{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij die aanvraag dient een herstelplan voor de fundering en eventuele bijkomende gebreken aan de woning (tengevolge van funderingsgebreken) te worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beoordelen vervolgens of het herstelplan voldoet en toetsen tevens of de WOZ-waarde van de woning de grens van € 236.607,- niet te boven gaat. Tevens gaan zij na of de aanvrager de woning voor 1 januari 1992 in eigendom heeft verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet de aanvrager aan de voornoemde vereisten dan volgt een verleningsbeschikking voor de stimuleringslening onder ontbindende voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat pas aanspraak op subsidie ontstaat wanneer de aanvrager een positieve kredietbeoordeling van SVn heeft verkregen: met andere woorden, de aanvrager moet de extra stimuleringslening financieel kunnen dragen. Ten tweede dient voor het aanbrengen van de nieuwe fundering een omgevingsvergunning voor bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bij het bevoegd gezag (meestal de gemeente) te worden aangevraagd en verkregen. Wordt aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan dan treedt de ontbindende voorwaarde dus in werking en wordt geen stimuleringslening verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan de hiervoor genoemde vereisten is voldaan, kan de stimuleringslening worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het stellen van financiële zekerheid, meestal in de vorm van het recht van (tweede) hypotheek op het huis, zal de lening worden gestort in een door SVn beheerd bouwdepot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na uitvoering van het funderingsherstel en uitbetaling van alle facturen van de uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot het funderingsherstel, kan de aanvrager bij gedeputeerde staten een aanvraag indienen tot vaststelling van de stimuleringslening. Hiermee wordt de exacte omvang, op basis van daadwerkelijk gemaakte kosten, uiteindelijk bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte: zolang de stimuleringslening niet is vastgesteld kan deze door gedeputeerde staten worden ingetrokken op grond van artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht. Eén van de intrekkingsgronden is bijvoorbeeld het niet voldoen aan de aan de subsidieverlening (lees: stimuleringslening) verbonden verplichtingen. Indien de stimuleringslening wordt ingetrokken is de lening direct opeisbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting bij Titel 4 Stimulering funderingsherstel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen natuurlijke personen die eigenaar van een woning zijn, gelegen in de provincie Fryslân, kunnen een aanvraag indienen voor een stimuleringslening op grond van deze regeling. Dit is tot uitdrukking gebracht in de definitie van het begrip aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie van het begrip funderingsherstel is tot uitdrukking gebracht dat de regeling beperkt is tot bouwtechnische gebreken aan houten funderingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling heeft tot doel het stimuleren van funderingsherstel van woningen met funderingsproblemen aan houten funderingen, door middel van het beschikbaar stellen van laagrentende leningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling is beperkt tot houten funderingen, omdat funderingsproblematiek zich verreweg het vaakst voordoet bij woningen gefundeerd op houten palen. Houten funderingen zijn het meest kwetsbaar ingeval van verlaging van de grondwaterstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deze regeling is de laagrentende lening een hypothecaire lening op annuïteitenbasis tegen een rente van 2% en een looptijd van 25 jaar, die aan de aanvrager na een besluit van gedepu-teerde staten kan worden toegekend. Verwezen wordt verder naar de begripsbepaling van stimuleringslening in artikel 29.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling heeft betrekking op kosten die gemaakt moeten worden voor het opheffen van bouwtechnische gebreken aan de houten fundering en de bouwtechnische gebreken aan de woning die daarmee direct samenhangen. Een voorbeeld van het laatste is scheurvorming in muren van het huis tengevolge van het (gedeeltelijk) verzakken van de fundering van het huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 32 bepaalt dat de regeling niet van toepassing is op aanvragen voor een stimuleringslening voor een woning, die op of na 1 januari 1992 in eigendom is verkregen. Tijdens de behandeling van de uitgangspunten voor de onderhavige Regeling Stimulering funderingsherstel in Provinciale Staten is verschillende keren naar voren gebracht dat de funderingsproblematiek in het Friese Veenweidegebied niet uniek is en ook verre van onbekend. Uitgangspunt is daarom dat kopers op de hoogte hadden kunnen zijn van het risico van funderingsschade. In een aantal gevallen is er bij het bepalen van de koopprijs rekening gehouden met het noodzakelijke funderingsherstel. In een dergelijk geval zou een bijdrage van de provincie de nieuwe eigenaar een dubbel voordeel opleveren. Het is praktisch gezien onmogelijk per geval te beoordelen of sprake is geweest van “voorkennis”. Dat is ook niet noodzakelijk omdat het Burgerlijk Wetboek hiervoor een houvast biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de komst van het nieuwe Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992, is daarin artikel 7:17 tweede lid opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat sinds die datum sprake is van een mededelingsplicht voor de verkoper van een woning en een onderzoeksplicht voor de koper ten aanzien van verborgen gebreken aan de woning. Daarmee is de verantwoordelijkheid van de koper geformaliseerd om zich terdege te informeren over de technische toestand van een woning, alvorens tot aankoop over te gaan. Daarom zijn woningen die na 1 januari 1992 zijn aangekocht van de Regeling Stimulering funderingsherstel uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid van artikel 32 is bepaald dat de stimuleringsregeling niet van toepassing op een woning met een WOZ-waarde hoger dan € 236.607,-. Het bedrag van € 236.607,- is de netto grenswaarde van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). De NHG-grens bedraagt sinds jaar en dag € 265.000,-: dit is het bruto bedrag, inclusief 12% kosten. De ratio achter het aansluiten bij de NHG-grens in deze regeling is dat mensen die in staat zijn om een woning boven de NHG-grens te bekostigen, voldoende zelfredzaam zijn om de kosten van funderingsherstel zelf te dragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">Funderingsonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 33 schrijft voor dat funderingsonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de “Richtlijn Onderzoek en beoordeling van houten paalfunderingen onder gebouwen” van 18 januari 2011, zoals vastgesteld door de Organisatie Onafhankelijk Onderzoek Funderingen (= brancheorganisatie F3O).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op initiatief van brancheorganisatie F3O is een richtlijn ontworpen voor het uitvoeren van funderingsonderzoek, omdat de noodzaak hiertoe al vele jaren in de branche gevoeld werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Funderingsherstel heeft een grote impact op de financiële situatie van de eigenaren. Goed inzicht in de kwaliteit van een houten paalfundering is daarom erg belangrijk. Die kwaliteit kan bepaald worden door een funderingsonderzoek. Een uniforme richtlijn voor het uitvoeren van funderingsonderzoek kan het vertrouwen in de kwaliteit van het onderzoek vergroten en kan een rol spelen in het vergemakkelijken van een overdracht van het pand en kan onterechte sloop of niet noodzakelijk funderingsherstel voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén richtlijn omdat het funderingsonderzoek vaak over een oude en momenteel niet meer ontworpen constructie gaat die in vele opzichten buiten de bestaande regelgeving valt en waarvan de beoordeling een specifieke en complexe zaak is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2003 is in opdracht van het ministerie van VROM door een aantal branchepartijen een protocol voor de uitvoering van een funderingsinspectie opgesteld. De uitvoering van een funderingsinspectie is vaak een onderdeel van een funderingsonderzoek. De inhoud van het VROM-protocol 2003 is in de F3O richtlijn geïntegreerd en geactualiseerd naar de laatste stand van de kennisopbouw. Verder is voor de F3O-richtlijn zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande documenten handelend over houten paalfunderingen (Amsterdam 2009, SBR 2007 en 2010, Gemeentewerken Rotterdam 2008, Wattjes 1922).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgeschreven F3O richtlijn is momenteel de “state-of-the-art” op het terrein van funderingsonderzoek en wordt door alle gerenommeerde onderzoeksbureaus toegepast. De richtlijn is opgesteld door een interdisciplinair team van wetenschappers en praktijkmensen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SVn voert de Regeling stimulering funderingsherstel voor de provincie Fryslân uit. Voor het afsluiten van een stimuleringslening worden door SVn kosten in rekening gebracht. Dit geldt eveneens voor de kosten van het uitvoeren van de kredietbeoordeling en voor het beheer van het bouwdepot door SVn. Al deze kosten kunnen worden ondergebracht in de stimuleringslening. Legeskosten die door de gemeenten worden gevraagd voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van het funderingsherstel, kunnen tevens onder de stimuleringslening worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoekskosten voor het vaststellen van funderingsproblemen kunnen slechts onder de stimuleringslening worden gebracht, indien daadwerkelijk een stimuleringslening wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht de aanvraag voor een stimuleringslening worden afgewezen (bijvoorbeeld vanwege onvoldoende financiële draagkracht), dan komen deze kosten dus voor rekening van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het funderingsonderzoek leidt tot de vaststelling dat er geen sprake is van paalrot, dan komen de kosten van het onderzoek eveneens voor rekening van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleidingskosten van bijvoorbeeld een bureau voor het indien van een aanvraag, kunnen tevens onder de stimuleringslening worden gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag, verdeelsystematiek en beslissing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanvragen van de stimuleringslening dient een aantal bescheiden aan gedeputeerde staten te worden overgelegd. Dit betreft onder andere een uitvoeringsplan voor het funderingsherstel en een kopie van de eigendomsoverschrijving van de woning uit het kadastrale register. Dit laatste is van belang om te kunnen vaststellen of de woning eventueel op of na 1 januari 1992 in eigendom is verkregen. Als dat het geval is dan kan geen stimuleringslening verstrekt worden (zie ook de toelichting bij artikel 32).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hebben voor de gehele periode 2012 tot en met 2016 de subsidieplafonds per jaar vastgesteld. Bedoelde plafonds worden voorafgaand aan elk kalenderjaar gepubliceerd. Dit is het bedrag dat gedurende dat kalenderjaar beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift (aldus artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen kunnen gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend. Voor deze aanvraag geldt het voor dat jaar geldende subsidieplafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst afgehandeld, dus volgens het beginsel “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Mocht op een bepaalde dag het subsidieplafond worden overschreden, en er op die dag meerdere aanvragen binnengekomen zijn, dan wordt door loting beslist welke aanvragen afgehandeld kunnen worden (artikel 35, vijfde lid). De aanvraag telt overigens pas mee wanneer deze compleet is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdregel luidt dat gedeputeerde staten binnen 12 weken een besluit op de aanvraag tot subsidieverlening nemen. Genoemde termijn kunnen zij eenmalig met ten hoogste 8 weken verlengen, in welk geval de uiterste beslistermijn 20 weken bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel somt de weigeringsgronden op. Indien gedeputeerde staten tot het oordeel komen dat de bouwtechnische voorzieningen in het kader van het uit te voeren funderingsherstel niet als sober en doelmatig kunnen worden gezien, dan wordt de aanvraag geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningen dienen na het uitvoeren van het funderingsherstel nog minimaal 25 jaren mee te kunnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bekend is dat een woning op de nominatie staat op een gegeven gesloopt te gaan worden, dan zal de stimuleringslening geweigerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het totaalbedrag van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 37 onder d, lager is dan € 2.500,- zal de stimuleringslening geweigerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening onder ontbindende voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip voorwaarde moet hier worden gelezen in de betekenis van artikel 6:21 van het Burgerlijk Wetboek: de werking van een rechtshandeling wordt afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Ontbindende voorwaarde wil zeggen dat de aanspraak op subsidieverlening vervalt indien een onzekere toekomstige gebeurtenis intreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontbindende voorwaarden worden tevens door gedeputeerde staten in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, omdat alleen in dat geval gedeputeerde staten zich daadwerkelijk op de ontbindende voorwaarden kunnen beroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span><span class=\"lf-art-t\">Stimuleringslening en betaalbaarstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een positieve kredietbeoordeling van het SVn is verkregen en de gemeente een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van het funderingsherstel heeft verleend, kan de stimuleringslening betaalbaar worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het passeren van de hypotheekakte bij de notaris wordt het bedrag van de stimuleringslening in een bouwdepot gestort. Uitbetaling vindt plaats op basis van door gedeputeerde staten goedgekeurde facturen van uitgevoerde werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht er na uitvoering van alle werkzaamheden blijken dat er nog middelen in het bouwdepot zitten, dan worden deze in mindering gebracht op de stimuleringslening (nadat uiteindelijk de subsidievaststelling heeft plaatsgevonden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager van een stimuleringslening is verplicht financiële zekerheid te stellen voor de toe te wijzen stimuleringslening. Meestal zal dit gebeuren in de vorm van het recht van hypotheek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin het wenselijk is een andere vorm van zekerheid te vragen. Voorbeeld is het pandrecht op een bankrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De looptijd van de stimuleringslening bedraagt 25 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerplichtingenEen belangrijke verplichting in artikel 40 is de actieve meldplicht van de aanvrager met betrekking tot afwijkingen ten opzichte van het ingediende herstelplan. Achterliggende reden voor het opnemen van deze verplichting is dat gedeputeerde staten ten allen tijde moeten kunnen beoordelen of de afwijkingen wel stroken met het achterliggende doel van het verstrekken van de stimuleringslening, namelijk het herstellen van de fundering en de daarmee samenhangende gebreken aan de woning</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de subsidieverlening (in de vorm van een subsidieverleningsbeschikking) volgt op een gegeven moment de subsidievaststelling (afdeling 4.2.5 Awb). Met de term subsidievaststelling duidt de Algemene wet bestuursrecht een tweede beschikking aan waarin wordt vastgesteld in hoeverre de voorwaarden zijn vervuld en hoeveel het exacte subsidiebedrag bedraagt. Met de subsidievaststelling wordt dus vastgesteld of de gesubsidieerde activiteit is verricht (m.a.w. is het funderingsherstel uitgevoerd) en