{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Behoud van onverharde en half verharde wegen en paden is van groot belang voor het landschapsbeeld en de toeristisch-recreatieve activiteiten. \\ 3. De archeologische en cultuurhistorische elementen worden in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming meegenomen. Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met aardkundige waarden.</div>\n<p class=\"lf-p\">De zonering in het streekplan bepaalt de mate van bescherming en ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijke waarden. De bescherming van waardevolle waarden en landschapselementen wordt in het bestemmingsplan vastgelegd. In sommige gevallen zal een specifieke bestemming vereist zijn. In zone I is het mogelijk om beplantingselementen te verplaatsen, tenzij het gaat om cultuurhistorisch of natuurlijk waardevolle elementen. In zone II is verplaatsing slechts bij wijze van uitzondering mogelijk, en alleen als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak. Uit de toelichting blijkt welke gebiedskenmerken bepalend zijn en hoe deze in het ruimtelijk plan, bijvoorbeeld in de doeleindenomschrijving, aanlegvergunningenstelsel of gebruiksbepalingen, zijn vastgelegd. Dit betekent niet dat alle landschappelijke elementen of natuurlijke waarden een afzonderlijke bestemming moeten krijgen. Zij kunnen ook vallen onder de bestemming \"agrarisch gebied met landschappelijke of natuurlijke waarde(n)”. Voor werken van ondergeschikte aard en voor normaal onderhoud en beheer is een aanlegvergunning niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De historisch landschappelijke patronen, vochtgebonden natuurwaarden, weidevogelgebieden, archeologische en aardkundige waarden zijn eveneens van groot belang. In de toelichting van het ruimtelijk plan wordt ingegaan op de archeologische waarden van een gebied. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de Archeologische Monumentenkaart en de Indicatieve Kaart Archeologische waarden. Zie ook onderdeel 1.3.2 van het stedelijk gebied. Terreinen van hoge archeologische waarden worden op de plankaart aangegeven en zijn bij voorkeur voorzien van een dubbelbestemming. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Archeologische monumentenkaarten. Toelichting en objectenregister. Topografische kaart met objectenlocatie. Provincie Overijssel in samenwerking met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. 2000.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.5.2 Provinciaal Ecologische Hoofdstructuur (PEHS) 1. De streekplanzonering en de actuele natuurwaarden bepalen de mate van bescherming.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uitgangspunt is het handhaven van rust en het tegengaan van verstoring en versnippering door het weren van grootschalige nieuwe ontwikkelingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het instandhouden, herstellen en ontwikkelen van natuurwaarden is de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur een belangrijk concept. Op de natuurbeleidskaart van het Streekplan Overijssel 2000+ is de begrenzing van de PEHS globaal weergegeven (niet op perceelsniveau). Er zijn afgeronde gebieden en vloeiende grenzen aangehouden. Dit betekent dat ook bufferzones en landbouwgronden binnen de PEHS liggen. Voor enclaves en afrondingsgebieden is de inzet van natuurinstrumentarium niet voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aan de gronden toe te kennen ontwikkelingsmogelijkheden zijn afhankelijk van de in het streekplan opgenomen zonering. In zone I en II dient het ruimtelijk beleid gericht te zijn op het behoud van verspreide waarden van natuur en landschap. Ook de condities voor de instandhouding van weidevogel- en ganzenpopulaties (waterpeil, openheid en rust) dienen vertaald te worden in adequate aanlegvergunningsstelsels. In zone III is de hoofdkoers onder meer gericht op behoud en ontwikkeling van natuur, bos en landschap met de bijbehorende water- en milieuomstandigheden. Recreatief medegebruik wordt bevorderd. Zone IV bestaat hoofdzakelijk uit grotere natuur- en bosgebieden, waar het accent ligt op behoud en ontwikkeling van natuurwaarden. Versnippering en verstoring dienen te worden tegengegaan. In zijn algemeenheid worden binnen de PEHS geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen toegestaan zoals woningbouw, industrieterrein, grootschalige recreatiebedrijven, infrastructuur, etc. Nieuwvestiging van landbouwbedrijven binnen de PEHS is alleen mogelijk als onderdeel van een integrale gebiedsgerichte aanpak, waarbij per saldo de natuurwaarden worden versterkt en bestaande agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. binnen de PEHS zijn te onderscheiden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bestaande wateren, natuur- en bosgebieden. Deze gebieden dienen een bestemming te krijgen die recht doet aan de te behouden of de binnen de planperiode te ontwikkelen waarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Te ontwikkelen natuurgebieden, cultuurgronden waarvoor beheersovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Wijziging van de functie is mogelijk met vrijwillige medewerking van grondeigenaar en -gebruiker. Hiertoe kan voor gronden die binnen de PEHS zijn gelegen in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen. Voorwaarde is dat het een afgeronde eenheid betreft en de aangrenzende belangen niet worden geschaad.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Beheersgebieden; cultuurgronden waarvoor beheersovereenkomsten worden afgesloten om bestaande natuur- en landschapswaarden te behouden en nieuwe waarden te ontwikkelen. De oorspronkelijke functie blijft behouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verbindingszones, gebieden en lijnvormige elementen, die onderdelen van de PEHS verbinden. Ontwikkelingsmogelijkheden die de realisering van de verbindingszone kunnen frustreren dienen te worden uitgesloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Afrondingsgebieden, blijvende cultuurgrond, die als zodanig kan worden bestemd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ammoniakwet en veehouderij In paragraaf 4.2.4.1 wordt kort stilgestaan bij de Ammoniakwet. De Ammoniakwet neemt de voor verzuring gevoelige gebieden in de PEHS en een aangrenzende bufferzone van 250 meter als uitgangspunt voor het bepalen van de maximale ammoniakdepositie. Dit heeft gevolgen voor de daarbinnen gevestigde veehouderijbedrijven. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ (pagina 48 t/m 52). Milieubeschermingsgebieden ten behoeve van het ontwikkelen van de ecologische hoofdstructuur.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.5.3 Compensatiebeginsel natuur, bos en landschap 1. Ruimtelijke ingrepen die aan de aanwezige waarden van natuur en landschap in de zones III en IV, de PEHS en de bossen afbreuk doen, zijn alleen in uitzonderingsgevallen toelaatbaar: als de ingreep nodig is voor een zwaarwegend maatschappelijk belang en elders (aantoonbaar) alternatieven ontbreken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De uitbreiding van bestaande recreatiebedrijven is een uitzondering op het vereiste zwaarwegend maatschappelijk belang. Daarbij gelden dan wel harde randvoorwaarden als een bedrijfsplan en een groenplan c.q. bedrijfsnatuurplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In alle gevallen vindt compensatie plaats van het verlies van natuur- en landschapswaarden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het streekplan heeft als hoofdlijn dat ter voorkoming van de achteruitgang van bos, natuur-, en landschapswaarden toepassing plaatsvindt van het compensatiebeginsel. Onder bos verstaan wij gebieden en houtopstanden die vallen onder de Boswet. Voorzover erkende natuur- en landschapswaarden in zones I en II en buiten de PEHS liggen, zullen gemeenten een eigen compensatiebeleid moeten ontwikkelen. Bij de beoordeling van plannen zullen wij de redelijkheid van compenseren nagaan. Zie hiervoor de nota Richtlijnen Compensatiebeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bestaand recreatiebedrijf om economische redenen moet uitbreiden, de uitbreiding op kwaliteitsverbetering is gericht en alternatieven ontbreken, zal in beperkte mate bestaand multifunctioneel bos kunnen worden benut. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het bedrijf in z'n geheel in een bosgebied ligt. De uitbreiding dient deel uit te maken van een integrale gebiedsgerichte aanpak, waarbij per saldo de omgevingskwaliteiten als geheel worden versterkt. Deze voorwaarden zullen moeten worden aangetoond door middel van een bedrijfsplan en een groenplan/bedrijfsnatuurplan. Compensatie geldt niet alleen voor het verlies aan het bos dat feitelijk gerooid wordt. Het hele gebied waarvoor de bestemming \"bos\" wordt gewijzigd in een recreatiebestemming, dient gecompenseerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde gevallen zal aantasting van natuur en bos niet toegestaan worden, namelijk als het gaat om zeer moeilijk of niet vervangbare waarden. Voorbeelden van deze uitsluitingsgebieden zijn: grote heidegebieden, levend hoogveen, soortenrijk laagveenmoeras, natuurlijke beken, zeer oude houtwallen, oude loofbossen en oude bosbodems (ouder dan 100 jaar), bronbossen, landgoederen, gave essen. Als het om moeilijk vervangbare waarden gaat is de compensatiefactor 1,7 of als het compensatiegebied aansluit op de PEHS 1,3. Voor de overige waarden geldt de compensatiefactor 1,3 of aansluitend op de PEHS 1,1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatie van verlies aan natuur- en landschapswaarden en/of bos moet gewaarborgd zijn als het bestemmingsplan dat de ruimtelijke ingreep mogelijk maakt ter goedkeuring voorgelegd wordt. Het heeft nadrukkelijk de voorkeur om de compensatie in hetzelfde bestemmingsplan te regelen. Ook moeten harde garanties worden gegeven voor het daadwerkelijk compenseren, bijvoorbeeld door een privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente of een bankgarantie. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Richtlijnen Compensatiebeginsel. Richtlijnen voor de toepassing van het Compensatiebeginsel voor natuur, bos en landschap. Provincie Overijssel, juli 2001.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.5.4 Vogel- en habitatgebieden 1. Ruimtelijke plannen en de daarin opgenomen bestemmingen en functies dienen in overeenstemming te zijn met de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Dit moet blijken uit de plantoelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende gebieden worden of behoren te worden beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of habitatrichtlijn. In de toelichting bij ruimtelijke plannen moet worden aangegeven wat de gevolgen van dat plan of project zijn voor het te beschermen gebied c.q. de daarin te beschermen vogels, dieren en planten of voor de biotopen van kwetsbare en/of wettelijk beschermde soorten. Dat geldt ook voor de eventuele consequenties vanuit plangebieden die (net) buiten het vogel- of habitatgebied liggen: de zogenaamde externe werking. beschermde gebieden In het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn kunnen belangrijke leefgebieden van bedreigde plant- en diersoorten en gebieden met bijzondere ecosystemen aangewezen worden als speciale beschermingszone. Er zijn in Overijssel verschillende gebieden onder de werking van de EU-Vogelrichtlijn gebracht. Voor de speciale beschermingszones geldt een instandhoudingsverplichting. Dat betekent dat deze gebieden zodanig bestemd worden dat de aanwezige natuurwaarden gewaarborgd zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen of in de nabijheid van de aangewezen gebieden zal getoetst moeten worden of deze ontwikkelingen significante effecten hebben op de waarden waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Dit toetsingscriterium is evenals de verplichting tot compensatie, nadrukkelijk verwoord in artikel 6.3 van de Habitatrichtlijn. Ingrepen kunnen alleen doorgang vinden wanneer er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang of wanneer de volksgezondheid of de openbare veiligheid in het geding is en er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In deze gevallen dient dan compensatie plaats te vinden. De initiatiefnemer dient de Europese Commissie hiervan in kennis te stellen. beschermde soorten In het Structuurschema Groene Ruimte is beleid geformuleerd voor de instandhouding van bedreigde plant- en diersoorten en hun leefgebieden. De verplichting tot het instandhoudenvan bedreigde soorten volgt veelal rechtstreeks uit een aantal internationale verdragen zoals de Bern Conventie, de EU-Vogelrichtlijn en de EU-Habitatrichtlijn. Bij deze verdragen horen bijlagen met soortenlijsten waarvoor een strikt beschermingsregime geldt. Wij vragen in het bijzonder aandacht voor leefgebieden die geheel of gedeeltelijk buiten bos- en natuurgebieden zijn gelegen. Het ligt voor de hand om het behoud van het leefgebied te koppelen aan de instandhouding van kleine natuur- en landschapselementen. Allereerst zal gekeken moeten worden of er bedreigde soorten voorkomen en zo ja of het leefgebied van deze soort(en) door de beoogde ingreep wordt aangetast. Vervolgens zal in het kader van de bestemmingsplanwijziging een afweging gemaakt moeten worden. Voor soorten, beschermd door de genoemde verdragen, geldt dat aantasting van het leefgebied alleen mag plaatsvinden wanneer er sprake is van een groot maatschappelijk belang of wanneer de volksgezondheid of de openbare veiligheid in het geding zijn. In die gevallen dient compensatie van het oorspronkelijke leefgebied plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te kennen bestemmingen zullen in overeenstemming moeten zijn met het vorenstaande. In de voorschriften dient een bepaling te worden opgenomen die gebruik in strijd met de (natuurbeschermende) bestemming verbiedt. Als regels voor een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid kunnen de criteria uit artikel 6, lid 4 van de Habitatrichtlijn worden overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten moeten er waarschijnlijk rekening mee houden dat ook wanneer een aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, er toch getoetst moet worden op het mogelijk ontstaan van schade aan de bijzondere waarden in een vogelrichtlijn- of habitatgebied. Het (Europese) toetsingskader ex. artikel 6, lid 3 en 4 van de Habitatrichtlijn gaat boven de toepasselijke criteria van de Woningwet of de WRO. toetsing De Raad van State heeft op 18 september 2002 in een uitspraak over een bestemmingsplan van de gemeente Steenwijk (zaaknr. 200104495/1) nog eens bevestigd dat de invloed van de Vogelrichtlijn ver reikt. Iets wat ook voor de habitatgebieden (en soorten) geldt. Enkele elementen uit de uitspraak: ingeval van ligging binnen (of nabij) een vogelrichtlijngebied is een onderzoeksrapport of inventarisatie bij het plan nodig waarin wordt aangegeven welke soorten in het gebied voorkomen en welke kenmerken van het gebied van belang zijn om de soorten rijkdom in stand te houden; het plan bevat een beschermende regeling die er voor zorgt dat de kwaliteit van de habitats niet verslechtert. Daar is een duidelijk toetsingscriterium voor nodig, afgestemd op de in de inventarisatie beschreven gebiedskenmerken en aanwezige kwaliteiten, soorten etc.; een aanlegvergunningsstelsel dat uitgaat van het beginsel dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de natuur- en landschapsfunctie biedt niet dezelfde bescherming als artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn; ook bij op het oog weinig ingrijpende nieuwe ontwikkelingen rondom het gebied zijn gevolgen voor de broed- en rustplaatsen van vogels in de speciale beschermingszones niet uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onze toetsing ligt in de lijn van deze uitspraak. Het niet voldoen aan de (materiële) onderzoeksplicht leidt tot onthouding van goedkeuring, zoals ook in Steenwijk het geval was. verwijzingen Bescherming van vogel- en habitatrichtlijngebieden. Toelichting op het voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998. Ministerie van LNV. 1 februari 2001. www.natuurloket.nl• Voor info over de aanwezigheid van flora- en faunasoorten: www.natuurloket.