{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">plan van aanpak : een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waar in de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. praktijkroute:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis va een loonwaardevaststelling op de werkplek professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn. respijtverblijf: respijtzorg betreft een specifieke vorm van ondersteuning ter ontlasting van de mantelzorger, waarbij ondersteuning wordt versterkt aan de mantelzorger op grond van (dreigende) overbelasting. De belangrijkste afweging bij het toekennen van respijtzorg betreft het concrete resultaat dat bestaat uit het duurzaam uitstellen of voorkomen van de noodzaak om duurdere/zwaardere ondersteuning in te zetten. samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet. uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. uitkeringsnorm: de voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. vermogen: totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag of een combinatie daarvan. werkgever:</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden i zijn organisatie. werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de Participatiewet met wie de werkgever een dienstvetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is. wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo 2015:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. woning: hoofdverblijf zorgarrangement:</p>\n<p class=\"lf-p\">Om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het zorgarrangement bestaat uit modules die specifiek betrekking hebben op de aard van de noodzakelijke begeleiding en het bijbehorend toezicht. In de beleidsregel Beschermd Wonen gemeente Bunschoten 2019 wordt een uitgebreide toelichting gegeven op de zorgarrangementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bunschoten van 18 april 2024,Raadsgriffier Drs. E. Hoogstraten VoorzitterM. van de Groep BIJLAGE1:‘TIJDNORMERING HUISHOUDELIJKE TAKEN BUNSCHOTEN’ Licht huishoudelijk werk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opruimen 60 min. per week Stof afnemen 90 min. bij aanwezigheid kinderen Bedden opmaken Planten water geven Er kan extra tijd worden gegeven bij PG-problematiek, communicatieproblemen, aantal kinderen &lt; 12 jaar, vervuilingsgraad en allergie. Zijn er taken die belanghebbende nog wel zelf kan doen, kan de tijd hiervoor in mindering worden gebracht. Bijvoorbeeld: Belanghebbende kan wel stof afnemen maar kan niet tillen/opruimen en het bed opmaken. 20 min. in mindering brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaar huishoudelijk werk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stofzuigen 90 min. per week bij 1 persoons Schrobben, dweilen/soppen van sanitair/keuken huishouden in kleine woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedden verschonen 180 min. per week bij 2 persoons Opruimen huishoudelijk afval huishouden of grote woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan extra tijd worden gegeven bij PG-problematiek, communicatieproblemen, aantal kinderen &lt; 12 jaar, vervuilingsgraad en allergie. Zijn er taken die belanghebbende nog wel zelf kan doen, kan de tijd hiervoor in mindering worden gebracht. Voorbeeld: Belanghebbende kan wel stofzuigen en de dochter helpt bij het bed verschonen maar de overige zware taken lukt niet meer. 20 minuten in mindering brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wasverzorging:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleding/linnengoed sorteren en wassen in machine 60 min. per week bij 1 persoons Centrifugeren, ophangen, afhalen of was drogen huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vouwen, strijken, opbergen 90 min. per week bij 2 personen Er kan extra tijd worden gegeven voor ieder kind &lt; 16 jaar + 30 minuten. Bij bedlegerige personen + 30 minuten. Extra bewassing door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies + 30 minuten. Zijn er taken die belanghebbende nog wel zelf kan doen, kan de tijd hiervoor in mindering worden gebracht. Voorbeeld: Belanghebbende kan niet meer strijken, maar doet de overige wasverzorging zelf. - 40 minuten in mindering brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Broodmaaltijden Broodmaaltijd klaarzetten 15 min. per keer Tafel dekken en afruimen Aanwezigheid kinderen &lt; 12 jaar Koffie/thee zetten 20 min. per keer Afwassen Opruimen Warme maaltijden bereiden (maaltijdvoorziening voorliggend):</p>\n<p class=\"lf-p\">Koken 30 min. per keer Tafel dekken en afruimen Aanwezigheid kinderen &lt; 12 jaar Afwassen 20 min. per keer Opruimen Organisatie van het huishouden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Plannen van werkzaamheden 30 minuten per week Plannen en beheren van middelen mbt. het huishouden Voor boodschappen wordt geen tijd gegeven omdat de boodschappenservice een voorliggende voorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2Erkenningseisen Jobcoach 2023 erkenningseis 1: Op basis van voornemens, handelingen, antecedenten is er voor de gemeente geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van een aanbieder die een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie doet, te twijfelen. is er sprake van een onherroepelijk vonnis of arrest of enig ander onherroepelijk rechterlijk oordeel dan wel een strafbeschikking van het Openbaar Ministerie jegens aanbieder volgens de op hem van toepassing zijnde wet- of regelgeving van een lidstaat van de Europese Unie gedaan, waarbij een delict is vastgesteld dat in strijd is met zijn beroepsgedragsregels of waarbij enige veroordeling is uitgesproken die relevant is voor de uitvoering van Jobcoaching; heeft aanbieder zich op enig moment op enigerlei wijze schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die in verband met het doen van een aanvraag tot erkenning als Jobcoachorganisatie kunnen worden verlangd of heeft aanbieder de betreffende inlichtingen niet verstrekt c.q. geweigerd deze te verstrekken erkenningseis 2: Aanbieder staat als rechtspersoon ingeschreven bij de Kamer vanKoophandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanbieder dient ter bevestiging van zijn identiteit aan te tonen ingeschreven te zijn als rechtspersoon bij de Kamer van Koophandel. erkenningseis 3: Aanbieder voldoet aan een passende aansprakelijkheidsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder beschikt over een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering waarbij aanbieder verzekerd is voor de aansprakelijkheid voor zaak- en personenschade door een verkeerde (be)handeling, een nalatigheid of een bedrijfsfout erkenningseis 4: Aanbieder borgt de kwaliteit van de Jobcoaching.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakbekwaamheid personeel Aanbieder beschikt over vakbekwaam personeel dat de Jobcoaching uitvoert. Aanbieder maakt daarbij gebruik van personeel met welke een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten of van zelfstandige personen waarmee een overeenkomst tot opdracht is gesloten. Jobcoach is (nog) geen erkend beroep en voor het vak van Jobcoach bestaat (nog) geen reguliere vakopleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen aan de vakbekwaamheid van het personeel: – de Jobcoach heeft een hbo-opleiding of hbo werk- en denkniveau; – de Jobcoach heeft een opleidingsmodule voor Jobcoach gevolgd of is in de praktijk binnen de organisatie opgeleid tot Jobcoach (in company training). Dit volgt uit de richtlijn vanuit de Beroepsvereniging Jobcoaches Nederland. erkenningseis 5: Aanbieder neemt de normen met betrekking tot privacy in acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteambtenaar die jobcoaching doet krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever. De ambtenaar heeft bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 65 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door gemeenteambtenaren in hun hoedanigheid van werknemers voor een bestuursorgaan dat verwerkingsverantwoordelijke is, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De gemeenteambtenaar dient de geheimhoudingsplicht van artikel 65 Participatiewet, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder krijgt – om de Jobcoaching te kunnen uitvoeren – toegang tot vertrouwelijke informatie over zowel de klant als de werkgever. Aanbieder heeft daarom bij de uitvoering van de Jobcoaching een geheimhoudingsplicht, die zijn grondslag vindt in artikel 74 van de Wet Suwi. Daarnaast is op de verwerking van de persoonsgegevens door aanbieder in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Aanbieder dient de geheimhoudingsplicht van artikel 74 van de wet Suwi, de