{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een jongere krijgt hulp van een jeugdhulpverlener van de gemeente. Als hij tijdelijk een intensieve dagbehandeling volgt vanwege slaapproblemen, wordt de begeleiding door de jeugdhulpverlener aangepast. Na de behandeling wordt de hulp van de jeugdhulpverlener weer afgestemd op wat nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Jeugdhulp met verblijf (Segment V)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verblijfsvoorzieningen waar de jeugdige in een instelling of gezinshuis verblijft, vallen altijd onder Jeugdhulp met verblijf. In lid 2 worden de vormen van verblijf opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ is het uitgangspunt dat het verblijf de gezinssituatie zoveel mogelijk benadert. Ieder kind heeft een stabiele omgeving nodig. Dit betekent, dat het kind zo min mogelijk heen en weer wordt geplaatst, als het niet (meer) thuis kan wonen. En het liefst zo dichtbij mogelijk. Hiervoor is nodig dat de jeugdhulp zich naar het kind beweegt in plaats van andersom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal wordt ingezet op het voorkomen van zwaardere hulp dan pleegzorg en residentiële zorg door de inzet van Buurtgezinnen. Hiermee wordt een schakel toegevoegd aan de keten van jeugdhulpverlening. Er is een aanpak in ontwikkeling gericht op het bieden van perspectief aan kinderen die verblijven in een gezinshuis of in een andere vorm van verblijf waarbij toegewerkt wordt naar een snellere en veilige terugkeer naar huis, naar het wonen bij een pleeggezin of naar (begeleid) zelfstandig wonen. Hiervoor wordt, in een vroeg stadium van de plaatsing van het kind, in bijvoorbeeld een gezinshuis een vangnet voor het kind gecreëerd, door relevante partners (zoals de school en de woningcorporatie) intensief te betrekken bij het verblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.11 over Jeugdhulp met verblijf (Segment V)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is het nodig dat een kind of jongere tijdelijk ergens anders woont dan thuis. Bijvoorbeeld in een:</p>\n<p class=\"lf-p\">Instelling, Gezinshuis, Pleeggezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit noemen we jeugdhulp met verblijf. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De gemeente moet hiervoor een besluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is het doel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kind moet zo thuis mogelijk kunnen opgroeien. Dat betekent:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een stabiele plek, met zo min mogelijk verhuizingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Liefst in de buurt van het eigen gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp past zich aan aan het kind, niet andersom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerking De gemeente werkt samen met organisaties zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buurtgezinnen (voor lichte ondersteuning), Gezinshuizen of instellingen (voor zwaardere hulp), Scholen en woningcorporaties (voor een goed vangnet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel is altijd om te kijken of het kind weer veilig thuis kan wonen, of zelfstandig verder kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Emma (14 jaar) woont tijdelijk in een gezinshuis omdat het thuis niet veilig is. De gemeente zorgt ervoor dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Emma op dezelfde school kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haar ouders betrokken blijven bij de hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gewerkt aan een veilige terugkeer naar huis of een andere stabiele woonplek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoersvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel zijn ouders verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind naar de locatie waar de jeugdhulp wordt gegeven. Een vervoersvoorziening kan bij uitzondering worden toegekend als sprake is van een medische noodzaak tot vervoer, of op grond van beperkingen in zelfredzaamheid van de jeugdige, gezin en/of opvoeder en/of het (sociale) netwerk. De voorwaarden voor vervoer staan in artikel 4.7. Het college neemt deze voorwaarden mee bij de beoordeling van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.12 over hulp van de gemeente bij vervoer naar jeugdhulp?</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is het voor een kind of jongere lastig om zelf naar de plek te gaan waar hij of zij jeugdhulp krijgt. Bijvoorbeeld naar een therapie of dagbehandeling. In dat geval kan de gemeente helpen met vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie is verantwoordelijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe zijn ouders zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als dat echt niet lukt, kan de gemeente een vervoersvoorziening regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer kan vervoer worden toegekend?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kijkt of:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er een medische reden is waarom het kind niet zelf kan reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kind of het gezin niet zelfredzaam genoeg is om het vervoer te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sociale netwerk (bijvoorbeeld familie of buren) ook geen oplossing kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt dit op basis van de regels in artikel 4.7 van de verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Ernstige Dyslexiezorg (segment D)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie viel tot 1 januari 2015 onder de Zorgverzekeringswet en het regiem van de geestelijke gezondheidszorg. Met inwerkingtreding van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor deze zorg en valt zij onder de noemer ‘jeugdhulp’. In de Jeugdwet (of het Besluit of Regeling Jeugdwet) is deze vorm van jeugdhulp niet nader afgebakend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 januari 2015 is door gemeente de voor die tijd gegroeide praktijk voortgezet. De afbakening van dyslexiezorg krijgt vorm in artikel 4.8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.13 over hulp bij Ernstige dyslexiezorg (Segment D)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen met ernstige dyslexie kunnen hulp krijgen via de gemeente. Deze hulp valt onder de Jeugdwet en is bedoeld voor kinderen die veel moeite hebben met lezen en/of spellen, ondanks extra hulp op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is ernstige dyslexie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kind heeft een grote en blijvende achterstand in lezen en/of spelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De school heeft al extra hulp gegeven, maar dat was niet genoeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een onderzoek nodig om vast te stellen of het echt om ernstige dyslexie gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de regio Zaanstreek wordt gewerkt volgens de landelijke richtlijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteuningsprofielen (hoog)specialistische jeugdhulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.14 eerste lid Het college heeft de specialistische, hoogspecialistische jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf ingekocht. Specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp is onderverdeeld in elf ondersteuningsprofielen. Een ondersteuningsprofiel is een cluster van hulpvragen waarmee de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en zijn ouders wordt gecategoriseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.14 tweede lid, derde lid en vierde lid Het ondersteuningsprofiel is een integraal pakket, wat betekent dat de betrokken jeugdhulpaanbieders geacht worden alle benodigde jeugdhulp binnen dit ondersteuningsprofiel te kunnen bieden. Een jeugdige kan meerdere hulpverleners hebben (bijvoorbeeld een jeugdhulpaanbieder en een hulpverlener uit het Lokale team. Of meerdere jeugdhulpaanbieders die samenwerken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.14 vijfde lid Het ondersteuningsprofiel is een integraal pakket, op het niveau van de jeugdige en niet op gezinsniveau. Hiervoor is gekozen omdat kinderen binnen één gezin soms zeer diverse ondersteuningsbehoeften kunnen hebben. Het is niet realistisch om te verwachten dat alle ondersteuning aan verschillende kinderen binnen één gezin binnen één ondersteuningsprofiel past. Dit betekent niet dat de jeugdhulp binnen een ondersteuningsprofiel alleen op het kind gericht is. De bijbehorende ondersteuning richting de ouder hoort er ook altijd bij. Wanneer binnen een gezin verschillende kinderen jeugdhulp vanuit verschillende ondersteuningsprofielen ontvangen – en mogelijk daardoor ook door verschillende jeugdhulpaanbieders dan dienen zij onderling de hulp af te stemmen, al dan niet met ondersteuning van het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.14 zesde lid In de verordening is opgenomen dat een individuele jeugdhulpvoorziening in crisissituaties kan starten zonder dat een perspectiefplan is opgesteld. In artikel 3.2, laatste lid is bepaald dat met crisishulp begonnen kan worden zonder voorafgaand besluit van het college. Deze crisishulp valt dan onder ondersteuningsprofiel 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.14 over de ondersteuningsprofielen bij specialistische jeugdhulp?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft verschillende soorten specialistische jeugdhulp ingekocht. Deze hulp is verdeeld in 11 ondersteuningsprofielen. Elk profiel past bij een bepaalde soort hulpvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is een ondersteuningsprofiel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een profiel is een pakket van hulp dat past bij de situatie van het kind en het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevat alle soorten hulp die nodig zijn, zoals begeleiding, behandeling of verblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat als er meerdere kinderen in een gezin hulp nodig hebben?