{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van het Besluit algemene bepalingen omgevingsrecht (Bor) zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, onder of over een gesloten stortplaats. Een omgevingsvergunning is verplicht voor een inrichting op/onder/over een gesloten stortplaats. Voor elke andere activiteit op/onder/over een dergelijke locatie, waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt is een ontheffing in het kader van de PMV verplicht. Deze haakt aan bij de omgevingsvergunning. Dit houdt in dat gedeputeerde staten in dat geval een omgevingsvergunning verlenen en daarbij voorschriften opnemen, die in het kader van de ontheffing vereist zijn. Bij een activiteit waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt, zijn gedeputeerde staten bevoegd om een ontheffing te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voormalige stortplaatsen T.a.v. voormalige stortplaatsen (gesloten voor 1/9/96, de zogenoemde NAVOS-locaties) geldt het wettelijk kader in de Wet milieubeheer niet. Hiervoor worden aparte beleidsregels opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving Tegen overtreding van het verbod8 van om een gesloten stortplaats zonder ontheffing te gebruiken of overtreding van de voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden, kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden opgetreden. Bestuursrechtelijk kan wordenopgetreden met bestuursdwang op grond van artikel 122 Provinciewet en een dwangsom op grond van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafrechtelijk is van belang dat overtreding van de verbodsbepaling op grond van artikel 11.2 van de milieuverordening juncto art. 1a van de Wet op de economische delicten een economisch delict is. Dat geldt ook voor overtreding van de voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden (op grond van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer juncto art. 1a van de Wet op de economische delicten). In geval van overtreding zal de provincie zo nodig de kosten van herstel e.d. langs civielrechtelijke weg op de overtreder kunnen verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Artikel 3.2.3 PMV NH.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Hoofdstuk 4: Voorkoming of beperken van geluidhinder 4.4.1 Inleiding In de Wet milieubeheer is voorgeschreven dat er in de provinciale milieuverordening regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van geluidhinder in daartoe aangewezen gebieden. Deze gebieden worden stiltegebieden genoemd. In Noord-Holland zijn 41 stiltegebieden aangewezen. Doel is in deze gebieden zo veel mogelijk de natuurlijke rust te handhaven, door regels te stellen aan activiteiten (gebruik van geluidproducerende toestellen) die de natuurlijke rust zouden kunnen verstoren. De stiltegebieden zijn ook opgenomen in het Provinciaal Milieubeleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2 Aanleiding voor aanpassing De regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder in bij de verordening aangewezen stiltegebieden (eerder genoemd milieubeschermingsgebieden voor stilte) zijn inhoudelijk niet gewijzigd. Wel is nieuw dat de regels, die voorheen gedeeltelijk in hoofdstuk 5, 7 en 9 en gedeeltelijke in bijlage 4 (oud), waren opgenomen, nu bij elkaar zijn gebracht in het nieuwe hoofdstuk 4. De meeste bepalingen zijn alleen vernummerd. Sommige artikelen zijn nieuw geformuleerd, omdat ze nu alleen betrekking hebben op stiltegebieden. Vergelijkbare bepalingen stonden eerst in hoofdstuk 5, maar deze hadden betrekking op alle milieubeschermingsgebieden. Daarnaast is op een paar punten een actualisatie doorgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is daarnaast aanleiding om het beleid voor stiltegebieden inhoudelijk aan te passen. Dit was al een aandachtspunt in het provinciaal milieubeleidsplan en is actueel geworden door een amendement van PS over stilte en donkerte bij de behandeling van de structuurvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interprovinciaal was ook al geconstateerd dat het beleid voor stilte aan herziening toe is, hiervoor loopt een gezamenlijk IPO PRISMA project. De resultaten van dit PRISMA project worden in het voorjaar van 2011 verwacht. Op basis van de resultaten zal ook de provincie Noord-Holland haar beleid kunnen herzien in overleg met betrokken gemeenten en bijvoorbeeld terreinbeheerders of de Milieufederatie. Dit komt te laat voor deze tranche en zal dus meegenomen worden in de volgende wijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bewaren van rust in stiltegebieden, zijn naast de regels in deze PMV ook het ruimtelijk beleid en het Actieplan geluid van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke ordening Voor het behoud van de rust in stiltegebieden is het instrumentarium van de Wet ruimtelijke ordening zeer belangrijk. Met dit instrumentarium wordt immers vastgelegd welke ontwikkelingen in een gebied mogelijk zijn en welke niet. De besluitvorming daarover is vaak zeer bepalend voor het geluidsniveau in een gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Leidraad Landschap en cultuurhistorie, die hoort bij de Provinciale Structuurvisie, is stilte (en donkerte) één van de aandachtspunten waar gemeenten bij hun ruimtelijke ordening rekening mee dienen te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Actieplan geluid De provincie moet ter uitvoering van de Richtlijn omgevingslawaai de geluidsbelasting van bepaalde bronnen (zoals wegen) in de vorm van geluidsbelastingkaarten in beeld brengen. Ook het beleid ter bescherming van stille gebieden moet worden beschreven. In ons Actieplan geluid is opgenomen dat bij reconstructie provinciale wegen in of langs stiltegebieden zullen worden voorzien van stil asfalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3 Inhoud van de regeling 4.4.3.1 Toelichting Titel 4.1 (algemene bepalingen) In Noord-Holland zijn 41 stiltegebieden aangewezen, waar de regels voor gedragingen voor het voorkomen of beperken van geluidshinder van toepassing zijn. Deze zijn te vinden op de kaartviewer, die is in te zien op www.noord-holland.nl. In artikel 4.1.3 zijn richtwaarden en grenswaarden aangegeven voor het gewenste geluidsniveau in de stiltegebieden. Aangezien het genoemde ICG-apport IL-HR-15-01niet meer verkrijgbaar is, zal een PDF-exemplaar op onze website beschikbaar worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een bijzondere zorgplicht ter bescherming van de natuurlijke rust in stiltegebieden opgenomen. De zorgplicht met betrekking tot de in de verordening geregelde beschermingsgebieden is ‘bijzonder’ ter onderscheiding van de andere zorgplichten (artikel 1.1a Wet milieubeheer, artikel 13 Wet bodembescherming, artikel 18 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden). Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een stiltegebied, als die activiteit de natuurlijke rust verstoort, mag zij niet worden uitgevoerd. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om verstoring te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.2 Toelichting Titel 4.2 (verbodsbepalingen) In de verbodsbepaling van titel 2 komt de essentie van de regelgeving in deze milieuverordening met betrekking tot het voorkomen of beperken van geluidhinder in stiltegebieden tot uitdrukking: het weren van gedragingen, die zodanig lawaaiig en wezensvreemd aan een stiltegebied zijn, dat zij het stille karakter van het gebied verstoren. In de toestellenlijst in artikel 4.2.1 lid 2 zijn die mobiele geluidsbronnen opgenomen, die door hun niet-permanent karakter moeilijk via de ruimtelijke ordening te weren zijn. Daarnaast zijn artikelen opgenomen ten aanzien van (recreatieve) vervoersbewegingen, die als verstorend worden ervaren in stiltegebieden en om die reden ook worden geweerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.3 Toelichting Titel 4.3 (vrijstellingen) Er zijn verschillende uitzonderingssituaties, zoals geluid dat wordt gemaakt in samenhang met normaal beroepsmatig gebruik, geluid dat wordt voortgebracht in noodgevallen of het normale gebruik van toestellen in en om woningen en legale woonboten in het gebied. Tevens is toegevoegd dat motorvoertuigen, die zijn voorzien van een elektromotor wegens de geringe geluidsemissie wel zijn toegestaan. In al deze vrijstellingsgevallen geldt wel de zorgplicht dat niet meer geluid wordt voortgebracht dan nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.4 Toelichting Titel 4.4 (doorwerking) Deze artikelen regelen de doorwerking van het beleid van stiltegebieden in andere besluitvorming. Vooral gemeenten zullen via hun ruimtelijk ordening instrumentarium er aan kunnen bijdragen geluidsproducerende activiteiten te weren. De provincie Noord-Holland houdt zelf bijvoorbeeld bij de reconstructie van wegen rekening met stiltegebieden, door het aanleggen van stil asfalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.5 Toelichting Titel 4.5 (ontheffingen) In deze artikelen is aangegeven onder welke omstandigheden gedeputeerde staten een ontheffing kunnen verlenen, weigeren en intrekken. Hierbij wordt getoetst aan het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Toelichting Hoofdstuk 5: Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning 4.5.1 Inleiding en aanleiding voor dit nieuwe hoofdstuk 4.5.1.1 Inleiding Algemeen Het drinkwater in Noord-Holland komt uit de Duingebieden, het Gooi, Andijk en de Bethunepolder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Noord-Holland mogen 3 waterleidingbedrijven drinkwater winnen: PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, Waternet en Vitens. Deze bedrijven onttrekken grondwater en/of oppervlaktewater en maken daar drinkwater van. Om vervuiling van grondwater te voorkomen, beschermt deprovincie de bodem waaruit het grondwater gewonnen wordt. Grootschalige woningbouw en aanleg van nieuwe industrieterreinen zijn daarom niet toegestaan in de omgeving van drinkwaterwinningen. Ook vermijdt de provincie zo veel mogelijk de aanleg van nieuwe wegen in deze gebieden. Voor zo ver bebouwing en verharding toch aanwezig zijn worden zo nodig maatregelen geëist om vervuiling van afstromend water te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">IPO-model Het IPO-model dient als richtlijn voor provincies voor haar eigen regelgeving. De provincie Noord-Holland volgt in principe zo veel mogelijk dit IPO-model inhoudelijk, zoals bij de aanpassingen aan de Waterwet en de Wabo. Recentelijk is het model opnieuw gewijzigd, waarvan het voornaamste onderdeel betrekking heeft op de aanpassing van artikelen ten aanzien van grondwaterbescherming (In Noord-Holland waren hierover artikelen opgenomen in Hoofdstuk 10). Diverse ontwikkelingen pleiten ervoor de grondwaterbeschermingsregels aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om: wetgevingsontwikkelingen en de Kaderrichtlijn Water (KRW); beleidsmatige en technische ontwikkelingen(Bodemenergiesystemen); het onderzoek naar een risicobenadering en de evaluatie van het beleid9; streven naar minder regels en administratieve lasten en gebruiksvriendelijker PMV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ontwikkelingen worden hierna toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.2 Wetgevingsontwikkelingen en de Kaderrichtlijn Water (KRW) Activiteitenbesluit en Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) In het Activiteitenbesluit zijn ten aanzien van bodembescherming regels opgenomen10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bijbehorende regeling zijn regels gesteld met betrekking tot inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden. Met een verwijzing naar de NRB is een aantal begrippen gedefinieerd, waarbij het IPO-model heeft aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit11 bevat de landelijke regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het Bbk is het mogelijk onder voorwaarden verontreinigd materiaal op of in de bodem toe te passen. Bij de normstelling is het risico van verspreiding van verontreinigingen naar het grondwater dat voor de drinkwaterwinning is bestemd, niet specifiek in aanmerking genomen. Dergelijke risico’s zijn echter niet bij voorbaat uit te sluiten. Tussen verschillende locaties kunnen de risico’s afwijken, afhankelijk van o.a. de kwetsbaarheid van een gebied, reeds aanwezige functies, bodemopbouw, bodemsamenstelling, kwaliteit van het te storten materiaal, mobiliteit van verontreinigingen, mate van doorlatendheid van de (water)bodem en van het toegepaste materiaal en wijzigingen in milieuomstandigheden (zuurgraad en zuurstof). Dit vraagt in bepaalde gevallen om een locatiespecifieke benadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het (her)gebruik van bouwstoffen, grond en bagger kan het grondwater dat wordt gebruikt voor de openbare drinkwaterwinning, worden verontreinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van grondwaterverontreiniging zijn aanvullende regels gewenst voor toepassingen in de beschermingsgebieden van de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">IBC-bouwstoffen In grondwaterbeschermingsgebieden worden schone (primaire) bouwstoffen toegestaan en bouwstoffen die voldoen aan de emissie- en samenstellingsnormen voor ongeïsoleerde toepassing. Toepassing van zwaarder verontreinigde bouwstoffen (IBC-bouwstoffen12) is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. toepassing grond en baggerspecie (tot 5000 m3) In artikel 5.3.11 van het IPO-model is bepaald dat grond en baggerspecie met de kwaliteit Achtergrondwaarden (schoon) is toegestaan en onder voorwaarden klasse Wonen/klasse A. De eerste voorwaarde is dat de grond of baggerspecie uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied komt (standstill op gebiedsniveau). De tweede voorwaarde is dat geen verontreinigde grond op een schone (water)bodem (Achtergrondwaarden) mag worden toegepast (standstill op lokaal niveau).</p>\n<p class=\"lf-p\">9 De rapportage van 2003 van Vewin, VROM en IPO (“Toekomst grondwaterbescherming in Nederland”). 10 Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (in afdeling 2.4)en de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (de artikelen 2.2, 3.34 en 3.35). 11 Het Bbk vervangt het Bouwstoffenbesluit en is sinds 1 januari 2008 van toepassing op waterbodems. Vanaf 1 juli 2008 geldt het besluit ook voor landbodems. 