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie Overijssel heeft een eigen Handreiking voor toepassing van de Vogel- en habitatrichtlijn in voorbereiding. Ook wordt een studiemiddag georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens in voorbereiding: een supplement van de leergang op dezelfde leest van het NIROV, \"Vogel- en habitatrichtlijn en het bestemmingsplan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.6 Recreatie en toerisme Naast landbouw en natuur is recreatie één van de hoofdfuncties in het landelijk gebied. Recreatie en toerisme vormen een groeisector en zijn van toenemend belang voor het platteland. In het streekplan Overijssel 2000+ is een ontwikkelingskaart (recreatiehoofdstructuur) voor de recreatie opgenomen. Op basis van gebiedskwaliteiten zijn de verschillende ontwikkelingskansen aangeduid. De kaart bevat tevens de bestaande recreatieconcentratiepunten. De ontwikkeling van recreatie en toerisme dient op de gebiedskwaliteiten (water, natuur en landschap, cultureel erfgoed, landbouw, steden en dorpen) te worden afgestemd. De recreatie hoofdstructuur is bepalend voor het stellen van prioriteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groot deel van de provincie heeft landschappelijke en daarmee recreatief-toeristische waarde. Met name kleinschalige landschappen, bos en natuurgebieden hebben een grote recreatieve betekenis. Recreatie en toerisme worden, met inachtnemen van het behoud van de natuur- en landschapswaarden, juist in deze gebieden gestimuleerd. Deze gebieden overlappen voor een belangrijk deel de ecologische hoofdstructuur. De ontwikkeling van recreatieve verbindingszones wordt zoveel mogelijk gecombineerd met de ontwikkeling van ecologische verbindingszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stadsrandgebieden hebben een belangrijke betekenis voor de ontwikkeling van recreatie in de nabije woongebieden. Bij het opstellen van integrale ontwikkelingsvisies dient de gemeente de recreatieve functie van de stadsranden nadrukkelijk te betrekken. Ook ten aanzien van bestaande recreatieve voorzieningen is het beleid gericht op kwaliteitsverbetering. Een verdere vergroting van de toegankelijkheid van de groene ruimte door middel van routenetwerken wordt nagestreefd. De kwaliteit van het landschap vormt de basis voor een verdere ontwikkeling van het plattelandstoerisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.6.1 Verblijfsrecreatie, recreatiewoningen en kampeerterreinen 1. Voor nieuwe complexen van recreatiewoningen moet aan de hand van een door de provincie opgesteld toetsingskader worden aangetoond dat de markt het extra aanbod verdraagt. Aan de realisering van alleenstaande of losse plukjes recreatiewoningen wordt geen medewerking verleend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het beleid voor recreatiewoningen wordt geëvalueerd. Dit kan tot een strikter toetsingsbeleid leiden. Gemeenten worden hier nog nader over geïnformeerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de vestiging van nieuwe grootschalige verblijfsrecreatieve complexen is een uitwerking van het streekplan nodig. Deze complexen worden gerealiseerd in de directe omgeving van steden of dorpen, sluiten aan bij bestaande grootschalige recreatieve voorzieningen en zijn bereikbaar met het openbaar vervoer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>(Her)vestiging van verblijfsrecreatie binnen zone III is alleen mogelijk als onderdeel van een integraal plan waarbij per saldo natuur en landschap winst wordt geboekt. Het cultureel erfgoed dient behouden te blijven. Binnen zone IV is nieuwvestiging uitgesloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In zone III en IV kunnen de verblijfsrecreatieve bedrijven slechts in beperkte mate uitbreiden. Dit zal in beginsel buiten de bos- en natuur(ontwikkelings)gebieden moeten plaatsvinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Nieuwvestiging en uitbreiding gaan gepaard met kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod, een goede ruimtelijke inpassing en waarborgen voor het recreatief gebruik.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De maximale inhoud van recreatiewoningen bedraagt 250 m3. Vijftien procent van het totaal aantal recreatiewoningen op één park mag uitbreiden tot 300 m3. Deze inhoudsmaten zijn inclusief eventuele onderkelderde ruimten en aanbouwsels. Vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegestaan 8. Permanente bewoning wordt uitgesloten. Het handhavingsbeleid van gemeenten wordt betrokken in de overwegingen over de aanvaardbaarheid van nieuwvestiging of uitbreiding van recreatiewoningen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>In beginsel wordt geen medewerking verleend aan het legaliseren van het permanent bewonen van recreatiewoningen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Kampeerterreinen worden specifiek bestemd. De maximale oppervlaktemaat voor een stacaravan inclusief berging bedraagt 50 m2. Het omzetten van standplaatsen in chalets/recreatiewoningen heeft zijn grenzen: er moeten voldoende mogelijkheden overblijven voor het toeristisch kamperen en natuur- en landschapswaarden mogen niet worden aangetast. voorwaarden voor vestiging en uitbreiding In het streekplan is gekozen voor een zeer terughoudend beleid voor nieuwvestiging van complexen van recreatiewoningen. Regionaal zijn er nog mogelijkheden zoals in Noordwest-Overijssel. Dit in combinatie met de op de functiekaart van het streekplan aangegeven toekomstige recreatieconcentratiepunten. Uit onderzoek is gebleken dat er grenzen zijn aan de groei van het aanbod van recreatiewoningen. Een duurzaam ruimtegebruik is gebaat bij het \"reserveren\" van gronden voor (parken van) recreatiewoningen die het bestaande toeristisch-recreatieve aanbod versterken. Nieuwe bedrijven dienen over voldoende toekomstperspectief te beschikken. Wij streven naar een gewogen, geleidelijke en gecontroleerde ontwikkeling van het aanbod. Daar is een toetsingskader voor opgesteld waarbij de markttechnische ruimte is gekoppeld aan een aantal uitgangspunten en criteria zoals kwaliteitsverbetering, de locatie, de eigendomssituatie, en de toegevoegde waarde van het complex. Hier hoort een bedrijfsplan bij met een uitvoerig onderzoek naar de marktsituatie. De marktsituatie wordt vertaald in een helder en economisch haalbaar bedrijfsconcept. Dit geldt ook voor nieuwvestiging die niet als grootschalig wordt aangemerkt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwvestiging wordt alleen toegestaan voor complexen van recreatiewoningen met bijbehorende gemeenschappelijke en samenhangende voorzieningen. Dat vormt een belangrijke waarborg voor het recreatief gebruik. Losse groepjes van recreatiewoningen kunnen bij wijze van uitzondering worden toegestaan als binnen een bestaand verblijfsrecreatieterrein stacaravanplaatsen worden omgezet in recreatiewoningen. Daarbij gelden de normale voorwaarden voor uitbreiding of nieuwvestiging. Kwaliteitsverbetering en een goede landschappelijke inpassing zijn absolute randvoorwaarden. grootschalige verblijfsrecreatieve complexen Over de vraag wanneer nu sprake is van een grootschalig complex kan discussie ontstaan. Het antwoord op de vraag ligt in beginsel in de omvang en de uitstraling van het complex. Dit in relatie tot het omringende gebied. Wij vragen gemeenten om hierover tijdig met ons te overleggen. Een park van 100 woningen of meer, wordt altijd als grootschalig aangemerkt. ruimtelijke inpasbaarheid en waarborgen voor recreatief gebruik Gemeenten dienen inzicht te geven in de gevolgen van nieuwvestiging of uitbreiding voor natuur, landschap en landbouw en de afstemming met andere bestaande en te ontwikkelen functies. De agrarische belangen en de waarden van natuur en landschap mogen niet onevenredig worden aangetast. De in het streekplan opgenomen zoneringsprincipes zijn maatgevend. De nieuwbouw moet qua aard en karakter aansluiten bij het karakter van de regio of kern en dient qua invulling en inrichting te passen bij de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek van het gebied. Daar kan een landschapkwaliteits- of beeldkwaliteitsplan voor nodig zijn. geen permanente bewoning Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat recreatiewoningen hun recreatieve toeristische functie behouden. Dit alleen al levert een bijdrage aan een efficiënt ruimtegebruik. Nieuwbouw en uitbreiding is alleen aanvaardbaar als dit gepaard gaat met een pakket van maatregelen tot zekerstelling van het recreatieve gebruik. Dat pakket bestaat uit onderdelen als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Een privaatrechtelijke constructie met boetebeding waarbij het permanent wonen (ook voor rechtsopvolgers) wordt uitgesloten. Een andere mogelijkheid is het opnemen van een kwalitatieve verplichting op grond van het Burgerlijk Wetboek.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Een bedrijfsplan waarin wordt aangeduid op welke wijze de verhuur van de woningen wordt gerealiseerd en hoe permanente bewoning wordt tegengegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het voorlichten en informeren van makelaars en notarissen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het vooraf informeren van kopers over het handhavingsbeleid van de gemeente en de exploitant. Dat beleid omvat in ieder geval een periodieke en actieve controle van het terrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Een bestemmingsplan met een verbod op permanente bewoning. De voorschriften verplichten bovendien tot een bedrijfsmatige exploitatie van het terrein. Zie hiervoor ook Bouwrecht, 2000, pagina 215 (inclusief een definitie van bedrijfsmatige exploitatie).</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitbreiding of omzetting van bestaande complexen verlangen wij van gemeenten een overzicht van de actuele situatie op het terrein: in hoeverre is sprake van permanente bewoning en wat wordt daar aan gedaan? Ingeval van nieuwvestiging geven gemeenten een dergelijk overzicht voor alle recreatiewoningen binnen de gemeente. Een niet actieve aanpak of een te ver doorgeschoten gedoogbeleid kan tot onthouding van goedkeuring leiden. Het kabinet heeft inmiddels besloten om met een vergunningplicht (ingevolge de Wet op de openluchtrecreatie) eigenaren van recreatiecomplexen medeverantwoordelijk te maken voor het tegengaan van permanente bewoning van vakantiehuizen. Gemeenten kunnen straks de verblijfsduur reguleren en in het uiterste geval overgaan tot intrekking van de vergunning. legalisering permanente bewoning wordt in beginsel niet toegestaan Ook in de provincie Overijssel zijn er recreatiewoningen die worden gebruikt voor permanente bewoning. De recreatiewoningen maken deel uit van recreatiecomplexen, terreinen voor zomerhuisjes of komen geclusterd dan wel verspreid voor in het buitengebied. In meerdere gevallen wordt het permanent bewonen van de recreatiewoningen soms jarenlang door de gemeenten gedoogd. De problemen ontstaan dan vaak bij het vaststellen van een bestemmingsplan voor het buitengebied. Wij zien slechts in zeer bijzondere gevallen ruimte voor legalisering van permanente bewoning. Bijvoorbeeld in de situaties waarin het in ontwikkeling zijnde rijksbeleid mogelijkerwijs gaat voorzien. Wij zullen dat in de toekomst nog moeten bekijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij gaan uit van een recreatie bestemming, met daar waar nodig een persoonsgebonden overgangsrecht voor hen die de woning gedurende lange tijd bewonen. Dat moet passen binnen een actief handhavingsbeleid waarbij wel wordt opgetreden in situaties waarin dat nog enigszins mogelijk is. Met nadruk merken wij op dat gemeenten in het algemeen niet gehouden zijn tot het positief bestemmen van bestaande illegale situaties. De Raad van State heeft dat op 15 juni 2001 nog eens uitdrukkelijk bepaald. Zie hiervoor de Gemeentestem, no. 7151, pagina 517 en Bouwrecht juli 2002 met een overzicht van het overgangsrecht, p. 572 tot en met 583. kampeerterreinen De volgende ruimtelijke aspecten maken tenminste deel uit van het bestemmingsplan: de plaats van de centrale voorzieningen, de hoofdontsluiting en de parkeervoorzieningen, beplantingen voor landschappelijke inpassingen, en de aantallen stacaravans en recreatiewoningen. Dit laatste in verband met de dichtheid van de bebouwing op het terrein en de recreatiedruk op de omgeving. Het streven naar kwaliteitsverbetering kan tot uitbreiding van het terrein leiden (ruimere standplaatsen). Daarbij geldt de zonering zoals aangegeven in het kader. Een op de bescherming van waardevolle natuur- of landschapswaarden (waaronder reliëf) gericht aanlegvergunningenstelsel mag niet ontbreken. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Eindrapportage \"Onderzoek bungalowmarkt Overijssel\" van september 1998 bevat het toetsingskader genoemd onder 1.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.6.2 Recreatie bij de boer 1. Kleinschalige recreatieve voorzieningen en activiteiten, waaronder boerderijkamers, zijn als nevenactiviteit in het algemeen aanvaardbaar. Hiervoor kan een vrijstellings- of een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om twee redenen staan wij positief tegenover recreatieve voorzieningen op agrarische bedrijven. Aan de ene kant kan dit een welkome bron van aanvullende inkomsten vormen voor de agrarische bedrijven. Aan de andere kant biedt het nieuwe mogelijkheden voor recreanten om het agrarische bedrijf van nabij mee te maken en wordt een aanvullend recreatief toeristisch produkt ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De notitie Recreatie bij de boer bevat beleidsregels voor diverse vormen van recreatieve activiteiten op het agrarisch bedrijf. Kortheidshalve verwijzen we naar deze notitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij adviseren gemeenten om de mogelijkheid tot kleinschalig kamperen zoals geregeld in de Wet openluchtrecreatie te koppelen aan het functioneren van agrarische bedrijven. Ook adviseren wij om hiervoor een zonering in het bestemmingsplan op te nemen, of het aantal vrijstellingen aan een maximum te binden. Het plaatsen van stacaravans moet worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekomstige stankwetgeving geeft straks wellicht de mogelijkheid kleinschalige nevenactiviteiten op het agrarisch bedrijf, binnen de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, in een gemeentelijke verordening op te nemen. De activiteiten worden dan niet als stankgevoelig aangemerkt. Als een agrarisch bedrijf stopt blijven de nevenactiviteiten en de bedrijfswoning onder categorie 4 vallen. Het Rijk werkt ook aan nieuw beleid voor stankhinder buiten de landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Notitie recreatie bij de boer. Provincie Overijssel, december 2000.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.7 Wonen in het buitengebied 4.2.7.1 Burgerwoningen en woonschepen 1. In bestemmingsplannen krijgen bestaande burgerwoningen een specifieke woonbestemming. De inhoud van de woning mag niet meer dan 750 m3 bedragen of zoveel meer als ten tijde van de ter visie legging van het ontwerpplan aanwezig was. Voor een inhoudsmaat van 750 m3 gelden randvoorwaarden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 75 m2. Met toepassing van een saneringsregeling kan daar 75 m2 aan worden toegevoegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De regeling voor splitsing van voormalige agrarische bedrijfswoningen (4.2.10) geldt ook voor karakteristieke of monumentale voormalige boerderijen die inmiddels zijn bestemd tot \"burgerwoning\".