</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk kind krijgt een eigen profiel, omdat hun hulpvragen kunnen verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpverleners moeten goed samenwerken, eventueel met hulp van het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij crisissituaties Als er spoedhulp nodig is, mag de hulp direct starten, ook zonder een volledig plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze hulp valt dan onder profiel 11: crisis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Liam (13 jaar) heeft gedragsproblemen en moeite op school. Hij krijgt hulp via profiel 3, waarin begeleiding en behandeling zijn opgenomen. Zijn zus Eva (10 jaar) heeft vooral last van angst en krijgt hulp via profiel 5. De hulpverleners stemmen hun aanpak af, zodat het gezin goed wordt ondersteund.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Intensiteiten specialistische individuele voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.15 eerste en tweede lid Jeugdhulp binnen een ondersteuningsprofiel kan geboden worden met een bepaalde omvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de jeugdhulp wordt uitgedrukt in intensiteiten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen jeugdhulp gericht op Herstel en jeugdhulp met een Duurzaam karakter. Bij Herstel gaat het om hulpverleningstrajecten met een duidelijk resultaat dat binnen een korte (perspectief) of langere (intensief) periode behaald kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de intensiteiten ‘Duurzaam’ is de verwachting dat stabilisatie het hoogst haalbare resultaat is. Ondersteuning is dan altijd voor lange tijd (soms zelfs altijd) nodig. Afhankelijk van de zwaarte van de problematiek wordt dan gekozen voor de intensiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Specialistische jeugdhulp worden vier intensiteiten onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Perspectief: korte duur, lage Intensiteit (resultaat = beter worden/ herstel/ ontwikkelen) Intensief: lange duur, hoge Intensiteit (resultaat = beter worden/ herstel/ ontwikkelen) Duurzaam – licht: lage Intensiteit (resultaat = stabiliseren) Duurzaam – zwaar: hoge Intensiteit (resultaat = stabiliseren) Artikel 2.15 derde lid Bij specialistische jeugdhulp (segment B en lage intensiteiten van segment C [perspectiefplan vrij]) bepaalt de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en/of diens ouders de benodigde intensiteit van de hulp. Het Jeugdteam kan hiervoor een zwaarwegend advies meegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hoogspecialistische jeugdhulp (segmenten C en V) geldt een Perspectiefplanverplichting. Dit betekent dat voor de toewijzing van een SPIC of Product en voorafgaand aan de aanvang van de specialistische jeugdhulp, een door het Lokaal Team (of GI) geaccordeerd Perspectiefplan aanwezig moet zijn. Indien de Gecertificeerde Instelling verwijst, wordt het Gezinsplan aangemerkt als Perspectiefplan. Het Perspectiefplan vraagt om afstemming tussen Lokaal Team (of GI), jeugdhulpaanbieder en de Jeugdige / het Gezin. De toe te wijzen SPIC is gebaseerd op de in het Perspectiefplan geformuleerde resultaten, en komt tot stand in samenspraak tussen Lokaal Team en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder geeft hierin advies en het Lokale Team bepaalt uiteindelijk de SPIC. Het starten van specialistische jeugdhulp zonder toewijzing is niet toegestaan, tenzij sprake is van crisis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.15 over hoeveel hulp er nodig is? (Intensiteiten) Als een kind of jongere specialistische jeugdhulp krijgt, kijkt de gemeente ook naar hoeveel hulp nodig is. Dat noemen we de intensiteit van de hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn twee soorten doelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Herstel – de hulp is tijdelijk en gericht op beter worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzaam – de hulp is langdurig en bedoeld om de situatie stabiel te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn vier soorten intensiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naam Duur Hoeveelheid hulp Doel Perspectief Kort Weinig Herstel / ontwikkeling Intensief Lang Veel Herstel / ontwikkeling Duurzaam – licht Lang Weinig Stabiliseren Duurzaam – zwaar Lang Veel Stabiliseren Wie bepaalt de intensiteit?</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij lichtere hulp (bijvoorbeeld Segment B): de jeugdhulpaanbieder bepaalt dit samen met het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij zwaardere hulp (Segment C of V): er moet eerst een perspectiefplan zijn, goedgekeurd door het Lokaal Team of een Gecertificeerde Instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder dit plan mag de hulp niet starten, behalve in een crisissituatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Herbeoordeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.16 eerste lid Er kan, als dat nodig blijkt, van een lichtere naar een zwaardere intensiteit opgeschaald worden (of omgekeerd: afgeschaald).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.16 tweede lid In dit lid is geregeld dat het college (de facto het Lokaal team) de noodzaak van de voortzetting van specialistische en hoog-specialistische jeugdhulp periodiek kan her beoordelen. Als bij de herbeoordeling blijkt dat hulp nog steeds nodig is, hoeft geen nieuw besluit genomen te worden. Wanneer er geen of andere zorg nodig is, wordt dit natuurlijk wel in een nieuw besluit vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.16 over hoeveel hulp er nodig is en hoe lang? (Herbeoordeling van intensiteit) Als een kind of jongere specialistische jeugdhulp krijgt, wordt er gekeken naar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoeveel hulp nodig is (de intensiteit), Hoe lang die hulp nodig is. ⬆️ Opschalen of ⬇️ afschalen Als de situatie verergert, kan de hulp zwaarder worden (opschalen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het beter gaat, kan de hulp lichter worden (afschalen) Herbeoordeling De gemeente (meestal het Lokaal team) kijkt regelmatig of de hulp nog nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat zo is, hoeft er geen nieuw besluit te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de hulp niet meer nodig is of moet veranderen, dan komt er wel een nieuw besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Stapelen en samenloop van Jeugdhulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.17 eerste lid Stapelen van SPIC’s (Specialistische Producten in de Contractering) Niet toegestaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerdere SPIC’s voor één jeugdige bij één jeugdhulpaanbieder, binnen hetzelfde segment en dezelfde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee crisis-SPIC’s tegelijkertijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel toegestaan (uitzonderingen):</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisis-SPIC naast reguliere SPIC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegzorg regulier gecombineerd met logeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegzorg regulier gecombineerd met pleegzorg deeltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zak- en kleedgeld mag naast verblijf-SPIC’s lopen, volgens de voorwaarden in de factsheet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisis buiten kantooruren mag naast een andere crisis-SPIC: iHub via CH112 Levvel via CH113 Artikel 2.17 tweede lid Samenloop van jeugdhulp is toegestaan in de volgende situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerdere SPIC’s bij verschillende aanbieders binnen hetzelfde segment en periode, mits er een perspectiefplan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinatie van SPIC uit segment B of C met segment V bij dezelfde aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinatie van SPIC uit segment B, C of V met een crisis-SPIC bij dezelfde aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting stapelen SPIC’s Bij specialistische jeugdhulp in Zaanstreek-Waterland mag één aanbiederniet meerdere SPIC’s inzetten voor dezelfde jeugdige, binnen hetzelfde segment en dezelfde periode. Dit heet stapelen en is niet toegestaan, behalve in een paar specifieke gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op het verbod Crisis-SPIC naast reguliere SPIC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegzorg regulier met logeren of deeltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zak- en kleedgeld naast verblijf-SPIC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisis buiten kantooruren (CH112 of CH113) naast andere crisis-SPIC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld stapelen Casus: Een jeugdige zit in een pleeggezin via aanbieder X. De aanbieder wil daarnaast ook logeeropvang inzetten in weekenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegestaan? Ja, combinatie pleegzorg regulier met logeren is een uitzondering op het stapelverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet toegestaan zou zijn: Als aanbieder X voor dezelfde jeugdige in dezelfde periode twee reguliere SPIC’s binnen segment B aanvraagt, bijvoorbeeld voor individuele begeleiding én groepsbegeleiding. Dat is stapelen en dus niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld samenloop Casus: Een jeugdige van 15 jaar heeft te maken met ernstige gedragsproblemen en een vermoeden van een licht verstandelijke beperking (LVB). Hij woont thuis, maar de thuissituatie is instabiel. Er is sprake van schooluitval en risico op uithuisplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop van SPIC’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">SPIC uit segment C: Ambulante behandeling LVB.