12 IBC-bouwstoffen zijn bouwstoffen die alleen mogen worden toegepast met isolatie-, beheers—en controlemaatregelen, omdat het gebruik anders tot teveel emissies naar het milieu kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige toepassing van grond en baggerspecie (meer dan 5000 m3) Bij toepassingen van grote hoeveelheden grond en bagger, is vanwege de risico’s voor de grondwaterkwaliteit een strikter toetsingskader dan het bbk noodzakelijk. Daarom is bepaald dat grootschalig toe te passen verontreinigde grond of baggerspecie de klasse Wonen/klasse A niet mag overschrijden en uit het gebied afkomstig moet zijn en dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen (artikel 5.3.11, derde lid, sub c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding van een dergelijke toepassing is verplicht en deze moet de resultaten bevatten van locatiespecifiek onderzoek, waaruit blijkt dat de risico’s op grondwaterverontreiniging niet toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiding baggerspecie Verspreiding van baggerspecie vanuit watergangen over aangrenzende percelen kan in de grondwaterbeschermingsgebieden, conform de eisen van het Bbk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestwetgeving De landelijke mestwetgeving, vastgelegd in de Meststoffenwet en in daarop berustende besluiten, is vooral gericht op het terugdringen van de stikstof- en fosfaatbelasting van het grondwater. Met name in zuiveringsslib en in overige organische en anorganische meststoffen kunnen zich verontreinigingen bevinden. Het is moeilijk controleerbaar of een partij al dan niet gedurende het transport vermengd is met andere (afval)stoffen die negatieve gevolgen hebben voor het drinkwater. Mogelijk is er in Nederland een ‘verloren’ stroom van circa 7 miljoen ton reststoffen/afvalstoffen. Een minder risicovol alternatief is de toepassing van dierlijke meststoffen en kunstmest. In waterwingebieden geldt een verbod op meststoffen, met uitzondering van dierlijke meststoffen als gevolg van extensieve beweiding13. Hiermee is de grondwaterkwaliteit voldoende gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege het risico van eventuele verontreinigingen geldt in grondwaterbeschermings-gebieden een verbod op het gebruik van meststoffen.14 Dierlijke meststoffen zijn hier wel toegestaan. Anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen mogen conform de wetgeving worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de opslag van meststoffen, gelden aparte regels die krachtens de Wet milieubeheer zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begraafplaatsen De bestaande regels met betrekking tot begraafplaatsen en uitstrooivelden zijn gehandhaafd en uitgebreid met dierbegraafplaatsen. Deze uitbreiding met dierbegraafplaatsen is gebaseerd op de eerdere evaluatie van Novio Consult. In principe is het niet toegestaan een begraafplaats aan te leggen of te hebben. In Noord-Holland is één bestaande begraafplaats, nl. St. Janskerkhof aan de Larenseweg in Grondwaterbeschermingsgebied II in het Gooi, toegestaan, conform beleid van de afgelopen jaren. Het nieuw aanleggen van begraafplaatsen is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewasbeschermingsmiddelen Het landelijke toelatingsbeleid van de gewasbeschermingsmiddelen (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 125, Wgb) is gebaseerd op Europese regels. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) besluit welke middelen kunnen worden toegelaten. In heel Nederland zijn uitspoelinggevoelige gewasbeschermingsmiddelen en biociden verboden in grondwaterbeschermingsgebieden. Bij een zeer kwetsbare bodem kan het gewenst zijn om meer stoffen te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden. Hiervoor is artikel 5.3.7a opgenomen in het IPO-model.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Artikel 5.2.2 IPO-model en PMV NH. 14 Artikel 5.3.8 IPO-model en PMV NH.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Noord-Holland is sprake van kwetsbare situaties. Daarom wordt in het grondwatermeetnet goed gekeken of er middelen uitspoelen, die niet gewenst zijn. Zo veel mogelijk wordt er op basis van overleg naar een locale maatwerkoplossing gezocht. Mocht er aanleiding voor zijn, dan zullen aanvullende regels worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drinkwaterwet De Drinkwaterwet is gericht op de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening, waarbij de drinkwaterbedrijven een belangrijke rol spelen en bestuursorganen een zorgplicht hebben. In kwetsbare gebieden staat het IPO-model bepaalde bedrijven niet toe, maar geldt er een uitzondering voor de drinkwaterbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW legt onder meer aan de Lidstaten de verplichting op te zorgen voor kwalitatief goede bescherming van water. Vooralsnog is er geen verdergaande bescherming nodig. De aanwijzing van gebieden en de regels die daarvoor zijn opgenomen in de PMV, zijn toereikend. Die bescherming moet effectief en transparant geregeld worden, zodat duidelijk is dat de richtlijn goed wordt nageleefd. Indien de feitelijke kwaliteit van het grondwater ontoereikend is of wordt, moeten andere, aanvullende maatregelen worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.3 Beleidsmatige en technische ontwikkelingen (Bodemenergiesystemen) Warmtetoevoeging en –onttrekking Warmtetoevoeging en warmteonttrekking aan bodem en grondwater vindt vooral plaats om te besparen op het gebruik van niet vernieuwbare energiebronnen. Gebouwen en processen kunnen op een energiezuinige manier van koeling en verwarming worden voorzien door gebruik te maken van ondergrondse energieopslag. De techniek daarvoor is goed ontwikkeld en wordt inmiddels op ruime schaal toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt tussen open systemen (grondwatersystemen, Warmte KoudeOpslag (WKO)), en gesloten systemen (bodemwarmtewisselaars).</p>\n<p class=\"lf-p\">In open systemen wordt grondwater uit een watervoerend pakket op de ene locatie opgepompt, waarna het via een warmtewisselaar energie opneemt of afstaat, om vervolgens op een tweede locatie te worden geïnfiltreerd. Door in het warme seizoen grondwater op de eerste locatie op te pompen en te gebruiken voor koeldoeleinden, en het daardoor opgewarmde grondwater op de tweede locatie te infiltreren ontstaat daar een “bel” van opgewarmd grondwater. Door omkering van de pomprichting in het koude seizoen kan de opgeslagen warmte worden gebruikt voor verwarmingsdoelen. Er ontstaat dus een warme en een koude bron in de ondergrond die wisselend worden gebruikt voor koeling en verwarming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gesloten systeem werkt volgens het zelfde principe, maar hier wordt via een in de ondergrond aangelegd gesloten systeem van (kunststof) slangen of buizen warmte aan de bodem toegevoegd in de zomer en onttrokken in de winter. Het gesloten systeem is gevuld met een vloeistof (bijv. glycol, water) .</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van deze systemen brengt risico’s met zich mee voor de drinkwaterwinning. Opwarming van de bodem kan leiden tot verandering van de chemische kwaliteit, er kan negatieve beïnvloeding optreden van de stromingsrichting van grondwater voor drinkwaterbereiding en er kunnen zich calamiteiten voordoen bij gebruik van vloeistoffen in gesloten systemen. Ook het boren in de bodem kan een bedreiging opleveren. Deze systemen zijn daarom niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een waterwingebied zijn handelingen waardoor (in)direct warmte aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd, verboden15. De reden voor het boorverbod is vooral de boring zelf. De bepaling stelt voorwaarden aan de wijze van boren, waarbij het verbod voor de meeste situaties opgeheven wordt, indien de boring wordt gemeld en bij die melding wordt aangegeven op welke wijze aan die regels wordt voldaan. De reden voor het verbod op bodemenergiesystemen ligt met name in het gebruik van die boring, zoals het risico van de gebruikte stoffen, verplaatsing van verontreiniging en temperatuurveranderingen in de bodem. Van het verbod van artikel 5.3.10 kan – anders dan bij het verbod op boren – geen “algemeen belang”-ontheffing worden verleend. Het valt immers niet in te zien dat het algemeen belang de realisatie van een bodemenergiesysteem noodzakelijk zou maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Artikel 5.2.2, eerste lid, sub d IPO-model.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grondwaterbeschermingsbieden is een algemeen en een specifiek verbod opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod op boren16 houdt in feite al in dat bodemenergiesystemen niet geïnstalleerd mogen worden. Van het specifieke verbod van bodemenergiesystemen17 kan, anders dan bij het verbod op boren, geen ontheffing18 worden verleend. Omwille van de duidelijkheid en vooral vanwege de reden voor het verbod is toch een bijzondere bepaling opgenomen. Bodemenergiesystemen zijn verboden om diverse redenen, zoals het risico van de gebruikte stoffen, verplaatsing van verontreiniging en temperatuurveranderingen in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zogenoemde boringsvrije-zones is het volgens het IPO-model wel toegestaan om een bodemenergiesysteem op te richten, voor zover het grondwater ten behoeve van de drinkwaterwinning door een kleilaag wordt beschermd, dat door die handelingen niet wordt doorboord19. Er dient wel een melding te worden gedaan aan het bevoegd gezag. Binnen zes weken geeft het bevoegd gezag zijn oordeel hierover.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boringsvrije zones kent Noord-Holland niet. In Noord-Holland worden – gezien de kwetsbaarheid van de winningen - bodemenergiesystemen verboden in zowel grondwaterbeschermingsgebieden I als II. Omdat er nog relatief weinig bekend is van de effecten van dergelijke systemen op lange termijn en er voor de grondwaterbescherming uit moet worden gegaan van zo veel mogelijk voorkomen van risico’s is er voor gekozen ook in de 100 – 200 jaarszone (GWII) een verbod in te stellen. In overleg met de waterleidingbedrijven zal gekeken worden of op basis van ervaringen en nieuwe technieken (o.a. 3D benadering van de ondergrond) een betere begrenzing kan worden vastgesteld voor de gebieden waarvoor een verbod op WKO’s geldt. Voor grote WKO’s die op de grens van GWII liggen, zal per geval een beoordeling worden gemaakt over mogelijke effecten op de waterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.4 Onderzoek naar een risicobenadering en de evaluatie van het beleid20;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een evaluatie is gebleken, dat aanvullende bescherming en regelgeving noodzakelijk is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoveel mogelijk bescherming generiek regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">PMV compact en helder maken door specifieke effectieve regels op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regelgeving afstemmen op de vereisten van de Kaderrichtlijn Water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Efficiënt en effectief handhaven door grondwaterbescherming op te nemen in integrale handhavingprogramma’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie is beleidsmaker en coördinator en de gemeente neemt een belangrijk deel van de uitvoering en handhaving op zich. Ondertussen is landelijk een Leidraad Grondwaterbescherming in ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.5 Minderregels en minder administratieve lasten Onnodig strenge en als bureaucratisch ervaren artikelen worden geschrapt. In het IPO model staan alle regels voortaan in de verordening zelf, zodat op grond van deze tekst duidelijk is of een activiteit verboden of toegestaan is, al dan niet met aanvullende regels. Alleen voor zeer bijzondere situaties is een ontheffingstelsel in het leven te roepen. De regels ten aanzien van grondwaterbescherming zijn echter toe aan modernisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe IPO-model is door het reguleren van specifieke activiteiten en door de stoffenbenadering meer toegespitst op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit dan de oude PMV, die een uitgebreide verbodslijst bevatte en veel gedragsregels waarvan ontheffing kon worden verleend. Noord-Holland volgt dit model.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Artikel 5.3.5, eerste lid IPO-model. Hierin zijn drie vrijstellingen opgenomen t.b.v. de openbare drinkwaterwinning; onderzoek en sanering in het kader van de Wbb en tijdelijke bronbemaling. 17 Artikel 5.3.10 IPO-model.18 Op grond van artikel 5.5.4 IPO-model kan onder meer voor het boorverbod ontheffing worden verleend in bijzondere gevallen ten behoeve van het algemeen belang. 19 Artikel 5.4.4 en 5.4.5 IPO-model.20 De rapportage van 2003 van Vewin, VROM en IPO (“Toekomst grondwaterbescherming in Nederland”).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.6 Kern IPO-Model: Stoffenbenadering ipv verbod met ontheffingsmogelijkheid Vanaf 1995 bevatte de PMV een uitgebreide verbodslijst en veel gedragsregels waarvan ontheffing kon worden verleend. Hierdoor worden bepaalde bedrijven niet toegestaan, zonder dat er rekening wordt gehouden met de bodembeschermende voorzieningen en het feitelijk veroorzaakte bodemrisico. Het IPO-model (7e tranche) stelt voor om in plaats hiervan een risicobenadering toe te passen door aansluiting te zoeken bij de Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB).</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 5 van het model staat de regeling voor grondwaterbeschermingsgebieden, waarbij onderscheid is gemaakt in drie gebieden (artikel 5.1.2): waterwingebied21; (zeer kwetsbaar) grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een waterwingebied is het meest kwetsbare deel van het gebied dat wordt beschermd met het oog op de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de waterwinning. Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen rond deze gebieden, waarbij de eerst genoemde gebieden kwetsbaarder zijn. In tranche 6a van de PMV van NH worden ook drie gebieden genoemd (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden I en II), maar de regels voor de laatste twee gebieden verschillen nauwelijks.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterwingebied De strengste normen in het IPO-model zijn van toepassing op de waterwingebieden. Zelfs een verwaarloosbaar bodemrisico sluit het indringen van stoffen in de bodem niet uit. Voorzieningen met toezicht en beheermaatregelen kunnen in het algemeen bodemverontreiniging beperken. In uitzonderlijke situaties kunnen er toch (grote) hoeveelheden schadelijke stoffen in de bodem geraken met de bijbehorende gevolgen. Om die reden blijven de regels in waterwingebieden strikt. Dit houdt in dat alle categorieën inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet zijn toegestaan22. Bovendien zijn bepaalde schadelijke stoffen23 niet toegestaan24. Een logische uitzondering hierop betreffen de drinkwateractiviteiten van het drinkwaterbedrijf. Bestaande, legale bedrijven zijn eveneens toegestaan, maar binnen vier jaar dienen zij aan extra grondwaterbeschermingsvoorschriften te voldoen (artikel 0.6 IPO-model). Andere activiteiten die de grondwaterkwaliteit kunnen aantasten, waarvoor een verbod geldt, zijn onder andere constructies/werken; de toepassing van bagger; diepinfiltratie; boorputten en koude- en warmteopslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebieden In grondwaterbeschermingsgebieden geldt een verbod van zeer risicovolle inrichtingen, waarbij een zogenaamde zwarte lijst is opgenomen in bijlage 4 (onderdeel D). Het gaat hier om bedrijven, waarbij zelfs met toepassing van de BBT (Best Beschikbare Technieken) geen toereikende bodembescherming kan worden geboden. Hiervan kan geen ontheffing worden verleend. Bestaande legale bedrijven krijgen 4 jaar de tijd om aan de nieuwe regels te voldoen. Andere bedrijven dienen te voldoen aan zogenoemde NRB+ maatregelen. Zo gaat het nieuwe model er vanuit dat autodemontagebedrijven kunnen worden toegestaan, vanwege de bodembeschermende voorzieningen en de inspectie daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen die op de zwarte lijst staan, zijn onder meer: voor het winnen van mergel, zand; open overslag steenkool; vervaardigen ruw ijzer; vervaardigen van cokes en circuits etc..</p>\n<p class=\"lf-p\">Een limitatieve “zwarte lijst” van stoffen zijn niet toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden. Andere risicovolle stoffen worden onder voorwaarden toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a Wet milieubeheer, dienen in de PMV regels te worden gesteld t.a.v. de bescherming van de grondwaterkwaliteit met het oog op waterwinning. 22 (artikel 5.2.1 IPO-model)23 Hiervoor is geen limitatieve lijst opgesteld. Hoewel het vanuit de rechtszekerheid wenselijk is dat er duidelijkheid is over welke stoffen echt schadelijk zijn, kan dit niet vanwege nieuwe op de markt komende mogelijke schadelijke stoffen. 