{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">voor zover het gaat over een kabel of leiding:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. het tracé van de kabel of de leiding;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. het materiaal van de kabel of leiding; en 3°. de maat van de kabel of leiding; en c. voor zover het gaat over een las- of aansluitgat: de maximale oppervlakte van het las- of aansluitgat.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  8.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beschoeiing en antiworteldoek, oeververdediging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is ter bescherming van de Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk legger watersystemen, Waterstaatswerk Waterkeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.9</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de instandhouding van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam, het garanderen van de vrije doorstroming alsmede op de instandhouding van het waterstaatswerk en het garanderen van waterveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-810\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.10</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigen beschoeiing, damwand, oeverconstructie of grondkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap een beschoeiing, damwand, oeverconstructie, grondkering of anti-worteldoek aan te leggen, te vervangen, te wijzigen, te verwijderen of te onderhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanbrengen van anti-worteldoek is in Hoofdstuk 2 een algemene regel opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  9</h3>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen houden of standplaats innemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op het houden van evenementen en/of het innemen van standplaatsen op de Weg, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het beschermen van het belang van de wegen en waterstaatswerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaats innemen op en bij wegen en waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap op een Weg, waterstaatswerk (niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam) of Beschermingszone A standplaats in te nemen of in te richten voor het aanbieden en leveren van producten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen op en bij waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap evenementen te houden op Waterstaatwerken (niet zijnde oppervlaktewaterlichamen).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  10</h3>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid van land- en tuinbouw-producten, stoffen, voorwerpen en materialen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten waarbij stoffen, voorwerpen, materialen, objecten of (motor)voertuigen worden geplaatst, gelegd, gedeponeerd of (onbeheerd) worden achtergelaten op, bij of naast de Weg, Waterstaatswerk legger watersystemen, Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de bescherming van wegen, waterstaatswerken en hun beschermingszones.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Land- en tuinbouw- en overige producten langs wegen en oppervlaktewaterlichamen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap (land- en tuinbouw)producten: a. te hebben binnen de Beschermingszone leggerwateren, anders dan voor zover dit voor oogstwerkzaamheden of voor het onderhoud van de leggerwateren noodzakelijk is en mits deze op een afstand van 0,50 meter uit de insteek worden geplaatst; of b. op wegen waar een snelheidsregime geldt van minder dan 80 km per uur (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben, anders dan voor korte tijd op toegangsdammen buiten de berm en op geen kleinere afstand dan 2,00 meter uit de dichtst bij gelegen verkeersbaan of weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Land- en tuinbouw- en overige producten bij 80 km wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op wegen waar een snelheidsregime geldt van 80 km per uur of meer, (land- en tuinbouw)producten te deponeren of te hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op verontreinigen, belemmeren en gevaar veroorzaken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op, bij of naast een Weg, Waterstaatswerk waterkeringen of Waterstaatswerk legger watersystemen, stoffen, voorwerpen, materialen, objecten of (motor)voertuigen te plaatsen, te leggen te deponeren of (onbeheerd) achter te laten die de weg of het waterstaatswerk verontreinigen, de afwatering belemmeren dan wel een gevaar opleveren voor de bruikbaarheid en de veiligheid op en van de weg of het waterstaatswerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning deponeren land- en tuinbouwproducten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van (land- en tuin)bouwmaterialen wordt een beschrijving verstrekt van de aard van de materialen, de duur en wijze van opslag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  11</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uitzicht belemmerende voorwerpen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die het uitzicht belemmeren bij het gebied aangeduid als Beschermingszone uitzichtstroken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het vrij houden van uitzichtstroken langs wegen (in verband met verkeersveiligheid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzichtstroken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in het gebied, aangeduid als Beschermingszone uitzichtstroken, bouwwerken, wallen, beplanting, gewassen, terreinafscheidingen en andere uitzicht belemmerende voorwerpen te hebben dan wel te maken, aan te brengen, te vernieuwen of te wijzigen. a. geen omgevingsvergunning krachtens artikel 6.5 Aanbrengen, snoeien of verwijderen van beplanting op of langs wegen is vereist voor beplanting langs wegen die conform artikel 6.6 Onderhoud beplanting op of langs wegen, eerste lid is onderhouden en waar een maximum snelheid geldt van 60 kilometer per uur of minder; en b. geen omgevingsvergunning is vereist voor uitzichtbelemmerende voorwerpen die niet hoger zijn dan 0,75 meter.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  12</h3>\n<p class=\"lf-p\">Dieren</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  12.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Dieren algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten met dieren op een Waterstaatswerk regionale waterkeringen, Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Waterstaatswerk Waterkeringen en Weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de verkeersveiligheid en het voorkomen van aantasting van waterstaatswerken en wegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Dieren algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op terreinen langs een Weg of op een Waterstaatswerk loslopende dieren te houden indien geen deugdelijke maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat die dieren op de weg kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een Waterstaatswerk niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam, door anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder dieren te hebben of te (be)houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap gebruik te maken van een Waterstaatswerk niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam, door anders dan op openbare wegen als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet met een dier te rijden of vee te drijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het rijden met dieren op een waterstaatswerk is in Hoofdstuk 2 een algemene regel opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  12.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vissen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op visactiviteiten op of in Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen, Waterstaatswerk legger watersystemen, Beschermingszone leggerwateren, Waterstaatswerk Waterkeringen en Beschermingszone Vispassages.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op bescherming van de waterkwaliteit en verstoring van het visbestand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op uitzetten vis en plaatsen van vistuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap vis uit te zetten in Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen of Oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap vaste vistuigen te plaatsen in in Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Beschermingszone A primaire waterkeringen of Oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het hebben van vistuigen op een waterstaatswerk en binnen de Beschermingszone A is in Hoofdstuk 2 een algemene regel opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vissen nabij vispassages</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap in of binnen een straal van 100 meter van een vispassage te vissen, zie Beschermingszone Vispassages.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  13</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zwemmen en varen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op zwem -en vaaractiviteiten op en in Oppervlaktewaterlichamen en Beschermingszone gemalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op bescherming van de wateren en het beschermen van de gebruikers van de wateren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemmen en duiken bij bemalingsinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden te zwemmen binnen de Beschermingszone gemalen 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap te duiken binnen de Beschermingszone gemalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Varen, afmeren, laden of lossen met en van motorvaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur van het waterschap met (motor)vaartuigen te varen of (motor)vaartuigen te laten liggen, af te meren, te laden of te lossen: a. in leggerwateren die geen vaarweg zijn als bedoeld in de Omgevingsverordening provincie Zeeland; en; en b. binnen de Beschermingszone gemalen, indien het geen vaarweg betreft als bedoeld in de Omgevingsverordening provincie Zeeland.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  14</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  14.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning verleend vóór de inwerkingtreding van deze verordening, voor een ingevolge deze verordening vergunningplichtig handelen, wordt geacht ingevolge deze verordening te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor al hetgeen vóór de inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht een omgevingsvergunning ingevolge deze verordening te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werken of toestanden als bedoeld in het tweede lid worden door de gebruiker of eigenaar daarvan zodanig onderhouden, dat de veiligheid van gebruikers is verzekerd en de instandhouding en bruikbaarheid van de weg en/of het waterstaatswerk is gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplan of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, wordt voor de ligging van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszone: a. de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning; b. de beschermingszone A bij een waterkering bedraagt voor primaire keringen 40 meter en voor regionale keringen 20 meter; c. de beschermingszone B bij een waterkering bedraagt voor primaire keringen 50 meter en voor regionale keringen 30 meter; en d. de beschermingszone leggerwateren bedraagt aan beide zijden 7 meter.