</p>\n<p class=\"lf-p\">SPIC uit segment V: Begeleiding in een kleinschalige woonvorm (tijdelijk verblijf) bij dezelfde aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisis-SPIC: Kortdurende crisisinterventie in de thuissituatie na een agressie escalatie thuis, bij een andere aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom toegestaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De SPIC’s vallen onder de toegestane combinaties: segment C + V bij dezelfde aanbieder en een crisis-SPIC bij een andere aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een perspectiefplan opgesteld waarin duidelijk staat hoe de verschillende vormen van hulp elkaar aanvullen en wat het einddoel is (terugkeer naar huis, schoolherstel, stabilisatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lokaal team, zorgaanbieders en ouders werken samen aan het verbeteren van de situatie voor de jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat: Door deze samenloop kon de jeugdige in een veilige omgeving verblijven, werken aan zijn gedragsregulatie en tegelijkertijd ambulante behandeling in de thuissituatie krijgen. De crisisinterventie was kortdurend en gericht op het voorkomen van langdurige uithuisplaatsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Afspraken met aanbieders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In dit artikel is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders aan moeten voldoen, die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 2.17 over de afspraken die de gemeente moet maken met jeugdhulpaanbieders?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente koopt jeugdhulp in bij organisaties die deze hulp geven. Met deze organisaties maakt de gemeente duidelijke afspraken over:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke hulp ze moeten bieden, Hoe vaak en hoe lang de hulp duurt, Wat de kwaliteit van de hulp moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom zijn deze afspraken belangrijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze zorgen ervoor dat kinderen en jongeren goede hulp krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze maken duidelijk wat er beschikbaar is aan hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze helpen de gemeente om de hulp goed te regelen en te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitseisen De wet stelt eisen aan de kwaliteit van jeugdhulp. Bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp moet veilig, effectief en passend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpverleners moeten deskundig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze eisen staan niet in de verordening zelf, maar worden opgenomen in de contracten tussen de gemeente en de hulpverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede tot en met vierde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat medisch verwijzers vrij om naar jeugdhulp te verwijzen. De medisch verwijzer legt contact met een jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdhulpaanbieder verwacht dat er sprake is van: hoog-specialistische jeugdhulp, specialistische jeugdhulp voor multi probleemgezinnen, verblijf, meer dan één voorziening tegelijk, dient de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige/het gezin contact zoeken met het Jeugdteam om een toewijzing te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen dient het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.1. te worden uitgevoerd en dit onderzoek moet vastgelegd worden in een perspectiefplan of een verslag zoals bedoeld in 4.4. Met deze werkwijze beoogt de gemeente dat de brede gezinssituatie een plek krijgt in het perspectiefplan, wat van belang is bij jeugdigen met een complexe ondersteuningsnoodzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders zwaarwegende bezwaren hebben tegen de betrokkenheid van het Jeugdteam, kunnen zij, indien er sprake is van een artsverwijzing, gebruik maken van een opt-out-regeling. Ook in die gevallen dient een perspectiefplan te worden opgesteld voordat de hoog-specialistische jeugdhulp kan starten, maar deze zal dan tot stand komen zonder betrokkenheid (accordering) van het Jeugdteam. Het college besluit dan tot de inzet van hoog-specialistische jeugdhulp op basis van de melding van de jeugdhulpaanbieder dat een arts verwezen heeft en een perspectiefplan aanwezig is, maar de jeugdige en/of zijn ouders van de opt-out-regeling wensen gebruik te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 3.1 over de toegang naar jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts?</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms heeft een kind of jongere hulp nodig bij opgroeien of psychische problemen. Die hulp heet jeugdhulp. Je kunt jeugdhulp op twee manieren krijgen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de gemeente (bijvoorbeeld via het Lokale team).</p>\n<p class=\"lf-p\">Via een verwijzing van een arts (zoals de huisarts, jeugdarts of medisch specialist) Bij een verwijzing van een arts/specialist stuurt hij/zij je door naar een jeugdhulpaanbieder. Je hoeft dan niet eerst naar het Lokale team van de gemeente. De gemeente betaalt de hulp alleen als de aanbieder een contract heeft met de gemeente. Kies je een aanbieder zonder contract? Dan moet je, als de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan geven door een aanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, de hulp zelf betalen of een persoonsgebonden budget (pgb) aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is er meer ingewikkelde hulp nodig, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf (bijvoorbeeld in een instelling), Hulp voor gezinnen met meerdere problemen, Meerdere soorten hulp tegelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan moet de jeugdhulpaanbieder samen met het gezin contact opnemen met het Lokale team. Er wordt dan een breed plan gemaakt (perspectiefplan) waarin staat welke hulp nodig is op de verschillende leefgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil je geen contact met het Jeugdteam, maar heb je wel een verwijzing van een arts? Dan mag je dat aangeven. Er moet dan nog steeds een perspectiefplan komen, maar zonder hulp van het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld uit de praktijk Situatie: Een 13-jarige jongen heeft last van paniekaanvallen. Zijn moeder gaat met hem naar de huisarts. De huisarts verwijst hem naar een jeugdhulpaanbieder die gespecialiseerd is in angstklachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder doet een intake en stelt vast dat er hulp nodig is. Omdat het om gewone jeugdhulp gaat, hoeft het gezin niet eerst naar het Jeugdteam. De gemeente betaalt de hulp, omdat de aanbieder een contract heeft met de gemeente. Als later blijkt dat de jongen ook verblijf of intensieve hulp nodig heeft, dan schakelt de aanbieder alsnog het Jeugdteam van de gemeente in om samen een perspectiefplan te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang jeugdhulp via de gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 4.1 verwerkt en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste tot en met vierde lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen, betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 4.1). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een pgb-plan in moeten dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college dan nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 3.2 over de toegang naar jeugdhulp via de Gemeente?</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms hebben jeugdigen hulp nodig bij opgroeien of psychische problemen. Ouders of jeugdigen kunnen dan zelf contact opnemen met de gemeente voor jeugdhulp. Dit werkt op de volgende manier:</p>\n<p class=\"lf-p\">Melden van de hulpvraag Ouders of jeugdigen vertellen hun verhaal aan de gemeente. De gemeente helpt om duidelijk te maken wat precies het probleem is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesprek en onderzoek Er volgt een of meer gesprekken met een medewerker van de gemeente (bijvoorbeeld van het Jeugdteam). Samen kijken ze welke hulp nodig is. Soms wordt ook een familiegroepsplan gemaakt: een plan dat ouders en familie zelf opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de gemeente De gemeente beslist of jeugdhulp nodig is. Als dat zo is, dan komt er een beschikking: een officieel besluit waarin staat welke hulp wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Termijn De gemeente moet binnen 10 weken een besluit nemen. Soms kan het sneller, bijvoorbeeld bij spoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoedhulp Als er direct hulp nodig is (bijvoorbeeld bij een crisissituatie), mag de hulp al starten vóór het besluit. De gemeente moet dan binnen vier weken alsnog een officieel besluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld uit de praktijk Situatie 1: Reguliere hulpvraag - Een moeder maakt zich zorgen over haar 10-jarige dochter. Ze is vaak boos, slaapt slecht en heeft moeite op school. De moeder belt het Jeugdteam van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een medewerker van het Jeugdteam plant een gesprek met de moeder en dochter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen bespreken ze wat er aan de hand is en welke hulp nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De moeder maakt samen met haar familie een familiegroepsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente bekijkt het plan en besluit dat er hulp komt van een jeugdhulpaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen 10 weken ontvangt de moeder een beschikking waarin staat welke hulp wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie 2: Crisissituatie - Een vader belt in paniek het Jeugdteam: zijn 15-jarige zoon is agressief, dreigt met zelfbeschadiging en is weggelopen van huis. De situatie is onveilig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het jeugdteam schakelt direct een crisisdienst in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zoon wordt nog dezelfde dag opgevangen bij een crisisopvanglocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp start meteen, zonder dat er al een officieel besluit (beschikking) is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen vier weken na de start van de hulp moet de gemeente alsnog een beschikking afgeven waarin staat welke hulp is ingezet en waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet. Dit betekent dat zowel de jeugdige als zijn ouders afzonderlijk (of samen) gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1 - inventariseer de vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.1 over het onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen bij de gemeente, moet de gemeente eerst goed onderzoeken wat er precies nodig is. Dit gebeurt in gesprekken met de jeugdige en zijn ouders. Het doel is om een duidelijk beeld te krijgen van de situatie thuis en van de problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er tijdens het onderzoek?