24 (artikel 5.2.2 IPO-model) Boringsvrije zones In boringsvrije zones geldt geen verbod op het oprichten en in gebruik hebben van inrichtingen of de uitvoering van activiteiten die zich bovengronds afspelen. Generieke wetgeving, toepassing van de NRB en in de bijzondere zorgplicht bieden voldoende bescherming. Zoals hiervoor is aangegeven, kent Noord-Holland deze zones niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het IPO-model introduceert een bijzondere zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat degene die een risicovolle (t.a.v. de grondwaterkwaliteit) activiteit wil uitvoeren, maatregelen neemt om schade te voorkomen en, indien nodig, om de schade en gevolgen te beperken en ongedaan te maken. In de Noordhollandse PMV is dit overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Risicoanalyse t.b.v. niet toestaan inrichtingen in Grondwaterbeschermingsgebieden De aanwijzing van de inrichtingen op de zwarte lijst is gebaseerd op een risicoanalyse van vijf criteria. Wanneer één criterium leidt tot een onaanvaardbaar risico, is er sprake van een verbod. Voor de risicoanalyse zijn de volgende vijf criteria gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Criterium 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de activiteiten binnen de inrichting sluit bodembeschermende voorzieningen uit, bijvoorbeeld doordat er in de bodem wordt gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criterium 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden stoffen gebruikt met een hoge mobiliteit25 en in een zodanige omvang, dat adequate preventieve maatregelen en voorzieningen moeilijk realiseerbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criterium 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodembeschermende voorzieningen zijn niet visueel inspecteerbaar (CRU/PBV-44).</p>\n<p class=\"lf-p\">Criterium 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten gevolge van de inrichting zijn er ongewenste activiteiten binnen het grondwaterbeschermingsgebied: verkeersaanzuigende werking, de kans op ongelukken en calamiteiten of domino-effecten of activiteiten met bodembedreigende stoffen waar door haar aard geen bodembeschermende voorzieningen voor mogelijk zijn. De toepasselijkheid van criterium 4 kan doorslaggevend zijn om een inrichting te verbieden.26 Criterium 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden in de inrichting bodem-en grondwaterbedreigende stoffen gebruikt in zodanig grote hoeveelheden en installaties dat adequate voorzieningen en maatregelen moeilijk realiseerbaar zijn en de controle en handhaving van de bodembescherming bezwaarlijk complex wordt en/of een bezwaarlijk hoge controle-en handhavingsintensiteit vergt.27 Regels voor inrichtingen in een Grondwaterbeschermingsgebied Titel 5.3 Grondwaterbeschermingsgebieden van het IPO-model maakt een onderscheid tussen niet toegestane inrichtingen, instructies voor omgevingsvergunningen, regels voor omgevingsvergunningvrije inrichtingen en activiteiten buiten inrichtingen. Het bevoegd gezag (in de meeste gevallen de gemeente, soms de provincie) dient aan de omgevingsvergunning bepaalde voorschriften te verbinden met betrekking tot de zorgplicht, bodembeschermende maatregelen, niet-toelaatbare stoffen, maximale hoeveelheid schadelijke stoffen etc. De instructies gelden ook ten aanzien van bestaande bedrijven, maar deze gaan na een langere termijn in werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande legale inrichtingen, die op grond van de nieuwe bepalingen niet meer zijn toegestaan, krijgen op termijn te maken met strengere beschermingsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 Bedoeld is hier inclusief de mobiliteit van relevante afbraakproducten van deze stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Dit criterium is additioneel, omdat op zichzelf activiteiten buiten inrichtingen (waar criterium 4 over gaat) ook zelfstandig verboden kunnen worden. 27 Wanneer deze of andere stoffen of installaties bovendien de kans op calamiteiten vergroten (explosie-en brandgevaarlijkheid) leidt dit eerder tot een verbod van dergelijke inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2 Opbouw van de regeling 4.5.2.1 Drie zones van beschermingsgebieden in Noord-Holland Waterwingebied Rond de plaats(en) waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening zijn beschermingsgebieden gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Noord-Holland kent drie zones van grondwaterbeschermingsgebieden. Rondom de putten waaruit het grondwater wordt gewonnen, ligt waterwingebied (ook wel de 60-dagen zone genoemd). Een waterwingebied wordt aangemerkt als het meest kwetsbare deel van het gebied dat wordt beschermd met het oog op de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de waterwinning. Het waterwingebied is het gebied waar het drinkwater daadwerkelijk wordt gewonnen. Daarvoor is een zeer stringente bescherming nodig. Waterwingebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winningsmiddelen te bereiken. Deze 60-dagen lijn is gekozen, omdat wordt aangenomen dat een verblijfstijd van het grondwater in de bodem van 60 dagen voldoende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. De afstand van de grens van het waterwingebied tot de winningsmiddelen bedraagt in het algemeen minimaal 30 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebieden I en II Rondom het waterwingebied liggen respectievelijk het grondwaterbeschermingsgebied I (25-jaar zone) en grondwaterbeschermingsgebied II (100-/200-jaar zone). Bij de vaststelling van een zonegrens is uitgegaan van de (horizontale) reistijd van het grondwater door het watervoerende pakket waaruit wordt gewonnen. Door de zandige ondergrond zijn ook deze zones kwetsbaar. Dat is ook de reden voor het instellen van de 100- 200-jaarzone.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3 Inhoud van de regeling 4.5.3.1 Inleiding De normstellende regels staan zoveel mogelijk in de hoofdtekst. Voorheen waren veel regels opgenomen in de bijlagen 5 en 6. Conform het IPO-model is hoofdstuk 5 gewijd aan grrondwaterbescherming in plaats van hoofdstuk 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.2 Toelichting Artikel 5.1.2 (aanwijzing van gebieden) In de verordening zijn gebieden aangewezen als “gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning”. De tussen aanhalingstekens geplaatste tekst komt overeen met de omschrijving in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, dat de verplichting bevat dat in de provinciale milieuverordening voor deze gebieden regels worden gesteld. Bij de aanwijzing van gebieden is onderscheid gemaakt tussen waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied I en II. Voor deze gebieden gelden verschillende regimes: titel 5.2 voor waterwingebieden, titel 5.3 voor grondwaterbeschermingsgebieden I en II. Welk regime op een gebied betrekking heeft, blijkt uit de kaarten behorend bij deze verordening. De gebieden Waterleidingplas” en “Bethunepolder” (waterwingebied ligt in Utrecht) zijn nu ook expliciet benoemd. Ze stonden al wel op de kaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondwaterbeschermingsgebieden zijn aangeduid met het bord dat is opgenomen in bijlage 1, onderdeel C, van de verordening. Daar waar de toegang tot het gebied direct grenst aan het waterwingebied is hetzelfde bord gebruikt, maar dan met de aanduiding “waterwingebied”. Op de bebording dient onderaan het bord te staan dat bodemverontreinigingen dienen te worden gemeld bij de milieuklachtentelefoon nummer 0800-9986734.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.3 Toelichting Artikel 5.1.3 (zorgplicht) Er is een bijzondere zorgplicht ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater opgenomen. De zorgplicht met betrekking tot de in de verordening geregelde beschermingsgebieden is ‘bijzonder’ ter onderscheiding van de andere zorgplichten (artikel 1.1a Wet milieubeheer, artikel 13 Wet bodembescherming, artikel 18 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden). In de beschermingszones is sprake van een kwetsbare functie (drinkwaterwinning) en een veelal kwetsbare bodem. Daarom mag extra alertheid en zorgvuldigheid worden verwacht van personen en instanties die hier maatschappelijke activiteiten ontplooien die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een beschermingszone, als die activiteit risico’s voor de kwaliteit van het grondwater met zich meebrengt, mag zij niet worden uitgevoerd. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de verordening beperkt is. Zo is het voorheen in de verordening opgenomen verbod om in grondwaterbeschermingsgebied schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, niet in de nieuwe regeling opgenomen. De toegepaste risicobenadering brengt met zich mee dat degene die een dergelijke activiteit zou willen uitvoeren, op grond van de zorgplicht zelf beoordeelt of er geen minder risicovol alternatief is en, als dat er niet is, welke maatregelen ter beperking van de risico’s moeten worden genomen. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet. Een voorbeeld waar de zorgplicht van belang is, is de organisatie van festiviteiten in het landelijk gebied waarbij gebruik gemaakt wordt van aggregaten en waarvoor brandstof wordt opgeslagen. De zorgplicht vereist extra maatregelen gericht op het opvangen vaneventuele gelekte brandstof of olie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag handhaaft de bijzondere zorgplicht. Hiervoor is beschreven welk bestuursorgaan op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer bevoegd gezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.4 Toelichting Titel 5.2 (regeling waterwingebieden) Inrichtingen in waterwingebieden In waterwingebieden geldt een absoluut verbod voor het oprichten van inrichtingen. Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor de bedrijfsmatige activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover noodzakelijk voor de bereiding van drinkwater, en voor activiteiten die ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit al legaal aanwezig waren. Het drinkwaterbedrijf moet zijn taak kunnen vervullen. Er mag vanuit worden gegaan dat dit bedrijf zich tenminste aan zijn zorgplicht houdt en aan de normen die voor grondwaterbeschermingsgebieden gelden, vanwege het belang van een goede grondwaterkwaliteit. Het bevoegd gezag (meestal de gemeente, soms de provincie) zal daar bij vergunningverlening goed op letten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod voor het oprichten van nieuwe inrichtingen kwam ook al in de vorige verordening voor. Het is in de praktijk minder ingrijpend dan het lijkt, omdat de meeste waterwingebieden in eigendom van de waterleidingbedrijven zijn en in die gebieden nagenoeg geen ‘gewone’ bedrijven aanwezig zijn. Bovendien kunnen inrichtingen die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden al aanwezig en in werking zijn overeenkomstig de daarvoor geldende regels, krachtens het overgangsrecht in werking blijven. Voor deze inrichtingen geldt wel dat tenminste de voorschriften die gaan gelden voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden, in acht zullen moeten worden genomen. Daarom is in het overgangsrecht bepaald dat de betreffende voorschriften binnen vier jaar aan de vergunning moeten worden verbonden en vanaf wanneer die voorschriften in werking treden (artikel 12.5, vierde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden Volgens artikel 5.2.2 is het verboden in waterwingebieden stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten e.d. te hebben als die de bodem kunnen verontreinigen. Ook mogen geen constructies of werken worden opgericht als daardoor schadelijke stoffen in de bodem kunnen worden verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een limitatieve opsomming van schadelijke stoffen is - hoewel uit een oogpunt van rechtszekerheid aantrekkelijk - vermeden, omdat daarbij het gevaar blijft bestaan dat nieuwe stoffen, die schadelijk (kunnen) zijn, niet onder de verbodsbepalingen vallen. De verordening zou dan telkens gewijzigd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van artikel 5.2.2 staan – niet uitputtend – een aantal stoffen die in ieder geval in een waterwingebied niet toegelaten worden. In het vierde lid zijn daarvoor overigens enkele specifieke uitzonderingen opgenomen. In de hierna opgenomen tabel wordt een indicatie gegeven om wat voor stoffen het nog meer gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementen, stoffen of groepen van stoffen en enkele voorbeelden daarvan Voorbeelden van producten die deze elementen stoffen of groepen van stoffen (kunnen) bevatten Voorbeelden van productie-processen waarbij deze elementen, stoffen of groepen van stoffen (kunnen) worden gebruikt 1. Organische halogeen-verbindingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>PCB's</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>koelvloeistof in transformatoren en condensatoren; hydraulische olie, verven, carbonvrij kopieerpapier.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Gehalogeneerde alifatische koolwaterstoffen -ontvettings-en reinigingsmiddelen. -chemische wasserijen, spoelmiddelen in garages, toepassing in metallurgische industrie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gehalogeneerde aromatische koolwaterstoffen - -halffabricaten in chemische industrie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>chloorethers -oplosmiddelen, wasmiddelen, kunststoffen. -grondstoffen voor gewasbeschermings-middelen en biocide-industrie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>chloorfenolen -gewasbeschermingsmiddelen en biociden, lijm, stijfsel -grondstoffen voor gewasbeschermings-middelen en biocide-industrie 2. Organische fosforverbindingen -gewasbeschermingsmiddele n en biociden. -grondstoffen voor gewasbeschermings-middelen en biocide-industrie 3. Organische tinverbindingen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tributhyltioxyde -houtconserveringsmiddelen, verf</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>dibuthyltinchloride -gewasbeschermingsmiddelen en biociden. -stabilisatiemiddel bij de productie van kunststof</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>dibuthyltinlaureaat -gewasbeschermingsmiddelen en biociden. -stabilisatiemiddel bij de productie van kunststoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tetraethyltin -gewasbeschermingsmiddele n en biociden. -stabilisatiemiddel bij de productie van kunststoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Organische zuurstofverbindingen: -tetrahydrofuraan -oplosmiddelen, kunststoffen, coatings, magnetische tape, drukinkt. -productie van kunststoffen, vinylsoorten 5. Organische stikstofverbindingen: -pyridine -antivries, fungiciden. -productie van vitaminen, geneesmiddelen, textielindustrie, bereiding van rubber 6. Organische zwavelverbindingen: -tetrahydrothiofeen -oplosmiddelen. -reukstof bij gasproductie 7. Organische siliciumverbindingen: -bindmiddel in verf. -chemische en grafische industrie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Anorganische fosforverbindingen: -kunstmeststoffen, coatings, wasmiddelen, vuurwerk, dierlijke meststoffen -additieven bij halfgeleiders, chemische industrie, landbouw, veeteelt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Cyaniden: -gewasbeschermingsmiddele n en biociden, in afval van kolenvergassing. -toepassing in metallurgische industrie (galvaniseren en harden), fotografische ateliers en laboratoria 10. Chloriden: -wegenzout, ontsmettings/- bestrijdingsmiddel, bleekmiddel. -chemische-en farmaceutische industrie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bromiden: -geneesmiddelen, fotopapier/film, ontsmettingsmiddel -chemische-en farmaceutische industrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fluoriden: -geneesmiddelen. -chemische-en farmaceutische industrie, uraanverrijking 11. Sulfaten: -gips uit rookgasontzwaveling, gipsplaten, geneesmiddelen. -chemische-en farmaceutische industrie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Anorganische zwavelverbindingen; -batterijen, conserveringsmiddelen -vulkaniseren rubber.