of de aan de bij de subsidieverlening opgelegde verplichtingen is voldaan. De beschikking tot subsidievaststelling geeft daarmee een onvoorwaardelijke en definitieve aanspraak op een bepaald bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij Titel 5: Stimuleringsregeling monumenten 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Toelichting Inleiding Op basis van de Nota Erfgoed 2010-2013 wordt er jaarlijks een stimuleringsregeling opgesteld voor het stimuleren van restauratie, onderhoud en bouwhistorisch onderzoek van monumenten. Aan eigen provinciale middelen is ruim € 1.000.000,-- beschikbaar. De regeling voor 2012 sluit voor een deel aan op de Uitvoeringsregeling 2011 dat zich heeft gericht op rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Er zijn 2 grote verschillen met de regeling van 2011. Dit betreft de inzet van de gedecentraliseerde rijksmiddelen voor restauratie en de aandacht voor herbestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Decentralisatie rijksmiddelen voor restauratieDe restauratiemiddelen van het Rijk zijn per juli 2012 gedecentraliseerd naar de provincie. Op 5 maart 2012 is hierover een bestuursovereenkomst ondertekend tussen Rijk en IPO. Het verdelingsvoorstel is op 19 april door het IPO-bestuur vastgesteld. In 2014 wordt de decentralisatie geëvalueerd. Voor Fryslân betekent dit dat er jaarlijks een bedrag van bijna € 1,5 miljoen extra beschikbaar is voor de restauratie van rijksmonumenten. In de Nota Erfgoed was deze samenwerking in het kader van de Modernisering Monumentenwet al aangekondigd. Tezamen met de provinciale middelen zullen deze rijksmiddelen worden gebundeld in één regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restauratie in combinatie met herbestemmingIn het Coalitie- en Uitvoeringsakkoord is aangegeven dat er steeds meer karakteristieke gebouwen zonder maatregelen leeg komen te staan en te maken krijgen met achterstallig onderhoud. Het provinciebestuur wil de restauratie en het vernieuwend hergebruik van karakteristieke gebouwen stimuleren. Dit sluit ook aan op één van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg door het Rijk. Gelet op de beleidsmatige aandacht voor herbestemming wordt voorgesteld een fors deel van het beschikbare budget voor restauraties in combinatie met herbestemming te besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aandacht voor herbestemming sluit ook aan op het uitvoeringsprogramma streekplan 2011-2014 en het programma ruimtelijke kwaliteit. Hierin is het project Erfgoedparels opgenomen. Dat zich richt op locaties die in onbruik zijn, leeg staan of verpauperen. Een actievere provinciale rol kan ertoe bijdragen dat op grotere schaal locaties worden aangepakt en herontwikkeld. In 2013 zal deze inzet worden geïntensiveerd. Hierin wordt samengewerkt met de provincies Groningen en Drenthe en met het Rijk (Visie Erfgoed en Ruimte) om tot een gezamenlijke aanpak te komen. Instrumenten waar aan wordt gedacht zijn een digitaal meldpunt, herbestemmingsverkenningen, makelen en schakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als karakteristieke panden worden naast rijksmonumenten de volgende categorieën aangemerkt: a. gemeentelijke monumenten; b. panden die zijn geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) mits de gemeente heeft verklaard dat het pand van cultuurhistorische waarde is; c. panden die door gemeenten als karakteristiek of beeldbepalend zijn aangemerkt in het bestemmingsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het vertrekpunt van de nota Erfgoed en de gedecentraliseerde rijksmiddelen restauratie is, dient het plan te zijn gecombineerd met een restauratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbestemmingen van monumenten gaan gepaard met hoge investeringskosten. Om toch tot een exploitabel beheer te kunnen komen wordt een subsidie verstrekt voor de restauratiekosten en de transformatiekosten. Deze transformatiekosten hebben uitsluitend betrekking op de bouwkundige ingrepen die nodig zijn om het pand te transformeren naar een nieuwe functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbestemmingen van monumentale panden zijn vaak complex en vaak niet snel te realiseren. Daarom is in deze regeling gekozen voor een ruime termijn van indiening. Voor het budget 2012 kan tot 31 december 2012 ingediend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringsregeling De uitvoeringsregeling wordt gebaseerd op de Subsidieverordening Ruimte. Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid deze uitvoeringsregeling vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg In de lijn van “De mienskip op ien” is er over de subsidieregeling met monumentenorganisaties, gemeenten en het Rijk overleg gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdkeuzes Binnen de uitgangspunten van de Nota Erfgoed zijn de volgende algemene keuzes gemaakt. Vele daarvan sluiten aan op de regeling van 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de beleidsmatige aandacht voor herbestemming is een fors deel van het beschikbare budget voor restauraties in combinatie met herbestemming beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor restauratie zonder herbestemming wordt uitsluitend verstrekt voor restauraties van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Gelet op het beperkte budget wordt er in het verlengde van de regeling van 2011 gekozen voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksmonumenten, als zijnde van evident provinciaal belang. Daarmee wordt bestaand beleid op hoofdlijnen voortgezet voor ca. 80% van de subsidieverzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke monumenten. Deze keuze is gemotiveerd op grond van: de waarborg van een gemeentelijk vergunningstelsel. Voor restauratie of wijziging aan een gemeentelijk monument is een gemeentelijke vergunning vereist. de ‘koöperaasjegedachte’. Op deze wijze wordt beoogd het gemeentelijk monumentenbeleid te stimuleren en gezamenlijk in te zetten voor het behoud van het Friese erfgoed. efficiëntie: door de subsidiebeschikkingen van de gemeente als uitgangspunt te nemen worden de provinciale bestuurslasten verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor onderhoud van rijksmonumenten wordt niet verleend. Alleen voor molens, die zijn aangewezen als rijksmonumenten, is ook subsidie voor onderhoud mogelijk, afgestemd op het BRIM. Voor gemeentelijke monumenten is naast restauratie ook voor onderhoud subsidie mogelijk. Het onderhoud wordt uitgevoerd op basis van een zesjarig instandhoudingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor restauratieaanvragen wordt gekozen voor een financiële ondergrens voor de subsidiabele kosten. Voor kerken wordt deze bepaald op € 70.000,-- en overige monumenten op € 50.000,--. Alles gerekend binnen een instandhoudingsperiode van 6 jaar. Aanvragen met subsidiabele kosten hieronder komen niet voor subsidie in aanmerking. De redenen om hiervoor te kiezen zijn de volgende. het onderscheid tussen onderhoud’ en restauratie is lastig te maken en wordt ook niet meer gehanteerd in het Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten (BRIM). In de systematiek van het BRIM hebben aanvragen betrekking op “instandhouding” en kunnen zowel worden ingediend voor ‘reguliere werkzaamheden en/of beperkt herstel’ (lees: ‘onderhoud en een beetje restauratie’) of als ‘incidenteel ingrijpend herstel en/of een grote ingreep naast reguliere werkzaamheden’ (lees: ‘restauratie of wijziging en onderhoud’). Een financiële grens geeft juridische duidelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de BRIM 2012 ligt de maximale subsidie op € 100.000 voor kerkgebouwen en € 50.000 voor overige monumenten. Gelet op het beperkte budget krijgen aanvragen met de minste kosten voorrang. Naar verwachting zal het “omslagpunt” ergens tussen de € 70.000 en € 80.000 uitkomen. Aanvragen hieronder zullen waarschijnlijk een BRIM subsidie krijgen, indien ze ook aan de andere criteria voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in de provinciale regeling gekozen wordt voor de genoemde financiële ondergrenzen zullen aanvragen onder dit bedrag een meer onderhoudsmatig karakter krijgen. Onderhoud is, behoudens de genoemde uitzonderingen, niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het budget is beperkt en de aanvragen naar verwachting groot. Het voorkomen van het in grote getale afwijzen of uitloten van aanvragen moet worden voorkomen. De nadruk dient te liggen op de plannen met het grootste restauratiekarakter. Dit vraagt om een relatief hoge financiële ondergrens. Gelet op de afspraken tussen Rijk en IPO wordt een scheiding tussen restauratie en reguliere instandhouding beoogd. De bedragen onder de financiële ondergrenzen worden beschouwd als meer onderhoudsmatig en een rijksverantwoordelijkheid waar de provincie niet aan bijdraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhandeling van subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen subsidie voor woonhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonhuizen zijn meestal monumenten met een economisch rendabele functie. Eigenaren van woonhuis-rijksmonumenten kunnen bovendien de kosten van onderhoud fiscaal aftrekken. In veel gevallen van deze groep bestaat verder de mogelijkheid een laagrentende lening af te sluiten via het Nationaal Restauratiefonds. groene en archeologische monumenten worden niet gesubsidieerd. Monumentaal groen als onderdeel van een ensemble met een gebouwde buitenplaats is wel subsidiabel. Voor werkzaamheden aan groene en archeologische monumenten kan eventueel een beroep worden gedaan op de Subsidieverordening van het Provinciaal Meerjaren Programma Fryslân 2009 (pMJP).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgesloten voor subsidieaanvraag zijn overheden. Geen subsidie wordt verleend voor monumenten in eigendom van overheidsorganen als provincie, gemeente, waterschap. Van overheden mag worden verwacht dat zij de gebouwen in hun bezit, binnen de exploitatie van de organisatie in stand houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen uitsluiting meer van monumenten binnen bebouwde kommen. Hiervoor wordt gekozen omdat er vanwege de decentralisatie ook een verantwoordelijkheid wordt gezien voor de restauratie van rijksmonumenten binnen de bebouwde kom. In de regeling voor 2011 gold de uitsluiting van de bebouwde kom, behoudens kerkgebouwen, molens en buitenplaatsen. De reden hiervoor was de focus van het provinciale beleid op het “buitengebied.” Ook de wettelijke adviesmogelijkheid voor gedeputeerde staten ligt buiten de bebouwde kom in een aantal specifieke gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie te stellen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">15% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 45.000 voor rijksmonumenten indien er voor dezelfde activiteiten een BRIM-beschikking is verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">60 % van de subsidiabele kosten voor restauratie van rijksmonumenten met een maximum van € 400.000,--;</p>\n<p class=\"lf-p\">35% van de subsidiabele kosten voor restauratie en onderhoud van gemeentelijke monumenten met een maximum van € 45.000,--;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de subsidiabele kosten voor restauraties met herbestemming van rijksmonumenten met een maximum van € 400.000 en waarbinnen het aandeel voor de herbe-stemming niet groter mag zijn dan € 200.000. Voor een maximum van € 200.000 voor het transformatiedeel is gekozen omdat gelet op de nota erfgoed en de overeenkomst over de decentralisatie, binnen het totale budget van de regeling het zwaartepunt op restauratie ligt. Bovendien wordt eventuele staatsteun voorkomen vanwege de maximale de-minimis van € 200.000 in drie jaar voor andere dan restauratiewerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000 restauraties met herbestemming indien dit een niet-rijksmonument betreft. Voor een maximum van € 200.000 is gekozen omdat gelet op de nota erfgoed en de overeenkomst over de decentralisatie, het zwaartepunt op rijksmonumenten ligt. Bovendien wordt eventuele staatsteun voorkomen vanwege de maximale de-minimis van € 200.000 in drie jaar voor niet formeel aangewezen monumenten. een aanvraag kan alleen worden ingediend wanneer er voor de activiteit een omgevingsvergunning is aangevraagd, voorzover er sprake is van een vergunningplichtige activiteit. Dit ter stimulering van uitvoerbare plannen van goede kwaliteit. Als verplichting geldt dat de vergunning binnen een jaar na de subsidieverlening moet zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke budgetten voor stichtingen Alde Fryske Tsjerken en Fryske Mole Voor restauraties van objecten van deze twee provinciale aangewezen organisaties gelden specifieke budgetten (elk € 150.000,--), gelet op hun bijzondere positie van provinciaal belang. Deze bijzondere positie is ook in de bestuursovereenkomst tussen Rijk en IPO over de decentralisatie van de restauratiemiddelen benoemd. Omdat vooraf al duidelijk is voor wie deze budgetten bedoeld zijn, worden deze buiten deze regeling gehouden en apart verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budget en subsidieplafondsTotaal te besteden: 2,5 miljoen De dekking is:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bijna 1,5 miljoen aan gedecentraliseerde rijksmiddelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ruim 1,0 miljoen aan strukturele middelen monumentenzorg en tijdelijke middelen Nota Erfgoed waaronder het Deltaplan Fryske Tsjerken.</div>\n<p class=\"lf-p\">De regeling bestaat uit vier categorieën met bijbehorende subsidieplafonds. Hierbij is rekening gehouden met provinciale beleidsaccenten, afspraken met het Rijk en de uitkomsten van het overleg met monumentenorganisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het gedecentraliseerde rijksgeld alleen besteed mag worden aan rijksmonumenten worden deze apart onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals genoemd gelden er specifieke budgetten voor de Stichtingen Alde Fryske Tsjerken en de Stichting Fryske Mole.