</div>\n<p class=\"lf-p\">Het streekplan geeft aan dat verdere verstening van de open ruimte moet worden tegengegaan en dat betekent onder andere dat het oprichten van nieuwe woningen is uitgesloten. Daarnaast leveren burgerwoningen vaak belemmeringen op voor agrarische bedrijven. Gebieden met hoge landschappelijke waarden zijn vooral gewild als vestigingsplaatsen voor nieuwe woningen. Juist deze gebieden genieten bescherming. Voor de mogelijkheden tot woningsplitsing zie 4.2.10. Ook woonschepen kunnen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de groene ruimte. Het innemen van nieuwe ligplaatsen moet met de hulp van gebruiks- en aanlegvoorschriften worden voorkomen. Bestaande woonschepen waarvan vaststaat dat zij op een aanvaardbare locatie liggen, kunnen een specifieke bestemming krijgen. Een regeling voor gebruik en bebouwing op de oever is gewenst. randvoorwaarden voor woningen tot 750 m3 Een al te uitbundig gebruik van de mogelijkheid om woningen tot 750 m3 te vergroten, kan er toe leiden dat overal in het buitengebied woningen ontstaan van eenzelfde omvang en type (villa-achtig), dat (hele linten met) kleine beeldbepalende woningen verdwijnen, dat gelijkvormigheid de overhand krijgt en dat de structuur van het platteland wordt aangetast. Deze nadelen moeten worden weggenomen met een begeleidende regeling. Een algemene regeling tot 750 m3 ligt dus niet in de rede. De kwetsbare woningen moeten worden geïnventariseerd en uitgesloten van de 750 m3 mogelijkheid. Gemeenten kunnen natuurlijk een stelsel met uiteenlopende bouwmaten hanteren (differentiatie). Bijvoorbeeld door een selectie te maken van woningen die niet tot 750 m3 mogen uitbreiden. Voor andere woningen kan weer gelden dat uitbreiding tot 750 m3 gebaseerd moet zijn op een landschapsontwikkelingsplan en/of welstandsnota. Daarnaast blijft er een categorie die in alle gevallen bij recht tot 750 m3 mag uitbreiden. De ruimtelijke kwaliteit van de groene ruimte mag in ieder geval niet worden aangetast. Een goede ruimtelijke inpassing is noodzakelijk. In alle gevallen geldt voor woningen boven de 600 m3 dat het achtererf en de zijerven tot maximaal 50% bebouwd mogen zijn. bijgebouwen bij burgerwoningen Bij recht kan bij burgerwoningen 75 m2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd. Bij een herziening van het bestemmingsplan kunnen de bestaande bijgebouwen, uitsluitend zoals die bestaan op het moment van ter inzage legging van het ontwerpplan, positief worden bestemd. Dit vraagt om een nauwkeurige inventarisatie. In een aantal gevallen overschrijden bestaande bijgebouwen de norm van 75 m2. De meestal oude, kleinere en vervallen bijgebouwen wil de bewoner soms afbreken en vervangen door nieuwbouw. In die situatie is het niet altijd redelijk om vast te houden aan de 75 m2. Een saneringsregeling kan uitkomst bieden. Daarbij geldt dat de helft van het aantal gesloopte m2 aan bijgebouwen, mag worden teruggebouwd tot een maximum van 75 m2. Dit kan met een vrijstellingsbepaling worden vastgelegd. Om ongewenste ruimtelijke en milieuhygiënische situaties te voorkomen achten wij het bij recht toestaan van een ruimere bijgebouwenregeling niet aanvaardbaar. Sanering zal moeten leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Wij zullen daar ook op toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij woningsplitsing geldt in beginsel dat als het aantal bestaande m2 bijgebouwen op het (voorheen niet gesplitste) perceel de 75 m2 overschrijdt, dit in mindering wordt gebracht op de toegestane m2 aan bijgebouwen van de nieuwe wooneenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.7.2 Nieuwe landhuizen door sanering 1. De bebouwing op voormalige agrarische bouwpercelen mag vervangen worden door de bouw van een landhuis van maximaal 2000 m3, inclusief bijgebouwen en te behouden karakteristieke gebouwen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorwaarden zijn: enkelvoudige bewoning, de sloop van in principe alle opstallen (minimaal 800 m2 aan bedrijfsgebouwen), garanties voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (welstandsnota) en het inzetten van een aansluitend gebied van tenminste 1.5 ha voor het versterken van de landschappelijke waarden.</div>\n<p class=\"lf-p\">In ruil voor de sloop van de niet karakteristieke gebouwen en een verbetering van de landschappelijke inpassing, kan een nieuwe woonfunctie worden toegestaan met gebruikmaking van te behouden bebouwing of gedeeltelijke nieuwbouw. Wij willen hiermee inspelen op de vraag naar ruimere woningen in het landelijk gebied. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de bijdrage aan het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit, de leefbaarheid, de instandhouding van \"groene\" ruimte functies, het uitsluiten of saneren van niet-agrarische bedrijven, etc. Aan de architectuur en landschappelijke inpasbaarheid worden hoge eisen gesteld. Het totaalplan moet een duidelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit opleveren. Het wordt daar ook op getoetst. De uitvoering van onderdelen van het plan, die niet via de planvoorschriften afdwingbaar zijn, worden in een civiele overeenkomst (met boetebeding) tussen gemeente en initiatiefnemer vastgelegd. Ter realisering van de PEHS kan in sommige gevallen de aankoop en sloop van de gebouwen of hele complex worden overwogen. De sloopregeling geldt niet voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.7.3 Buurtschappenbeleid en bijzondere omstandigheden 1. Het buurtschappenbeleid en bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn om in afwijking van het algemene beleid nieuwe burgerwoningen in het buitengebied toe te staan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor het incidenteel oprichten van woningen in het kader van het buurtschappenbeleid kunnen gemeenten gebruik maken van de vrijstellingenlijst ex artikel 19, lid 2 WRO. Zie hoofdstuk 3 voor de aanvullende voorwaarden, zoals het invullen van kwartaallijsten (monitoring). buurtschappenbeleid Wij hebben in de afgelopen jaren beleid ontwikkeld voor het incidenteel toestaan van nieuwe woningen in buurtschappen. Een buurtschap heeft een eigen identiteit en bestaat uit een zekere concentratie van tenminste circa 25 woningen, in samenhang met enige bestaande (niet-agrarische) bedrijven en één of meer voorzieningen. Personen met een zeer bijzondere binding met een buurtschap en van wie redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij elders gaan wonen, kunnen een nieuwe woning bouwen. Deze zeer bijzondere binding moet worden aangetoond. Het beleid geldt niet voor personen die elders wonen en terug willen keren naar het buurtschap. De regeling is evenmin van toepassing op personen die al over een bestaande zelfstandige woonruimte beschikken. Naast het buurtschapcriterium geldt nog het volgende:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De verhoudingscijfers voor de bevolkingsspreiding en de daarop gebaseerde woningbouwprogrammering blijven gehandhaafd. De woning past binnen het gemeentelijke totaal van de meerjarenafspraken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Alternatieven zoals het benutten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (bijvoorbeeld woningsplitsing) of het omzetten van recreatiewoningen worden onderzocht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De landschappelijke, natuurlijke en landbouwkundige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. De bebouwing moet aansluiten bij de aanwezige (stedelijke) bebouwing en het landschap. bijzondere omstandigheden De bouw van een burgerwoning is mogelijk op grond van zwaarwegende sociaal-medische redenen, zoals een zeer bijzondere verzorgingssituatie. Een andere omstandigheid is de situatie waarin een woning moet verdwijnen voor de realisering van een stadsuitbreiding of infrastructurele werken (wegen, fietspaden, vuilstortplaatsen e.d.). Herbouw in het buitengebied is aanvaardbaar als de nieuwe locatie aansluit bij een concentratie van bebouwing, tenzij herbouw op dezelfde plaats mogelijk is. Verder moet worden aangetoond dat inpassing binnen de bebouwde kom niet haalbaar is en dat de verwerving van een bestaande woning in het buitengebied niet mogelijk is.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.8 Agrarisch aanverwante bedrijven 1. Agrarisch aanverwante bedrijven horen thuis op een bedrijventerrein of een locatie grenzend aan de kern.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het vestigen van agrarisch aanverwante bedrijven in vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing wordt onder bepaalde voorwaarden toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als verplaatsing niet mogelijk is, worden de bestaande agrarisch aanverwante bedrijven specifiek bestemd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch aanverwante bedrijven zijn te onderscheiden in hulp- en nevenbedrijven. Agrarische hulpbedrijven zijn niet-industriële bedrijven die goederen of diensten leveren aan agrarische bedrijven zoals bijvoorbeeld loonbedrijven of bedrijven die zich richten op het onderhoud of de verkoop van landbouw- en melkmachines. Onder agrarische nevenbedrijven verstaan wij niet-industriële bedrijven die agrarische producten bewerken, vervoeren of verhandelen, zoals gras- en zaaddrogerijen, veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven etc. Deze bedrijven hebben een bepaalde binding met agrarische bedrijven, maar een vestiging in het buitengebied is voor de uitvoering van hun werkzaamheden niet noodzakelijk. De genoemde bedrijven trekken bovendien veel verkeer aan. De vestiging van deze bedrijven wordt uitgesloten om verdere (niet-functionele) verstening van het buitengebied tegen te gaan. Een mogelijke uitzondering ligt in het hergebruik van voormalige agrarische bebouwing. Daarbij gelden de vaste criteria voor hergebruik (4.2.10). Gezien de verkeersaantrekkende werking van de meeste bedrijven heeft een vesting binnen de stadsrandzone de meeste kans van slagen. Bestaande agrarisch aanverwante bedrijven krijgen een specifieke bestemming als gemeenten aantonen dat verplaatsing niet mogelijk is. De uitbreidingsmogelijkheden worden bepaald door de criteria voor niet-agrarische bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.9 Niet agrarische bedrijven 1. Nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied wordt niet toegestaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het positief bestemmen van illegale niet-agrarische bedrijven is geen automatisme. Bij de toelichting op het plan hoort een opgave van ontwikkelingen/activiteiten die met het plan worden gelegaliseerd. Het belang en de noodzaak worden daarbij gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven wordt verplaatsing naar een bedrijventerrein nagestreefd. Als verplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort kan het bedrijf een positieve bestemming krijgen. Voor illegaal gevestigde bedrijven hoeft dit niet altijd het geval te zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Positief bestemde bedrijven kunnen (eenmalig) tot maximaal 15% van de bestaande bedrijfsbebouwing uitbreiden. Eenmalige uitbreidingen tot maximaal 25% zijn toegestaan via een wijzigingsbevoegdheid met criteria omtrent noodzaak, milieu en landschap etc.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Voor uitbreiding met meer dan 25% van de bestaande bedrijfsbebouwing is een afwijkingsprocedure (van het streekplan) voorgeschreven. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden en het bedrijf mag niet gelegen zijn binnen de zones III en IV of de PEHS.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Bij positief bestemde niet-agrarische bedrijven wordt één bedrijfswoning van maximaal 750 m3 toegestaan. De woning moet nodig zijn uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Net zoals voor burgerwoningen geldt ook voor de vestiging of uitbreiding van niet-agrarische bedrijven dat een verdere niet-functionele verstening van het buitengebied met kracht moet worden tegengegaan. Gemeenten dienen zorgvuldig na te gaan of een verplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Een bedrijf komt pas in aanmerking voor een specifieke bestemming als na afweging van alle belangen blijkt dat verplaatsing niet mogelijk is. Een positieve bestemming ligt niet altijd in de rede voor illegale niet-agrarische bedrijven waar nog met succes tegen kan worden opgetreden, die nog onder het overgangsrecht kunnen worden gebracht of naar hun aard teveel schade toebrengen aan het omringende landschap of anderszins onaanvaardbare hinder veroorzaken. De aard van het bedrijf en de lengte van het gedogen spelen daarbij een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een uitbreiding van meer dan 25% moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die een uitbreiding juist op die plaats noodzakelijk maken. De noodzaak zal verder afgewogen moeten worden tegen de gevolgen voor natuur, landschap, cultuurhistorie, milieu etc. Een op de omstandigheden toegesneden rapportage is vereist. composteerinrichtingen Een composteerbedrijf dient bij voorkeur gevestigd te worden op een geschikt bedrijventerrein of aansluiten bij verstedelijkt gebied. Is dat niet mogelijk dan is onder voorwaarden een locatie aansluitend bij een bestaande bedrijvigheid in het landelijk gebied aanvaardbaar: geen onevenredige aantasting van de agrarische functie, natuur, landschap, woon- en leefklimaat. De locatie moet bovendien adequaat zijn ontsloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.10 Hergebruik van vrijkomende agrarische (bedrijfs)gebouwen 1. Het toestaan van nieuwe functies is sterk afhankelijk van de zonering van de groene ruimte, de situering in het landschap, de aanwezige natuur- en landschapswaarden en de ligging ten opzichte van een woonkern.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De nieuwe functie moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en mag geen visuele verstedelijking of aantasting van landschappelijke waarden veroorzaken. De activiteiten worden in principe binnen de bestaande bebouwing uitgeoefend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het milieu wordt niet extra belast en de nieuwe functie mag geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking hebben. De (verdere ontwikkeling van de) agrarische bedrijfsvoering mag niet worden gehinderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Er wordt geen medewerking verleend aan de vestiging van grootschalige niet-industriële, industriële of verkeersaantrekkende activiteiten, zoals detailhandelsbedrijven, garagebedrijven, aannemersbedrijven, meubelmakerijen, slachterijen en transportbedrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Splitsing in twee afzonderlijke wooneenheden is mogelijk als de inhoud van de voor-malige bedrijfswoning tenminste 1000 m3 bedraagt. Bij een inhoud boven 1500 m3 zijn maximaal 3 wooneenheden toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Voor zorgboerderijen en karakteristieke boerderijen in kernrandzones of lintbebouwing van kernen en buurtschappen zijn omstandigheden denkbaar waarbij het aantal van 3 wooneenheden wordt overschreden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wij zien dat er naast de traditionele kleinere bedrijven ook steeds meer middelgrote agrarische bedrijven vrijkomen. Een passende vervolgfunctie zal dan nodig zijn: voor plattelandsvernieuwing, het tegengaan van verpaupering en het voorkomen van ongewenst gebruik. Nieuwe functies moeten passen in een duurzame ontwikkeling van het landelijk gebied, in zowel economisch, ecologisch als sociaal opzicht. Dat vraagt om maatwerk en een gebiedsgerichte visie. Het wonen is gerelateerd aan de voormalige bedrijfswoning. vervolgfuncties en zonering In zone I en II zijn recreatie en inpandige opslag logische vervolgfuncties. Ook is het mogelijk vrijkomende agrarische gebouwen te benutten voor aan het agrarisch bedrijf of gebied gerelateerde functies zoals toerisme, kleinschalige horeca of sociaal-culturele, kunstzinnige, medische, therapeutische, algemeen maatschappelijke, educatieve doeleinden, zorgboerderijen, etc. Het vestigen van ambachtelijke en niet-industriële bedrijvigheid is eveneens mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zone III en IV, in de PEHS en in grondwaterbeschermingsgebieden is afstemming op de natuur- en landschapswaarden een belangrijke voorwaarde. Mogelijke