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  14.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze waterschapsverordening kan worden aangehaald als 'Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze waterschapsverordening treedt in werking op de datum van ondertekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage I Begripsbepalingen algemeen bestuur de algemene vergadering van waterschap Scheldestromen afrastering een constructie van palen met punt- of schrikdraad of voorzien van schapen- en kippengaas van ten hoogste 1 meter hoog, welke geschikt is voor het gebruik als veekering en welke eenvoudig verwijderd kan worden op het moment dat dit nodig is voor het beheer of onderhoud van het waterstaatswerk door het waterschap bebouwde kom de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet beheer Wegen de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de wegen en voor het door die wegen vervullen van zijn functie of functies van algemeen nut, met inbegrip van de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg beheer overheidszorg met betrekking tot het watersysteem, de waterketen en openbare wegen, of onderdelen daarvan, gericht op de in artikel 2.17 van de Omgevingswet genoemde doelstellingen beperkingengebied bij of krachtens de Wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object beplanting opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken beschermingszone A aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze waterschapsverordening van toepassing zijn beschermingszone B aan de beschermingszone A grenzende zone die als zodanig in de legger is opgenomen waarin ter bescherming van het waterstaatswerk en de beschermingszone A voorschriften krachtens deze waterschapsverordening van toepassing zijn beschermingszone leggerwateren aan een leggerwater grenzende zone die als zodanig in de legger is opgenomen waarin ter bescherming van het leggerwater voorschriften krachtens deze waterschapsverordening van toepassing zijn bestuursorgaan bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 Awb bronbemaling het onttrekken van grondwater ten behoeve van het uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen bronneringswater water dat vrijkomt bij ontwatering middels bronbemaling bruidsschat: het geheel van regels afkomstig van het Rijk die bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege deel uitmaken van de waterschapsverordening en zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van deze verordening bouwwerk elk werk van enige omvang van hout, steen of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond</p>\n<p class=\"lf-p\">dagelijks bestuur het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen evenement georganiseerde gebeurtenis die gedurende een korte periode veel bezoekers trekt geografische informatie objecten aanwijzing en geometrische begrenzingen van werkingsgebieden waar de regels uit de verordening van toepassing zijn grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap door de Wet met het beheer over dat grondwater is belast inerte goederen goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of crm-stoffen zijn infiltreren van water water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater insteek snijpunt van de raaklijnen van het talud en het maaiveld legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet of in artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet leggerwater een oppervlaktewaterlichaam dat in de legger als zodanig is aangegeven lozen het door middel van een werk brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam, zonder dat het water daarbij uit een ander oppervlaktewaterlichaam wordt gehaald omgevingsvergunning omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet onttrekken ook wel wateronttrekkingsactiviteit. Activiteit inhoudende: het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening openbare wegen de wegen die op de wegenlegger staan vermeld oppervlaktewaterlichaam samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers, ondersteunende kunstwerken en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna oppervlaktewatersystemen het geheel van sloten, beken, andere waterlopen, plassen en meren primaire waterkering waterkering die bescherming biedt tegen overstroming door water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat van hoge stormvloed, hoog opperwater van één van de grote rivieren of meren als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1. van de Wet en die in beheer is bij het waterschap regionale waterkering een in de verordening aangewezen andere dan primaire waterkering als bedoeld in artikel 2.13, eerste lid onder a van de Wet, die in beheer is bij het waterschap</p>\n<p class=\"lf-p\">talud de hellende oppervlakten van de zijdelingse begrenzingen van een oppervlaktewaterlichaam uitweg een constructie ter ontsluiting van percelen van derden vispassage een kunstmatige passage ten behoeve van de vistrek bij kunstwerken in wateren verkeersbaan de verhardingsconstructie van zowel een hoofdrijbaan, parallelweg, (brom)fiets-, voet- of ruiterpad waterhuishoudkundige functies de door- en afvoer van water of berging van water of de ecologische functie van een oppervlaktewaterlichaam waterkering kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben waterschap waterschap Scheldestromen watersysteem samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen waterstaatswerk oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk wegenlegger een juridisch document met gerechtelijke bewijskracht dat informatie bevat over de openbare wegen buiten de bebouwde kom wet de Omgevingswet zoetwatervoorkomens gebieden waar een zoetwaterbel voorkomt met een dikte van minimaal 15 meter of waar de zoetwaterbel reikt tot aan de geohydrologische basis. Daarbij wordt water met een gehalte tot 1.500 milligram chloride per liter als zoet aangemerkt Bijlage II Overzicht Informatieobjecten Bebouwingscontouren /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Bebouwingscontouren/nld@2022-09-14;3 Beschermingszone A primaire waterkeringen /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Beschermingszone_A_primaire_waterkeringen/nld@2022-09-14;3 Beschermingszone A regionale waterkeringen /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Beschermingszone_A_regionale_waterkeringen/nld@2022-09-14;3 Beschermingszone A /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Beschermingszone_A/nld@2022-09-14;3 Beschermingszone B /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Beschermingszone_B/nld@2022-09-14;3 Beschermingszone gemalen /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_gemalen/nld@2025-01-01;1 Beschermingszone verkeersbaan /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_verkeersbaan/nld@2025-01-01;1 Beschermingszone Vispassages /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_vispassages/nld@2025-01-01;1 Uitzichtstroken /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Uitzichtstroken/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk primaire waterkeringen /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Waterstaatswerk_primaire_waterkeringen/nld@2022-09-14;3 Waterstaatswerk Waterkeringen /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Waterstaatswerk_waterkeringen/nld@2022-09-14;3</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg /join/id/regdata/ws9999/2024/safsdf/nld@2024-11-15 Waterstaatswerk legger watersystemen /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_legger_watersystemen/nld@2025-01-01;1 Oppervlaktewaterlichamen /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Oppervlaktewaterlichamen/nld@2025-01-01;1 Beschermingszone weg bebouwingsvrij /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_weg_bebouwingsvrij/nld@2025-01-01;1 Zuiveringtechnisch werk /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Zuiveringtechnisch_werk/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk regionale waterkeringen /join/id/regdata/ws0661/2022-07-11/Waterstaatswerk_regionale_waterkering/nld@2022-09-14;3 Kwetsbaar gebied /join/id/regdata/ws0661/2019-04-24/Kwetsbaar_gebied/nld@2025-01-01;1 Zoetwatervoorkomens /join/id/regdata/ws0661/2019-04-24/Zoetwatervoorkomens/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk primaire leggerwateren /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_primaire_leggerwateren/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk tertiare leggerwateren /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_tertiare_leggerwateren/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk secundaire leggerwateren /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_secundaire_leggerwateren/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk leggerwateren 8 tot 14m /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_leggerwateren_8_tot_14m/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk leggerwateren meer dan 14m /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_leggerwateren_meer_dan_14m/nld@2025-01-01;1 Waterstaatswerk leggerwateren tot 8m /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Waterstaatswerk_leggerwateren_tot_8m/nld@2025-01-01;1 Beschermingszone leggerwateren 0 tot 1m /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_leggerwateren_0_tot_1m/nld@2025-01-01;1 Beschermingszone leggerwateren 5 tot 7m /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_leggerwateren_5_tot_7m/nld@2025-01-01;1 Beschermingszone leggerwateren /join/id/regdata/ws0661/2024-10-01/Beschermingszone_leggerwateren/nld@2025-01-01;1 Bijlage III Dynamische en niet-dynamische kaartlagen Figuur 1 Kaart:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Algemene toelichting</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke basis en begrenzing Artikel 56 van de Waterschapswet bepaalt dat het waterschapsbestuur bevoegd is tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. In het verlengde hiervan bepaalt artikel 78 van de Waterschapswet dat het algemeen bestuur de verordeningen maakt die het nodig oordeelt ter behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. Eén van deze verordeningen is de waterschapsverordening. Deze vindt zijn grondslag in de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Rijk werkt door middel van de Omgevingswet aan een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. De Omgevingswet bundelt en vereenvoudigt de regels voor de fysieke leefomgeving. Dit betreft bijvoorbeeld regels over bouwen, milieu, water, natuur en ruimtelijke ordening. Met behulp van één digitaal loket wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. De Omgevingswet beoogt een