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Ammoniak, nitraten en nitrieten: -koelinstallaties, conserveringsmiddelen, synthetische koelvloeistoffen, dierlijke mest, kunstmest. -landbouw, veeteelt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Minerale oliën -benzine, stookolie, smeerolie, huisbrandolie, dieselolie -benzinetankstations, garages, machine-en olie-industrie 15. Polycyclische en aromatische koolwaterstoffen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>naftaleen -teer, asfalt, bitumen -wegenbouw, woningbouw</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>anthraceen -fungicide, mottenballen, snijolie, verfstoffen, textielinkten. -halffabricaten in chemische industrie, toepassing in textielindustrie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>fenanthreen -geneesmiddelen, explosieven, verfstoffen. -onderzoek naar halfgeleiders</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>fluorantheen -derivaat uit koolteer. --biochemisch onderzoek</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>fenolen -verfsoorten, desinfecteermiddelen, oplosmiddelen, houtconserveringsmiddelen (creosoot) -farmaceutische en chemische industrie, productie van rubber 16. Elementen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Kwik -Tl-buizen, verfstoffen, geneesmiddelen, thermometers, batterijen, conserveringsmiddelen, zaadontsmetter. -fabricage van elektrische apparatuur, bereiding van amalgamen(tandheelkunde).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Cadmium -pigmenten, nikkel-cadmium batterijen, vliegas, zuiveringsslib, fosforgips, geel pigment. -stabilisator bij productie van plastics, toepassing bij corrosiebestrijding, galvanische industrie, kernreactor regelstaaf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Lood -accu's, verfstoffen, pigmenten, afgewerkte olie, vliegas, zuiveringsslib, batterijen, soldeer, munitie. -stralingsbescherming.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Arseen -houtconserveringsmiddelen, medicijnen, vliegas, aardappelloofdodingsmiddel, batterijen, munitie, elektronica. -conserveringsmiddel van de weekmaker bij de productie van PVC, in metaallegeringen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Antimoon -pigmenten, kleurstoffen, soldeermiddelen, cosmetica, accu. -in diverse metaallegeringen brandvertragers in metaalproductie, textiel-plastic.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Tin -soldeermiddelen, verf, emaille. -toepassing in tingieterijen productie van glas, in diverse legeringen, conservenind.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Beryllium -munitie, laselektroden, horlogeonderdelen. -Toepassing in nucleaire-en ruimtevaartind., in legeringen met koper en tin.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uranium -gekleurd glas, kernreactor, brandstof -toepassing in nucleaire industrie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Thallium -rattenverdelingsmiddelen, vuurwerk -toepassing in optische industrie, hartspieronderzoek.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Telluur -elektronica, weerstandsdraad bescherming acculood -vulkanisator in rubber, toepassing in elektronische industrie, diverse legeringen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Zilver -fotopapierontwikkelaar, spiegels, tandheelkunde, medische en wetenschappelijke apparatuur, batterij. -fotografische industrie, elektrotechnische industrie, veredeling van metalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Aluminium -constructies, tubes, folie, verven, auto-onderdelen. -foto-elektrische industrie, auto-, raket-, vliegtuigproductie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Kalium -kunstmest, zout glas. -reagens in laboratoria.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Natrium -lampen, elektriciteitskabel zout soda, batterijen. -reagens in laboratoria, koelmiddel in kerncentrales, warmtewisselaar in generators, antiklopmiddelbereiding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Zink -zinkstof en verven, pesticiden, drogecel batterijen, zinkzouten in medicinale toepassing, vliegas, zuiveringsslib, wit pigment. -verzinken van staal, diverse legeringen, rubberbereiding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Koper -vliegas, zuiveringsslib, buizen, verven, inkten, fungiciden ten behoeve van landbouw, elektrische bedrading. -katalysator bij chemische processen ten behoeve van metaalveredeling</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Nikkel -nikkel-cadmium-accu's, laselektroden, vetten, verven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>diverse legeringen, elektrotechnische coatinggrafische industrie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Chroom -pigmenten, verfstoffen, etsvloeistoffen, vliegas, zuiveringsslib, geluids-en videobanden. -veredeling van metalen, nucleaire industrie, lederindustrie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Seleen -lichtgevoelige cellen, keramiek, zonnebatterijen, shampoos -elektrotechnische industrie, fotokopieerapparatuur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Molybdeen --pigmenten in drukinkten, verven batterijen, keramiek, smeermiddelen, kachelgloeidraden. -vliegtuigindustrie, reactorvaten, diverse legeringen, automobiel-en wapenindustrie, katalysator petrochemie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Boor -wasmiddelen, oogontsmetters, hittebestendig glas, kernreactorregelstaaf. -halfgeleiders, toepassing bij opwekking van kernenergie, coating van metalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Vanadium -thomasslakkenmeel, laselektroden in glas, vliegas, constructie mat. -diverse legeringen ten behoeve van gereedschappen, katalysator bij rubberproductie, zwavelbereiding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Kobalt -drukinkt, verven, vernis, kleurstoffen, scheermessen, magneet -katalysator in petrochemische industrie, diverse legeringen ten behoeve van gereedschappen, gammabestralingsbron.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Barium -keramiek, koelmiddelen, kleurstof van papier, bougies, lampen. -antioxidant voor koper, diverse legeringen, productie van glas en staal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Titaan -pigmenten, prothesen, warmtewisselaars. -vliegtuigindustrie, machine-industrie, ontziltingsinstallaties, elektrotechnische industrie, katalysator polymerisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben: -aniline -kleurstof in druk-en textielinkten. -productie van kunststoffen (polyurethanen) -benzeen -benzine, oplosmiddel, verf coatingsmiddel. -productie van nylon, aniline, fenolen. -styreen -verven plastics. -productie van kunststoffen -tolueen -benzine, rubber, oplosmiddelen, lijm, verf, verpakkingsmateriaal. -toepassing in spuiterijen en drukkerijen. -vinylchloride -verpakkingsmateriaal - -polycyclische aromaten - -halffabricaten in chemische industrie -zwavelkoolstof -oplosmiddelen -productie van kooltetrachloride 18. Stoffen die een schadelijke werking hebben op de smaak, geur of kleur van het grondwater: fenolen, esters, minerale oliën, alcoholen. -brandstoffen, terpentine, kwastenreiniger, afgewerkte olie, dierlijke mest. -petrochemische industrie, machine-industrie, landbouw, veeteelt.</div>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.2.2 is expliciet een verbod opgenomen om grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.2.2, eerste lid, onder b, is een verbod opgenomen om constructies of werken van welke aard dan ook op of in de bodem te hebben als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem ontstaat of kan ontstaan. Ook de vroegere verordeningen bevatten een vergelijkbaar verbod. Ook hier geldt dat een limitatieve opsomming niet goed mogelijk is. Wel is in het derde lid een aantal constructies en werken genoemd die in ieder geval niet toelaatbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid van artikel 5.2.2 is een aantal uitzonderingen op het verbod opgenomen. Zo zijn vanzelfsprekend constructies en werken voor de drinkwaterwinning toegestaan. Ook aardgasleidingen voor huishoudelijk gebruik zijn vanwege de beperkte risico’s voor het grondwater toelaatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.2.2 is ook een verbod opgenomen om warmte aan de bodem te onttrekken of toe te voegen, bijvoorbeeld door middel van koude- en warmteopslag. Temperatuurschommelingen zijn schadelijk voor de kwaliteit van het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.5 Toelichting Titel 5.3 (regeling grondwaterbeschermingsgebieden I en II) Niet toegelaten inrichtingen In grondwaterbeschermingsgebieden moet worden voorkomen dat er inrichtingen worden gevestigd die voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning een te groot risico vormen. Voor deze inrichtingen geldt een absoluut verbod. Dit verbod is gebaseerd op artikel 1.2, zesde lid, onder b, van de Wet milieubeheer28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod betreft de categorieën van inrichtingen die zijn aangewezen in bijlage 1, onderdeel D, van de verordening (“de zwarte lijst”). De aanwijzing is gebaseerd op een risicoanalyse met behulp van vijf (hierna beschreven) criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Het ligt voor de hand dat de verbodslijst ook een vertaling krijgt in de bestemmingsplannen voor grondwaterbeschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria zijn in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Eén criterium leidt alleen dan tot een verbod als sprake is van een op zichzelf niet aanvaardbaar risico, uitgedrukt in bodem- en grondwaterbedreigende stoffen die in een substantiële omvang aanwezig zijn of worden gebruikt. Bij de beoordeling of een categorie van inrichtingen moet worden verboden, is gelet op de gemiddelde situatie voor die categorie. Het gaat dan om zaken zoals omvang van de inrichting, aard en hoeveelheid van stoffen en aanwezigheid van installaties e.d. , waarbij werkzaamheden plaatsvinden volgens de gangbare bedrijfsvoering van de onder die categorie vallende inrichtingen en op basis van de huidige stand der techniek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zwarte lijst is zo beperkt mogelijk gehouden: er zijn alléén categorieën van inrichtingen verboden waarbij de best beschikbare technieken ontoereikend zijn om het bodemrisico verwaarloosbaar te maken. Het aantal verboden categorieën is ten opzichte van de tot nu toe geldende provinciale milieuverordeningen aanzienlijk beperkt. Dit is zichtbaar gemaakt in de artikelsgewijze toelichting bij bijlage 1, onderdeel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige inrichtingen, die met hun activiteiten en te gebruiken stoffen potentieel een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, kan met goede voorzieningen wel een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt worden. Hier kan worden volstaan met - in aanvulling op de NRB - het stellen van extra eisen aan het bedrijfsproces, de opslag van stoffen en een geïntensiveerde monitorverplichting. Dit pakket aanvullende maatregelen wordt in de verordening ook wel aangeduid als NRB+.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod op basis van de zwarte lijst is absoluut, er is geen ontheffingsmogelijkheid. Het belang van de drinkwaterwinning laat niet toe dat de vestiging van een ‘zwarte lijst’-inrichting wordt geaccepteerd vanwege andere belangen. Bedacht moet worden dat de zwarte lijst is beperkt tot die categorieën inrichtingen waarbij het bodemrisico zelfs met de best beschikbare technieken niet verwaarloosbaar te maken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande (eerder legaal gevestigde) risicovolle inrichtingen die voorkomen op de zwarte lijst, vallen onder het overgangsrecht van artikel 12.7. In dat artikel is aangegeven aan welke eisen deze inrichtingen moeten voldoen om het bodemrisico zo ver mogelijk te reduceren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna zijn in een tabel de categorieën van verboden inrichtingen aangegeven die zijn opgenomen in de bijlage 1, onderdeel D, van de verordening met daarbij wat de reden is van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Inrichting Reden verbod a. inrichtingen voor het winnen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen, turf of andere delfstoffen De risico’s bestaan uit: -intensieve grondroerende activiteiten met risico op verstoringen van grondwaterstromen; –winning impliceert het gebruik van (zware) machines, direct op of in de bodem, waarbij een verwaarloosbaar bodemrisico niet realiseerbaar is Categorie is verboden op basis van criterium 1. b. inrichtingen voor het opslaan, overslaan en/of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen De risico’s bestaan uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4).</div>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 2, 3 en 4. c. inrichtingen voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen De risico’s bestaan uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3). Geldt met name de opslag van ertsen, brandstoffen en slakken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van criterium 3. d. uit steenkool inrichtingen voor het vervaardigen van cokes De risico’s bestaan uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4).</div>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 2, 3 en 4. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor de op-en overslag, verbranding of andere wijze van verwijdering van afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opslag van vast, niet uitloogbaar afval is in theorie uitvoerbaar in volledig gesloten systemen, in hemelwaterdichte gebouwen onder NRB+ omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter is het differentiëren in te verwijderen (en op te slaan) soorten van afval, voor deze categorie van inrichtingen moeilijk realiseerbaar en kan controle en handhaving bezwaarlijk ingewikkeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip afvalstoffen is gedefinieerd in artikel 1.1 Wm. Onder afvalstoffen vallen ook radioactieve afvalstoffen, afgedankte explosieven, afvalwater, dierlijk afval en destructiemateriaal als bedoeld in de Destructiewet en afvalstoffen die ontstaan bij opsporing, winning, behandeling en opslag van delfstoffen, alsmede afval van winningindustrieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">De categorie wordt in zijn geheel verboden op basis van de volgende risico’s: –Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet altijd realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3); –verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet altijd uit te sluiten (criteria 2 en 4); –Controle en handhaving van de bodembescherming wordt bezwaarlijk ingewikkeld Categorie is verboden op basis van de criteria 2, 3, 4 en 5. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het opslaan en/of storten van baggerspecie op land en/of op of in oppervlaktewateren De risico’s bestaan uit: –Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criteria 1 en 3); -verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 3 en 4. g. inrichtingen voor het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De risico’s bestaan uit: –Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criteria 1 en 3); –verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een toelichting op het begrip afvalstoffen de toelichting bij categorie e. h. inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart Schepen voor de beroepsvaart kunnen vervaardigd / gerepareerd worden in een droogdok. Droogdokken zijn te beschouwen als vloeistofdichte voorziening omdat uittreding van vloeistoffen tegen de waterdruk (van buiten af) in niet plaats vindt, eerder zal infiltratie van water plaatsvinden. Reparaties op een scheepshelling kunnen onder NRB+ condities worden uitgevoerd mits de helling en voorzieningen voor afstromend hemelwater vloeistofdicht worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Probleem blijft echter de verspreiding van verontreinigingen in de lucht, denk aan verwaaiing van verfresten (verfspuiten, Pak-of loodhoudende verven), slijpresten, antifoulings etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt riolen nooit volledig lekdicht veronderstelt worden. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat (hemel)afvoer vanaf scheepshellingen en/of vanuit dokken afgevoerd zullen worden per riolering ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen zoals antifoulings, PAK’s, en/of lood afkomstig van het schoonmaken c.q. werkzaamheden aan scheepshuiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leidt tot het volgende risico: –verspreiding van bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4); –(hemel)waterafvoeren kunnen leiden tot bodembelastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 4 en 5. i. inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan beroepsvaartuigen Bij deze inrichtingen zijn opslagtanks uit veiligheids-overwegingen veelal ondergronds aangebracht. Risico is wel te verkleinen door lekdetectiesystemen, kathodische bescherming, coating, dubbele wand etc. doch voor tanks (direct op of) in de bodem is een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ niet realiseerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tanken van voertuigen met vloeibare brandstoffen kan worden uitgevoerd boven een vloeistofdichte voorziening. Afvalwater (van de reiniging) kan in volledig gesloten systemen worden behandeld en kan worden afgevoerd of worden geloosd op een riool. Verwacht kan worden dat het afvalwater per riool wordt afgevoerd. Riolen zijn echter nooit volledig lekdicht Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat afvalwater van de tankactiviteiten wordt afgevoerd per riolering ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 3 en 5. j. inrichtingen voor de opslag van vloeibare NRB+ brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van voor tanks direct op of in de bodem is niet realiseerbaar. Risico is te verkleinen door lekdetectiesystemen, kathodische bescherming, coating, dubbele wand etc. doch een volledig uit te sluiten bodemrisico is niet realiseerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1 en 3. k. inrichtingen voor het reinigen van tankschepen Het betreft hier het inwendig reinigen van tankschepen. Het tankschip als zodanig kan worden beschouwd als een vloeistofdichte voorziening. De op-en overslag van afvalwater (van de reiniging) kan in volledig gesloten systemen worden uitgevoerd. Maar verwacht kan worden dat afvalwater per riool wordt afgevoerd. Dan geldt dat riolen nooit volledig lekdicht veronderstelt worden. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat afvalwater van de reinigingsactiviteiten (vervuild met restanten lading) wordt afgevoerd per riolering ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 2en 5. l. inrichtingen voor het inwendig reinigen mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers Het inwendig reinigen van tanks kan worden uitgevoerd boven een vloeistofdichte voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalwater (van de reiniging) kan in volledig gesloten systemen worden behandeld en kan worden afgevoerd of worden geloosd op een riool. Verwacht kan worden dat het afvalwater per riool wordt afgevoerd. Dan geldt dat riolen nooit volledig lekdicht veronderstelt worden. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat afvalwater van de reinigingsactiviteiten (vervuild met restanten lading) wordt afgevoerd per riolering ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 2en 5. m. inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jachthavens (inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen) zijn, afhankelijk van hun grootte, op basis van het Activiteitenbesluit verplicht om huishoudelijk afvalwater, de inhoud van chemische toiletten, afval en Bilgewater in te nemen. Op basis van artikel 4.105 van het Activiteitenbesluit mag ingenomen huishoudelijk afvalwater en inhoud van chemische toiletten worden geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het lozen van afvalwater afkomstig van het uitvoeren van metaalbewerking (inclusief verspaning, mechanisch afwerken, smeden, lassen, solderen, stralen, reinigen, lijmen, coaten, etc. zoals beschreven in § 4.5.1 tot en met 4.5.11 van het Activiteitenbesluit), in een vuilwaterriool toegestaan op basis van de artikelen 4.70 tot en met 4.74 van het Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doordat deze kwaliteiten afvalwater kunnen worden afgevoerd per riolering ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen. Door de opslag van afval niet toe te staan, zijn grotere jachthavens (criteria Activiteitenbesluit) impliciet verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 2 en 5. n. zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwater-zuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen Inrichtingen voor de zuivering van afvalwater omvatten veelal bassins in of direct op de bodem. Een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ voor bassins direct op of in de bodem is niet realiseerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1 en 3. o. inrichtingen voor het recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater Viskweek in open systemen (oppervlaktewater) kan leiden tot een (beperkte) belasting met geneesmiddelen (antibiotica), voer en mest. Er zijn in Nederland nog geen officiële regels voor het gebruik van diergeneesmiddelen in de visteelt. Eenduidige gegevens over eventueel medicijngebruik staan ons niet ter beschikking. Een eenduidige beoordeling van de risico’s is daarmee nog niet mogelijk. In gesloten kweeksystemen worden recirculatiesystemen voor het zuiveren van het water toegepast. Kweekbassins zijn echter vaak direct in of op de grond geplaatst waardoor visuele inspectie op vloeistofdichtheid niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een eenduidige risicobeoordeling, aan de hand van beschikbare gegevens, niet mogelijk is dient deze categorie van inrichtingen vooralsnog verboden te worden. p.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor oppervlaktebehandeling van metalen en/of kunststoffen door middel een elektrolytisch of chemisch procédé, En/of het aanbrengen gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Galvanische (cyanidehoudende) baden zijn veelal direct op of in de bodem aangebracht en daarmee niet volledig visueel inspecteerbaar. Een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ van voor bassins direct op of in de bodem is niet realiseerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1 en 3. q.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk Risico op bodembelasting met lood uit loodhoudende munitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de activiteiten sluit afdoende bodembeschermende voorzieningen uit. Voor evenementen waarbij zonder kogelvanger wordt geschoten zijn de terugwinpercentages (doorgaans 90-95%) van belang. Dit impliceert dat bij het schieten met het open schootsveld ca. 5-10% van het lood in of op de bodem blijft. Daarnaast is (voor andere takken van schietsport) handhaving moeilijk omdat alleen aan de hand van teruggevonden kogels aantoonbaar is of al dan niet met lood geschoten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 1en 5 r.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardolie-en aardgaswinning Door het boren kunnen grondwaterverstoringen optreden en kan grondwatervervuiling, door het gebruik van boorvloeistoffen, optreden. De aard van de activiteiten sluit afdoende bodembeschermende voorzieningen uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van criterium 1 s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewerking van splijt-en kweekstoffen Risico op radioactieve belasting van bodem en grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de activiteiten sluit afdoende bodembeschermende voorzieningen uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van criterium 1 t. inrichtingen voor het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen Verkeersbewegingen bestaan voor deze inrichtingen voor een groot deel uit vrachtverkeer. Hiermee worden de aan-en afvoerwegen van en naar de inrichting zwaar belast. Aanleg en onderhoud van wegen wordt onevenredig kostbaar. Het is niet redelijk / mogelijk de wegbeheerder te verplichten om afdoende extra maatregelen te treffen vanwege de aanwezigheid van een dergelijke opstelplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodembeschermende functie van de wegen is daarnaast moeilijk handhaafbaar, wegen zouden zeer frequent geïnspecteerd moeten worden (denk aan vorstschade etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 4 en 5. u. inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht In beginsel kan een circuit volledig vloeistofdicht worden uitgevoerd. Echter moet dan ook uitgesloten zijn dat voertuigen (als gevolg van een crash) naast het circuit kunnen komen. Het vervoer / afslepen van beschadigde voertuigen moet correct worden uitgevoerd etc. De bodembeschermende functie van het circuit is moeilijk handhaafbaar, baan zou zeer frequent geïnspecteerd moeten worden (denk aan ongeval en/of vorstschade etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie is verboden op basis van de criteria 4 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels voor inrichtingen Bodembedreigende activiteit Het eerste deel van titel 5.3 heeft betrekking op inrichtingen die in een grondwaterbeschermings-gebied zijn gelegen en waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen. Alvorens in te gaan op de normen die ten aanzien van deze inrichtingen gelden, wordt stilgestaan bij het begrip “bodembedreigende activiteit”. Hiervoor is in de verordening geen definitie opgenomen. Een limitatieve opsomming zou tot gevolg hebben dat geen rekening wordt gehouden met nieuwe activiteiten en zou bovendien, bij een te ruime omschrijving, meer activiteiten omvatten dan nodig is. Om een beeld te krijgen om wat voor activiteiten het dan wel gaat, kan aansluiting worden gezocht bij de NRB. Volgens paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB worden de volgende bedrijfsactiviteiten als bodembedreigende activiteiten beschouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag bulkvloeistoffen Opslag in ondergrondse of ingeterpte tank Opslag in bovengrondse tank, verticaal met bodemplaat Opslag in bovengrondse tank, vrij van de grond opgesteld (horizontaal/verticaal) Opslag in putten en bassins Overslag en intern transport bulkvloeistoffen Los-en laadactiviteiten Leidingtransport Verpompen Transport op bedrijfsterrein in open vaten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag en verlading stort-en stukgoed Opslag stortgoed Verlading stortgoed Opslag en verlading vaste stoffen (inclusief visceuze vloeistoffen) in emballage (drums, containers etc.) Opslag en verlading vloeistoffen in emballage (drums, containers etc.) Procesactiviteiten / -bewerkingen Gesloten proces of bewerking (Half-)open proces of bewerking Overige activiteiten Afvoer afvalwater in bedrijfsriolering Calamiteitenopvang Activiteiten in werkplaats Afvalwaterzuivering Voor inrichtingen waarin bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, gelden de volgende normen: de bijzondere zorgplicht van artikel 5.1.3 (zie paragraaf 4.5.3.3 van deze toelichting); er dienen bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen te worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd; voor een toelichting wordt verwezen naar de NRB; in de inrichting mag een “niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof” niet aanwezig zijn; het tussen aanhalingstekens geplaatste begrip is gedefinieerd in artikel 5.1.1 onder h. Het gaat om stoffen die zijn aangewezen in bijlage 1, onderdeel A; voor andere potentiële voor het grondwater schadelijke stoffen gelden uitgangspunten die hierna onder “stoffenbeleid” zijn toegelicht; en tenslotte zijn enkele specifieke activiteiten binnen inrichtingen verboden, evenals zij buiten inrichtingen worden verboden, tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Het gaat hier om de activiteiten die zijn geregeld in de artikelen 5.3.5 tot en met 5.3.11. Verwezen wordt naar paragraaf 4.5.5.3 van deze toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stoffenbenadering – niet-toelaatbare schadelijke stoffen Niet voor alle stoffen is in grondwaterbeschermingsgebied een bijzonder beschermingsniveau nodig. Stoffen waarvoor geen verpakkings-en etiketteringseisen gelden op grond van artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer, mogen zonder beperking in het grondwaterbeschermingsgebied worden toegepast. Wel geldt vanzelfsprekend ook dan de bijzondere zorgplicht van artikel 5.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal stoffen die een ernstige gevaar voor de grondwaterkwaliteit kunnen opleveren, wordt niet in het grondwaterbeschermingsgebied toegelaten. De kern van deze ‘zwarte stoffenlijst’ wordt gevormd door in Europese regelgeving aangewezen kankerverwekkende (carcinogene), mutagene en voor de voortplanting schadelijke (reproductie-toxische) stoffen: de CMR-stoffen. In aanvulling daarop is een beperkte selectie gemaakt van stoffen die voorkomen op de lijst in bijlage XVII van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de Nederlandse prioritaire stoffenlijst van het RIVM29. Het gaat bij die laatste lijst om stoffen met “zeer ernstige zorg” (ZEZ), waarvan een deel ook prioritair is op grond van de Kaderrichtlijn Water. De CMR-stoffen zijn eenvoudig identificeerbaar aan de hand van de ‘veiligheidszinnen’ die op de verpakking of op een veiligheidsblad moeten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in aanvulling daarop apart vermelde stoffen zijn verboden omdat de stof aan een of meer van de volgende criteria voldoet: vloeibare gehalogeneerde koolstofverbindingen: stoffen met een dichtheid groter dan water, die niet met water mengen; deze kunnen diep in het grondwater doordringen en lossen langzaam op; giftig of zeer giftig; moeilijk afbreekbaar; moeilijk verwijderbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van kwik-, organische tin-en arseenverbindingen zijn vooralsnog geen zware metalen opgenomen. Het is nog niet voldoende duidelijk of de risico’s daarvan zodanig zijn dat een compleet verbod nodig is. De stof 1,2-dichlooretheen (nr. 24) komt als enige niet op een van de lijsten voor, maar breekt in de bodem af tot het kankerverwekkende en slecht afbreekbare vinylchloride, en is daarom toch verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stoffen die aan bovenvermelde criteria voldoen en tevens aangemerkt zijn als kankerverwekkend, mutageen of schadelijk voor de voortplanting, vallen onder het verbod (de verzamelcategorie CMRstoffen), maar zijn niet apart vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stoffen waarvoor op grond van Europese of nationale regelgeving al een totaalverbod of zeer vergaande beperkingen gelden, bij voorbeeld op grond van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen, zijn niet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle verboden stoffen geldt, dat op grond van Europese of nationale regelgeving reeds vergaande beperkingen gelden ten aanzien van – onder andere – de gehaltes en toepassing van bepaalde gevaarlijke stoffen in preparaten (mengsels) en voorwerpen, en van de stof als zodanig. Levering aan ‘het grote publiek’ is veelal al verboden; bepaalde professionele toepassingen zijn soms wel toegestaan. Voor het bedrijfsmatig vervaardigen of gebruiken van deze preparaten of voorwerpen zullen die stoffen in grotere hoeveelheden in het bedrijf aanwezig moeten zijn. Waar in de vorige versie van de PMV om die reden bepaalde bedrijfstakken waren verboden, is nu het gebruik van deze stoffen verboden, in verband met het gevaar voor de drinkwatervoorziening. Het gevolg is een selectief verbod op bepaalde activiteiten waarbij die stoffen gebruikt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Bepaald door het ministerie van VROM in het kader van de uitvoering van het project SOMS (Strategie Omgaan Met Stoffen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.3.2, derde lid, en 5.3.3, vierde lid, zijn ook enkele uitzonderingen opgenomen van ‘zwarte’ stoffen of toepassingen die wél zijn toegelaten. Daarbij is aangesloten bij vergelijkbare uitzonderingsbepalingen in de genoemde EG-verordening. Een voorbeeld is de uitzondering voor (lees: toelating van) asbest. Deze stof is kankerverwekkend, maar is niet mobiel in de bodem en kan dus nooit in het drinkwater komen. Het gebruik van specifieke in die artikelen genoemde ‘zwarte’ stoffen is dus mogelijk in situaties waar het verbod gezien de eigenschappen of toepassing onnodig is, en het verbod onbillijk, voor zover dit kon worden voorzien bij het opstellen van deze verordening. Indien in de praktijk blijkt dat dit voor meer stoffen of toepassingen geldt, kan voor incidentele situaties een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule. Het toetsingscriterium daarbij is enkel de bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwatervoorziening. Het gebruik van deze stof zal dan nog steeds moeten voldoen aan de regels in deze verordening, met name de artikelen 5.3.2 en 5.