vervolgfuncties zijn natuur- en landschapsbeheer, natuureducatieve doeleinden, kleinschalige verblijfsrecreatie en wellicht ook het vestigen van ambachtelijke en kleinschalige niet-industriële bedrijven. vervolgfuncties en kernrandzones In gebieden aansluitend aan woonkernen is een breder scala aan functies denkbaar dan elders in de groene ruimte. Het beleid voor kernrandzones is gericht op het verweven van functies. De afmetingen van de kernrandzone zijn onder meer afhankelijk van ruimtelijke begrenzingen als natuurlijke of infrastructurele barrières en de grootte van de kern. Dit dient op een kaartje in het structuurplan of bestemmingsplan te worden opgenomen. Nieuwe functies moeten zoveel mogelijk bijdragen aan de functie van het landelijk gebied voor de bewoners van de kern. Wij denken dan bijvoorbeeld aan recreatief (mede)gebruik. Voorzieningen voor intensief recreatief gebruik worden dicht bij de stad gesitueerd en extensieve vormen van recreatie verder buiten de stad of kern. Afhankelijk van de ter plaatse aanwezige functies en de afstand tot de kern zijn activiteiten toelaatbaar zoals: agrarisch aanverwante bedrijven, hoveniers, tuincentra, gebruiksgerichte paardenhouderijen en maneges etc. garanties voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit De mate waarin een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit kan worden bereikt is afhankelijk van de omvang en ruimtelijke impact van de nieuwe activiteit, de situatie op het betreffende perceel (karakteristieke elementen, de setting en samenhang van de aanwezige bebouwing; verschijnings-vorm, aanzien en de staat waarin gebouwen verkeren etc.) en het omringende landschap, met inbegrip van de infrastructuur, nabijgelegen bebouwing en gronden. Eén en ander past bij voorkeur in een gebiedsgerichte aanpak. De mogelijkheden nemen toe, naarmate de ruimtelijke winst groter is. Zo kan de bedrijvigheid genoemd voor zone I en II wellicht ook in zone III worden toegestaan als dat leidt tot een aanmerkelijke verbetering. Daar moeten dan wel waarborgen of garanties voor zijn zoals bijvoorbeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Een bestemmingsplanregeling of bouwblok op maat. Afsplitsing van delen, bijvoorbeeld de bedrijfswoning, is niet toegestaan. De woonfunctie wordt gehandhaafd. Verkoop van de bedrijfswoning of splitsing van het eigendom van het bedrijfscomplex mag geen aanleiding zijn tot de bouw van een nieuwe woning. In beginsel is geen nieuwe bedrijfswoning toegestaan als er nog geen is. Waardevolle karakteristieke panden kunnen op de plankaart worden aangeduid en beschermd door mogelijke sloop te koppelen aan een aanlegvergunning.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Niet alles is te regelen met een bestemmingsplan. Aanvullend instrumentarium kan noodzakelijk zijn zoals een totaalplan, afgestemd op de kenmerken van de streek, een beplantingsplan, een beeldkwaliteitsplan, een gemeentelijke welstandsnota of een landschapsontwikkelingsplan. Wij denken ook aan het saneren of slopen van overtollige en ontsierende bebouwing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De voorgestane veranderingen en vereiste aanpassingen moeten afdwingbaar zijn. Desnoods met een privaatrechtelijke overeenkomst. meervoudige bewoning van vrijkomende agrarische bedrijfswoningen Met vrijkomende agrarische bedrijfswoningen doelen wij op woningen die nu nog de bestemming \"agrarisch bedrijf\" hebben en karakteristieke/monumentale voormalige boerderijen die inmiddels zijn bestemd tot \"burgerwoning\". Zie ook 4.2.7.1. De regeling geldt niet voor de vrijstaande bijgebouwen. De uitstraling van de gesplitste woning mag geen afbreuk doen aan het landschappelijk en agrarisch karakter van de omgeving. Belangrijke aandachtspunten naast het gestelde onder garanties voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit zijn: er mogen niet allerlei bijgebouwen ontstaan, meervoudi-ge bewoning mag niet leiden tot het ontstaan van (geasfalteerde) parkeerterreinen of extra ontslui-tingswegen. Een mogelijke voorwaarde is het opknappen van bestaande bijgebouwen zodat het niet nodig is om nieuwe bebouwing op te richten. Verder verlangen wij van gemeenten een adequaat wel-standsbeleid, bijvoorbeeld in de vorm van een welstandsnota. Bij de karakteristieke boerderijen in kernrandzones (die in de bestemmingsplannen moeten worden aangeduid) denken wij bijvoorbeeld aan een woongroep voor senioren. Wij adviseren hierbij uit te gaan van de vraag onder de plaatse-lijke bevolking en de uitvoering te verbinden aan een stichting of woningbouwcorporatie. Bij het CBS aangemelde woningen worden meegeteld voor het woningbouwcontingent. zorgboerderijen Een zorgboerderij, die uitsluitend is gericht op dagbesteding, zal in de meeste gevallen binnen de agrarische bestemming passen. Dit is het geval als het werken of verblijven op een boerderij onderdeel is van therapie (gehandicapten, psychiatrische patiënten) of gebaseerd is op het welzijn van bijvoorbeeld ouderen. Het koppelen van zorg aan bewoning is een heel ander verhaal. Een herziening van het bestemmingsplan of vrijstelling ex artikel 19 WRO is dan noodzakelijk. Wij willen daar (voorlopig) op incidentele basis medewerking aan verlenen en beoordelen dat aan de hand van aparte plannen. Het moet gaan om mensen met een zorgindicatie. Daarbij gelden de voorwaarden zoals eerder genoemd onder garanties voor ruimtelijke kwaliteit en meervoudige bewoning, uitgezonderd het maximale aantal wooneenheden. Dit aantal is afhankelijk van de kwaliteit, haalbaarheid en onderbouwing van het ingediende plan. planologische regeling Hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen valt in de meeste gevallen met een wijzigingsbevoegdheid te realiseren. De criteria voor toepassing van deze bevoegdheid moeten borg staan voor een verantwoorde ruimtelijke inpassing. Een herziening van het bestemmingsplan is nodig voor hergebruik dat bij wijze van uitzondering wordt toegestaan, zodat wij goed kunnen afwegen of er voldoende waarborgen zijn voor een daadwerkelijke impuls voor de ruimtelijke kwaliteit. Tijdelijke vestiging van een niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functie met gebruikmaking van artikel 17 WRO achten wij onaanvaardbaar en kan zeker niet leiden tot een positieve bestemming na het verstrijken van de duur van de vrijstelling.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.2.11 Landgoederen bestaande landgoederen 1. Het beleid voor functieverandering binnen vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing is ook van toepassing op de bestaande landgoederen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De meervoudige functie van landgoederen wordt gebaseerd op een samenhangende visie voor het in stand houden en ontwikkelen van het landgoed. Een expliciete bestemming \"landgoed\" ligt dan voor de hand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij wijze van uitzondering en onder voorwaarden kan één van de bestaande opstallen binnen het landgoed worden omgezet in een woonbestemming.</div>\n<p class=\"lf-p\">De landgoederen in Overijssel maken onderdeel uit van de Kroonjuwelen van de provincie. Zij hebben een multifunctioneel karakter en combineren functies als landbouw, bosbouw, natuurbeheer, cultuurhistorie e.d. De rentabiliteit van de landgoederen is vaak laag als gevolg van teruglopende inkomsten uit land- en tuinbouw en sterk stijgende kosten. De kosten hebben vooral betrekking op de instandhouding van natuurwaarden, cultuur- en landschapswaarden etc. Om de rentabiliteit van de landgoederen te vergroten wordt functieverandering binnen de bestaande bebouwing toegestaan. De functieverandering moet worden onderbouwd met een integrale ontwikkelingsvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderingsgevallen kunnen bestaande opstallen (maximaal 1) een woonfunctie krijgen. Dit mag niet ten laste gaan van bestaande en functionerende agrarische bedrijven op het landgoed. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is een absolute voorwaarde. De woonbestemming past binnen een integrale ontwikkelingsvisie. De eenheid en herkenbaarheid van het landgoed staan daarbij voorop en de opstal in kwestie moet monumentaal, karakteristiek of beeldbepalend zijn. nieuwe landgoederen 1. Met een experiment wordt ervaring opgedaan met het stichten van nieuwe landgoederen. Evaluatie van het experiment zal plaatsvinden in 2003.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het streekplan zijn de randvoorwaarden aangegeven waarbinnen het experiment plaatsvindt. Aanmelding is niet meer mogelijk. Na evaluatie van het experiment besluiten wij over de wenselijkheid van beleid voor het ontwikkelen van nieuwe landgoederen. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Op weg naar nieuwe landgoederen in de provincie Overijssel. Provincie Overijssel. Januari 2002.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Milieu 4.3.1 Inleiding In het eerste deel van dit hoofdstuk gaan wij nader in op de relatie milieu en ruimtelijke plannen. Een relatie die steeds belangrijker wordt. In het streekplan worden geluidsoverlast, water-, lucht- en bodemverontreiniging als de grootste milieuproblemen in Overijssel aangeduid. Met uitzondering van water (zie hoofdstuk 4.4) komen zij allemaal terug in dit hoofdstuk. Een ander belangrijk onderdeel is de externe veiligheid. Door de Handreiking heen spelen trouwens ook op andere plaatsen milieuaspecten zoals water, duurzaamheid, ecologie etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.2 Beleidsontwikkelingen Het milieubeleid heeft in toenemende mate gevolgen voor de ruimtelijke ordening. Andersom geldt dat trouwens ook. De tendens naar een meer samenhangende en integrale benadering van milieu en ruimtelijke ordening komt tot uiting in verschillende wetsvoorstellen van het Ministerie van VROM. We zien dan ook een ontwikkeling naar een meer gebiedsgericht milieubeleid. Een ander opvallend en voor de ruimtelijke ordening relevant verschijnsel is de toename van het aantal meldingsplichtige inrichtingen. wijzigingen in de WRO en de milieuwetgeving Over de relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening zijn het voorontwerp Wet Ruimtelijke Ordening en de discussienota over de toekomst van de milieuwetgeving (\"Met recht verantwoordelijk\") uitermate helder. De wettelijke basis voor afstemming en integratie van beide beleidsvelden moet worden versterkt. Het voorontwerp van de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening houdt daar nadrukkelijk rekening mee. Zo wordt bijvoorbeeld voorgesteld om in bestemmingsplannen kwalitatieve milieunormen op te nemen. gebiedsgericht milieubeleid De uit een oogpunt van een goed leefmilieu noodzakelijk te achten scheiding en spreiding van functies en bestemmingen heeft soms ook nadelen. Bijvoorbeeld op het gebied van ruimtegebruik, verkeer, milieu en ecologie. In reactie daarop heeft zich het gebiedsgericht milieubeleid ontwikkeld. Een ontwikkeling die nog steeds doorgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zogenaamde ROM-gebieden is in de jaren '90 uitdrukkelijk gekozen voor een integrale aanpak van bestaande problemen in een bepaald gebied. Een combinatie van maatwerk, ruimtelijke en milieumaatregelen moet leiden tot behoud of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. De meest recente voorbeelden daarvan zijn: het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing, de beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER) en het conceptwetsvoorstel Modernisering Instrumentarium Geluidsbeleid (MIG). De experimentenwet Stad en Milieu gaat hier nog het verst in. In 25 geselecteerde projecten mag van bestaande milieuvoorschriften worden afgeweken. Daarbij gelden voorwaarden zoals een efficiënt ruimtegebruik, het bereiken van een optimale stedelijke kwaliteit en compensatie van de normoverschrijding (milieuverlies). Compensatie vindt bij voorkeur plaats binnen hetzelfde milieuaspect. Er mag geen strijd ontstaan met EG-richtlijnen. Binnen Overijssel zijn een aantal experimentgebieden aangewezen. De zuidelijke spoorzone Hengelo, het stationsgebied Almelo en Bergweide Deventer (bedrijfsterrein).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Rijk heeft onlangs een nieuw instrument voor de stimulering van het gebiedsgericht beleid ingevoerd: de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid. De regeling komt voort uit het NMP3, het Structuurschema Groene Ruimte en de Vierde Nota Waterhuishouding en brengt de bestaande regelingen voor gebiedsgericht milieubeleid, verdrogingsbeleid, waardevolle cultuurlandschappen en de gelden voor reconstructie samen. toename van het aantal meldingsplichtige inrichtingen/bedrijven Het Rijk wil in het kader van de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit 75% van alle inrichtingen tot meldingsplichtig bedrijf maken. Voor deze bedrijven komt de vergunningsplicht te vervallen. Daarvoor in de plaats komen algemene regels (Amvb). Ook wordt per Amvb bekeken of er nog gewerkt moet worden met afstandscriteria. Het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen bevat bijvoorbeeld geen afstandscriterium omdat dit geen recht zou doen aan de diversiteit van de praktijk en tot starheid zou kunnen leiden. Een dergelijke benadering heeft consequenties voor het maken van ruimtelijke plannen. De milieuvergunning biedt steeds minder vaak een oplossing, omdat steeds meer bedrijven onder algemene milieuregels vallen. Gemeenten kunnen veel minder dan nu terugvallen op het maatwerk van een milieuvergunning en zij moeten soms zelf een aanvaardbare afstand vaststellen. Het bestemmingsplan wordt daardoor een nog belangrijker instrument voor sturing. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Milieu &amp; Recht. Discussienota met recht verantwoordelijk. Jaargang 28, november 2001 (themanummer).</div>\n<p class=\"lf-p\">4.3.3 Milieu in ruimtelijke plannen 1. Bij een goede ruimtelijke ordening hoort een integrale afweging van milieuaspecten. De afweging kan niet altijd beperkt blijven tot het plangebied zelf.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is van groot belang om milieuaspecten vanaf het begin bij de planvorming, de belangenafweging en de besluitvorming over ruimtelijke plannen te betrekken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De plantoelichting geeft inzicht in de relevante milieuaspecten en hoe daar in het ruimtelijk plan rekening mee is gehouden. structurele aandacht voor milieuaspecten binnen de ruimtelijke ordening: integrale afweging Het Streekplan, het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ bevatten een belangrijk gemeenschappelijk streven: het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke plannen beïnvloeden de leefomgeving en kunnen gewenste en ongewenste milieueffecten tot gevolg hebben. Wij zien een integrale afweging van milieuaspecten als bodem, water, lucht, geluid, externe veiligheid en maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen als een absolute voorwaarde voor een goede ruimtelijke ordening. Daar moet in het bestemmingsplan op een herkenbare wijze aandacht aan zijn besteed. Bijvoorbeeld in de plantoelichting of in een afzonderlijke milieuparagraaf.