderzoek uit 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgaan van veranderingen in bedrijfsactiviteiten. Een aanvullend/actualiserend/volledig onderzoek is in het algemeen nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locatie met mobiele verontreiniging , onderzoek uit 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een actualiserend onderzoek is nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asbestverdacht terrein, onderzoek uit 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nagaan of er voldoende aandacht aan asbest is besteed en of er een analyse (SEM) is uitgevoerd wanneer sprake is van mogelijke asbestvezels. Zo niet, dan moet een verkennend asbestbodemonderzoek worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Uitwerking bodembeleid onderdeel saneren 12.1Hergebruik van grond en terugsaneerwaarden Het wettelijke kader voor bodemsaneringen is de Wet bodembescherming. Voor de gemeenten geldt dat de provincie Gelderland, totdat de Omgevingswet inwerking treedt, in de meeste situaties het bevoegd gezag Wet bodembescherming is. Na in werking treding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Naast de regels in deze nota bodembeheer zijn op werkzaamheden op of in de bodem ook de regels van de Wet bodembescherming van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en de bodemkwaliteitskaart (het toepassen of hergebruiken van grond). Dit geldt onder andere voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullen van ontgravingsput of het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering (zie § 5.10.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van gesaneerde (nazorglocaties) en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Afhankelijk van de (uitgevoerde) sanering, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 van bijlage 2) en aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Beleidsnota Bodem 2012[41]) is ingegaan op de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen de provincie Gelderland. Het bodembeleid is afgestemd op diverse wetten en regelingen, waaronder de Circulaire bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemsaneringen worden uitgevoerd in het kader van de Wet Bodembescherming. Deze wet gaat uit van functiegericht en kosteneffectief saneren van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3 en bijlage 7a) worden door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (de provincie Gelderland en na inwerkingtreding van de Omgevingswet de betreffende gemeente) gehanteerd bij het beoordelen van bodemonderzoek en saneringen. Bij het beoordelen van de gevalsgrens kan de Provincie gebruik maken van de bodemkwaliteitskaart. Bij het beoordelen van saneringen hanteert de Provincie voor immobiele stoffen de vastgestelde Lokale Maximale Waarden als terugsaneerwaarde en toepassingseis voor in of onder de leeflaag aan te brengen grond. Wanneer geen Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, of wanneer de Provincie deze niet overneemt, dan gelden voor immobiele verontreinigingen de generieke Maximale Waarden voor de functie die een terrein heeft of krijgt als terugsaneerwaarde. Strengere waarden dan de generieke Maximale Waarden voor de functie kunnen niet worden afgedwongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden niet toereikend zijn voor een sanering. Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locatiespecifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[42]) geregeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet bodembescherming Bodemfunctie (Circulaire artikel 4.1.2) Gemotiveerd afwijken met behulp van saneringsplan (Circulaire artikel 4.1.2) BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 Vastgestelde Lokale Maximale Waarden Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, AW2000 als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 5.10.3 is ingegaan op het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie § 9.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeenten is dat de provincie Gelderland die deze taken heeft gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Arnhem; post@gelderland.nl). Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit bodemkwaliteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht Hoofdstuk 3 van de beleidsnota “De Gelderse wegwijzer door bodemland” van de provincie Gelderland richt zich met name op de verontreinigingen waarvoor de provincie Gelderland bevoegd gezag Wet bodembescherming is. Voor de volgende verontreinigingen geldt dat de gemeente bevoegd gezag is of kan zijn in het kader van de Wet bodembescherming:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging (voor 1987).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgplicht (na 1987).</p>\n<p class=\"lf-p\">Na in werking treding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging Er is sprake van een niet ernstig geval van bodemverontreiniging indien het volume aan sterk verontreinigde bodem (concentratie &gt; interventiewaarde) minder dan 25 m3 grond en/of 100 m3 bodemvolume grondwater bedraagt. Voor het gehalte aan asbest geldt dat in de grond geen gehalte hoger dan 100 mg/kg ds (gewogen; de interventiewaarde) mag voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor graafwerkzaamheden in een niet ernstig geval van bodemverontreiniging geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels van BRL 6000[43] /7000[44] niet verplicht zijn op de graafwerkzaamheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een saneringsplan of BUS-melding niet verplicht is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een plan van aanpak moet worden ingediend bij zowel de betreffende gemeente als de Omgevingsdienst Rivierenland waar de activiteit plaatsvindt. Het plan van aanpak dient inzicht te geven in de voorgenomen handelingen die worden uitgevoerd en wat er met de vrijkomende grond gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 10 werkdagen na beëindiging van de werkzaamheden moet een evaluatierapport worden ingediend. Het evaluatierapport moet minimaal de volgende onderdelen bevatten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de putbodem en -wanden na afronding van de sanering en de wijze waarop dit is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de tijdelijk uitgenomen grond dan wel toegepaste grond, inclusief bewijsmiddel (bijvoorbeeld een partijkeuring, certificaat van een grondbank, de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een historisch onderzoek / volledig ingevulde vragenlijst -zie bijlage 8-).