{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%; ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet; een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind: beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, volledig, en; vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet meegeteld de periode waarin: de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of; de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder: een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind; een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:8</span><span class=\"lf-art-t\">Duur van de uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste vastgesteld op 24 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:9</span><span class=\"lf-art-t\">Vervolguitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op een vervolguitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene die: het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste lid, heeft bereikt en voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de vervolguitkering een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:10</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrag van de uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Ht bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11:12 Verhuiskosten Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:13</span><span class=\"lf-art-t\">Vermindering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:14</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave van inkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:15</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:16</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:17</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:18</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:19</span><span class=\"lf-art-t\">Afkoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:20</span><span class=\"lf-art-t\">Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid begrepen: het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking; het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene: binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:21</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:22</span><span class=\"lf-art-t\">Opschorting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:23</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80% :</p>\n<p class=\"lf-p\">80%;</p>\n<p class=\"lf-p\">55% tot 65% :</p>\n<p class=\"lf-p\">60%;</p>\n<p class=\"lf-p\">45% tot 55% :</p>\n<p class=\"lf-p\">50%;</p>\n<p class=\"lf-p\">35% tot 45% :</p>\n<p class=\"lf-p\">40%;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% tot 35% :</p>\n<p class=\"lf-p\">30%;</p>\n<p class=\"lf-p\">15% tot 25% :</p>\n<p class=\"lf-p\">20%; minder dan 15% :</p>\n<p class=\"lf-p\">0%.</p>\n<p class=\"lf-p\">De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:24</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:25</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over langere termijnen geschieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:26</span><span class=\"lf-art-t\">Verval van uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard: indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet; indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen; indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden; indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven; indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld; indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven; indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen; indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:27</span><span class=\"lf-art-t\">Einde van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Het recht op uitkering eindigt: met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden; indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:28</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:29</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 11:30 Overgangsbepalingen Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.) Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:31</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11:32</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">11a Suppletie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijvingen Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</p>\n<p class=\"lf-p\">WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO; betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen; bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen; suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6; dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene Dagloonregelen WAO; berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt ontleend; werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang : betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het recht op suppletie eindigt: na ommekomst van de duur van de suppletie; met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden; met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de suppletie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt : gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel overeenkomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan: met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd; gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend; vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene afwijken van het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft: vermindering ondergaan; blijvend geheel geweigerd worden; tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel; in uitkeringsduur beperkt worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd: aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde; bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen; bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betaling van suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand achteraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betaling van suppletie Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een suppletie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringsvoorschriften Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot : de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt; het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel 11a:15.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 maand gedurende de eerste 27 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 2 maanden gedurende de eerste 26 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 3 maanden gedurende de eerste 25 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 4 maanden gedurende de eerste 24 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 5 maanden gedurende de eerste 22 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 6 maanden gedurende de eerste 21 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 7 maanden gedurende de eerste 20 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 8 maanden gedurende de eerste 19 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 9 maanden gedurende de eerste 18 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 10 maanden gedurende de eerste 17 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 11 maanden gedurende de eerste 16 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 12 maanden gedurende de eerste 15 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 13 maanden gedurende de eerste 14 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 14 maanden gedurende de eerste 13 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 15 maanden gedurende de eerste 12 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 16 maanden gedurende de eerste 11 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 17 maanden gedurende de eerste 10 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 18 maanden gedurende de eerste 9 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 19 maanden gedurende de eerste 9 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 20 maanden gedurende de eerste 8 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 21 maanden gedurende de eerste 7 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 22 maanden gedurende de eerste 6 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 23 maanden gedurende de eerste 5 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 24 maanden gedurende de eerste 4 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 25 maanden gedurende de eerste 3 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 26 maanden gedurende de eerste 2 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70% 27 maanden gedurende de eerste 1 maand 80% vervolgens 33 maanden 70% 28 maanden gedurende 33 maanden 70% 29 maanden gedurende 32 maanden 70% 30 maanden gedurende 31 maanden 70% 31 maanden gedurende 30 maanden 70% 32 maanden gedurende 29 maanden 70% 33 maanden gedurende 28 maanden 70% 34 maanden gedurende 27 maanden 70% 35 maanden gedurende 26 maanden 70% 36 maanden gedurende 25 maanden 70% 37 maanden gedurende 24 maanden 70% 38 maanden gedurende 23 maanden 70% 39 maanden gedurende 22 maanden 70% 40 maanden gedurende 21 maanden 70% 41 maanden gedurende 20 maanden 70% 42 maanden gedurende 19 maanden 70% 43 maanden gedurende 18 maanden 70% 44 maanden gedurende 17 maanden 70% 45 maanden gedurende 16 maanden 70% 46 maanden gedurende 15 maanden 70%</p>\n<p class=\"lf-p\">47 maanden gedurende 14 maanden 70% 48 maanden gedurende 13 maanden 70% 49 maanden gedurende 11 maanden 70% 50 maanden gedurende 10 maanden 70% 51 maanden gedurende 9 maanden 70% 52 maanden gedurende 8 maanden 70% 53 maanden gedurende 7 maanden 70% 54 maanden gedurende 6 maanden 70% 55 maanden gedurende 5 maanden 70% 56 maanden gedurende 4 maanden 70% 57 maanden gedurende 3 maanden 70% 58 maanden gedurende 2 maanden 70% 59 maanden gedurende 1 maand 70% De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige en slotbepalingen Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige en slotbepalingen Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21) Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11a</span><span class=\"lf-art-t\">21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige en slotbepalingen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg; de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst; de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief geacht worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Mededeling omtrent CAR en UWO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Mededeling omtrent CAR en UWO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende: de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd; de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord; de personele gevolgen van die verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2</span><span class=\"lf-art-t\">Taak en bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor georganiseerd overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Taak en bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Taak en bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Taak en bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem te bepalen tijdstippen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergaderingen zijn niet openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:8</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-2-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 