</div>\n<p class=\"lf-p\">De relatie milieu - bestemmingsplan is niet altijd even makkelijk. Zo is een bestemmingsplanregeling die uitsluitend een milieudoelstelling dient, in strijd met artikel 10 WRO. De op te nemen milieuaspecten moeten (voorlopig nog) ruimtelijk relevant zijn. \"Milieu\" kan bovendien lastig zijn. Gemeenten hebben bij het vaststellen van ruimtelijke plannen een ruime mate van beleidsvrijheid. En die beleidsvrijheid wordt soms ingeperkt door milieuregels. Daarbij is niet altijd duidelijk hoe hard een bepaalde milieunorm is. De Inspectiewijzer bestemmingsplannen is een handig hulpmiddel voor het krijgen van een beter inzicht in de relatie tussen het ruimtelijk beleid en het milieubeleid. Ook de opvolger van de Inspectiewijzer bevat een makkelijk te hanteren checklist met de meest relevante milieuaspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij vinden het belangrijk dat milieu vroeg en evenwichtig wordt ingebed binnen de ruimtelijke planvorming. Juist omdat het moeilijk is om alle milieuaspecten in beeld te krijgen en de gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving zo verstrekkend kunnen zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat het niet of onvoldoende meenemen van milieuaspecten met enige regelmaat leidt tot vernietiging van bestemmingsplannen door de Raad van State. Dat kan voorkomen worden door milieuaspecten vanaf het begin van het planproces in de ruimtelijke afweging te betrekken. Afstemming binnen de eigen organisatie maakt knelpunten en kansen zichtbaar en biedt ruimte voor oplossingen. Sleutelfactoren zijn een tijdig en goed samenspel tussen alle betrokkenen zowel in- als extern. De voorlopige evaluatie van de Experimentenwet Stad en Milieu laat zien dat dit resultaat oplevert. Een intensieve samenwerking met overheden en andere betrokken en kan tijd kosten maar leidt ook tot het volledig benutten van de mogelijkheden binnen de bestaande wetgeving of een oplossing waar het milieu echt mee gediend is. Daarbij is één ding zeker: herstel achteraf kost nog veel meer tijd en geld. milieuwaarden buiten het plangebied Het is wenselijk en soms ook noodzakelijk om expliciet rekening te houden met milieubelastende of milieugevoelige functies buiten het plangebied. Ook als dat niet wettelijk verplicht is. We zien trouwens dat wetgeving daar steeds vaker toe verplicht. Zo hebben de Natuurbeschermingswet en de Habitatrichtlijn een vorm van externe werking. In dergelijke situaties kan een artikel 19 procedure soms onoverkomelijke problemen met zich meebrengen: er zijn situaties waarin bepaalde ontwikkelingen alleen kunnen worden toegestaan als elders beperkingen aan het gebruik worden opgelegd. Daar is vaak een herziening van het bestemmingsplan voor nodig. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Handboek ruimtelijke ordening en milieu. Editie 2000-2001. Samson, Alphen aan de Rijn, 2001.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Inspectiewijzer bestemmingsplannen. Inspectie milieuhygiëne, VROM, november 1994. De Inspectiewijzer wordt op korte termijn herzien en zal een andere naam krijgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Planologische Kengetallen. Hoofdstuk Milieuhygiëne. Samson / H.D. Tjeenk Willink, juli 1990.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.3.4 Milieuzonering bedrijven en bedrijventerreinen 1. Bestemmingsplannen geven blijk van een onderzoek naar de potentiële milieubelasting door bedrijven in en buiten het plangebied en hoe daar in de regeling van het bestemmingsplan rekening mee is gehouden. De toelichting bevat een grondige afweging ten aanzien van de toelaatbaarheid van bedrijven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij het leggen van bedrijfsbestemmingen wordt een consistent en inzichtelijk systeem voor bedrijfstypen gehanteerd. Het gebruik van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering wordt dringend aanbevolen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De afstand tussen (nieuwe) woonbestemmingen en (nieuwe) bedrijfsbestemmingen is tenminste gelijk aan de afstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Afwijking, mits deugdelijk gemotiveerd, is mogelijk. Bestaande situaties kunnen tot een genuanceerde toepassing van de VNG-brochure nopen. onderzoek naar (de toelaatbaarheid van) milieubelastende bedrijfsbestemmingen De toelichting van het bestemmingsplan zal inzicht moeten geven in de aanwezigheid van voor het milieu belastende bedrijfsbestemmingen en hoe daar in het bestemmingsplan rekening mee is gehouden. Het Bro verplicht tot onderzoek naar de bestaande toestand en de mogelijke of wenselijke ontwikkelingen binnen het plangebied. De basis voor een evenwichtige inpassing van bedrijven is een goede analyse van de bestaande situatie en de gewenste of vereiste gebiedskwaliteiten in het gebied en de omgeving daarvan. locatiekeuze De keuzes voor vestiging en locatie van milieugevoelige bestemmingen en bedrijven zijn van groot belang. Een grondige afweging welke bedrijven toelaatbaar zijn, is vereist. Daarbij is het zeker niet zo dat de omgeving alleen beperkingen stelt aan de vestiging van bedrijven. Het kan ook andersom werken. Bestaande bedrijven die, beducht voor klachten van toekomstige bewoners, uitbreidingsruimte claimen waardoor plannen voor woningbouw in het gedrang komen. zonering en regeling van bedrijfsbestemmingen Een juiste afstemming tussen bedrijfsactiviteiten en daarvoor gevoelige functies is bepalend voor behoud en verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Het vertalen van milieunormen en milieubeleid in het bestemmingsplan gebeurt veelal door zonering. Zonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen. Milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen worden zodanig gesitueerd dat de kans op gevaar, schade of hinder wordt beperkt of weggenomen. Daarbij wordt in de regel gebruik gemaakt van afstandscriteria. Dat is relatief makkelijk als een wettelijke regeling een bepaalde afstand eist tussen verschillende activiteiten en gebruikers zoals bijvoorbeeld in de Richtlijn Veehouderij en stankhinder.</div>\n<p class=\"lf-p\">Sommige wetten wijzen ruimtelijk begrensde gebieden aan waarbinnen bepaalde activiteiten niet of slechts in beperkte mate zijn toegestaan. Denk bijvoorbeeld aan de Wet geluidhinder. In situaties van wettelijke normen met directe planologische consequenties, stelt het milieu harde randvoorwaarden aan de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Dat is echter lang niet altijd het geval. In de praktijk fungeren tal van milieunormen zonder formeel wettelijke grondslag. Er wordt veel gewerkt met circulaires, brieven van minister, richtlijnen etc. Hoewel de wettelijke status of de planologische vertaling niet altijd duidelijk is, zijn ook die milieunormen relevant. De intentie van het milieubeleid moet in het ruimtelijk beleid doorklinken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opvolger van Inspectiewijzer bestemmingsplannen geeft, in de vorm van een checklist, informatie over de meest relevante milieuaspecten en normen voor bestemmingsplannen. Daarbij wordt verwezen naar beleid en regelgeving alsmede enkele in het oog springende uitspraken van de Raad van State. Een andere veel gebruikt hulpmiddel is de VNG-brochure \"Bedrijven en milieuzonering\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze waarop milieunormen in het bestemmingsplan zijn vertaald moet in het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Dat geldt ook voor het afwijken of negeren van milieunormen. Voor de ruimtelijke inpassing van bedrijven kunnen gemeenten gebruik maken van een Staat van Inrichtingen, toegesneden op aanwezige en geplande functies. Het werken met een vaste basiszoneringslijst, zoals bijvoorbeeld de VNG-brochure, heeft onze voorkeur. Uit de basislijst kunnen bedrijven worden geselecteerd die aansluiten bij de kwaliteit en de (gewenste) kenmerken van het plangebied. Daarnaast pleiten wij voor een overzichtelijke en consistente manier van bestemmen. Een uniforme en gestandaardiseerde werkwijze houdt (het maken van) bestemmingsplannen overzichtelijk en kan de interne afstemming versterken. Dat kan misverstanden in de interpretatie en bedoeling van voorschriften voorkomen. Wij hechten daar, bijvoorbeeld uit een oogpunt van veiligheid, veel waarde aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering Wij gebruiken de VNG-brocure Bedrijven en milieuzonering (1999) als uitgangspunt voor onze toetsing van bedrijfsbestemmingen. Wij adviseren gemeenten om gebruik te maken van een Staat van Inrichtingen (bedrijvenlijst). Daarbij gelden de volgende kanttekeningen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de VNG-lijst is breed van samenstelling en omvat ook bedrijven die op bepaalde locaties als bijvoorbeeld een bedrijventerrein niet of minder snel thuis horen. Een selectie van bedrijven zal in het algemeen nodig zijn. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie. De lijst moet zijn toegesneden op de specifieke kenmerken van het gebied. Het standaard toepassen van de lijst is gevaarlijk en wordt sterk afgeraden. De lijst is bedoeld voor milieueffecten ten opzichte van een rustige woonwijk. Het type omgeving kan aanleiding zijn tot afwijking. Een bedrijfslocatie kan bovendien aan uiteenlopende gebieden grenzen. Zo kunnen voor een aangrenzend natuurgebied milieuaspecten als geluid, verkeer en visuele hinder zwaarder wegen. Ook kan sprake zijn van cumulatieve effecten. Voor elke situatie is een duidelijke afweging en onderbouwing nodig, wat betreft de aard van de bedrijven en de te verwachten milieueffecten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in de VNG-lijst wordt geen rekening gehouden met het gegeven dat sommige bedrijven niet goed bij elkaar passen vanwege hun productieproces. Zo kunnen bijvoorbeeld voedingsmiddelen- en afvalverwerkingsindustrie conflicteren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>binnen de in de VNG-publicatie aangegeven milieucategorieën is er een grote variatie van de vereiste afstand tussen bedrijf en woningbouw of andere milieugevoelige bestemmingen. In de in het bestemmingsplan op te nemen bedrijvenlijst, zal dan ook in het algemeen een verdere differentiatie nodig zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>zoals uit de jurisprudentie blijkt, zijn de in de brochure genoemde afstandsmaten indicatief. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken. In dit verband kan het ook relevant zijn of een bestaand bedrijf over een milieuvergunning beschikt en of daarin ook afstandsmaten worden genoemd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>bij het categoriseren van bedrijven wordt geen of onvoldoende rekening gehouden met het verschil in milieubelasting tussen bedrijven uit één categorie. Een bedrijf kan meer of minder hinderlijk zijn dan in de staat is aangegeven. Ook houdt de staat geen rekening met nieuwe technologische ontwikkelingen, die milieuhinder kunnen verminderen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het opnemen van een bedrijvenlijst betekent niet automatisch dat bedrijven die vallen onder artikel 41 van de Wet geluidhinder juncto artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zijn uitgesloten. Daar is meestal een aanvullende regeling voor nodig;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>bij het toepassen van de afstanden uit de brochure zal ook rekening gehouden moeten worden met specifiek milieubeleid en in de milieuwetgeving opgenomen normen. Het één komt niet altijd met het ander overeen. bestaande situaties Een bijzonder aandachtspunt is de regeling van bestaande terreinen. In bestaande situaties is het erg moeilijk om een goed leefmilieu met een bestemmingsplan af te dwingen. Immers: overheden moeten rekening houden met bestaande rechten. Dit is anders als er een goed saneringsplan is. Als bij een bestaand bedrijf niet wordt voldaan aan de afstandsmaten die bij de betreffende bedrijfscategorie horen en als sanering of verplaatsing aantoonbaar niet aan de orde is, ligt een specifieke bestemming in de rede. Dat mag echter nooit tot onverantwoorde situaties leiden. Een bijzonder sterke onderbouwing met ruim aandacht voor milieu- en veiligheidseffecten, is een absolute voorwaarde. Met een wijzigingsbevoegdheid kan worden geregeld dat er na bedrijfsbeëindiging alleen een milieuvriendelijker activiteit mag worden verricht. integrale milieuzonering In bepaalde situaties, met name bij grotere of \"zwaardere\" bedrijfsterreinen, is het wenselijk een bedrijventerrein intern te zoneren. Dat kan door de zwaarste milieucategorieën het verst van gevoelige functies te situeren. De zonering draagt er dan aan bij dat de effecten voor de gevoelige functies beperkt worden. Het is ook een goede manier om te komen tot een zo optimaal mogelijke benutting van de beschikbare ruimte.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5 Geluid In de Wet geluidhinder en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten zijn nadrukkelijk relaties gelegd met het bestemmingsplan. In artikel 15 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt een verband gelegd met de Wet geluidhinder. Deze relaties hebben zowel inhoudelijke als procedurele consequenties bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij eventuele anticipatieprocedures. Sinds de invoering van de Wet geluidhinder is er in toenemende mate kritiek ontstaan op de vrij complexe systematiek, de harde normstelling en de te volgen procedures. Naar aanleiding daarvan zijn initiatieven ontwikkeld, die uiteindelijk wellicht zullen leiden tot aanpassing of afschaffing van de Wet geluidhinder. Zo is er het project Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid. Het spreekt echter voor zich dat de huidige Wet geluidhinder en de erbij behorende uitvoeringsbesluiten als uitgangspunt bij de opstelling van bestemmingsplannen gehanteerd moeten worden zolang deze wet niet is aangepast of vervangen. In het provinciale Milieubeleidsplan is als hoofdlijn van beleid aangegeven, dat milieu-inspanningen met name moeten worden gericht op die onderdelen waarvoor de taakstellingen niet zijn gehaald. Daarbij ligt onder meer de nadruk op het verder beperken van geluidsoverlast. stiltegebieden In het provinciale milieubeleidsplan kunnen stiltegebieden worden aangewezen. Op grond van de provinciale milieuverordening kan tegen de verstoring van de stilte worden opgetreden. Het aanwijzen van een stiltegebied heeft ook ruimtelijke gevolgen en daarmee consequenties voor de plantoetsing. Het kan de aanleiding zijn voor een (op onderdelen) restrictief ruimtelijk beleid. Bijvoorbeeld door bepaalde bestemmingen uit te sluiten of op afstand te houden dan wel in de gebruiksbepalingen luidruchtige c.q. verstorende activiteiten als verboden gebruik aan te merken. In het milieubeleidsplan Overijssel is het gebied ten noorden van Ootmarsum als stiltegebied aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5.1 Akoestisch onderzoek 1. De Wet geluidhinder kan verplichten tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De resultaten van het akoestisch onderzoek worden in de toelichting van het bestemmingsplan of bij de aanvraag om een verklaring van geen bezwaar opgenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet geluidhinder is aangegeven dat een akoestisch onderzoek moet worden ingesteld bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan of van een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder. Dit geldt ook voor uitwerkingsplannen op basis van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, ook als deze dateren uit de periode vóór het ontstaan van de Wet geluidhinder (1979).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek zal moeten uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij woningen en/of andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen, woonwagenstandplaatsen) wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Uiteraard maken de resultaten van het onderzoek deel uit van de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het vooroverleg en de goedkeuring is dan een adequate beoordeling van de problematiek mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens verdient het aanbeveling om bij het opstellen van een bestemmingsplan vanaf het begin de akoestische aspecten bij de planvorming te betrekken. In die fase kan soms met betrekkelijk eenvoudige aanpassingen een optimale akoestische situatie worden bereikt. Behalve bij bestemmingsplannen verdient het ook bij wegtracéstudies en bij het opstellen van structuur- en verkeerscirculatieplannen aanbeveling om aandacht te besteden aan de akoestische aspecten. Daarmee is een afweging van het geluidsbelang in ruimer kader mogelijk. Eventuele knelpunten kunnen daardoor vroegtijdig worden gesignaleerd. Ook kan het ertoe bijdragen dat in de fase van het opstellen van het bestemmingsplan sneller en beter op de geluidhinderproblematiek kan worden ingespeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5.2 Weg-, rail-, industrie- en luchtvaartlawaai 1. Rond wegen, spoorwegen en industrieterreinen kunnen vanwege de Wet geluidhinder wettelijke zones gelden waarop geluidsnormen van toepassing zijn (voorkeursgrenswaarden).