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgplicht Alle verontreinigingen die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 betreffen nieuwe gevallen van bodemverontreiniging waarop het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming (art. 13 Wbb) van toepassing is. Dit betekent dat, voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden, de verontreiniging en de gevolgen daarvan volledig ongedaan moeten worden gemaakt. In geval van een calamiteit of een ongewoon voorval dient de veroorzaker dit direct te melden bij het bevoegde gezag. In de regel is de gemeente bevoegd tot handhaving van de zorgplicht van nieuwe gevallen van verontreiniging. Er zijn echter ook situaties waarin de provincie (bijvoorbeeld bij een zorgplicht op een bedrijfsterrein waarvoor de provincie bevoegd gezag is in het kader van de milieuwetgeving), Rijkswaterstaat (rijkswateren), het Waterschap Rivierenland (wateren die zijn vastgelegd in de legger) of de betreffende gemeente (overige wateren) bevoegd gezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3Onverwachte bodemverontreiniging Tijdens het graven in de bodem kunnen zich situaties voordoen die niet voorzien waren op basis van een vooronderzoek of verkennend bodemonderzoek. Gedacht kan worden aan een sterke oliegeur, begraven afval, asbestnesten, et cetera. In dergelijke gevallen moet de ontgraving gestaakt worden en het bevoegd gezag worden ingelicht. Hierna kan in overleg met gemeente, de Omgevingsdienst Rivierenland en/of provincie bekeken worden op welke wijze met de verontreiniging moet worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Dit geldt overigens ook voor het toepassen van bouwstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4Grensoverschrijdende verontreiniging in de landbodem en de waterbodem Van grensoverschrijdende verontreiniging is sprake als verontreinigingen vanuit de waterbodem in de landbodem terechtkomen en andersom. De aanpak van grensoverschrijdende gevallen is gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging. Op voorwaarde dat er een duidelijke (punt)bron te vinden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk betekent dit het volgende: aanpak volgens de Wet Bodembescherming als de bron van de (historische) verontreiniging op de landbodem ligt (saneringsregeling) en aanpak volgens de Waterwet als de bron in de waterbodem ligt (maatregelen treffen in het kader van het watersysteem).</p>\n<p class=\"lf-p\">13Delegeren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders 13.1Inleiding Deze nota bodembeheer moet, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraden van Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel worden vastgesteld, voordat het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid van kracht kan worden. Bij de vaststelling van deze nota bodembeheer stelt de gemeenteraad ook de nieuwe bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de Raad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad kan besluiten om een bij haar rustende bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders over te dragen (artikel 156 van de Gemeentewet). Op deze manier kan de werkdruk van de gemeenteraad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Na het vaststellen van de nota bodembeheer is er alle reden om de gemeenteraad te ontlasten en een aantal uitvoerende besluiten te kunnen delegeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de gemeenteraad bevoegdheden aan het college van burgemeester en wethouders kan overdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2Aanpassen van bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifiek beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaart. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. Er worden drie functieklassen onderscheiden. Te weten ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’ (onder andere landbouw/natuur), zie kaartbijlage 1. Op de toepassingskaart wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifiek kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad kan besluiten haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te delegeren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3Aanvullende bodeminformatie 13.3.1Uitgesloten locaties en gebieden Een aantal locaties en gebieden zijn nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2) omdat deze gebieden door andere organisaties worden beheerd en/of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaart alsnog voldoende gegevens beschikbaar komen om deze gebieden te zoneren, kan de gemeenteraad haar bevoegdheid deze gebieden desgewenst toe te voegen aan bodemkwaliteitskaart en het bodembeheergebied aan het college van burgemeester en wethouders delegeren. Voorwaarde hierbij is dat de indeling van de bodemkwaliteitszones niet wijzigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.2Resultaten bodemonderzoek op een verdachte locatie Van bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, kan de gemeenteraad haar bevoegdheid de voormalige verdachte locatie toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaart (als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat de grond voldoet aan de gebiedseigen kwaliteit van de omliggende bodemkwaliteitszone) aan het college van burgemeester en wethouders delegeren. Gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als het gehalte van een stof dat voldoet aan de 90-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 7b). Als de 90-percentielwaarde lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4Acceptatie bodemkwaliteitskaart andere gemeenten/gebieden als bewijsmiddel chemische kwaliteit toe te passen grond Naast de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel, accepteert de gemeente Neder-Betuwe de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Overbetuwe.