bepalingen uit de AVG, alsmede de andere relevante wetgeving in het kader van de privacybescherming, strikt na te leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMENE TOELICHTING Beleidskader Sociaal Domein De aanleiding voor deze verordening, is het beleidskader Sociaal Domein 2019 – 2022, die de raad op 1 november 2018 heeft vastgesteld. Daarmee zijn we de lijn ingezet om te streven naar meer integraliteit, zowel in beleidsontwikkeling als in beleidsuitvoering. Dit om verkokering tegen te gaan en de inwoners vanuit een totaal plaatje van dienst te kunnen zijn. Bij de gemeente Bunschoten betreft het de kanteling naar meer dienstverlenend werken vanuit zelfsturende teams. Maar ook vanuit de principes om inwoners zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te laten zijn, in plaats van de verantwoordelijkheid bij de overheid te leggen. Daarnaast worden de ontwikkelingen van een verzorgingsstaat naar een participatieve samenleving - zowel lokaal als landelijk - meer en meer vorm gegeven. Dit is een verandering ten opzichte van uitvoeren vóór de decentralisaties, waarin vooral gekeken werd waar de mensen recht op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het daaropvolgende Integraal beleidskader sociaal domein 2024-2027 is vastgesteld door de gemeenteraad in december 2023. Integraliteit is in dit beleidskader ook weer een belangrijk thema.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgekeerd denken In deze verandering hoort ook het omgekeerd denken en “de omgekeerde toets”, waarbij we het gesprek aangaan met de inwoner over het doel van de vraag, in plaats van bespreken van een aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de omgekeerde toets kiest de gemeente uit een palet van wettelijke mogelijkheden, dwars door alle domeinen heen, en met maar één doel voor ogen: de inwoner zo goed mogelijk helpen. We denken mee met de inwoner over het effect dat hij wil bereiken en kijken of deze hulp-op-maat past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Vervolgens bekijken we welke voorzieningen we hebben om dit doel met en voor de inwoner te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdrachten gemeenteraad In deze verordening worden verschillende opdrachten aan de gemeenteraad vanuit de wetten vervuld. Hieronder zijn de opdrachten vanuit de verschillende wetten opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet, Wmo en Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Participatiewet De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid en de periode van de verlaging van de bijstand, bedoeld in artikel 18, vijfde en zesde lid; het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, waarbij de regels in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen; het verlenen van een individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b, waarbij de regels in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag; het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, eerste lid, waarbij de regels in ieder geval beschrijven onder welke voorwaarden welke personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en werkgevers van deze personen in aanmerking komen voor in de verordening te omschrijven voorzieningen en hoe deze rekening houdend met omstandigheden, zoals de zorgtaken, en het feit, dat die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b, of een andere structurele functionele beperking heeft, evenwichtig over deze personen worden verdeeld; het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c; de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding; de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, waarbij in ieder geval wordt beschreven welke regels gelden voor de premie indien onbeloonde additionele werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a waarbij die regels voor de premie in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval; het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast omtrent de wijze waarop de gemeente uitvoering zal geven aan het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het volgende op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar de gemeente ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1. inleiding toelichting</h3>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening komen de onderwerpen aan de orde uit de Jeugdwet, Wet maatschappelijk ondersteuning 2015, Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 waarom deze regels?</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels zijn er niet alleen omdat het vanuit een wet moet, maar ook om inwoners te informeren over wat wij als gemeente doen en wat wij van inwoners verwachten die een beroep op de gemeente doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 uitgangspunten Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 kernwaarden Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 artikel en wet Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. de hulpvraag</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Stap 1: melding bij de gemeente 2.1.1 indienen hulpvraag (Jeugdwet - Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij de gemeente worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Het kader hiervoor heeft de gemeente vastgesteld in het Besluit Electronisch berichtenverkeer Bunschoten 2013. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2 Procedure melding (Jeugdwet - Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Zoals hier vermeld is cliëntondersteuning op grond van de wet voor de inwoner kosteloos. Gemeenten hebben hiermee de opdracht in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is bij wet bepaald dat de gemeente de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen verantwoordelijkheid en kracht van de inwoner om een oplossing te vinden voor het probleem dat wordt voorgelegd, wordt bevestigd door de mogelijkheid voor de inwoner een persoonlijk plan in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk plan is een belangrijk document in de fase van vraagverheldering en onderzoek, omdat daarin de inwoner zelf een beeld geeft van de relevante feiten en omstandigheden, van te ondernemen acties en van resultaten die bijdragen aan zijn participatie in de samenleving. Door het opstellen van een persoonlijk plan geeft de inwoner blijk van eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. Het persoonlijk plan biedt de inwoner de mogelijkheid zelf optimaal vorm te geven aan het pakket van maatregelen en voorzieningen om het probleem op te lossen. Het geeft een goede uitgangspositie voor het inzetten van de juiste en passende acties. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat de gemeente gehouden is, voor zover een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk plan is nadrukkelijk aan de orde bij een aanvraag van een pgb en geeft inzicht in de keuze van een pgb boven verstrekking van hulp in natura. Op basis van de specificaties van het plan moet de hoogte van het budget op een zorgvuldige wijze kunnen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3 gegevens (Jeugdwet - Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) De Wmo 2015 gaat uit van een “aantoonplicht” voor de aanvrager. Ook artikel 8.1.2 van de Jeugdwet wordt dit beschreven. In artikel 17 van de Participatiewet, artikel 6 van de Wgs en artikelen 13 van de IOAW en IOAZ wordt deze aantoonplicht “inlichtingenplicht” genoemd. Beide termen betekenen dat het aan de inwoner is om alle relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Vervolgens is het aan de medewerker(s) van de gemeente om de juistheid van deze feiten te verifiëren. Daarbij is in de Participatiewet, IOAW en IOAZ vastgelegd welke bronnen de gemeente mag raadplegen voor verificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt vanzelf dat de inwoner door de medewerker(s) ondersteund wordt in het volledig en duidelijk presenteren van de relevante feiten en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Stap 2: gesprek na de melding 2.2.1 uitnodiging voor gesprek (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een inwoner gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2 doel en procedure gesprek (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.3 inhoud gesprek (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Voor een zorgvuldig onderzoek zal veelal sprake zijn van enige vorm van persoonlijk contact met de inwoner of een vertegenwoordiger van de inwoner, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de inwoner en zijn situatie verkregen kan worden. Daarom moet het onderzoek plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is belangrijk dat het gesprek met de inwoner wordt gevoerd door deskundigen (namens de gemeente). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de inwoner thuis plaats. Indien het over hulp op maat voor een geschikte woning gaat, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.4 Verslag (Jeugdwet – Wmo – Wgs) Dit artikel borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de inwoner een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor hulp op maat. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van hulp op maat noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat de gemeente en de inwoner dit plan ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de inwoner nog nadere informatie moet aanleveren of dat de inwoner onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is snelle levering van het verslag niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in lid 5 van 2.2.4. de mogelijkheid opgenomen om een door de inwoner ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Stap 3: aanvraag 2.3.1 aanvraag (Jeugdwet – Wmo- PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) In de Awb, de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ worden regels gegeven omtrent de aanvraag. De verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier de gemeente), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Wmo en Jeugdwet geldt dat een aanvraag ook een ondertekend plan van aanpak kan zijn overeenkomstig met artikel 2.2.4. lid 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat (Jeugdwet – Wmo - PW – Wgs) Voor de Wmo en de Jeugdwet kan naast de inwoner ook een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden een aantal begrippen genoemd: gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp­op­maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening wordt consequent gesproken over andere voorzieningen als het geen hulp-op-maat betreft. De Wmo 2015 noemt dit een algemene voorziening. Volgens de Wmo 2015 is een algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Een algemene voorziening is laagdrempelig en zonder toegangsbesluit beschikbaar voor alle inwoners van Bunschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene voorzieningen kan gedacht worden aan: boodschappendiensten van bijvoorbeeld supermarkten, pools voor rolstoelen en scootmobielen, en klussendiensten voor bijvoorbeeld kleine woningaanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze en andere algemene voorzieningen komen, met of zónder gemeentelijke inmenging, voor steeds meer personen beschikbaar. Een algemene voorziening is per definitie geen individuele voorziening en de wettelijke regels rond eigen bijdragen gelden niet. De gemeente kan wel een eigen bijdrage rekenen voor een algemene voorziening die bij verordening is ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is regelmatig verwarring tussen de begrippen algemene voorziening en een algemeen gebruikelijke voorziening. En hoe een algemene voorziening zich verhoudt tot algemeen gebruikelijke voorzieningen, collectieve voorzieningen en hulp-op-maat. Hieronder worden ter verduidelijking de verschillen uitgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo en komen daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Ook niet als sprake is van een laag inkomen, in dat geval is de Participatiewet voorliggend. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voor iedereen bereikbaar en behoren dus tot hetgeen inwoners zelf kunnen regelen (eigen kracht). Een voorziening is dus algemeen gebruikelijk als deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectieve voorzieningen Collectieve voorzieningen zijn algemene voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Een collectieve voorziening wordt ingezet op basis van de vraag. Een voorbeeld is de regiotaxi. Onder de Wmo 2015 vallen collectieve voorzieningen onder het begrip algemene voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.3 advisering (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ - Wgs – Awb) De gemeente kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.4 beoordelen aanvraag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.5 Beslistermijn (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4A, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Stap 4: beslissing 2.4.1 inhoud besluit (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) INHOUD BESLUIT AANVRAAG VANUIT DE WMO Uitgangspunt van de Wmo is dat de inwoner een hulp in natura krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid onder a, en derde lid, onder a wordt vastgelegd waarvoor het is bedoeld, door bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ te noemen en niet ‘een scootmobiel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder b, en derde lid, onder c: onder ‘wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder welke verplichtingen er voor hulp gelden, wordt binnen de Wmo in ieder geval verstaan dat een inwoner wordt geïnformeerd als sprake is van een te betalen bijdrage. Dit is uitsluitend ter informatie aan de inwoner. De gemeente neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening (hulp op maat) dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd wordt door het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2 verval van recht (Jeugdwet – Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 uitzonderingen 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. (Jeugdwet – Awb) Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jongere of zijn ouder precies nodig heeft. Een jongere kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via Veilig Thuis(voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2 spoedeisende gevallen (Jeugdwet – Wmo – PW – Wgs) In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. De gemeente is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. werk en participatie</h3>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 doelgroep (PW – IOAW – IOAZ) In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 onder a van de Participatiewet: personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet, personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en niet-uitkeringsgerechtigden Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren. De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 samenwerking (PW – IOAW – IOAZ) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 budget (PW – IOAW – IOAZ) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 evenwichtige verdeling en evaluatie (PW – IOAW – IOAZ) De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgtaken Bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn. Dit is ter beoordeling van het college Weigeringsgronden Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Die gronden vloeien voort uit de artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft hier een “kan-bepaling”, zodat het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindigingsgronden Het vijfde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3.4 vijfde lid. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemming Het zesde lid regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, het beste instrument tegen de laagste kosten verstrekt. Zijn er meerdere passende opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per (individuele) persoon gemaakt. Het zesde lid geeft ons regionale uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen weer; het beste instrument tegen de laagste kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet dienen er regels opgenomen te worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat zowel om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in het plan van aanpak. Deze bepaling biedt ook een grondslag voor het uitwisselen van de noodzakelijke informatie binnen het sociaal domein om tot de integrale aanpak te kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag doeltreffendheid Het college informeert de gemeenteraad over de effecten van de verordening in de praktijk (achtste lid). Hiertoe verzamelt het college systematisch de in het achtste lid genoemde gegevens. Met het opnemen van een jaarlijks verslag en toezending aan de cliëntenpanel en/of Adviesraad Sociaal domein wordt aangesloten bij de huidige werkwijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">VOORZIENINGEN 3.4.1 sollicitatie activiteiten (PW – IOAW – IOAZ) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.2 scholing (PW – IOAW – IOAZ) Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3 nazorg (PW – IOAW – IOAZ) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.4 tegemoetkoming kinderopvang (Jeugdwet – PW – IOAW – IOAZ – Awb) In principe