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen onder voorwaarden een hogere grenswaarde vaststellen voor weg-, spoor- en industrielawaai.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De Luchtvaartwet verplicht tot een zonering rond luchtvaartterreinen. wegverkeerslawaai Op grond van artikel 74 Wet geluidhinder is van rechtswege een zone aanwezig langs wegen. Dit geldt niet voor wegen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 m uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 50 dB(A) of minder bedraagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uit de toelichting bij een bestemmingsplan moet duidelijk blijken of zich wegen met een zone in het plangebied bevinden, of dat er sprake is van de hiervoor genoemde uitzonderingen. In artikel 76 Wet geluidhinder is bepaald dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, dat betrekking heeft op gronden behorende tot een zone, voor woningen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) of de eventueel vastgestelde hogere grenswaarden in acht moeten worden genomen. railverkeerslawaai Hoofdstuk VII van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder spoorwegen geven regels voor het lawaai van spoor-, tram- en metrowegen. Dat gebeurt volgens hetzelfde principe als bij weg-verkeerslawaai. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting van (nieuwe) woningen langs een bestaande spoorbaan bedraag 57 dB(A). De maximale na ontheffing hogere grenswaarden bedraagt 70 dB(A). industrielawaai Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan voor een gebied waarin inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die vallen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, moet op grond van artikel 41 van de Wet geluidhinder rond het betrokken terrein een zone worden vastgesteld. Buiten deze zone mag de door bedrijven veroorzaakte geluidsbelasting de waarde van 50 dB(A) niet overschrijden. Binnen de vastgestelde zone sluit de wet woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen niet geheel uit, maar er gelden maximaal toelaatbare geluidsbelastingen aan de gevel en saneringsbepalingen. Eén en ander is geregeld in het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bestaande situaties moest per 1 september 1986 de zonering door de gemeenteraad zijn vastgesteld of moest de vestiging van zogenaamde A-inrichtingen in de bestemmingsplan-voorschriften onmogelijk zijn gemaakt. Na die datum zijn door Gedeputeerde Staten of de Kroon nog afzonderlijke zonebesluiten vastgesteld. Indien de zonering heeft plaatsgevonden door middel van een afzonderlijk zonebesluit, dient deze zone alsnog in het bestemmingsplan te worden verwerkt. In dit verband wijzen wij op artikel 59 van de Wet geluidhinder (zone van rechtswege).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient in alle gevallen rekening te worden gehouden met de in het verleden afzonderlijk genomen zonebesluiten of met een eerder in een bestemmingsplan opgenomen zone en met eventuele hogere grenswaarden. Het duidelijkst is de werkwijze waarbij de zone wordt opgenomen in het bestemmingsplan waarin het industrieterrein is of wordt geregeld. Uit praktische overwegingen kan ook worden gekozen voor een werkwijze waarbij de zone wordt opgenomen in de omliggende bestemmingsplannen. Bij die werkwijze moet wel duidelijk blijven dat het bedrijfsterrein is gezoneerd. Dat kan bijvoorbeeld door een aanduiding op de plankaart op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting bij het bestemmingsplan zal duidelijk moeten worden aangegeven welke belangenafweging heeft plaatsgevonden en wat de gevolgen van de zonering zijn. Het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen de zone zal in het bestemmingsplan moeten worden uitgesloten tenzij vooraf een hogere grenswaarde is vastgesteld. hogere grenswaarden De Wet geluidhinder biedt onder voorwaarden de mogelijkheid dat Gedeputeerde Staten zowel bij weg-, industrie- als spoorlawaai een hogere grenswaarde vaststellen in situaties, waarbij niet door het aanhouden van een grotere afstand of door het treffen van geluidbeperkende voorzieningen in de vorm van een geluidwal en/of -scherm of anderszins aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. In het kader van decentralisatie en complementair bestuur hadden wij onze bevoegdheden voor het vaststellen van hogere grenswaarde voor industrie- en wegverkeerslawaai overgedragen aan de colleges van Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten. Zoals bekend heeft de rechter geoordeeld dat het overdragen van deze provinciale bevoegdheden niet mogelijk is; derhalve dient de provincie deze hogere waarden (weer) vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als hogere waarden nodig zijn, dan dienen deze door de provincie te worden vastgesteld, vóór vaststelling van het bestemmingsplan door de raad. Als dat niet gebeurt rest de provincie in de goedkeuringsprocedure van het bestemmingsplan niets anders dan om formele redenen goedkeuring te onthouden. Ook als de artikel 19 WRO-procedure wordt toegepast dient de eventueel benodigde hogere grenswaarde te zijn vastgesteld op het moment dat wij de gevraagde verklaring van geen bezwaar afgeven. Het is dus noodzakelijk om de bestemmingsplan- en bouwplanprocedure goed af te stemmen op de procedure voor het vaststellen van een hogere grenswaarde. Tegen die achtergrond is het wenselijk om vroegtijdige overleg te voeren met de provincie over bestemmings- en bouwplannen, waarvoor vaststelling van een hogere grenswaarde wordt overwogen. Dit om te voorkomen dat in een later stadium van de procedure problemen ontstaan over de toepassing van de Wet geluidhinder. In dat overleg kan onder meer worden bezien op grond van welk criterium een hogere grenswaarde kan worden vastgesteld en op welke wijze een in akoestisch opzicht meest optimale, stedenbouwkundig aanvaardbare oplossing tot stand kan worden gebracht. luchtvaartlawaai Voor het vliegveld Twenthe is door het Rijk (bij besluit van 5 juni 1992) een geluidszone vastgesteld. Deze geluidszone heeft consequenties voor de desbetreffende bestemmingsplannen van de betrokken gemeenten Enschede, Hengelo, Losser, Oldenzaal en Dinkelland.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5.3 Overige vormen van geluidshinder Bij het opstellen van bestemmingsplannen kan voor wat betreft de geluidsaspecten niet worden volstaan met toetsing aan de Wet geluidhinder, aangezien deze in hoofdlijnen slechts betrekking heeft op industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai. De niet in de Wet geluidhinder geregelde situaties zullen uiteraard ook in de afweging moeten worden betrokken. Gedacht wordt onder meer aan plannen voor kampeerterreinen, recreatiewoningen, milieuvergunningplichtige inrichtingen, inrichtingen die vallen onder een Amvb, horecagelegenheden, disco's en dergelijke. Door een zorgvuldige situering kan overlast voor de omgeving worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.5.4 Geluidsnormen, flexibiliteit en planologische regeling De Wet geluidhinder en het Besluit op de ruimtelijke ordening laten niet toe dat in bestemmingsplannen geluidsnormen worden opgenomen als rechtstreeks toetsingskader voor aanvragen om een bouwvergunning. Constructies waarbij via het vereiste van een verklaring van geen bezwaar bij de uitvoering van het bestemmingsplan zou moeten worden beoordeeld of de Wet geluidhinder in acht wordt genomen, zijn evenmin toelaatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15, tweede lid van het Besluit op de ruimtelijke ordening biedt de mogelijkheid om, voor zover de 50 dB(A) wordt overschreden, wel geluidsnormen op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op te nemen. Hierdoor wordt in zekere mate voorkomen dat de gewenste flexibiliteit wordt doorkruist, terwijl anderzijds kan worden tegemoet gekomen aan de eisen van de Wet geluidhinder. Wordt voor deze systematiek gekozen, dan dient er bij de normstelling te worden uitgegaan van de maximale (bouw)mogelijkheden, voor zover akoestisch relevant, die het plan biedt. Dit betekent onder andere dat moet worden uitgegaan van de kleinst mogelijke afstand tussen woningen en wegen, de hoogte van de bebouwing en het maximale aantal woningen. De haalbaarheid van de gekozen normstelling zal hierbij vanzelfsprekend door een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond. Indien noodzakelijk kan voor het plan, of delen daarvan, een hogere waarde worden vastgesteld dan de voorkeursgrenswaarde. Het zal dan wel duidelijk moeten zijn voor hoeveel woningen maximaal de hogere grenswaarde geldt. Zowel de (verleende) hogere grenswaarde als het maximum aantal woningen waarvoor deze waarde geldt, dienen als criteria in de uitwerkings- of wijzigingsregels te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij globale, ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening uit te werken plannen, of bij op dat artikel gebaseerde wijzigingsbevoegdheden moet de hogere grenswaarde vóór de vaststelling van het bestemmingsplan zijn verkregen. Het is niet mogelijk bij een latere uitwerking of wijziging van het plan alsnog een hogere grenswaarde te laten vaststellen. Er is dan een (gedeeltelijke) herziening van het plan nodig met een daaraan voorafgaande procedure voor een hogere grenswaarde of een verklaring van geen bezwaar. Ook bij globale eindbestemmingen zal bij de vaststelling duidelijkheid moeten bestaan over de geluidsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.6 Bodem 1. In alle bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen wordt (ook bij vrijstellingen ex artikel 19 WRO) in beginsel een bodemparagraaf opgenomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de bodemparagraaf wordt aandacht besteed aan de kwaliteit van de gronden in het plangebied; de belangrijkste uitkomsten van het bodemonderzoek worden vermeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is van belang in de bodemparagraaf de te verwachten of vastgestelde bodemverontreiniging nadrukkelijk in relatie te brengen met de uitvoerbaarheid van het plan. Gemeenten zullen inzicht moeten geven in de financiële consequenties en haalbaarheid van het plan.</div>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de bodem is voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van het plan van groot belang. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient dan ook onderzoek gedaan te worden naar de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zullen in de plantoelichting, of in een aparte bijlage bij het plan, aan ons moeten worden voorgelegd. Het te verrichten onderzoek is noodzakelijk voor plannen in het stedelijk en in het buitengebied, die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. Ook eventuele saneringsplannen dienen bij het plan gevoegd te worden. bestemmingsplannen/ruimtelijke plannen voor nieuw te bebouwen locaties Voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan is minimaal een gedegen historisch onderzoek (liefst aangevuld met luchtfoto-onderzoek) noodzakelijk. Een daadwerkelijk bodemonderzoek kan beperkt blijven tot die plandelen die uit het historisch onderzoek als verdacht naar voren zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoeksplicht kan genuanceerd worden ingevuld. De diepgang en de mate van onderzoek hangen af van de aard en het verleden van het plangebied. Risicovolle gebieden (bijvoorbeeld voormalige bedrijfsterreinen en afvalstortplaatsen en locaties met lekkende olietanks) vereisen in ieder geval een volledig onderzoek (inclusief een veldonderzoek). Een uit te voeren onderzoek zal volgens de geldende norm uitgevoerd moeten worden (Protocol: vooronderzoek NVN 5725, Verkennend onderzoek NEN 5740). Wanneer uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een (mogelijk) ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, zal medewerking aan het bestemmingsplan of aan een ander ruimtelijk plan alleen worden gegeven als door middel van een beschikking van het bevoegde gezag de ernst en de urgentie van de verontreiniging is bepaald en is ingestemd met een (deel)saneringsplan. bestemmingsplannen/ruimtelijke plannen voor bestaande (bebouwde) locaties Als een bestemmingsplan of een ander ruimtelijk plan betrekking heeft op een bestaande situatie, is in beginsel geen bodemonderzoek noodzakelijk. Wanneer een conserverend bestemmingsplan toch (incidenteel) nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is, zoals hiervoor vermeld, minimaal een historisch onderzoek noodzakelijk. Het historisch onderzoek kan beperkt blijven tot de locatie, die van bestemming verandert en de directe omgeving ervan. Een bodemonderzoek is nodig als uit historisch onderzoek is gebleken dat de locatie verdacht is. Voor het overige wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is vermeld. bestemmingsplannen met uitwerkingsverplichting/wijzigingsbevoegdheid Bij bestemmingsplannen met een uitwerkingsverplichting of een wijzigingsbevoegdheid dienen in principe alle vereiste bodemkwaliteitsgegevens bij de goedkeuring van het (moeder)plan beschikbaar te zijn. Indien in een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, kan er in bijzondere gevallen mee worden ingestemd dat de noodzakelijke gegevens pas beschikbaar zijn in het kader van het wijzigingsplan. Wel zal in dat geval via een op te nemen voorwaarde in de planvoorschriften moeten worden geregeld dat ten behoeve van de wijziging gegevens omtrent de bodem zijn vereist. Bij een bestemmingsplan waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen, kan, indien daarvoor bijzondere redenen aanwezig zijn, in eerste instantie worden volstaan met een meer globaal bodemonderzoek. In het kader van de uitwerking zal dan vervolgens, indien nodig, een aanvullend onderzoek moeten worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.7 Luchtkwaliteit 1. In ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de eisen voor luchtkwaliteit. Zo nodig, wordt daar in de toelichting van het ruimtelijk plan nader op ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Europese regelgeving heeft ook gevolgen voor het beleidsterrein luchtverontreiniging en luchtkwaliteit. Verschillende Europese richtlijnen dwingen de lidstaten tot een actiever luchtkwaliteitsbeleid. De normen zijn gedifferentieerd naar stedelijk en landelijk gebied (ecosystemen, vegetatie). Een belangrijke doelstelling is het beschermen van de gezondheid van bewoners tegen gevaarlijke emissies van industrie en van auto- en vrachtverkeer. Het vaktijdschrift Milieu &amp; Recht oktober 2001 bevat een uitgebreid overzicht van de Europese (dochter)richtlijnen en de implementatie daarvan in het Nederlandse recht. De gevolgen openbaren zich met name in drukke stedelijke gebieden, industrieterreinen in de nabijheid van stedelijk gebied en situaties waarin drukke snelwegen zijn gekomen op plaatsen waar voorheen een rustige weg was met aangrenzende woonbebouwing. Ook het verbeteren (verbreden) van snelwegen en drukke verkeerswegen kan consequenties hebben voor de luchtkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het (nieuwe) Besluit luchtkwaliteit, in werking getreden op 19 juli 2001, vervangt een aantal eerdere, afzonderlijke besluiten. Het besluit bevat waarden en normen voor: zwaveldioxine, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen. De normen richten zich tot \"bestuursorganen\". Zij moeten de grenswaarden in acht nemen bij de uitoefening van taken en bevoegdheden met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit. De nota van Toelichting noemt in dit verband onder andere de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Tracéwet en de Planwet verkeer en vervoer. in de praktijk Het bestemmingsplan Ypenburg-Nootdorp sneuvelde (deels) omdat verzuimd is om te kijken naar mogelijke luchtverontreiniging in één van de deelgebieden (Ab kort 2001, 53). Bij reconstructieplannen in Nijmegen oordeelde de rechter dat er directe gevolgen kunnen optreden voor een aangrenzende wijk: planoverschrijdende effecten. De toename van (stilstaand) verkeer zou tot een verhoging van de concentratie benzeen kunnen leiden (AbRS, 4 juli 2001, nr. 199902757/1). Eerder ging het mis bij een parkeergarage in Rotterdam (AB 1996, 15). verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Luchtkwaliteit langs snelwegen: een hele opgave. Mr. L. Schutte-Postma. In Milieu &amp; Recht, oktober 2001, pagina 247 - 253.