{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term 'bevoegd gezag' vervangen door 'bevoegde bestuursorganen'.” Daarmee wordt gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het strafbare feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van artikel 186 WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 2:2 Verblijfsontzeggingen In verband met de aanpassing van artikel 2:1 is ook de inhoud van artikel 2:2 gewijzigd. Op grond van artikel 2:2 (oud) had de burgemeester de bevoegdheid in het belang van het handhaven van de openbare orde een gebied aan te wijzen, waarbinnen het verboden is zich te begeven naar of aanwezig te zijn bij een samenscholing(artikel 2:1, derde lid; oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de nieuwe bepaling is de burgemeester bevoegd om aan een persoon een verblijfsontzegging op een openbare plaats op te leggen in het belang van: de openbare orde; de veiligheid van personen of goederen in het publieke domein; het voorkomen of beperken van overlast of aantasting van het woon- of leefklimaat; of bij (ernstige) vrees voor verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verblijfsontzegging wordt opgelegd aan personen die individueel of groepsgewijs strafbare feiten of ordeverstorende gedragingen begaan of in geval er ernstige vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde. De voornemenprocedure wordt hierbij in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als (voetbalgerelateerde) verstoringen van de openbare orde worden beschouwd overtredingen, zoals: straatschenderij in de zin van artikel 424 Sr; onnodig opdringen in de zin van 426bis Sr; verkeer in gevaar brengen in de zin van artikel 427 Sr; gevaarzetting met behulp van vuurwerk in de zin van artikel 429 SR; onbevoegd begeven op een verboden plaats in de zin van artikel 429quinquis Sr; overtreden van een noodbevel in de zin van artikel 175 Gemeentewet; overtreden van een noodverordening in de zin van artikel 176 Gemeentewet; onttrekken aan de identificatieplicht in de zin van artikel 447e Sr; het in kennelijke staat zijn in de zin van artikel 453 Sr; het betreden van plaatsen waarvan de toegang is ontzegd in de zin van artikel 461 Sr; het veroorzaken van gevaar of hinder in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet; overtreding van bepalingen van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ernstige (voetbalgerelateerde) verstoringen van de openbare orde worden beschouwd misdrijven, zoals: opruiing in de zin van artikel 131 Sr; beledigende uitlatingen of spreekkoren in de zin van artikel 137c Sr dan wel art.266 Sr; racistische uitlatingen of spreekkoren in de zin van artikel 137c Sr; huisvredebreuk in de zin van artikel 139 Sr; lokaalvredebreuk in de zin van artikel 139 Sr; openlijke geweldpleging in de zin van artikel 141 Sr. brandstichting in de zin van artikel 158 Sr; mishandeling in de zin van artikel 300 Sr dan wel artikel 307 Sr of 308 Sr; vechterij in de zin van artikel 306 Sr; diefstal in de zin van artikel 310 Sr dan wel verduistering in de zin van artikel 321 Sr; vernieling of beschadiging in de zin van artikel 350 Sr of artikel 351bs Sr; bezit van slag-, steek-, stoot-, vuurwapens in de zin van de Wet wapens en munitie; het bezit of gebruik van vuurwerk in de zin van de Vuurwerkwet; het veroorzaken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet; het aanwezig hebben van middelen als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de Opiumwet; hieronder wordt tevens verstaan het onder invloed van deze middelen verkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig het proportionaliteitsbeginsel zal de duur van de verblijfsontzegging afhangen van de omstandigheden en of er sprake is van overtredingen dan wel van misdrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de verblijfsontzeggingen op grond van dit artikel vallen nu ook het stadionomgevingsverbod (art. 2:21) en de verblijfsontzegging in verband met harddrugs (art. 2:41). Deze artikelen komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een stadionomgevingsverbod, dan wel een voetbalstadsverbodwordt het volgende verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stadionomgevingsverbod: het verbod om zich op de dag van een voetbalwedstrijd te bevinden in de omgeving van het stadion.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetbalstadsverbod: het verbod om zich op de dag van een voetbalwedstrijd te bevinden binnen de gemeentegrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een stadionomgevingsverbod of een voetbalstadsverbod opleggen aan een supporter die zich schuldig maakt aan een (voetbalgerelateerde) verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Bij het vaststellen van gedragingen als hier bedoeld volstaat het bestuursrechtelijke bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een stadionomgevingsverbod of een voetbalstadsverbod van een burgemeester van een andere gemeente overnemen cq omzetten als hij vreest voor verstoring van de openbare orde door de persoon aan wie het oorspronkelijke verbod is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stadionomgevingsverbod of het voetbalstadsverbod eindigen op dezelfde dag als het oorspronkelijke verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de burgemeester van de andere gemeente het oorspronkelijke verbod wijzigt of intrekt, dan wel als dit besluit bij rechterlijke uitspraak wordt vernietigd, past de burgemeester zijn besluit aan of trekt hij dit in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit nieuwe artikel 2:2 wordt tevens beoogd een duidelijke afbakening aan te brengen met de nieuwe artikelen 172a en 172 b van de Gemeentewet, betreffende maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme, ernstige overlast of ernstig belastend gedrag jegens personen of goederen, voor gevallen waarbij sprake is van herhaaldelijk individuele of groepsgewijze verstoring van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is toegevoegd om het geweld in het uitgaansleven tegen te gaan. Het college kan door middel van een aanwijzingsbesluit straten aangeven waar dit verbod geldt. Het tweede lid grenst het verbod af van de wapens genoemd in de Wet wapens en munitie. Onderhavig artikel is een aanvulling hierop; in de aangewezen gebieden mag men geen enkel mes of ander voorwerp bij zich hebben dat als steekwapen kan worden gebruikt dus ook bijvoorbeeld aardappelschilmesjes en schroevendraaiers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderwerpelijke bepaling is gebaseerd op de Wet openbare manifestaties (W.O.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wet regelt de uitwerking van de in de Grondwet voorziene beperkingsmogelijkheden van de grondrechten vrijheid van godsdienst en levensovertuiging (art. 6 GW) en vrijheid van vergadering en betoging (art. 9 GW).</p>\n<p class=\"lf-p\">De W.O.M. zelf stelt regels voor de mogelijkheden voor de burgemeester om ten aanzien van openbare manifestaties voorschriften en beperkingen te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de W.O.M. is ook de strafbepaling opgenomen, vandaar dat deze in de APV ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In de tekst is nu het woord “betoging” opgenomen. Dit begrip behoeft enige nadere toelichting. Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een betoging worden gesproken als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan geschieden door middel van een optocht (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen 'menigte' nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540). In de memorie van antwoord wordt aangegeven dat bij deelneming van twee personen reeds sprake kan zijn van een collectieve uiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is 'betoging' omschreven als 'het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Indien onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip 'betoging' meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontbreekt aan een optocht primair het karakter van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso's, dan is er geen sprake van een manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Overigens kan een dergelijke optocht, indien het opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid vervangt het oude artikel 1:2 (Termijnen). Artikel 1:2 (oud) dat algemeen geformuleerd was, was slechts van toepassing voor wat betreft artikel 2:4. In verband met het streven naar deregulering en het formuleren van duidelijke regels, is daarom het oude artikel 1:2 geschrapt en het derde lid toegevoegd. Een inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd. Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het derde lid bevat zo'n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In september 2002 heeft de wetgever op basis van de initiatiefwet “Preventief fouilleren” van het Tweede-Kamerlid Van de Camp wijzigingen aangebracht in de Gemeentewet en de Wet wapens en munitie. Op grond van deze wijzigingen kan de gemeenteraad bij verordening aan de burgemeester de bevoegdheid verlenen om een bepaald gebied voor een bepaalde tijd aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied in verband met (dreigende) verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens. Het gaat hier om een pro-actieve voorziening die uitsluitend beoogt om wanneer zich onverhoopt een situatie in deze gemeente voordoet waarbij naast andere maatregelen preventief fouilleren gewenst is, een juridische basis te leggen voor het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied en het openen van de mogelijkheid dat de officier van justitie in dergelijke bijzondere situatie gedurende maximaal 12 uur tot preventief fouilleren kan gelasten. Anders gezegd: het is de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de officier van justitie om te beoordelen of er daadwerkelijk tot preventief fouilleren wordt overgegaan en niet die van de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze initiatiefwet heeft tot een nieuw artikel 151b in de Gemeentewet geleid, dat als volgt luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: De raad kan bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. In een veiligheidsrisicogebied kan de officier van justitie de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing als veiligheidsrisicogebied dan na overleg met de officier van justitie in het overleg als bedoeld in artikel 14 van de politiewet 1993.