{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">mandaat geldt alleen als de omgevingsvergunning door het dagelijks bestuur in mandaat is verleend B.25 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing geluidhinder bij bouw- en sloopwerkzaam-heden</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Bouwbesluit 2012</h3>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB mandaat geldt alleen als de omgevingsvergunning door het dagelijks bestuur in mandaat is verleend B.26 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing trillings-hinder bij bouw- en sloopwerkzaam-heden</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Bouwbesluit 2012</h3>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB mandaat geldt alleen als de omgevingsvergunning door het dagelijks bestuur in mandaat is verleend B.27 beslissen dat het uiterlijk van de bouwwerken genoemd in artikel 12, lid 1, aanhef en onder a en b in ernstige mate in strijd is in met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria opgenomen in de welstandsnota, bedoeld in artikel 12, eerste lid, 12a, eerste lid, onderdeel b Woningwet art. 12, lid 1, en 12a, eerste lid, onderdeel b Woningwet college mandaat DB B.28 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing van in het Bouwbesluit gegeven voorschriften omtrent het slopen of het uitvoeren van bouw- of sloop-werkzaamheden, voor zover dat bij of krachtens Bouwbesluit is toegestaan art. 6, lid 2, art. 2, lid 2 en 3 Woningwet college mandaat DB mandaat geldt alleen als de omgevingsvergunning door het dagelijks bestuur in mandaat is verleend B.29 verlenen van de verklaring (als bedoeld in art. 2.4 Wabo) waarin wordt verklaard dat de omgevings-vergunning voor bouwen wordt verleend als de ontheffing van het Bouwbesluit door de minister wordt verleend art. 7, lid 2 Woningwet college mandaat DB mandaat geldt alleen als de omgevingsvergunning door het dagelijks bestuur in mandaat is verleend B.30 het bij omgevings-vergunning expliciet toestaan een bouwwerk te bouwen, dan wel deel daarvan in stand te laten voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften in de Bouwverordening omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem alsmede de bouwverordening kan voorschriften bevatten van stedenbouwkundige aard. art. 7b, lid 1 en 2 art 8, lid 2 en lid 5 Woningwet college mandaat DB mandaat geldt alleen als de omgevingsvergunning door het dagelijks bestuur in mandaat is verleend B.31 vaststellen standplaatsen en ligplaatsen en afbakenen standplaatsen en ligplaatsen art. 6, lid 2 en lid 3, Wet basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en art. 7, lid 1, aanhef en onder c, Verordening basisinformatie 2018. college mandaat DB B.32 aanwijzingen geven voor het aanbrengen van naamborden art. 8 Verordening basisinformatie 2018 college mandaat DB B.33 aanwijzingen geven voor het aanbrengen van (huis)nummerborden op objecten door rechthebbenden art. 9 Verordening basisinformatie 2018. college mandaat DB B.34 aanbrengen, onderhouden, wijzigen of verwijderen peilmerken aan een bouwwerk of gebouw en het daarmee uitvoeren van metingen voor de Registratie meetbouten art. 23 Reglement basisinformatie 2018 college mandaat DB</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Openbare ruimte, groen en parken Algemene beperking: delegatie en mandaat zijn beperkt tot situaties die zich geheel binnen de grenzen van een stadsdeel voordoen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen C.1 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een omgevings-vergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand (incl. weigeren, wijzigen, stellen van voorschriften, aanhouden beslissing, overdracht, verlengen beslistermijn en alle voorbereidende en uitvoerende besluiten) art. 2.2, lid 1, aanhef en onder g, art. 2.5, art. 2.6, art. 2.25, lid 3, art. 2.26, art. 2.29, art. 2.31, art. 3.1, art. 3.2, art. 3.4 , art. 3.8, art. 3.9, art. 3.10, art. 3.11, art. 3.12, art. 3.15 Wabo juncto art. 3, eerste lid Bomenverordening 2014 college mandaat DB zie algemene beperkingen nummer 3, 4 en 5 genoemd bij onderdeel 1. Gebiedsontwikkeling en ruimtelijk beheer C.4a alle overige besluiten ter uitvoering van de Bomenverordening, met uitzondering van de aanwijzing van toezichthouders Bomenverordening 2014 college mandaat DB C.5 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing om voorwerpen aan te brengen boven of over de weg of vast te maken aan bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden ten behoeve van de openbare dienst art. 4.2, lid 2, APV college mandaat DB C.6 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning om voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten art. 4.3, lid 1, APV college mandaat DB C.7 het stellen van nadere regels en het aanwijzen van wegen en weggedeelten als bedoeld in art. 4.5 APV art. 4.5, lid 2 en lid 3, APV college delegatie DB C.8 aanwijzen van aanplakobjecten voor het aanbrengen van meningsuitingen die geen reclame zijn; stellen van nadere regels voor het gebruik van de aangewezen aanplakobjecten art. 4.8, lid 1 en lid 4, APV college delegatie DB C.9 beoordelen van mededelingen inzake de toelaatbaarheid van reclame aan onroerende zaken; vaststellen van de vereisten waaraan een mededeling moet voldoen stellen van nadere regels over de toelaatbaarheid van reclame aan roerende zaken; art. 4.10 APV, art. 4.11 lid 2 sub a APV college delegatie DB C.10 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het maken van reclame op of aan de weg art. 4.11, lid 3, APV college mandaat DB C.11 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het verspreiden van voorwerpen voor reclamedoeleinden art. 4.12, lid 2, APV college mandaat DB C.12 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor werkzaamheden op of in de weg art. 4.13, lid 2, APV college mandaat DB C.13 aangeven van de afmetingen waarbinnen beplantingen op of in de weg moeten worden teruggebracht</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 4.14, lid 2, APV college mandaat DB C.14 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het parkeren van voertuigen van autobedrijven e.d. art. 4.20, lid 2, APV college mandaat DB C.15 aanwijzen van weg of weggedeelten waarop het verboden is voertuigen te koop aan te bieden; beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het te koop aanbieden van voertuigen art. 4.21, lid 2 en 3, APV college delegatie DB C.16 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het parkeren van reclamevoertuigen art. 4.23, lid 2, APV college mandaat DB C.17 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het parkeren van grote voertuigen art. 4.24, lid 3, APV college mandaat DB C.18 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het parkeren van caravans e.d. art. 4.25, lid 2, APV college mandaat DB C.19 uitoefenen bevoegdheden inzake het parkeren van fietsen, bromfietsen en gehandicapten-voertuigen art. 4.27, lid 1 t/m 4 APV college mandaat DB C.20 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het gebruik van explosieven art. 5.4, lid 1, APV college mandaat DB C.21 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor veroorzaken hinder door toestellen, geluidsapparatuur en machines in werking te hebben of andere handelingen te verrichten art. 5.5, lid 2, APV college mandaat DB C.22 aanwijzen van ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen per kalenderjaar waarop de in het Activiteitenbesluit opgenomen lichthinder-voorschriften ten behoeve van incidentele festiviteiten en activiteiten binnen een inrichting voor sportactiviteiten niet van toepassing zijn art. 5.6, lid 3 onder b, APV burge-meester mandaat VZ mandaat heeft uitsluitend betrekking op inrichtingen in de zin van art. 1.1, vierde lid Wet milieubeheer, die op 1 januari 2013 niet behoren tot een categorie van inrichtingen waarvoor een vergunning is benodigd op grond van artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo C.22a aanwijzen van ten hoogste twee dagen of delen van dagen per kalenderjaar waarop de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsvoorschriften ten behoeve van incidentele festiviteiten binnen een inrichting voor horeca-activiteiten niet van toepassing zijn. art. 5.6, lid 2 onder c, APV burge- meester mandaat VZ C.22b aanwijzen van ten hoogste twaalf dagen of delen van dagen per kalenderjaar waarop de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsvoorschriften ten behoeve van incidentele festiviteiten binnen een inrichting voor sport- en recreatie-inrichtingen niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 5.6 lid 2 onder d, APV burge-meester mandaat VZ mandaat heeft uitsluitend betrekking op inrichtingen in de zin van art. 1.1, vierde lid Wet milieubeheer, die op 1 januari 2013 niet behoren tot een categorie van inrichtingen waarvoor een vergunning is benodigd op grond van artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo C.23 aanwijzen van plaatsen waar met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd mag worden gehouden; stellen van regels over het gebruik van de onder punt 1 bedoelde plaatsen art. 5.8, lid 2, APV college delegatie DB C.24 aanwijzen van groenvoorzieningen waarin het verboden is zich daarin te bevinden; beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor gebruik groen-voorzieningen art. 5.9, lid lid 2 en lid 5, APV college delegatie DB C.25 aanwijzen van plaatsen waarop de opruimplicht voor uitwerpselen van honden niet van kracht is art. 5.12, lid 2, APV college delegatie DB C.26 aanwijzen van plaatsen waar het aanlijngebod voor honden niet van kracht is art. 5.13, lid 2, APV college delegatie DB C.27 aanwijzen van plaatsen waar het verboden is voor honden art. 5.14 APV college delegatie DB C.28 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor de verkoop van duivenvoer art. 5.16, lid 3, APV college mandaat DB C.29 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte (incl. aanhouden, intrekken en overschrijven) art. 9, lid 1, art. 12, art. 13, art. 16 en art. 18 Verordening werken in de openbare ruimte college mandaat DB mandaat geldt niet als de openbare ruimte betrekking heeft op de Plus- en hoofdnetten Infrastructuur C.30 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een instemmingsbesluit voor het uitvoeren van werkzaamheden in of op openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels Telecom-municatiewetartikel 1.1 onder kabels art. 5.4, lid 1 en lid 4 Verordening werken in de openbare ruimte: artikel 1 college mandaat DB mandaat geldt niet als de openbare ruimte betrekking heeft op de Plus- en hoofdnetten Infrastructuur C.31 aanwijzen van wegen waarop het verboden is zich op of aan de weg op te houden met het kennelijke doel anderen te bewegen een abonnement te nemen op een krant, blad of andere publicatie, een steunverklaring te geven, om lid of donateur te worden van een organisatie of om deel te nemen aan een onderzoek of enquête; beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het aanbieden van diensten op de openbare weg art. 2.50, lid 3 en lid 4 APV college</p>\n<p class=\"lf-p\">delegatie DB 3. Afval en grondstoffen Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen D.1 stellen van regels over de inzameling van categorieën huishoudelijke afvalstoffen art. 3 lid 2 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 3 lid 2 oud) college mandaat DB D.2 aanwijzen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk worden ingezameld dan wel de aanwijzing daarvan achterwege laten en het vaststellen van een omschrijving van deze afvalstoffen art. 3 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 3 oud) college mandaat DB D.3 aanwijzen met behulp van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamel-voorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt art. 4 lid 2 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 4 lid 4 oud) college mandaat DB D.4 aanwijzen van plaatsen voor inzamelvoorzieningen ten behoeve van groepen percelen en stellen van regels ten aanzien van de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via deze voorzieningen moeten worden aangeboden art. 4 lid 3 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 8 lid 4 oud) college mandaat DB D.5 besluiten dat de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel plaatsvindt art. 4 lid 4 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 4 lid 2 oud) college mandaat DB D.6 besluiten dat huishoudelijke afvalstoffen minder vaak dan 1 keer per week worden ingezameld art. 4 lid 5 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 4 lid 3 oud) college mandaat DB D. 7 vaststellen van de inzamelfrequentie art. 5 Afvalstoffen-verordening (nieuw) college mandaat DB D.8 stellen van regels omtrent het gebruik van een van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel en van regels omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden art. 10 lid 3 en lid 4 Afvalstoffenverordening (nieuw) (art. 8 lid 3 en lid 4 oud) college mandaat DB D.9 aanwijzen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen die zonder inzamelmiddel kunnen worden aangeboden art. 10 lid 5 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 8 lid 5 oud) college mandaat DB D.10 vaststellen van de dagen en tijden waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling mogen worden aangeboden art. 11 lid 1 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 9 lid 1 oud) college mandaat DB D.11 stellen van regels omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst of andere inzamelaars art. 12 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 10 lid 1 oud) college mandaat DB D.12 aanwijzen van categorieën bedrijfsafvalstoffen die door de inzameldienst worden ingezameld</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 13 lid 1 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 13 oud) college mandaat DB D.13 stellen van regels omtrent het inzamelen en ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen art. 13 lid 5 en art. 13a lid 2 Afvalstoffen-verordening (nieuw) (art. 14 lid 3 en art. 15 lid 1 oud) college mandaat DB 4. Monumenten en archeologie Algemene beperking: als op grond van onderdeel 7 (Milieu en duurzaamheid) de bevoegdheden o.g.v. de Wabo en milieuregelgeving bij het college blijven, dan blijven de bevoegdheden genoemd in dit onderdeel ook bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen E.1 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht (Rijksmonumenten) art. 2.1, lid 1, aanhef en onder f, art. 2.5, art. 2.6, art. 2.25, lid 3, art. 2.26, art. 2.29, art. 2.31, art. 3.1 t/m 3.6, art. 3.8, art. 3.9, art. 3.10, art. 3.11, art. 3.12, art. 3.15 Wabo college mandaat DB E.2 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een omgevings-vergunning voor het verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een gemeentelijk monument op een dusdanige wijze waardoor het wordt ontsierd of de monumentale waarden