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Besluit luchtkwaliteit (Stb. 269). www.vrom.nl/luchtkwaliteit• Informatieblad Luchtkwaliteit. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. November 2001. Zie ook: www.vrom.nl/luchtkwaliteit. http://www.lml.rivm.nl/• Het RIVM verzorgt een landelijk meetnet: http://www.lml.rivm.nl/ en kan informatie geven over rekenmodellen.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.3.8 Externe veiligheid (gevaar veroorzakende activiteiten) 1. De risico's of gevaarbronnen binnen of in de nabijheid van het plangebied worden geïnventariseerd. Het resultaat van de inventarisatie maakt deel uit van de toelichting van het bestemmingsplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het individueel (of plaatsgebonden) risico en aan de oriënterende waarde voor het groepsrisico.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Van de oriënterende waarde voor het groepsrisico kan alleen worden afgeweken als het algemeen belang daarmee gediend is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In ruimtelijke plannen met mogelijkheden voor het oprichten van en het in gebruik nemen of houden van gevaarlijke inrichtingen, moet in een aparte risicoparagraaf informatie worden verstrekt over de risico's, de in verband daarmee te nemen maatregelen en de controle op de handhaving daarvan. Dat geldt ook voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In een aantal gevallen (bijvoorbeeld LPG-tankstations, Vuurwerkbesluit) bevat de wetgeving expliciete afstandsnormen voor veiligheid. Deze moeten in acht worden genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gemeenten betrekken veiligheidsdeskundigen zoals de brandweer, defensie en Rijkswaterstaat bij het beoordelen van de veiligheidssituatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Externe veiligheid gaat over het risico dat mensen lopen die zich in de buurt bevinden van waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen, waar gevaarlijke stoffen worden op- en overgeslagen en waar gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Denk daarbij aan transportactiviteiten, ammoniakkoelinstallaties, buisleidingen, LPG-tankstations, chloortransporten, op- en overslagen van bestrijdingsmiddelen, chemicaliën, vuurwerk, springstoffen, munitiebedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede omdat er zo veel verschillende risicobronnen bestaan ligt de regelgeving voor het externe veiligheidsbeleid vast in een veelheid aan AmvB's, circulaires, ministeriële brieven, richtlijnen en beleidsnota's. Een groot aantal normen ontbeert vooralsnog een wettelijke status. De doorwerking van het beleid voor risicobronnen en de ruimtelijke ordening is daardoor lang niet altijd gegarandeerd. Vandaar ook dat wij in het streekplan hebben vastgelegd dat bestemmingsplannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het individueel risico en aan de oriënterende waarde van het groepsrisico. In sommige regelingen wordt gewerkt met veiligheidsafstanden. Dan is de doorwerking evident en makkelijker te realiseren. Dat is bijvoorbeeld het geval bij LPG tankstations en het Vuurwerkbesluit (op 1 maart 2002 in werking getreden). Een ander belangrijk document is de circulaire CPR-15 waarin de opslag van gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen wordt geregeld en waarin is aangegeven hoe met de risico's moet worden omgegaan. Daarbij worden ook veiligheidsafstanden genoemd en wordt ingegaan op de samenhang met bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het externe veiligheidsbeleid is momenteel in beweging en is verwoord in het NMP4 en de zogenaamde septemberbrief (2001) van de minister van VROM aan de Tweede Kamer. Doelstelling is een versterking van de doorwerking van gestelde (nieuwe) regels naar de lokale en regionale praktijk. De minister wil het onnodig vervoer van gevaarlijk stoffen aan banden leggen en bedrijven die op kwetsbare plekken liggen en waarvan de veiligheid niet afdoende kan worden geregeld, sluiten. De minister van VROM heeft inmiddels een ontwerp AMvB Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer opgesteld (Staatscourant 22 februari 2002). De minister van Verkeer en Waterstaat komt met een voorstel voor een AMvB Externe veiligheid van transport. Ruimtelijke plannen zullen dan aan de grenswaarden uit die AmvB's getoetst moeten worden. individueel en groepsrisico: onderscheid in inrichtingen en transportactiviteiten De risico's voor de bevolking, verbonden aan gevaar veroorzakende activiteiten (bestaand of nieuw), worden in beeld gebracht door de effecten van bepaalde mogelijke ongevallen te berekenen en uit te drukken in de kans op aantallen doden. Dat gebeurt aan de hand van het individuele risico en het groepsrisico. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in stationaire installaties (inrichtingen) en transportactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het individuele risico (IR) is een grootheid waarmee beoordeeld kan worden of de individuele burger aan een te hoge kans op overlijden wordt blootgesteld vanwege de aanwezigheid van één of meerdere risicohoudende activiteiten. Het IR geeft een beeld van het risico rond een potentieel risico-opleverende inrichting of transportactiviteit. Het IR wordt ruimtelijk weergegeven op een topografische kaart met lijnen, getrokken door punten met een gelijk risico: de isorisicocontouren. Het NMP4 spreekt overigens over een plaatsgebonden risico (PR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het het groepsrisico (GR) gaat het om de kans dat groepen omwonenden van een bepaalde risico-opleverende activiteit dodelijk getroffen kunnen worden door een ongeval. In tegenstelling tot het IR is hier van belang hoeveel mensen op welke plaats in de omgeving van een bron aanwezig kunnen zijn. Hoe meer mensen er rond een bedrijf wonen of werken, des te groter het GR. De afhankelijkheid van de omgeving en de concrete situatie maakt het moeilijk om het GR ruimtelijk weer te geven. inrichtingen Voor stationaire installaties geldt in nieuwe situaties voor het IR een grenswaarde van 10-6/jaar. Voor bestaande situaties is dat 10-5/jaar. Dit in de huidige beleidspraktijk gehanteerde onderscheid tussen nieuwe en bestaande situaties zal op termijn worden opgeheven. Het gaat hier vooral om inrichtingen waarin (mede) verwerking of op- en overslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's van een bestaande of nieuwe situatie worden getoetst aan de aanwezigheid van kwetsbare functies in de omgeving van de inrichting. Kwetsbare functies of objecten waar zich personen gedurende langere tijd kunnen bevinden, mogen in principe niet voorkomen binnen de aangegeven IR-norm. Om de toelaatbaarheid van een bepaalde ontwikkeling, van een bedrijf of van de omgeving, te kunnen beoordelen dient in beginsel eerst een GR-berekening te worden uitgevoerd. De norm voor het GR, 10-5/jaar voor tien doden, 10-7/jaar voor honderd doden, 10-9/jaar voor duizend doden etc., wordt aangeduid als een oriënterende waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normen voor IR en GR hebben voor een aantal stationaire inrichtingen geleid tot specifieke, algemene regelingen met standaard aan te houden veiligheidsafstanden. De AMvB Besluit LPG-tankstations milieubeheer is daar een goed voorbeeld van. De \"Handreiking externe veiligheid voor inrichtingen\" van IPO en VNG geeft een overzicht van dat soort regelingen. Er zijn echter bedrijven die niet onder een generieke regeling vallen. In dat soort situaties dient de aandacht vooral uit te gaan naar kwetsbare functies zoals: woonwijken, ziekenhuizen, scholen, kantoren, hotels. Uitgezonderd zijn naburige industriële bedrijven die zelf risico's veroorzaken, incidentele dienst- of bedrijfswoningen en het verkeer op de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het (gevaar)aspect externe veiligheid doet zich met name voor in de omgeving van industrieterreinen of in een woonomgeving met bestaande bedrijvigheid. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering is een geschikt instrument voor adequate zonering. Het gaat daarbij om een indicatie. Overigens is de brochure waar het gaat om een aantal specifieke activiteiten met milieugevolgen zeker niet compleet. Afhankelijk van de specifieke situatie kan aanvullend onderzoek nodig zijn om de risico's voor de omgeving vast te stellen en daarmee de eventuele aanvaardbaarheid van kwetsbare functies in de nabijheid van (geprojecteerde) risico-opleverende inrichtingen. Overigens kunnen plannen voor bijvoorbeeld vervangende nieuwbouw worden beoordeeld als bestaande situaties, tenzij het aantal woningen of wooneenheden wordt verhoogd. transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen Voor de inhoud van het beleid voor transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, binnenvaart en buisleidingen verwijzen wij naar de \"Handreiking externe veiligheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen\". De risico's van transportroutes worden mede bepaald door de aard en de omvang/hoeveelheid van de vervoerde stoffen. De (verkeers)veiligheid van de route speelt ook een rol. Essentieel zijn verder omgevingskenmerken als inwonersdichtheden en de afstand tot de route. Bij het projecteren van woonwijken in de nabijheid van buisleidingen, water, spoor en weg, dient de aandacht uit te gaan naar het externe veiligheidsaspect. Wij vragen in het bijzonder aandacht voor het op een correcte wijze berekenen van de inwonersdichtheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grenswaarde voor het IR is 10-6/jaar. Er moet worden voorkomen dat dichtbij woonwijken of andere plaatsen waar veel mensen aanwezig zijn, transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, of dat nieuwe en gevoelige bestemmingen te dicht bij een bestaande route voor gevaarlijk transport komen te liggen. De oriënterende waarde voor het GR, per kilometerroute, ligt op 10-4/jaar voor tien slachtoffers, 10-6/jaar voor honderd slachtoffers, 10-8/jaar voor duizend slachtoffers etc. inhoud veiligheidsparagraaf Met de veiligheidsparagraaf wordt in beeld gebracht welke risicovolle activiteiten in het plan of binnen de invloedsfeer van het plan aanwezig zijn. Het gaat om zowel de feitelijke als de potentiële risico's (op basis van latent aanwezige planologische ruimte). Als wordt gekozen voor het toestaan van een risicovolle activiteit kan dat alleen als er waarborgen zijn dat deze activiteiten tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt. De veiligheidsparagraaf geeft aan hoe dat (in het ruimtelijk plan) wordt geëffectueerd, en geeft daartoe tenminste een overzicht van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>door de gemeente verricht onderzoek rond eventuele externe veiligheidsvraagstukken (zie hieronder);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de resultaten van dat onderzoek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het overleg dat de gemeente tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft gevoerd met brandweer, andere experts en eventueel hulpdiensten op het gebied van de externe veiligheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de wijze waarop die resultaten zijn vertaald in het ruimtelijk plan. aandachtspunten voor onderzoek naar de veiligheidssituatie De aard en omvang van het onderzoek hangt sterk af van de feitelijke situatie. Als er evidente risicobronnen aanwezig zijn, zal dit moeten leiden tot verdergaand onderzoek dan wanneer dit niet het geval is. De navolgende opsomming is niet limitatief, maar geeft een aantal handvatten voor de opzet van het onderzoek:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanwezigheid in en om het plangebied van bedrijven die onder het Besluit risico's zware ongevallen vallen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aard van de inrichtingen die in en om het plangebied aanwezig zijn of kunnen worden gevestigd. Op hoofdlijnen kan worden gesteld dat vanaf categorie 3 inrichtingen, externe veiligheidsvraagstukken aan de orde kunnen zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de ligging van eventuele individuele risicocontouren (in nieuwe terminologie het plaatsgebonden risico) en de omvang van het groepsrisico als dit aan de orde is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanwezigheid van bedrijven die onder de registratieplicht (Pronk-lijst) voor risicovolle situaties inzake gevaarlijke stoffen vallen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het mogelijk optreden van cumulatie van effecten en domino-effecten op of nabij bedrijventerreinen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aan- en afvoerroutes naar bedrijventerreinen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De ligging van individuele risicocontouren langs die routes en het groepsrisico voorzover dat aan de orde is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de zonering van aangrenzende bestemmingsplannen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>ontsluiting van locaties met het oog op de toegankelijkheid voor hulpverleners en brandweer. De beschikbaarheid van bluswater;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanwezigheid van (geplande) routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. regeling bestemmingsplan Het resultaat van de inventarisatie en de afwegingen komt tot uitdrukking in de daar waar nodig gedetailleerde bestemmingen, voorschriften en zonering. kennis en expertise De kennis over externe veiligheid is verspreid over diverse organisaties en instanties. Kennis over wet- en regelgeving is te vinden bij de Ministeries van VROM en Verkeer en Waterstaat (inclusief inspecties), milieu en/of juridische afdelingen van provincies en gemeenten, maar ook industrieën, brancheorganisaties, milieuorganisaties en adviesbureaus. De echt inhoudelijke kennis over risicovolle activiteiten, kansen op ongeval, effecten en maatregelen ligt in het algemeen meer bij TNO, SAVE, AVIV, grote industrieën en brancheverenigingen, defensie, gespecialiseerde adviesbureaus, brandweer en sommige universiteiten. Gemeenten en provincies kunnen sinds kort met vragen over risico's terecht bij het Expertisecentrum voor Veiligheid en Vuurwerk. Het expertisecentrum maakt onderdeel uit van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Naast een adviserende rol gaat het centrum ook risicosituaties met gevaarlijke stoffen registreren, op kaart zetten en via internet voor iedereen toegankelijk maken. verwijzingen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Handreiking externe veiligheid voor inrichtingen. IPO, VNG/BiZa en VROM. 1996.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Handreiking externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Den Haag, 1998. \\</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Veiligheidseffectrapportage. Handleiding. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, november 2000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Septemberbrief van de minister van VROM aan de Tweede Kamer. AMvB Besluit kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Staatscourant 22 februari 2002), Vuurwerkbesluit van 1 maart 2002.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Provinciale risicokaart, veiligheidsmonitor (in voorbereiding).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Paragraaf 5.2 Wegen, kanalen, transport- en hoogspanningsleidingen. Paragraaf 5.4 Militair ruimtegebruik.