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Restauratie met herbestemming (€ 1.000.000) 1 rijksmonumenten € 700.000 2. niet-rijksmonumenten € 300.000 B. Restauratie rijksmonumenten (€ 1.300.000):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>rijksmonumenten € 1.000.000 C. Onderhoud rijksmonumentale molens € 90.000 D. Restauratie en onderhoud gemeentelijke monumenten € 100.000 E. Bouwhistorisch onderzoek € 10.000 Specifieke budgetten buiten de regeling om:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rijksmonumenten Stichting Alde Fryske Tsjerken € 150.000</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rijksmonumenten Stichting Fryske Mole € 150.000 Totaal € 2.500.000Artikelsgewijze toelichting bij Titel 5: Stimuleringsregeling monumenten 2012</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenIn de begripsomschrijvingen wordt zoveel mogelijk aangesloten op de begripsomschrijvingen en toelichting van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (BRIM) 2011, of wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De definities gelden zowel voor rijksmonumenten als niet-rijksmonumenten. Voor enkele begrippen is een nadere toelichting opgenomen Boerderij: In deze definitie wordt uitgegaan van het bedrijfscomplex van hoofdgebouw en bijgebouwen op het boerenerf, zoals bijschuren, stookhut, wagenloodsen, kleinveestallen zoals is bepaald in de registeromschrijving van het gemeentelijke monument of rijksmonument. Ook het woonhuisgedeelte valt onder de boerderij. Daarbij maakt het niet uit dat het vrij staat of aan het bedrijfsgebouw is vast gebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhistorisch onderzoek: is maatwerk en specialistenwerk en kan drie gradaties van diepgang hebben: een bouwhistorische inventarisatie voor een stedenbouwkundig ensemble, of een bouwhistorische opname (variërend van een verkenning op hoofdlijnen tot een nauwkeurige analyse van bouwfasen en waardestelling). Een bouwhistorische ontleding is vaak pas mogelijk door destructief onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbestemming: vestiging van een andere dan de huidige functie of verbreding van de huidige functie waarbij door deze vestiging of verbreding, de oorspronkelijke functie in overwegende mate wijzigt. Van een andere functie is in ieder geval sprake in het geval van een planologische functiewijziging. Maar dit is niet maatgevend, aard en omvang spelen ook een rol. Ook een wijziging van kerkelijk naar multifunctioneel gebruik door een dorpsstichting of stichting Alde Fryske tsjerken, wordt beschouwd als een functiewijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hierbij het kerkelijke gebruik wel voor een deel blijft kan in dit geval ook sprake zijn van een verbreding waarbij de oorspronkelijke functie in overwegende mate wijzigt. Om van een herbestemming te spreken dienen er dan wel meer niet-kerkelijke dan kerkelijke bijeenkomsten te worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Industrieel erfgoed: onder dit ruime begrip wordt verstaan onroerend goed dat oorspronkelijk is gebouwd en bestemd voor handel, bedrijvigheid en transport, zoals pakhuizen, fabrieken, kantoorgebouwen, warenhuizen, stationsgebouwen, alsook bouwwerken van techniek, zoals sluizen, bruggen, gemalen, transformatorgebouwtjes, watertorens, vuurtorens e.d., maar ook: machines voor zover onroerend door bestemming, bijvoorbeeld machines voor het aandrijven van pompen in een gemaal en voor zover deze onderdeel uitmaken van het monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerk: Bij kerken gaat het om gebouwen die in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel zijn vervaardigd voor de gezamenlijke belijdenis van de godsdienst of levensovertuiging. Het gaat dus uitsluitend om die gebouwen waarin zich de ruimte bevindt waar deze gezamenlijke belijdenis plaatsvond of plaatsvindt. Het huidige gebruik van kerken is niet van belang. Kerktorens, klokkenstoelen, ringmuren en hekwerk rondom kerkgebouwen worden voor de toepassing van stimuleringsregeling tot de kerken gerekend. Met een hekwerk rond kerk worden bedoeld de hekwerken welke een fysieke erfscheiding vormen tussen het perceel waarop de kerk is gebouwd en de aangrenzende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graf-, en rouwkapellen, catechisatielokalen en dergelijke worden niet gerekend tot de categorie ‘kerk’ maar tot de categorie ‘overige monumenten’, óók als ze met een kerk onder één monumentnummer staan geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kloosters geldt de kloosterkapel of kloosterkerk als kerkgebouw in de zin van de stimuleringregeling, indien deze is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouwen zoals pastorieën, kosterswoningen en dergelijke worden altijd aangemerkt als woonhuis, ook als ze met een kerk onder één monumentnummer staan geregistreerd. Het betreft dan een zelfstandig onderdeel dat is uitgesloten voor de subsidiëring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monument: De exacte omvang van een monument wordt bepaald door de omschrijving in het register van rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reconstructie: Het gaat hierbij om het, naar een vroegere gedaante, vervaardigen van onderdelen die niet meer in situ zijn aangetroffen in de bestaande toestand en die in de ontwikkelingsgeschiedenis van het bouwwerk zijn verdwenen. Het gaat daarbij niet om onderdelen in situ die zijn versleten en opnieuw moeten worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restauratie Opleidings Project (ROP): Dit is een landelijk project dat op regionaal niveau wordt uitgevoerd. De coördinatie hiervan in de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe gebeurt via de Vereniging Restauratie Noord (VRN). Het ROP biedt leerling-timmerlieden en -metselaars de mogelijkheid om onder leiding van ervaren leermeesters bij de uitvoerende leerbedrijven in praktijkopleidingsplaatsen op restauratieprojecten zich te ontwikkelen in het ambacht, zodat het vakmanschap voor de toekomst behouden blijft. De coördinator ROP brengt leerlingen en restauratieprojecten bij elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatie: de bouwkundige werkzaamheden die nodig zijn om het monument geschikt te maken voor een herbestemming. Inrichtingszaken of andere roerende zaken vallen hier niet onder. Bij de regeling wordt een limitatieve lijst gevoegd om duidelijk te maken welke activiteiten subsidiabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonhuis: Onder woonhuizen vallen in de eerste plaats beschermde monumenten die in oorsprong geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd voor bewoning. Het gaat hier dus, behalve om monumenten die geheel als woonhuis zijn vervaardigd, ook om monumenten met in oorsprong gemengde functies, zoals: wonen/horeca, wonen/kantoor, wonen/pakhuis, wonen/werken en wonen/winkel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast vallen er beschermde monumenten onder, die oorspronkelijk een ándere functie dan bewoning hadden, maar die nu voor meer dan de helft (in m²) voor bewoning in gebruik zijn. Kelders, zolders, bergingen en garages worden hierbij aangemerkt als ruimtes met een woonfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot worden bepaalde beschermde monumenten nooit als woonhuis aangemerkt, ook niet als ze thans worden bewoond. Dit zijn woonhuizen die als museum zijn geregistreerd, kerkgebouwen, kastelen, paleizen, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens. Voor dergelijke monumenten is meestal sprake van een grotere instandhoudingsopgave in relatie tot de exploitatiemogelijkheden dan bij andere monumenten. Dit hangt samen met hun omvang, constructiewijze of de aanwezigheid van specifieke monumentale waarden die de gebruiksmo-gelijkheden beperken. Beschermde monumenten die in oorsprong als woonhuis zijn vervaardigd en die geregistreerd staan in het Nederlands Museumregister, worden niet aangemerkt als woonhuis. De eigenaren van deze monumenten – vaak stichtingen – hebben veelal geen recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten, en bovendien beperkte inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig onderdeel: Gebouwde monumenten kunnen bestaan uit één ondeelbaar geheel of uit meerdere zelfstandige onderdelen. Het komt regelmatig voor dat er wel zelfstandige onderdelen te onderscheiden zijn. In dergelijke gevallen kan de eigenaar ook voor één of meer van deze zelfstandige onderdelen een subsidie aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip worden de twee mogelijkheden aangeven waarbij sprake is van een zelfstandig onderdeel. Het begrip ‘monument’ betreft in de Stimuleringsregeling restauratie, onderhoud en bouwhistorisch onderzoek aan monumenten 2012 zowel het beschermde monument, als een of meer zelfstandige onderdelen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip ‘zelfstandige bouwkundige eenheid’ wordt hetzelfde verstaan Als in artikel 1 toelichting van het Besluit van 27 september 2010, houdende regels met betrekking tot de financiële ondersteuning van eigenaren van beschermde monumenten ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 (Staatsblad 2010, 708).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ReikwijdteDe subsidieregeling is bedoeld voor restauratie, herbestemming, onderhoud en bouwhistorisch onderzoek van monumenten. In artikel 47 Subsidiabele activiteiten en artikel 56 Weigeringsgronden, worden de categorieën nader ingeperkt. Deze inperkingen worden voor een groot deel in de Algemene Toelichting toegelicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: Restauratie in combinatie met herbestemming In de algemene toelichting is restauratie in combinatie met herbestemming al toegelicht. Het dient te gaan om plannen waarbij een restauratie wordt gecombineerd met een herbestemming. Bij herbestemming dient het te gaan om de vestiging van een andere dan de huidige functie of verbreding van de oorspronkelijke functie waarbij deze in overwegende mate wijzigt. In de toelichting op artikel 45 wordt dit nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2: ondergrens restauratie Een aanvraag voor restauratie in combinatie met herbestemming dient een restauratiedeel van voldoende omvang te bevatten. Zoals genoemd in de algemene toelichting wordt de ondergrens voor restauratie gelegd op € 70.000 voor kerken en € 50.000 voor overige monumenten, te berekenen aan subsidiabele kosten gedurende de instandhoudingsperiode van 6 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: onderhoud van rijksmonumentale molens Gelet op de primaire verantwoordelijkheid van het rijk wordt hier alleen een subsidie verstrekt indien er ook een rijkssubsidie is verstrekt op grond van het BRIM in de periode 2006 tot en met 2012. Voor de oudere perioden is gekozen omdat op basis van eerdere aangegane ver-plichtingen molens ook achteraf, na uitvoering, nog subsidie mogen aanvragen voor de jaren 2011 en 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4: restauratie en onderhoud van gemeentelijke monumenten Een provinciale bijdrage is alleen mogelijk indien burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het monument is gelegen een subsidie hebben verstrekt in 2009, 2010 of 2011 voor restauratie of onderhoud van het betreffende object. Een lening wordt niet als zodanig aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 t/m 4: zelfstandig onderdeel van een monument Gelet op de definitie van de verschillende typen monumenten is ook een aanvraag voor een zelfstandig onderdeel van een monument, bv. een toren of een orgel, een subsidiabele activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5: het uitvoeren van bouwhistorisch onderzoek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid heeft betrekking op aanvragen van bouwhistorisch onderzoek die niet zijn opgenomen in een aanvraag voor restauratie met of zonder herbestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt beoogd het bouwhistorisch onderzoek in een zo’n vroeg mogelijk stadium van de planvorming te stimuleren. Daarmee kunnen de monumentale waarden tijdig worden gesignaleerd en in de planvorming worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag voor bouwhistorisch onderzoek wordt afgewezen, indien het bouwhistorisch onderzoek al onderdeel uitmaakt van een ingediende aanvraag voor restauratie met of zonder herbestemming. Het is dus ook niet toegestaan de kosten voor het bouwhistorisch onderzoek ‘los te weken’ uit de subsidiabel gestelde kosten en daarmee een afzonderlijk verzoek in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de systematiek, de vorm, de omvang en de wijze van verslaglegging van bouwhistorisch onderzoek wordt als leidraad gehanteerd L. Hendriks en J. van der Hoeve, Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting bouwhistorie Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst uit 2009. Zie ook artikel 23.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten voor restauratie in combinatie met herbestemming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: restauratie Voor het bepalen van de subsidiabele kosten worden de rijksrichtlijnen gebruikt. Deze zijn bepaald in artikel 2 van de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 en gespecificeerd in de bijbehorende Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten BRIM 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: transformatie Herbestemmingen van monumenten gaan gepaard met hoge investeringskosten. Om toch tot een exploitabel beheer te kunnen komen wordt een subsidie verstrekt voor de restauratiekosten en de transformatiekosten. Deze transformatiekosten hebben uitsluitend betrekking op de bouwkundige ingrepen die nodig zijn om het pand te transformeren naar een nieuwe functie. Deze activiteiten worden limitatief omschreven in bijlage 2 behorende bij deze subsidieregeling. Kosten die betrekking hebben op de (nieuwe) inrichting of andere roerende zaken zijn niet subsidiabel in het kader van deze regeling. Hiervoor zijn in bepaalde gevallen mogelijkheden binnen de subsidieregeling voor Plattelandsprojecten (pMJP). Ook herbestemmingen zonder restauratie kunnen bij het pMJP terecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een herbestemming naar wonen dient te bestaan uit tenminste drie woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 en 5: aftrek onderhoudsdeel Zie onder artikel 49</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten voor restauratie en onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 restauratie en/of onderhoud Voor het bepalen van de subsidiabele kosten worden de rijksrichtlijnen gebruikt. Deze zijn bepaald in artikel 2 van de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 en gespecificeerd in de bijbehorende Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten BRIM 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 gemeentelijke monumenten Alleen die kosten die de gemeente voor de verstrekking van subsidie in aanmerking heeft genomen worden subsidiabel gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 en lid 4 Aftrek van onderhoudsdeel en eventuele vermindering van de aftrek Om het onderhoudsdeel te onderscheiden van het restauratiedeel wordt op basis van dezelfde bedragen als hiervoor genoemd, een standaard aftrek toegepast van € 70.000,-- voor kerken en voor overige monumenten € 50.000,--. Dit gerekend over een instandhoudingsperiode van 6 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat aanvragers hun plannen hebben opgesplitst. Bijvoorbeeld het onderhoudsdeel met een relatief laag subsidiabel bedrag is ingediend voor de BRIM en het restauratiedeel wordt ingediend bij de provincie. Het toepassen van de aftrek op het restauratiedeel door de provincie zou in dat geval niet terecht zijn. Het onderhoudsdeel wordt immers niet ingediend en op een andere wijze gefinancierd. Indien de aanvrager met een instandhoudingsplan van 6 jaar aantoont dat het onderhoudsdeel niet in de aanvraag bij de provincie zit maar op een andere wijze wordt gefinancierd, dan wordt de aftrek verminderd of geheel geschrapt met het bedrag dat voor dat onderhoud in het instandhoudingsplan is opgenomen. Eén en ander afhankelijk van de grootte van het onderhoudsbedrag dat in het instandhoudingsplan zit. Voorwaarde is wel dat de bij de provincie aangevraagde restauratiewerkzaamheden vallen binnen dezelfde periode als die van het instandhoudinsplan waarin de andere onderhoudswerkzaamheden zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 molens Omdat het onderhoud van rijksmonumentale molens wel subsidiabel is, is de aftrek niet van toepassing op molens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele kosten voor bouwhistorisch onderzoekVoor de opzet van het bouwhistorisch onderzoek wordt als leidraad gehanteerd L. Hendriks en J. van der Hoeve, Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting Bouwhistorie Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst uit 2009 Het kostenoverzicht voor het bouwhistorisch onderzoek dient te worden aangeleverd in een nader gespecificeerde offerte voor de volgende onderdelen: voorbereidingskosten, documentatieonderzoek aan het object, doelgericht archief- en literatuuronderzoek, kosten van derden, reiskosten, rapportagekosten en algemene bedrijfskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang, detaillering en vormgeving van het rapport zijn sterk afhankelijk van de aard van het onderzoek en de onderzoeksvraagstelling. Een bouwhistorische inventarisatie verschilt van een bouwhistorische verkenning, of een bouwhistorische opname, of bouwhistorische (deel-)analyse, maar bevat de volgende componenten, die tot de subsidiabele kosten worden gerekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereidingskosten Met deze kosten worden bedoeld de kosten voor het opstellen van een Plan van Onderzoek, waarin het onderzoeksniveau, de uitgangspunten en diepgang van het onderzoek zijn vastgelegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Documentatiewerkzaamheden Onder de subsidiabele, materiële documentatiewerkzaamheden worden gerekend: opmetin-gen, waarneming/veldwerk, fotografie) van het onderzochte bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur- en archiefonderzoek Onder het subsidiabele literatuur- en archiefonderzoek wordt verstaan: doelgericht onderzoek naar de bouw-, verbouw en gebruiksgeschiedenis van het onderzochte bouwwerk in bibliotheken of archieven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten derden Onder de subsidiabele kosten van derden worden begrepen de kosten die samenhangen met specialistische werkzaamheden die door anderen dan de bouwhistoricus -eventueel onder laboratoriumomstandigheden- worden uitgevoerd, zoals dendrochronologische onderzoek of kleuronderzoek, zowel stratigrafisch als pigmentanalyse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reiskosten Subsidiabele reiskosten zijn de reiskosten van vestigingsplaats tot plaats van onderzoek, waarbij de gereden kilometers dienen te worden berekend volgens de ANWB routeplanner of vergelijkbare routeplanner en de maximale vergoeding per kilometer € 0,19 bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportagekosten Rapportage kosten, zijn die kosten welke noodzakelijk zijn voor het maken, vormgeven en vermenigvuldigen van het onderzoeksrapport, zoals materiaalkosten, uitwerking van de documentatiewerkzaamheden en literatuur- en archiefonderzoek, redactiewerkzaamheden en kopieerkosten. De rapportage dient de weerslag te zijn van het onderzoek en bestaat uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een tekstgedeelte met een overzicht van de administratieve gegevens ten behoeve van het onderzoek, de specificatie en definiëring van de onderzoeksvraag, bouw- en gebruiksgeschiedenis van het object, de beschrijving van de bestaande situatie en de waardestelling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een beeldgedeelte, bestaande uit één of meer zoals kaarten, plattegronden, waarderings-plattegronden, opmetings- en/of reconstructietekeningen van het onderzochte object en fo-to’s.