in gevaar worden gebracht art. 2.2, lid 1, aanhef en onder b, art. 2.5, art. 2.6, art. 2.25, lid 3, art. 2.26, art. 2.29, art. 2.31, art. 3.1 t/m 3.6, art. 3.8, art. 3.9, art. 3.10, art. 3.11, art. 3.12, art. 3.15 Wabo juncto art. 10 Erfgoedver-ordening Amsterdam college mandaat DB E.3 intrekken van een omgevingsvergunning voor het verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of gemeentelijke monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument of gemeentelijk monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht art. 2.33, art. 5,19 Wabo en art.14 Erfgoedverordening Amsterdam college mandaat DB E.4 toepassen van de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van de Awb ten behoeve van een door de minister te nemen besluit op een aanvraag voor een vergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een archeologisch monument dan wel een vergunning voor het herstellen, gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het archeologisch monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht van een archeologisch monument Erfgoedwet art. 14a en Monumentenwet 1988 college mandaat DB E.5 aanwijzen, intrekken en wijzigen van een aanwijzing van een gemeentelijk monument art. 3, lid 1, art. 8, lid 1 en art. 9, lid 1, Erfgoedver-ordening Amsterdam college mandaat DB E.6 bepalen dat een beschrijving wordt opgesteld van het beoogde aan te wijzen gemeentelijk monument art. 3, lid 4, Erfgoedver-ordening Amsterdam college mandaat DB E.7 bepalen dat een gemeentelijk monument gedocumenteerd moet worden art. 9, lid 5,</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfgoedver-ordening Amsterdam college mandaat DB E.8 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van nadeelcompensatie art. 25 Erf-goedver-ordening Amsterdam college mandaat DB E.9 registreren van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten op de lijst van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten art. 17 Erf-goedver-ordening Amsterdam college mandaat DB E.10 reageren op een voornemen tot aanwijzing van stads- en dorpsgezichten als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht of wijziging van een aanwijzing als gemeentelijk stads- en dorpsgezicht art. 16 en 18 Erfgoedver-ordening Amsterdam Raad het college vraagt het DB daarbij om advies E.11 het nemen van een selectiebesluit conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie art. 24, lid 1 Erfgoedverordening Amsterdam college mandaat DB deze taak wordt door het bevoegd gezag door-gemandateerd aan het afdelingshoofd Monumenten en Archeologie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdeling Monumenten en Archeologie van de directie R&amp;D stelt vast of een archeologisch rapport (artikel 39, lid 2 van de Monumentenwet) voldoet aan de kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en het Kwaliteitshandboek van het team Archeologie van de afdeling Monumenten en Archeologie. De afdeling Monumenten en Archeologie stelt aan de hand van een archeologisch rapport ook het selectiebesluit op E.12 het vaststellen van een programma van eisen conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie art. 24, lid 3 Erfgoedverordening Amsterdam college mandaat DB Deze taak wordt door het bevoegd gezag door- gemandateerd aan het afdelingshoofd Monumenten en Archeologie. De afdeling Monumenten en Archeologie van de directie R&amp;D stelt vast of een archeologisch rapport (artikel 39, lid 2 van de Monumentenwet) voldoet aan de kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en het Kwaliteitshandboek van het team Archeologie van de afdeling Monumenten en Archeologie. De afdeling Monumenten en Archeologie stelt aan de hand van een archeologisch rapport ook het selectiebesluit op.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.13 het vaststellen of een bouwhistorisch onderzoek of rapport voldoet aan de Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek art. 1, lid 1 en artikel 3, lid 4 Erfgoedverordening Amsterdam college mandaat DB E.14 het handhaven op het niet voldoen aan de in E.1 en E.2 genoemde aanvragen. Waarbij zonder of in afwijking van een vergunning een monument verstoord wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen genoemd bij E.1 en E.2 art. 2.1, lid 1, aanhef en onder f, art 2.2, lid 1 en onder b, art. 10 Erfgoedverordening Amsterdam, artikel 125 Gemeentewet en 5:21. 5:31 Awb college mandaat DB 5. Wonen F.1 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een onttrekkingsvergunning voor sloop of voor ander gebruik, (incl. voorbereidingshandelingen, het stellen van aanvullende voorwaarden en/of voorschriften, overschrijven op een nieuwe eigenaar en intrekken) art. 21, eerste lid, onderdeel a, artikel 24 tot en met artikel 26 van de Huisvestingswet 2014 en hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 1 tot en met 3 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB de bevoegdheid om te handhaven met bestuurlijke sancties op grond van de Huisvestingswet en de Awb wordt niet gemandateerd F.2 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor een Bed &amp; Breakfast (incl. voorbereidingshandelingen en intrekken) Artikel 21, artikel23c, artikel 24 tot en met artikel 26 van de Huisvestingswet 2014 en hoofdstuk 3, afdeling III, paragraaf 7 tot en met 9 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB de bevoegdheid om te handhaven met bestuurlijke sancties op grond van de Huisvestingswet en de Awb wordt niet gemandateerd ingevolge de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 is er geen bevoegdheid om deze vergunning over te schrijven of om aanvullende voorwaarden en/of voorschriften te stellen F.3 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor vakantieverhuur (incl. voorbereidingshandelingen en intrekken) Artikel 21, artikel 23c, artikel 24 tot en met artikel 26 van de Huisvestingswet 2014 en hoofdstuk 3, afdeling III, paragraaf 7 tot en met 9 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB de bevoegdheid om te handhaven met bestuurlijke sancties op grond van de Huisvestingswet en de Awb wordt niet gemandateerd ingevolge de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 is er geen bevoegdheid om deze vergunning over te schrijven of om aanvullende voorwaarden en/of voorschriften te stellen F.4 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een samenvoegings-vergunning (incl. voorbereidingshandelingen, het stellen van aanvullende voorwaarden en/of voorschriften, overschrijven op een nieuwe eigenaar en intrekken) art. 21, eerste lid, onderdeel b, artikel 24 tot en met artikel 26 van de Huisvestingswet 2014 en hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 1 tot en met 3 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB de bevoegdheid om te handhaven met bestuurlijke sancties op grond van de Huisvestingswet en de Awb wordt niet gemandateerd</p>\n<p class=\"lf-p\">F.5 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een omzettingsvergunning (incl. voorbereidingshandelingen, overschrijven op een nieuwe eigenaar en intrekken) art. 21, eerste lid, onderdeel c, artikel 25 en artikel 26 van de Huisvestingswet 2014en hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 1 tot en met 3 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB de bevoegdheid om te handhaven met bestuurlijke sancties op grond van de Huisvestingswet en de Awb wordt niet gemandateerd ingevolge de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 is er geen bevoegdheid om ten aanzien van een omzettingsvergunning aanvullende voorwaarden en/of voorschriften te stellen F.6 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor woningvorming (incl. voorbereidingshandelingen, het stellen van aanvullende voorwaarden en/of voorschriften, overschrijven op een nieuwe eigenaar en intrekken) art. 21, eerste lid, onderdeel d, artikel 24 tot en met artikel 26 van de Huisvestings- wet 2014 en hoofdstuk 3, afdeling I, paragraaf 1 tot en met 3 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB de bevoegdheid om te handhaven met bestuurlijke sancties op grond van de Huisvestingswet en Awb wordt niet gemandateerd F.7 Het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een splitsingsvergunning (incl. voorbereidingshandelingen, het stellen van aanvullende voorwaarden en/of voorschriften, overschrijven op een nieuwe eigenaar en intrekken) art. 22, artikel 24 tot en met artikel 26 Huisvestingswet 2014 en Hoofdstuk 3, afdeling II, paragraaf 4 tot en met 6 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 college mandaat DB 6. Economie Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan Soort overdracht Verleend aan Bijzonderheden en beperkingen G.1 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing die betrekking heeft op de openingstijden van een winkel c.a. alle ontheffings-mogelijk heden genoemd in art. 6 Winkel-tijdenwet, het Vrijstellingen besluit Winkeltijdenwet en de Verordening Winkeltijden Amsterdam 2017 College Mandaat DB mandaat heeft geen betrekking op het stellen van regels ten aanzien van de verdeling van avondwinkels (art. 5, lid 4 Verordening Winkeltijden Amsterdam 2010) wellicht nadere regels in kader scherper alcoholbeleid en 24-uurseconomie G.2 uitvoering geven aan de Marktverordening art. 3.1, art. 3.3, lid 1 art. 3.6, onder d, e, g, h, i en j art. 3.7 art. 3.8 art. 3.9 art. 3.10 art. 3.11 art. 3.12 art. 3.13 art. 3.14 art. 3.15 art. 3.16 art. 3.19 art. 3.20 art. 3.22 art. 3.24 art. 3.25 art. 3.26 art. 3.27 art. 3.29 art. 4.1 art. 4.5 art. 6.1 art. 6.2, lid 1 art. 6.2, lid 2, onder f, h, i en j art. 7.4 (mbt 3.15) College Mandaat DB De bevoegdheid op grond van artikel 4.5 beperkt zich tot verboden die worden ingesteld om het karakter van een markt op afstand te bepalen en te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">G3 uitvoering geven aan de Verordening op de staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten art. 3.1 art. 3.4 art. 3.7 art. 3.8 art. 3.9 art. 3.11 art. 4.5 art. 6.1, lid 1 art. 6.1, lid 2 art. 6.1, lid 5, onder h.1t/m3 en 5 art. 7.4 (mbt art. 3.7) College Mandaat DB G4 uitvoering geven aan de Marktverordening art. 3.3, lid 2 art. 5.1 art. 5.2 art. 5.3 College Delegatie DB G5 uitvoering geven aan de Verordening op de staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten art. 5.1 College Delegatie DB G6 instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen art. 160, lid 1, aanhef en onder h Gemeentewet College Mandaat DB 7. Milieu (VTH) Algemene beperking: als sprake is van een inrichting waarvoor op 1 januari 2013 een vergunning benodigd is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo,worden de bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om een omgevingsvergunning niet gemandateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen H.1 beslissen op aanvragen voor een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, lid 1 onder i Wabo, voor andere activiteiten die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving art. 2.1, lid 1, onder i, Wabo, art. 2.2a Bor college mandaat DB H.2 alle voorbereidingsbesluiten en –handelingen ten behoeve van het vaststellen van hogere geluidwaarden art. 45 e.v, art. 55, lid 4, art. 110a t/m art. 110c Wet geluidhinder college mandaat DB mandaat voor het voorbereiden van besluit hogere waarden volgt de bevoegdheidsverdeling van de besluiten waarop voor het besluit hogere waarde ziet H.4 voorbereiden en opstellen van milieueffecten-beoordelingen en besluit betreffende (aanmeld)notitie vormvrije mer-beoordeling art. 7.2, lid 1 onder b en 7.16 en 7.17 Wet milieubeheer en Besluit milieu-effecten-rapportage college mandaat DB bevoegd gezag hangt af van besluit waarvoor de al dan niet vormvrije beoordeling van de milieu-effectenrapportage wordt verricht. mandaat tot het voorbereiden van de al dan niet vormvrije beoordeling van de milieu-effectenrapportage volgt de bevoegdheidsverdeling van het besluit waarvoor de beoordeling van de milieu-effectenrapportage wordt opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.5 voorbereiden en opstellen van het milieu-effectenrapportage art. 7.2, 7.2a, 7.7, 7.16 t/m 7.19, 7.22, 7.24, 7.25, 7.27 Wet milieubeheer en Besluit milieueffec-tenrapportage college mandaat DB bevoegd gezag: hangt af van besluit waarvoor milieueffectenrapportage wordt opgesteld. mandaat van de voorbereiding van het milieueffectenrapportage: volgt de bevoegdheidsverdeling van het besluit waarvoor het milieu-effectenrapportage wordt opgesteld. mandaat ziet niet op het advies omtrent reikwijdte en detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieu-effecten-rapportage als bedoeld in art. 7.24, lid 2 en 3, art .7.27, lid 2 Wet milieubeheer H.6 uitoefenen van bevoegdheden en uitvoeren van taken op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer Activiteiten-besluit milieu-beheer en Activiteiten-regeling milieu-beheer college mandaat DB mandaat heeft uitsluitend betrekking op inrichtingen waarvoor op 1 januari 2013 geen vergunning benodigd is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e, Wabo, en waarbij geen sprake is van een vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo, waarbij het college bevoegd is op grond van de onder 1. van dit hoofdstuk genoemde algemene beperking H.7 uitoefenen van bevoegdheden en uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk 8, 10, 17, 19 van de Wet milieubeheer (Wm) gestelde regels Wet milieu-beheer college mandaat DB voor zover de taken en bevoegdheden betrekking hebben op inrichtingen, heeft het mandaat uitsluitend betrekking op inrichtingen waarvoor op 1 januari 2013 geen vergunning benodigd is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e, Wabo, en waarbij geen sprake is van vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo, waarbij het college bevoegd is op grond van de onder 1. van dit hoofdstuk genoemde algemene beperking H.8 uitoefenen van bevoegdheden en uitvoeren van taken op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen Besluit lozen buiten inrichtingen college mandaat DB met uitzondering van bevoegdheden en taken die betrekking hebben op het lozen van grondwater bij bodemsaneringen en proefboringen als bedoeld in artikel 3.1; het lozen van grondwater bij ontwateringen als bedoeld in artikel 3.2 8. Wegen Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen I.1 nemen van verkeersbesluiten en het plaatsen van verkeersborden op het onderliggende wegennet en Plusnet ov bus, Plusnet fiets en overige wegen art. 15 en art. 18 Wegen-verkeerswet college mandaat DB mandaat geldt niet indien sprake is van een door het college aan te wijzen grootstedelijk opgave dan wel een stadsdeeloverschrijdend belang betreft I.2 besluiten over ontheffingverlening art. 87 Reglement Verkeers-regels en Verkeers-tekens 1990 college mandaat DB mandaat is beperkt tot situaties die zich geheel binnen de grenzen van een stadsdeel voordoen I.3 dagelijks beheer en onderhoud art. 15 Wegenwet college mandaat DB mandaat is beperkt tot de wegen en werkzaamheden die tot de taken van het dagelijks bestuur behoren (zie de overzichtskaarten opgenomen als bijlage B) I.4 ter inzage leggen en mededeling daarvan doen van een afschrift van een uitspraak in beroep waarbij een weg aan het openbaar verkeer wordt onttrokken art. 12 Wegenwet college mandaat DB mandaat geldt niet als de weg onderdeel uitmaakt van hoofdnet auto, plusnet /corridor auto, hoofdnet tram en plusnet tram.