wordt verstaan onder: deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid; advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten: het onderwerp en de inhoud van het geschil; de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-3-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12:3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Advies- en arbitragecommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangs- en slotbepaling CAR</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangs- en slotbepaling CAR</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13:3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangs- en slotbepaling CAR</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Medezeggenschap</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14:1</span><span class=\"lf-art-t\">Medezeggenschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal zittingstermijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Overige rechten en verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1b</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate: diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst; aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken; gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn betrekking ter kennis is gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1c</span><span class=\"lf-art-t\">Aannemen van geschenken en gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden: in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college; steekpenningen aan te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1d</span><span class=\"lf-art-t\">In acht nemen ordemaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1e</span><span class=\"lf-art-t\">Nevenwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1f</span><span class=\"lf-art-t\">Melding financiële belangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1g</span><span class=\"lf-art-t\">Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met 15:1e Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Staking bij een particuliere werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgesloten werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvaarden andere werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet veiligheidsregio’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding van schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:13</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten rekenplichtige ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:14</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:15</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling van de ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:16</span><span class=\"lf-art-t\">Dragen van uniform of dienstkleding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de door het college voor die betrekking of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college toestemming is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:17</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:18</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstwoning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:19</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod betreden arbeidsterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:20</span><span class=\"lf-art-t\">Infectieziekten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektewet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:21</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:22</span><span class=\"lf-art-t\">Reis- en verblijfkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de daarvoor door het college gestelde regelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:23</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeden van schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, tenzij: die schade bestaat uit de normale slijtage of; er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of; de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:24</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik motorrijtuig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:25</span><span class=\"lf-art-t\">Schadeloosstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:26</span><span class=\"lf-art-t\">Volgen van een opleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:27</span><span class=\"lf-art-t\">Volgen van een opleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:28</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere prestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van: extra verlof; gratificatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:29</span><span class=\"lf-art-t\">Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:30</span><span class=\"lf-art-t\">Borstvoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-1-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:1:31</span><span class=\"lf-art-t\">Benadeling positie gemeentelijke organisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:2</span><span class=\"lf-art-t\">Klokkenluiders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) 16 Disciplinaire straffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Plichtsverzuim</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Disciplinaire straffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toegepast: schriftelijke berisping; arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op devoor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen; vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft; geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar; niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand; stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de betrekking daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren; vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren; plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging; schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het schriftelijk besluit tot strafoplegging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Opleiding en ontwikkeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkeling en mobiliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkeling en mobiliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het gemeentelijk loopbaanbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:3</span><span class=\"lf-art-t\">Individueel loopbaanbudget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een reëel loopbaanperspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het resterende budget te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:4</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk ontwikkelingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen: de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten; de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden; de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang; de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt; de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar; de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie; eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:5</span><span class=\"lf-art-t\">Loopbaanadvies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inzetbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17:7</span><span class=\"lf-art-t\">Flankerend beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 Verplaatsingskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR; woongebied: een door het college aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente; standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht; gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij samenwonen; eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde gezag; berekeningsbasis: het twaalfvoud van de bezoldiging – in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is – die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het pensioenreglement; berekeningstijdstip: 1e datum waarop de betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd genoten; verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan; verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden; dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit: een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken; een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 292,68 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend; een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 5.853,12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming woon- werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.708 per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 97,82 op jaarbasis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,16 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele reis.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-7a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:7a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Pensionkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste klasse.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:11</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:12</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:13</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-1-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18:1:14</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:1</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:2</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:3</span><span class=\"lf-art-t\">Overleg met vakorganisaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:4</span><span class=\"lf-art-t\">Informatievoorziening aan de vrijwilliger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:5</span><span class=\"lf-art-t\">Informatievoorziening aan derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld aan: de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanstelling en bevordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van proef.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet geslaagd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:7</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden: hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste karaktereigenschappen; hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen; hij is ten minste 18 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-7a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:7a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:8</span><span class=\"lf-art-t\">Bericht van aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld: de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger; de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven; de ingangsdatum van de aanstelling; de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die aan hem wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:9</span><span class=\"lf-art-t\">Bevordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:10</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Relatie hoofdwerkgever</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:11</span><span class=\"lf-art-t\">Informatie over hoofdwerkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19:12</span><span class=\"lf-art-t\">Informatie aan hoofdwerkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na indiensttreding dat: hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden; de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;</p></div>", "next": 239792}