{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voor duikers moet de minimale afstand ten opzichte van het winterpeil worden bepaald. Als namelijk van het zomerpeil zou worden uitgegaan zou dit tot consequentie hebben dat na instellen van het lagere winterpeil kleine duikers bijna droog zouden komen te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 3: compensatie bergend oppervlak Nieuwe kunstwerken in een oppervlaktewater (bijvoorbeeld een dam met duiker) verkleinen het bergend oppervlak van een oppervlaktewater. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. Een en ander is nader uitgewerkt in het dempingenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 4: materiaal Het toe te passen materiaal mag op grond van waterkwaliteitsdoelstellingen niet uitlogend zijn. Bijlage 2 geeft een overzicht weergegeven welke materialen zijn toegestaan en welke niet. Dit overzicht is niet uitputtend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 5: natprofiel schoon en open Om te garanderen dat het doorstroomprofiel van het kunstwerk altijd volledig watervoerend is, is de onderhoudsplichtige van het kunstwerk ervoor verantwoordelijk dit kunstwerk schoon en open te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 7: voorzieningen voor onderhoud Doel van deze voorwaarde is om adequaat onderhoud met onderhoudsboten te kunnen blijven uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">MEERPALEN (artikel 8) Toelichting artikel 8: maatvoering meerpalen Meerpalen met beperkte afmetingen mogen, indien ze niet teveel op elkaar worden geplaatst, zonder meer in het watersysteem worden geplaatst. Bij meerpalen met afmetingen groter dan rond 600 mm of vierkant 500 mm toetst Rijnland of ze het stromingsbeeld niet te veel beinvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikelen 9 t/m 14 (duikers) Duikers grijpen in op de inrichting van het oppervlaktewater. Niet alleen de wateraan- en afvoer wordt door duikers beinvloed. Ze hebben nadrukkelijk ook invloed op de waterkwaliteit en ecologie. Door een duiker wordt de oever onderbroken en het open water afgedekt. Dit heeft onder andere negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) en de migratie van water- en oeverdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel voor de waterkwaliteit en de ecologie als de waterkwantiteit is het van belang dat er zo min mogelijk duikers voorkomen. Vandaar de eisen die gesteld worden aan de maximale lengte en het aantal duikers per oppervlaktewater. Indien er toch duikers moeten worden toegepast, is het van belang dat de doorsnede voldoet aan de minimale waterkwantiteits-, waterkwaliteits- en ecologische eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 9: minimale inwendige afmetingen duikers Voor een goede aan- en afvoer is het noodzakelijk dat duikers ruim voldoende worden gedimensioneerd. Om dit te garanderen moet voldaan worden aan de voorwaarden met betrekking tot het verhang. Uit de praktijk blijkt dat duikers met een diameter kleiner dan 600 mm regelmatig problemen opleveren in de wateraan- en afvoer. Ook de ecologie stelt eisen aan een minimale doorsnede van duikers. Zo zijn duikers voor vissen passeerbaar als ze een minimale doorsnede hebben van minimaal 500 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen zijn de afmetingen van duikers zo gering dat in primaire oppervlaktewateren niet voldaan kan worden aan de in artikel 2 gestelde eisen. Dit betekent dat in primaire oppervlaktewateren in principe geen dammen met duikers zullen worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een duiker rond 600 mm past wat betreft een toelaatbare belemmering in een watergang van max 4 m breed. In het beleid gold tot en met 2009 als voorwaarde voor wateren breder dan 5 m een duiker rond 800 mm. Dit blijkt echter in de praktijk een groot verval op te leveren in watergang tot 8m breed. Om die reden is er voor gekozen om in wateren breder dan 6 meter een duiker van rond 1000 mm te eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 10: maximum aantal duikers Voor de waterkwaliteit en de ecologie is het van belang dat in een oppervlaktewater zo min mogelijk dammen met duikers aanwezig zijn. Om aan deze eis te kunnen voldoen is een maximum gesteld aan het aandeel en de breedte van duikers per oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 11: kruinbreedte en hellinghoek talud Onderbouwing, zie vorige voorwaarde. Indien 2 ‘buren' op de erfafscheiding een gecombineerde dam met duiker willen aanleggen met een totale breedte van 2x5 meter, dan is dit in principe toegestaan. Uit hydraulisch oogpunt verdient deze optie de voorkeur boven twee afzonderlijke duikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 12: lengte verbindingsduikers Bij voorkeur is een duiker zo kort dat vissen die door de duiker willen migreren het licht aan de andere kant kunnen zien. (Verbindings)duikers langer dan 15 meter beperken de vismigratie te veel. Bij de aanleg van snelwegen en andere belangrijke infrastructurele werken is het soms noodzakelijk dat langere duikers worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 13: bescherming uiteinden In verband met beheer en onderhoudsaspecten moeten duikers goed bereikbaar en zichtbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 14: tracé Knikpunten in duikers geven een verhoogde kans op onderhoud. Tevens geldt dat als onderhoud moet worden uitgevoerd dit moeilijker en duurder is dan bij gewone duikers. Voorts geldt dat knikpunten zorgen voor een verhoogde weerstand en een groter verval over het kunstwerk. De (as van de) duiker dient dusdanig te worden aangebracht dat aangesloten wordt bij het natuurlijke stromingsbeeld. Over het algemeen zal dit het midden van het oppervlaktewater zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overkluizingen artikel 15 t/m 21 Toelichting artikel 15: profiel vrije ruimte In principe zijn alle overkluizingen die buiten het profiel van vrije ruimte vallen toelaatbaar. Er zijn echter specifieke, op voorhand niet te definieren, situaties waarin het noodzakelijk is aanvullende eisen of compenserende maatregelen te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle overkluizingen die binnen het profiel van vrije ruimte vallen kunnen de (ecologische) waterkwaliteit beinvloeden en dienen dan ook te voldoen aan betreffende voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 16: volledige overkluizingen In deze beleidsregel zijn dusdanige waterkwaliteits- en ecologische voorwaarden opgenomen welke feitelijk tot gevolg hebben dat er bijvoorbeeld geen bruggen meer kunnen worden aangelegd. Dit is natuurlijk niet de bedoeling, vandaar dat dit artikel is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 17: eisen afmetingen Maximale breedte Om het uitvoeren van onderhoud (baggeren en maaien) en de doorvaarbaarheid van oppervlaktewateren te garanderen is een maximum gesteld aan de maximale breedte van overkluizingen. Maximale oppervlakte De Europese Kader Richtlijnwater (KRW) streeft naar een schoon, gezond en duurzaam gebruik van water. Om aan deze KRW-doelstellingen te kunnen voldoen is het van belang dat de fysischchemische waterkwaliteit in orde is en er voldoende ontwikkelingskansen voor de ecologie (oever- en watervegetatie en fauna) aanwezig zijn. Om deze ontwikkelingskansen te kunnen bieden is het van belang dat er in het watersysteem zo min mogelijk overkluizingen aanwezig zijn. Er is echter ook een sterke maatschappelijke behoefte om uit recreatief oogpunt overkluizingen zoals steigers en dergelijke aan te leggen. Beide belangen zijn in principe tegenstrijdig aan elkaar, maar door de in artikel 17 verwoorde maatvoeringen, wordt aan de ene kant de