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het ontbreken van bepaalde stoffen op deze lijst zou – ten onrechte – afgeleid kunnen worden dat die stof wél in de bodem zou mogen komen. Een verontreiniging van de bodem is echter in alle gevallen ontoelaatbaar. Het verschil tussen “zwarte” stoffen en overige stoffen is niet een al dan niet toegestane emissie bij de ‘normale’ bedrijfsvoering, maar de inschatting van het risico voor de grondwaterkwaliteit bij calamiteiten en milieu-incidenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zwarte lijst wordt voor het eerst aan deze verordening verbonden. Het effect en de effectiviteit van het verbod zal de komende jaren gevolgd en geëvalueerd worden. Onderzocht zal worden of niet alsnog bepaalde stoffen, zoals zware metalen, aan de lijst moeten worden toegevoegd, of andere afgevoerd, bij voorbeeld naar aanleiding van het gebruik van de hardheidsclausule. Ook nieuwe risico-evaluaties die in Europees verband worden uitgevoerd, kunnen aanleiding zijn bij een toekomstige wijziging van de PMV stoffen toe te voegen of van de lijst te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Potentieel schadelijke stoffen Potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen (stoffen die behoren tot een categorie die is genoemd in artikel 9.2.3.1, tweede lid van de wet) mogen in grondwaterbeschermingsgebied alleen aanwezig zijn als enkele aanvullende maatregelen worden getroffen (NRB+, zie hierna) en als dat – afhankelijk van de aard van de stoffen – in niet te grote hoeveelheden gebeurt, dan wel gecompartimenteerd in verschillende opslageenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de toelaatbare hoeveelheden is het volgende bepaald: voor wat betreft giftige stoffen: in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage 4, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2 mag in de inrichting de in de tabel aangegeven drempelwaarde niet worden overschreden; voor wat betreft andere potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen: van een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: mag per opslageenheid niet meer dan 5 m3 aanwezig zijn; van een visceuze of vaste stof mag per opslageenheid niet meer dan 5000 kilogram aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, de onder a en b genoemde hoeveelheden mogen worden overschreden als de stof niet zeer mobiel en zeer persistent is. Als een stof wel zeer mobiel en zeer persistent is, zal er voor moeten worden gezorgd dat per compartiment de hiervoor genoemde hoeveelheid niet wordt overschreden. Een en ander volgt uit de beoordelingssystematiek die is opgenomen in bijlage 1, onderdeel B van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen geldt dat aanvullende maatregelen genomen moet worden die verder gaan dan wat in de NRB is opgenomen. Deze maatregelen worden in deze verordening ook wel aangeduid als NRB+. De maatregelen houden in dat de bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast; proces en opslag vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren of lekbakken plaatsvindt; en tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen (en tenminste eenmaal per vijf jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels bestaande inrichtingen Voor bestaande inrichtingen/vergunningen gelden de instructies eveneens, zij het met een vertraging, om aan het bevoegd gezag de gelegenheid te bieden de geldende vergunningen aan te passen en aan de inrichtingen om vervolgens maatregelen en voorzieningen te treffen. Ingevolge artikel 2.30, eerste lid Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moeten de vergunningen van vergunningplichtige bedrijven regelmatig30 worden geactualiseerd. Toepassing van de stoffenbeoordelingsmethodiek bij de actualisering van de vergunning van die bestaande bedrijven kan dan uitsluitstel geven over de aan de opslag van die stoffen te stellen eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel worden dezelfde eisen gesteld als bij nieuwe inrichtingen, zo snel te verwezenlijken als redelijkerwijs kan. Een planmatige en projectmatige aanpak is daarbij vereist. Als uiterste termijn van actualisering van de vergunning wordt uitgegaan van drie jaar. De (tot het bevoegd gezag gerichte) verplichting om de voorschriften aan de vergunning te verbinden treedt daarom in werking twee en een half jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. Vanzelfsprekend zullen bij een aanvraag voor een vergunning tot verandering van de inrichting of de werking daarvan, bij verlening van die vergunning die extra eisen direct moeten worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten buiten inrichtingen Boorputten Bij het uitvoeren van boringen kunnen in de bodem aanwezige afsluitende lagen worden verstoord. Verontreinigingen kunnen door middel van lekstromen in het diepere grondwater komen. Daarnaast is het van belang dat putten goed aan maaiveld worden afgesloten. Bij beëindiging van de put moet er voor worden gezorgd dat boorgaten op een goede wijze weer worden opgevuld. Doorboring van afsluitende lagen moet worden hersteld. Het uitvoeren van boringen is dusdanig risicovol dat het verboden is een boring uit te voeren. Er is een uitzondering opgenomen voor drie situaties waarin boringen wel zijn toegestaan: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening door de voor het grondwaterbeheer verantwoordelijke instanties; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; of tijdelijke bronbemaling voor de uitvoering van werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel moet hierbij worden voldaan aan het VKB-protocol 2006 Mechanisch boren. Indien een boring voldoet aan dit protocol zijn er voldoende waarborgen om een verontreiniging van het grondwater te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwerken Bij het roeren van de grond gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, boringen, grond-en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden, folies en heipalen. Het roeren van de grond in de eerste drie meter heeft weinig invloed op de kwaliteit van het grondwater en zal doorgaans geen gevaar opleveren. Daarom heeft het verbod alleen betrekking op activiteiten die drie meter of meer onder het maaiveld plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geheel verbod op het roeren van de grond dieper dan drie meter is niet haalbaar. Er zijn situaties denkbaar waarbij het nodig is de grond dieper dan de in de verordening genoemde diepte te roeren terwijl geen bedreiging voor de grondwaterkwaliteit optreedt. Bijvoorbeeld het aanleggen van een parkeergarage (met dichte vloer). Met algemene voorschriften kan in zo’n geval voldoende bescherming worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van deze algemene voorschriften moet na graafwerkzaamheden het bodemprofiel worden aangevuld tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld. Aanvulling van grond moet gebeuren volgens het oorspronkelijke bodemprofiel en aansluiten op eventuele kunstwerken die zijn aangebracht (riolering, kelder e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">30 In de Wet milieubeheer was dit, voor de inwerkingtreding van de Wabo, geregeld in artikel 8.22. Wat regelmatig is, is in de parlementaire stukken in het midden gelaten. De frequentie hangt mede af van de aard van de inrichting. In de onderhavige gevallen ligt het voor de hand om de intervallen niet te groot te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Funderingstechnieken Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen, zonder verbrede voet, zijn funderingstechnieken die het minste risico opleveren voor de kwaliteit van het grondwater. Er zijn echter omstandigheden bekend waarbij gladde heipalen niet voldoen en andere technieken nodig zijn. Ook de locale omstandigheden kunnen het nodig maken om andere technieken te gebruiken. Een te rigoureus verbod kan betekenen dat bepaalde maatschappelijk gewenste activiteiten niet door kunnen gaan. Voor dit soort situaties is een alternatief beschikbaar: de schroefpaal. Hiermee wordt voorkomen dat deze activiteiten onnodig worden geblokkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buisleidingen Transportleidingen vormen een belangrijke risicofactor vanwege potentiële lekkages. Er moet dus zoveel mogelijk worden voorkomen dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhardingen en gebouwen Verhardingen zoals wegen en gebouwen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn tot nu toe aangemerkt als risico’s en oorzaak van belasting van de bodem, zowel bij aanleg als gebruik. De regels in eerdere versies van de PMV bestonden uit een verbod op, of beperkingen aan bouwen en aanleggen. Het verbod gold in aangegeven gevallen niet door het stellen van algemene regels of het geven van een ontheffing met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter: niet de aanwezigheid van verhardingen en gebouwen op zichzelf, maar de keuze van bouwmaterialen en het gebruik brengen risico’s en mogelijk bodembelasting met zich mee. Het is niet nodig regels te stellen aan de constructie of vloeistofdichtheid van verhardingen. Wegen zijn berekend op de verkeersbelasting als gevolg van de verkeerstechnische eisen die aan de weg gesteld worden. Deze brengen met zich mee dat de wegen vloeistofdicht of vloeistofkerend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werkelijke risico wordt gevormd door het afstromend water. Regenwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) uitlogende bouwmaterialen en van het verkeer. Het afstromend water van wegen bevat zware metalen, PAK’s en minerale olie; in het afstromend hemelwater van gebouwen komen o.a. opgelost koper en zink voor. Bij een calamiteit op de weg kan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen in de berm komen. Bij ongecontroleerde infiltratie in de berm kan dit tot vervuiling van de bodem en het grondwater leiden. Generieke regelgeving beperkt dit risico onvoldoende, gelet op het bijzondere belang en de kwetsbaarheid van de drinkwatervoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een snelweg of een intensief te gebruiken (auto)weg in een grondwaterbeschermingsgebied introduceert een relatief groot risico op calamiteiten met mogelijk grote gevolgen en is daarom in beginsel ongewenst. Een tracé buiten het grondwater-beschermingsgebied heeft de voorkeur, gezien vanuit het belang van de drinkwatervoorziening. Als dat niet mogelijk is, kan met adequate voorzieningen (best bestaande technieken) het risico van de weg tot verwaarloosbaar teruggebracht worden. Een absoluut verbod op het aanleggen van wegen is daarom niet proportioneel, evenals voor woonwijken, individuele gebouwen en dergelijke. Een dergelijk verbod zou in de praktijk kunnen leiden tot grote druk om een grondwaterwinning te sluiten om daarmee het verbod op te heffen. De grondwaterbescherming werkt dan averechts: in plaats van het beschermen van het grondwater wordt de winning gesloten. Daarmee zou dit middel zijn doel voorbijschieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PMV is er daarom op gericht de resterende risico’s van verhardingen en gebouwen verwaarloosbaar te maken, onder meer door het tegengaan van infiltratie van vervuild water en bescherming van afsluitende grondlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van nieuwe wegen of reconstructie van bestaande wegen moeten maatregelen worden getroffen om vervuiling van het grondwater door afstromend water te voorkomen. Als handreiking aan de initiatiefnemer wordt hier verwezen naar het rapport “Afstromend wegwater” (Commissie Integraal Waterbeheer, Den Haag, 2002), waarbij aangetekend wordt dat later nieuwe inzichten kunnen ontstaan waardoor dit rapport achterhaald wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) komt – met het oog op de bodembescherming in het algemeen -tot een aantal maatregelen die zijn samengevat in een tabel (pg 11 van de samenvatting). Die komen onder andere neer op het gebruik van ZOAB, periodiek reinigen van de vluchtstrook en het gecontroleerd infiltreren in de berm of buiten het kwetsbare gebied. Dit ‘gecontroleerd infiltreren’ wordt in het rapport nader toegelicht. De CIW vervolgt dat het aan de provincies is om extra maatregelen te nemen met het oog op de bescherming van het drinkwater. De door de CIW voorgestelde maatregelen moeten als een minimum beschouwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor intensief gebruikte wegen, zoals autosnelwegen en doorgaande (auto)wegen, met een relatief grote kans op incidenten, zijn zwaardere maatregelen nodig, zoals het gebruik van folies en afvoervoorzieningen in de wegbermen. Het opgevangen water wordt afgevoerd of met de best beschikbare technieken gezuiverd voordat het wordt geïnfiltreerd. Voor minder intensief bereden wegen zijn minder vergaande maatregelen nodig, mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied. Voor kleine weggetjes is het uiteraard overbodig de bermen met folie in te pakken en het regenwater op het riool af te voeren. De CIW-aanpak van gecontroleerd infiltreren is hier afdoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk beoordeelt het bestuursorgaan, aan wie de melding gedaan wordt, of de initiatiefnemer in die specifieke situatie voldoende maatregelen heeft getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afstroom van bestaande wegen geldt dat goed in de gaten wordt gehouden met het signaleringssysteem van een grondwatermeetnet of er sprake is van vervuiling. Zodra er een signaal is voor vervuiling vanuit een waterwinbedrijf, dan wordt nader onderzoek ingesteld naar de herkomst van de vervuiling. Als er aangetoond wordt dat de weg de veroorzaker is, dan moeten maatregelen worden genomen. Recent voorbeeld is de A1, waar aantoonbaar een onverantwoorde chloride vervuiling werd veroorzaakt door de weg. Bij de reconstructie van de A1 worden hier nu maatregelen voor genomen. Op dit moment loopt daarnaast nader onderzoek op de locaties Huizen (chloride vervuiling) en Laarderhoogt (nitraatvervuiling). Indien het nader onderzoek aanleiding daar toe geeft zullen maatregelen worden geëist van de betreffende wegbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is er geen aanleiding parkeerplaatsen zonder maatregelen om afstromend water op te vangen, te verbieden of hiervoor alsnog maatregelen te verplichten. In het verleden is er discussie geweest over de verharding van parkeerplaatsen in onze duinen of het Gooi. Qua inpassing in de omgeving was onverhard wenselijker. Op basis van onderzoek is destijds besloten onverharde of halfverharde parkeerplaatsen toe te staan. In die afweging is ook betrokken dat de meeste parkeerplaatsen aan de rand van GW II liggen en er dus ook maar een beperkt risico is. Indien het waterwinbedrijf een vermoeden heeft van vervuiling zal hier onderzoek naar worden ingesteld. Aangezien het enorme kosten voor de eigenaren met zich meebrengt om verharding en maatregelen om afstromend water op te vangen nu wel verplicht te stellen, inclusief kosten voor ons voor handhaving in verhouding tot het ingeschatte risico, willen we onze beleidslijn niet aanpassen. Daarbij wel de opmerking dat als er vanuit metingen (en daarop volgend onderzoek) in de toekomst wel aanleiding is om maatregelen te eisen, we die mogelijkheid willen hebben. Op basis van het gebiedsdossier KRW, zou er ook aanleiding kunnen zijn om maatregelen te gaan eisen. Tevens geldt in deze gevallen natuurlijk wel de algemene zorgplicht van artikel 5.