</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesprekken voeren Er worden één of meer gesprekken gevoerd met de jeugdige en zijn ouders. Samen bekijken ze wat er speelt en wat nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraag eventueel aanpassen Als tijdens het gesprek blijkt dat een andere hulp beter past, kan de aanvraag worden aangepast tijdens het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning De gemeente geeft uitleg over de mogelijkheid om hulp te krijgen van een vertrouwenspersoon of cliëntondersteuner. Deze mensen helpen gratis en zijn onafhankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Familiegroepsplan Ouders mogen een eigen plan maken met familie of bekenden. Dit heet een familiegroepsplan. Ze hebben twee weken de tijd om dit in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf oplossen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jeugdige of ouders zelf een oplossing vinden, mogen ze de aanvraag stoppen. De gemeente bevestigt dit schriftelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stappen in het onderzoek Het onderzoek bestaat uit vijf stappen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de hulpvraag?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zijn de problemen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoeveel hulp is nodig?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat kunnen de ouders en het netwerk zelf doen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke hulp is dan nog nodig?</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemming met andere wetten Soms krijgt een jeugdige ook hulp via andere wetten, zoals de Wmo, Wlz of Zvw. De gemeente moet dit goed op elkaar afstemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechten van de jeugdige De jeugdige wordt zoveel mogelijk betrokken bij het onderzoek. Vanaf 16 jaar mag hij zelf beslissen over zijn behandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 4.1, lid 5 van deze verordening geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 4.2, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies inzicht geeft op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.2 over het deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen, moet de gemeente goed onderzoeken welke hulp nodig is. Daarvoor is deskundigheid nodig. Dit betekent:</p>\n<p class=\"lf-p\">De juiste kennis bij elke stap Bij elke stap van het onderzoek (zoals beschreven in artikel 4.1) moet iemand met de juiste kennis meedenken. Soms is dat een arts of psycholoog, soms een andere specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medisch advies Als er medische informatie nodig is, kan de gemeente vragen om een medisch advies. De jeugdige of ouders moeten hieraan meewerken, anders kan de gemeente niet goed bepalen welke hulp nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke deskundigen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigen moeten geregistreerd zijn, bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Kwaliteitsregister Jeugd;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het register Kinder- en Jeugdpsycholoog;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of in het BIG-register (voor medische beroepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo weet je zeker dat het om mensen gaat met de juiste opleiding en ervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijk advies De persoon die de hulp uitvoert, mag niet zelf beslissen of die hulp nodig is. Dat voorkomt belangenverstrengeling. De gemeente moet ook controleren of het advies goed is onderbouwd en actueel is. Wanneer het onderzoek wordt uitgevoerd door een geregistreerde kinderpsycholoog van het jeugdteam wordt het advies besproken in een multidisciplinair overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Een jeugdige van 12 heeft moeite met leren en is vaak boos op school. Zijn vader meldt zich bij het Jeugdteam. Tijdens het onderzoek blijkt dat er mogelijk sprake is van ADHD of een leerstoornis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker van het Jeugdteam doet psychologisch onderzoek of vraagt dit aan wanneer het te complex is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het onderzoek niet uitgevoerd wordt door een geregistreerde kinderpsycholoog van het jeugdteam volgen onderstaande stappen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geregistreerde kinderpsycholoog onderzoekt de jeugdige en schrijft een advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente controleert of het advies duidelijk is en of het goed is onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit advies beslist de gemeente welke hulp wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp wordt uitgevoerd door een andere organisatie dan degene die het advies gaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Identificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.3 over identificatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moet zeker weten wie je bent als je jeugdhulp aanvraagt. Daarom moet de jeugdige en zijn ouders zich identificeren (bijvoorbeeld met een ID-kaart of paspoort). Zo weet de gemeente dat de hulp bij de juiste persoon terechtkomt. Dit is belangrijk om misbruik te voorkomen en om te zorgen dat de hulp rechtmatig wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Een moeder meldt haar 15-jarige zoon aan bij het Jeugdteam voor jeugdhulp. Tijdens het eerste gesprek vraagt de medewerker om een legitimatiebewijs van de jeugdige en van de moeder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom?</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te controleren of de aanvraag klopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om zeker te weten dat de hulp aan de juiste jeugdige wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder identificatie kan de gemeente geen beschikking afgeven voor jeugdhulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De inhoud van het perspectiefplan (of het verslag) is in de verordening niet in detail beschreven, behalve dat in het perspectiefplan de in artikel 4.1 genoemde onderwerpen aan de orde komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het perspectiefplan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen zoals vastgelegd in het perspectiefplan. De relevante informatie uit het perspectiefplan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het Jeugdteam aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om hoog-specialistische jeugdhulp heeft de gemeente ook in haar contracten met de jeugdhulpaanbieders bepaald, dat zij niet mogen starten met de hulpverlening voordat een perspectiefplan opgesteld is. Voor deze complexe en in de regel meervoudige jeugdhulp is het brede perspectief van het grootste belang om effectieve jeugdhulp te kunnen verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurlijk gelden bij het delen van het perspectiefplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in hoofdstuk 7.3 van de wet. Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen die niet van belang is voor de hulp aan een jeugdige. Het is aan de ouders om in samenspraak met het Jeugdteam (of arts) te bepalen welke informatie in het perspectiefplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het Jeugdteam (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van de jeugdige tegen elkaar afgewogen te worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy-protocollen van de uitvoerders zal hieraan aandacht besteed worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.4 over het verslag?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen bij de gemeente, wordt er een onderzoek gedaan. De uitkomsten van dit onderzoek worden opgeschreven in een verslag of perspectiefplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in het verslag?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat er besproken is in de gesprekken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de hulpvraag is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de gemeente adviseert;</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke hulp eventueel nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er met het verslag?</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn ouders mogen het verslag lezen en aanvullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn ouders moeten het verslag ondertekenen. Dat is nodig om de aanvraag compleet te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jeugdige en/of zijn ouders het niet eens zijn met het advies in het verslag, mogen ze een eigen aanvraag doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als blijkt dat er geen hulp nodig is of als blijkt dat de hulpvraag kan worden opgelost met het eigen netwerk, een andere of overige voorziening, dan geldt het ondertekende verslag als intrekking van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delen van het verslag Bij hoog-specialistische hulp mag de hulp pas starten als er een perspectiefplan is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en/of ouders mogen zelf kiezen, in overleg met het Jeugdteam, welke informatie in het perspectiefplan komt en gedeeld wordt met de jeugdhulpaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moet rekening houden met de privacy van de jeugdige en zijn ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Een jeugdige meldt zich met zijn vader bij het Jeugdteam. Hij heeft last van angstklachten en slaapproblemen. Er volgen gesprekken met een medewerker van het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerker schrijft een verslag van het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn vader lezen het verslag en voegen een opmerking toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn vader ondertekenen het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente gebruikt het verslag om te beslissen welke hulp wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het om hoog-specialistische hulp gaat, wordt het perspectiefplan gedeeld met de hulpaanbieder, maar alleen met de informatie die de jeugdige en zijn vader willen delen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor toekenning van een individuele voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de geldende Beleidsregels indicatiestelling Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Dit betekent ook dat als de voorziening in de vorm van pgb verstrekt wordt, het pgb-bedrag gebaseerd wordt op de goedkoopst passende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (Databank erkende interventies gehandicaptenzorg ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende en achtste lid Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.5 over de criteria voor toekenning van een individuele voorziening?