invloed van overkluizingen op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologie zo veel als mogelijk geminimaliseerd terwijl aan de andere kant toch een overkluizing mag worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom zijn overkluizingen vanuit ecologisch oogpunt nadelig? Om te beginnen dekt een overkluizing een oever en/of open water (gedeeltelijk) af. Op verschillende manieren is dit lokaal nadelig voor de ecologische waterkwaliteit. Zo verlaagt een overkluizing de toegankelijkheid van het oppervlaktewater voor dieren die deels in of op het water leven, zoals watervogels, amfibieen etc. Overkluizingen beperken voorts de lichtinval, wat de groei van oevervegetatie en waterplanten beperkt of zelfs onmogelijk maakt. Dat is een bezwaar omdat de aanwezigheid van oever- en waterplanten van groot belang is voor waterdieren en vissen. Door verminderde lichtinval vindt bovendien weinig productie van organisch materiaal en daarmee zuurstof plaats; dit verstoort het ecologische evenwicht tussen opbouw en afbraak en beinvloedt de waterkwaliteit negatief. Een verslechterde zuurstofhuishouding in het water is het gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jachthaven planologisch is bestemd, dan kunnen wij afwijken van de in dit artikel genoemde afmetingen en zijn in beginsel meerdere overkluizingen mogelijk. Aanvragen voor overkluizingen in jachthavens worden door ons van geval tot geval beoordeeld, waarbij wordt getoetst aan de waterhuishoudkundige consequenties. Hetzelfde geldt voor overkluizingen met een publieke functie, zoals gemeentelijke passantensteigers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 19: aantal overkluizingen Indien 2 \"buren\" op de erfafscheiding een gecombineerde overkluizing (dus zonder tussenruimte) willen aanleggen, dan is dit toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 20: tijdelijk verwijderen Indien Rijnland onderhoudswerkzaamheden moet verrichten (onderhoud aan kaden, uitvoering grootschalige baggerwerken, etc.) of ingeval van calamiteiten zijn eigenaren van steigers verplicht deze tijdelijk te verplaatsen, zodat Rijnland of een aannemer in opdracht van Rijnland de onderhoudswerkzaamheden kan uitvoeren of de calamiteit kan bestrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze maatregel heeft tot consequentie dat de betreffende werken zo moeten worden geconstrueerd dat ze eenvoudig en snel, door of op kosten van de eigenaar, kunnen worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 21: flexibele verbinding Eis in verband met beheer en onderhoud oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 22 (Insteekhavens) Een uitzondering op het beleid ten aanzien van overkluizingen wordt gemaakt voor overkappingen van insteekhavens. De insteekhaven moet zijn gegraven met als doel het realiseren van een ligplaats voor een vaartuig. Hiermee heeft de eigenaar voorkomen dat in het doorgaande profiel van een watergang een verstoring optreedt. In het doorgaande profiel van een watergang zijn de leefmogelijkheden en de migratiemogelijkheden van waterflora en fauna dus niet verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een insteekhaven wordt gegraven in de kern- of beschermingszone van een waterkering, dan is deel 2 van de Nota Waterkeringen (beleidsregels) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikelen 23 en 24 (Aquaducten) De beoordeling van aquaducten, maar ook andere grote infrastructurele werken zoals tunnels etc., vraagt om maatwerk. Naast gevolgen voor de waterkwantiteit en waterkwaliteit hebben deze werken vaak ook gevolgen voor de waterkeringen. Voor wat betreft aquaducten dient naast de algemene voorwaarden aandacht te worden besteed aan mogelijke schade die aan de constructie kan optreden als gevolg van baggeren, scheepvaart, slepende ankerkettingen en andere mogelijke beschadigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 8 Minimaal oppervlak open water 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de beleidsregel voor het minimale oppervlak aan open water dat in het watersysteem aanwezig moet zijn. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4) is het verboden in het beheersgebied van Rijnland gebouwen, bouwwerken e.d. te plaatsen, onbebouwde/onverharde grond te verharden en werkzaamheden te verrichte als gevolg waarvan neerslag versneld tot afvoer komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is het gehele beheersgebied van Rijnland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 1 Alternatieve waterberging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 5 Dempingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 9 Aanleg nieuwe oppervlaktewateren / Inrichting watersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Masterplan Toekomstig Waterbezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Het doel van deze beleidsregel is te garanderen dat er in watersystemen voldoende open water aanwezig is en blijft om het ‘goed functioneren' van het watersysteem te kunnen waarborgen. Het ‘goed functioneren' heeft in deze beleidsregel de betekenis dat er, bij een bepaalde neerslaggebeurtenis, geen hogere peilstijgingen mogen optreden dan maximaal toelaatbaar zijn (overstromingskansen). Daarnaast heeft open water niet alleen een taak voor de (tijdelijke) waterberging maar ook om de wateraanvoer en waterafvoer te garanderen en zorg te dragen voor een minimale (ecologische) waterkwaliteit en de grondwaterbeheersing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimaal noodzakelijke percentage open water is in de praktijk grotendeels afhankelijk van de grondsoort. De noodzakelijk oppervlakten aan open water zijn met behulp van het Rijnlandse neerslagafvoermodel berekend en weergegeven in artikel 2. Onderscheid wordt gemaakt naar het percentage open water dat in principe minimaal aanwezig moet zijn om een minimaal functioneren van het watersysteem te kunnen garanderen. Daarnaast worden voor de (her)inrichting van (nieuwe)gebieden aparte percentages open water voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden minimaal oppervlak open water Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het minimaal benodigd oppervlak aan open water in watersystemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorwaarden wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overstroming: het ongewenst onderwater komen te staan van gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overstromingskans: de kans dat er een overstroming plaatsvindt. Meestal uitgedrukt in de kans per jaar, zoals vastgelegd in de provinciale Waterverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal percentage open water: dit is het percentage open water dat in principe minimaal aanwezig moet zijn om het goed functioneren van het watersysteem te kunnen garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerppercentage open water: dit betreft het percentage aan open water bij (her)inrichting van (nieuwe)gebieden. Dit percentage houdt rekening met de diverse toekomstige ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wateropgave: de ruimtelijke en technische maatregelen die nodig zijn om de watersystemen op orde te brengen of te houden (te voldoen aan de in het kader van het Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) afgesproken normen voor wateroverlast welke nader zijn uitgewerkt in de provinciale Waterverordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Winterpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september - 1 april) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">percentages</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderstaande tabel geeft voor verschillende situaties de