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: De beslissing tot gebiedsaanwijzing wordt op schrift gesteld en bevat een omschrijving van het gebied waarop deze van toepassing is alsmede de geldigheidsduur. Indien een situatie dermate spoedeisend is dat de burgemeester de beslissing tot gebiedsaanwijzing niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid: De burgemeester brengt de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid: Zodra de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bedoeld in het eerste lid, is geweken, trekt de burgemeester de gebiedsaanwijzing in. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder deze bepaling in de APV en het toekennen van de bevoegdheid aan de burgemeester veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen kan de officier van justitie nimmer tot preventief fouilleren gelasten. Hoewel er op dit moment geen enkele aanleiding is om te veronderstellen, dat deze maatregel ooit in Emmen zal moeten worden toegepast, is het goed er toch op voorbereid te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van de bevoegdheid van enerzijds de burgemeester tot aanwijzing van veiligheids-risicogebieden en anderzijds de officier van justitie tot het gelasten van preventief fouilleren is maatwerk en omkleed met de nodige waarborgen. Het moeten gelet op de omstandigheden passende maatregelen zijn, vooraf moet er in de lokale driehoek overleg over worden gevoerd, een aanwijzingsbesluit van de burgemeester moet ter kennis van de raad worden gebracht en het aanwijzingsbesluit moet gepubliceerd worden en is vatbaar voor bezwaar en beroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op een uitwerking van artikel 154a Van de Gemeentewet Het artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen etc.. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:6 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede 'overeenkomstig 154a van de Gemeentewet' impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van 'door hem [= de burgemeester] aangewezen groepen'. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering 'degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...'. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten, de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding lenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV biedt hiervoor een aantal mogelijkheden. Het is echter niet noodzakelijk om alle bepalingen uit de APV, die in aanmerking komen, aan te wijzen als voorschrift waarvan de groepsgewijze niet-naleving de mogelijkheid van bestuurlijke ophouding biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke bepalingen in dit artikel aangewezen zullen moeten worden, zal afhangen van de lokale situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de inhoud van de APV komen de volgende bepalingen uit oogpunt van grootschalige openbare ordeverstoringen daarvoor in aanmerking: artikel 2:1 (Verbod ordeverstoring); artikel 2:2 (Verblijfsontzegging in verband met ongeregeldheden); artikel 2:4 (Betogingen); artikel 2:5 (Aanwijzing veiligheidsrisicogebieden); artikel 2:20 (Ordeverstoring bij voetbalwedstrijden); artikel 2:21 (Stadionomgevingsverbod); artikel 2:22 (Verwijderingsplicht voetbalsupporters); artikel 2:23 (Supportersstromen); artikel 2:38 (Verzameling van personen in verband met harddrugs); artikel 2:41 (Verblijfsontzegging in verband met harddrugs).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. De betekenis van het begrip 'openbaren van gedachten of gevoelens' moet blijkens jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.). Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 3:10, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan terrassen bij horecabedrijven, het plaatsen van staande reclameborden, containers, bouwsteigers, bloembakken, bankjes en op of aan de weg geplaatste inboedels in het kader van de ontruiming van woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. De VNG kiest ervoor om als model een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt met het overnemen van dit model een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het advies van de VNG wordt het wenselijk geacht tevens een meldingsplicht op te nemen, zodat de gemeente als wegbeheerder de mogelijkheid heeft zonodig voorschriften te stellen aan het beoogde gebruik of in het uiterste geval het kan verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inboedels Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met dit artikel. Bij Nieuwsbrief 1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001 (zie ook onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de ledenbrief van 20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve bestuursdwang op te treden tegen de in strijd met artikel 2:9 van de APV op de weg geplaatste zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem kunnen de kosten van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor kortstondig laden of lossen en voor het plaatsen van inboedels op of aan de weg in het kader van de ontruiming van woningen, mits degene die de werk-zaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt dat na het beëindigen ervan objecten of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg schoon en veilig wordt achtergelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel zou kunnen worden opgeheven. Er is voor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderingen hierin aanbrengen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om schade aan wegconstructies, kabels en leidingen te voorkomen, is het noodzakelijk voorgenomen graafwerkzaamheden te kunnen signaleren. Daarbij dient de gemeente dan wel vooraf haar voorwaarden te kunnen stellen. Omdat de voorwaarden waaronder gewerkt kan worden per situatie verschilt, kan hier niet met algemene regels worden gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de vaste relaties die er tussen overheden onderling en tussen gemeente en nutsbedrijven bestaan is een vergunningplicht voor genoemde instanties niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang in dit verband is ook, dat een aantal wegen binnen de gemeentegrens niet bij gemeente, maar bij andere overheden in beheer en onderhoud is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2 eerste lid onder d van de Wabo. Dit betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3. van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2. Voor het aanleggen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan veelal niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. Daarom is ervoor gekozen de vergunningplicht te handhaven. Het college heeft vervolgens de keuze om de gewenste uitrit zonder meer toe te staan (geen besluit nodig, zie derde lid) of eventueel voorschriften te stellen aan de realisering van de uitrit. In het uiterste geval kan het college de gewenste uitweg ook geheel verbieden, wanneer op geen enkele manier tegemoet kan worden gekomen aan het algemeen belang Het stellen van algemene regels is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2 eerste lid onder e van de Wabo. Dit betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3. van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2. Voor het maken of veranderen van een uitweg is in artikel 7.1 van de Mor aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3Orde en veiligheid op wateren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-13-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement).</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een breed gestelde algemene regel opgenomen. Daarmee wordt nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger neergelegd. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Omdat het hierbij ook om permanent bedoelde zaken kan gaan, is aan dit artikel een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 31, tweede lid, van de Wet op de Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de gemeenteraad bevoegd was regels te stellen onder andere betreffende de plaats die woonschepen mochten innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie bleek dat het in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De strekking van de jurisprudentie is echter overgenomen in de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is wel toegestaan. Hierin is door middel van de Woonschepenverordening gemeente Emmen vooizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, onder a, biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting aan de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn. Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief voor de bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over een deugdelijke afvalwaterafvoer moeten beschikken en in beginsel aangesloten moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken zijn, niet onder de werking van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kunnen krachtens dit lid “welstandeisen” aan woonschepen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens het tweede lid, onder b, heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden. Ingeval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of verhuurovereenkomsten afsluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 2:14 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een pleziervaartuig slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet aangewezen gedeelten van openbaar water gelimiteerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonschepenverordening Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden, is het noodzakelijk dat daarvoor in een gemeentelijke verordening (APV) een basis gecreëerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV is een geschikt middel om een algemene regeling in op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aparte Woonschepenverordening ligt meer voor de hand naarmate het aantal woonschepen binnen de gemeente groter is. De Woonschepenverordening gemeente Emmen is als beheersinstrument duidelijker voor de betrokken bewoners dan een globale regeling in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale verordeningen/Wet milieubeheer Aan een locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats kunnen voorts nog beperkingen opgelegd worden uit hoofde van een provinciale landschaps- of woonschepenverordening dan wel krachtens de Wet milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige inrichting Huisvestingswet Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats in te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnenvaartpolitiereglement In met name hoofdstuk 7 van dit reglement is een aantal regels opgenomen voor het innemen van ligplaats, bijvoorbeeld een verbod om zodanig ligplaats in te nemen dat de scheepvaart wordt belemmerd en plaatsen waar het verboden is ligplaats in te nemen. Wanneer deze plaatsen voorkomen op niet door het college krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water, blijft op grond van deze bepaling voor de desbetreffende plaats een aanlegverbod van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de algemene regels die krachtens artikel 2:14, tweede lid, kunnen worden uitgevaardigd is het wenselijk, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de grondslag. Het is voor de hand liggend deze aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Het is tevens wenselijk deze bevoegdheden op te nemen in het mandaatbesluit, aangezien zich situaties kunnen aandienen die direct ingrijpen noodzakelijk maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-17-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeente. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.2 Evenementen en openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 1Toezicht op evenementen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-18-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met een (boven)regionale uitstraling of kleinschalig bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat (buurtfeest of straatbarbecue).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evenementen kunnen worden onderverdeeld in meldingplichtige evenementen (A) en vergunningplichtige evenementen met een beperkt risio (B) en evenementen met een hoog risico (C).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van kleine A- evenementen, zoals de barbecue en/of straat-feesten, is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger, gekozen voor een meldingsplicht met bijbehorende algemene voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet gaan om kleinschalige activiteiten op een openbare plaats met als doel vermaak en ontspanning in een buurt of straat te bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een melding geeft de organisator meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de middelgrote en grote evenementen (A en B-evenementen) blijft de vergunningplicht bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 1:3 van de APV kan een vergunning of een ontheffing buiten behandeling worden gesteld, als deze minder dan drie weken voor het in de aanvraag aangegeven tijdstip is ingediend. Deze termijn kan door het bevoegde bestuursorgaan worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Voor kleine vergunningplichtige evenementen is deze termijn ruim voldoende. Met name bij grote evenementen (B en C-evenementen) kan deze termijn te kort zijn om een goede beoordeling van de aanvraag te kunnen geven. Dit heeft te maken met het feit dat over deze evenementen advies moet worden ingewonnen van onder andere de brandweer, de politie, GHOR en de ambulancedienst. In verband hiermee wordt voor de vergunningplichtige B en C-evenementen een termijn aangehouden van 12 weken. Een aanvraag voor een vergunningplichtig evenement, die wordt ingediend minder dan 12 weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt, kan buiten behandeling worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning ook weigeren als naar zijn oordeel: het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het wordt gehouden; vanwege gelijktijdigheid van evenementen door meerdere vergunningaanvragen voor dezelfde periode (bijv. binnen een tijdsbestek van een week), dan wel op dezelfde locaties, de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde onvoldoende kunnen worden gewaarborgd doordat bijvoorbeeld een te groot beslag wordt gelegd op de beschikbare tijd en capaciteit van politie en hulpdiensten; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel gaat uit van een convenant tussen de betaald voetbalorganisatie en de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit convenant beschrijft de verantwoordelijkheden van en de afspraken tussen de ketenpartners betaald voetbal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de aanpassing van artikel 2:2 komt artikel 2:21 te vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-22-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is geïnspireerd door de Handreiking Noodbevoegdheden van de VNG. In deze handreiking is een model opgenomen op basis waarvan een verwijderingsbevel kan worden gegeven ex artikel 175 van de gemeentewet. De toepassing van dit artikel geeft hetzelfde resultaat als het verwijderingsbevel volgens het model. Voor gemeenten, die te maken krijgen met risicovolle wedstrijden, is de raadsverordening in beginsel de aangewezen weg om dit soort gebeurtenissen te reguleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel kunnen supporters worden aangepakt, die geen stadionverbod hebben en die van buiten de gemeente komen. Met dit artikel kan worden ingegrepen in acute situaties waarbij door supporters van zowel de eigen club als van de bezoekende club de openbare orde (dreigt te worden) wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2Toezicht op openbare inrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen zich situaties voordoen, waarin regelmatig ernstige overlast voor omwonenden wordt veroorzaakt of dat zich andere omstandigheden voordoen, die de tijdelijke sluiting van een inrichting rechtvaardigen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht gelden algemene regels voor het bekend maken van een dergelijk besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 april 1999 is de Wet ’Damocles’ in werking getreden. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Onderhavig artikel voorziet in sluiting op grond van andere bijzondere omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 1:1 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.3Overlast en baldadigheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 1Maatregelen tegen algemene overlast en baldadigheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om overlast op of aan de weg en misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke gebouwen en plaatsen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede 'zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze' in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:28 In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcohol-houdende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven, zoals diefstal met braak of winkeldiefstal met behulp van geprepareerde tassen te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel biedt mogelijkheden voor de aanpak van agressieve honden in gevallen waar de Regeling agressieve dieren niet van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet kunnen worden ingegrepen als (ernstige) overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3Maatregelen tegen drugsoverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel sluit aan op de bevoegdheid die in artikel 174a Gemeentewet aan de burgemeester wordt geboden om een woning te sluiten. Het is eveneens verboden een lokaal of bijbehorend erf te betreden dat op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder dit artikel in de APV kan niet strafrechtelijk of bestuursrechtelijk worden opgetreden tegen mensen die zich niet aan het verbod houden en dus toch de woning of het lokaal betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2:37 t/m 2:41 Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage 'onverminderd het bepaalde in de Opiumwet' opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I ('harddrugs') en II ('softdrugs') die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden, is het noodzakelijk in de APV bepalingen op te nemen die het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de aanpassing van artikel 2:2 komt artikel 2:41 te vervallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.4Vuur en vuurwerk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft niet het verbranden van afvalstoffen. Daarvoor zijn in de Wet milieubeheer en de