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.5 het onderhoud van een binnen de gemeente liggende weg ten laste van de gemeente brengen; het opleggen van de verplichting tot afkoopbare jaarlijkse uitkeringen aan degene, die van het onderhoud of het geven van bijdragen tot het onderhoud bevrijd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-79\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 20</span><span class=\"lf-art-t\">Wegenwet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB mandaat geldt niet als de weg onderdeel uitmaakt van het hoofdnet auto, plusnet /corridor auto, hoofdnet tram en plusnet tram.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Betaald parkeren en parkeergarages Nr.</div>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen J.1 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart alsmede het beperken van de geldigheidsduur, het verstrekken van een duplicaat en het ongeldig verklaren van een dergelijke kaart art. 49, 51, 52 en 53 BABW en de Regeling gehandi-captenparkeerkaart college mandaat DB 10. Gemeentelijk vastgoed Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen K.1 verhuren, ontruimen, kopen en verkopen en het vaststellen van huurprijzen van gemeentelijk vastgoed dat is opgenomen in een door het college goedgekeurd gebiedsplan art. 160, lid 1, aanhef en onder e, Gemeente-wet college delegatie DB door goedkeuring van het gebiedsplan verkrijgt het dagelijks bestuur het “economisch eigendom” van het betreffende gemeentelijk vastgoed 11. Waterbeheer Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen L.1 beschikkingen op grond van de Verordening op het binnenwater 2010, met uitzondering van beschikkingen op grond van: artikel 2.1.1 en het verlenen van ontheffing of vrijstelling hiervan op grond van artikel 2.6.1, eerste en tweede lid; artikel 2.1.2 en het verlenen van ontheffing of vrijstelling hiervan op grond van artikel 2.6.1, eerste en tweede lid; artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef, onder a, en tweede lid, en het verlenen van ontheffing of vrijstelling hiervan op grond van artikel 2.6.1, eerste en tweede lid; artikel 2.1.5; het verlenen van ontheffing of vrijstelling van artikel 2.1.7 op grond van artikel 2.6.1, eerste en tweede lid; artikel 2.1.9 en het verlenen van ontheffing hiervan op grond van artikel 2.6.1, eerste lid; artikel 2.1.12; het verlenen van ontheffing of vrijstelling van artikel 2.3.5 op grond van artikel 2.6.1, eerste en vijfde lid; artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef, onder b, c en d; artikel 2.4.1, tenzij de exploitatie op een afgesloten water in het stadsdeel plaatsvindt, en het verlenen van ontheffing of vrijstelling hiervan op grond van artikel 2.6.1, eerste en tweede lid; artikel 2.4.2; artikel 2.4.3; artikel 2.4.4; artikel 2.4.5; artikel 2.4.6; artikel 2.4.7; artikel 2.5.1 en het verlenen van ontheffing of vrijstelling hiervan op grond van artikel 2.6.1, eerste en tweede lid; hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 3.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening op het binnenwater 2010 college mandaat DB de bevoegdheid besluiten van algemene strekking te nemen (o.a. nadere regels) is niet gemandateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.2 intrekken of wijzigen van verleende ontheffingen of vergunningen op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (binnen de beperkingen van onderdeel L.1) art. 1.2.8 Verordening op het binnenwater 2010 college mandaat DB 12. Sociale basis Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen M.1 zorgdragen voor de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning op het gebied van wijkgericht welzijnswerk (opbouwwerk), activering en participatie, ondersteuning bewonersinitiatieven, bestrijden armoede en ocialive en signalering rond de aandachtsgebieden gezondheid, ocial isolement/eenzaamheid en armoede Wet maatschappelijke ondersteuning, Jeugdwet en ASA college mandaat DB Zie W2 voor ASA M.2 waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke zorg op de onder M.1 genoemde gebieden, als het verlenen van desbetreffende maatschappelijke ondersteuning door derden wordt verricht Wet maatschappelijke ondersteuning, Jeugdwet en ASA college mandaat DB Zie W2 voor ASA 13. Samenwerking zorg, werk &amp; inkomen en onderwijs Geen bevoegdheden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Diversiteit Geen bevoegdheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Kunst en cultuur Nr.</div>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen S.1 uitvoeren van het beleid in het kader van het Kunstenplan 2021 – 2024 ASA college mandaat DB mandaat geldt tot 1 januari 2025 en voor de periode hierna die nodig is voor de afhandeling van subsidiebeschikkingen 16. Sport Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen T.1 besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen college mandaat DB zie onderdeel 0. Algemeen. Vanaf 1 januari 2015 geldt het mandaat niet voor de inkoop die aan sport-accommodaties verbonden is alsmede het bepalen van de tarieven voor de verhuur. Vanaf 1 juli 2015 geldt het mandaat niet voor de verhuur van sport-accommodaties 17. Beheer en exploitatie begraafplaatsen en crematoria Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen U.1 nemen maatregelen ten behoeve van de identificatie en opsporing, voordat een graf van een onbekende wordt geruimd art. 31, lid 5 Wet op de lijkbezorging burgemeester mandaat VZ U.2 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om ontleding van een stoffelijk overschot art. 68 Wet op de lijkbezorging burgemeester mandaat VZ U.3 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het in gebruik nemen van een bewaarplaats voor urnen buiten een crematorium of begraafplaats art. 64 Wet op de lijkbezorging college mandaat DB U.4 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het bestemmen van een terrein om permanent as te verstrooien art. 66b Wet op de lijkbezorging College mandaat DB U.5 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om verkorting of verlenging van de termijn voor lijkbezorging art. 17 Wet op de lijkbezorging burgemeester mandaat VZ U.6 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om opgraving van een lijk art. 29 Wet op de lijkbezorging burgemeester mandaat VZ U.7 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om een laissez-passer art. 11 Besluit op de lijkbezorging burgemeester mandaat VZ U.8 uitvoeren van de beheers-verordening gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria Amsterdam Beheers-verordening gemeentelijke begraaf-plaatsen en crematoria Amsterdam college mandaat DB U.9 Uitvoering van artikel 21 van de Wet op de lijkbezorging (eenzame uitvaarten) Art.21, lid 1 Wet op de lijkbezorging burgemeester mandaat VZ Begraafplaatsen en crematoria vallen onder de Nieuwe Ooster 18. Burgerparticipatie, inspraak en initiatief Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen V.1 uitvoeren van de Algemene Inspraakverordening bij het verlenen van inspraak van beleidsvoornemens van het DB Algemene inspraak-verordening college en burge-meester mandaat DB 19. Subsidieverlening Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen W.1 uitvoeren ASA en titel 4.2 Awb binnen taken, bevoegdheden en budgetten bestuurs-commissies ASA en titel 4.2 Awb college mandaat DB W.2 uitvoeren van subsidieregelingen diverse subsidieregelingen. college mandaat DB mandaat geldt alleen als uit beleidskaders blijkt dat het dagelijks bestuur een uitvoerende rol heeft bij de betreffende subsidieregeling W.3 vaststellen subsidieregelingen Art. 3, 2e lid ASA college delegatie DB delegatie geldt alleen als uit beleidskaders blijkt dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft nadere regels vast te stellen en uit te voeren 20. Veiligheid en leefbaarheid Voor alle taken en bevoegdheden die op grond van de takenlijst en dit register zijn gemandateerd geldt dat de bevoegdheid om toezicht te houden of te handhaven onderdeel van het mandaat is tenzij anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mandaat en delegatie geldt niet voor stedelijke gebieden, projecten en belangen, zoals nader aangegeven op bij dit register behorende kaart bijlage A. Deze kaart wordt jaarlijks geactualiseerd en ter vaststelling voorgelegd aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt in het algemeen de beperking voor de bevoegdheden in dit hoofdstuk dat vergunningverlening, toezicht en handhaving alleen geldt in relatie tot de overige (gedelegeerde en) gemandateerde bevoegdheden met de daarbij vastgelegde beperkingen en met dien verstande dat de handhavingscapaciteit van het dagelijks bestuur en de organisatieonderdelen flexibel ten behoeve van stedelijke handhavingsprioriteiten zal worden ingezet conform de bestuurlijk afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen X.1 geven van een machtiging tot binnentreden in een woning voor de uitvoering van de toezichttaken die aan de bestuurscommissies zijn gemandateerd (andere doeleinden dan strafvordering) art. 2 en 3, lid 2 Algemene wet op het binnentreden burge-meester mandaat VZ ondermandaat is niet toegestaan X.2 geven van een machtiging tot binnentreden in een woning voor de toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de taken en bevoegdheden die aan de bestuurs-commissies zijn gemandateerd of gedelegeerd (andere doeleinden dan strafvordering) art. 5:27, lid 2 Algemene wet bestuursrecht en art 2 en 3, lid 2 Algemene wet op het binnentreden college en burge-meester delegatie en mandaat DB en VZ de bevoegdheid wordt gedelegeerd voor zover die betrekking heeft op taken en bevoegdheden die aan de bestuurscommissies zijn gedelegeerd. De bevoegdheid wordt gemandateerd voor zover die betrekking heeft op taken en bevoegdheden die aan de bestuurscommissies zijn gemandateerd. Voor de bevoegdheid kan, zowel bij de gedelegeerde als de ge mandateerde bevoegdheden alleen ondermandaat worden verleend aan de voorzitter X.3 opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gedelegeerd art. 125, lid 1 en lid 2, Gemeentewet, afd. 5.3.1 Awb, titel 4.4 Awb college delegatie en machti- ging DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.4 opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd art. 125, lid 1 en lid 2 Gemeentewet, afd. 5.3.1 Awb, titel 4.4 Awb college mandaat en machti- ging DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.5 opleggen van een last onder dwangsom, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gedelegeerd art. 125, lid 2 Gemeentewet, afd. 5.3.2 Awb, titel 4.4 Awb college delegatie DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.6 opleggen van een last onder dwangsom, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd art. 125, lid 2 Gemeentewet, afd. 5.3.2 Awb, titel 4.4 Awb college mandaat en machti- ging DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.7 opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 125, lid 3 Gemeentewet, afd. 5.3.1 Awb, titel 4.4 Awb burge-meester mandaat en machti- ging VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.8 opleggen van een last onder dwangsom, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd art. 125, lid 3 Gemeentewet, afd. 5.3.2 Awb, titel 4.4 Awb burge-meester mandaat en machti- ging VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.9 handhaven van redelijke eisen van welstand in het kader van de excessen-regeling als bedoeld in 3.4 van de welstandsnota bedoeld in artikel 12, eerste lid, 12a, eerste lid, onderdeel b Woningwet art. 12, lid 1 Woningwet college mandaat DB X.10 opleggen van de verplichting tot het laten opstellen van een onderhoudsplan door een deskundig persoon of een deskundige instantie aan een vereniging van eigenaars ten behoeve van een bij haar in beheer zijnd gebouw art.12d Woningwet college mandaat DB X.11 opleggen van de verplichting tot het binnen een te bepalen termijn treffen van voorzieningen waardoor de staat van dat gebouw of dat bouwwerk komt te liggen op een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, art. 13, art.1b, lid,2 art. 12d, lid 1 Woningwet college mandaat DB X.12 opleggen van de verplichting tot het binnen een te bepalen termijn treffen tot het treffen van voorzieningen vanwege redelijke eisen van welstand art. 13a, Woningwet college mandaat DB X.13 beslissen tot het in gebruik geven c.q. beheer geven van een gebouw, open erf of terrein dat op grond van artikel 17 Woningwet , artikel 174a van de Gemeentewet, een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet of artikel 13b van de Opiumwet is gesloten art. 13b en art. 14 Woningwet 174,174a Gemeente-wet, art. 13b van de Opiumwet college/ burge-meester mandaat DB X.14 besluit tot sluiten van gebouw, open erf of terrein, indien overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk I, II, of III Woningwet gegeven voorschriften met betrekking tot de staat of het gebruik van een gebouw, open erf of terrein gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid, en er een klaarblijkelijk gevaar is op herhaling van de overtreding art. 17 Woningwet college mandaat DB X.15 bestuursrechtelijk toezicht en handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met III Woningwet, het Bouwbesluit en Bouwverordening art. 92 Woningwet, Bouwbesluit 2012 en Bouwverordening college</p>\n<p class=\"lf-p\">mandaat DB X.16 beslissen tot verkoop in het openbaar van de overblijvende materialen indien toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften leidt tot het slopen van een bouwwerk, , tenzij, naar redelijkerwijs is te verwachten, bij onderhandse verkoop een hogere opbrengst kan worden verkregen art. 104 Woningwet college mandaat DB X.17 toezicht en handhaving schade en hinder door voorwerpen art. 4.6 APV college mandaat DB X.18 toezicht en handhaving illegaal aangebrachte aanplakbiljetten, afbeeldingen of teksten art. 4.7, lid 1 APV college mandaat DB X.19 toezicht en handhaving veroorzaken hinder door motorvoertuigen en bromfietsen art. 5.7 APV college mandaat DB X.20 toezicht en handhaving hinderlijk gebruik alcohol op de openbare weg art. 2.17 APV burge-meester mandaat VZ X.21 hinderlijk gedrag in of bij gebouwen art. 2.18 APV burge-meester mandaat VZ X.22 toezicht en handhaving verbod doen van natuurlijke behoefte buiten een urinoir c.a. art. 5.11 APV college mandaat DB X.23 toezicht en handhaving bespiedingsverbod art. 2.25, lid 2 APV burge-meester mandaat VZ X.24 