percentages open water weer, ten opzichte van het winterpeil. percentages voor verschillende situaties open waterType polder Minimaal percentage open water Ontwerppercentage Open water Veen* 5,2 % 9,0 % Klei* 1,8 % 4,1 % Zand* 4,3 % 8,2 % *Betreffende gebieden zijn aangegeven op kaart,</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Realisatie minimaal percentages open water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het daadwerkelijke percentage open water dat in een peilvak aanwezig moet zijn wordt in de watergebiedsplannen bepaald. Er kunnen zich drie situaties voordoen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het peilvak heeft geen wateropgave: Geen actie noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het peilvak heeft een wateropgave en het aanwezige percentage open water is inclusief de wateropgave kleiner dan het in tabel 2 vermelde minimale percentage open water: De wateropgave dient geheel in open water te worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het peilvak heeft een wateropgave en het aanwezige percentage open water is inclusief de wateropgave groter dan het in tabel 2 vermelde minimale percentage open water: Het minimale percentage open water dient aanwezig te zijn of te worden gerealiseerd. Het verschil tussen ‘wateropgave' en ‘minimaal' kan mogelijk (indien het kosteneffectief is, zie Masterplan StudieWaterbezwaar) als alternatieve berging worden gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">ontwerppercentages</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij volledige herinrichting van polders / peilvakken (van bijvoorbeeld landbouw naar stedelijk gebied) dient minimaal het in de kolom ‘ontwerppercentage open water' aangegeven percentage aan open water te worden gerealiseerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 2 en 3 Het minimale percentage open water slaat op de ondergrens waarboven eventuele kosten effectieve maatregelen voor de oplossing van de wateropgave kunnen worden overwogen. Als er geen sprake is van een wateropgave is er, ook in een watersysteem dat niet aan het minimale percentage voldoet, geen aanleiding om extra water aan te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 3 weergegeven situaties zijn onderstaand schematisch weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkaart in kaartenbijlage 4 is een globale weergave van de oorspronkelijke aanwezige bodem. Op lokaal niveau kan als gevolg van bouw- en woonrijp maken de bodemopbouw zijn gewijzigd. Indien dat het geval is, zal worden bepaald welk percentage moet worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 4 Bij het bepalen van de ontwerp percentages is rekening gehouden met een volledige herinrichting van het gebied (maximale verharding). Dit zorgt ervoor dat het nieuwe watersysteem robuust en toekomstbestendig, met een zekere mate van overdimensionering, wordt ontworpen Beleidsregel 9 Aanleg nieuwe oppervlaktewateren / inrichting watersystemen 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beinvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de beleidsregel voor de aanleg van nieuwe oppervlaktewateren en de inrichting van watersystemen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt in deze notitie een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1 en 3.1.4) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en werken aan te brengen of te hebben resp. verboden om werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater is te verwachten en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen van nieuwe oppervlaktewateren cq. inrichten van watersystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is het gehele beheersgebied van Rijnland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid De legger voor de oppervlaktewateren geeft de vereiste afmetingen van de bestaande oppervlaktewateren weer; zie hiervoor http://www.rijnland.net/beleid/legger/item_137677. Nieuw aangelegde oppervlaktewateren worden bij een herziening van de legger in de legger opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 11 Natuurvriendelijke Oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Het doel van deze beleidsregel is de functie van het oppervlaktewater als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem te beschermen. Belangrijke aspecten daarbij zijn het instandhouden van de doorstroming en bergingscapaciteit, het garanderen van een goede ecologische toestand en het waarborgen van normale onderhoudsmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtingscriteria voor de oppervlaktewateren zijn gebaseerd op de vier volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkwantiteit: aan- en afvoer moeten gegarandeerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkwaliteit: de waterkwaliteit en de ecologie mogen niet ontoelaatbaar negatief worden beinvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud: kunstwerken mogen onderhoud aan oppervlaktewater en oever niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scheepvaartbelang: de doorvaart mag niet worden belemmerd (betreft alleen het beperkt aantal polderwateren waarvoor Rijnland vaarwegbeheerder is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkwantiteit De afmetingen van een oppervlaktewater bepalen hoeveel water, binnen bepaalde randvoorwaarden, dit oppervlaktewater kan transporteren. Deze randvoorwaarden zijn onder andere de stroomsnelheid en het verval dat in een watersysteem beschikbaar is. De stroomsnelheid en het verval zijn aan elkaar gerelateerd: hoe hoger de stroomsnelheid, hoe groter het verval. Te hoge stroomsnelheden kunnen tot uitschuring van het onderwaterprofiel leiden, met mogelijke instabiliteit van het onderwatertalud tot gevolg. Voor de waterstroming in een oppervlaktewater is doorgaans een beperkt verval beschikbaar. Dit verval moet worden verdeeld over het oppervlaktewater en de daarin voorkomende kunstwerken. Voor een goede wateraanvoer en waterafvoer is het dus van belang dat een oppervlaktewater ruim voldoende is gedimensioneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkwaliteit Voor een goede (ecologische) waterkwaliteit is een goede - natuurvriendelijke - inrichting in combinatie met natuurvriendelijk beheer en onderhoud van het watersysteem noodzakelijk. De beleidsregels voor de inrichting van het watersysteem stellen dan ook nadrukkelijke eisen op het gebied van de ecologie en de waterkwaliteit, opdat planten en dieren voldoende kansen krijgen om zich te handhaven en te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud Randvoorwaarde bij de (her)inrichting van oppervlaktewateren is dat adequaat beheer en onderhoud mogelijk blijft. Daarnaast mogen geen materialen worden gebruikt die een negatieve invloed op de waterkwaliteit en/of het ecosysteem kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scheepvaartbelang Rijnland is voor bepaalde oppervlaktewateren nautisch beheerder, en vaarwegbeheerder voor een beperkt aantal oppervlaktewateren in polders. Daarnaast geeft Rijnland vaarvergunningen uit en int vaargelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de oppervlaktewateren waarvoor Rijnland geen vaarwegbeheerder is en waarvoor ook geen andere instantie door de provincie als vaarwegbeheerder is aangewezen geldt dat de recreatieve scheepvaart kan meeliften op de leggerafmetingen van Rijnland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nautisch beheer Het nautisch beheer omvat de regeling van het verkeer op het water. De wettelijke basis daarvoor is de Scheepvaartverkeerswet. Het gaat hier bijvoorbeeld om verkeersbesluiten zoals vaarverboden en snelheidsbeperkingen op basis van het BinnenvaartPolitieReglement (BPR). De taak nautisch beheer houdt voornamelijk in het ‘spelen van politieagent' op het water. Vanuit de Scheepvaartverkeerswet worden alle oppervlaktewateren aangemerkt als vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegbeheer Het vaarwegbeheer is erop gericht het doorvaartprofiel ten behoeve van de scheepvaart te onderhouden. Daarbij moet worden gedacht aan het op diepte houden van de vaarweg en het via vergunningverlening reguleren van bouwwerken die de bevaarbaarheid beïnvloeden. Een vaarwegbeheerder is automatisch ook nautisch beheerder. Het aantal oppervlaktewateren met een officiële vaarwegbeheer is vrij beperkt. Voor het vaarwegbeheer bestaat nog geen wettelijke basis. Rijk, provincies en enkele gemeenten hebben die taak vanuit hun eigen taakopvatting tot zich genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarvergunningen In de verordening over vaarverboden en vaargelden heeft Rijnland voor een aantal oppervlaktewateren vaarverboden, vrijstellingen en ontheffingen middels een vaarvergunning vastgelegd. De verordening maakt onderscheid tussen algemene vaarvergunningen (A- en B-wateren), die door iedereen aangevraagd kunnen worden, en bijzonder vaarvergunningen (C-wateren), die alleen worden verleend aan personen/instanties wier de woning of economische bestemming alleen via dat water is te bereiken. Voor het bevaren van de verschillende wateren wordt vaargeld geheven. De opbrengsten van de vaargelden gaan in het ‘fonds oeverherstel'. Uit dit fonds verleent Rijnland vervolgens subsidies aan eigenaren van land dat door motorvaart beschadigde oevers heeft opgelopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden aanleg nieuwe oppervlaktewateren / inrichting watersysteem Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1 en 3.1.4) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor nieuw aan te leggen oppervlaktewateren en of (her) inrichten van watersystemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorwaarden wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingreepmaat: de minimaal vereiste waterdiepte. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nat oppervlak: onder de waterspiegel gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar een en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drooglegging: het hoogteverschil tussen de waterspiegel in een oppervlaktewater en het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oeverlijn: De scheidingslijn tussen water en land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of oppervlaktewateren die een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Talud: glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enzovoort. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhang: verval per lengte-eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verval: verschil in peil tussen twee punten van een oppervlaktewater op een bepaald tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterlijn: het grensvlak tussen water en lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Winterpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september - 1 april) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">afmetingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw aan te leggen oppervlaktewateren voldoen minimaal aan de onderstaande afmetingen. Op basis van het vereiste nat oppervlak (zie artikel 5) kunnen grotere afmetingen vereist zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimale afmetingen oppervlaktewaterenParameter Overige oppervlaktewateren primaire oppervlaktewateren Ingreepmaat 0,50 m 1,00 m Aanlegdiepte 0,60 m 1,10 m minimaal onder- en bovenwatertalud 1:3 1:3 minimale bodembreedte 0,50 m 0,50 m minimale breedte op de waterlijn bij geldend winterpeil 4,10 m 7,10 m Bij te verleggen watergangen of indien in de omgeving uitsluitend afmetingen voorkomen die kleiner zijn dan de in de tabel vermelde waarden geldt minimaal de afmeting van de te verleggen watergang, respectievelijk de afmetingen van watergang in de omgeving, indien om redenen van de capaciteit de in de tabel vermelde waarden niet noodzakelijk zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">inrichtingseisen voor varend onderhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De inrichtingseisen voor varend onderhoud zijn als volgt: minimale breedte oppervlaktewater: 6,0 meter (op de waterlijn). minimale waterdiepte 0,75 meter. minimale vrije lengte (vrij van kunstwerken) oppervlaktewater: 250 meter. bij hindernissen (kunstwerken) zijn er voldoende plaatsen waar een onderhoudsboot in en uit het water kan worden gehaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">voorzichtig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de aanleg en/of het graven van nieuwe oppervlaktewateren moeten we extra voorzichtig zijn met de gebieden/oppervlaktewateren die zijn weergegeven op de kaart ‘Zoute kwel polders; kaartenbijlage 2'. Dat is nodig om ongewenste effecten, zoals loopzand, sterke toename (zilte) kwel en/of wegzijging te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">vereist nat oppervlak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vereiste nat oppervlak van oppervlaktewateren voldoet aan de volgende voorwaarden; maatgevende afvoercapaciteit: agrarisch gebied: 10 m3/min/100 ha. stedelijk gebied 15 m3/min/100 ha. glastuinbouw, boomkwekerijen, bollengebied: 15 m3/min/100 ha. plassengebieden: 8 m3/min/100 ha. maximale stroomsnelheid: 0,20 m/s, (uitgaande van het winterpeil). maximale stroomsnelheid in gebieden met fijn zand en slap veen: 0,10 m/s (uitgaande van het winterpeil). maximaal verhang: 1 centimeter per kilometer. totale verval in de overige oppervlaktewateren: niet meer dan 5 centimeter. toegestane verval in primaire oppervlaktewateren: wordt per geval beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">beplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De onderhoudsplichtige mag in oppervlaktewateren langs de oeverlijn over een beperkte breedte (zie onderstaande tabel) planten laten staan. toegestane planten in overlijnBeedte oppervlaktewater Primaire oppervlaktewateren* Overig oppervlaktewateren* &lt; 3 m niet toegestaan niet toegestaan &gt;= 3 m en &lt; 10 m niet toegestaan Aan elke zijde 1/10 van de breedte van het oppervlaktewater &gt;= 10 m Aan elke zijde 1/20 van de breedte met een maximum van 2 meter Idem * Lokaal kunnen door Rijnland vanwege gebiedsspecifieke omstandigheden andere maatvoeringen worden gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">geen versnippering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het versnipperen van watersystemen is niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">materiaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van oppervlaktewateren mag geen materiaal gebruikt worden met een negatieve invloed op de waterkwaliteit en de ecologie, zie bijlage 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">drempelhoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen toestroom van oppervlaktewater naar de riolering plaatsvinden. Dit kan worden bewerkstelligd door het toepassen van onderstaande minimale drempelhoogten. Andere methodieken zijn na beoordeling van Rijnland ook mogelijk. De drempelhoogte van overstorten en hemelwateruitlaten ligt in de boezem van oppervlaktewateren minimaal op NAP -0,35 meter. Voor polders en oppervlaktewateren ligt de drempelhoogte van overstorten en hemelwateruitlaten minimaal op een hoogte gelijk aan de maximale peilstijging (gerelateerd aan een voorkomensfrequentie van 1 maal per 10 jaar) verhoogd met 0,10 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">riooloverstorten en afvoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen geen overstorten van hetzelfde rioolstelsel op verschillende watersystemen uitkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 2: afmetingen Maatgevend voor de afmetingen van watergangen zijn de in de legger oppervlaktewateren opgenomen maatvoeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanlegdiepte (minimale waterdiepte) De vereiste waterdiepte (door Rijnland ingreepmaat genoemd) in oppervlaktewateren is afhankelijk van de waterkwantiteit (verval, maximale stroomsnelheid) en waterkwaliteit (zuurstofhuishouding, waterplanten, vis, enzovoort). Om heel veel kroos te voorkomen, en daarmee een gezonde zuurstofhuishouding mogelijk te maken, zouden de overige oppervlaktewateren eigenlijk niet meer dan een halve meter diep moeten zijn, Primaire oppervlaktewateren dienen dieper (minimaal 1,00 m) te zijn om aan de minimale waterkwaliteitseisen (nutrienten, zuurstofhuishouding) en ecologische vereisten (vissen, oever- en waterplanten)eisen te kunnen voldoen. Is uit het oogpunt van de waterkwantiteit een diepere waterdiepte vereist, dan moet aan deze diepere waterdiepte voldaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk worden oppervlaktewateren, afhankelijk van de baggerfrequentie en de baggeraanwas, 0,10 tot 0,20 meer onder de ingreepmaat aangelegd. Dit betekent dat overige oppervlaktewateren minimaal op een waterdiepte van 0,60 meter ten opzichte van het winterpeil en primaire oppervlaktewateren minimaal op een waterdiepte van 1,10 meter ten opzichte van het winterpeil moeten worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlaktewateren die moeten worden verlegd, dienen minimaal de bestaande afmetingen te krijgen. Komen bij aanleg van een nieuwe watergang in omgeving uitsluitend watergangen voor met een geringere breedte en zijn de in de tabel benodigde afmetingen niet noodzakelijk voor de capaciteit dan kan worden volstaan met de afmetingen die in de omgeving voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Talud Ten behoeve van de stabiliteit van het talud en om aan de minimale ecologische eisen te kunnen voldoen is een talud van minimaal 1:3 noodzakelijk. In specifieke situaties (bijvoorbeeld ruimtegebrek) moet soms worden afgeweken van het voorgeschreven onderwatertalud. In deze gevallen dienen, afhankelijk van de grondsoort, de onderstaande minimale hellingen te worden aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimale hellingGrondsoort Kleigronden Veengronden Zandgronden Onderwatertaluds minimaal 1:3 minimaal 1:2 minimaal 1:3 Indien een nog steiler talud noodzakelijk is, dan wel de grondslag zich niet leent voor dergelijke taluds (aanwezigheid van bijvoorbeeld loopzand), moet oeverbescherming worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimale bodembreedte In verband met beheer en onderhoud dienen oppervlaktewateren ten opzichte van de onderhoudsmaat een minimale bodembreedte te hebben van 0,50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doodlopende oppervlaktewateren Hoewel niet verboden heeft het toch de voorkeur dat er geen doodlopende oppervlaktewateren worden aangelegd/ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 3: inrichtingseisen voor varend onderhoud Na uitvoering van de vergunde werkzaamheden moet het oppervlaktewater met behulp van een onderhoudsboot te onderhouden zijn. Dit resulteert in bescheiden eisen - maar die zijn wel belangrijk - voor de inrichting van het oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 4: voorzichtig De aanleg van oppervlaktewateren vereist maatwerk. In gebieden met sterke (zilte) kwel en/of wegzijging kan het graven in de bodem tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel of inzijging toeneemt waardoor de waterkwaliteit mogelijk afneemt en/of een de waterbalans verstoord raakt. Betreffende gebieden zijn aangegeven op de kaart: Zoute kwel polder, kaartenbijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanlegdiepte van oppervlaktewateren is het voor kwelgevoelige gebieden nodig te kijken naar opbarstveiligheid. In grote delen van de Haarlemmermeerpolder bijvoorbeeld is het niet mogelijk oppervlaktewateren aan te leggen met grotere bodembreedtes en/of een bodemdiepte groter dan 1 meter. Het toepassen van steile taluds in combinatie met een smalle watergang kan een oplossing zijn voor extra tegendruk die de opbarstveiligheid vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt dat in bijvoorbeeld zandige gebieden vanwege de grondslag (loopzand) zonder aanvullende voorzieningen geen grote waterdiepten zijn te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 5: vereist nat oppervlak Bij toetsing aan de voorwaarden dient het betreffende oppervlaktewater belast te worden met de maatgevende afvoer. Hoe deze afvoer kan worden berekend is weergegeven in bijlage 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stroomsnelheid mag niet groter worden dan 0,20 m/s om ongewenste uitschuring van het onderwaterprofiel te voorkomen. In gebieden met slap veen en fijn zand (loopzand) geldt een maximale stroomsnelheid van 0,10 m/s. Indien toch hogere stroomsnelheden gewenst zijn, is oever en/ of bodembescherming vereist. In bijvoorbeeld het gebied van het voormalig waterschap Groot Haarlemmermeer komen tot 15 cm onder en 50 cm boven het waterpeil regelmatig zandlenzen voor. Ingeval van hoge stroomsnelheden is hier dan ook oeverbescherming vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle oppervlaktewateren geldt dat een maximaal verhang van 1 centimeter per kilometer moet worden aangehouden. Verhang en stroomsnelheid zijn aan elkaar gerelateerd. Een verhang groter dan 1 centimeter per kilometer heeft in principe (afhankelijk van de hydraulische straal) een stroomsnelheid groter dan 0,10 m/s tot gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totale verval gemeten vanaf de dichtstbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het peilvak mag maximaal 5 centimeter bedragen. Dit criterium is gebaseerd op het principe dat de waterstanden in het achterland niet te veel mogen afwijken van de optredende waterstanden in het primaire systeem om wateroverlast te voorkomen. Het totale verval dat in primaire oppervlaktewateren mag optreden verschilt per peilvak en dient dan ook per oppervlaktewater te worden bepaald (dit is afhankelijk van de gemaalcapaciteit, de toegestane drooglegging, enzovoort).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgezonderd van de regel voor het verhang van 1 centimeter per kilometer zijn duinrellen, waar het water als gevolg van natuurlijk verval tot afstroming komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 6: beplanting Randvoorwaarde voor een goed ecologisch functioneren van het watersysteem is de aanwezigheid van groene oevers. Het elk jaar zonder meer volledig schonen en maaien is vanuit het oogpunt van de ecologische waterkwaliteit dan ook niet gewenst. Anderzijds heeft de aanwezigheid van planten en riet een negatieve invloed op de wateraan- en afvoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het reguleren van planten in de oeverzone is dan ook noodzakelijk om enerzijds de positieve effecten van planten te garanderen maar anderzijds te negatieve effecten zoveel als mogelijk teniet te doen. Voor een gevarieerde visstand waarbij zowel soorten van het open water als soorten van de oeverzone aanwezig zijn is een dekkingspercentage van oeverplanten in het water van minimaal 10 % gewenst. De maatvoering in de tabel is op deze 10 % gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de primaire oppervlaktewateren een belangrijke wateraan- en afvoerende functie hebben worden aan primaire oppervlaktewateren strengere eisen gesteld dan de overige oppervlaktewateren. Lokaal kunnen door Rijnland als gevolg van gebiedsspecifieke omstandigheden, zoals bescherming van waterkeringen of natuurfuncties, afwijkende maatvoeringen worden gehanteerd. Als dit het geval is, is dit vastgelegd in het Rijnlandse bestek waarin het schoonmaken van de oppervlaktewateren is geregeld en/of in het beheerregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 7: geen versnippering Bij het versnipperen (of loskoppelen) van watersystemen worden oppervlaktewateren van elkaar gescheiden door middel van kunstwerken of dammen. Het water van beide systemen staat na versnipperen niet meer met elkaar in verbinding, zodat eventueel verschillende peilen kunnen worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen kent zowel voor- als nadelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordelen zijn bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen biedt kansen voor duurzaam peilbeheer (vasthouden, bergen in gebied).