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Met een publicatie wordt bedoeld een wetenschappelijke en/of publiekgerichte uitgave anders dan de rapportage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeldberekeningen Hieronder een aantal voorbeeldberekeningen waarin verschillende aspecten zijn opgenomen van restauratie in combinatie met een herbestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele kosten zijn daarbij vastgesteld door provincie of overgenomen van het Rijk op grond van een BRIM-beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerekend is met voorbeelden die hoger uitkomen dan het drempelbedrag van € 2.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restauratie in combinatie met herbestemming (rijksmonument) Aandachtspunt is de maximale subsidie van het totaal (€ 400.000) en de maximale subsidie voor het onderdeel transformatie (€ 200.000). Het onderdeel restauratie en transformatie moet daarom apart van elkaar berekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel restauratie Subsidiabele kosten restauratie, € 389.000,- Aftrek onderhoud (kerk, art. 48 lid 2) € 70.000,- minus Correctie aftrek op basis van instandhoudingsplan (art. 48 lid 3) € 48.000,- plus Uitgevoerde werkzaamheden (art. 56, lid sub g) € 56.000,- minus Totaal restauratie € 311.000,- Subsidie is 50% van € 311.000,- is € 155.500,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel transformatie Subsidiabele kosten transformatie € 464.000 Subsidie is 50% is € 232.000, maximale subsidie is 200.000 Subsidie is € 155.500 + € 200.000 = € 355.500,-- Restauratie in combinatie met herbestemming (niet-rijksmonument) Hier geldt alleen het maximum voor het totaal: hier hoeven de onderdelen restauratie en transformatie dus niet apart van elkaar berekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele kosten restauratie, € 393.000,- Subsidiabele kosten transformatie € 189.000,- Aftrek onderhoud (overig monument, art 48 lid 2) € 50.000,- minus Correctie aftrek op basis van instandhoudingsplan (art. 48 lid 3) € 0,- Uitgevoerde werkzaamheden (zie artikel 56, lid sub g) € 0.- Totaal € 532.000,- Subsidie is 50% van € 542.000 = € 266.000,- maximale subsidie is € 200.000,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restauratie rijksmonument Subsidiabele kosten restauratie, € 454.000,- Aftrek onderhoud (kerk, art 49 lid 3) € 70.000,- minus Correctie aftrek op basis van instandhoudingsplan (art. 49 lid 4) € 63.000,- plus Uitgevoerde werkzaamheden (zie artikel 56, sub g) € 0.- Totaal € 447.000,- Subsidie is 60% van € 447.000 = € 268.200,-- Restauratie en onderhoud gemeentelijk monument Bij gemeentelijke monumenten is het uitgangspunt de onherroepelijke gemeentelijke subsidiebeschikking voor onderhoud, restauratie of instandhouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers die voor de werkzaamheden aan een gemeentelijk monument een lening hebben, komen niet in aanmerking voor een provinciale subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele kosten, vastgesteld door burgemeester en wethouders € 213.000,- Uitgevoerde werkzaamheden (zie artikel 56, sub g) € 26.000,- minus Totaal € 187.000,- Uitkomst 1: Mogelijke provinciale subsidie maximaal 35% van € 187.000 is € 65.450,-. De gemeente heeft een subsidie verleend van € 50.000,-. In dat geval verleent de provincie een subsidie volgens het maximum: is € 45.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkomst 2: Mogelijke provinciale subsidie maximaal 35% van € 187.000 is € 65.450,-. De Burgemeester en Wethouders hebben een subsidie verleend van € 7.500,-. Dan verleent de provincie ook maximaal € 7.500,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AanvraagEen aanvraag wordt ingediend door een eigenaar of diens gemachtigde en betreft uitsluitend beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen die de primaire aanvrager zelf in eigendom heeft. Per aanvraag wordt één aanvraagformulier ingediend. Subsidie wordt op aanvraag verstrekt per object of zelfstandig onderdeel ervan. Geclusterde aanvragen van aangewezen organisaties voor monumentenbehoud of verschillende deeleigenaren zijn niet mogelijk Tweede en derde lid Wanneer een aanvraag te vroeg of te laat is gedaan, zal deze buiten behandeling worden gelaten. Voor de volgorde van registratie en behandeling van de aanvragen wordt uitgegaan van de ontvangsttheorie. Dat wil zeggen dat de datum van de ontvangst van de aanvragen bepalend is voor de volgorde waarin de subsidies worden verdeeld. Aanvragen worden per datum en niet per tijdstip geregistreerd omdat het niet mogelijk is om gelijke behandeling te garanderen voor alle mogelijkheden waarop de aanvragen kunnen binnenkomen (fax, post, persoonlijk afgeven, elektronisch bericht). Elke aanvraag die op eenzelfde dag binnenkomt wordt daarom zonder tijdstip geregistreerd. Indien de aanvraag elektronisch geschiedt, geldt als datum van ontvangst de datum waarop ook het ondertekeningsformulier en de bijlagen door de provincie zijn ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen of een aanvraag tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van artikel 52 lid 2 en 3, is ingediend, geldt voor verzending per post de verzendtheorie. Een stuk dat per post is gestuurd, is nog tijdig als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het bin-nen een week is ontvangen. Het poststempel is bepalend voor de verzenddatum. In het geval dat de datum poststempel ontbreekt (zoals bij een portvrije envelop) of onleesbaar is, wordt ervan uitgegaan dat het stuk tijdig is verzonden als het stuk niet is gedagtekend op een datum na de laatste dag van de termijn, en het stuk niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. In dat geval geldt als datum van ontvangst de laatste dag van de indieningstermijn, althans voor de vraag of tijdig is ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelsystematiek en beslissingEerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag wordt aangevuld geldt voor de verdeelsystematiek de datum van ontvangst van de aanvulling, als datum van ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid en derde lid Uitgegaan wordt van een stelsel waarin de beschikbare bedragen worden verdeeld naar volgorde van ontvangst. Niet uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere subsidieaanvragen binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van het voor die categorie betreffende subsidieplafond zou leiden. Daarom is in het derde lid een voorziening opgenomen om voor die situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de desbetreffende dag. Deze rangorde wordt bepaald door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span><span class=\"lf-art-t\">VerplichtingenDe verplichtingen beogen kwaliteitsborging en/of financiële borging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elfde lid Bouwhistorisch onderzoek is een specialisme dat belangenvrij dient te worden uitgevoerd. Om die reden dient het bouwhistorisch onderzoek te worden uitgevoerd door een onafhankelijk(e) ter zake deskundig onderzoeker of onderzoeksbureau. De bouwhistorisch onderzoeker mag dus geen rol hebben in de totstandkoming of toetsing van het ontwerp voor een beoogde verbouwing, wijziging, of bij de uitvoering van de beoogde instandhoudingswerkzaamheden. Dat betekent dat bouwhistorisch onderzoek dat wordt uitgevoerd door de architect / het architectenkantoor of een op grond van artikel 23, tweede lid daaraan gelijkstelde organisatie, de aannemer, of de opdrachtgever niet voor subsidie in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twaalfde lid De volledige titel van de Richtlijnen luidt: L. Hendriks en J. van der Hoeve, Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed, opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Stichting bouwhistorie Nederland, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst uit 2009.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende verplichtingenVan de bevoegdheid, neergelegd in dit artikel, zullen gedeputeerde staten met name gebruik maken indien de aard van het object of de aard van de werkzaamheden daartoe aanleiding geeft. Deze verplichtingen beogen kwaliteitsborging en/of financiële borging, zonder dat daaraan rechten kunnen worden ontleend voor aanvullende of een verhoogde subsidie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WeigeringsgrondenDit artikel bevat – in aanvulling op de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat een aantal algemene weigeringgronden bevat – een aantal specifieke gron-den waarop de subsidie wordt geweigerd Sub a, 1e tot met 9e Voor subsidieverzoeken die eerder zijn gehonoreerd in het kader van één van de genoemde subsidieregelingen gaan wij er van uit dat het object of het onderdeel waarvoor eerder subsidie is verleend in zodanige staat is gebracht dat deze met onderhoud kan volstaan. Subsidie op die rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen wordt geweigerd, omdat deze regeling niet is bedoeld voor onderhoud aan rijksmonumenten, met uitzondering van de categorie molens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub b Omdat in de genoemde subsidieregelingen ook deelrestauraties kunnen zijn gesubsidieerd aan een zelfstandig onderdeel, of uurwerk, of luidklok of orgel waardoor de restauratie van het monument of zelfstandig onderdeel niet meer in aanmerking zou komen is voor deze specifieke gevallen een uitzondering gemaakt. Omgekeerd betekent dat ook wanneer voor een kerkgebouw eerder een subsidie is verleend op grond van een van de aangehaalde regelingen en nu voor een onderdeel (bv. uurwerk, luidklok of orgel) een aanvraag indient, dit onderdeel wordt getoetst aan de definitie van zelfstandig onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere uitzondering van de weigeringsgronden betreft het onderhoud van molens en gemeentelijke monumenten. Wanneer er een relatief recente restauratiesubsidie is verleend op basis van de onder a genoemde regelingen, is het voor molens en gemeentelijke monumenten nog mogelijk een onderhoudssubsidie aan te vragen. Ook als er een eerdere onderhoudssubsidie is verleend is dit nog mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub c Er wordt geen subsidie verstrekt voor zover in de subsidiabele kosten een subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale subsidieregeling. Deze bepaling is opgenomen om cumulatie van subsidies te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub d Dat betekent dat bouwhistorisch onderzoek dat wordt uitgevoerd door de architect / het architectenkantoor of een op grond van het tweede lid van artikel 23 daaraan gelijkstelde orga-nisatie, de aannemer, of de opdrachtgever niet voor subsidie in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub g en h Er wordt geen subsidie verstrekt voor zover met de werkzaamheden is begonnen vóórdat de subsidie is verleend. Uiteraard is het niet zo dat de subsidie voor de hele planperiode wordt geweigerd, indien al met de werkzaamheden is begonnen. Subsidie wordt niet meer verleend voor de kosten van de werkzaamheden waarmee is begonnen voordat de subsidie is verleend. Het is niet toegestaan met de uitvoering van de werkzaamheden te beginnen voordat er een besluit is genomen op het subsidieverzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 Een als gemeentelijk monument aangewezen brug dient binnen het reguliere onderhoud van infrastructurele kunstwerken in die gemeente te zijn opgenomen met voldoende waarborgen ten aanzien van de monumentale kwaliteiten en financiële middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2 Een molen die is aangewezen als rijksmonument en eigendom is van het een gemeente of Wetterskip Fryslân dient binnen de exploitatie van deze bestuurslaag te zijn opgenomen met voldoende waarborgen ten aanzien van de monumentale kwaliteiten en financiële middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een herbestemming is de kans groot dat er een behoorlijke bouwkundige ingreep plaatsvindt. Het is belangrijk dat er dan zorgvuldig met de monumentale waarden wordt omgegaan. Daarom wordt een bouwhistorisch onderzoek verplicht gesteld. Een bouwhistorisch onderzoek kent verschillende gradaties van diepgang. Mocht een bouwhistorisch onderzoek ontbreken en is de omgevingsvergunning op het moment van de indiening van de aanvraag al zijn verleend, dan wordt de subsidie niet geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt bedoeld een zelfstandig groen monument, bijvoorbeeld een park. De weigeringsgrond is niet van toepassing op een groen monument als onderdeel van een buitenplaats. Zie ook artikel 31 en de Algemene toelichting onder Ad e.