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een individuele voorziening is een vorm van jeugdhulp die speciaal wordt afgestemd op wat een jeugdige nodig heeft. De gemeente kijkt goed of deze hulp echt nodig is. Dat heet maatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zijn de voorwaarden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een echte hulpvraag zijn De hulp moet nodig zijn door psychische, sociale of gedragsproblemen, of een beperking. Normale dingen die bij opgroeien horen, vallen niet onder jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerst kijken naar andere oplossingen De gemeente kijkt eerst of de hulpvraag opgelost kan worden met andere voorzieningen, zoals algemene hulp, of hulp via school. Als die hulp niet genoeg is of te lang duurt voordat de hulp kan starten, dan kan een individuele voorziening worden ingezet. (Boven) Gebruikelijke zorg Jeugdhulp is bedoeld voor kinderen die meer zorg nodig hebben dan past bij een gezonde ontwikkeling. Zorg die past bij een gezonde ontwikkeling noemen we ook wel ‘gebruikelijke zorg’. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet valt onder jeugdhulp vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de geldende Beleidsregels indicatiestelling Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goedkoopste passende hulp Als er meerdere passende oplossingen zijn, kiest de gemeente de goedkoopste die goed genoeg is. Dit geldt ook als ouders een persoonsgebonden budget (pgb) aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effectieve hulp De gemeente mag hulp weigeren als die niet bewezen effectief is. Ze gebruiken daarvoor betrouwbare bronnen zoals het Nederlands Jeugdinstituut of GGZ-standaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet elke hulpvraag is jeugdhulp Problemen die vooral bij ouders liggen (zoals een vechtscheiding of geldproblemen) vallen niet altijd onder jeugdhulp. Dan kan andere hulp beter zijn, zoals schuldhulpverlening of lotgenotencontact.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering bij complexe situaties Als er meerdere problemen zijn in het gezin én er is een hulpvraag voor de jeugdige, dan moet de gemeente wel jeugdhulp bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 Een jeugdige van 13 heeft moeite met plannen en huiswerk maken. Zijn moeder meldt zich bij het Jeugdteam omdat ze denkt dat hij ADHD heeft en jeugdhulp nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het onderzoek blijkt dat de jeugdige geen psychische stoornis heeft, maar vooral moeite heeft met structuur en motivatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De school biedt aan om extra begeleiding te geven via een interne coach.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt dat deze onderwijsvoorziening voldoende is en dat er geen individuele jeugdhulp nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpvraag wordt opgelost via school, en er komt geen beschikking voor jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2 Een vader meldt zich bij het Jeugdteam. Hij zit in een vechtscheiding met zijn ex-partner. De communicatie is slecht en dit zorgt voor spanningen bij hun 10-jarige dochter. Hij vraagt jeugdhulp aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het onderzoek blijkt dat de problemen vooral liggen bij de ouders en hun conflict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen directe hulpvraag vanuit de jeugdige zelf, en de jeugdige functioneert verder goed op school en thuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente stelt voor om gebruik te maken van lotgenotencontact voor gescheiden ouders en eventueel mediation.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen jeugdhulp ingezet, omdat de situatie beter past bij andere vormen van ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 3 Een jeugdige van 11 heeft moeite met sociale contacten en is vaak verdrietig. Zijn moeder vraagt jeugdhulp aan via het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente onderzoekt of er echt sprake is van een hulpvraag door psychische of sociale problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kijken eerst of de jeugdige geholpen kan worden via school of een algemene voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de problemen complex zijn en de schoolhulp niet voldoende is, wordt een individuele voorziening ingezet: begeleiding door een jeugdpsycholoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kiest een passende en betaalbare aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp is opgenomen in een beschikking en start binnen enkele weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid van dit artikel geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 4.1, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Op de in artikel 4.1, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.6 over de beoordeling van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kijkt eerst of een jeugdige en zijn ouders zelf of met hulp van anderen hun problemen kunnen oplossen. Pas als dat niet lukt, kan de gemeente jeugdhulp geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betekent dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kind. Daar horen soms ook tegenslagen bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kijkt of ouders en het netwerk (zoals familie of vrienden) zelf hulp kunnen bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt gekeken of ouders hulp (kunnen) krijgen via bijvoorbeeld een zorgverzekering of school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ouders het echt niet zelf kunnen, dan kan de gemeente jeugdhulp inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kijkt bijvoorbeeld naar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Of ouders overbelast zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of ze genoeg kennis of vaardigheden hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er beperkingen zijn om de noodzakelijke hulp te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 Situatie: Een moeder vraagt jeugdhulp aan voor haar 8-jarige zoon, die moeite heeft met slapen, is snel boos en heeft last van onzekerheid. De moeder werkt parttime, heeft een druk gezin en heeft een klein sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Lokale team voert gesprekken met de moeder en haar zoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijk sprake van lichte opvoedproblemen, maar geen psychische stoornis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt dat de moeder voldoende probleemoplossend vermogen heeft om haar zoon te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De moeder krijgt tips van het Centrum Jong en volgt een opvoedcursus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpvraag wordt hiermee opgelost zonder inzet van een individuele voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2 Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vader zorgt alleen voor zijn 14-jarige dochter met autisme. Hij werkt fulltime en heeft geen familie in de buurt. Hij raakt overbelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente onderzoekt of hij het zelf kan oplossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van overbelasting en weinig steun uit het netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente besluit dat er jeugdhulp nodig is, bijvoorbeeld begeleiding aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vader krijgt ook hulp om zijn werkuren aan te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor de beoordeling aanvraag Jeugdwetvervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste tot en met derde lid Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een vervoersvoorziening wordt niet verstrekt als aparte voorziening, als er bij de indicatie individuele voorziening een SPIC wordt afgegeven waar de vervoersvoorziening als onderdeel is opgenomen in de individuele voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tiende lid Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.7 over de criteria voor de beoordeling van een aanvraag Jeugdwetvervoer?</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms moet een jeugdige reizen naar een plek waar hij of zij jeugdhulp krijgt. In sommige gevallen kan de gemeente helpen met vervoer. Maar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zijn de regels?