Afvalstoffenverordening regels opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond van artikel 10.21 Wet milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen inzameldienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de ontheffingsmogelijkheid valt te denken aan vreugdevuren, zoals paas-/oudejaarsvuren, en kampvuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld het voorschrift dat: alleen organische materialen, zoals kerstbomen, takken- en/of snoeihout en overig onbehandeld hout, mogen worden verbrand; bodembeschermende maatregelen moeten worden genomen; het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de directe woonomgeving; verbranding alleen mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot nabij-gelegen bouwwerken; de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig moet zijn en dient te zorgen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling ontstaat; as en andere verbrandingsresten moeten worden afgevoerd en de ondergrond van de vuurplaats dient te worden hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is de ontheffing te gebruiken voor verbranding van landbouwreststoffen op het land of van akker-maalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte kan ontheffing worden verleend indien dit noodzakelijk is ter vernietiging van met ziekte aangetast hout. Overigens moet daartoe wel een noodzaak zijn. Bestaat er een alternatieve methode die minder schade aan het milieu of anderszins toebrengt, dan verdient deze de voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meldingstermijn, zoals vermeld in artikel 2:43 lid 2 onder d, is gewijzigd van 1 dag in 14 dagen, zodat een zorgvuldige toetsing van de meldingen Toelichting artikel 2:43: Carbid schieten De meldingstermijn, zoals vermeld in artikel 2:43 lid 2 onder d, is gewijzigd van 1 dag in 14 dagen, zodat een zorgvuldige toetsing van de meldingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.5.Prostitutie(bedrijven)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:44 lid 1 roept een vergunningenstelsel in het leven voor prostitutie- en escortbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar het bepaalde in artikel 1:1 onder U is het bevoegd bestuursorgaan ten aanzien van prostitutiebedrijven de burgemeester en met betrekking tot escortbedrijven het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met 'het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid) en met 'de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">In veruit de meeste gevallen moet de burgemeester worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samen-komsten en vermakelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd als het gaat om escortbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, wordt het begrip 'bevoegd bestuursorgaan' gehanteerd, dat in artikel 1:1 is gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet geval bevoegd is: het college of de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien van onbevoegd genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met zorgvuldigheid worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, kan het college zijn bevoegdheid terzake mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het college is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt in artikel 2:41 een maximumstelsel van prostitutiebedrijven geregeld. Per gemeente kan een maximum worden gesteld waartoe na overleg tussen Drentse gemeenten is besloten. Met behulp van het maximumstelsel is het mogelijk om duidelijke grenzen te stellen aan het aantal prostitutiebedrijven in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bereiken van het maximale aantal prostitutiebedrijven vormt een weigeringsgrond voor nieuwe aanvragen, zodat het aantal prostitutiebedrijven eenvoudig gereguleerd kan worden. Het Handboek lokaal prostitutiebeleid vermeldt het volgende over het maximumstelsel: “Het is mogelijk om het aantal vergunningen dat verstrekt wordt aan een maximum te binden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten die reeds prostitutie van enige omvang binnen hun grenzen hebben, zullen dit maximum wel op een realistisch niveau moeten stellen. Bij het vaststellen van een maximum kan gedifferentieerd worden naar gebied en verschijningsvormen.” Er worden geen wachtlijsten met betrekking tot aanvragen voor vergunningen voor prostitutiebedrijven gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De omschrijving van wat in de vergunningaanvraag tenminste moet zijn vermeld, houdt verband met de omstandigheid dat bij de beoordeling van de aanvraag alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moeten gewogen. Dit op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het indienen en in ontvangst nemen van een aanvraag staan in het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet-overleggen van de gegevens kan, als gelegenheid tot aanvulling is geboden, aanleiding zijn de aanvraag niet te behandelen. Dit op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door wie het bedrijf zal worden geëxploiteerd of beheerd is van belang, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en zij moeten voldoen aan de eisen van artikel 2:45. Bovendien kan er een toetsing plaatsvinden op basis van artikel 7 van de Wet BIBOB.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Voor het toezicht is het van belang dat de belangrijkste elementen van de vergunning ook in en bij de vergunning raadpleegbaar zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het 'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de leidinggevende(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of leidinggevende (beheerder) zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:45 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding 'in enig opzicht slecht levensgedrag' in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk geval sprake is van 'in enig opzicht slecht levensgedrag'. Dat het niet als een limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het woord 'naast' aan het begin van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-46-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span><span class=\"lf-art-t\">Derde lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het derde lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of Leidingevende (beheerder) is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de sluitingsbepaling van het tweede lid, richt het derde lid zich zowel tot de exploitant/ leidinggevende als tot de bezoeker van een seksinrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant/leidinggevende in de inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten moet zijn, handelen beide in strijd met het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant/leidinggevende in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 2:46 strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten opzichte van artikel 2:46, lid 2 (reguliere sluitingstijden) biedt dit artikel de mogelijkheid om al dan niet tijdelijk andere sluitingsuren vast te stellen of zelfs sluiting te bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan zo'n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 2:52 genoemde belangen ten grondslag liggen of dient sprake te zijn van strijdigheid met het bepaalde in titel 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe besluiten als het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel staat in niet in het VNG-model. Het is toegevoegd om materiële inhoud te geven aan het verlenen van het recht tot toegang tot de inrichting aan opsporingsambtenaren en toezichthouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vormt een aanvulling op afdeling 5.2 van de Awb, Toezicht op de naleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid twee van dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid naast politieambtenaren ook anderen met het houden van toezicht te belasten. Hierbij valt te denken aan ambtenaren milieu, bouw- en woning-toezicht en medewerkers belast met de gezondheidszorg (GGD).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de leidinggevende een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de leidinggevende, nog eens onderstreept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin bestuursrechtelijk te kunnen optreden, is niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan; vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het VNG-model zijn de elementen c, d en e toegevoegd. Deze eisen hebben tot doel het zelfbeschikkingsrecht van de prostituee, de gezondheid van de prostituee en de volksgezondheid te beschermen. Met name de bescherming van minderjarigen tegen misbruik zien wij als een belang dat alle mogelijke aandacht en bescherming verdient. Het duidelijk stellen van normen is bedoeld om duidelijk te maken dat tegen overtredingen zo mogelijk zal worden opgetreden, dit is overeenkomstig de doelstellingen van de Tweede Kamer bij het wijzigen van het Wetboek van Strafrecht en de doelstellingen van de gemeenteraad bij het invoeren van dit hoofdstuk in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid d en e: Prostituees, en hun klanten en partners lopen een verhoogd risico besmet te worden met seksueel overdraagbare aandoeningen en AIDS. Het is zowel in het belang van de gezondheid van de prostituee als de volksgezondheid dat zij zich hiertegen beschermen en daartoe ook in de gelegenheid worden gesteld. Het is daarom van belang de exploitant en de beheerder van een prostitutiebedrijf op zijn verantwoordelijkheid aan te spreken door in de vergunningvoorwaarden ook de verplichting op te leggen tot het treffen van de nodige preventieve maatregelen. Deze maatregelen dienen betrekking te hebben op het beschikbaar stellen van condooms, het in de gelegenheid stellen van de prostituees om zich regelmatig op de besmetting met een SOA/AIDS door een arts te laten controleren en te laten voorlichten en, indien daartoe aanleiding is, het laten doen uitvoeren van een aids-test. Van belang is dat voorlichting verkrijgbaar is in de eigen taal en dat de voorlichting ondersteund wordt door persoonlijke contacten met sociaal verpleegkundigen van de GGD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een exploitant of diens beheerder mag een prostituee niet dwingen bij een bepaalde arts een onderzoek naar SOA of AIDS te ondergaan. Daarnaast moeten de exploitant en de beheerder de GGD in de gelegenheid stellen om voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren en moet er voldoende informatie- en voorlichtingsmateriaal over de aan de prostitutie verbonden gezondheidsrisico’s en over de bereikbaarheid van instellingen op het gebied van de gezondheidszorg in verschillende talen aanwezig te zijn en te worden verspreid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vloeit voort uit de wens de bestaande situatie in Drenthe te handhaven, en straat- en raamprostitutie te blijven verbieden. Deze vormen van prostitutie worden als niet wenselijk beschouwd voor het woon- leef- en werkklimaat in de provincie Drenthe. Seksverkeer door middel van cruisen geschiedt op basis van vrijwilligheid en niet tegen vergoeding. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op deze vorm van seks. Dit wordt anders als voor de seksuele handelingen betaling plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de herziening van de Grondwet in 1983 is aangegeven dat grondrechten slechts bij of krachtens formele wet kunnen worden beperkt. De wetgever heeft daarmee gekozen voor de zogenaamde algemene leer van de bijzondere beperkingen en is afgestapt van de bij de oude Grondwet geldende leer van de algemene beperkingen. Anders dan bijzondere beperkingen zijn algemene beperkingen niet specifiek gericht op het beperken van een grondrecht, maar vloeien zij voort uit de toepassing van een wettelijk voorschrift in een concreet geval. Van een algemene beperking is dus sprake indien een wettelijk voorschrift in zijn algemeenheid niet een grondrecht raakt, maar toegepast in een concreet geval als neveneffect heeft dat een grondrecht wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat, steeds indien een formele wet een beperking van een grondrecht als (neven) effect kan hebben, in die wet zou moeten worden aangegeven dat die dat grondrecht mag beperken, is bij deze Grondwetsherziening de “redelijke uitleg van het grondrecht” geïntroduceerd. Die houdt in, dat indien een wettelijk voorschrift een grondrecht strikt genomen beperkt maar de intrekking of vernietiging daarvan overduidelijk in strijd zou zijn met wat algemeen als redelijk wordt aangemerkt, dat voorschrift niet licht als ongrondwettig zal mogen worden geacht. Daarbij moet rekening worden gehouden met de proportionaliteit van de betreffende maatregel en de persoonlijke belangen die daarbij een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 19 lid 3 Grondwet regelt de vrije keuze van arbeid. Deze keuze moet echter worden onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van voorschriften beperkingen op (in het belang van kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen gevaar en overlast en dergelijke). Deze voorschriften hebben niet als motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze voorschriften -ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag- niet zover strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir wordt. Nu het verbieden van straat- en raamprostitutie gebeurt uit het oogpunt van bescherming van de omgeving en bescherming van de werknemer zelf, dient dit verbod niet gezien te worden als een beperking van de vrije keuze van arbeid. Het uitoefenen van het beroep van prostituee blijft mogelijk, alleen niet in alle denkbare vormen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1:2 is de algemene bepaling opgenomen dat het bevoegd bestuursorgaan een besluit neemt binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag en dat het besluit zonodig voor ten hoogste acht weken kan worden verdaagd. In artikel 2:51 is echter een uitzondering op deze algemene regel opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting kan namelijk complex van aard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan het besluit kan aanhouden tot het moment dat een besluit wordt genomen over een op de inrichting betrekking hebbende vergunningaanvraag ingevolge artikel 40 van de Woningwet, artikel 3 lid 1 onder a van de Drank- en Horecawet of artikel 8.9 van de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hier genoemde belangen vormen tezamen de 'huishouding', tot het regelen en besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding 'weigeringsgronden' hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de in dit artikel genoemde belangen: bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen); nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 2:53); beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb); vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en beperkingen (als bedoeld in artikel 1:7); de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in artikel 1:8) of vergunning kan worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a: maximumstelsel De bescherming van de openbare orde e.v. kan onder meer aanleiding zijn om het aantal prostitutie-bedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend, aan een maximum te binden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals bekend is tussen de gemeenten in Drenthe overleg gevoerd en overeenstemming bereikt over het maximum aantal prostitutiebedrijven per gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuw prostitutiebedrijf worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987, AB 1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op zichzelf aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in casu bordelen) in de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een 'boventallige' vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in dat geval voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus niet worden volstaan met het gegeven dat het maximumaantal te verlenen vergunningen is bereikt maar moet ook worden aangegeven dat er in casu niets is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in afwijking van dat beleid - toch vergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter aanvaard. Bij de toepassing van zo'n beleid kan een prostitutienota of een vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook een bestemmingsplan kan daarvoor als middel dienen, indien daaruit het karakter van een bepaalde straat of wijk blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder c: bestemmingsplan Strijdigheid met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG 97.0165 , is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid met zich mee dat de burgemeester in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan treedt, maar dit laat de bevoegdheid van het college inzake de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder e: minderjarig, onvrijwillig, illegaal Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f is vergunning-verlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209: naar het oordeel van de Rechtbank zijn terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een aantasting van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten, of het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV is ervoor gekozen om in artikel 1: 6 algemene weigeringsgronden te benoemen,</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">6 sluit aan op de Europese Dienstenrichtlijn. De weigeringsgronden zijn: de openbare orde, de openbare veiligheid (waaronder de verkeersveiligheid), de volksgezondheid en de bescherming van het milieu Openbare orde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omvat in ieder geval de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van minderjarigen en kwetsbare volwassenen, omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlast:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Hoewel het begrip ‘overlast’ als zelfstandige weigeringgrond niet is opgenomen, kan het via de algemene gronden openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu wél worden aangemerkt als een weigeringsgrond. Overlast kan namelijk betrekking hebben op verschillende aspecten. Geluidsoverlast en overlast, veroorzaakt door stof, afval etc kunnen worden geschaard onder milieu of zelfs gezondheid. Overlast door verkeer valt onder openbare veiligheid. In ieder geval kan overlast onder het openbare ordebegrip worden gebracht, indien deze een aantasting is van of een duidelijke inbreuk maakt op de maatschappelijke orde zoals deze geldt in Nederland. Het gaat dan om overlast die een bedreiging vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woon- en leefklimaat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond woon- en leefklimaat is geschrapt omdat deze niet volgens de Europese Diensten-richtlijn geaccepteerd is. Evenals bij overlast zal bekeken moeten worden of deze weigeringsgrond onder een wel erkende weigeringsgrond gebracht kan worden, zoals de openbare veiligheid of de volks-gezondheid. Dit zal niet altijd haalbaar zijn. In dat geval moet de gemeente – indien gewenst - het woon- en leefklimaat beschermen door middel van het bestemmingsplan (het voorkomen van achteruitgang van het leefmilieu).