</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen biedt kansen voor de waterkwaliteit binnen het losgekoppelde systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadelen zijn bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen kan tot gevolg hebben dat de bergingscapaciteit in het nieuw te creeren en/of het resterende peilvak afneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen kan tot gevolg hebben dat de waterkwaliteit in nieuw te creeren en/of het resterende deel verslechtert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen leidt tot barrieres voor flora en fauna (vismigratie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnipperen leidt veelal tot extra (onderhouds)kosten; denk aan gemalen, inlaten, stuwen, enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Neerslag in pieksituaties opvangen wordt moeilijker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien belangen op grond van waterkwaliteit en waterkwantiteit tegenstrijdig kunnen zijn dient zeer terughoudend met het versnipperen van watersystemen te worden omgegaan. Versnipperen van watersystemen is dan ook niet toegestaan tenzij gegarandeerd wordt dat de bovengenoemde nadelen niet optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 8: materiaal Het toe te passen materiaal mag op grond van waterkwaliteitsdoelstellingen niet uitlogend zijn. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van welke materialen zijn toegestaan en welke niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 9: drempelhoogte Voorkomen moet worden dat als gevolg van hoge waterstanden water vanuit het watersysteem de riolering in stroomt. Gedacht kan hierbij worden aan terugslagkleppen etc. Indien er sprake is van een open uitstroom dient een minimale drempelhoogte te worden toegepast. Bij het bepalen van de minimale drempelhoogte zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Het gemiddelde boezempeil beweegt zich normaal gesproken tussen de NAP -0,65 m (vooral s' winters) en de NAP -,55 m (vooral zomers). Als gevolg van op- en afwaaiing kan aan de randen van het boezemsysteem de waterstand + of -0,15 tot 0,20 m afwijken van het gemiddelde boezempeil. Tijdens waterbezwaarsituaties mag het gemiddelde boezempeil stijgen tot NAP -,50 m. Rekening houdend met opwaaiing kunnen lokaal dan waterstanden voorkomen van NAP -,35 m. Om instroom vanuit het boezemsysteem via overstorten en hemelwateruitlaten in de riolering te voorkomen dient de minimale drempelhoogte van deze werken zich op NAP -,35 m te bevinden. Vanaf NAP -,50 m treedt het calamiteitenplan in werking. De boezemkaden liggen minimaal op NAP -,10 m, dus kan het boezempeil nooit hoger komen dan de minimale hoogteligging van de boezemkaden. Om er voor te zorgen dat deze NAP -,10 m niet wordt bereikt geldt vanaf NAP -,35 m een maalstop voor alle poldergemalen. Omdat de wateraanvoer op de boezem vanaf een waterpeil van NAP -,35 m aanzienlijk wordt beperkt zal de gemiddelde boezemwaterstand in principe nooit boven de NAP -,35 m stijgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>Elke polder of beter gezegd elk peilvak kent zijn eigen peilbeheer. Dit betekent dat voor elk peilvak een minimale drempelhoogte moet worden bepaald. De op- en afwaaiingseffecten in peilvakken blijven over het algemeen beperkt tot enkele centimeters. Rekening houdend met enige opwaaiing en een paar centimeter reserve dient de minimale drempelhoogte 0,10 m boven de maximale peilstijging (gerelateerd aan een voorkomensfrequentie van 1 maal per 10 jaar) te liggen (veiligheidshalve kan worden uitgegaan van een hoogte van 2/3 v.d. drooglegging gerekend vanaf winterpeil). In een aantal watersystemen cq. oppervlaktewateren kan de totale opstuwing enkele decimeters bedragen, indien dit het geval is moet hier bij de aanleg van de overstorten rekening mee houden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 10: riooloverstorten en afvoer Voorkomen moet worden dat peilstijgingen in het ene watersysteem via de riolering in een ander watersysteem doorwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 10 Werkzaamheden in de bodem in gebieden met sterke kwel/wegzijging 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beinvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de beleidsregel voor het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem in gebieden met sterke kwel/wegzijging. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4) is het verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater te verwachten is en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Deze beleidsregel is alleen van toepassing op de op de kaart ‘kwel- en inzijgingsgebieden, zie kaartenbijlage 2' aangegeven gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid Algemene regel 4 Geotechnisch en milieukundig bodemonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem in gebieden met sterke (zilte)kwel of wegzijging van het grondwater, kan tot gevolg hebben dat de (zilte)kwel of wegzijging ongewenste vormen aanneemt waardoor de waterkwaliteit afneemt en/of een verstoring van de waterbalans optreedt. Het betreft hier onder andere de diepe polders zoals de Haarlemmermeerpolder, Polder Nieuwkoop, Polder de Noordplas en polder Tempel Middelburg.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Voorwaarden Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4) heeft het bestuur de volgende voorwaarden opgesteld voor het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">verboden werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een sterke toename van de (zilte) kwel of wegzijging van grondwater te verwachten valt. Onder dit soort werkzaamheden wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het roeren van gronden beneden 2,50 m minus maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van heipalen met verzwaarde punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maken van sonderingen, grondboringen al dan niet voor geologisch onderzoek of bronneringswerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verrichten van seismisch onderzoek al dan niet met behulp van explosieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in de aardbodem brengen van water of andere vloeistoffen, dan wel water of andere vloeistoffen te gebruiken voor het plaatsen of verwijderen van damwanden, palen, beschoeiingspalen enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verrichten van ontgravingen ten behoeve van het winnen van delfstoffen of specie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verrichten van omspuitingen, omdreggingen of omzettingen van grond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">uitvoeringsvoorschrift</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Te