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders zijn in principe zelf verantwoordelijk Ouders moeten hun kind meestal zelf brengen en halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen bij noodzaak De gemeente helpt alleen met vervoer als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er een medische reden is, Of als de jeugdige niet zelfstandig kan reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms zit vervoer al in de hulpA ls vervoer al onderdeel is van de toegekende hulp (bijvoorbeeld bij een verblijf), dan wordt het niet apart geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beslist De gemeente bekijkt per situatie of de aanvraag voor jeugdwetvervoer voldoet aan de regels. En zal alleen dan een indicatie voor jeugdwetvervoer toewijzen Goedkoopste passende oplossing Als vervoer nodig is, kiest de gemeente de goedkoopste manier die goed genoeg is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een jeugdige van 15 uit Edam moet twee keer per week naar een behandelgroep in Zaandam. Hij heeft een angststoornis en durft niet met het openbaar vervoer. Zijn moeder werkt overdag en kan hem niet altijd brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">De moeder vraagt vervoer aan bij het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente onderzoekt of de jeugdige echt niet zelfstandig kan reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt vastgesteld dat er sprake is van een beperking in zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente besluit dat vervoer nodig is en regelt een taxi via een gecontracteerde vervoerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit de goedkoopste passende oplossing is, wordt deze toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2 Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een moeder uit Wormer vraagt vervoer aan voor haar 14-jarige dochter, die wekelijks naar een therapiegroep in Zaandam moet. De dochter heeft lichte sociale angstklachten, maar is lichamelijk gezond en kan zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. De moeder heeft een auto en flexibele werktijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente onderzoekt of vervoer echt noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen medische noodzaak en de jeugdige is zelfredzaam genoeg om met de bus te reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De moeder heeft bovendien de mogelijkheid om haar dochter te brengen als dat nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt dat er sprake is van voldoende eigen kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor vervoer wordt afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor de beoordeling aanvraag Dyslexiezorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Zaanstreek wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie Protocol Dyslexie Diagnostiek &amp; Behandeling | Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie Zie ook de toelichting bij artikel 2.13 van deze verordening Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om ernstige hardnekkige achterstand op het gebeid van lezen en/ of spelling die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.8 over de criteria voor de beoordeling van een aanvraag dyslexiezorg?</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige jeugdigen hebben ernstige dyslexie. Dat betekent dat ze grote moeite hebben met lezen en/of spellen, ook al hebben ze al extra hulp gekregen op school. In sommige gevallen kan de gemeente dan hulp bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zijn de regels?</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen bij ernstige dyslexie (ED) De gemeente geeft alleen hulp als er echt sprake is van ernstige dyslexie. Dat moet blijken uit een officieel onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">School moet eerst helpen De school moet eerst zelf extra hulp geven. Pas als dat niet genoeg helpt, kan er een aanvraag gedaan worden voor dyslexiezorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek en behandeling in één Als de jeugdige wordt doorgestuurd, mag de behandelaar eerst een onderzoek doen. Als daaruit blijkt dat het om ernstige dyslexie gaat, mag de behandeling direct starten. Er is dan geen tweede aanvraag nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling volgens landelijke richtlijnen De behandeling moet voldoen aan de landelijke regels voor goede dyslexiezorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een leerkracht van groep 6 merkt dat een leerling, Sam (9 jaar), grote moeite heeft met lezen en spellen. Ondanks extra hulp op school blijft Sam achter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De school meldt Sam aan bij dyslexieaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die controleert of het leerlingdossier compleet is en of er genoeg extra hulp is geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dossier is op orde. De dyslexieaanbieder start een onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sam wordt onderzocht door een erkende behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek blijkt dat Sam ernstige dyslexie heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling start direct, zonder dat er een nieuwe aanvraag nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente neemt de diagnose over en geeft een beschikking af.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Kinderopvang en buitenschoolse opvang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of Buitenschoolse Opvang Plus (BSO+).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.9 over de kinderopvang en buitenschoolse opvang?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is niet verantwoordelijk voor gewone kinderopvang of buitenschoolse opvang (BSO). Dat is de taak van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkgevers;</p>\n<p class=\"lf-p\">En de overheid via de Wet op de kinderopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer wél jeugdhulp?</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als een jeugdige extra begeleiding nodig heeft die:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet door de leidsters van de opvang kan worden gegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">En niet van de ouders verwacht kan worden …dan kan de gemeente jeugdhulp inzetten. Maar alleen als het gaat om ontwikkelingsdoelen, zoals hulp bij (ernstige) gedragsproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan ook andere vormen van dagbesteding aanbieden, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een medisch dagverblijf;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kinderdagcentrum;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zorgboerderij;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of een Buitenschoolse Opvang Plus (BSO+).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een 5-jarige jeugdige uit gaat naar de BSO. Hij heeft autisme en vertoont soms agressief gedrag. De leidsters weten niet goed hoe ze hiermee om moeten gaan. De ouders vragen hulp aan bij het Jeugdteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente onderzoekt of de BSO de juiste plek is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt dat de begeleiding die nodig is te specialistisch is voor de BSO.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente besluit om jeugdhulp in te zetten via een BSO+, waar speciaal opgeleid personeel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige krijgt daar begeleiding gericht op zijn ontwikkeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Nu het verslag van het onderzoek een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit vormt, wordt dit verslag of het perspectiefplan ook toegestuurd, bij voorkeur tegelijk met de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is uitgelegd dat het besluit tot toekenning vastgelegd wordt in een beschikking. Een beschikking is een schriftelijk besluit dat op een concreet geval/een individuele persoon is gericht. De inhoud van de beschikking is beperkt. Alleen de keuze specialistische hulp of hoog specialistische hulp, het ondersteuningsprofiel en bij hoog-specialistische jeugdhulp ook de intensiteit, liggen in het besluit vast. Andere zaken – zoals omschrijving hulpvraag en het resultaat – worden vastgelegd in het perspectiefplan. Hiermee wordt ook voorkomen dat te veel privacygevoelige gegevens in de gemeentelijke beschikkingenadministratie vast komen te liggen. De jeugdige of diens ouders kunnen met het besluit zelf voor één van de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders kiezen. Het Jeugdteam kan hierbij adviseren. De keuze voor een bepaalde aanbieder ligt niet vast in het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jeugdhulpaanbieder en het college (de gemandateerde professional) het niet eens zijn over de intensiteit (of het ondersteuningsprofiel), is contractueel vastgelegd dat de jeugdhulpaanbieder, het Jeugdteam en het gezin er éérst in gezamenlijk overleg uit moeten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van dit artikel zijn de onderdelen opgenomen die minimaal in een beschikking behoren te staan. Uit de beschikking moet voor de aanvrager immers duidelijk zijn waar zij recht op hebben en hoe tot dat besluit is gekomen. Ook als de individuele voorziening wordt afgewezen, moet de motivering van de afwijzing duidelijk toegelicht worden in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de duur/looptijd van een beschikking geldt in beginsel voor zowel zorg in natura (ZIN) als bij een persoonsgebonden budget een maximale geldigheidsduur tot de jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. In beginsel omdat dit anders kan zijn als sprake is van verlengde jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van pleegzorg, loopt de beschikking wettelijk gezien door tot de jeugdige de leeftijd van 21 jaar bereikt. Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e levensjaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 4.10 over de inhoud van een beschikking individuele jeugdhulpvoorziening?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige of zijn ouders jeugdhulp krijgen, dan legt de gemeente dit vast in een beschikking. Dat is een officieel besluit waarin staat welke hulp wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in de beschikking?</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking is gebaseerd op het onderzoek en de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staat in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Of het gaat om specialistische of hoog-specialistische hulp;</p>\n<p class=\"lf-p\">Welk ondersteuningsprofiel van toepassing is;</p>\n<p class=\"lf-p\">En bij hoog-specialistische hulp: de intensiteit van de hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere informatie, zoals de hulpvraag en doelen, staan in het perspectiefplan (niet in de beschikking zelf, om privacy te beschermen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige of ouders mogen zelf kiezen uit de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen hulp wordt toegekend, moet de gemeente dit goed uitleggen in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe lang geldt een beschikking?