toezicht en handhaving meldingsplicht sensoren art.2.25a, lid 2 APV college mandaat DB X.25 toezicht en handhaving Colportagewet Colportage-wet college mandaat DB X.26 toezicht en handhaving gevaarlijke honden art. 5.15 APV college mandaat DB X.27 toezicht en handhaving gebruik gedenktekens art. 4.16 APV college mandaat DB X.28 toezicht en handhaving verontreiniging van de weg en het water art. 4.17 APV college mandaat DB X.31 toezicht en handhaving speelcasino-vergunning art. 27h Wet op de Kansspelen college mandaat DB X.32 toezicht en handhaving plaatsing bewakingsapparatuur art. 2.25, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ X.33 toezicht en handhaving over het bezigen van vuurwerk art. 5.3 APV college mandaat DB uitvoering decentraal, aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.34 toezicht en handhaving parkeeroverlast Wegenverkeerswet, Wet Mulder college mandaat DB wegsleep: beleid en uitvoering toenemend centraal, vraag decentraal X.35 toezicht en handhaving bestemmingsplannen, grond-exploitatieplannen en omgevings-vergunningen Wet ruimtelijke ordening en Wabo college mandaat DB dit mandaat geldt alleen als de primaire bevoegdheid door het college aan het dagelijks bestuur is gemandateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">X.37 toezicht en handhaving inrichtingen die geen bouwwerk zijn Brand-beveiligingsveror-dening college mandaat DB X.39 toezicht en handhaving blokkeren parkeerruimte voor reservering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college Mandaat DB X.40 het aanwijzen van gebieden waar het verboden is om te barbecueën</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-81\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">A APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB X.41 het aanwijzen van gebieden waar het verboden is dieren te voeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB 21. Verkiezingen Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen Y.1 aanwijzen van ambtenaren voor het in ontvangst nemen van het proces-verbaal met de verzegelde pakken, bedoeld in artikel N 2 en artikel N 9 Kieswet art. N 11 Kieswet burge-meester mandaat VZ betreft overige verkiezingen en referenda; wellicht nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.2 aanwijzen van ambtenaren voor het in ontvangst nemen en aftekenen van ondersteuningsverklaringen art. H 4 Kieswet burge-meester mandaat VZ betreft overige verkiezingen en referenda ;wellicht nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.3 behandelen van aanvragen voor het verkrijgen van een vervangende stempas art. J 8 Kieswet burge-meester mandaat VZ betreft overige verkiezingen en referenda;wellicht nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie 22. Basis- en kernregistraties De bevoegdheden bij deze taak zijn opgenomen onder “B” Gebiedsontwikkeling en ruimtelijk beheer.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Overige gemandateerde bevoegdheden Nr.</div>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen Z.1 aanwijzen van wegen of weggedeelten waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flesjes, blikjes e.d. alsmede het aanwijzen van plaatsen en tijden waarop het verbod niet geldt art. 2.17, lid 2 en lid 4 APV burge-meester mandaat VZ Z.2 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor slapen op of aan de weg art. 2.20, lid 2 APV college mandaat DB Z.3 aanwijzen van wegen en tijden waarop het verbod om fietsen te verkopen op of aan de weg niet geldt art. 2.22, lid 3 APV burge-meester mandaat DB Z.4 mededeling doen van het oprichten c.a. van een inrichting voor het aanbieden van nachtverblijf en het vaststellen van een model-nachtregister art. 2.26, lid 2 en lid 3 APV burge-meester mandaat DB Z.5 vaststellen model-verkoopregister; waarmerken opkoopregister; ontvangen mededeling van een handelaar dat hij van het opkopen zijn beroep of gewoonte maakt; verlengen van de termijn waarbij het verboden is een door opkoop verworven zaak over te dragen of daaraan wijzigingen aan te brengen art. 2.28 t/m 2.30 APV en art. 2 uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht burge-meester mandaat DB Z.6 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning of vrijstelling voor het houden van een openbare inzameling (collectevergunning) art. 2.52. lid 1 en lid 4 APV college mandaat DB Z.7 aanwijzen van wegen of gedeelten daarvan, waarop het verboden is geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen te verspreiden, aan te bieden of bekend te maken alsmede het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing van dit verbod voor bepaalde dagen of uren art. 2.53, lid 1 en lid 2 APV college mandaat DB Z.8 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een loterijvergunning art. 3, lid 1 Wet op de kansspelen college mandaat DB Z.9 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor een evenement en het stellen van een andere termijn voor het indienen van een aanvraag art. 2.40, lid 1 en lid 3 APV burge-meester mandaat VZ dezelfde verhouding centraal-decentraal: aanscherping criteria evenementenbeleid, dit in verband met spanning lokale rust versus stedelijke uitstraling. Soms ook in verband met gevaarzetting. Na aanscherping criteria discussie over mate en wijze van handhaven Z.10 verbieden van een evenement als hiertegen bezwaren bestaan art. 2.41, lid 5 APV burge-meester mandaat VZ dezelfde verhouding centraal-decentraal: aanscherping criteria evenementenbeleid, dit in verband met spanning lokale rust versus stedelijke uitstraling. Soms ook in verband met gevaarzetting. Na aanscherping criteria discussie over mate en wijze van handhaven</p>\n<p class=\"lf-p\">Z.11 aanwijzen van gebieden en periodes waarvoor beperkingen worden gesteld aan het aantal te houden evenementen art. 2.41, lid 6 APV burge-meester mandaat VZ dezelfde verhouding centraal-decentraal: aanscherping criteria evenementenbeleid, dit in verband met spanning lokale rust versus stedelijke uitstraling. Soms ook in verband met gevaarzetting. Na aanscherping criteria discussie over mate en wijze van handhaven Z.12 aanwijzen van plaatsen waarvoor de vergunningplicht voor het houden van evenementen niet geldt art. 2.42, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.13 verbinden van voorschriften en beperkingen aan een evenementen-vergunning alsmede het bepalen dat een borgsom wordt betaald in het belang van deze voor-schriften een en ander voor zover het evenement binnen één stadsdeel plaats vindt art. 2.44, lid 1 en lid 2 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.14 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor een voor publiek toegankelijk evenement in een gebouw of vaartuig art. 2.47, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.15 aanwijzen van wegen en tijden waar niet als straatartiest mag worden opgetreden of waar geen muziek ten gehore mag worden gebracht en het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning als straatartiest of voor het ten gehore brengen van muziek art. 2.49, lid 1 en lid 2 APV burge-meester mandaat VZ Z.16 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf art. 3.8, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria stedelijke regie (horecahandhaving en alcoholbeleid) Z.17 beperken van de openingstijden van horecabedrijven en het ingeval van bijzondere omstandigheden of van bijzondere horecabedrijven verruimen van de openingstijden art. 3.15, lid 1 en lid 3 APV burge-meester mandaat VZ Z.18 wijzigen of intrekken van een exploitatie-vergunning voor een horecabedrijf art. 3.24 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.19 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een terras alsmede het aanwijzen van wegen waar geen terras mag worden geëxploiteerd alsmede het vaststellen van beleidsregels ten aanzien van de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een terras art. 3.17 en art. 3.18 APV</p>\n<p class=\"lf-p\">burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.20 beslissen op een aanvraag voor een vergunning voor een prostitutiebedrijf art. 3.3, art. 3.27, eerste lid en art. 3.32 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.21 beperken van de openingstijden van een prostitutiebedrijf art. 3.35 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.22 intrekken van een vergunning voor een prostitutiebedrijf art. 3.36 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.23 beslissen op een aanvraag voor een vergunning voor een escortbedrijf art. 3.40 en 3.43 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.24 beslissen op een aanvraag voor een vergunning voor een escortbedrijf dat niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd art. 3.2, 3.40 en 3.43 APV college mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.25 intrekken van een vergunning voor een escortbedrijf art. 3.44 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.26 intrekken van een vergunning voor een escortbedrijf dat niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd art. 3.2 en 3.44 APV college mandaat DB aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.27 beslissen op een aanvraag voor een seksinrichting art. 3.3, art. 3.47 en art. 3.49 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.28 intrekken van de vergunning voor een seksinrichting art. 3.52 APV burge-meester mandaat</p>\n<p class=\"lf-p\">VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.29 meedelen dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van zaken, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen van erotisch-porno-grafische aard de openbare orde of het leefklimaat in gevaar brengt art. 3.53, eerste lid APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.30 verlenen van een gedoogverklaring inzake de verkoop van softdrugs aan horecabedrijven bedoeld in het besluit van de burge-meester van 4 april 1995, nr. 953306 burge- meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie (in ieder geval maatwerk bij te verplaatsen en te sluiten coffeeshops; nauwe samenwerking transformatie en transitie en uitvoering nieuwe screening Bibob) Z.31 vaststellen van een formulier voor de aanvraag voor een gedoogverklaring als bedoeld in Y.30 art. 4:4 Awb burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.32 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het houden van openbare vermakelijkheden op zondag voor 13.00 uur art. 4, lid 3 Zondagswet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.33 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf of slijtersbedrijf (incl. het verbinden van voorschriften en het beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholische drank) art. 3, lid 1 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie (in kader van scherper alcoholbeleid) Z.34 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing van de bij of krachtens artikel 4 Alcoholwet gestelde regels met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen art. 4, lid 4 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.35 raadplegen van het register als bedoeld in artikel 8, lid 5 van de Alcoholwet bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 3, bij het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 35 en bij een melding als bedoeld in artikel 30a van de Alcoholwet</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 8, lid 5, aanhef en onder a Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.36 de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een bedrijf exploiteert als bedoeld in artikel 18, tweede lid en die in een periode van 12 maanden drie maal artikel 20, eerste lid, heeft overtreden, de bevoegdheid ontzeggen zwak-alcoholhoudende drank te verkopen vanaf de locatie waar bedoeld gedrag heeft plaatsgevonden art. 44, lid 1 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.37 opleggen van een last onder bestuurs-dwang ter handhaving van een krachtens artikel 44 Alcoholwet opgelegde ontzegging art. 44, lid 1 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.38 in ontvangst nemen van de melding van een wens van de vergunninghouder als bedoeld in artikel 30a, lid 1 Alcoholwet, bevestigen van de melding en het weigeren van de wijziging van het aanhangsel art. 30a Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.39 intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 3Alcoholwet art. 31 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.40 schorsen van een vergunning voor een periode van ten hoogste 12 weken in de gevallen bedoeld in artikel 31, lid 2 en lid 3 Alcoholwet art. 32 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ Z.41 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing ten aanzien van het verstrekken van zwak-alcohol-houdende drank bij een in de beschikking aangewezen bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen en de mogelijkheid om voor jaarlijks terugkerende identieke bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard, besluiten één ontheffing te verlenen, mits de verstrekking van zwak-alcohol-houdende drank telkenmale geschiedt onder onmiddellijke leiding van dezelfde persoon art. 35 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.42 toegang ontzeggen aan andere personen dan hen, die wonen in de ruimte, waarin in strijd met de Alcoholwet alcoholhoudende drank wordt verstrekt art. 36 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.43 opleggen van een bestuurlijke boete ter zake van overtreding binnen het stadsdeel van het bij of krachtens de artikelen 3, 4, 9, lid 3, lid 4 en lid 5, 12 tot en met 19, 20, lid 1 t/m 3, 22 lid 1, lid 2, 24 en 25, behoudens het gestelde in lid 3, 25a t/m 25d, 29, lid 3, 35, lid 2 en lid 4 of 38 van de Alcoholwet</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 44a Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.44 afwijken van artikel 10, lid 2, eerste zin, Alcoholwet, indien er sprake is van een lokaliteit die gevestigd is in een beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet art. 10, lid 2 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.45 toepassen van bestuursdwang ter handhaving van een krachtens artikel 44 Alcoholwet opgelegde ontzegging art. 44, lid 4 Alcoholwet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.46 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het aanwezig hebben van een speelautomaat met inachtneming van hetgeen in de artikelen 2 en 3, lid 1 en lid 2 van de Verordening kansspeelautomaten en speelautomatenhallen , incl. het verbinden van voorschriften en beperkingen aan een vergunning, het weigeren en intrekken van een vergunning. art. 30b, art. 30c, art. 30d, art. 30e en art. 30f Wet op de kansspelen burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.47 afhandelen melding klein kansspel en verbieden klein kansspel art. 7c Wet op de kansspelen college mandaat DB Z.48 opleggen van een bestuurlijke boete art. 35c Wet op de kansspelen burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.49 