samenhangende aanpak van de fysieke leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en snellere besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordenende bevoegdheid van het waterschap in de waterschapsverordening is niet onbegrensd. In de eerste plaats mag het waterschap uitsluitend regels stellen ter behartiging van de taken die aan het waterschap zijn opgedragen. Ingevolge artikel 1 van de Waterschapswet moeten deze taken betrekking hebben op de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. Binnen deze taakopdracht heeft het waterschapsbestuur een autonome bevoegdheid tot regeling en bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het waterschapsbestuur op grond van artikel 59 van de Waterschapswet niet bevoegd ten aanzien van onderwerpen, waarin door een hogere wettelijke regeling wordt voorzien, verordeningen te maken die met die hogere regelingen in strijd zijn. Bovendien mag het waterschapsbestuur geen regels stellen met betrekking tot onderwerpen waarin door een hogere wettelijke regeling uitputtend wordt voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschappen hebben daarnaast in belangrijke mate te maken met de provincie als bevoegd gezag voor het vaststellen van regionale waterplannen en andere relevante omgevingsplannen, waarin zij de meer strategische aspecten van het waterbeheer opneemt. De provincie verwacht dat de waterschappen dat beheer dan ook adequaat uitvoeren, mede om provinciale doelstellingen te verwezenlijken. De provincie biedt de waterschappen daartoe nadere regels omtrent het regionale waterbeheer in haar provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschapsverordening De waterschapsverordening is de verordening op grond van de Omgevingswet, waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. Vrijwel alle regels, omdat enkele onderwerpen op grond van artikel 2.2 van het Omgevingsbesluit buiten de waterschapsverordening moeten blijven. Dat betreft als eerste de regels over onderhoudsplichten. Voor de aanwijzing van onderhoudsplichten en onderhoudsplichtigen blijft de legger op grond van artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet bestaan (de zogeheten onderhoudslegger). De regels over de inhoud van de onderhoudsplichten, die voorheen in de beide keuren waren opgenomen, komen daarom niet terug in deze waterschapsverordening. Die regels zijn opgenomen in de onderhoudsverordening. Daarnaast mag de waterschapsverordening volgens het Omgevingsbesluit geen strafbepalingen bevatten. De strafbaarstelling van overtredingen van de waterschapsverordening is immers al geregeld in artikel 1a, onderdeel 1° en onderdeel 3°, van de Wet op de economische delicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot moeten ook de regels over de belastingen van het waterschap buiten de waterschapsverordening blijven. Voor de watersysteemheffing, de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing blijven aparte verordeningen bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorliggende waterschapsverordening bevat: a. de voormalige regels van de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen 2012; b. de voormalige regels van de Keur wegen waterschap Scheldestromen 2011; c. de zones rond waterstaatswerken, die waren opgenomen in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet; en d. de zogeheten 'bruidsschat': voormalige rijksregels (met name over lozingsactiviteiten), die onder de Omgevingswet verhuizen naar de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens bevat deze waterschapsverordening de volgende algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel bebouwing regionale waterkeringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel bebouwingen bij leggerwateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel beplantingen bij leggerwateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel grondroeringen in stranden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel grondwallen bij leggerwateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel kruisingen lagedrukleidingen en kabels met regionale waterkeringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel lozingswerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel onttrekkingen grondwater;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel rijden met dieren op een waterstaatswerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel strandhuisjes;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel vistuigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Anti-worteldoek bij secundaire en tertiaire leggerwateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van palen met verwijsborden; en Het uitvoeren van sonderingen en boringen in wegbermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van de juridische regels en het bijbehorende beleid is zo min mogelijk gewijzigd. Het doel was om een beleidsneutrale waterschapsverordening samen te stellen die voldoet aan de toepasselijke standaarden en voorzien is van de benodigde annotaties en werkingsgebieden. Dit zorgt ervoor dat de waterschapsverordening volledig digitaal raadpleegbaar en doorzoekbaar is in de functionaliteit 'regels op de kaart' van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Tevens kan de waterschapsverordening digitaal ontsloten worden door het gebruik van toepasbare regels. Hierdoor is het mogelijk om via de functionaliteit 'checken' een vergunningcheck te doen en indien gewenst direct een aanvraag via het onderdeel 'aanvragen'. De term 'beleidsneutraal' wil zeggen dat er nagenoeg geen inhoudelijke wijzigingen in de regels zijn aangebracht. De verplichtingen voor burgers en bedrijven blijven in principe gelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw element in de waterschapsverordening betreft de digitale werkingsgebieden: iedere juridische regel heeft een bijbehorend werkingsgebied. Deze werkingsgebieden stonden voorheen (deels) in de legger op grond van de Waterwet, maar komen in de legger op grond van de Omgevingswet niet terug. De werkingsgebieden verschillen per type activiteit. Aan iedere regel in deze waterschapsverordening is het juiste werkingsgebied gekoppeld. In het Digitaal Stelsel Omgevingswet kan, bij het raadplegen van regels op de kaart, daarmee steeds het exacte werkingsgebied van een regel getoond worden. De werkingsgebieden worden daarnaast gebruik voor de automatische beantwoording van vragen in de vergunningcheck.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterschapsverordening stelt regels in belang van het watersysteem en de wegen die het waterschap in beheer heeft. De waterkwaliteitszorg is in deze waterschapsverordening wel onderwerp van regeling en is middels de zogenaamde 'bruidsschat' opgenomen in hoofdstuk 3 van deze waterschapsverordening. Deze bruidsschat betreft Rijksregels over waterkwaliteit die worden overgeheveld naar de waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van deze waterschapsverordening is uitgegaan van de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen 2012, de Keur wegen waterschap Scheldestromen 2011, de Omgevingsverordening Zeeland en de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw van de waterschapsverordening is als volgt:</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Algemene regels</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Lozingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Onttrekking en infiltratie</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Bescherming Waterstaatswerken en Wegen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Bomen en beplanting</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Bouwwerken</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Werken niet zijnde bouwwerken</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Evenementen houden of standplaats innemen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10 Aanwezigheid land- en tuinbouwproducten, stoffen, voorwerpen en materialen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11 Uitzichtbelemmerende voorwerpen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12 Dieren</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 13 Zwemmen en varen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 14 Overgangs- en slotbepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels In de waterschapsverordening is ex artikel 2.8 Omgevingswet aan het dagelijks bestuur van het waterschap de mogelijkheid gedelegeerd om algemene regels te stellen ten aanzien van bepaalde activiteiten in het watersysteem en in wegen. Die regels kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht of juist een algeheel verbod op het verrichten van die handelingen. Het voordeel van algemene regels is dat het waterschap maatwerk kan verrichten en dat de regeldruk hiermee wordt verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleid en beleidsregels voor toepassing van de waterschapsverordening De bepalingen in de waterschapsverordening dienen te worden toegepast met inachtneming van het geldende beleid. Het waterschapsbestuur kan beleidsregels vaststellen die richtinggevend zijn voor op grond van de waterschapsverordening te nemen besluiten en waar ter motivering van de besluiten naar kan worden verwezen en waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken (Titel 4.3 Algemene wet bestuursrecht). Richtinggevend bij de uitvoering van de waterschapsverordening door het waterschap is onder meer het beleid van het waterschap zoals dat is vastgelegd in het waterschapsbeheerprogramma, de Nota vergunningenbeleid waterbeheer Scheldestromen, het Vergunningenkader Waterkeringen 2018, de Nota Grondwater (en het Deltares rapport 'Evaluatie en verdiepend onderzoek naar grondwateronttrekkingsregels in de provincie Zeeland') en het Ontheffingenbeleid Wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beleidsregels ten aanzien van grondwater is rekening gehouden met de effecten van cumulatieve grondwateronttrekkingen op de draagkracht van de watervoorraad in de bodem. Cumulatieve grondwateronttrekkingen betreft de optelsom van alle afzonderlijke onttrekkingen. Deze onttrekkingen mogen niet ten koste gaan van de kwetsbaarheid van verdrogingsgevoelige natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedoogplichten Voor een blijvend goed functioneren van waterstaatswerken is het noodzakelijk dat hierover een goed beheer wordt gevoerd en dat hieraan regelmatig onderhoud wordt uitgevoerd. Om dit beheer en onderhoud te kunnen uitvoeren zijn in artikel 10.2 tot en met artikel 10.6 van de Omgevingswet gedoogplichten en bijzondere bevoegdheden vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning voor een wateractiviteit Het systeem van omgevingsvergunningen vloeit voort uit de Omgevingswet. Deze wet biedt de mogelijkheid voor de waterbeheerder om bij verordening nadere regels te stellen. In artikel 5.1 Omgevingswet wordt voor diverse activiteiten een omgevingsvergunning geëist, zo ook voor een wateractiviteit waarvoor de waterschapsverordening regels stelt. Alle activiteiten waarvoor ingevolge de waterschapsverordening een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd vallen onder de noemer 'wateractiviteit', dus ook wanneer het een activiteit in of nabij een weg betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van omgevingsvergunningen voor verschillende samenhangende activiteiten (behorend bij hetzelfde initiatief) kan samenloop van vergunningen plaatsvinden. Artikel 5.7 van de Omgevingswet biedt de initiatiefnemer de keuze om vergunningen los of gelijktijdig aan te vragen, hiermee is het vroegere onlosmakelijkheidsbeginsel losgelaten. Voor wateractiviteiten dient echter ex artikel 10.21 van het Omgevingsbesluit altijd een omgevingsvergunning los van andere activiteiten te worden aangevraagd. Voor een omgevingsvergunning die ziet op een wateractiviteit wordt altijd apart een omgevingsvergunning afgegeven. Activiteiten die plaatsvinden in of rond wegen van het waterschap vallen ook onder de noemer 'wateractiviteiten'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschapsverordening en ruimtelijke ordening De bescherming van de kust en het achterland tegen overstromingen vanuit zee wordt door het rijk en de provincie aangemerkt als een nationaal, respectievelijk een provinciaal belang dat in de ruimtelijke ordening geborgd moet worden. Zo is in de Omgevingsverordening Zeeland opgenomen dat regionale waterkeringen (het waterstaatswerk als daadwerkelijke kering) in omgevingsplannen primair tot Waterstaat - waterkering moeten worden bestemd. Waterkeringen worden zo ook via het planologische spoor beschermd. Dat impliceert dat voor een bouwplan op gronden behorende tot het waterstaatswerk en de beschermingszone A, zowel een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten als een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit nodig kan zijn. Dit zijn twee aparte vergunningen die afgegeven worden door twee verschillende bevoegde gezagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het functioneren van het oppervlaktewatersysteem is gewaarborgd in de waterschapsverordening en de daar in opgenomen algemene regels. Voor het beheer en onderhoud zijn beschermingszones aan weerszijden van leggerwateren noodzakelijk. Bebouwing en opgaande (hout)beplanting vormen een belemmering voor onderhoudsvoertuigen en daarom zijn deze door middel van het instellen van beperkingengebieden verboden. In de waterschapsverordening zijn deze beperkingengebieden opgenomen in werkingsgebieden. Van iedere juridische activiteit is bepaald waar deze geografisch gezien werking heeft. Afwijken van regels in de waterschapsverordening is mogelijk met een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. In het proces van de omgevingsvergunning worden de consequenties van de afwijking afgewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conserverende werking van de waterschapsverordening en de beschermingszones Van de waterschapsverordening gaat een conserverende werking uit, indien daarin het toekomstig tracé van een waterstaatwerk wordt beschermd. De Rechtbank Middelburg (Awb 07/3891, 29 januari 2008) oordeelde inzake de toenmalige keur van waterschap Zeeuws Vlaanderen met op kaart aangegeven keurzones en een Nota begrenzingen, waarin een berekening voor die zones is onderbouwd, dat: “de in de Wet op de ruimtelijke ordening aan provincie Zeeland gegeven bevoegdheid, onverlet laat de aan een waterschap gegeven bevoegdheid om in het belang van de waterstaatszorg voorzieningen te treffen. Deze voorzieningen betroffen het aangeven van keurzoneringen, zones langs waterkeringen waarbinnen vooralsnog niet mag worden gebouwd. Deze zones waren bepaald door uit te gaan van toekomstige klimaatscenario's.” De Rechtbank nam daarbij in aanmerking dat de conserverende werking kon worden opgeheven na belangenafweging in het concrete geval van een aanvraag om ontheffing door betreffende bedrijven. Deze uitspraak is van groot belang voor waterschappen die hun belangen bij een mogelijk toekomstig grondgebruik voor het verbeteren van hun watersystemen voor de (lange) toekomst veilig willen stellen. In dit verband is het belangrijk om waar nodig een profiel van vrije ruimte op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keur watersystemen is de voorloper van deze waterschapsverordening. Alle keurzoneringen zijn als onderdeel van deze verordening als beperkingengebieden opgenomen in digitale werkingsgebieden. De beperkingengebieden voor waterkeringen zijn als volgt opgebouwd: Waterstaatswerk, beschermingszone A en beschermingszone B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan weerszijden van het waterstaatswerk zijn een beschermingszone A en een beschermingszone B aangewezen. De beschermingszone A omvat in ieder geval die gronden die technisch/fysisch (mede) een bijdrage leveren aan de stabiliteit van de waterkering. Daarbij geldt echter aan de landwaartse zijde als minimum dat gronden die voor toekomstige dijkverzwaring nodig zijn, ook wel het profiel van vrije ruimte of reserveringsstrook genoemd, in ieder geval binnen de beschermingszone A vallen. Waar het profiel van vrije ruimte breder is dan de strook die een bijdrage levert aan de stabiliteit van de waterkering is eerstgenoemde bepalend voor de dimensionering van de beschermingszone A. Dit is vrijwel overal het geval. Er is daarom voor gekozen om het profiel van vrije ruimte overal te laten samenvallen met de beschermingszone A.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermingszone B is aangewezen om bepaalde activiteiten, die potentieel grote gevaren voor de waterkering in zich bergen (bijvoorbeeld de aanleg van hogedrukleidingen) ook op grotere afstand van de waterkering te kunnen reguleren. De exacte zoneringen zijn vastgelegd en opgenomen in de respectievelijke beperkingengebieden en werkingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Toelichting bij de verordening van Waterschap Scheldestromen, eerste publicatie in STOP/TPOD format voor IWT OW 01-01-2024 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bronnen c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analyse d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schrijfstijlkeuze &amp; Structuuropzet e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Effecten administratieve lasten en T&amp;HH f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Implementatie &amp; overgangsrecht g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding met het nieuwe loket (DSO-TR) paragraaf 1 AanleidingMet het inwerking treden van de nieuwe Omgevingswet per 01-01-2024 is er ook een nieuwe digitale standaard/format voor het publiceren van de waterschapsverordening. In jargon heet deze format STOP/TPOD. Met de komst van het nieuwe stelsel van de Omgevingswet, wordt er een aantal juridische regels van het Rijk overgedragen naar het waterschap. Deze regels worden in jargon Bruidsschat genoemd en deze bestaat uit zowel juridische regels met bevoegdheden, als uit elementen die nodig zijn voor de werking van het nieuwe Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dit loket voorziet in de dienstverlening aan de burgers en bedrijven voor bijvoorbeeld het aanvragen van vergunning of het controleren welke algemene maatregelen men in acht moet nemen bij initiatieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bronnen worden meer gedetailleerd beschreven in paragraaf 2. In de bestaande situatie maakt het waterschap gebruik van tal van instrumenten. Niet al die instrumenten bestaan straks nog onder de Omgevingswet. Verder zijn er regels en digitale elementen door de Omgevingswet zelf en door de Bruidsschat die het waterschap van het Rijk krijgt, die nieuw zijn voor het waterschap. Om de verordening daarop aan te passen, is er een analyse gemaakt. Beleidsneutraal is dus niet hetzelfde als regelneutraal. In paragraaf 3 is de analyse zelf beschreven. In paragraaf 4 de schrijfstijlkeuzes en de structuuropzet. Verder zijn in paragraaf 5 de effecten ervan beschreven ten aanzien van de administratieve lasten voor de gebruikers en de effecten voor Toezicht en Handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 6 is kort nog het proces inzichtelijk gemaakt van de implementatie in relatie tot het overgangsrecht.De nieuwe digitale standaard voorziet in een andere ontsluiting van de informatie uit de waterschapsverordening. Waar een verordening voorheen uit juridische tekst en geometrische kaartjes bestond, vergt de opbouw in het nieuwe format, dat de burger de regels eenvoudiger moet kunnen filteren op meer mogelijkheden. Verder vereist de nieuwe standaard een koppeling tussen de juridische teksten en het omgevingsloket. Via vragenbomen in het loket, moet het voor gebruikers eenvoudiger te controleren zijn of zij voor een initiatief bijvoorbeeld een vergunning of een melding moeten doen, dan wel of het initiatief per definitie is verboden of juist toestemmingsvrij is, al of niet met algemene voorwaarden of een zorgplicht. In paragraaf 7 staat meer informatie over deze zogenoemde informatieketen en de verhouding van deze verordening tot de dienstverlening in het loket. paragraaf 2 Bronnen In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het nieuwe stelsel. In aanvulling op de begrippen van de wet en de AMvB's, bevat bijlage I bij deze verordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze verordening. Verder zijn de artikelen uit de bruidsschat op een logische plaats neergezet binnen de artikelen van de eigen waterschapsverordening. Soms betekent dit dat de artikelsgewijze toelichting en de redactie daarop zijn aangepast. paragraaf 3 AnalyseIn het nieuwe stelsel vervalt het instrument van de keur ontheffing. In de nieuwe stijl is deze daarom teruggekomen als een vergunningplicht. In de bestaande keuren staan nog de achtergebleven onderhoudsbepalingen. Deze regels zullen landen in een losse onderhoudsverordening. In de toekomstige versie van de verordening zal nog een verbeterslag gemaakt worden waarbij standaardvergunningen worden omgezet in algemene regels met meldplicht en voor sommigen met informatieplicht. paragraaf 4 Schrijfstijl en structuurkeuzeVoor de schrijfstijl is gebruik gemaakt van de laatste inzichten op het gebied van wetgevingsprincipes. Regels worden actief geformuleerd en voldoen o.a. aan de 100 aanwijzingen voor wet- en regelgeving. Voor de structuurkeuze heeft Scheldestromen gekozen om de volgende vuistregels te hanteren: Hoe meer generiek de regel hoe hoger in de hoofdstukindeling die landen. Hoe specifieker de regels, hoe lager. Verder is er gekozen om per (DSO) activiteit een hoofdstuk in te delen en dat vervolgens zo klein mogelijk te houden, zodat de artikelnummering zo stabiel mogelijk blijft bij latere wijzigingen. Dit is praktisch voor alle andere documenten en objecten die gebruik maken van een verwijzing naar een artikel in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">paragraaf 5 Effecten voor de administratieve lastenGereserveerd (moet volgen uit de monitoring) - meenemen: vergunningplicht om gaan zetten in algemene regels met meldplicht / zorgplicht paragraaf 6 Implementatie en overgangsrechtIn 2016 is de Omgevingswet aangenomen door de beide kamers. Tevens is in dat jaar met de Unie van Waterschappen afgesproken dat