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegestaan gebruik van de bodem, bijzondere zorgplicht In deze PMV is afgezien van het opnemen van voorschriften die het ‘normale’, toegestane gebruik van de bodem (bij voorbeeld bewoning) reguleren. Dit gebruik vormt een verwaarloosbaar risico, mits gebruikers ‘met gezond verstand’ en volgens de algemeen geldende regels met de bodem omgaan. De bijzondere zorgplicht van artikel 5.1.3 biedt voldoende mogelijkheden om eventuele uitwassen en de gevolgen daarvan aan te pakken. Daarom is afgezien van bijvoorbeeld het stellen van speciale regels aan bouwactiviteiten. Generieke regelgeving en de bijzondere zorgplicht zijn voldoende. Dit houdt ook in dat het bevoegde gezag bij vergunningverlening de initiatiefnemers op de risico’s en de bijzondere zorgplicht wijst en zo nodig (aanvullende) voorschriften stelt zodat adequate bodembeschermende maatregelen worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepinfiltratie Bij diepinfiltratie wordt opgevangen hemelwater in watervoerende lagen gebracht, meestal enkele tientallen meters diep. Binnen de intrekgebieden van de drinkwatervoorziening vormt diepinfiltratie een groot risico, omdat het niet naleven van regels of het maken van fouten vergaande gevolgen heeft. Een eventuele verontreiniging kan immers zonder de reinigende werking (natuurlijke afbraak, adsorptie aan bodemdeeltjes) van een bodempassage direct in het watervoerende pakket doordringen. Een voorbeeld van een dergelijke fout is het verkeerd aansluiten van riolering of het lozen van vuil water op een hemelwaterkolk, waardoor vuil water in een hemelwaterriool terecht kan komen. Als dit water diep wordt geïnfiltreerd, kan dit een drinkwaterbron onbruikbaar maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regelgeving voor het grondwater in het algemeen (generieke regelgeving) is niet toereikend waar het gaat om de zorg voor de drinkwatervoorziening omdat deze wel regels stelt aan diepinfiltratie, maar het onvoldoende mogelijk maakt om in kwetsbare gebieden diepinfiltratie volledig uit te sluiten. In de verordening is daarom een absoluut verbod voor diepinfiltratie van afstromend water opgenomen (artikel 5.3.7, tweede lid). Ook andere, meer incidenteel, voorkomende vormen van diepinfiltratie zijn in het algemeen niet toelaatbaar. Dat volgt uit de algemene zorgplichtbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.6 Toelichting overigen bepalingen (Titel 5.4) Meldingen Voor de handhaving van de in deze verordening gestelde regels is het van groot belang dat het bevoegd gezag tijdig informatie ontvangt over het voornemen om activiteiten uit te voeren die risico’s voor de kwaliteit van het grondwater met zich mee brengen. Daarom is daarvoor een informatieverplichting in de verordening opgenomen. Hoewel ook het streven van de provincies er op is gericht zo min mogelijk administratieve lastendruk te veroorzaken, is het belang van een goede bewaking van de grondwaterkwaliteit zo zwaarwegend dat aan deze informatieverplichting niet valt te ontkomen. Bedacht moet worden dat reeds een geringe verontreiniging ernstige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater en daarmee voor de drinkwatervoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat voor de activiteit waarvoor een melding moet worden gedaan, op grond van andere regelgeving al een melding moet worden gedaan. Dat kan zijn op grond van algemene regels voor inrichtingen op grond van artikel 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer of op grond van artikel 32 of artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit. Het ligt voor de hand dat in een dergelijk geval de meldingen dan zoveel mogelijk tegelijkertijd worden gedaan. Wel zullen daarbij in ieder geval de termijnen en inhoudelijke eisen die in de verordening worden gesteld in acht moeten worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De relatie met de omgevingsvergunning voor een inrichting verdient bijzondere aandacht. In artikel 5.3.2, tweede lid, onder f, is bepaald dat het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor een inrichting aan de vergunning de voorschriften verbindt die in de artikelen 5.3.5 tot en met 5.3.11 voor bodembedreigende activiteiten zijn opgenomen. Daarbij moet ook opgenomen worden dat de activiteiten gemeld moeten worden. Het is immers niet zeker dat voor een dergelijke activiteit steeds een (wijziging van de) vergunning nodig is (bijv. voor het vernieuwen van een dak of het bieden van parkeergelegenheid). Indien echter wel een (wijziging van de) omgevingsvergunning nodig is, biedt de vergunningaanvraag voldoende informatie en behoeft niet ook nog een melding te worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengevat kunnen de volgende situaties worden onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, wordt de melding tegelijkertijd met de aanvraag om die vergunning gedaan aan het bevoegd gezag voor de inrichting. (artikel 5.3.2, tweede lid, onder f).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de activiteit plaats vindt binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, maar voor de activiteit geen (wijziging van de) omgevingsvergunning nodig is, geldt de meldingsverplichting wel. De melding moet dan worden gedaan aan het bevoegd gezag voor de inrichting. (artikel 5.4.3, derde lid, eerste volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ten aanzien van een inrichting een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de wet van toepassing is en niet een melding op grond van artikel 8.41 van de wet is voorgeschreven wordt de melding gedaan bij burgemeester en wethouders (artikel 5.4.3, derde lid, juncto artikel 5.3.3, tiende lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle andere gevallen wordt de melding gedaan aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van de melding in de provinciale milieuverordening is als volgt. De melding wordt uiterlijk negen weken voor de uitvoering gedaan. De melding bevat een beschrijving van de activiteit en de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na ontvangst van de melding wordt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf gezonden. Binnen zes weken na ontvangst stuurt het bestuursorgaan een brief waarin het aangeeft of het verwacht dat de activiteit waarvan melding wordt gedaan, gezien de ontvangen gegevens zal voldoen aan de gestelde regels. Het is onzeker of het geven van een dergelijke verwachting moet worden aangemerkt als het nemen van een besluit. Enerzijds kan de mededeling worden aangemerkt als een niet bindende beoordeling van de activiteit in vooroverleg. Anderzijds is er jurisprudentie dat de mededeling die een oordeel geeft over de aanvaardbaarheid van een activiteit, moet worden aangemerkt als een besluit, waartegen bezwaar en beroep open staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gegevens in de melding voor een beoordeling van de te nemen maatregelen onvoldoende zijn, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 4:5 Awb om aanvullende gegevens worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn waarbinnen het bestuursorgaan moet reageren, is zes weken. Bij overschrijding van de termijn wordt het oordeel van het bestuursorgaan geacht positief voor de melder te zijn. Als om aanvullende gegevens wordt gevraagd, wordt de termijn van zes weken opgeschort (artikel 4:15 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 5.4.3, lid 6, moet de aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan het bestuursorgaan worden gemeld. Deze schriftelijke melding is ook toegestaan via een e-mail of fax.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffingen en de mogelijkheid tot afwijken van instructies De strikte regelgeving ter bescherming van de grondwaterkwaliteit kan er toe leiden dat een activiteit met een groot maatschappelijk belang op grond van de verordening niet kan worden toegelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan het gewenst zijn dat dat toch gebeurt als het algemeen belang dat met uitvoering van de activiteit is gediend zwaarder weegt dan het -naar mag worden aangenomen beperkte -risico op grondwaterverontreiniging. Voor deze bijzondere situaties is in de verordening een regeling opgenomen. Van een in de verordening opgenomen verbod kan ontheffing worden verleend en van een instructievoorschrift kan worden afgeweken indien het algemeen belang de uitvoering van de activiteit waarop het verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als een voor de gemeenschap zeer belangrijke infrastructurele voorziening moet worden aangelegd en de bepalingen van de verordening daaraan in de weg staan. De mogelijkheid van ontheffing is niet bedoeld om een afweging te maken tussen het enkele belang van een individuele aanvrager en het belang van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. De ontheffing wordt verleend door gedeputeerde staten. Als voor de activiteit ook een omgevingsvergunning nodig is, is ingevolge de artikelen 1.3a en 1.3b Wm geen ontheffing vereist, maar wordt de omgevingsvergunning mede beoordeeld op de gronden die voor de ontheffing in de provinciale milieuverordening zijn opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.4 van de Awb is van toepassing op de voorbereiding van de ontheffing (artikel 1.3, vierde lid, Wm) en de omgevingsvergunning (artikel 1.3b Wm).</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voor inrichtingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, dient -ingevolge instructiebepalingen op grond van artikel 1.3c Wm ter bescherming van de grondwaterkwaliteit -een aantal aangegeven voorschriften aan de vergunning te worden verbonden. Voor deze inrichtingen wordt in de verordening bepaald dat als het algemeen belang de uitvoering van een activiteit nodig maakt en de voorgeschreven voorschriften daaraan in de weg zouden staan, het bevoegd gezag van de instructie kan afwijken. Om er voor te zorgen dat alle betrokken belangen op een juiste wijze worden afgewogen, is bepaald dat de betrokken bestuursorganen (waaronder gedeputeerde staten indien zij niet zelf het bevoegd gezag zijn), de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid worden gesteld om een advies uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel voor de ontheffing als voor de afwijking van een vergunningvoorschrift geldt dat voorschriften moeten worden opgelegd die de hoogst mogelijke bescherming van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. Dat betekent dat de beste milieupraktijken en de best beschikbare technieken dienen te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wellicht ten overvoede wordt er op gewezen dat de ontheffingsmogelijkheid niet is te vergelijken met de regeling voor ontheffingen zoals deze voor de herziening van de verordening gold. Onder die regeling was de ontheffing immers een instrument om door middel van het stellen van voorschriften risicovolle, maar in beginsel niet ontoelaatbare activiteiten te “vergunnen”. Met de nieuwe regeling zal slechts zeer incidenteel een ontheffing (of een afwijking van de instructievoorschriften) nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving Bij activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning of een omgevingsvergunning voor een inrichting nodig is, is het bevoegd gezag voor die vergunning ook het bestuursorgaan dat belast is met de handhaving van de regels op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor situaties waarin sprake is van niet-vergunningplichtige inrichtingen is op grond van het Activiteitenbesluit het bevoegd gezag het gezag dat bevoegd zou zijn de omgevingsvergunning te verlenen. Op grond van het bepaalde in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft het bevoegd gezag onder andere tot taak “zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten voor degene die het betrokken project uitvoert, geldende voorschriften”. De Wet milieubeheer is een betrokken wet en de provinciale milieuverordening is een regeling krachtens de Wet milieubeheer. Dit betekent dat het betreffende bevoegd gezag het bestuursorgaan is dat belast is met de handhaving van de regels op grond van deze verordening voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor activiteiten buiten inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, is gedeputeerde staten het bestuursorgaan dat met de handhaving is belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de rechtstreeks werkende bepalingen van de verordening is een economische delict (artikel 11.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht In de verordening is overgangsrecht opgenomen voor inrichtingen en activiteiten die ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling legaal, dat wil zeggen in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de provinciale milieuverordening, in werking zijn respectievelijk worden uitgevoerd. Daarbij wordt wel zoveel mogelijk het beschermingsniveau (NRB+, vergunningvoorschriften en algemene regels) aangehouden zoals dat ook voor nieuwe inrichtingen en activiteiten geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdlijnen van het overgangsrecht zijn de volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels zijn niet van toepassing op voortdurende activiteiten die al voor de inwerkingtreding van die regels worden uitgevoerd en in overeenstemming zijn met de (provinciale) regels zoals die voor deze voor de inwerkingtreding van deze verordening golden. Bij voortdurende activiteiten gaat het om het hebben van boorputten en grond-of funderingswerken, buisleidingen, gebouwen, wegen en andere verhardingen, bestaande WKO-installaties en begraafplaatsen, uitstrooivelden en dierenbegraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van meststoffen, IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie geldt geen overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instructievoorschriften moeten binnen vier jaar worden verbonden aan de vergunningen voor bestaande inrichtingen. Daarbij is bepaald dat in het voorschrift moet worden opgenomen dat die regels pas met ingang van het achtste jaar na de inwerkingtreding van deze verordening gaan gelden. Alleen het voorschrift met betrekking tot intensievere monitoring treedt meteen in werking nadat de vergunningvoorschriften zijn aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bestaande (legale) inrichtingen die op grond van de nieuwe bepalingen verboden zouden zijn, geldt dat verbod niet. De oude regels blijven op deze inrichtingen van toepassing, maar de beschermingsregels die gelden voor niet-verboden inrichtingen, zijn -met een vergelijkbare overgangsregeling -van toepassing. Het overgangsrecht bevat ook regels voor wijziging van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgangsbepalingen resulteren dus in de verplichting tot het treffen van extra voorzieningen binnen maximaal acht jaar vanaf het van kracht worden van deze verordening. Hierdoor krijgt het bedrijf de gelegenheid zich in te stellen op de nieuwe situatie, de voor die activiteit gedane investeringen af te schrijven en nieuwe investeringen op een ‘bedrijfsmatig logisch’ moment te doen. Hoewel op grond van deze regels formeel niet verplicht, zal een ondernemer die zijn installaties (bijvoorbeeld) vijf jaar na het in werking treden van deze verordening ingrijpend verandert, er verstandig aan doen die meteen ‘op niveau’ te brengen (zie artikel 5.3.2 en 5.3.3). Anders is hij gedwongen enkele jaren later opnieuw zijn installatie aan te passen, wanneer het einde van de overgangstermijn van acht jaar in zicht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van stoffen zal, vanwege het belang van de drinkwaterbescherming, voor alle bedrijven in overeenstemming met deze verordening moeten worden gebracht, ook als dat beëindiging van die activiteit tot gevolg heeft. De overgangstermijn geeft de tijd om naar alternatieven te zoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een nog in behandeling zijnde ontheffingsaanvraag op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijft dit recht gelden tot aan het moment waarop de beschikking onherroepelijk is geworden (artikel 12.