is de tegemoetkoming kinderopvang via Belastingdienst Toeslagen geregeld. Via de Belastingdienst kunnen inwoners de kinderopvangtoeslag aanvragen. In sommige situaties vergoed de belastingdienst echter niet, of slechts een deel. In deze situaties is het mogelijk om als gemeente een tegemoetkoming te verstrekken, mits dit ten goede komt aan vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt van de inwoner of essentieel is voor de ontwikkelingskansen van het kind als ouders kampen met sociaal-medische problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.5 proefplaatsing (PW – IOAW – IOAZ) Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 11a geeft hier invulling aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proefplaatsing wordt met enige terughoudendheid toegekend, vanwege mogelijke verdringing op de arbeidsmarkt. Een participatieplaats en een proefplaatsing mogen elkaar niet uitsluiten, waardoor switchen tussen deze re-integratieinstrumenten mogelijk is als de situatie hier om vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.6 sociale activering (PW – IOAW – IOAZ) Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan: “het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Expliciet noemen wij hier ook werkzaamheden als lid van een stembureau. De aard van deze werkzaamheden zijn anders dan regulier vrijwilligerswerk omdat deze werkzaamheden niet met een bepaalde regelmatig gedurende een jaar plaatsvinden. De gemeente Bunschoten ziet dit wel als een vorm van participeren aan de samenleving waarvoor wij aan inwoners onze waardering willen laten blijken. De rechter heeft in een uitspraak in 2015 echter bepaald dat de vrijwilligersvergoeding voor deze werkzaamheden belast moeten worden (ECLI:NL:GHAMS:2015:1479). Hier kunnen wij als gemeente niets aan veranderen. Wij zijn echter van mening dat dit niet meer in lijn is met de huidige wet- en regelgeving waarbij het minimumuurloon al vele malen hoger is geworden sinds 2015. Deze vrijwilligersvergoeding is daarmee niet in lijn gestegen en dus stellen wij dat het hier niet gaat om een “marktconforme beloning”. Door deze vrij te laten voor de bijstandsuitkering gelijk de reguliere vrijwilligersvergoeding zoals omschreven in de Pwet art. 31 lid 2 onder k, wijken wij dus af van de huidige wetgeving maar zijn wij van mening wel in de geest te handelen van de Participatiewet Doelgroep sociale activering Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400).</p>\n<p class=\"lf-p\">College stemt duur activiteiten af op de persoon Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verdringing In het vierde lid is bepaald dat de sociale activering uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: eigen initiatief van de werknemer handicap ouderdomspensioen vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of gewettigd ontslag om dringende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.7 participatieplaats (PW) Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk. Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken (Kamerstukken II 2007/08, 31 577, nr. 3, p. 12). Er is gekozen voor een premie van telkens € 50,- per zes maanden. Daarmee houden we rekening met de risico’s van een armoedeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.8 werkgeverssubsidie (PW – IOAW – IOAZ – Awb) De gemeente kan een werkgever die een persoon uit de doelgroep in dienst neemt, een incidentele of in tijd gelimiteerde financiële tegemoetkoming verstrekken, anders dan de loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de Participatiewet. De werkgeverssubsidie wordt niet verstrekt als een beroep gedaan wordt of kan worden op financiële tegemoetkomingen op grond van andere regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.9 loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking (PW – Awb) De gemeente kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft. Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever het voornemen heeft een persoon die tot de doelgroep behoort een baan aan te bieden. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt de gemeente opgaven en inlichtingen van de inwoner, zijn (voormalige) begeleiders en de werkgever over de praktijkervaringen van de inwoner, bijvoorbeeld tijdens een stage van school, een leerwerkstage of proefplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen regelt het derde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Daarbij wordt aangesloten bij de periode van de forfaitaire loonkostensubsidie van maximaal 6 maanden. Er kan 6 maanden forfaitaire loonkostensubsidie ingezet worden, zodat binnen deze 6 maanden een beoordeling moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zevende lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen.) 3.4.10 loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in artikel 3.4.10 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 3.4.9. De in artikel 3.4.10 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet). Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). In het derde lid is de doelgroep opgenomen en in het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verdringing Het vierde lid bevat een verdringingsbepaling. Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 3.4.6 in de toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noodzakelijk De loonkostensubsidie kan alleen worden verstrekt als de werkgever geen aanspraak kan maken op een andere regeling die hem (gedeeltelijk) compenseert voor het feit dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer nog niet direct volledig inzetbaar is en mogelijk extra begeleiding nodig heeft. Ook als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer zonder subsidie ook wel kan worden aangenomen, bijvoorbeeld vanwege de krapte op de arbeidsmarkt, wordt de subsidie niet verstrekt. Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.11 beschut werk (PW) Beschut werk is een voorziening, bedoeld voor personen met een beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte werkomgeving, met structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing, werkzaamheden kunnen verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UWV adviseert de gemeente of een inwoner tot de doelgroep beschut werk hoort. Het advies van het UWV is bindend. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan de gemeente besluiten het advies niet op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente, op basis van het UWV-advies, heeft vastgesteld dat iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet de gemeente zorgen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstbetrekking krijgt, waar in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandigheden wordt gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks vast hoeveel mensen met een indicatie beschut werk de gemeente moet plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat echter iedereen aan zijn of haar re-integratie moet werken, biedt de gemeente ook aan de andere inwoners met een indicatie beschut werk een passende (tijdelijke) oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.12 persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen (PW – IOAW – IOAZ) Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zevende lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie of werkgeverssubsidie komen volgens artikel 10da van de Participatiewet in aanmerking voor persoonlijke ondersteuning. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115). De persoonlijke ondersteuning kan worden aangeboden in de vorm van een jobcoach. In overleg met de werkgever wordt gezocht naar de juiste inhoud en vorm voor een werknemer. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regelgeving van het UWV. Zoals bij het ‘Breed offensief’ wordt aangeraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.13 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beiden benoemd. Het eerste en tweede lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach). Subsidie kan niet verstrekt worden voor de kosten van opleiding tot jobcoach. De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat het college niet alleen subsidie kan verlenen voor jobcoaching die is bedoeld om de persoon in staat te stellen om de aan hem opgedragen taken in het kader van de arbeidsovereenkomst uit te voeren, maar dat de gesubsidieerde jobcoach ook een breder takenpakket kan uitvoeren. De jobcoach kan enkel ondersteuning geven gericht op het vinden van werk of bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs als de gemeente nadrukkelijk daar vooraf toestemming voor heeft gegeven. Deze ondersteuning kan ook alleen geboden worden als de werknemer op dat moment al betaald werk uitvoert en jobcoaching voor het behouden van werk al ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een training voor de collega van de persoon toekennen (interne werkbegeleider), zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Er is voor het indienen van een aanvraag gekozen voor een redelijke termijn van 8 weken na indiensttreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het achtste lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Hierin zijn de huidige richtlijnen vanuit de uitvoering opgenomen. Dit wordt minimaal 1 keer per jaar geëvalueerd. Het regime kan in de tijd mogelijk worden verlicht. Inzet hiervan is altijd maatwerk waarin de evaluatie momenten van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het negende lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van de begeleidingsregimes. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tiende lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het 11e lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.14 Ondersteuning voor de inzet van een vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3.4 en 3.4.12, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3.4 zesde lid, het beste instrument tegen de laagste kosten het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.15 Ondersteuning bij een motorische handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een motorische handicap. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.16 Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.17 Ondersteuning bij werkplekaanpassingen In artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneembare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).] 3.4.18 Ondersteuning bij een visuele handicap Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van een visuele of motorische beperking. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3.4 en 3.4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 tegenprestatie (PW – IOAW – IOAZ) In artikel 9, lid 1 onder c van de Participatiewet is aangegeven wat de verplichting tot tegenprestatie inhoudt: “verplichting om naar vermogen door de gemeente opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatschappelijk nuttige werkzaamheden Beperkt in omvang en tijdsduur Additioneel en niet verdringen Naar vermogen Wat niet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegenprestatie mag geen bestaande participatieplek of werkstage betreffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mag primair geen arbeidsinschakeling beogen, want dan betreft het een regulier re-integratietraject, maar secundair wel. Dit betekent: ervaring opdoen met op tijd komen, gedrag op werkvloer, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen ‘dwangarbeid’, dus geen sneeuwschuiven, want dat valt onder de normale burgerplicht op grond van artikel 4, lid 3, Europees Verdrag Rechten van de Mens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de “niet-kunners” en dus niet over de “niet-willers”. Afhankelijk van het vermogen tot arbeidsinschakeling heeft deze laatste groep een re-integratietraject dat leid naar werk of anderszins, en bij het niet nakomen van de verplichtingen is op deze groep het handhavings- en maatregelenbeleid (hoofdstuk 8 van deze verordening) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op bovenstaande: omdat de tegenprestatie geen re-integratietraject mag zijn, en geen verdringing op de arbeidsmarkt mag veroorzaken, is de groep in een re-integratietraject uitgesloten van de tegenprestatie. Deze groep moet begeleid worden naar werk en wordt verondersteld hier fulltime mee bezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening wordt dus iedereen geduid met een bijstandsuitkering: afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, heeft dus iedereen een traject: hetzij naar werk, hetzij naar maatschappelijk onbeloonde activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 meedoen in de samenleving (Wmo) 3.6.1 dagbesteding De doelstelling van dagbesteding is gelijk aan begeleiding. Dagbesteding is voorliggend op begeleiding. Persoonlijke begeleiding is pas aan de orde wanneer vanwege persoonskenmerken deelname aan groepsbegeleiding (nog) niet voldoet. Ook een combinatie van beiden vormen van begeleiding is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.2 persoonlijke begeleiding (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich 3.6.3 rolstoel (Wmo) Een transportrolstoel geldt als meeneembare vervoersvoorziening waarvoor in principe geen resultaatsverplichting in het kader van de Wmo aanwezig is. Nadrukkelijk is het hier van belang naar uitleenmogelijkheden te kijken, bijvoorbeeld in het kader van de Wlz en de Zorgverzekeringswet. Een elektrische rolstoel die uitsluitend voor buitengebruik bedoeld is betreft een vervoersvoorziening die qua gebruiksdoel gelijk is aan een scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.4 contact met anderen (Wmo) Bij het bepalen van de vervoersbehoefte wordt rekening gehouden met een lagere behoefte vanwege: intramuraal verblijf in een instelling; een samenvallende vervoersbehoefte; een beperkte vervoersbehoefte; andere aanwezige vervoersvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectief taxivervoer (regiotaxi) Personen die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kunnen ook onder de Wmo 2015 tegen gereduceerd tarief gebruik maken van de Regiotaxi (ofwel het collectief vraagafhankelijk vervoer). Deze voorziening wordt verstrekt door middel van het beschikbaar stellen van een Wmo-vervoerspas. Met deze pas reist men tegen een gereduceerd tarief tot maximaal 600 zones exclusief opstapzones per jaar. Het is niet mogelijk bij een beroep op deze voorziening keuzevrijheid te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een combinatie van vervoersvoorzieningen valt te denken aan een scootmobiel voor het verplaatsen rondom de woning en middellange afstanden naast een pasje voor collectief vervoer (vervoersdoel middellange en lange afstanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van openbaar en collectief vervoer heeft het primaat wanneer deze de inwoner in voldoende mate in staat stelt tot participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 meedoen aan sportactiviteiten (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 vervanging vervoermiddel of rolstoel (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. gezond en veilig opgroeien</h3>\n<p class=\"lf-p\">4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp (Jeugdwet) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 preventieve maatregelen (Jeugdwet) De gemeente is bevoegd door te verwijzen naar vrij toegankelijke hulp die is belegd in de sociale basisinfrastructuur en om beroep te doen op het netwerk van de hulpvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 hulp-op-maat (Jeugdwet) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 overgang van 18- naar 18+ (Wmo – Jeugdwet) In principe valt de jongere met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar niet meer onder Jeugdwet, maar onder de WMO of Zvw. Indien jongere na 18 jaar ook nog hulp nodig heeft, is het van belang zo goed mogelijk te ondersteunen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan worden besloten om hulp bij jeugdhulpbieder door te laten lopen, maar te financieren vanuit de WMO. De zorgaanbieder moet dan wel gecontracteerd zijn voor het betreffende Wmo product. Indien de zorgaanbieder niet gecontracteerd is kan eventueel PGB worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de verlengde Jeugdwet (18-23 jaar) valt alle jeugdhulp waar geen ander wettelijk systeem in voorziet na het 18e jaar: pleegzorg, pedagogische ondersteuning aan de jongere, specifieke jeugdhulp. Voor jeugdreclassering geldt geen leeftijdsgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambulante begeleiding individueel jeugd en dagactiviteiten jeugd kunnen niet als verlengde jeugdhulp worden ingezet omdat er in de Wmo vergelijkbare dienstverlening voorhanden is. Ambulante behandeling GGZ stopt op het moment dat jongere 18 wordt. De zorg wordt dan bekostigd uit ZVW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf in een gezinshuis en pleegzorg loopt standaard door tot 21 jaar en dit kan worden verlengd tot uiterlijk 23 jaar via de criteria van de verlengde jeugdhulp: het moet al lopend zijn en noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet) In het kader van het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur, wordt de hulp of begeleiding die door verschillende partijen gegeven wordt op elkaar afgestemd. En in samenspraak met het gezin vastgelegd in een verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente houdt oog op voorliggende wetten die verantwoordelijk zijn voor financiering van zorg. Indien er verschuiving plaatsvindt in de verantwoordelijke wet, ondersteunt gemeente de cliënt bij de aanvraag hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg kan worden gefinancierd uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet langdurige zorg: voortdurende, intensieve zorg, wanneer er sprake is van blijvende behoefte aan permanent toezicht vanwege een beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgverzekeringswet: problematiek die binnen de basisverzekering valt. Aanvullende verzekering is optioneel voor jongere en ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo 2015: woningaanpassingen, vervoer om te kunnen participeren, hulpmiddelen die bijdragen aan zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderwijswetten: ondersteuning gericht op het leerproces, behalen van onderwijsdoelen of helpen in onderwijsontwikkeling wordt bekostigd vanuit het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 afstemming langdurige zorg Lid 1 overgang naar de WLZ Wanneer jongeren levenslang en levensbreed zorg nodig hebben, vallen zij onder de Wet langdurige zorg (WLZ). De gemeente ondersteunt de jongere en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Dit is gebaseerd op de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel C: ‘Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jongere in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jongere of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe’. Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van het kind voorop staan. De jongere mag nooit het slachtoffer mogen worden van onwillige ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Veilig thuis Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. wonen in een veilige en gezonde omgeving</h3>\n<p class=\"lf-p\">5.1 uitgangspunten (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 geschikte woning (Wmo) Woontechnische aanpassingen hebben betrekking op voorzieningen die de woning geschikt maken voor specifieke beperkingen. Denk hierbij aan trapliften en het wegnemen van drempels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwtechnische aanpassingen zijn aanpassingen die ingrijpen op de constructie van de woning. Denk hierbij aan het verplaatsen van een steunmuur of veranderen van de dakconstructie. Deze aanpassingen zijn niet aan te merken als een Wmo voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.2 een schone en leefbare woning (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3 beschermd wonen (Wmo) Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de inwoner is aangewezen op ondersteuning in een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Daarnaast is het zo dat de maatwerkvoorzieningen zoals ambulante begeleiding geen passende bijdrage kunnen bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. Het college stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het college werkt nader uit wat onder zorgarrangementen wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 mantelzorg 5.3.1 ondersteuning mantelzorger (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.2 Mantelzorgwaardering (Wmo) Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening (andere voorziening), maatwerkvoorziening (hulp op maat) of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de mantelzorgwaardering wordt aangesloten bij de dag van de mantelzorg. De uitvoering wordt gedaan door welzijnsorganisatie ‘De Boei’. Er wordt op deze dag een activiteit georganiseerd voor mantelzorgers. Daarnaast wordt als blijk van waardering voor de mantelzorger een gift gegeven bestaande uit bon(nen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor de blijk van waardering voor de mantelzorger, dient de mantelzorger geregistreerd te staan bij de welzijnsorganisatie ‘De Boei’, die de mantelzorgondersteuning verzorgt. Registratie als mantelzorger vindt plaats wanneer men ten minste gemiddeld 8 u per week en drie maanden lang mantelzorg verleent.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. de vorm van de hulp</h3>\n<p class=\"lf-p\">6.1 hulp in natura (Jeugdwet – Wmo – PW – Wgs – Gemeentewet) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 hulp in geld (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Gemeentewet) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 persoonsgebonden budget (Wmo – Jeugdwet) 6.3.1 voorwaarden De gemeente kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1. van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van de gemeente worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zevende lid onder a geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder zevende lid onder K. inkomstenderving Uit jurisprudentie volgt dat in beginsel van ouders mag worden verwacht meer dan gebruikelijke hulp te verrichten voor hun kind, dus ook hulp die niet gebruikelijk is. Da geldt ook als een van ouders zijn of haar baan heeft opgezegd in verband met ondersteuning van het kind. Wel moet mogelijk worden uitgezocht of er sprake is van financiële zelfredzaamheid van de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder zevende lid onder L. besteding in het buitenland Uit jurisprudentie volgt dat een pgb kan worden gebruikt om in een ander EU-lidstaat hulp in te kopen. Omdat onvoldoende controle op kwaliteit kan worden uitgeoefend gaat de gemeente hier erg terughoudend mee om. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als het om hulp gaat die al in Nederland wordt ingezet en waarbij het gaat om een voortzetting in het buitenland van maximaal 6 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd wonen is primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling (zie ook artikel 5.2.3 van deze verordening). Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht of tenminste een overwegend deel van een etmaal en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. De gemeente stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van ondersteuning met noodzakelijk verblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op formele pleegzorg (artikel 6.3.1.7.F) Pleegzorg is zorg voor kinderen tot 21 jaar die door omstandigheden korte of langere tijd niet thuis kunnen wonen. Deze kinderen worden opgenomen in een pleeggezin. Er is onderscheid tussen informele zorg voor elkaar en formele pleegzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij formele pleegzorg is er een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgegeven en krijgen pleegouders begeleiding (of inzet jeugdhulp) en een pleegzorgvergoeding van de pleegzorgaanbieder. Dit staat beschreven in de wet. Om deze reden is er bij formele pleegzorg geen recht op een individuele voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.2 Pgb door hulp bij personen uit het sociale netwerk Dit artikel spreekt voor zich 6.3.3. hoogte en tarief pgb (Wmo – Jeugdwet) In dit artikel staat vermeld op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de hulp op maat. De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. De gemeente kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen hulp op maat al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door de gemeente ingekochte hulp in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de inwoner die is aangewezen op hulp-op-maat een uitvoeringsplan pgb moeten opstellen. Hoewel de gemeente bij het beoordelen van de voorwaarden ook op grond van art. 2.3.6 van de wet kan vragen om een budgetplan, ontleent de gemeenteraad deze bevoegdheid naar analogie van de opdracht in art. 2.1.3, tweede lid onder c van de wet. Hiermee wordt gewaarborgd dat de hulp-op-maat die met het pgb wordt ingekocht van voldoende kwaliteit is. Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelzorgovereenkomst van de Sociale verzekeringsbank (SVB). De modelzorgovereenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder hiermee worden gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op het 50% tarief voor informele hulp Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2023:1580 d.d. 16-08-2023) heeft er voor gezorgd dat het minimumloon voor informele hulp is komen te vervallen. De Raad oordeelt dat de hoogte van het pgb-uurtarief voor individuele begeleiding door iemand uit het sociaal netwerk moet worden gekoppeld aan het hoogste periodieke loon volgens de Functie Waardering Gezondheidszorg 30 (FWG 30) van de cao Verpleeg-en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), inclusief vakantietoeslag en verlofuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciaal voor de Wmo geldt ook:</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft op 17 mei 2017 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) een uitspraak gedaan over verboden delegatie bij de Wmo. De raad stelt dat de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan de gemeente. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze uitspraak is lid 5 van artikel 6.3.2. toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onderdelen a en b van lid 5 maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Onder iemand uit het sociale netwerk worden in ieder geval bloed- of aanverwanten in eerste en tweede graad verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn. Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis van het in de regio overeengekomen tarief voor hulp in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp op maat die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt” kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd Wonen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tarief voor het PGB Beschermd Wonen is gebaseerd op de tarieven zoals bepaald bij de inkoop van Zorg in Natura (ZIN) 2018. Het tarief is tot stand gekomen door middel van overleg met representatieve zorgaanbieders en vinden hun basis in de cao GGZ. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd en het college stelt jaarlijks de tarieven vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatie voor beschermd wonen bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. In het geval van overgangsrecht kan het oude tarief (75%) aan de orde zijn. Het kan dat de cliënt in aanmerking komt voor een PGB, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het PGB besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen (zie art. 28 van de nadere regel Wmo), dan kan het zijn dat de hoogte van het PGB als bedoeld in het eerste lid niet toereikend is. Voor die gevallen kan het college een aanvullende toeslag verstrekken in de vorm van een wooninitiatieventoeslag. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van PGB-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contact met anderen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vergoeding voor een vervoersvoorziening op basis van een pgb bepaalt het college de maximum budgetten per vervoersmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanpassingen van een auto (op basis van een pgb) geldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor noodzakelijke aanpassingen aan een eigen auto, die niet ouder is dan 3 jaar en de afschrijvingstermijn van de voorziening is ten minste vijf jaar, wordt een budget beschikbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overzetten van noodzakelijke voorzieningen in de eigen auto naar een andere auto wordt ongeacht de leeftijd van de auto waarin de voorziening wordt geplaatst een budget beschikbaar gesteld, tenzij de voorziening niet langer als adequaat kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het budget wordt verhoogd met de noodzakelijke kosten voor rij- en gewenningslessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4. verantwoording pgb (Wmo – Jeugdwet) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.5. opschorten pgb (Wmo) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4. wat is de eigen bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hoofdregel geldt binnen de Wmo dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend voor een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening (derde lid). De gemeente kan in de verordening voorts aangeven voor welke maatwerkvoorzieningen en voor welke algemene voorzieningen geen eigen bijdrage wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.1.4, derde lid, van de wet wijst de gemeente bij verordening algemene voorzieningen aan die onder de maximale eigen bijdrage vallen. Waaronder in ieder geval die algemene voorzieningen moeten worden aangewezen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met hulpverleningsrelatie wordt hier bedoeld dat de kenmerken “band, “doel” en taakopdracht” aanwezig zijn waarbij er een betrokkenheidaspect is tussen de cliënt en de hulpverlener waarbij continuïteit van die band van waarde is. Dit aspect en belang wordt voor de maatwerkvoorzieningen bijvoorbeeld gereflecteerd door artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015 (niet telkens een ander gezicht). De arbeidsverhouding op basis waarvan de maatschappelijkeondersteuning wordt verstrekt brengt in de regel werkgevers- en opdrachtgeververplichtingen met zich mee. Onder “duurzaam” wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden en algemene voorzieningen waarop de cliënt, vanwege de aard van de beperkingen, langdurige een beroep zou moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.1.4a, derde lid, van de wet kan de gemeente in de verordening bepalen dat het (collectief) vervoer zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van een algemene voorziening niet onder de maximale eigen bijdrage wordt gebracht. De gemeente mag voor deze voorziening zelf een eigen bijdrage bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente dient in de verordening aan te geven hoe de hoogte van de kostprijs van de maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening tot stand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening, uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus van belang – om een passende bijdrage te kunnen leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt – dat een algemene voorziening financieel toegankelijk is voor de cliënt. In individuele gevallen is het mogelijk dat dit niet het geval is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten). In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand niet mogelijk en komt de cliënt – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd wonen (in natura, intramuraal) en maatschappelijke opvang vallen buiten het abonnementstarief. Hiervoor blijven de huidige inkomensafhankelijke eigen bijdragesystematieken bestaan. Het pgb voor beschermd wonen (met wooncomponent) komt onder dezelfde systematiek te vallen als Beschermd wonen in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage in kosten voor hulp op maat (maatwerkvoorziening) mag niet meer bedragen dan de kostprijs. Wanneer sprake is van een product vallen de maandelijkse kosten en onderhoudskosten ook onder de kostprijs. De inwoner betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de hulp op maat (maatwerkvoorziening). De kostprijs van het pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de algemene voorziening huiselijke hulp voor mantelzorgers, bedoeld om mantelzorgers te ondersteunen, draagt de gemeente maximaal 1,5 uur per week bij. Voor de overige uren is de bijdrage van de inwoner gelijk aan de kostprijs van de aanbieder.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. inkomen en schulden</h3>\n<p class=\"lf-p\">7.1. lokaal inkomensbeleid (PW – Wgs – Wmo – Gemeentewet) Voor de komst van de Participatiewet was lokaal inkomensbeleid mogelijk waarbij bepaalde doelgroepen een geldbedrag ontvingen. Met de komst van de Participatiewet is dit niet meer mogelijk, met uitzondering van: een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering een individuele inkomenstoeslag of studietoeslag aan groepen, mits vastgelegd in een verordening; maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de Participatiewet, mits er een individuele toetsing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met individuele toetsing wordt bedoeld dat de gemeente moet kijken naar: omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1. wat wil de gemeente?