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gewijzigde omstandighedenEr kunnen zich omstandigheden voordoen, die – indien van tevoren bekend – de beslissing omtrent de subsidie anders hadden doen uitvallen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de tegenvallende staat van de fundering, die vooraf niet bekend had kunnen zijn. Zodra zo’n omstandigheid zich na het indienen van de aanvraag of na de subsidieverlening voordoet, dient dit onverwijld aan gedeputeerde staten te worden bericht Zo’n omstandigheid kan zich bijvoorbeeld ook voordoen, indien de eigenaar bij nader inzien besluit de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt verleend, op een later tijdstip uit te voeren, het monument is verwoest of wanneer sloop wordt overwogen, dan wel wanneer de eigenaar in surseance van betaling geraakt of diens faillissement wordt uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer afwijking van het plan niet is gemeld, maar dit toch van dien aard is dat het gevolgen moet hebben voor de subsidieverstrekking, of wanneer werkzaamheden zijn verricht hoewel de vergunning daarvoor was geweigerd, kan dit bij eindafrekening leiden tot een lagere vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van een melding kan de subsidie lager worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen. Het is belangrijk om altijd te voldoen aan de meldingsplicht. Bij het niet voldoen aan deze plicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidie worden ingetrokken omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraag tot vaststellingOm het belang van het regelmatig uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden na voltooiing van de gesubsidieerde werkzaamheden te waarborgen, is de verplichting opgenomen dat er vóór de definitieve vaststelling van de subsidie, een onderhoudsplan voor een periode van tenminste 6 jaar moet worden ingediend. Een instandhoudingsplan op basis van het BRIM (instandhoudingsregeling) wordt ook als zodanig aangemerkt Wanneer uitsluitend subsidie is aangevraagd voor bouwhistorische inventarisatie of bouwhistorisch onderzoek geldt deze verplichting niet, omdat daarvoor geen instandhoudingswerkzaamheden aan het gebouw worden uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SubsidievaststellingZodra de Minister, of Burgemeester en Wethouders de subsidie over de uitgevoerde werkzaamheden definitief heeft vastgesteld en gedeputeerde staten daarvan een afschrift hebben ontvangen zullen ook gedeputeerde staten de subsidie definitief gaan vaststellen. Omdat gedeputeerde staten in de ‘koöperaasje-gedachte’ subsidie hebben verstrekt is de definitieve vaststelling door de Minister of door Burgemeester en Wethouders leidend voor wat betreft de afhandelingtermijnen van het verzoek tot definitieve vaststelling van de subsidie Om het belang van het regelmatig uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden na voltooiing van de gesubsidieerde werkzaamheden te waarborgen, is de verplichting opgenomen dat er vóór de definitieve vaststelling van de subsidie, een onderhoudsplan voor een periode van tenminste zes jaar moet worden ingediend. Een instandhoudingsplan op basis van het BRIM (instandhoudingsregeling) wordt ook als zodanig aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij Titel 6: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing III 1. InleidingStedelijke vernieuwing is gericht op het leefbaar, toonbaar en vitaal houden van het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen. Het rijk onderkent het grote belang van deze taak en stelt daarvoor al meerdere jaren geld ter beschikking op grond van de Wet stedelijke vernieuwing (recentelijk ingetrokken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het stimuleren van de stedelijke vernieuwing in Fryslân, beschikt de provincie Fryslân tot en met 2015 over financieringsmiddelen in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing III (ISV-III). Dit zijn gedecentraliseerde rijksmiddelen die de provincie inzet voor het opknappen van de fysieke woon- en leefomgeving in steden en dorpen. Na 2014 vervalt de rijksuitkering ISV en komt deze taak geheel bij provincies, gemeenten, corporaties en marktpartijen te liggen. De provincie is budgethouder van de ISV-middelen voor de zogenaamde niet-rechtstreekse gemeenten. Leeuwarden ontvangt als enige rechtstreekse gemeente in Fryslân direct een ISV-III uitkering van het rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze Verordening ISV-III regelt de inzet van ISV-middelen die op dit moment beschikbaar zijn voor de periode 2012 tot en met 2015. Hierbij zijn de regels afgestemd op de nieuwe financieringssystematiek (meer bestedingsvrijheid voor provincie en gemeenten; minder verantwoording richting rijk) en op het nieuwe beleid; in de volgende paragrafen wordt dit nader toegelicht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Doelen en aandachtspunten stedelijke vernieuwingHet Provinciaal beleidskader Stedelijke vernieuwing 2012-2015 - waarmee Provinciale Staten op 25 april 2012 hebben ingestemd - geeft richting aan de inzet van ISV-middelen en brengt daarbij accenten aan. Dit betekent dat de provincie de ISV-middelen tot en met 2015 zo gericht en effectief mogelijk inzet voor de verbetering van het bestaand bebouwd gebied en leefbare wijken en buurten. Hiermee wil de provincie bereiken dat gebiedsprojecten de volgende doelen realiseren: naast corporatiewoningen, zoveel mogelijk particuliere woningen herstructureren; de energie-index van bestaande woningen met minimaal twee stappen verbeteren; tegelijk de woon- en leefomgeving opknappen en herinrichten; kansen voor hergebruik/ herbestemming van leegstaande panden en vrijkomende locaties door transformatie benutten; milieuhinderlijke bedrijven, bodemverontreiniging en verkeerslawaai saneren.</div>\n<p class=\"lf-p\">In relatie tot de bovengenoemde doelen, vraagt de provincie bij de invulling van gebiedsprojecten specifiek aandacht voor de volgende punten: het op peil houden van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in gebieden of kernen die te maken hebben of krijgen met de gevolgen van demografische veranderingen, met name bevolkingskrimp en vergrijzing. Het is gewenst dat in wijken en buurten waar dit speelt, met maatregelen wordt geanticipeerd op deze bevolkingsveranderingen; het rekening houden met de cultuurhistorische waarden van waardevolle bebouwde gebieden. Dit zijn de beschermde stads- en dorpsgezichten die op grond van de Monumentenwet zijn aangewezen, overige gebieden of gezichten met bijzondere waarden, en enkele specifieke karakteristieke buurten: Wederopbouwwijken en Delfts Rood. Deze gebieden zijn met hun cultuurhistorische waarden aangegeven op de betreffende deelkaarten van de provinciale Cultuurhistorische Kaart (www.fryslan.nl/chk). Voor de Wederopbouwwijken zijn de waarden nog niet per gebied uitgewerkt. Voor deze gebieden stimuleren wij het maken van een cultuurhistorische verkenning door de gemeente. Waardevolle gebieden kunnen ook door de gemeente zelf zijn bepaald door het aanwijzen van een gemeentelijk beschermd gezicht in een bestemmingsplan of door een erfgoedverordening.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beschikbare ISV middelen Gedeputeerde staten hebben in 2011, vooruitlopend op het vastgestelde Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing 2012-2015, 40% van het ISV-III budget stedelijke vernieuwing en herstructurering gereserveerd voor de gemeenten Smallingerland, Heerenveen, Sûdwest Fryslân voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Sneek, Harlingen en Dongeradeel. De gekozen programmalijn van ISV-I en ISV-II is voor deze gemeenten voortgezet. Voor hen is vanwege de complexe en structurele stedelijke vernieuwingsopgave in hun gemeenten een afzonderlijk programmabudget gereserveerd. De bedoeling van deze reservering is dat deze gemeenten geen vertraging oplopen in de uitvoering van voorgenomen programma’s. Deze gemeenten hebben een Meerjaren Ontwikkelingsprogramma opgesteld (MOP).</div>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 januari 2011 is de decentralisatie-uitkering van het ISV naar het Provinciefonds gegaan. Sindsdien bestaat er geen wettelijk onderscheid meer tussen programma- en projectgemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een eenduidige systematiek en de gewenste vereenvoudiging, maakt de regeling voor de verdeling van de resterende ISV budgetten geen onderscheid meer tussen programmagemeenten en projectgemeenten Dit betekent dat ook de programmagemeenten, naast hun programmafinanciering, projecten kunnen indienen voor subsidiëring op projectbasis op grond van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen de beschikbare middelen over de Friese gemeenten op basis van ingediende projecten voor stedelijke vernieuwing. ISV kent een onderverdeling in 3 deelbudgetten: wonen/herstructurering, bodemsanering en geluidsanering. De gemeente Leeuwarden ontvangt als rechtstreekse gemeente tot en met 2014 rechtstreeks een ISV uitkering van het Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De middelen voor bodemsanering worden verdeeld onder de gemeenten op basis van ingediende projecten voor bodemsanering. Deze projecten maken bij voorkeur onderdeel uit van integrale gebiedsprojecten voor stedelijke vernieuwing. Daarnaast kunnen ook particulieren subsidie voor bodemsaneringsprojecten op grond van deze regeling aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwacht wordt dat, gezien de recente economische ontwikkelingen en de stagnatie op de woningmarkt, de projectontwikkeling en projectverwerving eerst op gang moeten komen. Daarom is gekozen voor meerjarige financiering met een oplopend kasritme. De financiering op basis van kasritme loopt dus door na 2015, omdat projecten waarschijnlijk een langere looptijd hebben en nog niet in 2015 afgerond zullen zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>VerdelingssystematiekHet provinciaal Beleidskader Stedelijke Vernieuwing 2012-2015 streeft naar een regionale verdeling van middelen voor stedelijke vernieuwing; de omschakeling naar een regionale verdeelsystematiek mag echter de voortgang van projecten niet vertragen. In deze overgangsfase naar een volledig regionale verdeling van middelen, wordt in deze regeling voor een ‘tussenmodel’ gekozen. Dit verdelingsmodel werkt als volgt:</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor elke regio reserveren gedeputeerde staten jaarlijks een budget (= tendersystematiek). Hiertoe bepalen zij jaarlijks de omvang van het ISV budget stedelijke vernieuwing en herstructurering, en verdelen dat over de regio’s. Per jaar kunnen de gemeenten binnen een regio projecten aanmelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2013 neemt de provincie Fryslân, in dit geval het organisatieonderdeel voor Plattelânsprojecten, het initiatief om de voorgenomen verbeterprojecten in de diverse gemeenten te inventariseren. De samenwerkende gemeenten binnen een regio stellen vervolgens een regionale projectenlijst op; hiermee ontstaat een volledig beeld van urgente verbeterprojecten in de gehele regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen na 2014 bij een volgende ISV-tender desgewenst ook voor een nieuwe, afzonderlijke vorm kiezen, bijvoorbeeld door het instellen van een regionaal (bestuurlijk) overleg stedelijke vernieuwing/ herstructurering. Belangrijk is dat de regionale projectenlijst door alle gemeenten in de regio bestuurlijk is geaccordeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze systematiek komt het initiatief bij de regio te liggen. Gemeenten binnen een regio zijn aan zet en kunnen binnen de voorwaarden van deze regeling gezamenlijk hun eigen prioriteiten stellen. Dat biedt ruimte voor maatwerk. Dit betekent ook dat de gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor regionale afstemming. We gaan er vanuit dat de gemeenten in een regio gezamenlijk tot een lijst van urgente projecten komen en daarbij over hun eigen gemeentegrenzen heen kijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten zullen deze nieuwe werkwijze waarschijnlijk niet automatisch gaan doorvoeren en toepassen. Daarom ondersteunt de provincie de gemeenten bij het opzetten en organiseren van regionale bijeenkomsten om tot afstemming te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de projecten die op de regionale projectenlijst staan, dienen de betreffende gemeenten vervolgens subsidieaanvragen bij gedeputeerde staten in. Gedeputeerde staten toetsen of de projecten op de regionale projectenlijst staan en of de projecten voldoen aan de voorwaarden; indien dit het geval is, worden de aangevraagde subsidiebijdragen aan de gemeenten verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de door gemeenten aangevraagde bijdragen groter zijn dan het regionale budget, moet op regionaal niveau een afweging tussen projecten plaatsvinden: hoe meer van de beoogde doelen een project realiseert, des te meer prioriteit heeft een project. Indien een project daarnaast expliciet rekening houdt met de gevolgen van demografische veranderingen en met cultuurhistorische aspecten, levert dat extra punten op. In het Provinciaal beleidskader Stedelijke vernieuwing 2012-2015 worden deze aspecten toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio weegt op basis hiervan af welke gemeentelijke projecten op de regionale projectenlijst komen. Als de regio niet tot een selectie kan komen, maken gedeputeerde staten een keuze tussen de gemeentelijke projecten en verlenen zij vervolgens subsidiebijdragen aan de betreffende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat de programmagemeenten vrij om de al aan hen toegekende programmabudgetten, toe te voegen aan het basisbudget van hun regio. Dit zou dan betekenen dat ook deze programmamiddelen regionaal besteed kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze werkwijze is de opmaat voor een volledige regionale verdeling en programmering in het kader van de Streekagenda’s, die vanaf 2014 wordt ingevoerd. Dit zal de provincie nog nader uitwerken. In de tussentijd wordt de hier beschreven werkwijze gehanteerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Subsidiabele onderdelen en voorwaarden per categorie.De regio houdt bij het opstellen van de regionale projectenlijst rekening met de onderstaande subsidiabele onderdelen en voorwaarden; deze onderdelen en voorwaarden zijn verwerkt in de artikelen 61 tot en met 70. Bij het verlenen van een subsidie voor een project op basis van de regionale projectenlijst, nemen gedeputeerde staten deze onderdelen en voorwaarden in acht.</div>\n<p class=\"lf-p\">1a. verbeteren van de woonomgeving (openbaar gebied) Integrale verbetering van het projectgebied staat in het provinciaal beleid centraal. Daarom is het van belang dat naast de woningen ook de woonomgeving - het openbare deel van het projectgebied - wordt opgeknapt en heringericht. De provincie stimuleert een structurele versterking van de openbare ruimte, waarbij kansen voor zorgvuldig, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik worden benut. Een voorbeeld hiervan is ondergronds parkeren in combinatie met het toevoegen van hoogwaardig groen en hoogwaardig blauw (water). Belangrijk doel is dat de bewoners zich weer betrokken voelen bij hun buurt en plezier beleven aan de openbare voorzieningen. Het toevoegen van groen- en waterelementen vergroot ook de mogelijkheden om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, zoals het beperken van hittestress en berging en afvoer van water. Daarnaast kan gedacht worden aan de ontwikkeling van ecologische kwaliteiten en de aanleg van buurtvoorzieningen zoals speelvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, en collectieve energievoorzieningen. Op deze manier streeft de provincie naar duurzame herinrichting van publieke ruimten met veel ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor het opknappen van de openbare ruimte in het projectgebied bedraagt maximaal €3.000,- per te verbeteren woning; de subsidiebijdrage voor de openbare ruimte is dus gekoppeld aan het aantal woningen dat in het projectgebied wordt verbeterd. Dit kunnen zowel corporatiewoningen als particuliere woningen zijn, of een combinatie van corporatie- en particuliere woningen. De gemeentelijke cofinanciering is minimaal gelijk aan het provinciaal subsidiebedrag voor de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan tevens ingezet worden voor de voorbereiding en ontwikkeling van een project (inclusief communicatie), bijvoorbeeld ter stimulering van innovatieve werkwijzen om daarmee een integrale verbetering van het projectgebied te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">1b. verbeteren van woningen Subsidiebijdragen vanuit ISV-I en ISV-II zijn tot nu toe hoofdzakelijk ingezet voor het opknappen en herinrichten van de woonomgeving, dus het publieke deel van een herstructureringsproject. Het Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing 2012-2015 geeft verder aan dat vooral in de goedkope en middeldure particuliere woningvoorraad achterstanden en tekorten aanwezig zijn die nog onvoldoende worden aangepakt. Daarom stimuleert de provincie vanuit ISV-III, naast het verbeteren van de woonomgeving, ook het opknappen van particuliere woningen in het goedkope en middeldure segment. Dan gaat het om woningen met een WOZ waarde Na het vaststellen van het Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing in april 2012 is in het najaar 2012 een nieuw kabinet aangetreden, dat plannen heeft gepresenteerd waarmee de investeringsmogelijkheden van (noordelijke) corporaties behoorlijk lijken te worden ingeperkt. Hoewel de nadruk voor de inzet van ISV3-subsidie ligt op de particuliere woningen, conform het Provinciaal beleidskader, willen we gemeenten de mogelijkheid bieden de ISV-III middelen waar nodig in te kunnen zetten voor projecten gericht op corporatiewoningen die door deze kabinetsmaatregelen in de knel dreigen te komen. Dit passend binnen de geldende regels voor staatssteun. Gemeenten kunnen in dat geval gemotiveerd verbeterprojecten voor corporatiewoningen ondersteunen die urgent en gewenst zijn en die anders geschrapt of ernstig vertraagd dreigen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk bij particuliere woningen ligt op renovatie; sloop van particuliere woningen, al dan niet in combinatie met vervangende nieuwbouw, vindt nu nog weinig plaats. Daarom zijn op dit moment met de relatief beperkte middelen, de meeste resultaten te behalen met het renoveren van bestaande woningen in combinatie met het verbeteren van de woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende onderdelen van woningverbetering zijn subsidiabel: het verbeteren van de bouwtechnische staat waardoor de woning weer langere tijd mee kan, inclusief