een wettelijke overgangstermijn van 2 jaar zou gaan gelden voor waterschappen. Het gebruikmaken van zo'n overgangstermijn geeft ruimte in het werk- en publicatieproces, maar zorgt - hoe langer daarvan gebruik gemaakt wordt - ook voor dubbele systemen en dus dubbele lasten. Met de UvW hebben de individuele waterschappen de ambitie uitgesproken om zo min mogelijk gebruik te maken van de overgangstermijn en de bruidsschat zoveel mogelijk vooraf al te verwerken in de eigen waterschapsverordening. Scheldestromen heeft hard gewerkt om die ambitie te verwezenlijken en op 20/21 november 2023 de initiële publicatie op het nieuwe platform te zetten. De traditionele publicatie is via het Decentraal Regelgeving Platform (DROP) op 10 november 2023 zichtbaar geworden. De verdere implementatie zal stapsgewijs plaatsvinden door op de initiële versie nog verschillende mutaties uit te voeren en, zo nodig, nog technische publicaties te doen. De juridische regels die wettelijk gezien geen onderdeel mogen uitmaken van de waterschapsverordening, zullen landen in een aparte verordening en de oudere versies zullen ingetrokken worden. paragraaf 7 Verhouding met het nieuwe loketVoorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de eerste juridische regels al zichtbaar worden op het nieuwe platform. De loketfunctie zal per datum inwerkingtreding werken. Daarmee komt de functie van de platformen AIM en OLO te vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Geografische Informatie objecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In regelingen kan informatie worden vastgelegd die niet op een begrijpelijke manier in tekst te beschrijven is. De geometrische begrenzing van Locatie is daar een voorbeeld van.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een informatieobject dat de geometrische begrenzing van een of meer locaties vastlegt wordt een geografisch informatie object genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.8 Omgevingswet kan het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur het vaststellen van delen van de waterschapsverordening delegeren. Onder de noemer Algemene regels voorziet deze bepaling in de mogelijkheid om ten aanzien van bepaalde activiteiten nadere regels te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om deze algemene regels vast te stellen is dus toebedeeld aan het dagelijks bestuur van het waterschap, die deze kan toevoegen aan de verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit(waterbodem)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van werkzaamheden aan of in een waterstaatswerk waarbij een verontreinigde of een niet verontreinigde waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, zoals bij baggeren van een haven, moet inzicht worden gegeven in de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie. Daarnaast moet de omvang van het te baggeren oppervlak worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit(wegen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van werkzaamheden met betrekking tot een weg moet inzicht worden gegeven in het type activiteit, hoe de activiteit wordt uitgevoerd, welke materialen worden gebruikt en wat de start- en einddatum is van de activiteit. Tevens moet inzicht worden gegeven wat de gevolgen van de activiteit zijn voor de toestand van de weg, de aanwezige beplanting en de verkeersveiligheid. Daarbij moeten de omgevingsfactoren zoals genoemd in het tweede lid worden meegenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning wateractiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten bevat de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1 van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk opgenomen in deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten op of bij wegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een beschikking dient te berusten op een deugdelijke motivering. Dit artikel noemt in hoofdlijnen de motieven waarop een omgevingsvergunning voor een activiteit op of bij Wegen wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning weigeren, wijzigen, intrekken of aanvullen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om een omgevingsvergunning te weigeren, te wijzigen, in te trekken of aan te vullen spreekt voor zich. Toepassing van dit artikel geschiedt met inachtneming van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1994/1, zoals sindsdien gewijzigd). Naast de algemeen geldende bepalingen in deze wet zijn voor het aanvragen van vergunningen en de behandeling daarvan, of het ambtshalve geven, wijzigen of intrekken van vergunningen, de bijzondere bepalingen volgens hoofdstuk 4 van de betreffende wet van toepassing. Bedoeld hoofdstuk bevat onder meer voorschriften inzake aanvragen, en eventueel verlangde aanvulling daarvan, de voorbereiding en motivering van beschikkingen, alsmede de termijn waarbinnen op een aanvraag moet zijn beslist. Laatstbedoelde termijn omvat ten hoogste acht weken, tenzij het bestuursorgaan niet aan die termijn kan voldoen. In dat geval wordt de aanvrager door het bestuursorgaan hiervan tijdig in kennis gesteld, met vermelding van de (redelijke) termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. De Awb gebiedt voorts doorzending van onjuist geadresseerde aanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende beperkingengebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de activiteit in artikel 2.4 is in bijlage III een kaart opgenomen waarop is aangegeven waar dynamisch en waar niet dynamisch beheer plaatsvindt. Seizoensgebonden strandbebouwing verplaatsen van het gebied dynamisch naar niet dynamisch is toegestaan. Andersom niet. Bebouwingscontour is een GIO geworden waardoor we niet meer naar losse kaarten moeten verwijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondroeringen binnen een waterstaatswerk(niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam)en beschermingszone A</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft de primaire waterkering en de aangrenzende beschermingszone A.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vistuigen op een waterstaatswerk en binnen beschermingszone A</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft de primaire waterkering en de aangrenzende beschermingszone A</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Seizoensgebonden strandbebouwing op een waterstaatswerk en binnen beschermingszone A</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft de primaire waterkering en de aangrenzende beschermingszone A.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden met dieren op een waterstaatswerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft de primaire waterkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden met motorvoertuigen op een waterstaatswerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het berijden van de primaire waterkering in verband met het plaatsen en verwijderen van strandbebouwing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwen en verbouwen op regionale waterkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het herbouwen, verbouwen en/of aanbouwen van bouwwerken op een regionale waterkering en de aangrenzende beschermingszone A.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Kabels en leidingen in een regionale waterkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het leggen, hebben, vernieuwen, wijzigen of verwijderen van kabels en leidingen in een regionale waterkering en de aangrenzende beschermingszone A.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Onttrekking grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van de criteria voor grondwateronttrekkingen is rekening gehouden dat de zoetwatervoorkomens niet kleiner van omvang mogen worden. Allereerst is er voor de landbouwonttrekkingen een onttrekkingsplafond vastgesteld. Deze komt er op neer dat er per onttrekkingslocatie niet meer onttrokken mag worden dan 60 m3 per uur, niet meer dan 3.000 m3 per kwartaal en niet meer dan 8.000 m3 per jaar. Als beperking is voorts bepaald dat er nooit meer dan 800 m3 per ha. per jaar mag worden onttrokken. Bij een perceel van 6 ha. mag er jaarlijks dus maximaal (800 x 6) 4.800 m3 grondwater onttrokken worden. De onttrekkingshoeveelheid van 800 m3 per ha. per jaar is gebaseerd op de hoeveelheid die jaarlijks ook weer in de bodem infiltreert door het jaarlijkse neerslagoverschot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatieve effecten van gelijktijdige grondwateronttrekkingen worden voorkomen doordat de onttrekkingsmiddelen minimaal 200 meter uit elkaar moeten liggen. De waterbalans en de te respecteren afstand ter beperking van cumulatieve effecten is in 2018 uitputtend onderzocht en berekend door het onafhankelijke kennisinstituut Deltares (Evaluatie en verdiepend onderzoek naar grondwateronttrekkingsregels in de provincie Zeeland, kenmerk 1231011-001). Ook overige te respecteren afstanden, waaronder die tot waterlopen, worden daarin gemotiveerd. Met het hanteren van de huidige uitgangspunten en criteria is er voldoende waarborg voor het behouden van de zoetwatervoorraad in de bodem voor de toekomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overige categorieën van grondwateronttrekkingen die plaatsvinden in gebieden met zoetwatervoorkomens geldt dat men al bij een hoeveelheid die groter is dan 10 m3 per uur, groter dan 3.000 m3 per kwartaal of indien de onttrekking langer duurt dan 6 maanden een vergunning moet aanvragen. Bij de vergunningaanvraag moet dan een bemalingsadvies worden gevoegd. Cumulatieve effecten maken een vast onderdeel uit van de te onderzoeken onderwerpen in het bemalingsadvies. Dit cumulatieve aspect is in bijlage 3 van de verordening opgenomen. Indien nodig worden mitigerende maatregelen (zoals retourbemaling) voorgeschreven ter behoud van de voorraad zoetwater in de bodem. In de bufferzones van de kwetsbare gebieden geldt sowieso een vergunningplicht voor landbouwkundige grondwateronttrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle in bijlage 3 genoemde aspecten, waaronder het effect op natuur, dienen eerst te worden onderzocht om te kunnen bepalen of er al dan geen vergunning kan worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Anti-worteldoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied is het waterstaatswerk en de beschermingszones van waterlopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Lozingswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het hebben, leggen, aanbrengen, veranderen of opruimen van lozingswerken waardoor water en andere vloeistoffen op een leggerwater worden gebracht. Toepassingsgebied is het waterstaatswerk en de beschermingszones van waterkeringen en watersystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.12 geeft aan onder welke voorwaarden een lozingswerk zonder vergunning mag worden aangebracht. Één van de voorwaarden is dat de diameter van de afvoerleiding van een hemelwaterafvoer niet groter mag zijn dan 125 mm. Het betreffen kleine afvoerleidingen die in een leggerwater uitmonden waarbij bijvoorbeeld schoon hemelwater wordt afgevoerd dat afkomstig is van daken van particuliere