</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare veiligheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en motorvoertuigen. Op grond van artikel 2:50 is straat- en raamprostitutie echter verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen ook situaties zijn dat bijvoorbeeld de normale bereikbaarheid van een gebied wordt geschaad of bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Als deze situaties zich voordoen bij vestiging van bordelen in een bepaald gebied kan de verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding vormen tot regulering (in de vorm van een maximum- of concentratiebeleid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de noemer openbare veiligheid valt ook de situatie dat sprake is van een weigeringsgrond omdat de vestiging van een prostitutiebedrijf in strijd is met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)en met de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid personen of goederen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de exploitatie van prostitutiebedrijven is het van groot belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet: is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting zelf; en biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover het gaat om het gebruik van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volksgezondheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de (volks)-gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300) en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op voor de uitvoering van collectieve preventie van onder meer seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee, waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie, als een van de hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor gemeenten, bijgestaan door de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelstelling van zo'n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen van voorlichting over besmettingsrisico's en seksueel veilig gedrag aan prostituees, prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de belangrijkste verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa. Ook kan het beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten te (doen) verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan toegankelijke gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en prostituanten zich tegen een beperkte vergoeding en op professionele wijze kunnen laten onderzoeken op de aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn weerslag vinden in specifieke vergunningvoorschriften. Daarbij valt te denken aan de verplichting voor de exploitant om een 'veilig seks beleid' te voeren (dat wil zeggen dat ze geen onveilige seks mogen aanbieden en veilige seks moeten faciliteren) en prostituees in de gelegenheid moeten stellen zich regelmatig op soa te laten onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden opgenomen dat de exploitant verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot de inrichting ten behoeve van de voorlichting van prostituees. Als GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen als toezichthouders is een dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende zijde is echter opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich moeilijk verhoudt met die van toezichthouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het gaat om de preventie van soa's wordt wel eens gedacht over het verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees. Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle mogelijk is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich uitbreidt en dat een toenemende groep, met name seropositieve of drugsgebruikende, prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en medische zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het begrip zedelijkheid valt – naar te verwachten is – onder het begrip openbare orde van de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239, 240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen echter ongemoeid gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve actueel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een sekswinkel aan een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen 240 en 451bis van het Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ 1979,553, ontkennend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsomstandigheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde categorieën van) prostitutie-bedrijven zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester) over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle omstandigheden: Gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel 'tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen'. Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten, ligt het dus in de rede daarover geen 'nadere regel' maar een beleidsregel vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-54-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-55-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve Leidinggevenden (beheerders); in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een leidinggevende niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken leidinggevende(n) wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 2:55, tweede lid, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe leidinggevende(n) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat de nieuwe leidinggevende (beheerder) al aan de slag kan vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er voor die tijd geen nieuwe leidinggevende werkzaam kan zijn. Dit zou immers het aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de exploitatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 BESCHERMING MILIEU, DIEREN, NATUURSCHOON EN ZORG VOOR UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 1Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van onbruikbare voer- en vaartuigen, kampeermiddelen, mestopslag of andere verzamelplaatsen van landbouwproducten, afbraakmaterialen of oude metalen en dergelijke. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de 'weg' in de zin van de wegenverkeers-wetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de 'weg' daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in hoofdstuk vier, afdeling 4 'Parkeerexcessen' opgenomen artikelen bevatten onder meer bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto's door garagebedrijven en het parkeren van caravans e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod om inzamelmiddelen zonder ontheffing op de openbare weg te plaatsen, dient om willekeurig geplaatste rolcontainers en niet aangewezen opstelplaatsen van rolcontainers tegen te gaan. Achterliggende gedachte is dat er sprake is van visuele- en/of stankhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het verbod met ontheffingen zijn de opstelplaatsen voor inzamelmiddelen voor bedrijfsafval te regelen. Dit artikel is toegevoegd omdat de afvalstoffenverordening, de wet milieubeheer en de provinciale verordening geen uitsluitsel geven over de opstelplaatsen van inzamelmiddelen voor bedrijfsafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2Geluidhinder</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Lid 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om te bepalen dat de in lid 1 genoemde voorschriften niet gelden, vloeit voort uit artikel 2.21 lid 1 van het Besluit. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis en culturele-, sportieve-, muzikale- of recreatieve manifestaties. Gedurende de collectief aangewezen festiviteiten zijn de reguliere geluidvoorschriften van het Besluit niet van toepassing op type A en B inrichtingen als bedoeld in het Besluit. De voorschriften hebben dus geen betrekking op de collectieve festiviteiten, maar op de type A en B inrichtingen die in het aangewezen gebied liggen. In dit artikel is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In de aanwijzing wordt het gebied aangegeven, waarop de collectieve festiviteit van toepassing is. Deze bepaling heeft tot doel te voorkomen dat tijdens een collectieve festiviteit in het centrum van Emmen, een inrichting in een ander deel van de gemeente ook niet hoeft te voldoen aan de geluidsvoorschriften genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Als een festiviteit plaatsvindt die tijdens het aanwijzen van de collectieve dagen nog niet te voorzien was, kan het college deze festiviteit terstond aanwijzen als een collectieve festiviteit als bedoeld in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het college kan voorwaarden verbinden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van hinder. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan gedragsregels binnen de inrichting, treffen van maatregelen, een geluidsnorm van bijvoorbeeld 5 of 10 dB(A) hoger dan de reguliere norm en vastleggen van begin- en eindtijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Lid 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om te bepalen dat de in lid 1 genoemde voorschriften niet gelden, vloeit voort uit artikel 2.21 lid 1 van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is zoals een optreden met levende muziek, een personeelsfeest, een open dag of een andere feestelijke of muzikale activiteit. In een inrichting mogen maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college dient minimaal drie weken voor de aanvang van de festiviteit met een kennisgevingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 Als de houder van de inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit houdt, kan deze niet worden beschouwd als een incidentele festiviteit als bedoel in dit artikel en in het Besluit. Omdat dan geen sprake is van een incidentele festiviteit dient voldaan te worden aan alle in het Besluit Algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Besluit) gestelde voorschriften. Niet naleving van de voorschriften kan ertoe leiden dat o.g.v. de Wet milieubeheer bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk wordt opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het college kan voorwaarden verbinden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van hinder. Hierbij kan gedacht worden aan gedragsregels binnen de inrichting, treffen van maatregelen, een geluidsnorm van bijvoorbeeld 5 of 10 dB(A) hoger dan de reguliere norm en vastleggen van begin- en eindtijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Een aantal (meest voormalige milieuvergunningplichtige) inrichtingen heeft op grond van het zogenaamde 12 dagen criterium maatwerkvoorschriften voor het houden van evenementen en dergelijke. Om te voorkomen dat inrichtingen met dergelijke maatwerkvoorschriften de mogelijk hebben tot het houden van maximaal 2 keer 12 festiviteiten per kalenderjaar is in dit lid geregeld dat artikel 3.4 niet van toepassing is op dergelijke inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gaat ervan uit dat wanneer bij of krachtens verordening dagen zijn aangewezen, de houder van de inrichting toestemming heeft om de geluidsvoorschriften 2.17 en 2.20 van het Besluit, zoals omschreven in artikel 1:1 onder letter EE te overschrijden en daarmee dus enige hinder kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien blijkt dat door een op zichzelf op basis van het Besluit toegestane festiviteit het woon en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de burgemeester de festiviteit verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen. Dat de raad de bevoegdheid heeft het Besluit met een autonome bepaling aan te vullen vloeit voort uit artikel 121 en 149 van de Gemeentewet. In de toelichting bij het Besluit is expliciet vermeld dat de APV aanvullende voorschriften kan bevatten vanuit openbare orde motieven. Dit is bevestigd in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 1998 (Gst. (1999), 7093, 3 met noot van Hennekens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoeft geen betoog dat de burgemeester niet ongeclausuleerd gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Er moet steeds concreet worden gemotiveerd waarom de festiviteit tot een zo grote verstoring van de openbare orde of het woon en leefklimaat leidt dat een verbod geboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds moet bedacht worden dat het Besluit als uitgangspunt hanteert dat van eenmaal aangewezen dagen in beginsel gebruik moet worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Lid 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit lid omschreven bevoegdheid vloeit voort uit artikel 2.18 van het Besluit. Daarin is aangegeven dat bij verordening ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek. Op grond van het Besluit blijft bij het bepalen van de toegestane geluidniveaus het ten gehore brengen van onversterkte muziek buiten beschouwing, tenzij daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. Het ten gehore brengen van ‘lawaaiige’onversterkte muziek kan echter leiden tot onacceptabele geluidsoverlast, daarom zijn in dit artikel de reguliere geluidsvoorschriften van het Besluit van toepassing verklaard op onversterkte muziek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2/3/4 Door in het tweede lid de zinsnede ‘buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer’ op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van artikel 8.40 Wet milieubeheer van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, het Vuurwerkbesluit of een provinciale milieuverordening (zgn. milieubeschermingsgebieden, waaronder stiltegebieden) een afbakenings-discussie opleveren. Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 3:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens moet worden bedacht dat klachten over de hiervoor bedoelde vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3Bescherming van dieren en behoud van natuurschoon</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel is het mogelijk het verkeer in natuurgebieden en andere groenvoorzieningen te reguleren. Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken onder andere worden benut voor het parkeren van voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een 'oneigenlijk' parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de 'weg' (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare beplantingen enz. wordt verboden. Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vele gemeenten worden ook in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel opent de mogelijkheid voor het college daar een regeling voor te treffen. Het is dus nadrukkelijk niet de bedoeling dat door Staatsbosbeheer aangewezen ruiterpaden langs deze weg worden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook biedt dit artikel de mogelijkheid het 'wild crossen' aan te pakken. Wild crossen is crossen buiten daartoe speciaal aangewezen motorterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het 'wildcrossen' of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied kan een regeling worden opgenomen in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in een 'natuurgebied' als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening moeten worden afgebakend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Bij de onder a bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4Uiterlijk aanzien van de gemeente</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term \"bekladden\" ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 19 van de Universele verklaring van de rechten van de mens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van aanplakbiljetten en dergelijke is een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens, dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk is gebleken, dat daar waar geen toestemming van rechthebbenden kan worden verkregen, men aangewezen is op de gemeentelijke aanplakborden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeente dergelijke borden niet plaatst, kan dat in principe betekenen, dat er slechts in theorie sprake is van \"gebruik van enige betekenis\" van het onderhavige middel tot bekendmaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overeenstemming met jurisprudentie over het \"gebruik van enige betekenis\" in de praktijk zal de gemeente Emmen de mogelijkheid moeten bieden een voor ieder beschikbaar aanplakbord te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van het tweede lid, onder a, bevat ook het ‘doen’ plakken of het op andere wijze ‘doen’ aanbrengen van aanplakbiljetten die onder de verbodsbepaling vallen. De jurisprudentie heeft hiertoe aanleiding gegeven. Onder ‘doen’ aanplakken verstaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid ontheffing te verlenen van het dan nog resterende verbod met de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:10 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 7 beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken ('verspreiden') van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, en van en het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij geldt dat: een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) voor het gebruik van een bepaald middel van bekend-making dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft, niet is geoorloofd; een algemeen verbod tot zodanig gebruik evenmin is toegestaan; een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod mogelijk is, mits: die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte stukken, doch gesteld is in het belang van de openbare orde e.d.; gebruik 'van enige betekenis' overblijft; anders komt de beperking in feite neer op een algemeen verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar een elemnt van handelsreclame in zit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 1Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT) bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678, Stb. 1982,12).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huidige ontwikkelingen De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid, zowel in het kader van het toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang was de huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden mensen via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue), door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of indirect aangesproken. Bij de gehanteerde methoden - of het nu per brief of mondeling is - wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever (die op een relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de goede doelen-branche steeds verder is geprofessionaliseerd, wordt ook duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële) fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde machtigingen (klanten/leden/donateurs).</p>\n<p class=\"lf-p\">De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt aangegeven dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een legitimatie te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is, maar geeft aan dat het persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te werven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een inzamelingsvergunning ongewenst zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwacht wordt een grote toename van al dan niet commerciële inzamelaars, die zich op de dan vrije markt zullen begeven. De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is de reden om de inzamelingsvergunning niet uit de APV te schrappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een commercieel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is, wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Briefkaartenacties Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden. Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid van meningsuiting De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr. 41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van artikel 4:1. zijn de beide handelingen - het collecteren en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het bijzondere element '... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een ideëel doel is bestemd' nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken) Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid van artikel4:1 is een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden 'in besloten kring'. Voor deze uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking 'in besloten kring' doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het begrip 'besloten kring' veronderstelt een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het oude artikel 4:2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. Met deze wijziging van de APV is dit niet langer het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Er is besloten het vergunningstelsel af te schaffen, omdat in de meeste gemeenten venten geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van vergunningverlening is dat men de vergunning vrijwel altijd verleent onder dezelfde voorwaarden. Er is dan geen zinnige reden waarom een vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan ook achteraf worden aangepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico van achteraf controleren wordt niet veel groter geacht dan van het vooraf vaststellen van de voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Dienstenrichtlijn is een vergunning alleen proportioneel als een controle achteraf onvoldoende is. Wij zijn van mening dat de uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag ook gelden voor het verkopen van goederen. Volgens het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden aan de vrijheid van venten indien sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Het Hof van Justitie heeft op 23 februari 2006 betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitleg van de artikelen 28 en 30 EG, ingediend door het Landesgericht Klagenfurt (Oostenrijk), uitspraak gedaan in een zaak waarin de Duitse onderneming X zich bezighield met het venten van sieraden op het grondgebied van de Europese Unie, waarbij zij particulieren in particuliere woningen bezocht. Daar bood zij zilveren sieraden te koop aan en vergaarde zij bestellingen met betrekking tot dergelijke sieraden. De nationale, Oostenrijkse bepaling verbood deze handelingen. Het Hof bepaalde in de eerste plaats dat de regel niet discriminatoir mag zijn ten opzichte van de dienstverlener en verder dat moet worden nagegaan of de betrokken maatregel gerechtvaardigd is door een doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het Hof aan dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde doelstellingen, en of die maatregel evenredig is aan deze doelstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij dus om de noodzaak van de beperking en de proportionaliteit. Noodzakelijk zijn volgens de Dienstenrichtlijn die beperkingen die nodig zijn vanwege een dwingende regel van algemeen belang (de \"rule of reason\"). Deze omvat tenminste de volgende gronden: de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, waaronder onder meer - voor zover hier van belang - vallen: handhaving van de maatschappelijke orde, bescherming van afnemers van diensten, bescherming van kwetsbare volwassenen, consumentenbescherming, voorkoming van fraude, voorkoming van oneerlijke concurrentie en verkeersveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven. Dergelijke beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels moeten voldoen aan de \"rule of reason\" van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens artikel 4, van de Richtlijn vallen onder de definitie van eisen die gesteld kunnen worden: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke een bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Standplaatsen zijn afzonderlijke kramen waar goederen zoals oliebollen, ijsjes en loempia’s worden verkocht. Hiervoor is een vergunning vereist. Omdat de vergunning persoonsgebonden is, wordt een algemene regel niet goed mogelijk. Bovendien is het met het oog op het verdelen van de openbare ruimte niet wenselijk het aan de standplaatshouders over te laten waar de verkoopwagens komen te staan. De vergunning dient het verdelen van de beschikbare standplaatsen en het mogelijk maken van een maximumstelsel. De vergunning heeft voorts tot doel het uiterlijk aanzien van het straatbeeld te beheersen en het voorkomen van overlast, bijvoorbeeld stankoverlast en overlast door zwerfafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van het nieuwe artikel 1:5 wordt deze vergunning voor onbepaalde tijd geldig. Dit vermindert de administratieve lasten voor bedrijven aanzienlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 9 van de Europese Dienstenrichtlijn is een vergunningstelsel geoorloofd, indien het niet discriminatoir, noodzakelijk en evenredig is. Voor het noodzaakvereiste moet bezien worden of er een 'rule of reason' ofwel een dwingende reden van algemeen belang is. Een dwingende reden van algemeen belang is onder meer handhaving van de maatschappelijke orde en bescherming van het milieu en stedelijk milieu daaronder begrepen de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening. Hieraan is voor wat betreft het stelsel van standplaatsvergunningen mening voldaan. Gemeenten willen het immers met het oog op het verdelen en uiterlijk aanzien van de openbare ruimte niet aan standplaatshouders overlaten waar te gaan staan met de verkoopwagen. De vergunning dient het verdelen van de beschikbare standplaatsen en het mogelijk maken van een maximumstelsel. De vergunning heeft voorts tot doel overlast te voorkomen, bijvoorbeeld stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning is persoonsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid (weigeringsgronden) Het derde lid bevat een verwijzing naar de algemeen geldende weigeringsgronden van artikel 1:6, te weten: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien worden als weigeringsgronden aangemerkt: redelijke eisen van welstand en het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare orde Dit begrip omvat in ieder geval de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid (zedelijkheid), de bescherming van minderjarigen en dierenwelzijn (zedelijkheid) betreffen. We zullen de jurisprudentie van het Hof van Justitie moeten afwachten voor meer verduide-lijking van het begrip in het kader van de Dienstenrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersveiligheid De weigeringsgronden omtrent de openbare orde en openbare veiligheid bevatten de verkeersveiligheid. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend karakter. Door deze werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto's kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te nemen. Uit de jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken vergunningen in het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid is toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag voor het innemen van een standplaats op haar eigen merites beoordeeld moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke eisen van welstand Bij de herziening van 2004 is de weigeringsgrond 'uiterlijk aanzien van de gemeente' vervangen door ‘redelijke eisen van welstand’ vanwege het streven om de terminologie in de APV zo eenduidig mogelijk te houden. Bovendien sluit het aan bij de terminologie van de Woningwet. Er wordt van uitgegaan dat ‘uiterlijk aanzien’ en ‘redelijke eisen van welstand’ inhoudelijk dezelfde betekenis hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstands-commissie om advies te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien. Nu het bestaande voorzieningenniveau niet meer via een weigeringsgrond geregeld kan worden, moet men regels hieromtrent opnemen in het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzorgingsniveau en Europese dienstenrichtlijn De weigeringsgrond in het oude artikel (lid 3, sub c), te weten: ‘wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijke verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt’, is komen te vervallen, omdat de Dienstenrichtlijn deze grond niet als zodanig kent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien worden als weigeringsgronden aangemerkt: redelijke eisen van welstand en het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artkel 4:4 De zogenaamde snuffelmarkt onderscheid zich van een “gewone” markt of standplaats doordat ze niet in de open lucht, maar onder een dak plaatsvindt. Onder snuffelmarkten vallen bijvoorbeeld \"vlooienmarkt\", \"zwarte markt\", \"vrije markt\", \"snuffelmarkt\", “automarkt” en “bazaars”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van een snuffelmarkt is een vergunning verplicht. Deze vergunningplicht blijft met deze wijziging van de APV bestaan. Afschaffen is voor deze vergunning niet mogelijk, omdat met name voor grote markten de risico’s voor de openbare orde en veiligheid groot zijn; lex silencio positivo kan voor deze vergunning niet worden ingesteld, omdat de belangen van derden bij deze vergunning groot zijn. Als met een lex silencio positivo wordt gewerkt, is het niet mogelijk bezwaar of beroep in te stellen. Daarnaast is het in die gevallen niet mogelijk voorschriften te stellen aan de vergunning.</p></div>", "next": 239663}