toekomstbestendig bouwen ; vanuit een oogpunt van duurzaamheid is renovatie meestal beter dan sloop en vervangende nieuwbouw; het verbeteren van het wooncomfort om te voldoen aan de basiskwaliteitseisen van deze tijd (bijv. aanleg nieuwe badkamer of keuken, toilet op verdieping); de gemeente bepaalt wat deze basiskwaliteitseisen zijn; het afstemmen van het woningtype op woningvraag en woonwensen, zodat de woning beter in de markt komt te liggen (bijv. levensloopbestendig maken, aanpassing woningindeling). Veroudering kan er bijvoorbeeld toe leiden dat woningen niet meer voldoen aan de veranderende woonwensen van bewoners. Dit kan één van de redenen zijn waarom huishoudens bepaalde wijken verlaten. Ook de veranderende bevolkingssamenstelling kan leiden tot andere woonwensen, waardoor meer woningen geschikt moeten zijn voor bijvoorbeeld senioren of eenpersoonshuishoudens. De gemeente motiveert welke maatregelen en aanpassingen nodig zijn; in alle gevallen geldt dat de energieprestatie van een woning die wordt opgeknapt, met minimaal twee labels verbetert, tenzij de woning al een energielabel C of hoger heeft; hiervoor staan onder andere middelen in het kader van het 100.000 woningenplan ter beschikking inclusief EFRO, als onderdeel van het Noordelijk Energieakkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale bijdrage per subsidiabel onderdeel is €3.000,- per woning, tot een maximum van in totaal €12.000,- per woning. Omdat deze projecten zich kenmerken door veel overleg en communicatie met de particuliere woningbezitter, kan de provinciale subsidiebijdrage per project voor maximaal 20% worden ingezet voor de kosten voor voorbereiding en ontwikkeling van een project, zoals omschreven in de begripsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen in een project hoeven niet in één wijk of dorp te liggen, maar kunnen ook verspreid door de gemeente liggen; dit biedt ruimte voor een themagerichte aanpak (bijv. het opknappen van één of meerdere woningtypen, of van woningen uit een bepaalde bouwperiode). Wel geldt de voorwaarde dat in een herstructureringsproject minimaal 10 woningen worden verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als algemene voorwaarde geldt dat de gemeentelijke cofinanciering minimaal 100% van de totale provinciale subsidiebijdrage per project bedraagt. De gemeente draagt zorg voor de uitkering van subsidiebijdragen aan particuliere woningeigenaren. Dit impliceert dat de gemeente over een regeling voor particuliere woningverbetering beschikt die regelt welke concrete maatregelen subsidiabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen de bovenstaande algemene criteria nader uitwerken door aanvullende voorwaarden in hun regeling voor particuliere woningverbetering op te nemen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>hergebruiken / herbestemmen leegstaande panden en vrijkomende locaties De verwachting is dat in de periode tot en met 2015 maximaal 25 panden en/of locaties binnen deze categorie aangepakt kunnen worden. Per project is maximaal €300.000,- beschikbaar, met een minimumbijdrage van €36.000,- per project. Als algemene voorwaarde geldt dat de gemeentelijke cofinanciering minimaal 100% van de totale provinciale subsidiebijdrage per project bedraagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt de volgende algemene voorwaarde: er moet sprake zijn van hergebruik of transformatie van panden of locaties in het bestaand stedelijk gebied van kernen, zoals deze in de Verordening Romte Fryslân is begrensd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze categorie valt ook de sanering van een milieuhinderlijk bedrijf. In de meeste gevallen gaat dit namelijk samen met transformatie en hergebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiabele kosten per project zijn: aankoopkosten van het pand of de locatie die voor hergebruik/ herbestemming in aanmerking komt; kosten voor het beëindigen of verplaatsen van een bedrijf dat milieuoverlast in de omge-ving veroorzaakt; sloopkosten van een pand dat naar het oordeel van het college van b en w van de gemeente redelijkerwijs niet meer geschikt te maken is voor een toekomstige functie; er is vanuit gegaan dat de gemeente rekening houdt met de eventuele beeldbepalende waarde van een pand; verbouwkosten om een pand meer geschikt te maken voor een nieuwe functie; inrichting van de openbare ruimte rond het pand of de locatie; kosten voor voorbereiding en ontwikkeling van het project, tot een maximum van 20% per project.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>BodemsaneringDe ISV-III middelen voor bodemsanering zijn gelabelde gelden en worden door gedeputeerde staten specifiek ingezet voor de sanering van urgente bodemverontreinigingen. Gemeenten kunnen hiervoor projecten bij gedeputeerde staten indienen. Op basis daarvan kennen gedeputeerde staten middelen aan gemeenten toe. Indien de aangevraagde bijdragen groter zijn dan de beschikbare budgetten, dienen tussen projecten prioriteiten gesteld te worden. Hiervoor gebruiken gedeputeerde staten de criteria uit het Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing 2012-2015, zoals vertaald in deze regeling. Deze regeling bevat ook een bepaling voor de sanering van particuliere terreinen. Deze regeling volgt uit het provinciaal beleidskader op grond van een gezonde en duurzame leefomgeving en sluit aan bij de provinciale doelen en ambities vanuit het provinciale fysieke omgevingsbeleid. Het opnemen van een particuliere subsidieregeling onder het ISV ondersteunt daarnaast het landelijke beleid om in 2030 de gevallen van ernstig bodemsanering te hebben beheerst.</div>\n<p class=\"lf-p\">In relatie tot de rijksdoelstelling met betrekking tot een gezonde en duurzame leefomgeving, sluiten wij voor het ISV deelbudget bodem aan bij de afspraken die zijn gemaakt in het “Convenant bodemontwikke-lingsbeleid en aanpak spoedlocaties”, zoals vertaald in het Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing 2012-2015. Dit bodemconvenant is op 10 juli 2009 gesloten tussen IPO, VNG, Unie van Waterschappen en de Minister van VROM. Dit convenant kent prioriteit toe aan de aanpak van humane spoedlocaties; dit zijn gevallen van ernstige bodemverontreiniging met risico’s voor de mens. Deze zogenaamde humane spoedlocaties moeten in 2015 zijn gesaneerd of beheerst. De overige spoedlocaties – dit zijn gevallen van ernstige bodemverontreiniging met ecologische of verspreidingsrisico’s – dienen aansluitend te worden gesaneerd of beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling maakt een onderscheid tussen subsidieaanvragen door gemeenten en aanvragen door particulieren. Hierbij moet voldaan worden aan de in de regeling genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het deelbudget ISV bodemsanering gelden specifieke uitgangspunten. Voor bodemmiddelen van het ISV zijn de provincies het bevoegd gezag en verantwoordelijk voor de verdeling van middelen. Na de humane spoedlocaties wordt voorrang gegeven aan locaties met ecologische- en verspreidingsrisico’s. Voor de realisering van deze doelstelling uit het bodemconvenant mag de gemeente ISV-middelen voor bodemsanering inzetten mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: de locatie is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied of in uitleggebieden; er is geen sprake van een locatie in landelijk gebied, van waterbodems of van de aanpak van een locatie die valt onder een brancheafspraak (zoals Gasfabrieksterreinen, VINEX-locaties, in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen); er is sprake van een (potentieel) geval van ernstige verontreiniging, veroorzaakt voor 1987; er is sprake van een (potentieel) spoedeisende sanering (milieuhygiënisch of maatschappelijk); er zijn maximale inspanningen verricht om geld uit de markt te behalen door onderhandelingen of, door de inzet van het juridische instrumentarium uit de Wet bodembescherming, maar deze inspan-ningen hebben onvoldoende resultaat opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aan alle criteria is voldaan en het deelbudget toereikend is, kunnen de middelen tevens worden ingezet voor locaties waar minimaal sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging en er sprake is van stedelijke vernieuwing. Er dient dan wel sprake zijn van samenloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ISV-budget bodemsanering kan worden ingezet voor de dekking van de kosten voor bodemonderzoek, het opstellen van een saneringsplan, het uitvoeren van een sanering, het verrichten van nazorg, andere projectgebonden kosten zoals schadevergoedingsregelingen en personele capaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een beroep op een ISV bijdrage bodemsanering moet worden voldaan aan de voorwaarden van het rijksbeleidskader bodemsanering zoals hiervoor omschreven. Daarnaast zal bodemsanering functiegericht en kosteneffectief moeten zijn. Indien sprake is van onvoldoende financiële middelen stellen wij bij gemeentelijke projecten - naar voorkeursvolgorde - de volgende prioriteiten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>spoedlocatie met humane risico’s;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>spoedlocatie met ecologische- en verspreidingsrisico’s;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>gevallen van ernstige bodemverontreiniging in combinatie met stedelijke vernieuwing.</div>\n<p class=\"lf-p\">Particuliere projecten hoeven niet noodzakelijkerwijs binnen het bestaand stedelijk gebied gelegen te zijn; ze mogen ook in het landelijk gebied gelegen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekenning van de subsidie geschiedt op volgorde van binnenkomst van de aanvragen (dus “wie het eerst komt, die het eerst maalt”).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Geluidsanering Op grond van deze regeling, kunnen net als onder de ISV-II regeling, geluidssaneringsprojecten voor subsidiëring in aanmerking komen. Voor de geluidssanering gaat het om het isoleren van woningen met een geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer van 65 dB of hoger. Deze woningen zijn in 1986 door de gemeenten opgegeven aan het toenmalige Ministerie van VROM en worden aangeduid als A-lijst woningen. Sinds 1986 wordt een saneringsprogramma uitgevoerd voor het isoleren van deze A-lijst woningen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten vragen individueel een subsidieverzoek aan voor saneringsprojecten in de regio waar hun gemeente deel van uitmaakt. Er zijn drie regio’s, te weten Noord, Zuidwest en de Friese Wouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verreweg het grootste gedeelte van deze A-lijst woningen in de provincie Fryslân is reeds gesaneerd. Bij de geluidssanering gaat het nu nog om een beperkt aantal resterende saneringsprojecten (gevelisolatie van woningen die nog niet zijn gesaneerd, maar die wel voorkomen op de A-lijst). Deze resterende woningen worden aangeduid als ‘oud-weigeraars’, omdat aan hen eerder een saneringsvoorstel is gedaan waarmee ze niet hebben ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In totaal gaat het nu nog om een beperkt aantal projecten in de gemeenten Achtkarspelen, Weststellingwerf, Heerenveen, Tytsjerksteradiel, Sudwest-Fryslân, Dantumadeel en Boarnsterhim. In 2010 hebben deze gemeenten – op ons verzoek – aangegeven, dat er nog A-lijst woningen zijn die nog gesaneerd moeten worden. De woningen waar het nu nog om gaat zijn dus in principe bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totaal geraamde bedrag dat nodig is om alle (nu nog resterende) woningen te saneren wordt geschat op maximaal € 900.000,-. De verwachting is dat dit bedrag voldoende is voor de uitvoering van de sanering, omdat in de praktijk blijkt dat er altijd woningeigenaren zijn die niet mee willen doen aan de sanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoeringsperiode voor het saneren van de resterende woningen loopt van 2012 tot 2016. Daarna is de geluidsanering op grond van deze regeling afgerond. Verdere aanpak van geluidsknelpunten gaat enerzijds via het “Actieplan provinciale wegen” en anderzijds via de bewaking van de (nog vast te stellen) Geluidsproductieplafonds (conform wetsvoorstel SWUNG2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De invulling van dit onderdeel geluidssanering wijkt af van het Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing 2012-2015. In dit beleidskader is er van uitgegaan dat de sanering van woningen op de A-lijst een aflopende zaak is en niet meer onder de komende ISV periode valt; in dit beleidskader is daarom gekozen voor sanering van nieuwe situaties verkeerslawaai als integraal onderdeel van ISV projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlopig geven we echter nog prioriteit aan het afronden van de A-lijst zodat in ieder geval de woningen met het meeste verkeerslawaai gesaneerd kunnen worden. In een volgende tranche van deze regeling zal de provincie criteria opnemen voor sanering van nieuwe situaties als integraal onderdeel van stedelijke vernieuwing; deze criteria zullen zijn afgestemd op het Provinciaal beleidskader stedelijke vernieuwing 2012-2015.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Staatssteun en aanbestedingsnormenGemeenten ontvangen de ISV-middelen voor de uitvoering van hun ISV-projecten. In veel gevallen voeren marktpartijen als projectontwikkelaars de projecten feitelijk uit. De ISV-middelen worden dan door hen daadwerkelijk besteed. De Europese regelgeving stelt grenzen aan de omvang van staatssteun aan particuliere ondernemingen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor naleving van deze regelgeving. Daarnaast moeten de gemeenten erop toezien dat bij de besteding van ISV-middelen (door henzelf of door derden) rekening wordt gehouden met nationale en Europese aanbestedingsnormen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verlenen van ISV-bijdragen voor bodemsanering bekijkt de gemeente eerst in hoeverre derden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de kosten van onderzoek en/of sanering. Op grond van Europese regelgeving is er sprake van ongeoorloofde staatssteun als er bodemgeld beschikbaar wordt gesteld aan partijen die op grond van de Wet bodembescherming aansprakelijk gesteld kunnen worden. Om die reden moet een aansprakelijkheidstoets zijn uitgevoerd voordat een gemeentelijke ISV-bijdrage voor bodemsanering wordt verleend. Het doel van de aansprakelijkheidstoets is om de hoogte van de gemeentelijke ISV-bijdrage te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling biedt daarnaast een mogelijkheid voor subsidiëring van particuliere bodemsaneringsprojecten. Gelet op de criteria voor subsidiëring, voldoet deze subsidiemogelijkheid aan de regels voor staatssteun.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Voortgang van projecten Teneinde het verloop van de geselecteerde projecten te kunnen monitoren en om projecten zo nodig bij te kunnen sturen, wil de provincie bij de grotere en complexe projecten gebruik maken van maximaal drie ‘ijkmomenten’; het aantal ijkmomenten zal in verhouding staan tot de omvang en complexiteit van een project en de bijbehorende subsidie. Op deze ijkmomenten kijkt de provincie samen met de gemeente naar de voortgang en de bereikte resultaten van een project. Deze ijkmomenten worden voor de aanvang van een project in overleg met de gemeente vastgelegd, en kunnen gedeputeerde staten als een verplichtende voorwaarde aan de subsidie verbinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer op een ijkmoment blijkt dat het project verloopt zoals gepland, keren gedeputeerde staten het bijbehorende deel van de subsidie uit. Indien blijkt dat (deel)resultaten niet of pas veel later gehaald worden dan in eerste instantie voorzien, treden de partijen met elkaar in overleg. In overleg kan worden besloten andere ijkmomenten te hanteren of om termijnen te verschuiven. In een uiterste consequentie kan de provincie een deel van de subsidie intrekken omdat niet aan de verplichtingen wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van de projecten en de voortgang daarin, worden hiermee onderdeel van overleg tussen provincie en gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De budgettaire verantwoordelijkheid en verantwoording komen veel meer op gemeentelijk niveau te liggen: burgemeester en wethouders leggen verantwoording af aan de gemeenteraad over hun doelen en de inzet van de beschikbaar gestelde middelen. De gemeentelijke verantwoording over de inzet van ISV-middelen vindt plaats op basis van reële aannames.