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal of Zaltbommel kunnen besluiten nog meer bodemkwaliteitskaarten te accepteren als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond. Hiermee worden de mogelijkheden vergroot om grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel in de betreffende gemeenten te mogen toepassen. Het besluiten tot acceptatie van een bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel moet worden gedaan door de gemeenteraad. Dit besluit kunnen de gemeenteraden van de gemeenten delegeren aan de betreffende colleges. Het is niet zo dat als gemeente A de bodemkwaliteitskaart van gemeente B accepteert, gemeente B automatisch de bodemkwaliteitskaart van gemeente A accepteert. Als gemeente B dit wil, dan is daarvoor een besluit van de gemeenteraad van gemeente B noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten kan alleen onder de volgende voorwaarden: de bodemkwaliteitskaart en eventueel bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied bestuurlijk is vastgesteld door de betreffende gemeenteraad (of gemandateerd/gedelegeerd college), het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; de eventueel opgenomen Lokale Maximale Waarden (LMW) en gewichts- en volumepercentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde bodemkwaliteitszones niet hoger zijn dan de LMW en het vastgestelde gewichts- en volumepercentage zoals opgenomen in deze nota bodembeheer; voor acceptatie van de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel geldt ook dat: de bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; de milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klasseniveau; de kwaliteitsklasse is gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten of een kritischer statistische parameter; de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5Bestuurlijk vaststellen bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Zoals in § 1.3 al is aangegeven, worden de bodemfunctieklassenkaarten en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van beide kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). De gemeenteraden kunnen deze bestuurlijke vaststelling aan de betreffende colleges van burgemeester en wethouders delegeren onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gemeentelijke gebiedsspecifiek beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6Procedure Het voorgaande laat onverlet dat op de gedelegeerde besluiten de procedure voor vaststellingen door het college uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bronvermeldingen [1] Bodemkwaliteitskaart regio Rivierenland (gemeenten Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel en Zaltbommel), projectnummer 09K083, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 12 september 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart gemeente Neder-Betuwe, projectnummer 08J023, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 18 februari 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart regio MARN (onder meer gemeente West Maas en Waal), projectnummer 11J023, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 12 maart 2012. (Water-)bodemonderzoek en bodemkwaliteitskaart Waalwaard, projectnummer M11B0339, MWH B.V., 21 november 2011. [2] Bodemkwaliteitskaart regio Rivierenland (gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel), projectnummer 16M1223, LievenseCSO Milieu B.V., herzien definitief, januari 2021. [3] Nota bodembeheer regio Rivierenland (gemeenten Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, Tiel en Zaltbommel, projectnummer 09K083, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 10 juli 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota bodembeheer gemeente Neder-Betuwe, projectnummer 08J203, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 19 april 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota bodembeheer regio MARN (onder meer gemeente West Maas en Waal), Arcadis, 2012. [4] Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. [5] Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399, 8 juli 2019; geactualiseerd op 29 november 2019 en op 2 juli 2020. [6] Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. [7] Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. [8] Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen. [9] Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, publicatie Staatsblad nr. 496, 4 december 2008 en latere wijzigingen. [10] Wet ruimtelijke ordening, publicatie Staatsblad, nummer 15, 22 maart 2007 en latere wijzigingen. [11] Waterwet, publicatie Staatsblad nr. 107, 12 maart 2009 en latere wijzigingen. [12] Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009 en latere wijzigingen. [13] Beleidsnotitie Besluit bodemkwaliteit, projectnummer 4716977, TAUW, 6 februari 2012. [14] Wet milieubeheer, publicatie staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. [15] Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en latere wijzigingen. [16] Bronswijk et al. (2003) en De Jong en Van der Hoek (2009), PBL/dec13. [17] Verordening van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende Omgevingsverordening Gelderland, publicatie Provinciaal Blad nr. 2624, 24 september 2014 en latere wijzigingen. De Omgevingsverordening Gelderland is in 2020 aangepast en wordt naar verwachting begin 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Onder meer is regelgeving voor PFAS in de omgevingsverordening opgenomen. [18] NEN 5720 – Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie. [19] NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. [20] Bodemonderzoek PFAS-verbindingen regio Rivierenland, documentcode: SOB011523.RAP001, Lievense Milieu B.V.