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Toelichting Hoofdstuk 6: Bescherming Aardkundige Monumenten 4.6.1 Inleiding In de provincie Noord-Holland bevinden zich zeventien aardkundig zeer waardevolle gebieden die de kwalificatie ‘aardkundig monument’ hebben gekregen. Het betreft gebieden die in het kader van diverse studies c.q. inventarisaties als internationaal” dan wel “nationaal” van belang werden aangemerkt uit oogpunt van hun bijzondere aardkundige waarde (bodemkundige, geologische, geo-morfologische, dan wel hydrologische waarde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Al deze 17 gebieden zijn representatief en karakteristiek voor de ontstaansgeschiedenis van het Noord-Hollandse landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Aardkundige Monumenten zijn gebieden die extra bescherming nodig hebben vanwege hun waardevolle bodem en/of waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem. Het beleid voor deze Aardkundige Monumenten is een vorm van gebiedsgericht milieubeleid. De wetgever laat de invulling van het beleid voor milieubeschermingsgebieden aan de provincie over. Het doel van het Noord-Hollandse beleid voor Aardkundige Monumenten is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzame instandhouding van gebieden die extra bescherming behoeven vanwege hun waardevolle bodem en/of waardevolle elementen die primair bepaald zijn door de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het behoud van de aardkundige monumenten is om twee redenen belangrijk. Allereerst heeft de bodem een intrinsieke waarde. Op de onderzochte en vervolgens in het onderzoek benoemde plekken is de ontstaansgeschiedenis van de provincie Noord-Holland in de bodem terug te vinden, het zogenaamde geoarchief. Respect voor het historisch en daarmee het aardkundig erfgoed past in de huidige beleving van de waardering voor onze cultuur. Aardkundige monumenten kunnen niet meer hersteld worden. Als een gebied aangetast is, gaat het aardkundig erfgoed voorgoed verloren. Daarom is voorkoming van aantasting zo belangrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede is een kwalitatief goede bodem een voorwaarde voor en een uitwerking van duurzaam bodemgebruik. Vele vormen van bodemgebruik, bijvoorbeeld landbouw, natuur en wonen stellen eisen aan de fysische kwaliteit van de bodem. De provincie Noord-Holland streeft er dan ook nadrukkelijk naar de bodemkwaliteit te beschermen en indien nodig te verbeteren om de maatschappelijk gewenste vormen van bodemgebruik ook in de toekomst mogelijk te maken. Bij de uitvoering van het beleid wordt nadrukkelijk naar functiecombinaties met andere beleidsvelden gestreefd. De provincie streeft niet naar meer beperkingen ten aanzien van bodemgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2 Aanleiding voor deze aanpassing De regels voor de bescherming van de 17 Aardkundige Monumenten zijn in 2006 voor het eerst in de PMV-tranche 5 opgenomen, in 2008 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd. Bij de evaluatie van het Aardkundige Monumentenbeleid in 2008/2009 is gebleken dat dit niet toereikend was bij de huidige ontheffingsaanvragen. Het bood onvoldoende houvast bij het beoordelen van aanvragen en bevat weinig argumenten om wel of niet ontheffing te verlenen. Dit is aanleiding geweest om de PMV te herzien en tevens een beoordelingskader op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geen geval is het de bedoeling geweest om de begrenzing van de Aardkundige Monumenten te wijzigen c.q. aan te passen. Wel wordt toegelicht hoe de begrenzingen zijn bepaald. Er is wel voor gekozen bepaalde handelingen binnen de Aardkundige Monumenten vrij te stellen van ontheffingplicht of slechts aan een meldingsplicht te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitvoering van het Aardkundige Monumentenbeleid zijn naast de regels in deze verordening ook communicatie, integrale beleidsvorming en handhaving van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatie Aardkundige waarden moeten ‘vanzelfsprekend’ meegenomen worden in processen rond ruimtelijke ordening. Hiervoor moet het Noord-Hollandse aardkundig erfgoed meer bekendheid gaan genieten. Er zal zowel intern als extern gecommuniceerd worden. Daarnaast is educatie en informatieverstrekking als vorm van externe communicatie erg belangrijk. De provincie Noord-Holland heeft een informatiefilm over de Aardkundige Monumenten beschikbaar en een Lesbrief Aardkundige Monumenten laten opstellen voor middelbare scholen. De komende jaren zal de provincie blijven communiceren met doelgroepen over het Aardkundige Monumentenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integrale beleidsvorming Coalitievorming met andere beleidsvelden kan een belangrijke rol spelen bij het in stand houden van de Aardkundige Monumenten. Het zoeken naar functiecombinaties is van belang. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om veel beter samen te werken met partners in het veld. Toezicht kan in veel gevallen gecombineerd worden met andere taken van de terreineigenaar / -beheerder ter plaatse. Door dit soort functiecombinaties kunnen meerdere belangen in een keer behartigd worden. De provincie is bezig met het zoeken naar samenwerkingsverbanden met de terreineigenaren / -beheerders Handhaving Bij handelingen in een aardkundig monument waarvoor een ontheffing nodig is, is het bevoegd gezag voor die ontheffing ook belast met de handhaving van de regels op grond van de Provinciale Milieuverordening. De overtuiging bestaat overigens, dat je bescherming van de Aardkundige Monumenten niet alleen moet afdwingen, maar ook begrip voor bescherming daarvan moet kweken. Alleen dwang werkt niet. Er moet gezocht worden naar een ander soort van betrokkenheid bij in standhouding van het aardkundig monument. De aanwezigheid van aardkundige waarden hoeft geen belemmering in het gebruik van de bodem te vormen, zolang er maar sprake is en blijft van duurzaam bodembeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.3 Inhoud van de regeling 4.6.3.1 Toelichting Artikel 6.1 (aanwijzing aardkundige monumenten) In Noord-Holland zijn zeventien aardkundige monumenten (AM) aangewezen. Het betreft gebieden die in eerdere inventarisaties als ‘internationaal’ dan wel ‘nationaal’ van belang worden aangemerkt uit oogpunt van hun aardkundige waarde (bodemkundige, geologische, geomorfologische, dan wel hydrologische waarde), De kwalificatie is indertijd toegekend door een aantal aardwetenschappers en was gebaseerd op een compilatie van alle belangrijke voorgaande aardkundige inventarisaties in Noord-Holland. Als belangrijkste leidraad fungeerde de inventarisatie van de ‘Bodembeschermingsgebieden’ uitgevoerd in het kader van de oude Wet bodembescherming (1992-1994) welke wet later is opgenomen in de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing van de aardkundige monumenten is gebaseerd op bestaande Bodembescherming-rapporten (Intentieprogramma Bodembeschermingsgebieden NH 1994) en het rapport GEA-objecten – RIN 1978 van G.H. Gonggrijp. Bij de vaststelling van de begrenzing van de AM is in principe altijd eerst de begrenzing gevolgd van het aardkundig verschijnsel (v.b. contouren van de stuwwal, strandwal etc..), zowel aan het oppervlak als in de ondergrond (bodemkundig, geomorfologisch, geohydrologisch). Indien er geen bijzondere belemmeringen zijn (infrastructuur, bebouwing etc..) is de begrenzing van het aardkundig verschijnsel niet aangepast, ongeacht de graad van aantasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zeventien AM zijn ingedeeld in 5 hoofdgroepen naar hun dominante ontstaanswijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indeling AM in hoofdgroepen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdgroep Aardkundige monumenten Duin</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Westelijke Kuststrook Texel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>Duinen tussen Den Helder en Petten, Zwanenwater;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Duingebied van Schoorl en Bergen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>Duingebied Noord-Kennemerland, Bergen-Egmond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5)</span>Duingebied Egmond -Wijk aan Zee;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6)</span>Duinen Nationaal Park Zuid-Kennemerland, Amsterdamse Waterleidingduinen;</div>\n<p class=\"lf-p\">Stuwwal</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7)</span>Oude land van Texel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8)</span>Het eiland Wieringen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9)</span>Stuwwallengebieden van het Gooi;</div>\n<p class=\"lf-p\">Rivier</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10)</span>Waver, Vecht en Aetsveldsche polder;</div>\n<p class=\"lf-p\">Veen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11)</span>Polder Mijzen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12)</span>Alkmaardermeer en Uitgeestermeer;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13)</span>Naardermeer;</div>\n<p class=\"lf-p\">Zee</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14)</span>Oude Veer en Anna Paulownapolder;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15)</span>Buitendijkse zandplaten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">16)</span>Benningbroek West;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17)</span>Strandwal Spaarnwoude –Haarlemmerliede.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze indeling is gekozen om de invloed van de handelingen die in de ontheffingsaanvraag worden beoogd op het specifieke AM inhoudelijk goed te kunnen beoordelen, zonder de specifieke kenmerken van elk individueel AM daarbij uit het oog te verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.3.2 Toelichting Artikel 6.2 (zorgplicht) Er is een bijzondere zorgplicht ter bescherming van de aardkundige monumenten opgenomen. De zorgplicht met betrekking tot de in de verordening geregelde beschermingsgebieden is ‘bijzonder’ ter onderscheiding van de andere zorgplichten (artikel 1.1a Wet milieubeheer, artikel 13 Wet bodembescherming, artikel 18 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden). De bodem van aardkundige monumenten is kwetsbaar en aantastingen zijn onomkeerbaar. Daarom mag extra alertheid en zorgvuldigheid worden verwacht van personen en instanties die hier maatschappelijke activiteiten ontplooien die een aantasting van het aardkundig monument kunnen veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook al geldt er voor een handeling in een AM geen expliciet verbod, als die handeling risico’s voor het aardkundig monument met zich meebrengt, mag zij niet worden uitgevoerd. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken. Er is een informatieplicht aan gedeputeerde staten opgenomen, om zicht te kunnen houden op de maatregelen die worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de verordening beperkt is. Weliswaar is geprobeerd een compleet overzicht van categorieën handelingen die een aantasting van het aardkundig monument zouden kunnen veroorzaken op te nemen, er is altijd een risico dat daarmee een handeling niet expliciet is genoemd. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.3.3 Toelichting Artikel 6.3 (verbod (behoudens ontheffing)) Alle handelingen die het oorspronkelijke bodemprofiel aantasten en/of de reliëfvormen doen verdwijnen, en daardoor het voortbestaan van het aardkundig monument in gevaar brengen zijn verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de in lid 2 genoemde categorieën van handelingen wordt het volgende bedoeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreden met zware vervoermiddelen Het gaat hier om het betreden van de AM met ondermeer rupsvoertuigen of gelijksoortige voertuigen die als gevolg van hun grote gewicht blijvende schade aan het oorspronkelijke bodemprofiel en reliëfvormen toebrengen. Wanneer werkzaamheden noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld voor onderhoud, en daarbij materieel wordt gebruikt die verdichting van de bodemstructuur zo veel mogelijk voorkomt en geen schade toebrengt aan reliëfvormen, kan ontheffing worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installeren van bodemenergiesystemen Alle handelingen ten behoeve van het installeren van bodemenergiesystemen in de bodem, dus ook grondboringen, tasten het oorspronkelijke bodemprofiel aan..</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgronden, egaliseren en afgraven (verlagen van de bodem) voor het winnen van grondstoffen (zand, klei, grind etc..) Bedoeld wordt het afgraven en uitgraven van grondstoffen binnen het AM om buiten het AM toe te passen in werken. Ontgrondingen tasten het oorspronkelijke bodemprofiel aan en egalisatie en afgravingen tasten de oorspronkelijke geomorfologie (reliëfvormen) van het AM aan. Aangezien dergelijke handelingen bijna altijd meer dan minimale aantasting veroorzaken zal ontheffing in die gevallen alleen bij zwaarwegende maatschappelijke belangen mogelijk zijn. Zie hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergrondse infrastructuur Het gaat hier om het bouwen van tunnels en dergelijke en het leggen van leidingen en kabels buiten het tracé van bestaande infrastructuur. Deze handelingen veroorzaken nagenoeg meer dan minimale aantasting en ontheffing zal alleen bij zwaarwegende maatschappelijke belangen mogelijk zijn. Revisie en onderhoud van bestaande ondergrondse infrastructuur zijn vrijgesteld van ontheffingsplicht. Zie hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente peilverlagingen Het permanent verlagen van het grondwaterpeil kan het oorspronkelijke bodemprofiel en reliëf, voornamelijk in rivieren-en veengebieden, aantasten. In de andere hoofdgroepen kan ontheffing worden verleend als er door peilverandering slechts minimale aantasting plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Storten op of in de bodem of het bedrijven van een stortplaats Stortplaatsen vormen niet alleen een bedreiging voor de bodemkwaliteit maar zorgen ook voor een verdichting van het onderliggende bodemprofiel. Het opnieuw in gebruik nemen van voormalige stortplaatsen is evenmin toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graven</p></div>", "next": 238909}