</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe tot de jeugdige 18 jaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij pleegzorg kan dit doorgaan tot 21 jaar, tenzij de jeugdige eerder wil stoppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een jeugdige van 16 heeft last van depressieve klachten. Na onderzoek door het Jeugdteam wordt besloten dat hij specialistische hulp nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gebeurt er dan?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente stelt een beschikking op.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking staat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het gaat om specialistische jeugdhulp, Het gekozen ondersteuningsprofiel, De duur van de hulp (tot zijn 18e verjaardag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het perspectiefplan met doelen en afspraken wordt meegestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn ouders kiezen zelf een passende hulpaanbieder uit de lijst van gecontracteerde organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo stelt het college een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 5.2 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het pgb-plan vormt een aanvulling op het perspectiefplan, maar vervangt deze niet. De hulpvraag en te bereiken resultaten liggen vast in het perspectiefplan. De details met betrekking tot onder andere de motivatie voor de aanvraag van een pgb, uitvoerder van de pgb-zorg en de kosten liggen vast in het pgb-plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid wordt geregeld wanneer geen pgb wordt verstrekt, omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. De opsomming is niet limitatief. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden,dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is dwingend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 5.1 over het pgb?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft, kan dat via zorg van de gemeente (zorg in natura) of via een pgb. Een pgb is een geldbedrag waarmee je zelf zorg kunt inkopen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Wat moet je doen als je een pgb wilt?</div>\n<p class=\"lf-p\">Je moet een pgb-plan invullen. De gemeente heeft hiervoor een vast formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat plan leg je uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom je zelf zorg wilt regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe je dat gaat doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de zorg die je kiest goed genoeg is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de zorg kost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat je weet wat er bij een pgb komt kijken (zoals administratie en afspraken maken).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Wanneer krijg je een pgb?</div>\n<p class=\"lf-p\">Je krijgt een pgb als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Je goed kunt inschatten wat je nodig hebt en wat je rechten en plichten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Je uitlegt waarom je de zorg van de gemeente niet passend vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg die je zelf kiest van goede kwaliteit is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Wanneer krijg je géén pgb?</div>\n<p class=\"lf-p\">Als er twijfels zijn over de zorgverlener die je kiest (bijvoorbeeld als die niet betrouwbaar is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als je niet voldoet aan de regels uit de wet (bijvoorbeeld als de zorg niet veilig of goed genoeg is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld van goedgekeurde pgb-aanvraag Situatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Liam is 14 jaar en heeft autisme. Zijn ouders merken dat hij het best geholpen is door een vaste begeleider die hem goed kent. De gemeente biedt zorg aan via een grote organisatie, maar daar wisselen de begeleiders vaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat doen de ouders?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze vragen een pgb aan. In het pgb-plan schrijven ze:</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom ze zelf zorg willen regelen (Liam heeft baat bij vaste gezichten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie de zorg gaat geven (een ervaren begeleider die Liam al kent).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de zorg kost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ze weten hoe ze het pgb moeten beheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zegt de gemeente?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente ziet dat de ouders goed hebben nagedacht, dat de zorgverlener betrouwbaar is en dat de zorg past bij Liam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Pgb-vaardigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden blg-833053.pdf:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);</p>\n<p class=\"lf-p\">Goed werkgeverschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voeren van een administratie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ 10 punten pgb-vaardigheid. In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.</div>\n<p class=\"lf-p\">Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 5.2 over pgb-vaardigheid?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als iemand een persoonsgebonden budget (pgb) wil, moet diegene (of een vertegenwoordiger) goed kunnen omgaan met de taken die daarbij horen. De gemeente kijkt of iemand dat kan. Als dat niet zo is, kan de gemeente de aanvraag afwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat moet iemand kunnen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon of vertegenwoordiger moet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Weten welke hulp nodig is en die hulp kunnen aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf zorg kunnen regelen en aanpassen als dat nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goed kunnen omgaan met zorgverleners (als werkgever).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg kunnen afstemmen met anderen, zoals familie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goede administratie bijhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording afleggen aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nederlandse taal goed begrijpen en met een computer kunnen werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer kan iemand géén pgb krijgen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan een pgb weigeren als iemand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote geldproblemen heeft (bijvoorbeeld schulden of onder bewind staat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige verslavingsproblemen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen 3 jaar fraude heeft gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verstandelijke beperking heeft waardoor zelfstandig regelen niet lukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige psychische problemen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een blijvende stoornis in het denken heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nederlandse taal niet goed genoeg beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld van een ouder die geen pgb kan krijgen Mevrouw De Vries is moeder van een zoon van 10 jaar met een verstandelijke beperking. Ze wil graag een persoonsgebonden budget (pgb) om zelf hulp voor haar zoon te regelen. Maar de gemeente vindt dat zij niet pgb-vaardig is. Waarom niet?</p>\n<p class=\"lf-p\">Mevrouw De Vries heeft grote schulden en staat onder bewind. Ze mag zelf geen geld beheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze heeft moeite met het begrijpen van brieven van de gemeente en kan niet goed met een computer werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze weet niet goed welke hulp haar zoon nodig heeft en vindt het lastig om dit uit te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze heeft eerder hulp gehad, maar de administratie niet goed bijgehouden. Daardoor kon ze geen verantwoording afleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente besluit daarom dat mevrouw De Vries geen pgb kan krijgen. Ze krijgt wel hulp in natura: de gemeente regelt de zorg voor haar zoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onderscheid formele en informele hulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt een lager tarief. Zie artikel 5.5, eerste lid van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg).</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: geboorte; afstamming van dezelfde voorvader; erkenning; gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; adoptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bloedverwanten zijn in de:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste graad: (adoptie)ouders; (adoptie)kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede graad:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinkinderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Broers en zussen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 5.3 over het verschil tussen formele en informele hulp bij het persoonsgebonden budget (pgb)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Formele en informele hulp Bij het aanvragen van een pgb wordt gekeken wie de hulp geeft. Dat bepaalt hoeveel geld je krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Formele hulp Wordt gegeven door professionele hulpverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mensen doen dit werk als beroep of bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze zijn vaak geregistreerd in het BIG-register of bij het SKJ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze werken volgens regels en kwaliteitseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor formele hulp krijg je een hoger pgb-tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informele hulp Wordt gegeven door familie of mensen uit je eigen netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: je ouders, kinderen, broers, zussen, grootouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als zij professioneel zijn, telt het als informele hulp als ze familie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor informele hulp krijg je een lager pgb-tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom dit verschil?