woningen, tuinhuisjes, etc. Ook drainages van landbouwpercelen die in een leggerwater uitmonden vallen hier onder. Wanneer aan de voorwaarden uit dit artikel wordt voldaan dan kan het leggerwater als vanouds in goede conditie blijven functioneren en kan het onderhoud aan het leggerwater als vanouds worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozingswerken die niet aan de voorwaarden uit dit artikel voldoen zijn vergunningplichtig. De omvang van het lozingswerk kan dan mede afhankelijk zijn van het aangesloten verharde oppervlak. In dergelijke gevallen is het noodzakelijk om voorschriften in een vergunning op te nemen om de functies van het leggerwater te beschermen. Denk hierbij aan voorschriften die moeten voorkomen dat door het stromende lozingswater taluds en bodems van oppervlaktewateren uitspoelen. Zonder maatregelen zouden door uitspoeling instabiele oevers kunnen ontstaan. Verder kan de uitgespoelde grond elders bezinken en een remming in de waterafvoer veroorzaken. De voorschriften stellen ook eisen aan de vormgeving of constructie van het lozingswerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorschriften zijn er op gericht dat het lozingswerk geen hinder oplevert voor het uitvoeren van machinaal onderhoud aan het leggerwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwwerken bij leggerwateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het plaatsen en behouden van bouwwerken op of binnen de beschermingszone van een leggerwater met een bovenbreedte van minder dan 8,00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied is het waterstaatswerk en de beschermingszones van leggerwateren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Beplantingen bij leggerwateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het aanbrengen en behouden van opgaande (hout)beplantingen op of binnen de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van maximaal 14,00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied is de beschermingszones van leggerwateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking hiervan kan een enkele bomenrij worden aangebracht waarbij een afstand van minimaal 1 meter tot de insteek wordt aangehouden. De onderlinge afstand tussen de bomen dient minimaal 12 meter te bedragen. Achter de bomen dient een strook van minimaal 5 meter vrij gehouden te worden van obstakels. Deze strook van 5 meter en de 12 meter vrije ruimte tussen de bomen dient toegankelijk te zijn en toegankelijk te worden gehouden ten behoeve van het blijvend kunnen uitvoeren van onderhoud aan het leggerwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwallen bij leggerwateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het ophogen en/of afgraven van gronden bij een leggerwater met een bovenbreedte van maximaal 14,00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied zijn de beschermingszones van een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Sonderingen, boringen en mechanische boringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het graven in wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsbereik is werkingsgebied Weg. Voor waterkeringen en watersystemen kan er nog wel vergunningplicht zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van verwijzingsborden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het plaatsen van palen met verwijzingsborden bij de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied is werkingsgebied Weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in H 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo'n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft aan met welke doelen de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Dit zijn, kort gezegd, de doelstellingen van het waterbeheer (zie de begripsomschrijving van beheer van watersystemen in de memorie van toelichting van de Omgevingswet) die betrekking hebben op de waterkwaliteit en functievervulling door watersystemen, aangevuld met de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken. De regels in dit hoofdstuk zijn niet gesteld met het doel om wateroverlast of watertekorten te voorkomen of te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer moet het waterschap bij het stellen van regels in de waterschapsverordening ook rekening houden met de in dat artikel opgenomen voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Deze voorkeursvolgorde gold ook voor de voormalige rijksregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Bij het opstellen van de regels over lozingen in een oppervlaktewaterlichaam in dit hoofdstuk is daarom niet alleen rekening gehouden met de bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken, maar ook met bijvoorbeeld de voorkeur om afvalwater, dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron te hergebruiken of lokaal terug te brengen in het milieu. Daarom is in verschillende artikelen in dit hoofdstuk bepaald dat afvalwaterstromen onder voorwaarden op een oppervlaktewaterlichaam kunnen worden geloosd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen enerzijds de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam (dat leidt tot beperking van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam) en anderzijds de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken en de voorkeur voor lokale verwerking van afvalwater (dat leidt tot beperking van lozingen op de vuilwaterriolering). Waar het doel 'doelmatig beheer van afvalwater' staat, duidt dit erop dat deze afweging heeft gespeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 3.4 (Specifieke zorgplicht), over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels over lozingsactiviteiten in de Afdelingen 3.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering) tot en met 3.18 Asverstrooing). De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften is de opvolger van onder meer de maatwerkbevoegdheden ter uitwerking van de zorgplichten van artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens, en de specifieke maatwerkbevoegdheden die in diverse artikelen van die besluiten waren opgenomen. Met het verruimen van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, wordt overigens niet beoogd dat het bevoegd gezag vaker dan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruik zal maken van die bevoegdheid. Maatwerk blijft een uitzondering; de algemene regels in dit hoofdstuk voldoen in de meeste gevallen. Maar als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering maatwerk nodig maken, dan kan daarin wel worden voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als op grond van dit hoofdstuk gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens en bescheiden begeleid door een aantal algemene gegevens. Er is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het bij het verstrekken van gegevens en bescheiden over een activiteit om een aanduiding van welke lozingsactiviteit er zal worden verricht. Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit verricht. Als het adres waarop de activiteit wordt verricht waarover gegevens worden verstrekt, een ander adres is dan het adres van degene die de activiteit verricht, bijvoorbeeld omdat er meerdere bedrijfslocaties zijn, wordt ook dat adres verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of initiatiefnemer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties. Het eerste lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij het verrichten van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het verstrekken van gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur die nodig zijn om te beoordelen of algemene regels en maatwerkvoorschriften voldoende zijn voor het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Informeren over een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken, is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de waterkwaliteit niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in H 3 van het Bal en afkomstig van wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook op grond van het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of te beperken. Voor het 'voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen' is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel. 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening. Waterschap Scheldestromen heeft geen aangewezen oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij ontwatering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29 van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid te lozen water wordt aangepast.De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) die minder dan 48 uur duren, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: ten minste 5 werkdagen voor de start van de lozingsactiviteit wordt het bevoegd gezag geïnformeerd in plaats van 4 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van afvloeiend hemelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling voor het lozen van afvloeiend hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29 van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht artikel 3.3 Specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In deze verordening is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK's, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels of rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater, zijn aangelegd. Dit afvloeiend hemelwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. De regels hierover staan in het omgevingsplan. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Als laatste mogelijkheid is het lozen in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam aangegeven. Dit is alleen toegestaan wanneer het lozen via een andere route niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken worden aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig, ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg of wijziging, op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.16</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2.000 inwonerequivalenten. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in H 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct in het oppervlaktewater te lozen. Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden in het oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA's redelijkerwijs niet mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.17</span><span class=\"lf-art-t\">Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd in het oppervlaktewater worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Hierbij wordt voor lozingen in het oppervlaktewater een onderscheid gemaakt tussen lozingen in aangewezen wateren (wateren die geen bijzondere bescherming behoeven) en niet-aangewezen wateren (wateren die wel bijzondere bescherming behoeven). De lijst van aangewezen wateren is opgenomen in bijlage II bij deze verordening. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW- rapport 'Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen' van januari 1999 ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in het oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van tabel 2.3, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo'n voorziening geloosd mogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals het aantal inwonerequivalenten en de wijze van behandelen van het afvalwater. Eveneens moeten gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt worden als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.20</span><span class=\"lf-art-t\">Koelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder dat besluit vallen. Voor die bedrijven is daarom in dit artikel het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd. De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening; andere oppervlaktewaterlichamen zijn niet- aangewezen oppervlaktewaterlichamen.De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbijL = lozingsdebiet (m3/s)ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.21</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verschaft over de maximale warmtevracht. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij reinigen en conserveren van bouwwerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling heeft betrekking op het lozen bij werkzaamheden aan bouwwerken in de buurt van oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan (spoor)bruggen, sluizen, steigers, kadewanden of panden die grenzen aan het oppervlaktewater. De regels in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (paragraaf 3.1.6) en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen (paragraaf 3.5) schreven voor dat bij het reinigen en conserveren maatregelen getroffen dienden te worden om het op het oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels betroffen gedetailleerde instructies waaraan de lozer moest voldoen. Hierdoor mocht slechts afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd bij het afwassen met water en het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Voor andere reinigings- en conserveringswerkzaamheden zijn regels gesteld in artikel 3.23 Werkinstructie bij reinigen en conserveren).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Werkinstructie bij reinigen en conserveren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhouden van bouwwerken houdt veelal in dat de bouwwerken van verontreinigingen worden ontdaan, dat roest en oude verflagen worden verwijderd en dat een nieuwe verflaag wordt aangebracht. Bij de werkzaamheden worden reinigings- en/of conserveringstechnieken toegepast en komen stoffen vrij of worden stoffen gebruikt die emissies veroorzaken naar oppervlaktewaterlichaam. Om deze emissies te voorkomen of te beperken zijn milieubeschermende maatregelen nodig. In het algemeen gebeurt dit door het afschermen van de ruimte waarin wordt gewerkt en opvangen en verwerken van vrijkomende stofdeeltjes. Afhankelijk van de omvang en bezwaarlijkheid van de vrijkomende stoffen kunnen met een optimale combinatie van de toegepaste techniek, de te verwijderen of toe te passen materialen en stoffen en de te nemen milieubeschermende maatregelen de nadelige gevolgen voor het milieu beperkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de reinigings- en conserveringswerkzaamheden moet een werkinstructie opgesteld worden waarin in ieder geval de maatregelen staan die getroffen worden om het lozen te voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De werkinstructie kan de maatregelen bevatten die onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen worden beschreven, maar het is ook mogelijk om andere maatregelen of technieken te treffen. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.23 van het Bal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.24</span><span class=\"lf-art-t\">Werkinstructie bij bouwen, slopen en renoveren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als bouwwerken worden gesloopt, gerenoveerd of gebouwd is het bijna onvermijdelijk dat vaste delen in het oppervlaktewaterlichaam geraken. Het is daarom van belang dat bij deze werkzaamheden aan bouwwerken, die in de buurt van of boven het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden, verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk wordt voorkomen. De werkwijze en een zorgvuldige bedrijfsvoering zijn daarbij van doorslaggevend belang. Daarom moet een werkinstructie worden opgesteld waarin naast de werkwijze in ieder geval is aangegeven welke preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen in een oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Er moet worden gehandeld conform deze werkinstructie en de daarin genoemde maatregelen moeten worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.25</span><span class=\"lf-art-t\">Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als het bij het reinigen of conserveren nodig is om te werken met een gesloten hulpconstructie en afzuiging, geldt een emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid stof die naar de buitenlucht wordt afgevoerd. Deze eis is bedoeld om te voorkomen dat het stof alsnog in het oppervlaktewater terecht kan komen. Als de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam zodanig groot is dat een lozing redelijkerwijs niet te verwachten is, geldt dit artikel niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van stof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft een opsomming van de te verstrekken gegevens en bescheiden aan het dagelijks bestuur bij de start van een lozingsactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het overslaan van inerte goederen. Inerte goederen zijn goederen die niet bodembedreigend zijn. Inerte goederen geven bij overslag geen significante milieubelasting. Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overslaan is te beschouwen als een handeling binnen het transportproces tussen een onderneming en een andere partij (onderneming of particulier). Bij overslaan gaat het om 'het van en naar een transportmiddel verplaatsen van goederen of materialen'. Onder overslaan vallen bijvoorbeeld het lossen, (be)laden, overladen of (over)hevelen van goederen of materialen. De afdeling heeft geen betrekking op 'opslaan'. Het opslaan van goederen is al uitputtend geregeld in het Bal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij opslaan van inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd in oppervlaktewater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29 van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt voordat het wordt geloosd. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was bepaald dat de lozing geen visuele verontreiniging mag veroorzaken. Die bepaling keert niet terug, want het voorkomen van visuele verontreiniging is onderdeel van de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.30</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij overslaan van inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (bijvoorbeeld zand of grind op een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.31</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op goederen die bij contact met water kunnen uitlogen. Dit artikel geldt voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in H 3 van het Bal. In dat besluit is geregeld dat het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet worden geloosd. Voor het doelmatig beheer van afvalwater kan het water ook op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit artikel is dus een maatwerkregel op het Bal. De verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool kan in deze waterschapsverordening niet worden 'uitgezet'. Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die bepaalt dat de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt, als in de waterschapsverordening lozen in het oppervlaktewater is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en ook niet binnen een afstand van 40 meter aangesloten kan worden op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Als er binnen die afstand wel een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk aanwezig is, is het niet toegestaan om te lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Het ligt dan voor de hand om aan te sluiten op die riolering of zuiveringtechnisch werk. De afstand is de afstand van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam moet voldaan worden aan de emissiegrenswaarden in de tabel. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voor alle goederen zijn alle stoffen in de tabel relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen het chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, som van stikstofverbindingen en som van fosforverbindingen van belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.32</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden.Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat hetafvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Erzijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden diemoeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 2.32 emissiegrenswaarden wordengesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in debegripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerdom te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussenhet moment van bemonstering en het moment van analyse.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.33</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het: bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen; overslaan van zout voor het strooien op wegen; overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met 'bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen' wordt het overslaan bedoeld wat in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld voor inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere overslaghandelingen (strooizout, niet-inerte goederen die vrijkomen bij of nodig zijn in een werk) hebben betrekking op wat in het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was geregeld voor het overslaan buiten een inrichting. Bij 'niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk' kan gedacht worden aan het vervangen of aanleggen van een walbeschoeiing in het oppervlaktewater, het aanbrengen of vervangen van kabels in de bodem of oppervlaktewater en andere werkzaamheden in de openbare ruimte. Dit materiaal kan van allerlei aard zijn, zoals beschadigde walbeschoeiing en oude kabels. Ook het nieuwe materiaal kan worden overgeslagen voordat het in het werk wordt aangebracht. In dit geval betreft het dus de nieuwe walbeschoeiing, nieuwe kabels en soortgelijk materiaal die nodig zijn in een werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (op bijvoorbeeld een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.34</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag bepaalde gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.35</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen in oppervlaktewater toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. Bij het vaststellen van het GRP is betrokkenheid van het waterschap voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente en waterschap bepalen gezamenlijk welke maatregelen aan de riolering het meest doelmatig zijn. Daarbij wordt onder meer gelet op de effecten van lozingen uit de riolering op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast verplichtte het voormalige Artikel 3.8a van de Waterwet tot afstemming van taken en bevoegdheden over de afvalwaterketen. Een omgevingsvergunning voor lozen vanuit de riolering is in dat licht overbodig. Ook het nieuwe stelsel gaat uit van samenwerking tussen overheden bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zie artikel 2.2 Omgevingswet). De Omgevingswet voorziet in artikel 3.14 in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongetwijfeld zal het college het waterschap daarbij betrekken. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen daarom eveneens toegestaan. De naam 'rioleringsprogramma' is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.36</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor lozingen vanuit 'overheids-IBA's' geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.35.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.37</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op baggerwerkzaamheden en ontgravingen en geldt alleen voor de lozingen bij het baggeren en ontgraven zelf. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een eventuele toepassing van de bagger of de opgegraven materie.Het artikel is niet alleen van toepassing op waterbeheerders die baggerwerkzaamheden en ontgravingen verrichten. Ook als die werkzaamheden door derden worden verricht (zoals de onderhoudsplichtigen), is het artikel van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan als die plaatsvindt in hetzelfde oppervlaktewater waar ook het baggeren of ontgraven plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.38</span><span class=\"lf-art-t\">Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden, waarbij de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem in de kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd', bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit valt, is het gewenst dat het ontgraven of baggeren met een grotere zorgvuldigheid gebeurt dan wanneer de kwaliteit in een andere (minder schadelijke) kwaliteitsklasse valt. De kwaliteitsklasse 'sterk verontreinigd' komt overeen met een waterbodem die volgens het oude recht de interventiewaarden overschreed. In dat geval is het opstellen van een werkinstructie verplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.39</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op lozingen afkomstig van andere werkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam (anders dan ontgravingen of baggerwerkzaamheden) die door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvinden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Bijvoorbeeld het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan zonder verdere voorwaarden. Vanzelfsprekend geldt wel de specifieke zorgplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.40</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van algen en bacteriën</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het lozen van algen en bacteriën op een oppervlaktewaterlichaam wat door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvindt in het kader van oppervlaktewaterbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bepaalt dat algen en bacteriën afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam geloosd mogen worden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Daarbij geldt de voorwaarde dat beide oppervlaktewaterlichamen in beheer zijn bij dezelfde waterbeheerder. Het artikel maakt mogelijk dat de waterbeheerder, in het kader van het oppervlaktewaterbeheer, algen en bacteriën naar eigen inzicht in het eigen beheersgebied kan verplaatsten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.41</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.42</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen lozingen van dit afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bestaat geen bezwaar, voor zover het afvalwater geen chemicaliën zoals desinfecteermiddelen bevat. Een lozing die wel zulke middelen bevat, is alleen mogelijk als het bevoegd gezag daarvoor een maatwerkvoorschrift heeft gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.43</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij calamiteitenoefeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Calamiteitenoefeningen worden uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip 'calamiteitenoefening'. Bij calamiteitenoefeningen kan afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden, gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in het oppervlaktewater stroomt. Om de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken, wordt daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oefenblusschuimen die geen slecht-afbreekbare organische fluorverbindingen of andere halogeenverbindingen bevatten. Deze oefenblusschuimen hebben vergelijkbare uitvloei-eigenschappen als echt blusschuim, maar bevatten niet de schadelijke werkzame stof van blusschuimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om overlap met regels uit het Bal te voorkomen, is een afstemmingsbepaling opgenomen in dit artikel. Het artikel heeft geen betrekking op afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.44</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt en welke stoffen dat blusschuim bevat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.45</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalwater dat vrijkomt bij het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, moet op grond van artikel 4.795 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd in een vuilwaterriool. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt. Deze uitzondering is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.46</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalwater dat vrijkomt bij het sorteren van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.761 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.47</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalwater dat vrijkomt bij het wassen van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.773 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.48</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de artikelen 4.801 en 4.804 van het Bal mag brijn, afkomstig van de bereiding van gietwater of drinkwater voor landbouwhuisdieren, niet worden geloosd. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater wel toegestaan. In dit artikel wordt deze lozingsroute weer mogelijk gemaakt. Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden voor dit afvalwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.49</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bij ontijzeren grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten is niet geregeld in het Bal. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.50</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater, zoals dit artikel, schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Met het toevoegen van 'NEN-ISO 15705' wordt deze regel gelijkgetrokken met andere regels in deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.51</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.52</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering voorgeschreven lozingsroute</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Maar in sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in het omgevingsplan opgenomen dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Maar de gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in de genoemde artikelen van het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom bepaalt dit artikel dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.53</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op lozingen afkomstig van (kleinschalige) voedselbereiding, ongeacht of die lozing afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in H 3 van het Bal of niet. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze afdeling is niet van toepassing op grootschalige voedselbereiding als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.54</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen bereiden van voedingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afvalwater dat vrijkomt bij voedselbereiding wordt in het algemeen geloosd op een vuilwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Als er geen vuilwaterriool aanwezig is, kan het afvalwater ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het afvalwater samen met huishoudelijk afvalwater wordt behandeld in een zuiveringsvoorziening zoals een IBA. Die zuiveringsvoorziening moet wel berekend zijn op de verwerking van het afvalwater afkomstig van de voedselbereiding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.55</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, aan het bevoegd gezag te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.56</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater op een oppervlaktewaterlichaam of elders geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen is zonder nadere voorschriften toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.57</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.58</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van spoelwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op het lozen van een tweetal afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport ervan, is toegestaan. Het zoute zeezand wordt meestal tijdens het varen naar de plaats waar het zand wordt toegepast, met steeds zoeter wordend oppervlaktewater gespoeld, om de zoutvracht naar beneden te brengen. Als voorwaarde is opgenomen dat het lozen tijdens het varen plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het scheiden van zand en grind, is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels over het lozen van spoelwater van zeezand in brak oppervlaktewater en het lozen van organismen en slib veroorzaakt door het kweken en verwerken van mosselen en oesters zijn niet overgenomen uit het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Deze lozingen komen in de praktijk alleen voor in de rijkswateren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.59</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrooien van as</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft het incidenteel verstrooien op een voor de overledene of de nabestaanden bijzondere plek. Het artikel heeft geen betrekking op bedrijfsmatig georganiseerd verstrooien van as.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.60</span><span class=\"lf-art-t\">Brengen van water of andere vloeistoffen op een leggerwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreft het verbod om water of andere vloeistoffen op een leggerwater te brengen door middel van één van de in artikel 3.60 van deze waterschapsverordening genoemde activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.61</span><span class=\"lf-art-t\">Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater</span></h4></div>", "next": 238704}