maken boringen en te plaatsen filters, meetbuizen, detectiebuizen en peilbuizen met een diameter van maximaal 15 centimeter mogen alleen door middel van het boren (of pulsen) worden aangebracht, het (voor)spuiten is niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">herstel van ondoorlatende lagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorboring c.q. perforatie van ondoorlatende lagen moet onmiddellijk worden hersteld door het aanbrengen van zwelklei (bentoniet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">dichten cq. opheffen ontstane wellen/kwel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden (of binnen vijf jaar na uitvoering) wellen ontstaan dan wel een toename van de kwel geconstateerd wordt, moet dit direct aan het hoofd van de afdeling handhaving worden gemeld. De vergunninghouder moet ontstane wellen dichten en ontstane kwel opheffen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Toelichting per artikel Toelichting artikel 1 Indien een van de in artikel 1 genoemde werkzaamheden in de bodem moet plaatsvinden of als een sterke toename van de (zilte)kwel of wegzijging van het grondwater wordt verwacht, moet dit worden gemeld aan Rijnland. Rijnland zal dan in overleg met de initiatiefnemer nagaan welk nader onderzoek moet worden uitgevoerd en welke maatregelen eventueel genomen moeten worden. Maatregelen zijn namelijk sterk gebiedsafhankelijk en vragen daarom om maatwerk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 11 Drijvende woningen (woonboten) 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beinvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de beleidsregel voor drijvende woningen (woonboten). Raadpleeg allereerst de algemene regel 10 ‘Drijvende woningen', om na te gaan of u aan de voorwaarden voldoet voor het zonder vergunning aanlegen en hebben van een woonboot. Wordt niet aan de voorwaarden, dan is voor het aanleggen en hebben van een woonboot een watervergunning nodig, waarvoor de onderstaande voorwaarden gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit deze beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen die gebruikt worden. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) is het zonder vergunning van het bestuur verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken en hun beschermingszone werkzaamheden te verrichten en werken of opgaande (hout)beplanting aan te brengen of te hebben, dan wel aanwezige (hout)beplanting te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van drijvende woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidregel is de kernzone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid Algemene regel 10 Drijvende woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 7 Kunstwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Drijvende woningen (woonboten) kunnen naast een belemmering voor de wateraanvoer- en afvoer ook invloed hebben op de waterkwaliteit en de ecologie. De gevolgen van drijvende woningen voor de (ecologische) waterkwaliteit zijn dezelfde als voor overkluizingen aangezien ook drijvende woningen oppervlaktewateren gedeeltelijk afdekken, wat de lichtinval beperkt en lokaal het water- en oevermilieu aantast. In principe gelden voor drijvende woningen dezelfde voorwaarden als voor overkluizingen, maar zouden deze voorwaarden onverkort voor drijvende woningen worden toegepast dan zouden er bijna geen drijvende woningen meer kunnen worden toegelaten. Voor drijvende woningen zijn dan ook aparte regels opgesteld, die enerzijds zo veel mogelijk rekening houden met de (ecologische) waterkwaliteit maar anderzijds ook rekening houden met de bewoonbaarheid van drijvende woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) heeft het bestuur van Rijnland voor drijvende woningen de volgende voorwaarden opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorwaarden wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Drijvende woning: een drijvende inrichting of vaartuig bestemd en/of in gebruik om op te wonen en/of werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernzone: de centrale gedeelten van waterstaatswerken die als zodanig in de legger zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingreepmaat: de minimaal vereiste waterdiepte. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Insteekhaven: een, buiten het doorgaande profiel van een watergang, gegraven doodlopende haven met als doel een ligplaats te realiseren voor een vaartuig/drijvende woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verval: verschil in peil tussen twee punten van een oppervlaktewater op een bepaald tijdstip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">vervangen van bestaande drijvende woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het (deels) vervangen van een bestaande drijvende woning is toegestaan, mits de bestaande drijvende woning dezelfde vorm en afmeting heeft, op dezelfde locatie wordt aangelegd en de te vervangen onderdelen in het geheel worden verwijderd (aan de eisen in de artikelen 3 en 4 hoeft niet te worden voldaan, artikelen 5 - 8 zijn gewoon van toepassing).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">voorwaarden waterkwantiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Per drijvende woning moet aan de volgende waterkwantiteitsvoorwaarden worden voldaan: waterkwantiteitsvoorwaarden per drijvende woningPrimaire Oppervlaktewateren Overige Oppervlaktewateren Maximaal verval per drijvende woning per geval beoordelen Per geval beoordelen Maximaal verval in oppervlaktewater waarin drijvende woning wordt gelegd Per geval beoordelen 5 centimeter (gemeten van het dichtsbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het watersysteem)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">toepassingsgebied en voorwaarden afmetingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen en hebben van een drijvende woning is toegestaan indien: het geen natuurvriendelijke of waardevolle oever betreft (zie kaartenbijlage 1; (gebieden met) beschermde oevers); de breedte van het oppervlaktewater minimaal 10 meter (gemeten op de waterlijn) bedraagt en de breedte van een drijvende woning (inclusief (omloop)steigers) maximaal 1/3 van de breedte van het oppervlaktewater bedraagt (gemeten op de waterlijn op de locatie waar de drijvenBeleids- en Algemene Regels, versie 3.0, vastgesteld door D&amp;H 10 mei resp. 2 augustus 2011, corsanummer 11.33228 67 de woning komt te liggen) tot een maximum van 8 meter en minimaal 2/3 van de breedte van het oppervlaktewater ter plaatse van de drijvende woning vrij blijft van objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In oppervlaktewateren breder dan 50 m kan, na beoordeling van Rijnland, voor drijvende woningen een breedte van meer dan 8 m (inclusief (omloop)steigers) worden toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">drijvende woningen in insteekhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor drijvende woningen die in een speciaal daarvoor gegraven insteekhaven worden gepositioneerd, gelden de in artikel 2 en 3 verwoorde eisen niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">waterdiepte onder de drijvende woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder drijvende woningen moet altijd minimaal 0,30 meter water aanwezig zijn tussen de onderkant van de drijvende woningen en de leggerdiepte (diepte van de watergang volgens de geldende legger). Het gaat hier om de situatie van de drijvende woning in belaste staat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">vrij meebewegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Drijvende woningen moeten vrij mee kunnen bewegen met het waterpeil. Indien