</p>\n<p class=\"lf-p\">Familie heeft vaak een emotionele band met degene die hulp krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom wordt hun hulp anders beoordeeld dan hulp van een onafhankelijke professional.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld van formele en informele hulp Situatie 1 – Formele hulp Lisa heeft jeugdhulp nodig vanwege psychische problemen. Haar ouders kiezen ervoor om hulp in te kopen via een pgb. Ze schakelen een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP’er) in die: een SKJ-registratie heeft, werkt als professional, en niet familie is van Lisa. ➡️ Dit is formele hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lisa krijgt het hogere pgb-tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie 2 – Informele hulp Lisa heeft dezelfde hulp nodig. Haar tante, die toevallig ook BIG-geregistreerd psychiatrisch verpleegkundige is, biedt aan om te helpen. Ondanks haar opleiding en registratie is zij: familie in de tweede graad, en heeft een persoonlijke band met Lisa. ➡️ Dit is informele hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lisa krijgt het lagere pgb-tarief, omdat de hulp komt van een familielid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (zie ook bij artikel 5.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokale team. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit lid is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 5.4 over de kwaliteitseisen die de gemeente moet stellen voor jeugdhulp via een pgb?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jongere of ouder jeugdhulp krijgt via een persoonsgebonden budget (pgb), moet die hulp veilig, goed en passend zijn. Daarom zijn er regels opgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Verklaring omtrent gedrag (VOG) Een informele hulpverlener (bijvoorbeeld een familielid of bekende) moet een geldige VOG hebben.Uitzondering: als de hulpverlener de ouder is van het kind. De VOG mag niet ouder zijn dan 3 maanden en moet getoond worden als het lokale team daarom vraagt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorkomen van overbelasting Een informele hulpverlener mag niet te veel uren werken. Als iemand naast de hulp ook ander werk doet, mag hij of zij gemiddeld niet meer dan 48 uur per week werken. Als dat wel zo is, kan het pgb (deels) worden geweigerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Inzet van professionals Soms is het nodig dat de hulp wordt gegeven door een professionele hulpverlener. Als dat zo is, mag iemand uit het sociale netwerk (zoals familie of vrienden) deze hulp niet geven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van het pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp is hoger dan het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is dit tarief passend geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder d In dit lid is vastgelegd op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld door categorieën jeugdhulp te benoemen die kunnen worden ingezet bij een pgb. Aan de verschillende categorieën is een maximumtarief verbonden. Het tarief dat aan de categorie is gekoppeld, maakt de inzet van kwalitatief toereikende zorg mogelijk Categorie ambulante jeugdzorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om ambulante jeugdzorg door inzet van specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag met een systemische aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie dagbehandeling jeugdzorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van specialistische behandeling in groepsverband wordt verstaan: specialistische begeleiding in groepsverband gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag en/of waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie verblijf jeugdzorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag, in groepsverband aangevuld met individuele begeleiding. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie generalistische basis ggz:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om generalistische ggz door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Bij vermoeden van een DSM-IV benoemde stoornis met lichte/matige/ernstige/ chronische symptomen. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie specialistische ggz:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om specialistische ggz door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Het betreft altijd een multidisciplinaire behandeling in een gespecialiseerde setting Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie begeleiding individueel/groep:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om begeleiding in groepsverband en/of individueel door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning wordt in het algemeen verstaan: het in groepsverband (langdurig) en/of individueel aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Één-op-één begeleiding aan het kind (geen gezinsondersteuning) betreft het bieden van activiteiten gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid. Groepsbegeleiding wordt ook wel dagbesteding of dagactiviteiten genoemd om vaardigheden te onderhouden, zoveel mogelijk zelfstandigheid te bewaren, om te het leren omgaan met gedragsproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie persoonlijke verzorging:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om persoonlijke verzorging door inzet van praktische ondersteuning en overname van verzorgingstaken wordt verstaan: het verzorgen, aansturen en/of stimuleren van verzorgende taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie kortdurend verblijf:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om kortdurend verblijf wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op ontlasting van het gezin en op aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Inclusief begeleiding en/of persoonlijke verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie behandeling (licht)verstandelijke beperking: Onder formele hulp als het gaat om behandeling (licht)verstandelijke beperking door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie verblijf (licht)verstandelijke beperking:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische behandeling wordt verstaan: 24-uurs verblijf voor jeugdigen met (ernstige) (lichamelijke) beperkingen waarbij specialistische kennis nodig is en/of medische handelingen uitgevoerd moeten worden waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder e De pgb-tarieven, met uitzondering van de categorie overig die verwijst naar informele hulp, worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het tarief voor informele of niet professionele ondersteuning wordt niet meer jaarlijks geïndexeerd. Het tarief is maximaal € 27,56 per uur. Dit tarief ligt ruim hoger dan het minimumloon dat op peildatum 1 juli 2025 € 14,40 per uur bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief dient de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/haar rekening te nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag het college bij de toekenning uitgaan van dit lagere tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Het college publiceert minimaal jaarlijks de tarieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 5.5 over hoe de gemeente bepaalt hoeveel geld iemand krijgt via een Persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp?</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke punten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toereikend bedrag: Het pgb moet genoeg zijn om goede hulp te kunnen inkopen, ook als iemand hulp krijgt van familie of vrienden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee soorten hulp:</p>\n<p class=\"lf-p\">Formele hulp: Van een professionele zorgverlener. Hiervoor gelden hogere tarieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informele hulp: Van iemand uit het sociale netwerk (bijvoorbeeld een familielid). Hiervoor geldt een lager tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende categorieën hulp: Er zijn aparte tarieven voor verschillende soorten hulp, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambulante jeugdzorg (begeleiding thuis) Dagbehandeling (in een groep) Verblijf (24-uurs zorg) GGZ (geestelijke gezondheidszorg) Begeleiding individueel of in een groep Persoonlijke verzorging Kortdurend verblijf Hulp bij verstandelijke beperking Indexatie: De meeste tarieven worden elk jaar aangepast aan de kostenstijging. Het tarief voor informele hulp wordt niet meer jaarlijks verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximale vergoeding voor informele hulp: € 27,56 per uur (ruim boven het minimumloon van € 14,40 per uur in juli 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid in keuze: De budgethouder mag zelf kiezen wie hij inhuurt. Als de zorgverlener duurder is dan het pgb-tarief, moet de budgethouder het verschil zelf betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Publicatie: De gemeente maakt de tarieven minstens één keer per jaar bekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgesloten van pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 5.6 opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de wet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 4.1 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat staat er in artikel 5.6 over wat er niet vergoed mag worden uit het persoonsgebonden budget (pgb)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wordt niet vergoed vanuit een pgb?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij het beheren van het pgb Je mag geen geld uit het pgb gebruiken om iemand te betalen die je helpt met het regelen van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra kosten</p></div>", "next": 239981}