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.3.9 Milieueffectrapportage 1. Bij de voorbereiding van (grotere) plannen moet worden nagegaan of een milieueffectrapportage is vereist.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de toelichting bij het ruimtelijk plan zal inzicht moeten worden gegeven in de uitkomsten, resultaten en afweging met betrekking tot het al dan niet toepassen van de milieueffectrapportage.</div>\n<p class=\"lf-p\">MER-plicht: Besluit MER In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 7) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER, 1999) is vastgelegd dat voor het ruimtelijke plan dat als eerste in de mogelijke aanleg van grootschalige projecten met belangrijke nadelige milieugevolgen voorziet, een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een dergelijke rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in het Besluit MER. Hierin wordt een onderscheid gemaakt tussen activiteiten waarbij het opstellen van MER verplicht is (onderdeel C van de bijlage bij het Besluit MER) en activiteiten waarbij het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER nodig is (onderdeel D van de bijlage). Voor deze laatste categorie wordt verwezen naar \"Afwegen en oordelen: handreiking voor de MER-beoordelingsplicht 1999.\" De gemeente dient in een zo vroeg mogelijk stadium te beslissen of zij een MER nodig vindt. Uiteraard moet deze beslissing gemotiveerd zijn. Zowel tegen de beslissing om geen MER te maken als tegen de beslissing om het wel te doen staat een beroepsgang open.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen geldt een strengere MER-plicht dan in de standaardsituatie. Dit is bijvoorbeeld het geval als de voorgenomen activiteit in een zogenaamd \"gevoelig gebied\" plaatsvindt. Een begrip dat in onderdeel A van de bijlage bij het Besluit MER wordt gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">MER-plicht: eerste ruimtelijk plan dat in de mogelijke aanleg voorziet In de praktijk is de omschrijving \"eerste plan\" voor meerdere interpretaties vatbaar. Bij het eerste ruimtelijk plan kan in beginsel gedacht worden aan streekplannen, (regionale) structuurplannen of -visies, bestemmingsplannen en artikel 19 WRO-vrijstellingen. Jurisprudentie (zie onder de verwijzingen) laat echter zien dat de MER-plicht slechts zelden voor strategische plannen geldt. Dit wordt veroorzaakt door de koppeling aan het begrip \"concrete beleidsbeslissing\" waardoor de MER-plicht vaak op gemeentelijke plannen berust. Van belang daarbij is onder meer dat in het geval dat er op strategisch niveau een MER gemaakt was, er nog niet aan de wettelijk MER-verplichting werd voldaan. afstemming MER en ruimtelijke ordening De MER-procedure regelt en stroomlijnt de aanpak van de besluitvorming door verschillende koppelingsmomenten met andere procedures. Bij het bestemmingsplan vindt de koppeling plaats bij de gezamenlijke bekendmaking van de MER en het ontwerp-bestemmingsplan. verwijzingen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>AbRS 27 januari 2000, BR 2000/488 (Structuurplan Land over de Waal), AbRS 21 december 2002; AB 2001/55 (Kernhem, gemeente Ede) en AbRS 3 mei 2001, BR 2001/124; Gst. 2001/7146, nr. 6; M en R 2002/31 (Waalsprong, gemeente Nijmegen).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Jurisprudentie milieurecht 14 september 2002, aflevering 8 bevat een handzaam overzichtsartikel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Afwegen en oordelen: handreiking voor de MER-beoordelingsplicht.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Water 4.4.1 Inleiding De aandacht voor water zit in een stroomversnelling. De invloed van water is dan ook op verschillende terreinen merkbaar: het stijgen van de zeespiegel, toenemende rivierafvoeren, meer regen en voortschrijdende bodemdaling. Bovendien wordt de ruimte voor water sterk beperkt door de verdergaande verstedelijking en de intensivering van het ruimtegebruik. De ontwikkelingen gaan verder dan alleen Nederland. Inmiddels is de EU-kaderrichtlijn water van kracht geworden. De richtlijn richt zich voornamelijk op de kwaliteit en een duurzaam gebruik van het grond- en oppervlaktewater. De Kaderrichtlijn moet nog worden geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Dat zal in 2003 zijn beslag krijgen. De gevolgen van de richtlijn zullen ook doorwerken in de ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van verschillende kanten wordt in toenemende mate aandacht gevraagd voor de afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke plannen. Zo ook in het Streekplan en het Waterhuishoudingsplan Overijssel 2000+. Het Rijk, het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen hebben in de Startovereenkomst Waterbeleid 21-ste eeuw d.d. 14 februari 2001 afgesproken om een watertoets toe te passen. Voorts wordt in 2003 een stroomgebiedsvisie opgesteld die van invloed kan zijn op ruimtelijke keuzes en ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe willen wij bereiken dat water zwaarder meeweegt in het ruimtelijk beleid? Speerpunt van beleid is dat bestemmingsplannen een waterparagraaf bevatten. De waterparagraaf geeft de uitkomst van de watertoets weer. Daarnaast dient er frequent overleg tussen gemeenten en waterschappen plaats te vinden. Dit hoofdstuk over water wordt afgesloten met de onderwerpen ruimte voor de rivier en waterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2 Verplichte samenwerking met de waterschappen 1. Het overleg met de waterschappen vindt plaats in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvoorbereiding/planvorming.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De uitkomst van het verplichte vooroverleg met de waterschappen wordt in het ruimtelijk plan weergegeven. doel van het verplichte vooroverleg Een goede afstemming van waterbeheer en ruimtelijk beleid wordt alleen bereikt door een intensieve samenwerking tussen gemeenten, waterschappen en provincie. Wij vinden een actieve betrokkenheid van het waterschap en andere waterbeheerders noodzakelijk. Een concrete en gebiedsgerichte visie van de waterschappen vergroot de kans op een goede afstemming waarbij én het watersysteem én de ruimtelijke kwaliteit worden geoptimaliseerd. Het wettelijk verplichte overleg ex artikel 10 Bro is daarvoor onvoldoende. Dat moment komt bovendien vaak te laat om nog goed rekening te kunnen houden met de kwaliteiten en kenmerken van het watersysteem. Vroegtijdig overleg, bij voorkeur vanaf het begin van het planproces, heeft de voorkeur. Doel van het overleg tussen gemeenten en waterschap is om gezamenlijk de uitgangspunten van het waterbeleid te vertalen naar concrete en gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten. De gemeenten kunnen daarbij gebruik maken van de kennis van de waterschappen. Dat kan allerlei voordelen opleveren. Het vergroot de kans dat mogelijke alternatieven of locatiekeuzes op tijd in de afwegingen worden betrokken. Wellicht zijn er besparingen mogelijk op inrichtings- en beheerskosten en kunnen kostbare planaanpassingen of maatregelen worden voorkomen. Het waterschap kan voor de gemeente interessante kansen signaleren op het gebied van recreatie, werken, de natte natuur, meervoudig ruimtegebruik zoals wonen op of aan het water etc. de waterschappen als wegbereider De waterschappen werken aan een watersysteemvisie voor de (deel)stroomgebieden. Zij geven daarin aan hoe het watersysteem functioneert, wat de (on)mogelijkheden van het systeem zijn, welke knelpunten daarin voorkomen en wat de visie is van het waterschap op het toekomstig functioneren van het watersysteem. Een dergelijke visie, bij voorkeur vertaald in een makkelijk te hanteren waterkansenkaart of functiegeschiktheidskaart, kan een stimulans zijn voor het ontwikkelen van gemeentelijk waterbeleid. Het verschaft gemeenten in ieder geval bouwstenen voor het maken van een waterplan of het opstellen van een waterparagraaf.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3 Waterparagraaf 1. In alle bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen wordt in beginsel een waterparagraaf opgenomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In de waterparagraaf wordt tenminste aandacht besteed aan een goede onderlinge afstemming tussen ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden en de waterhuishouding. In het bijzonder bij het ontwikkelen van nieuwe woon- en werkgebieden en bij het herinrichten van bestaand stedelijk gebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ruimtelijke plannen voor de groene ruimte richten zich op het voorkomen van de aantasting van de veerkracht van watersystemen en het bevorderen van het herstel daarvan in de wateraandachtsgebieden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De waterparagraaf geeft inzicht in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de plankaart en de voorschriften van het bestemmingsplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In ruimtelijke plannen die leiden tot een aantasting van onderdelen van de veerkracht van watersystemen dient de waterparagraaf uitsluitsel te geven over de wijze van compensatie. van gemeentelijk waterplan naar waterparagraaf Wij hebben alle gemeenten een handreiking voor het opstellen van gemeentelijke waterplannen ter beschikking gesteld. Het belangrijkste doel van een gemeentelijk waterplan is het bepalen en omschrijven van het gemeentelijk waterbeleid. Gemeenten met een waterplan (of watervisie) waarin alle wateraspecten terugkomen, kunnen daar bij het onderbouwen en opstellen van ruimtelijke plannen makkelijk op terugvallen. In de waterparagraaf vindt een integrale afweging plaats van water ten opzichte van andere belangen: water als onderdeel van een totale bestuurlijke belangenafweging. inhoud waterparagraaf De waterparagraaf moet vooral gaan over de afstemming tussen ruimtelijke ordening en de (ruimtelijk) relevante aspecten van duurzaam waterbeheer. In de Vijfde Nota (concept) wordt de watertoets aan allerlei ruimtelijke besluiten gekoppeld als wijzigingen in bestemmingsplannen, streekplannen, nieuwe plannen voor infrastructuur, woningbouw, bedrijventerreinen, herstructureringsplannen in stedelijk en landelijk gebied. De watertoets is bedoeld om de gevolgen van ruimtelijke plannen voor veiligheid en wateroverlast in beeld te brengen. Dit in samenhang met de gevolgen voor de waterkwaliteit en verdroging. Als negatieve effecten optreden, worden alternatieven voor het voorgestelde beleid beschreven en wordt een overzicht gegeven van compenserende en mitigerende maatregelen. Toepassing van compensatie en mitigatie is aan de orde als er geen geschikte alternatieven mogelijk zijn en realisatie van het plan maatschappelijk noodzakelijk is. De waterparagraaf geeft de resultaten van de watertoets weer. De Handreiking watertoets van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat bevat een aantal procedurele en thematische checklisten voor het uitvoeren van de watertoets.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat niet één waterparagraaf. In sommige gevallen kan worden volstaan met een zeer summiere waterparagraaf. Dat kan bijvoorbeeld als het bestemmingsplan in hoofdzaak beperkt blijft tot het vastleggen van de bestaande situatie en er geen problemen zijn ten aanzien van het waterbeheer. De opzet, omvang en inhoud van een waterparagraaf hangt onder andere af van het plangebied en de omliggende gronden, de daarbinnen voorkomende functies en de mate waarin (ingrijpende) veranderingen plaatsvinden. Een veel gemaakt onderscheid is dat in buitengebied, bestaand stedelijk gebied en nieuw stedelijk gebied. In de waterparagraaf wordt in elk geval aandacht besteed aan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>een globale beschrijving van het watersysteem binnen het plangebied en in het aangrenzende gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de volgens het waterbeleid gewenste ontwikkeling in en om het plangebied. En in hoeverre daar in het ruimtelijk plan aan tegemoet wordt gekomen. Het gaat hier om visie en beleid van het Rijk, de provincie (de mate waarin bestemmingen zijn afgestemd op het beleid van het Waterhuishoudingsplan 2000+ en de stroomgebiedsvisie), de waterschappen en de (regio)gemeenten. Het resultaat van de confrontatie ruimtelijk plan - waterbeleid wordt samengevat in een kort overzicht van overeenstemming en knelpunten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de wijze waarop eventuele knelpunten worden weggenomen. En als de knelpunten niet worden weggenomen, de motivering waarom toch voor een bepaalde bestemming of ontwikkeling wordt gekozen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de wijze waarop de gemeente haar uitgangspunten voor het waterbeleid heeft vertaald naar de plankaart en de voorschriften;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voor zover relevant wordt verwezen naar maatregelen die niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld. Dat geldt bijvoorbeeld voor (buiten het plangebied gelegen compenserende) maatregelen voor inrichting en beheer. Ook zullen soms aanvullende privaatrechtelijke overeenkomsten met projectontwikkelaars, eigenaars of gebruikers nodig zijn. beoordeling waterparagraaf Wij willen graag benadrukken dat de waterparagraaf geen doel op zich is. Het is een middel om water structureel, expliciet en inhoudelijk beter in de afweging van ruimtelijke plannen te betrekken. Wij zien dat als een groeiproces voor zowel gemeenten, waterschappen als de provincie. In de beoordeling van de waterparagrafen zullen wij daar rekening mee houden. Dat neemt niet weg dat het streekplan stelt dat overwegingen van waterkwaliteit en ook waterkwantiteit sterker moeten meewegen in het ruimtelijk beleid. Wij zullen daar nauw op toezien. Het onvoldoende geven van inzicht in de waterhuishoudkundige consequenties van ruimtelijke plannen kan voor ons aanleiding zijn om aan bestemmingsplannen goedkeuring te onthouden of een verklaring van geen bezwaar ex artikel 19 te weigeren. Een grondige beoordeling vindt in ieder geval plaats ten opzichte van de volgende onderdelen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>veiligheid, hoogwateropvang, wateroverlast en verdroging. Bij de waterkwantiteit kijken wij naar de trits: eerst vasthouden - als dat niet kan, bergen - en als het echt niet anders kan, afvoeren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de ontwikkeling van nieuwe woon- en werkgebieden en het herinrichten van bestaand stedelijk gebied. De beoordeling richt zich niet alleen op waterhuishoudkundige aspecten als de veerkracht van het watersysteem maar ook op de ruimtelijke kwaliteit, het leefmilieu, de kwaliteit van de (woon)omgeving en de duurzaamheid van het stedelijk gebied;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de duurzaamheid van watersystemen in het algemeen met als belangrijke principes: het voorkomen van verspilling - het schoonhouden van water - en het scheiden van schoon en vuil water. Zie de verschillende streefbeelden voor het waterbeheer zoals aangeduid op plankaart 2 van het Waterhuishoudingsplan 2000+;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de inzet van water ten behoeve van de groene ruimte. Niet alleen om wateroverlast te voorkomen maar ook ter bestrijding van de verdroging in de landbouw en de bescherming en ontwikkeling van belangrijke natuurwaarden in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Daarbij geldt dat aantasting van de veerkracht van het watersysteem moet worden voorkomen of dat een bijdrage wordt geleverd aan het herstel daarvan. Met het oog op dat herstel zijn op de bij het streekplan behorende afstemmingskaart wateraandachtsgebieden voor landbouw en natuur aangegeven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de consequenties van functies en bestemmingen op het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR). In het kader van de uitvoering van het provinciaal ruimtelijk beleid wordt voor alle deelgebieden binnen Overijssel het GGOR vastgesteld. Dit zal op korte termijn gebeuren. regeling bestemmingsplan: adequate bescherming van het water en het voorkomen van dubbele regelgeving</div></div>", "next": 239841}