|WSP, 30 juli 2020. [21] Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen. [22] NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. [23] NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. [24] NEN 5725 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. [25] Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO 2018 R10825, 15 augustus 2018. [26] Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013. [27] De richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem, Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+, 30 april 2020. [28] CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. [29] Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. [30] Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond BRL SIKB 9335. [31] Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie BRL SIKB 7500. [32] Individuele partijen grond Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit: BRL 9335 – protocol 9335-1. [33] Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) [34] Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, protocol 1001. [35] Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen, Aequator Groen &amp; Ruimte, Stichting Probos &amp; Geofoxx milieuexpertise, 14 oktober 2019. [36] Handvat implementatie Besluit bodemkwaliteit, Onderwerp: reikwijdte verspreiden van baggerspecie, Senternovem, Bodem+, juni 2008. [37] Notitie waterbodemkwaliteit getoetst, Witteveen en Bos, GV894-1/strg/023 d.d. 2 april 2010. [38] Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, protocol 2001. [39] Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, protocol 2018. [40] Handboek bodemadvisering, Omgevingsdienst Rivierenland. [41] Beleidsnota De Gelderse wegwijzer door bodemland, Bodem, uitvoering en toetsing, gemeente Arnhem / gemeente Nijmegen / provincie Gelderland, 2012. [42] Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. [43] BRL SIKB 6000, Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg, SIKB.</p>\n<p class=\"lf-p\">[44] BRL SIKB 7000, Beoordelingsrichtlijn Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, SIKB. [45] Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen, Staatscourant nr. 207, 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlagen Bijlage 1 Begrippenlijst Bijlage 2 Wet- en regelgeving Bijlage 3A Statistische parameters bodemkwaliteitszones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (voor standaardbodem) Bijlage 3B Statistische parameters PFAS-verbindingen per bodemlaag (gemeten waarden) Bijlage 3C Statistische parameters lood bodemkwaliteitszones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (gemeten gehalten) Bijlage 4 Mogelijkheden vrij grondverzet (grondstromenmatrix) Bijlage 5 Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Bijlage 6 Beoordeling ecologische risico’s (voormalige) boomgaarden Bijlage 7a Lokale Maximale Waarden Bijlage 7b Lokale achtergrondwaarden, gebiedseigen kwaliteit Bijlage 8 Vragenformulier historische gegevens Bijlage 9 Lijst PFAS-verdachte activiteiten Bijlage 10 Gemeentelijke beleid (voortzetting, aanpassing of nieuw beleid ten opzichte van het tot nu toe gevoerde beleid) Kaartbijlagen Kaartbijlage1 Bodemfunctieklassenkaart Kaartbijlage 2 Ligging bodemkwaliteitszones boven- en ondergrond Kaartbijlage 3A Ontgravingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) Kaartbijlage 3B Ontgravingskaart ondergrond (0,5 m-mv en dieper) Kaartbijlage 4A Toepassingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) – generiek beleid Kaartbijlage 4B Toepassingskaart ondergrond (0,5-2,0 m-mv) – generiek beleid Kaartbijlage 5A Toepassingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) – gebiedsspecifiek beleid Kaartbijlage 5B Toepassingskaart ondergrond (0,5-2,0 m-mv) – gebiedsspecifiek beleid Kaartbijlage 6 Ligging waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland Bijlage1Begrippenlijst Aangrenzend perceel Van een aangrenzend perceel is sprake in de situatie dat er een feitelijke relatie bestaat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waarop de verspreiding plaatsvindt. Het “in verbinding staan” van watergangen (zelfde watersysteem, peilniveau) is niet altijd voldoende om uit te gaan van aangrenzendheid (Uitspraak Raad van State 201401123/1/A1, 4 februari 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de uitspraak van de Raad van State en mede gebaseerd op artikel 60 lid 2 van het Besluit, stelt de gemeente dat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waar de baggerspecie wordt verspreid, niet gescheiden mag worden door bijvoorbeeld een lint- of aaneengesloten bebouwing, een weg breder dan één rijstrook, een spoorweg, een waterkering of een dijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 6 zijn een aantal situaties beschreven voor het verspreiden van baggerspecie op percelen die niet aan de watergang grenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar verwachting wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ bij de eerst volgende wijziging van het Besluit bodemkwaliteit vervangen. De normen van de maximale kwaliteit van de baggerspecie die mag worden verspreid (of gebruikt in weilanddepots) wordt afgestemd op de normen voor de voedselveiligheid. Vanuit de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht, artikel 7 van het Besluit, blijft te allen tijde van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bagger(specie) Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voor komende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Baggerspecie die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met gebiedsspecifiek beleid hebben de gemeenten hier strengere eisen aan gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Barium De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg d.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens voor barium zijn wel opgenomen in de bijlage met de statistische parameters, ze kunnen een indicatie zijn voor de aanwezigheid van antropogene bronnen die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembeheergebied Het bodembeheergebied omvat het grondgebied van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast).</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitsklasse In het Besluit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Wonen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Industrie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toetsmethodiek voor ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is het basispakket van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel B1: Staffel toegestane aantal overschrijdingen Aantal gemeten stoffen Aantal toegestane overschrijdingen 1-6 0 7-15 (basispakket) 2 16 – 26 3 27 – 36 4 37 – 48 5 Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gehalten voldoen aan de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens ‘Wonen’ (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Wonen’:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gehalten voldoen aan de klassegrens ‘Wonen’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens ‘Wonen’ plus de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens ‘Industrie’ bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Industrie’:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse ‘Industrie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitszone Een deel van een gebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemvreemd materiaal Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanuit andere wet en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diffuse chemische bodemkwaliteit De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden van de Wet bodembescherming overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geval van ernstige bodemverontreiniging (grond) In minimaal 25 m³ grond overschrijden de gehalten voor één of meer stoffen de betreffende Interventiewaarden (I-waarde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevoelig bodemgebruik Gevoelig bodemgebruik wordt hier gedefinieerd als zijnde Wonen met onverharde tuinen, plaatsen waar kinderen spelen (zie verderop in deze bijlage), moes-/volkstuin(complex)en (zie verderop in deze bijlage), intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit definieert grond als volgt: “Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voor komende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.” Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met gebiedsspecifiek beleid hebben de gemeenten hier strengere eisen aan gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwalibo – kwaliteitsborging in het bodembeheer Bij het milieuvriendelijk beheren en gebruiken van de (water)bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor stelt Kwalibo eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. In artikel 2.1 van de Regeling zijn de werkzaamheden aangewezen wanneer Kwalibo van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moestuin- en Volkstuin(complex)en Het betreft moestuin- en volkstuin(complex)en met een oppervlakte &gt; 200 m² en tuinen met &gt;200 m² gewasteelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezoneerd gebied Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende bodemgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het gebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de bodemgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: ‘Uitgesloten gebied’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De te verwachten ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluiten de Regeling. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, ‘Wonen’, ‘Industrie’ of ‘Niet-toepasbaar’. Bij de toetsmethodiek voor de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij 'Bodemkwaliteitsklasse') voor het aantal toegestane overschrijdingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gehalten voldoen aan de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overschrijding lager is dan de norm voor klassegrens ‘Wonen’ (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit').</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Wonen’:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehalten voldoen niet aan de klasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ en de norm voor klassegrens ‘Wonen’ wordt niet overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Industrie’:</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm voor klassegrens ‘Wonen’ wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm voor klasse grens ‘Industrie’ wordt niet overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Niet toepasbaar’:</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm voor klassegrens ‘Industrie’ wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgravingslocatie Betreft dat terreindeel waar grond ontgraven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverharde wegbermen De strook grond naast de verharde (klinker- en asfalt) weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,3 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in habitatgebieden en het Natuurnetwerk Nederland geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur B1. Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlaktewaterlichaam Een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen (Bron: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/resultaten-pfas-onderzoek-toetsen-aanvulling/) De toetsing aan de PFAS-verbindingen is een aanvullende (losse) toets ten opzichte van de toetsing op de reguliere parameters en indeling in kwaliteitsklassen. Dat betekent dat eerst de toetsing plaatsvindt op basis van de reguliere parameters en op basis daarvan een indeling in kwaliteitsklasse plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens vindt de toetsing aan de voorlopige toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader voor de PFAS-verbindingen plaats. Aan de hand van de aanvullende toetsing stel je vervolgens vast in hoeverre beperkingen aan de toepassing gelden, bijvoorbeeld een verbod op het toepassen onder grondwaterniveau of in oppervlaktewater. Voor PFAS zijn de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de Achtergrondwaarde of maximale waarde wonen niet van toepassing, omdat nog geen normen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Ook tellen de gemeten PFAS niet mee als gemeten stoffen bij de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de achtergrondwaarde of maximale waarde wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de inbouw van het handelingskader in de Regeling bodemkwaliteit wordt de wijze van toetsen aan normwaarden nader ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn hieronder twee voorbeelden uitgewerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de voorlopige toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader. Dit kan leiden tot de volgende drie situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als alle PFAS-gehalten zijn aangetoond beneden de bepalingsgrens, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan en gelden geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. De partij kan als bodemkwaliteit Wonen worden toegepast zonder aanvullende voorwaarden.</p></div>", "next": 239524}