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente legt in beleidsplannen vast hoe het beleid met betrekking tot lokaal inkomensbeleid voor een bepaalde periode er uit gaat zien. Dit zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsplan Sociaal Domein Beleidsplan Armoede en Schulden 2020-2023 In deze beleidsplannen wordt beschreven wat voor de verschillende doelgroepen geregeld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2. bijzondere bijstand (PW) In de Participatiewet is zeer gedetailleerd vastgelegd wat de bijzondere bijstand inhoudt. De keuzes die in de Participatiewet gevraagd worden aan de gemeente, zijn vastgelegd in de Nadere regels Bijzondere Bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3. zorgkosten (PW) Al jaren heeft de gemeente een contract met Achmea Zilveren Kruis voor een collectieve gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Door landelijke ontwikkelingen, bekijkt de gemeente nu jaarlijks wat de beste optie lijkt voor de meeste inwoners met een minimaal inkomen. Daarbij adviseert de gemeente de inwoner om vooral jaarlijks aan het eind van het jaar (november/december) de zorgverzekeringen te vergelijken op persoonlijke omstandigheden en mogelijke zorgkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4. individuele inkomenstoeslag (PW) De hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het recht op individuele inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd geen uitzicht heeft op inkomensverbetering in de laatste 12 maanden geen individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat: de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt; de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.1. doelgroep (PW) In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrale raad van beroep heeft geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2023:1788) dat een gemeenteraad in de verordening mag aangeven wat zij onder een laag inkomen verstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid onder b is ook bepaald dat er geen zicht mag zijn op een inkomensverbetering. Studenten worden hier expliciet uitgesloten van de individuele inkomenstoeslag. De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken. Verder is bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag de inwoner een zelfstandige huishouding moet hebben gevoerd tijdens de referteperiode. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor personen en huishoudens die door een gebrek aan inkomen geen mogelijkheden hebben te reserveren voor vervangingsuitgaven van duurzame gebruiksgoederen. Personen die geen zelfstandige huishouding voeren hebben in veel mindere mate te maken met vervangingsuitgaven. Op grond daarvan is in de verordening bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag er sprake moet zijn van het voeren van een zelfstandige huishouding. Van het voeren van een zelfstandige huishouding is geen sprake als de inwoner inwoont bij een of beide ouders of indien de inwoner langdurig verblijft in een AWBZ bekostigde verpleeginrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen. Zie voor de uitzondering artikel 7.4.2, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2. hoogte van de toeslag (PW) In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s naar boven. Onder de oude wet waren er toeslagen op de bijstandsnorm voor een alleenstaande en voor alleenstaande ouders. Het nieuwe systeem in de wet is anders (alleenstaande ouders krijgen bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag via de belastingdienst). Daarom wordt er voor de categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden bij de bepaling van de hoogte van de toeslag gekozen voor een afgeleide van de toeslag van echtparen. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70% van de toeslag voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3,2%) hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 januari 2017) bedraagt 3,2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag een bedrag van € 540.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De peildatum is de datum waarop een inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5. kinderen in armoede In het beleidsplan Armoede en schulden 2020-2023 is vastgelegd welke minimaregelingen de gemeente heeft. De minimaregelingen zijn in twee groepen verdeeld. Het kindpakket is een pakket aannminimaregelingen speciaal voor kinderen. Het volwassenenpakket is een pakket aan minimaregelingen waarop volwassenen aanspraak kunnen maken voor hunzelf of voor het gezin. We vinden het belangrijk dat kinderen kunnen meedoen. Meedoen met sporten, meedoen met kunst en cultuur, meedoen op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.1. doelgroep (PW – Gemeentewet) Met het kindpakket probeert de gemeente alle kinderen onder de 18 jaar te bereiken die afhankelijk zijn van het inkomen van hun ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om de kinderen mee te laten doen aan sporten, kunst en cultuur en op school, heeft de gemeente mogelijkheden binnen het kindpakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zoekt de gemeente zo veel mogelijk naar mogelijkheden van de kracht van de samenleving en de basiszorginfrastructuur. Daarbij gelden de criteria van deze professionele organisaties. Over het algemeen houden deze organisaties 120% van de bijstandsnorm aan als criterium voor ontoereikend inkomen. Als gemeente hanteren wij voor ons beleid een lager percentage voor onder andere bijzondere bijstand, studietoeslag en individuele inkomenstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2. inhoud kindpakket (PW – Gemeentewet) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6. tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval (Wmo) De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt binnen de Wmo bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan meer op zijn plaats zijn dan het verstrekken van hulp in natura. De mogelijkheid van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuiskostenvergoeding wordt alleen verstrekt als de inwoner redelijkerwijs niet had kunnen zien aankomen dat een woningaanpassing nodig zou zijn en er onvoldoende financiële draagkracht is. De vergoeding vindt plaats op declaratiebasis tot een maximum als aangegeven in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming voor meerkosten door extra afval is mogelijk als sprake is van specifieke problemen (waardoor bijvoorbeeld afval als stomamateriaal). Hiervoor geldt een forfaitaire vergoeding, zie hiervoor de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Levenfasegebonden problematiek als incontinentie is voor deze vergoeding uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7. schuldhulpverlening In het Integrale beleidskader Sociaal domein 2024-2027 is het beleid van de gemeente vastgelegd. Dit artikel beschrijft de verplichtingen van de gemeente als basis van dit beleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.1. samenwerking en toegang (Wgs) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7.2. schuldhulpverlening (Wgs) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 afspraken tussen inwoner en gemeente</h3>\n<p class=\"lf-p\">8.1. hoe gaan we met elkaar om?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.1. de rol van de gemeente (PW – IOAW – IOAZ – Wgs -Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb) De gemeente zoekt samen met de inwoner naar oplossingen. In lid 1 van dit artikel staat hoe de gemeente samen met de inwoner naar oplossingen zoekt. Als een inwoner verwacht dat de gemeente geld besteed aan de oplossing voor de inwoner, verwacht de gemeente dat de inwoner zich houdt aan de plichten bij deze oplossing. In het tweede lid is aangegeven dat de gemeente de inwoner goed moet informeren over de plichten en wat er gebeurt als een inwoner zich daar niet aan houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.2. de rol van de inwoner (PW – IOAW – IOAZ – Wgs -Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb) Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2. afspraken en verplichtingen over uitkeringen Als een inwoner zelf niet genoeg inkomen kan verdienen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft de inwoner recht op een uitkering. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om genoeg inkomen te krijgen om onafhankelijk te worden van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt gedetailleerd beschreven hoe de gemeente moet handelen als een inwoner niet voldoet aan de plichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een inwoner. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een dergelijke verlaging. De gemeente moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. De gemeente kan dan ook van een verlaging afzien als de gemeente daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen in de Participatiewet Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van inwoner aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. De herbeoordeling heeft slechts als doel vast te stellen of inwoner tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als de inwoner daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlaging op grond van de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat inwoner zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: inwoner beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd op grond van de verordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Sinds 1 juli 2010 heeft de gemeente de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een inwoner de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt</p></div>", "next": 239839}