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal (incl. wijzigen en intrekken) art. 4 en art. 9 Verordening speelautomaten(hallen) burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.50 opvragen van strafregistergegevens en het vragen van inlichtingen uit de algemene documentatie-registers op grond van de artikelen 9 tot en met 13 van de wet en van artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens ten behoeve van: het nemen van besluiten op grond van de Wet op de kansspelen; ten behoeve van het nemen van besluiten op grond van de Alcoholwet ten behoeve van het nemen van besluiten voor het exploiteren van een horecabedrijf, een prostitutiebedrijf, een seks-inrichting of een speelautomatenhal art. 9 t/m 13 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, art. 13 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie als het mandaat betrekking heeft op prostitutie-bedrijven of seks-inrichtingen geldt het mandaat alleen voor de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum</p>\n<p class=\"lf-p\">Z.51 opvragen van strafregistergegevens en het vragen van inlichtingen uit de algemene documentatieregisters op grond van artikelen 9 tot en met 13 van de wet en artikel 15 van het Besluit justitiële gegevens ten behoeve van: artikel 7, eerste en tweede lid Wet Bibob juncto artikel 3, eerste lid Wet Bibob en de APV (het nemen van besluit voor het exploiteren van een horecabedrijf, een prostitutiebedrijf, een seks-inrichting of een speelautomaten-hal); artikel 27, derde lid Alcoholwet juncto artikel 3 Wet Bibob; artikel 31, tweede en derde lid Alcoholwet juncto artikel 3 Wet Bibob; artikel 30c, eerste lid onder c, artikel 30e, derde lid, artikel 30f, derde lid en artikel 30k, vierde lid Wet op de Kansspelen juncto artikel 3 Wet Bibob. art. 9 t/m 13 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, art. 13 en 15 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.52 opvragen van strafregistergegevens en het vragen van inlichtingen uit de algemene documentatieregisters op grond van artikelen 9 tot en met 13 van de wet en artikel 15 van het Besluit justitiële gegevens ten behoeve van: artikel 2.20, lid 1 en lid 2 Wabo; artikel 2.20, lid 1 en lid 2 Wabo juncto artikel 5.19, lid 4, onder b Wabo art. 9 t/m 13 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, art. 13 en 15 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens college mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.53 vragen van politiegegevens in verband met de beoordeling van het levensgedrag als bedoeld in de artikelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10, eerste lid, onder b;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11, derde lid, onder e;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.24, aanhef en onder b;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29, eerste lid, onder b van de APV 2008 en;</p>\n<p class=\"lf-p\">4, lid 1, onder b van het Speelautomatenbesluit 2000 Wet politiegegevens, Besluit politiegegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.54 vragen van politiegegevens op grond van artikel 4:3, eerste lid, onder l Besluit politiegegevens in verband met de beoordeling op grond van de Wet Bibob als bedoeld in: artikel 7, eerste en tweede lid Wet Bibob juncto artikel 3, eerste lid Wet Bibob en artikel 4 Besluit Bibob; artikel 27, derde en vierde lid Alcoholwet juncto artikel 3 Wet Bibob; artikel 31, tweede lid Alcoholwet juncto artikel 3 Wet Bibob art. 4:3, lid 1, aanhef en onder l, Besluit politiegegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Z.55 vragen van politiegegevens op grond van artikel 4:3, eerste lid, onder l Besluit politiegegevens in verband met de beoordeling op grond van de Wet Bibob als bedoeld in: artikel 2.20, lid 1 Wabo artikel 2.20, lid 1 juncto artikel 5.19, lid 4, onder b Wabo art. 4:3, lid 1, aanhef en onder l van het Besluit politiegegevens college mandaat VZ Z.59 verkorten van de aanmeldingstermijn voor een optocht, het geven van voorschriften en het verbieden van een optocht art. 2.34, lid 3, 2.35, 2.36, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ Z.60 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een geschiktheids-verklaring voor een pand als prostitutiebedrijf Bijlage 6 behorend bij de Bouwverordening Amsterdam 2013 (hoofdstuk 6A Bouw-verordening Amsterdam 2003 Gebruiksbepaling prostitutiebedrijven) college mandaat DB Bijlage Abehorende bij onderdeel B (Gebiedsontwikkeling en ruimtelijk beheer) van dit Bevoegdhedenregister: Kaart met grenzen van stedelijke gebieden, projecten en belangen Bijlage Bbehorende bij onderdeel I.3 (Wegen) van dit Bevoegdhedenregister: Overzichtskaarten van plus- en hoofdnetten van auto, fiets, openbaar vervoer, voetganger en van gemeentelijke wegtunnels en busstations Plus- en Hoofdnet Auto Plus- en Hoofdnet Fiets Hoofd- en plusnet Voetganger Gemeentelijke Wegtunnels Plus- en Hoofdnet OV Gemeentelijke busstations Toelichting Algemeen deel In het Hoofdlijnenbesluit bestuurlijk stelsel 2022 is overwogen dat het bestuurlijk stelsel vanaf 2022 vraagt om versterking en verbetering. Een heldere bestuurlijke inrichting van het stelsel is nodig en daarbij is een breed bestuurlijk draagvlak voor meer zeggenschap van het lokaal bestuur (inclusief budget), duidelijke bevoegdheden, goede sturingsmogelijkheden, controle en tegenspraak op stadsdeelniveau en verbeterde invloed van de bewoners. Stadsdeelbesturen en stadsdeelcommissies moeten meer invloed krijgen en de mogelijkheden voor inwoners om mee te denken, mee te doen en mee te beslissen moeten worden vergroot. Dit vraagt om verbeteringen in het bestuurlijk stelsel zelf, maar ook in de mogelijkheden voor participatie, ambtelijke organisatie en cultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar het vraagt bovenal om een concretisering van het mandaat van de stadsdelen. De invloed van stadsdelen moet groter en vooral beter aansluiten op de lokale opgave, door een gebiedsgerichte focus. We willen een stelsel dat beter uitlegbaar is, zodat bewoners weten waar ze moeten zijn met vragen en ideeën, en weten hoe en waarover ze kunnen meebeslissen over zaken die hun directe leefomgeving betreffen. Het lokale bestuur krijgt heldere taken, verantwoordelijkheden, instrumenten en ambtelijke ondersteuning om die opdracht waar te kunnen maken: De taken en bevoegdheden van het lokaal bestuur zijn grotendeels adequaat maar vragen wel nadere uitwerking en verheldering, zodat het voor bestuurders, ambtenaren, burgers en andere belanghebbenden duidelijk is waar ze over gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2018 was al een bestuursakkoord gesloten tussen college en stadsdeelbestuurders. Hoewel hierin goede afspraken werden gemaakt over de wijze van samenwerking (en ambtelijke ondersteuning) zijn de afspraken na ondertekening van het bestuursakkoord onvoldoende uit de verf gekomen. Meer duidelijkheid over de lokale bevoegdheden bij de stadsdelen en de zeggenschap daarover kan hierbij helpen en daarmee bijdragen aan de lokale opgave. Ook het versterken van de onderlinge relaties kan de samenwerkingscultuur bevorderen zoals jaarlijkse bestuursconferenties of het actief koppelen van collegeleden en raadsleden aan het stadsdeel en de stadsdeelcommissies. Uit eerdere evaluaties blijkt dat cultuurverandering een lange adem nodig heeft, dit gaat niet vanzelf. De roep voor een meer open en toegankelijke cultuur komt ook uit de inspraak en participatie naar voren. Met het voorstel van het college voor het bestuurlijk stelsel is het stelsel niet af. Stevige inzet en bestuurlijke aandacht ook voor houding en gedrag en gedeeld eigenaarschap zijn blijvend nodig om de gewenste veranderingen, waar de Amsterdammer mee gebaat is, tot wasdom te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening is op basis van bovenstaande de basis gelegd voor de inrichting en werkwijze van het lokale bestuur in de zeven stadsdelen en het stadsgebied van Amsterdam. De omvang van Amsterdam en de uiteenlopende problematiek in de verschillende delen van stad, vragen om een stevig lokaal bestuur. De lokale bestuurders zijn degenen die lokaal oplossen wat lokaal kan, die de oren en ogen van het college in het stadsdeel of stadsgebied vormen, die initiatieven nemen om de wijken leefbaar te houden en ruimte bieden aan initiatieven van de Amsterdammer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lokale bestuur is voor onze stad naast het centrale stadsbestuur essentieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zeven stadsdelen kennen een benoemd dagelijks bestuur, bestaande uit drie leden. Daarnaast is er een rechtstreeks gekozen stadsdeelcommissie met een minimum van 11 en een maximum van 17 leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel het dagelijks bestuur als de stadsdeelcommissie zijn vanaf 16 maart 2022 bestuurscommissies in de zin van artikel 83 Gemeentewet. Het dagelijks bestuur voert taken en bevoegdheden uit namens het college, de stadsdeelcommissie enkele taken en bevoegdheden namens de raad. Het zijn daarmee in juridische zin gelijkwaardige spelers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook geven de stadsdeelcommissies de dagelijks besturen gevraagd en ongevraagd advies. De stadsdeelcommissie kunnen voorstellen en moties indienen bij het dagelijks bestuur wat onderdeel vormt van hun controlerende taak. Het dagelijks bestuur neemt voorstellen en moties van de stadsdeelcommissie over en kan hier alleen met zwaarwegende redenen schriftelijk van afwijken. Tot slot onderhoudt en versterkt de stadsdeelcommissie netwerken van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Zij benut, faciliteert en stimuleert verschillende vormen van burgerparticipatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de omvang van hun takenpakket is het totale aantal stadsdeelcommissieleden uitgebreid ten opzichte van het stelsel tussen 2018 en 2022. Om die reden is ook hun vergoeding verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het bestuurlijk stelsel zoals dat per 16 maart 2022 geldt, is de verwachting dat er in de stadsdelen een evenwichtig bestuur zal zijn. Het uitvoering geven aan het dagelijks reilen en zeilen in het stadsdeel is aan het dagelijks bestuur. De stadsdeelcommissie heeft naast een stevige adviestaak, voldoende instrumentarium om het gesprek aan te gaan met de dagelijks besturen over hun keuzes. Dit geeft een mate van tegenwicht op lokaal niveau die nodig is om elkaar scherp te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stadsgebied Weesp, bestaande uit Weesp en Driemond, kent een andere bestuursvorm. In plaats van twee bestuurscommissies, een benoemd dagelijks bestuur en een gekozen stadsdeelcommissie, is er gekozen voor één gekozen bestuurscommissie, die uit haar midden een dagelijks bestuur aanwijst. In verband met de gemeentelijke fusie tussen Weesp en Amsterdam per 24 maart 2022 is hier bewust voor gekozen door de gemeenteraden van Weesp en Amsterdam. Centraal voor Weesp stond de nabijheid van bestuur in het stadsgebied. Met een direct gekozen bestuurscommissie van elf leden die de belangen van de inwoners van het stadsgebied behartigen en lokaal oplossen wat kan, is de verwachting dat hier aan wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">de stadsdelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Amsterdam kent zeven stadsdelen en één stadsgebied. De grenzen van de stadsdelen, die weer onderverdeeld zijn in de 22 gebieden, en het stadsgebied, dat is onderverdeeld in twee gebieden, zijn aangegeven op de kaart, die als bijlage 1 bij de verordening is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking verdient dat grote delen van Westpoort met ingang van 1 januari 2015 aan de stadsdelen West en Nieuw-West zijn toegevoegd. Voor het deel van Westpoort dat tot de haven hoort, geldt echter dat het geen onderdeel uitmaakt van de stadsdelen of gebieden. De ingezetenen van dat deel van Westpoort kunnen dus niet voor een stadsdeelcommissie of bestuurscommissie stemmen. Het aantal (stemgerechtigde) ingezetenen van dat deel is overigens zeer beperkt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 - Inrichting en samenstelling dagelijks bestuur</h3>\n<p class=\"lf-p\">De Gemeentewet biedt de mogelijkheid om verschillende commissies in te stellen. Op grond van artikel 83 van de Gemeentewet kunnen bestuurscommissies worden ingesteld. Dat zijn commissies die bevoegdheden kunnen uitoefenen die door de gemeenteraad, het college of de burgemeester aan hen zijn overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Gemeentewet moet een bestuurscommissie worden ingesteld door het orgaan dat de bevoegdheden aan de bestuurscommissie overdraagt. Dat orgaan moet daarbij de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van de commissie regelen en vaststellen op welke wijze verantwoording wordt afgelegd. Verder moet geregeld worden op welke wijze het orgaan dat de bestuurscommissie heeft ingesteld inzage heeft in de stukken waaromtrent door de commissie geheimhouding is opgelegd. In dit hoofdstuk wordt daar uitvoering aan gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het eerste lid stelt het college per stadsdeel een bestuurscommissie in. In het tweede lid staat dat de bestuurscommissie bestaat uit drie leden en dat de raad op voordracht van het college de leden van het dagelijks benoemt en ontslaat. De raad doet dit niet dan nadat de stadsdeelcommissie de kandidaat-leden heeft gehoord en naar aanleiding van die hoorzitting een advies heeft uitgebracht dat de raad betrekt bij de benoeming (derde lid). De voorzitter wordt op dezelfde wijze benoemd en ontslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan het voorschrift in artikel 83 van de Gemeentewet dat het instellend orgaan de inrichting en samenstelling van de bestuurscommissie moet regelen. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het dagelijks bestuur namens het college besluiten van de raad uitvoert. Om die reden benoemt de raad op voordracht van het college de leden van het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt, op basis van het tweede en derde lid van dit artikel de volgende procedure gehanteerd. Het college maakt een raadsvoordracht met daarin het besluit waarin de raad de dagelijks bestuurders benoemt. Het college maakt per stadsdeel een adviesaanvraag waarin een positief advies gevraagd wordt aan de stadsdeelcommissie over de voorgedragen kandidaten. Voorafgaand aan behandeling in de raad organiseren de stadsdeelcommissies een hoorzitting waar de voorgedragen kandidaten aanwezig zijn en gehoord kunnen worden. Daarna stemt de stadsdeelcommissie over de adviesaanvraag van het college, dit gaat individueel en anoniem per kandidaat. Als de adviesaanvraag over één of meerdere kandidaten geen meerderheid behaalt, krijgen de leden van de stadsdeelcommissie de gelegenheid om deze keuze te motiveren in de commissie waar in de portefeuille Bestuurlijk stelsel valt. Hierna stemt de raad over de voordracht van het college. Als er geen meerderheid is, zal het college een nieuwe voordracht doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder volgt uit dit artikel dat de raad op voordracht van het college niet alleen over de benoeming van de leden van het dagelijks bestuur gaat maar ook een oordeel kan uitspreken over het functioneren van die leden. Daarbij worden moties en adviezen van de stadsdeelcommissie over het functioneren van die leden betrokken.. In het uiterste geval kan de raad op voordracht van het college een lid van het dagelijks bestuur ontslaan. In beginsel is het ook in geval van ontslag aan het college om het initiatief te nemen om een voordracht te doen, aangezien het college het orgaan is dat de bestuurscommissie instelt en daaraan bevoegdheden overdraagt. Mocht de situatie zich voordoen dat de raad zou willen overgaan tot ontslag, maar het college geen voordracht tot ontslag doet, dan kan de raad via een motie het college bewegen om toch een voordracht tot ontslag te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">onverenigbare betrekkingen, verboden handelingen en nevenfuncties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Gemeentewet is voor leden van de gemeenteraad en het college een lijst met onverenigbare betrekkingen opgenomen. Zij kunnen bijvoorbeeld geen minister, lid van de Raad van State, gedeputeerde of lid van de rekenkamer zijn (artikel 13 en artikel 36a en 36b van de Gemeentewet). Verder is bepaald dat zij hun nevenfuncties openbaar moeten maken en is een aantal verboden handelingen opgenomen (artikel 12, artikel 15, eerste en tweede lid en artikel 41b van de Gemeentewet). In dit artikel wordt een aantal van deze artikelen voor het dagelijks bestuur van overeenkomstige toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt, net als voor collegeleden, voor de leden van het dagelijks bestuur dat zij ingezetene van de gemeente Amsterdam moeten zijn. De leden van het dagelijks bestuur hoeven niet per se in het stadsdeel te wonen waar zij in het dagelijks bestuur zitting nemen. Dat er affiniteit met het stadsdeel is kan ook op andere wijze blijken, bijvoorbeeld als zij een onderneming hebben in het stadsdeel. Bij het voordragen van dagelijks bestuurders wordt door het college breed gekeken en neemt bij de selectie de betrokkenheid bij de opgaven in het te besturen stadsdeel als belangrijk criterium mee. Voor de onverenigbare betrekkingen is nog van belang dat, in aanvulling op hetgeen in de verordening is bepaald, in de Gemeentewet staat dat in een door het college ingesteld dagelijks bestuur geen leden van de gemeenteraad zitting kunnen hebben (artikel 83, tweede lid, van de Gemeentewet). Dat is hier ook van toepassing. Tot slot is bepaald dat de gemeenteraad voor de leden van het dagelijks bestuur een gedragscode vaststelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">eed of verklaring en belofte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het dagelijks bestuur leggen een eed of verklaring en belofte af. Hiervoor zijn twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat zij de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad na installatie van de leden van het college worden geïnstalleerd. De tweede mogelijkheid is dat zij in dezelfde vergadering als de leden van het college worden geïnstalleerd, vanuit de gedachte dat de dagelijks bestuurders dan sneller kunnen beginnen. Dat is mogelijk als de benoeming van de dagelijks besturen al onderdeel van de coalitieonderhandelingen vormt. Het zittende college kan dan al de voordracht voor de dagelijks bestuurders doen en de adviesprocedure bij de stadsdelen in gang zetten, waarna de raad op basis van de voordracht én de adviezen van de stadsdeelcommissies de dagelijks bestuurders in dezelfde vergadering als de collegeleden zou kunnen benoemen. Bij een tussentijdse benoeming wordt de eed of verklaring en belofte ten overstaan van de voorzitter van het dagelijks bestuur afgelegd of diens plaatsvervanger (tweede lid). Voor de inhoud van de eed of verklaring en belofte wordt verwezen naar artikel 41a van de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">reglement van orde en adviescommissies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is geregeld dat het dagelijks bestuur zelf een reglement van orde voor de vergaderingen vaststelt. Het college zal een format opstellen voor een reglement zodat in de zeven stadsdelen niet zeven keer het wiel uitgevonden hoeft te worden terwijl het dagelijks bestuur wel de ruimte kan nemen die het nodig acht om invulling te geven aan een wijze van overleg die past bij de lokale cultuur. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat het dagelijks bestuur ook adviescommissies kan instellen om zich ook door andere organisaties van advies te laten dienen. De stadsdeelcommissies kunnen deze adviezen desgewenst ook bij hun adviezen betrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze bepaling zijn op de vergaderingen van het dagelijks bestuur de bepalingen inzake de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat de vergaderingen besloten zijn (artikel 54 van de Gemeentewet) en dat het vergaderquorum gelijk is (artikel 56 van de Gemeentewet). Voor de stemmingen binnen het dagelijks bestuur gelden eveneens dezelfde bepalingen als die op de stemmingen binnen het college van toepassing zijn. Op grond van artikel 86 van de Gemeentewet kan het dagelijks bestuur geheimhouding opleggen. In het tweede lid is, in aanvulling op wat er in artikel 86 van de Gemeentewet is bepaald, geregeld dat de door het dagelijks bestuur of de voorzitter van het dagelijks bestuur opgelegde geheimhouding niet geldt voor de gemeenteraad, het college en de burgemeester. Zij hebben, ook als er geheimhouding is opgelegd, wel recht op inzage in de stukken. Dit om te zorgen dat er een goede verantwoording richting de gemeenteraad, het college en de burgemeester mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">bestuurssecretaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is bepaald dat elk dagelijks bestuur over een bestuurssecretaris beschikt. Deze wordt door het college aangesteld. Aangezien de bestuurssecretaris een ambtenaar is en dus ondergeschikt is aan de gemeentesecretaris, maar wel tot taak heeft het dagelijks bestuur bij te staan, is bepaald dat de aanstelling op voordracht van de gemeentesecretaris en in overeenstemming met het dagelijks bestuur plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is bepaald dat de bestuurssecretaris de voorzitter en het dagelijks bestuur bij de uitoefening van hun taak terzijde staat. Dit betreft dus feitelijk de stadsdeelsecretaris. Naar analogie is dan ook in het tweede lid bepaald dat het eerste en het tweede lid van artikel 15 van de Gemeentewet inzake de verboden handelingen van overeenkomstige toepassing zijn (zie artikel 101 van de Gemeentewet). Tot slot is in het vierde lid geregeld dat het college ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de secretaris nadere regels kan stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">beeindiging lidmaatschap en tijdelijke vervanging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur zijn de bepalingen inzake de beëindiging van het lidmaatschap van het college van overeenkomstige toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lid van het dagelijks bestuur te allen tijde zelf ontslag kan nemen maar ook dat hij vanwege politieke redenen kan worden ontslagen (eerste lid). Daarnaast kan een lid van het dagelijks bestuur op grond van het tweede lid bij zwangerschap en bevalling of ziekte verlof opnemen en gedurende die periode door een ander lid worden vervangen. Zo worden mogelijke belemmeringen voor vrouwen bij het aanvaarden van een functie binnen het dagelijks bestuur weggenomen en worden de leden van het dagelijks bestuur bij ziekte in de gelegenheid te stellen prioriteit te geven aan hun gezondheid. Voor de inhoud van de regeling wordt aangesloten bij wat er in de Gemeentewet voor de tijdelijke vervanging van wethouders geregeld is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">taken en bevoegdheden dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is verwoord wat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur zijn. Geregeld is dat het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse bestuur- en beheerstaken en alle taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent die door het college aan hem zijn opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de concrete invulling van de taken en bevoegdheden wordt verwezen naar twee bijlagen. Daar staan de taken (bijlage 2) en bevoegdheden (bijlage 3) in die door het college en de burgemeester aan het dagelijks bestuur en de voorzitter worden gemandateerd of gedelegeerd. Deze bijlagen kunnen worden gewijzigd door middel van een besluit van het orgaan dat de taak of bevoegdheid heeft gemandateerd of gedelegeerd. De takenlijst en het bevoegdhedenregister bevatten een limitatieve opsomming van hetgeen het dagelijks bestuur in formele zin mag doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">taken en bevoegdheden voorzitter</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is vastgelegd wat de taken van de voorzitter van het dagelijks bestuur zijn. Hij leidt de vergaderingen van het dagelijks bestuur en oefent de taken en bevoegdheden uit die door de burgemeester aan hem zijn gemandateerd. Verder is aangesloten bij de bepalingen die voor wat betreft de taken en bevoegdheden van de burgemeester in artikel 170 van de Gemeentewet zijn opgenomen. Denk aan de tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid en de daaruit voortvloeiende besluiten en de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten. Tenslotte is geregeld dat de voorzitter kan worden vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, in geval van verhindering of ontstentenis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">bekendmaking besluiten dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bepaald is dat de besluiten van het dagelijks bestuur op dezelfde wijze bekend worden gemaakt als de besluiten van het gemeentebestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">advies dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 12 tot en met 17 van de verordening zijn voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de verhouding tussen het dagelijks bestuur enerzijds en het college en de burgemeester anderzijds. In dat kader wordt in het eerste lid van artikel 12 geregeld dat het college en de burgemeester het dagelijks bestuur bij de voorbereiding van stedelijke kaders betrekt als deze kaders betrekking hebben op de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur, of als het dagelijks bestuur een rol krijgt in de uitvoering van die kaders. Daarnaast staat in het tweede lid dat het college en de burgemeester advies moeten vragen aan het dagelijks bestuur als zij voornemens zijn de genoemde stedelijke kaders vast te stellen of anderszins voornemens is een besluit te nemen dat het stadsdeel raakt. Daar is voor wat betreft de bestemmingsplannen die door het dagelijks zijn voorbereid wel de uitzondering aan toegevoegd dat het dagelijks bestuur in de vaststellingsfase alleen nog om advies wordt gevraagd als ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan wijzigingen worden voorgesteld welke zijn aan te merken als wijzigingen van wezenlijke onderdelen of aard. Het dagelijks bestuur legt alle van het college en de burgemeester ontvangen adviesaanvragen op grond van artikel 19 ook aan de stadsdeelcommissie voor. De stadsdeelcommissie beslist vervolgens of zij de adviesaanvraag wil agenderen en desgewenst wil adviseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid staat dat het college en de burgemeester bij het inwinnen van het advies alle informatie dienen te verstrekken die nodig is om op een goede manier te kunnen adviseren. Daarbij kunnen het college en de burgemeester het dagelijks bestuur ook toegang geven tot documenten waarvoor geheimhouding is opgelegd. Het college en de burgemeester stellen op grond van het vierde lid voor het advies een termijn vast. Die bedraagt, uitzonderlijke gevallen daargelaten, in elk geval zes weken. Bij uitzonderlijke gevallen, waarin een kortere termijn gesteld kan worden, kan gedacht worden aan de situatie waarin een besluit op zeer korte termijn genomen moet worden. Tot slot staat in het vijfde lid dat het college en de burgemeester de volledige adviezen van het dagelijks bestuur -met daarbij het advies van de stadsdeelcommissie aan het dagelijks bestuur- samen met het voorstel aan de raad of het college voorleggen en dus steeds inzichtelijk maken wat er precies geadviseerd is. Met een beslispunt in de voordrachten wordt het betreffende advies, en hoe dit in de besluitvorming is meegenomen, onder de aandacht van college en raad gebracht. De structurele terugkoppeling aan de stadsdeelcommissies zal via de nota van beantwoording lopen, die standaard door de directies bij deze trajecten wordt opgesteld. Daarnaast moet het college of de burgemeester, als er van het advies wordt afgeweken, in de stukken duidelijk uitleggen waarom er van het advies afgeweken is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">toelichting dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een onderwerp aan de belangen van een of meerdere stadsdelen raakt, dan kan het dagelijks bestuur niet alleen om advies worden gevraagd. De verordening biedt het college of de burgemeester in dat geval ook de mogelijkheid een of meer leden van het dagelijks bestuur bij de collegevergadering aanwezig te laten zijn om het standpunt van het dagelijks bestuur toe te lichten. Het zou hier om grootstedelijke projecten kunnen gaan die formeel niet onder het stadsdeel vallen maar waarbij de inbreng van het stadsdeel vanwege de lokale expertise belangrijk is. Voorbeelden zijn grote ingrepen in de sfeer van verkeer en openbare ruimte of ruimtelijke ordeningskwesties die lokaal van bovengemiddeld belang zijn en veel aandacht trekken, maar ook projecten in het sociaal domein. Voorbespreking in het college van een komende commissie- of raadsbehandeling van een dergelijk stadsdeelspecifiek onderwerp kan ook een aanleiding zijn om het dagelijks bestuur aanwezig te laten zijn. Het is overigens altijd aan college en het betreffende stadsdeel om in goede samenwerking te bepalen wanneer toepassing wordt gegeven aan het artikel. Overigens is ook denkbaar dat een van de leden van het college een of meer leden van het dagelijks bestuur uitnodigt voor zijn of haar staf. Dit is ter beoordeling van de individuele leden van het college, waarbij ook het uitgangspunt van goede samenwerking met de stadsdelen geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">inlichtingen dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan het college en de burgemeester inlichtingen vragen aan het dagelijks bestuur of hun secretaris. De inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden gevraagd en dienen op grond van het tweede lid binnen vier weken te worden verstrekt, tenzij dit om bepaalde redenen niet mogelijk is. Bij technische of juridische redenen kan gedacht worden aan de situatie dat problemen met de server of bijvoorbeeld geheimhouding verspreiding van informatie belet. Tot slot biedt het derde lid het college en de burgemeester de bevoegdheid om het dagelijks bestuur op te dragen periodiek informatie te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">terugnemen bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening is voorzien in correctiemechanismen tussen het college en de burgemeester enerzijds en het dagelijks bestuur anderzijds. Aan het dagelijks bestuur zijn voornamelijk taken en bevoegdheden gemandateerd. Het dagelijks bestuur voert dus bevoegdheden uit namens het college. Het college blijft verantwoordelijk. Bovendien geldt voor een bestuurscommissie dat die altijd verantwoording af moet leggen aan het orgaan dat hem heeft ingesteld. Een enkele bevoegdheid wordt gedelegeerd. Daar is dit artikel op van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening is bepaald dat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen worden teruggenomen, ingeval deze gedelegeerd zijn. Dit kan incidenteel of structureel worden besloten. Op grond van het tweede lid moet in het besluit tot intrekking van de delegatie aandacht worden besteed aan de taken en bevoegdheden waar het besluit op ziet, voor welke periode het besluit geldt, welk dagelijks bestuur het betreft, op welke ambtelijke capaciteit het besluit ziet en hoe daarbij de kosten worden verdeeld. In het derde lid is bepaald dat over het terugnemen van de taken en bevoegdheden vooraf overleg met het betrokken dagelijks bestuur plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">indeplaatsstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verordening biedt ook de mogelijkheid om in de plaats te stellen. Voor de invulling van deze mogelijkheid is aansluiting gezocht bij de bepalingen die op dit punt in de Gemeentewet opgenomen zijn. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er, anders dan bij hetgeen in de Gemeentewet geregeld is, in dit geval niet op de beslissingsbevoegdheid van een andere zelfstandige bestuurslaag wordt ingegrepen. Dit veronderstelt dat in beginsel minder terughoudend met het middel kan worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort gezegd kan het college tot indeplaatsstelling overgaan indien een dagelijks bestuur een gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt, een gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht of een andere gevorderd resultaat niet, niet tijdig of niet naar behoren tot stand brengt. Het college voorziet daar dan namens en ten laste van het dagelijks bestuur in. In het tweede, derde en vierde lid zijn in dat verband wel een aantal procedurele voorschriften opgenomen. Bijvoorbeeld over de termijn die het dagelijks bestuur moet worden gegund om een verzuim te herstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">schorsing en vernietiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de mogelijkheid om bevoegdheden terug te nemen voorziet de verordening in de mogelijkheid om de besluiten van het dagelijks bestuur te vernietigen wegens strijd met het recht of met het algemeen stedelijk belang. Bij de invulling van dit correctiemechanisme is aansluiting gezocht bij hetgeen op dit punt in de Gemeentewet geregeld is. Van belang is echter wel dat er in dit geval geen sprake is van het ingrijpen op de bevoegdheden van een andere bestuurslaag. Er is sprake van verlengd lokaal bestuur en er is dus geen verhouding die vergelijkbaar is met de verhouding die er bijvoorbeeld tussen de gemeenten en het Rijk en de provincies is. Het middel kan dus in beginsel breder worden ingezet dan binnen het reguliere interbestuurlijk toezicht het geval is. Voor de vernietiging zijn verschillende procedurele voorschriften opgenomen. Daarbij is met name van belang dat een besluit op grond van het tweede lid, hangende het onderzoek naar de vernietiging, kan worden geschorst en dat het dagelijks bestuur, op grond van het vierde lid, voorafgaand aan de vernietiging de gelegenheid tot overleg moet worden geboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">toelichting dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 18 en 19 van de verordening zijn voorschriften opgenomen die betrekking hebben op de verhouding tussen het dagelijks bestuur enerzijds en de raad en de stadsdeelcommissie anderzijds. Het dagelijks bestuur kent een directe verantwoordingsrelatie tot het college omdat dat het orgaan van wie het taken en bevoegdheden uitoefent. Tegelijkertijd kent de stadsdeelcommissie enkele instrumenten om de wijze van besturen door het dagelijks bestuur te controleren, zoals het indienen van moties en doen van voorstellen (artikel 30). Hoe de verschillende spelers in de stad zich tot elkaar verhouden, komt tot uitdrukking in de artikelen 18 en 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kunnen een of meer leden van het dagelijks bestuur een vergadering van de raadscommissies van de gemeenteraad bijwonen waar een onderwerp wordt behandeld waarbij de belangen van het dagelijks bestuur betrokken zijn. Daar kunnen zij hun standpunt toelichten. Dit gaat op verzoek van het college of de burgemeester. De raad kan het college verzoeken om aanwezigheid van een of meer leden van het dagelijks bestuur. Een lid van het dagelijks bestuur vervangt het betrokken lid van het college niet. Het lid van het dagelijks bestuur neemt naast het desbetreffende lid van het college plaats en licht toe welke afwegingen er door het dagelijks bestuur zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een belangrijk verschil tussen de toelichting die een lid van het dagelijks bestuur op grond van artikel 18 in de vergadering van een raadscommissie van de gemeenteraad kan geven en de toelichting die een lid van het dagelijks bestuur op grond van artikel 13 in een vergadering van het college kan geven. Voor het college geldt dat het dagelijks bestuur het eerste aanspreekpunt is als het gaat over zaken die in een stadsdeel spelen. Een lid van het dagelijks bestuur kan dus voor de vergaderingen van het college worden uitgenodigd en het woord voeren als het gaat om een onderwerp dat het stadsdeel raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadscommissie van de gemeenteraad is echter de stadsdeelcommissie primair de gesprekspartner als het om de belangen van het stadsdeel gaat. Een lid van het dagelijks bestuur kan in de vergaderingen van de raadscommissie van de gemeenteraad daarom alleen het standpunt van het dagelijks bestuur toelichten indien het om de belangen van het dagelijks bestuur gaat. Bijvoorbeeld als een door het dagelijks bestuur genomen besluit aan de orde komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding dagelijks bestuur tot de stadsdeelcommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De stadsdeelcommissie is een bestuurscommissie die een adviserende en controlerende taak heeft op stadsdeelniveau en daarnaast een aantal eigen taken en bevoegdheden van de raad. De stadsdeelcommissie voorziet het dagelijks bestuur gevraagd van advies. In het eerste lid van artikel 19 is in dat verband bepaald dat het dagelijks bestuur alle adviesaanvragen die het van het college ontvangt, voorlegt aan de stadsdeelcommissie. Het gaat er om dat de stadsdeelcommissie zo snel mogelijk na binnenkomst van de aanvragen op de hoogte wordt gesteld van de adviesaanvragen van het college. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door een zogeheten dagmail of een ander soort aankondiging. De stadsdeelcommissie kan vervolgens besluiten om advies uit te brengen aan het dagelijks bestuur over het stadsdeeladvies richting college. De stadsdeelcommissie bepaalt zelf waar zij haar tijd voor wil inzetten. Zij is niet verplicht om alle adviesaanvragen van het college die het dagelijks bestuur voorlegt te beoordelen, maar besluit zelf om advies uit te brengen over de adviesaanvragen zij het meest belangrijk en relevant vindt voor het stadsdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat het dagelijks bestuur in elk geval advies vraagt aan de stadsdeelcommissie als het voornemens is een taak of bevoegdheid uit te oefenen waarbij een uniforme openbare voorbereidingsprocedure in de zin van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of inspraak in de zin van de Algemene inspraakverordening aan de orde is. Dat geldt ook als er producten voor de gebiedscyclus worden opgesteld. Als er advies moet worden gevraagd, dan bespreekt het dagelijks bestuur met de stadsdeelcommissie op welke wijze inwoners en ondernemers bij de besluitvorming worden betrokken en stelt het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie in de gelegenheid advies uit te brengen..</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is in de gevallen genoemd in het tweede lid dus verplicht om advies te vragen. Dit neemt niet weg dat het dagelijks bestuur ook in andere gevallen om advies kan vragen. Het is aan het dagelijks bestuur om te bepalen welke adviezen er verder nog aan de stadsdeelcommissie worden gevraagd en in welke gevallen er afspraken worden gemaakt over de wijze waarop inwoners en ondernemers bij de voorbereiding van de besluitvorming worden betrokken. Dit kan ook in hele concrete gevallen zijn. Verder is van belang dat de stadsdeelcommissie ook ongevraagd adviezen kan uitbrengen over ontwikkelingen in de buurten en wijken en over stedelijke kaders. Een signaal of advies kan dus ook op initiatief van de stadsdeelcommissie op de agenda komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft het voorgenomen besluit is bepaald dat het om voorgenomen besluit moet gaan dat op initiatief van het dagelijks bestuur wordt genomen. Dit is anders als het dagelijks bestuur voornemens is een besluit te nemen op grond van een door een inwoner of ondernemer aangevraagde vergunning of ontheffing. In de gevallen waarin een inwoner of ondernemer namelijk een vergunning of ontheffing aanvraagt en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wettelijk voorgeschreven is, is er geen tijd en ruimte om de stadsdeelcommissie om advies te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het inwinnen van het advies moet het dagelijks bestuur op grond van het derde en vierde lid alle informatie verstrekken die voor het geven van advies nodig is en ook een termijn voor het geven van het advies stellen. De adviestermijn dient daarbij in de regel een periode te zijn waarbinnen twee overlegvergaderingen vallen.. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat de stukken bij het publiceren van de agenda beschikbaar zijn. In het geval de stadsdeelcommissie slechts één overlegvergadering heeft per maand, bedraagt de termijn minimaal vier weken. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het dagelijks bestuur gemotiveerd een kortere termijn vaststellen. Te denken valt aan een besluit dat vanwege onvoorziene omstandigheden op korte termijn genomen moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het belang dat aan het lokale geluid wordt gehecht, maakt het dagelijks bestuur in de besluitvorming steeds inzichtelijk wat de inhoud van een advies, een motie of een voorstel is geweest en hoe het in de definitieve besluitvorming een plaats heeft gekregen. Het dagelijks bestuur neemt een advies of voorstel in beginsel over als de stadsdeelcommissie dat met een meerderheid van stemmen heeft vastgesteld en het niet strijdig is met stedelijke of budgettaire kaders. Als het dagelijks bestuur in het uiteindelijke besluit van het advies of voorstel van de stadsdeelcommissie afwijkt, ligt er een zware motiveringsplicht op het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur kan uitsluitend met zeer zwaarwegende redenen afwijken van zo’n meerderheidsadvies of –voorstel, zoals strijdigheid met stedelijke of budgettaire kaders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">budget voor het dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is breed bestuurlijk draagvlak voor een lokaal bestuur met meer zeggenschap (inclusief budget), duidelijke bevoegdheden (inclusief een adequate ambtelijke ondersteuning), goede sturingsmogelijkheden, democratische controle en tegenspraak op stadsdeelniveau en invloed van de bewoners. De dagelijks besturen ontvangen jaarlijks een budget. De hoogte van het budget wordt bepaald in de begroting die de gemeenteraad vaststelt In artikel 31 is de rol van de stadscommissie bij de besteding van het budget vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">gebiedscyclus</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat de gebiedsopgaven onderdeel uitmaken van het begrotingsproces. Dit is het resultaat van een doorlopend proces waarbij ook de beleidsontwikkeling gebiedsgericht uitgewerkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt elke nieuwe bestuursperiode van vier jaar voor de gebieden in het stadsdeel de gebiedsopgave vast met de belangrijkste prioriteiten geformuleerd in vierjarendoelstellingen. Ook kan het dagelijks bestuur doelstellingen formuleren voor meerdere gebieden samen als de opgave daar aanleiding toe geeft. De stadsdeelcommissie heeft een belangrijke rol bij de vaststelling van de prioritaire gebiedsopgaven en de doelstellingen. Het dagelijks bestuur legt de prioriteiten en doelstellingen voor aan de stadsdeelcommissie. Conform artikel 19 van de verordening worden meerderheidsadviezen en voorstellen van de stadsdeelcommissie overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het realiseren van de gebiedsopgaven worden zowel middelen van de stadsdelen als middelen van de directies ingezet. Voorafgaand aan het vaststellen van de begroting, overleggen college en DB over welke middelen voor welke gebiedsopgaven kunnen worden ingezet. De dagelijks besturen ondersteunen op deze manier het college bij het maken van een integrale afweging. De uiteindelijke beslissing over de verdeling van middelen ligt bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college en dagelijks bestuur zijn daarmee gezamenlijk verantwoordelijk voor het verschaffen van inzicht in de gebiedsopgaven, doelstellingen en de bijbehorende financiële middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stuurt onder andere met behulp van de uitvoeringsplannen op de uitvoering van de gebiedsopgaven. De stadsdeelcommissie wordt in ieder geval jaarlijks over de voortgang geïnformeerd. Jaarlijks legt het dagelijks bestuur verantwoording af aan de stadsdeelcommissie en het college over de realisatie van de doelstellingen. De jaarlijkse verslaglegging over realisatie van de doelstellingen is onderdeel van de gemeentelijke jaarrekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">verordening ex artikel 212 Gemeentewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de Financiële verordening gemeente Amsterdam wordt de verordening bedoeld die iedere gemeente op grond van artikel 212 van de Gemeentewet verplicht is vast te stellen. Op basis van dit artikel worden beleidsnota’s en uitvoeringsbesluiten vastgesteld die onder andere verplichtingen bevatten waaraan alle gemeentelijke organisatieonderdelen moeten voldoen. Deze gelden ook voor de dagelijks besturen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 - Inrichting en samenstelling stadsdeelcommissie stadsdelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">De stadsdeelcommissie is net als het dagelijks bestuur een bestuurscommissie in de zin van artikel 83 van de Gemeentewet. Het dagelijks bestuur en de stadsdeelcommissie zijn op basis van hun juridische grondslag gelijkwaardige spelers in het stadsdeel. Hun wijze van oprichting verschilt echter, evenals hun rol. De stadsdeelcommissie wordt direct gekozen in plaats van benoemd. Waar het dagelijks bestuur als taak heeft een flink aantal taken en bevoegdheden van het college uit te oefenen op lokaal niveau, is de rol van de stadsdeelcommissie breder. De taak van de stadsdeelcommissie kent drie elementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste, de stadsdeelcommissies worden ingesteld door de raad en oefenen een beperkt aantal taken en bevoegdheden uit die de raad aan de stadsdeelcommissie overdraagt. Daarnaast hebben de stadsdeelcommissies een adviserende en controlerende taak ten opzichte van de dagelijks besturen. Hiertoe wordt de stadsdeelcommissie een aantal instrumenten toegekend waardoor het in de dagelijkse praktijk vorm kan geven aan die controlerende taak. Tot slot onderhoudt en versterkt de stadsdeelcommissie netwerken van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Zij benut, faciliteert en stimuleert verschillende vormen van burgerparticipatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">leden en voorzitter stadsdeelcommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De stadsdeelcommissie in de zin van artikel 83 van de Gemeentewet wordt direct gekozen. Voor de samenstelling van die commissie worden verkiezingen per stadsdeel gehouden. De verkiezingen worden gelijktijdig met de gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Het aantal stadsdeelcommissieleden wordt vastgesteld aan de hand van het aantal inwoners van het stadsdeel met een minimum van 11 leden per stadsdeelcommissie. Het inwonertal van het stadsdeel wordt vastgesteld op basis van de van gemeentewege openbaar gemaakte bevolkingscijfers. Dit betreft de bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie. Wanneer op dat moment een grote inwonersgroei wordt verwacht, wordt dit betrokken bij de vaststelling van het aantal leden van de stadsdeelcommissie. De stadsdeelcommissie heeft altijd een oneven aantal leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal leden van de stadsdeelcommissies dat in het tweede lid is vastgesteld, is als volgt berekend. Er is uitgegaan van 93 leden in totaal, die op basis van het inwonertal van de stadsdelen zijn verdeeld over de stadsdelen. Voor de stadsdelen die op basis hiervan minder dan 11 leden hadden, is dit aantal verhoogd naar 11. Ingeval sprake was van een even aantal leden is het aantal verminderd met één.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stadsdeelcommissie kiest op grond van het derde lid uit haar midden een voorzitter. Die heeft tot taak de vergaderingen van de stadsdeelcommissie te leiden. Dit kan per vergadering ook een andere voorzitter zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">verkiezingen stadsdeelcommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is geregeld dat op de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie de bepalingen van de Kieswet inzake de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat bij de verkiezingen een lijstenstelsel wordt gehanteerd. De kandidaten worden dus in lijsten gerangschikt zoals bij de verkiezing van volksvertegenwoordigers in Nederland inmiddels gebruik is. Een lijst kan ook uit één persoon bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt een uitzondering op de Kieswet gemaakt. De kring van kiesgerechtigden wordt namelijk uitgebreid. In tegenstelling tot de Kieswet kan een 16-jarige Amsterdammer al stemmen. Daarnaast geldt dat een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie en rechtmatig in Nederland verblijft, al kan stemmen indien hij gedurende een onafgebroken periode van twee jaar in Nederland woont. In de Kieswet wordt daarentegen uitgegaan van een periode van vijf jaar. Deze eis van ingezetenschap geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor ingezetenen die uit EU-lidstaten afkomstig zijn gelden deze eisen niet omdat zij onmiddellijk stemrecht hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in het derde lid in afwijking van de Kieswet geregeld dat het hoofdstembureau en het centraal stembureau per stadsdeel worden ingesteld. In het vierde lid staat dat de lijsten met een stemcijfer van 25% of meer ook in aanmerking kunnen komen voor een restzetel. Dit zodat partijen bij de restzetelverdeling al een zetel kunnen verwerven als zij 25% van de kiesdeler hebben gehaald en niet pas bij 75% zoals de Kieswet voorschrijft. Daarmee wordt de kiesdrempel aanmerkelijk lager. Bij de verdeling van de restzetels wordt op grond van de Kieswet het stelsel van de grootste overschotten gehanteerd. Bij het systeem van de grootste overschotten wordt gekeken naar het aantal stemmen dat over is van het totale aantal stemmen na verdeling van de volle zetels. De partij met het grootste overschot krijgt bij dit systeem de eerste restzetel, de partij met het op één na grootste overschot de tweede, tot alle zetels verdeeld zijn. Deze methode werkt in het algemeen in het voordeel van kleinere partijen. Hiermee wordt dus geprobeerd te bevorderen dat ook kleine lokale (politieke) groeperingen een zetel kunnen verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vijfde lid kunnen niet alleen politieke partijen aan de verkiezingen meedoen, maar ook andere groeperingen zoals bewonersverenigingen en buurtcomités. In aanvulling op de bepaling in de Kieswet dat een politieke groepering die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is zich voor de verkiezingen kan laten registreren, is bepaald dat ook niet-politieke groeperingen en stichtingen zich voor de verkiezingen voor de stadsdeelcommissies kunnen laten registreren. Zij kunnen dan eveneens onder een bepaalde naam aan de verkiezingen meedoen zonder dat zij aan de formele vereisten uit Kieswet hoeven te voldoen zoals het overleggen van een notariële akte en een bewijs van inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder hoeven zij ook geen waarborgsom te betalen. Ook niet voor de kandidaatstelling (zesde lid). Groeperingen hoeven zich overigens niet te laten registreren. Zij nemen dan aan de verkiezingen deel zonder een aanduiding (specifieke naam) boven de kandidatenlijst, een zogenaamde \"blanco lijst\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het zevende lid kan het college nadere regels voor de verkiezingen vaststellen. Dit betreft technische voorschriften zoals bepalingen over het nummeren van kandidatenlijsten en een bepaling dat groeperingen die al voor de gemeenteraadsverkiezingen zijn geregistreerd zich niet apart voor de verkiezingen voor de stadsdeelcommissies hoeven te registreren. Ook kan het college voorschriften stellen die ertoe strekken dat de bestuurscommissies verantwoordelijk zijn voor de registratie, de kandidaatstelling en de verwerking van de verkiezingsuitslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het achtste lid is de regeling uit de Kieswet voor de vervulling van een opengevallen plaats van overeenkomstige toepassing verklaard. In aanvulling daarop wordt het eerste lid van artikel W4 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing verklaard (negende lid). Als er in een gemeenteraad met minder dan dertien leden bij de opvolging van een lid geen kandidaat meer voor benoeming in aanmerking komt op de lijst waartoe degene die moet worden opgevolgd behoort, dan geldt het volgende. Met toepassing van artikel P 10 van de Kieswet wordt dan beslist aan welke van de andere lijsten de plaats zal worden toegekend. Deze plaats valt dan toe aan de lijst die op grond van het aantal uitgebrachte stemmen als eerste in aanmerking komt voor de nog niet toegedeelde restzetel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door te bepalen dat dat artikel W 4 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing is als zich een vergelijkbare situatie voordoet als omschreven in dat artikel, wordt deze regeling op alle stadsdeelcommissies van toepassing, ook als de commissie uit dertien leden of meer bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tiende lid is bepaald dat in afwijking van de Kieswet er één dag extra geldt voor het voorbereiden van de openbare zitting na de stemming. Dit betekent dat deze drie werkdagen na de stemming plaatsvindt. Dit geeft de Amsterdamse organisatie de ruimte om – naast de gemeenteraadsverkiezingen – ook de verkiezingen van de stadsdeelcommissies in de stadsdelen zorgvuldig af te ronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">passief kiesrecht stadsdeelcommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om als lid van de stadsdeelcommissie te kunnen worden gekozen moet op grond van deze bepaling worden voldaan aan de vereisten voor het lidmaatschap van de gemeenteraad. Deze zijn opgenomen in artikel 10 van de Gemeentewet. In afwijking van dat artikel is bepaald dat een Amsterdammer als 16-jarige al lid kan worden van een stadsdeelcommissie, in plaats van 18 jaar. In aanvulling op artikel 10 van de Gemeentewet moet een kandidaat ingezetene van het desbetreffende stadsdeel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzondering op artikel 10, tweede lid, onder b van de Gemeentewet is bepaald dat een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie, zich al na twee jaar verkiesbaar kan stellen. Voor de verkiezingen voor de gemeenteraad wordt uitgegaan van vijf jaar. Dit betekent dat de periode voor de stadsdeelcommissie met drie jaar wordt verkort en een ingezetene van buiten de Europese Unie dus eerder voor de stadsdeelcommissie verkiesbaar is. Deze eis geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor de ingezetenen uit EU-lidstaten is geen periode van onafgebroken verblijf vereist. Zij bezitten onmiddellijk passief kiesrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">vereisten lidmaatschap stadsdeelcommissie, onverenigbare betrekkingen, verboden handelingen en nevenfuncties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Gemeentewet is voor leden van de gemeenteraad een lijst met onverenigbare betrekkingen opgenomen. Zij kunnen bijvoorbeeld geen minister, lid van de Raad van State, gedeputeerde of lid van de rekenkamer zijn (artikel 13 van de Gemeentewet). Verder is bepaald dat zij hun nevenfuncties openbaar moeten maken en is een aantal verboden handelingen opgenomen (artikel 12 en 15, eerste en tweede lid van de Gemeentewet). Deze bepalingen worden in dit artikel op de leden van de stadsdeelcommissie van overeenkomstige toepassing verklaard. Verder wordt toegevoegd dat artikel 11 van de Gemeentewet van toepassing is. Zo wordt voorkomen dat een lid waarvan het lidmaatschap sinds de verkiezingen vervallen is verklaard, op grond van de Kieswet wordt benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is van belang dat het lidmaatschap van de stadsdeelcommissie op grond van artikel 13 van de Gemeentewet onverenigbaar is met de functie van ambtenaar van de gemeente Amsterdam. Vanuit het oogpunt van dualisme is het onwenselijk dat een ambtenaar die ondergeschikt is aan het college zitting heeft in een commissie die door de raad is ingesteld. Dat deze functies onverenigbaar zijn betekent echter niet dat ambtenaren van de gemeente Amsterdam al bij hun kandidaatstelling ontslag moeten nemen. Het moment van installatie is voor artikel 13 van de Gemeentewet beslissend. Ambtenaren kunnen zich dus eerst kandidaat stellen en aan de verkiezingen deelnemen en pas als zij gekozen zijn en ook daadwerkelijk zitting in de stadsdeelcommissie willen nemen, dienen zij ontslag te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is vervolgens bepaald dat de gemeenteraad de gedragscode voor de leden van de stadsdeelcommissies vaststelt. Hierdoor gelden voor alle stadsdeelcommissies dezelfde voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">eed of verklaring en belofte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de stadsdeelcommissie leggen een eed of verklaring en belofte af. Dit doen zij op grond van het eerste lid na de verkiezingen tegelijkertijd met de leden van de nieuwe gemeenteraad ten overstaan van de burgemeester. Bij tussentijdse benoemingen wordt de eed of verklaring en belofte ten overstaan van de voorzitter afgelegd (tweede lid). Voor de inhoud van de eed of verklaring en belofte wordt verwezen naar artikel 14 van de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">beëindiging lidmaatschap en tijdelijke vervanging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beëindiging van het lidmaatschap van de stadsdeelcommissie gelden dezelfde voorschriften als er voor de beëindiging van het lidmaatschap van de gemeenteraad. Om ervoor te zorgen dat de belemmeringen voor vrouwen worden weggenomen om ten aanzien van de stadsdeelcommissie hun passief kiesrecht uit te oefenen en de leden van de stadsdeelcommissie bij ziekte in de gelegenheid te stellen prioriteit te geven aan hun gezondheid is daarnaast, in lijn met hetgeen voor raadsleden geregeld is, voorzien in tijdelijke vervanging bij zwangerschap en bevalling of ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">reglement van orde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is geregeld dat de stadsdeelcommissie een reglement van orde voor de vergaderingen en de andere werkzaamheden vast stelt. Er zal een format worden opgesteld voor een reglement zodat in de zeven stadsdelen niet zeven keer het wiel uitgevonden hoeft te worden terwijl de stadsdeelcommissie wel de ruimte kan nemen die het nodig acht om invulling te geven aan een wijze van overleg die past bij de lokale cultuur. Onder andere werkzaamheden wordt bijvoorbeeld het bekendmaken van besluiten verstaan waarin niet op andere wijze is voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">taken en bevoegdheden en instrumenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De stadsdeelcommissie heeft een aantal taken die in dit artikel zijn opgesomd. Ook vermeldt het artikel welke instrumenten de stadsdeelcommissie heeft om het dagelijks bestuur te controleren.</p></div>", "next": 239619}