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een project kan voor meerdere onderdelen subsidie worden verstrekt zolang niet meerdere subsidies op dezelfde subsidiabele kosten betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting Stedelijke vernieuwing en herstructurering wonen Artikel 60 bevat de begripsbepalingen. Begrippen zijn gedefinieerd als dat voor een goede interpretatie en eenduidigheid van de bepalingen van deze regeling noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de A-lijst staan alle saneringswoningen die op 1 maart 1986 een geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai ondervonden van 65 dB(A) of hoger én waar gevelmaatregelen door de gemeente destijds als enige oplossing werden gezien. Deze woningen dienen gemeld te zijn bij de betreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CHK is een samenstel van provinciale kaarten waarop elementen en structuren van aardkundige, archeologische, historisch-geografische en bouwhistorische aard in de provincie Fryslân zijn aangegeven en omschreven. De CHK is digitaal beschikbaar gesteld op de website www.fryslan.nl/chk en wordt voortdurend actueel gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging waarbij een interventiewaarde voor één of meer stoffen wordt overschreden in ten minste 25 m² grond en/of 100m³ grondwater. Voor een ernstig geval dienen tenminste maatregelen voor beheer te worden getroffen en de urgentie te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie over de standaardsystematiek voor het maken van kostenramingen is te vinden op de website van CROW: www.crow.nl/ssk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 61 is het doel van stedelijke vernieuwing waarvoor subsidies kunnen worden verstrekt weergegeven. Met dit doel en met de nadere uitwerking daarvan in de daaropvolgende artikelen, geeft de provincie sturing aan de stedelijke vernieuwing in de gewenste richting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle Friese gemeenten kunnen op grond van artikel 62 een subsidieaanvraag voor een gebiedsproject bij gedeputeerde staten indienen; alleen de gemeente Leeuwarden is hiervan voor de resterende ISV-III periode uitgezonderd, omdat Leeuwarden rechtstreeks een ISV-III uitkering van het rijk heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 63 stelt eisen aan de aanvraag van een ISV subsidie voor stedelijke vernieuwing en herstructurering (wonen). Er is een standaard aanvraagformulier beschikbaar. Dit formulier is raadpleegbaar via de website van de provincie Fryslân (www.fryslan.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag dient inzichtelijk te maken welke onderdelen van een project voor subsidie in aanmerking komen en op welke manier aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor de gevraagde onderbouwing van de gemeentelijke opgaven voor stedelijke vernieuwing kan de gemeente verwijzen naar een actueel gemeentelijk beleidsplan zoals een gemeentelijk woonplan of herstructureringsplan. Op die manier kan de gemeente aangeven hoe het project past in het gemeentelijke omgevingsbeleid en de opgaven die daarbij spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van artikel 63 regelt de regionale afstemming van projecten voor stedelijke vernieuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gebeurt in elk van de vijf regio’s zelf. De gemeenten binnen een regio kunnen zelf de meest geschikte manier bepalen voor deze afstemming, mits er maar een regionale lijst tot stand komt van projecten die volgens de gemeenten voor ISV subsidiëring in aanmerking komen; de gemeente waarvan een project op deze regionale lijst staat, dient vervolgens een subsidieaanvraag voor dat project bij gedeputeerde staten in.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid van artikel 63 is bepaald dat gedeputeerde staten besluiten op een aanvraag, op basis van rangschikking. Deze rangschikking vindt plaats aan de hand van een puntentoekenning per project, zoals genoemd in artikel 70, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 64 tot en met 67 zijn de subsidiabele kosten per categorie van project en de niet subsidiabele kosten aangegeven. Deze onderdelen zijn in paragraaf 5 toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ‘verbeteren van de woonomgeving’ is een ruim begrip; daar kunnen veel activiteiten onder vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeenschappelijk kenmerk daarvan is dat het gaat het om het publieke domein en om publieke voorzieningen, dus om voorzieningen waarvan meerdere mensen en organisaties in de wijk of buurt gebruik kunnen maken en profijt hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 68 geeft de criteria aan waaraan een project moet voldoen om subsidie te kunnen verkrijgen; deze zijn hiervoor toegelicht in paragraaf 5. Een project dient in ieder geval te zijn gericht op één of meer van de doelen uit het Provinciaal beleidskader Stedelijke vernieuwing 2012-2015, en voor te komen op de regionale projectenlijst. Daarnaast gelden nog enkele specifieke voorwaarden die in artikel 68, derde lid zijn opgenomen. Subsidie voor verbetering van woningen is mogelijk indien de WOZ-waarde niet meer bedraagt dan € 250.000,--. Het gaat om de waarde zoals die is vastgesteld op de peildatum van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder “woningen die bestemd zijn voor woningverbetering” in artikel 68, derde lid, onder a-c, worden de woningen verstaan die in aanmerking kunnen komen voor ISV subsidie voor particuliere woningverbetering of voor verbetering van corporatiewoningen op grond van deze regeling Voor wat betreft artikel 68, derde lid onder f kan nog worden opgemerkt dat aan de gemeentelijke cofinanciering wel een expliciet besluit ten grondslag dient te liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 69 regelt de budgetreservering. Jaarlijks bepalen provinciale staten in de provinciale begroting de omvang van het provinciale budget voor stimulering van de stedelijke vernieuwing en herstructurering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het budget dat beschikbaar is voor projecten, verdelen gedeputeerde staten vervolgens jaarlijks over de regio’s door middel van een reservering van een bedrag per regio. Op die manier kan flexibel worden ingespeeld op de behoeften en op actuele ontwikkelingen en inzichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 70 regelt de prioritering van projecten. Wanneer het regionale budget ontoereikend is, maakt de regio een selectie tussen projecten. Dit is maatwerk waarbij de regio een eigen, onderbouwde afweging kan maken. Dit artikel geeft richting aan deze afweging, zodat de provinciale prioriteiten daarin doorwerken. Dit gebeurt op basis van een puntensysteem. De voorwaarden uit artikel 68, tweede lid spelen hierbij allereerst een rol. Een project kan gericht zijn op meerdere doelen tegelijk; des te meer achterliggende doelen een project realiseert, des te meer punten een project krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie Fryslân, c.q. Plattelandsprojecten, heeft hierbij een faciliterende rol en kan gemeenten on-dersteunen in het proces om te komen tot een prioriteitsvolgorde. De gezamenlijke gemeenten besluiten over deze prioriteitsvolgorde. Bij gebreke van een selectie door de regio selecteren gedeputeerde staten de projecten voor de betreffende regio met inachtneming van artikel 70, leden 1 tot en met 4. : dit betreft projecten die mede zijn gericht op het op peil houden van leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in gebieden of kernen die te maken hebben of krijgen met de gevolgen van demografische veranderingen. Het is gewenst dat in verbeterprojecten waar dit speelt, met een goede onderbouwing wordt geanticipeerd op voorzienbare gevolgen. Dit betekent bijvoorbeeld dat in een herstructureringsproject voor een buurt met verouderde woningen, die te maken zal krijgen met leegstand, het slopen of samenvoegen van panden nodig kan zijn. : dit onderdeel betreft projecten die rekening houden met de cultuurhistorische waarden van waardevolle bebouwde gebieden. Dit zijn aangewezen beschermde gezichten (o.g.v. de Monumentenwet), gebieden of gezichten met bijzondere waarden en enkele specifieke karakteristieke buurten verbonden aan de stijlperioden waarin deze ontworpen zijn: Wederopbouw en Delfts Rood. Deze gebieden staan met hun cultuurhistorische waarden op de Cultuurhistorische Kaart (www.fryslan.nl/chk) van de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemsanering In de artikelen 71 tot en met 79 staan de bepalingen over bodemsanering. Hiervoor staat het ISV deelbudget bodemsanering ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 72 bevat een aantal vereisten waaraan de aanvraag voor gemeentelijke projecten dient te voldoen. Er is een standaard aanvraagformulier beschikbaar. Dit formulier is raadpleegbaar via de website van de provincie Fryslân (www.fryslan.nl). Zo dient de aanvraag een nader bodemonderzoek en een saneringsplan te bevatten. Het saneringsplan mag een concept betreffen. Een aantal bij de aanvraag in te dienen onderzoeken dient te zijn opgesteld door KWALIBO-gecertificeerde onderzoeksbureaus. KWALIBO (thans onderdeel van het Besluit bodem kwaliteit) is een wettelijke regeling voor kwaliteitsborging bij bodemintermediairs. Een van de consequenties van KWALIBO is dat bedrijven die actief zijn op het gebied van bodemonderzoek of bodemsanering, erkend dienen te zijn voor het mogen uitvoeren van deze activiteiten. In het vierde lid is bepaald dat gedeputeerde staten beslissen op basis van rangschikking. De rangschikking vindt plaats aan de hand van de voorkeursvolgorde genoemd in artikel 77 tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 73 bevat de vereisten waaraan de aanvraag voor particuliere projecten moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor particuliere projecten is gekozen voor de systematiek “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. In het vierde lid is daarom bepaald dat gedeputeerde staten beslissen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 74 en 75 geven aan welke de subsidiabele en niet subsidiabele kosten zijn voor bodemsaneringsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 74 vijfde lid is geregeld dat kosten voor bodemsanering die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van een andere regeling niet op grond van deze regeling vergoed kunnen worden. Bijvoorbeeld kosten die vergoed kunnen worden op grond van de zogenaamde Bedrijvenregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 76 en 78 bevatten de criteria waaraan gemeentelijke en particuliere bodemsaneringsprojecten moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Deze voorwaarden komen uit het Provinciaal beleidskader Stedelijke vernieuwing 2012-2015 en zijn afgeleid van het rijksbeleidskader voor bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 76 onder c en 78 onder e: De hoeveelheid verontreinigde grond (&gt;25 m³) of grondwater (&gt;100 m³) bepaalt samen met het verontreinigingsniveau (groter dan de interventiewaarde) of er sprake is van een al dan niet 'ernstig' geval van bodemverontreiniging. De interventiewaarden (I-waarde) zijn de verontreinigingsniveaus waarboven sprake is van ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 78 onder a en c is bepaald dat de vorige en de huidige eigenaar ook zelf bewoner moeten zijn (geweest). Achterliggende gedachte hierbij is dat voormalige bedrijventerreinen niet vervolgens als particulier terrein voor saneringsgelden in aanmerking komen, of dat andere speculatiewijzen hiermee worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 77 regelt de prioriteiten tussen gemeentelijke projecten in het geval het subsidieplafond wordt overschreden. Deze prioriteiten zijn voor de gemeentelijke projecten gebaseerd op het bodemconvenant “Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties” (op 10 juli 2009 afgesloten tussen IPO, VNG, Unie van Waterschappen en de Minister van VROM) en op het Provinciaal beleidskader Stedelijke vernieuwing 2012-2015. Humane spoedlocaties zijn in dit verband gevallen van ernstige bodemverontreiniging met risico’s voor de mens. Deze humane spoedlocaties moeten in 2015 zijn gesaneerd of beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de particuliere projecten vindt het opstellen van prioriteiten plaats op grond van de volgorde van binnenkomst van aanvragen en eventuele loting (zie artikel 73, vierde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsanering verkeerslawaai In de artikelen 80 tot en met 85 staan de bepalingen over geluidsaneringsprojecten in verband met verkeerslawaai.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 81 regelt wie een aanvraag voor een geluidsaneringsproject kan indienen. Dit zijn in beginsel alle Friese gemeenten; echter in de praktijk zal het waarschijnlijk alleen de gemeenten Achtkarspelen, Weststellingwerf, Heerenveen, Tytsjerksteradiel, Sud-West Fryslân, Dantumadeel en Boarnsterhim betreffen, omdat het om een afronding van geluidssaneringsprojecten op de A-lijst gaat (de zogenaamde lijst van “oud-weigeraars”).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat gedeputeerde staten de termijn bepalen waarbinnen de subsidieaanvraag ingediend kan worden. In het derde lid is bepaald dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van een kos-tenraming van het project – conform het model “” van het Bureau Sanering wegverkeerslawaai of een vergelijkbaar model.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde lid is geregeld hoe het budget wordt verdeeld over de aanvragers. Hierbij is de volgorde van binnenkomst van de aanvraag bepalend. Indien het subsidieplafond voor een bepaald jaar wordt overschreden en aanvragen van verschillende gemeenten op dezelfde dag worden ontvangen, wordt door middel van loting de rangschikking van de aanvragen vastgesteld. Dit zou er toe kunnen leiden dat een (deel van de uitvoering van een) project een jaar later voor subsidie in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 82 regelt de subsidiabele kosten. Twee soorten kosten zijn subsidiabel: de uitvoeringskosten van het project en de kosten voor de voorbereiding en de begeleiding. De voorbereiding en begeleiding worden meestal verzorgd door de Milieudienst waarin de betreffende gemeente ligt. De uitvoeringskosten zijn de kosten die de aannemer moet maken om de gevel(s) te isoleren. Voorwaarde is dat aan tenminste twee aannemers een offerte voor uitvoering van het project wordt gevraagd. Voor de voorbereiding en de begeleiding van het project is uitgegaan van een maximaal percentage van 15% van de uitvoeringskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is geregeld dat een vooruitbetaling aan de gemeente of Milieudienst kan worden gedaan. Alvorens aan aannemers een offerte wordt gevraagd, dient middels een akoestisch onderzoek duidelijk te zijn welke maatregelen moeten worden getroffen. Deze vooruitbetaling is bedoeld voor het uitvoeren van het akoestisch onderzoek en voor het opstellen van een kostenraming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 84 bevat de criteria waaraan een saneringsproject moet voldoen. Alleen voor woningen die in 1986 op de zogeheten A-lijst van het voormalige ministerie van VROM zijn vermeld en die nog niet eerder zijn gesaneerd kan subsidie worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen In de artikelen 86 tot en met 91 zijn de overige bepalingen en slotbepalingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 88 staat dat gedeputeerde staten aan een subsidie verplichtingen kunnen verbinden. Eén van die verplichtingen kan het bijhouden door de gemeente van de voortgang en de resultaten van het project zijn; op die manier kunnen samen met de gemeente per project de ijkmomenten worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieverlening vindt plaats in twee fasen. Gedeputeerde staten verlenen subsidie op basis van een projectaanvraag. Uitbetaling van de subsidie vindt vervolgens gefaseerd plaats tijdens de uitvoering van het project, naar gelang de realisatie van de verschillende projectonderdelen; het betalingsritme wordt vooraf bepaald, aan de hand van de tijdsplanning van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het project is gerealiseerd en opgeleverd, stellen gedeputeerde staten het definitieve subsidiebedrag vast. Dit bedrag kan nooit hoger zijn dan de verleende subsidie. Vaststelling geschiedt op aanvraag van de gemeente. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kunnen gedeputeerde staten de subsidie wijzigen of intrekken; in artikel 89, eerste en tweede lid is aangegeven in welke situaties dit kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooruitlopend op de realisering van projectonderdelen, kunnen gedeputeerde staten voorschotten verstrekken (artikel 91). Voorwaarde is dat de gemeente binnen een bepaalde periode subsidiabele kosten zal maken, en deze kosten op basis van realistische aannames heeft verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Titel 7 Stimuleringsregeling monumenten 2013 Algemene Toelichting Op basis van de Nota Erfgoed 2010-2013 wordt er jaarlijks een stimuleringsregeling opgesteld voor het stimuleren van restauratie, onderhoud en bouwhistorisch onderzoek van monumenten. De regeling voor 2013 sluit voor zover mogelijk aan op de Stimuleringsregeling 2012 De grootste 5 verschillen met de regeling van 2012 zijn de volgende. Dit betreft de aanpassing aan de gewijzigde systematiek door het Rijk bij het bepalen van de instandhoudingskosten, een voorrangscategorie voor aanvragen die bij provincie en rijk meerdere keren zijn afgewezen vanwege het overschrijden van subsidieplafonds, de verplichtingen aangaande de leerlingwerkplaats bij restauraties, de eisen ten aanzien van de restauratie kwaliteit en de versoepeling van de termijnen voor aanvang werk, uitvoering en definitieve vaststelling (zie hierna onder Hoofdkeuzes).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan middelen is € 2.400.000,-- beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De restauratiemiddelen van het Rijk zijn per juli 2012 gedecentraliseerd naar de provincie. Op 5 maart 2012 is hierover een bestuursovereenkomst ondertekend tussen Rijk en IPO. Voor Fryslân betekent dit dat er jaarlijks, een bedrag van bijna € 1,5 miljoen extra beschikbaar is voor de restauratie van rijksmonumenten. In de Nota Erfgoed was deze samenwerking in het kader van de Modernisering Monumentenwet al aangekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoeringsregeling wordt gebaseerd op de Subsidieverordening Ruimte. Gedeputeerde Staten hebben de bevoegdheid deze uitvoeringsregeling vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdkeuzes Binnen de uitgangspunten van de Nota Erfgoed zijn de volgende algemene keuzes gemaakt. Vele daarvan sluiten aan op de regeling van 2012. a. Gelet op de beleidsmatige aandacht voor herbestemming is een aanzienlijk deel van het beschikbare budget beschikbaar voor restauraties in combinatie met herbestemming. In het Coalitie- en Uitvoeringsakkoord is aangegeven dat er steeds meer karakteristieke gebouwen zonder maatregelen leeg komen te staan en te maken krijgen met achterstallig onderhoud. Het provinciebestuur wil de restauratie en het vernieuwend hergebruik van karakteristieke gebouwen stimuleren. Dit sluit ook aan op één van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg door het Rijk. Gelet op de beleidsmatige aandacht voor herbestemming wordt voorgesteld een fors deel van het beschikbare budget voor restauraties in combinatie met herbestemming te besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aandacht voor herbestemming sluit ook aan op het uitvoeringsprogramma streekplan 2011-2014 en het programma ruimtelijke kwaliteit. Hierin is het project Erfgoedparels opgenomen. Dat zich richt op locaties die in onbruik zijn, leeg staan of verpauperen. Een actievere provinciale rol kan ertoe bijdragen dat op grotere schaal locaties worden aangepakt en herontwikkeld. In 2013 zal deze inzet worden geïntensiveerd. Hierin wordt samengewerkt met de provincies Groningen en Drenthe en met het Rijk (Visie Erfgoed en Ruimte) om tot een gezamenlijke aanpak te komen. Dit heeft geresulteerd in het Kennispunt Herbestemming Noord dat door de noordelijke steunpunten monumentenzorg zal worden uitgevoerd. Instrumenten waar aan wordt gedacht zijn een digitaal meldpunt, herbestemmingsverkenningen, makelen en schakelen. Belangrijk is ook het stimuleren van gemeentelijk herbestemmingsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als karakteristieke panden worden de volgende categorieën aangemerkt: a. rijksmonumenten b. gemeentelijke monumenten; c. panden die zijn geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP); d. panden die door gemeenten als karakteristiek of beeldbepalend zijn aangemerkt in het bestemmingsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het vertrekpunt van de nota Erfgoed en de gedecentraliseerde rijksmiddelen restauratie is, dient het plan voor de herbestemming van een rijksmonument te zijn gecombineerd met een restauratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbestemmingen van monumenten gaan gepaard met hoge investeringskosten. Om toch tot een exploitabel beheer te kunnen komen wordt een subsidie verstrekt voor de restauratiekosten en de transformatiekosten. Deze transformatiekosten hebben uitsluitend betrekking op de bouwkundige ingrepen die nodig zijn om het pand te transformeren naar een nieuwe functie. b. Subsidie voor restauratie zonder herbestemming wordt uitsluitend verstrekt voor restauraties van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Gelet op het beperkte budget wordt er in het verlengde van de regeling van 2012 gekozen voor: * Rijksmonumenten, als zijnde van evident provinciaal belang. Daarmee wordt bestaand beleid op hoofdlijnen voortgezet voor ca. 80% van de subsidieverzoeken. * Gemeentelijke monumenten. Deze keuze is gemotiveerd op grond van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de waarborg van een gemeentelijk vergunningstelsel. Voor restauratie of wijziging aan een gemeentelijk monument is een gemeentelijke vergunning vereist.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de ‘koöperaasjegedachte’. Op deze wijze wordt beoogd het gemeentelijk monumentenbeleid te stimuleren en gezamenlijk in te zetten voor het behoud van het Friese erfgoed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>efficiëntie: door de subsidiebeschikkingen van de gemeente als uitgangspunt te nemen worden de provinciale bestuurslasten verlaagd. c. Subsidie voor onderhoud van rijksmonumenten wordt niet verleend. Alleen voor molens, die zijn aangewezen als rijksmonumenten, is ook subsidie voor onderhoud mogelijk, afgestemd op het BRIM. Voor gemeentelijke monumenten is naast restauratie ook voor onderhoud subsidie mogelijk. Het onderhoud aan rijksmonumentale molen moet worden uitgevoerd op basis van een zesjarig instandhoudingsplan. d. Voor restauratieaanvragen wordt gekozen voor een financiële ondergrens voor de subsidiabele kosten. Complementair aan de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten 2013 van het Rijk wordt de reguliere instandhouding (verantwoording Rijk) bepaald op 3% van de herbouwwaarde (zes maal jaarlijks 0,5%). Aanvragen met subsidiabele kosten hieronder komen niet voor subsidie in aanmerking. De redenen om hiervoor te kiezen zijn de volgende.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het onderscheid tussen wat in het spraakgebruik wordt aangeduid als onderhoud en restauratie is lastig te maken en wordt ook niet meer gehanteerd in het Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten (Brim) en Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim). In de systematiek van het Brim/Sim hebben aanvragen betrekking op “instandhouding” en kunnen zowel worden ingediend voor ‘reguliere werkzaamheden en/of beperkt herstel’ (lees: ‘onderhoud in combinatie met een beetje restauratie’), als ‘incidenteel ingrijpend herstel en/of een grote ingreep naast reguliere werkzaamheden’ (lees: ‘restauratie in combinatie met wijziging en onderhoud’). Een financiële grens geeft juridische duidelijkheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wanneer in de provinciale regeling gekozen wordt voor de genoemde financiële ondergrenzen zullen aanvragen onder dit bedrag een meer onderhoudsmatig karakter krijgen. Onderhoud is, behoudens de genoemde uitzonderingen, niet subsidiabel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het budget is beperkt en de aanvragen naar verwachting groot. Het voorkomen van het in grote getale afwijzen of uitloten van aanvragen moet worden voorkomen. De nadruk dient te liggen op de plannen met het restauratiekarakter. Gelet op de afspraken tussen Rijk en IPO wordt een scheiding tussen restauratie en reguliere instandhouding beoogd. De bedragen onder de financiële ondergrenzen worden beschouwd als meer onderhoudsmatig en een rijksverantwoordelijkheid waar de provincie niet aan bijdraagt. e. Afhandeling van subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst. f. Geen subsidie voor woonhuizen. Woonhuizen zijn meestal monumenten met een economisch rendabele functie. Eigenaren van woonhuis-rijksmonumenten kunnen bovendien de kosten van onderhoud fiscaal aftrekken. In veel gevallen van deze groep bestaat verder de mogelijkheid een laagrentende lening af te sluiten via het Nationaal Restauratiefonds. g. Groene en archeologische monumenten worden niet gesubsidieerd. Monumentaal groen als onderdeel van een ensemble met een gebouwde buitenplaats is wel subsidiabel. h. Uitgesloten voor subsidieaanvraag zijn overheden. Geen subsidie wordt verleend voor monumenten in eigendom van overheidsorganen als provincie, gemeente, waterschap. Van overheden mag worden verwacht dat zij de gebouwen in hun bezit in stand houden, binnen de exploitatie van de organisatie. i. De hoogte van de subsidie te stellen op:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>60 % van de subsidiabele kosten voor restauratie van rijksmonumenten met een maximum van € 400.000,--;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>15% van de subsidiabele kosten voor onderhoud van rijksmonumentale molens met een maximum van € 7.500,-- indien er voor dezelfde onderhoudsactiviteiten een BRIM-beschikking is verleend;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten voor restauratie en onderhoud van gemeentelijke monumenten met een maximum van € 45.000,-- en is de verleende gemeentelijke subsidie lager, dan gelijk aan het gemeentelijk bedrag van de gemeentelijke subsidie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>50% van de subsidiabele kosten voor restauraties met herbestemming van rijksmonumenten met een maximum van € 400.000 en waarbinnen het aandeel voor de herbe-stemming niet groter mag zijn dan € 200.000. Voor een maximum van € 200.000 voor het transformatiedeel is gekozen, omdat gelet op de nota erfgoed en de overeenkomst over de decentralisatie, binnen het totale budget van de regeling het zwaartepunt op restauratie ligt. Bovendien wordt eventuele staatssteun voorkomen vanwege de maximale de-minimis van € 200.000 in drie jaar voor andere dan restauratiewerkzaamheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000 voor restauraties met herbestemming indien dit een niet-rijksmonument betreft. Voor een maximum van € 200.000 is gekozen, omdat gelet op de nota erfgoed en de overeenkomst over de decentralisatie, het zwaartepunt op rijksmonumenten ligt. Bovendien wordt eventuele staatssteun voorkomen vanwege de maximale de-minimis van € 200.000 in drie jaar voor niet formeel aangewezen monumenten. j. Vier Specifieke budgetten buiten de openstelling van de regeling om voor stichtingen Alde Fryske Tsjerken en Fryske Mole en twee onderzoeken: een bouwhistorische inventarisatie en Interieurs in Fryslân.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor restauraties van objecten van deze twee provinciale aangewezen organisaties gelden specifieke budgetten (Alde Fryske Tsjerken € 92.000,-- en Fryske Mole € 150.000,--), gelet op hun bijzondere positie van provinciaal belang. Deze bijzondere positie is ook in de bestuursovereenkomst tussen Rijk en IPO over de decentralisatie van de restauratiemiddelen benoemd. Omdat vooraf al duidelijk is voor wie deze budgetten bedoeld zijn, worden deze buiten deze regeling gehouden en apart verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onderzoeken zal incidentele subsidie worden verleend voor twee bijzondere bouwhistorische onderzoeken, namelijk een onderzoek naar interieurensembles door de Stichting Interieurs in Fryslân (2013-2017: € 60.000,-) en een bouwhistorische inventarisatie van het beschermde stadsgezicht van IJlst op basis van de samenwerkingsovereenkomst met de gemeente Súdwest-Fryslân (€ 10.000,-). k. Versoepeling van de termijnen voor aanvang werk, uitvoering en vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijnen van het beginnen binnen één jaar en uitvoeren binnen twee jaar mogen elk met een jaar worden verlengd, in het geval er uiterlijk binnen een jaar na de provinciale subsidiebeschikking, een Brim/Sim-beschikking wordt verkregen. Verder uitstel wordt niet verleend, omdat het onwenselijk wordt geacht dat subsidiegeld jarenlang wordt ‘opgespaard’. Daarmee wordt voorrang aan (nagenoeg) uitvoeringsgerede restauratieplannen gestimuleerd. Dit wordt mede ingegeven door de wens van het stimuleren van de economie, met name de noodlijdende bouw- en restauratiesector. Het karakter van een relatief kortdurende restauratie (ingrijpend herstel) verschilt ook van reguliere instandhouding over een periode van zes jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval de provinciale subsidie wordt verstrekt voor een PIP-plan (onderhoud) waarvoor ook, uiterlijk één jaar na de provinciale subsidieverlening, een Brim/Sim-subsidie wordt verleend, mag de definitieve afrekening plaatsvinden binnen de daarvoor geldende Brim/Sim-termijn. Daarmee wordt onnodige administratieve druk en kosten bij de aanvrager voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie mag er in plaats van een plan voor het onderhoud voor de 6 jaar na subsidievaststelling, ook een PIP worden ingediend dat voor de Brim is ingediend, ook al heeft dat geen betrekking op de volledige 6 jaar na subsidievaststelling. m. Leerwerkplaats als verplichting in de subsidiebeschikkingen voor restauraties op te nemen. Dit stimuleert voldoende kwaliteit in de restauratiebouw voor de toekomst. Aansluitend aan de rijksregeling wordt verder als verplichting gesteld dat bij de uitvoering bedrijven worden betrokken die voldoen aan de voor de beroepsgroep geldende normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budget en subsidieplafonds Totaal te besteden: 2,4 miljoen De regeling bestaat uit vijf categorieën met bijbehorende subsidieplafonds. Hierbij is rekening gehouden met provinciale beleidsaccenten, afspraken met het Rijk en de uitkomsten van het overleg met monumentenorganisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het gedecentraliseerde rijksgeld alleen besteed mag worden aan rijksmonumenten worden deze apart onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals genoemd gelden er specifieke budgetten voor de Stichtingen Alde Fryske Tsjerken en de Stichting Fryske Mole.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Restauratie met herbestemming € 650.000 B. Restauratie rijksmonumenten € 650.000 C. Restauratie en onderhoud gemeentelijke monumenten € 50.000 D. Onderhoud rijksmonumentale molens € 78.000 E. Meervoudig afgewezen aanvragen € 650.000 F. Specifieke budgetten buiten de regeling om</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>IJlst (bouwhistorische inventarisatie) € 10.000</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Stichting Interieurs in Fryslân € 60.000</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Rijksmonumenten Stichting Alde Fryske Tsjerken € 92.000</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Rijksmonumenten Stichting Fryske Mole € 150.000 Totaal € 2.400.000 Artikelsgewijze toelichting bij Titel 7 Stimuleringsregeling monumenten 2013</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 92</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsomschrijvingen wordt zoveel mogelijk aangesloten op de begripsomschrijvingen en toelichting van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (BRIM) 2013, of wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De definities gelden zowel voor rijksmonumenten als niet-rijksmonumenten. Voor enkele begrippen is een nadere toelichting opgenomen.</p></div>", "next": 239796}