de drijvende woning langs een waterkering is gelegen, dan moet deze verankerd worden door middel van (een) meerpa(a)l(en) in plaats van rechtstreeks aan de oever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">verplaatsbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle aansluitingen tussen de drijvende woning en de wal moeten zo zijn gerealiseerd dat de drijvende woning verplaatsbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 2: vervangen van bestaande drijvende woning Bestaande drijvende woningen mogen vervangen worden, ongeacht de maatvoering, dus ook als deze afwijkt van de maten in artikel 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 3: voorwaarden waterkwantiteit Bij toetsing aan de vervalvoorwaarden dient het betreffende oppervlaktewater belast te worden met de maatgevende afvoer. Hoe deze afvoer kan worden bepaald is weergegeven in bijlage 4. Het totale verval (inclusief effecten kunstwerken) dat in primaire oppervlaktewateren mag optreden verschilt per watersysteem en dient dan ook per primair oppervlaktewater te worden bepaald (dit verval is afhankelijk van gemaalcapaciteit, toegestane drooglegging etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overige oppervlaktewateren mag het totale verval (inclusief kunstwerken) maximaal 5 centimeter bedragen (gemeten vanaf de dichtstbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het watersysteem). Indien deze 5 centimeter volledig is opgebruikt dan is er geen ruimte meer om kunstwerken/woonboten in het betreffende watersysteem aan te leggen. Is de 5 centimeter nog niet opgebruikt dan zijn er vanuit de waterkwantiteit geen belemmeringen om het kunstwerk/drijvende woning te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toelaatbare verval is sterk afhankelijk van de situatie. Om te voorkomen dat een kunstwerk drijvende woning alle beschikbare ruimte verbruikt, wordt daarom per geval bekeken wat he toelaatbare verval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 4: toepassingsgebied en voorwaarden afmetingen In smalle oppervlaktewateren hebben drijvende woningen een relatief grote invloed op de waterkwantiteit en de (ecologische) waterkwaliteit. Daarom worden in oppervlaktewateren smaller dan 10 meter dan ook geen drijvende woningen toegestaan In oppervlaktewateren breder dan 10 meter zijn wel drijvende woningen toegestaan. Wel wordt in deze oppervlaktewateren een maximum gesteld aan de breedte van drijvende woningen om de negatieve invloed van drijvende woningen op de waterkwaliteit en de ecologie te beperken en om voldoende ruimte over te houden voor varend onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 6: waterdiepte onder de drijvende woning De diepte onder de woonboot mag niet dieper zijn dan de leggermaat of de vaardiepte zoals die door de vaarwegbeheerder is aangegeven en onder de woonboot dient min. 30 cm water aanwezig te zijn. De leggermaat geeft een gegarandeerde waterdiepte aan. Als de feitelijke waterdiepte meer bedraagt, dan zal dit in de praktijk na verloop van tijd vollopen met bagger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat drijvende woningen zich vastzuigen in bagger moet onder drijvende woningen minimaal 0,30 meter water staan, zodat peilschommelingen kunnen worden opgevangen. Een ander aspect is dat bij onderhoud (baggeren) of calamiteiten drijvende woningen verplaatsbaar moeten zijn. Het gaat hier om de situatie van de drijvende woning in belaste staat. Het is niet toegestaan om de leggerdiepte (waterdiepte volgens de legger) in de watergang zonder vergunning te wijzigen; zie hiervoor de leggerkaarten die te vinden zijn op de internet site van Rijnland: http://www.rijnland.net/beleid/ item_137677/kaarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 7: vrij meebewegen Om te voorkomen dat het bergend vermogen van het watersysteem afneemt, mogen drijvende woningen niet dusdanig aan de bodem of de oever worden vastgeklonken dat ze niet meer in staat zijn het waterpeil te volgen. Indien drijvende woningen worden gefixeerd is er feitelijk sprake van een demping en zijn de beleidregels uit het dempingenbeleid van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 8: tijdelijk verplaatsen Indien Rijnland onderhoudswerkzaamheden moet verrichten (onderhoud aan kaden, uitvoering grootschalige baggerwerken, etc.) of bij calamiteiten zijn eigenaren van drijvende woningen verplicht de drijvende woning tijdelijk te verplaatsen, zodat Rijnland of een aannemer in opdracht van Rijnland de onderhoudswerkzaamheden kan uitvoeren of de calamiteit kan bestrijden. Deze maatregel heeft tot consequentie dat de aanmeervoorzieningen dusdanig moeten worden uitgevoerd, dat de drijvende woning eenvoudig en snel, door of op kosten van de eigenaar, kan worden losgekoppeld. Loskoppelen van nutsvoorzieningen is voor rekening van de eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 12 Onttrekking en infiltratie van grondwater 1. Inleiding In de Waterwet (art 6.5.b) is aangegeven dat het waterschap bevoegd gezag is voor het onttrekken en infiltreren van grondwater, met uitzondering van een drietal categorieën waar de provincie bevoegd gezag blijft: industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar, drinkwaterwinning en bodemenergie-systemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invulling van de rol als bevoegd gezag vormt het beleid van de provincies en Rijnland zoals vastgelegd in provinciale waterplannen en Waterbeheerplan de basis. In dit beleid zijn voor de grondwateronttrekking de volgende doelen aangegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">In beeld (laten) brengen van gevolgen van de onttrekking en beëindiging en waar relevant laten toepassen van mitigerende maatregelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelmatige en duurzame benutting van het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan deze activiteiten. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. In de keur heeft voor grondwateronttrekkingen al een uitwerking plaatsgevonden. In de artikelen 3.3.1 t/m 3.4.1 van de keur is voor de grondwateronttrekkingen en infiltraties aangegeven bij welke grenzen sprake is van een plicht tot vergunning, meten en registreren of melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregel worden de beleidsdoeleinden zodanig uitgewerkt dat ze effectief kunnen worden toegepast als kaders voor vergunningverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur (artikel 3.3.3, lid 1a en 1b) is het verboden om zonder vergunning van het bestuur: grondwater te onttrekken of te infiltreren in de milieubeschermingsgebieden volgens de Provinciale Milieuverordening (PMV) en in door het bestuur op kaart aan te wijzen kwetsbare gebieden; in andere gebieden grondwater te onttrekken, indien de hoeveelheid te onttrekken (of infiltreren) water meer kan bedragen dan 10 m3 per uur of 12.000 m3 per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3.3 lid 2 geeft vervolgens aan in welke gevallen geen vergunning vereist is (zie samenvattend hiervoor onderstaande figuur 1). Op grond van artikel 3.3.4 kan het bestuur nadere regels stellen voor grondwateronttrekkingen en infiltraties. Deze beleidsregel 12 bevat de nadere regels zoals bedoeld in artikel 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland. * Een dag, maand of jaar zijn gedefinieerd als een willekeurige aaneengesloten periode van 24 uur, 31 dagen en 365 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit 3.1 Wetgeving De waterschappen zijn in de Waterwet aangewezen als beheerders van de regionale watersystemen. Grondwater maakt deel uit van het watersysteem. In de wet wordt als doelstelling van het watersysteembeheer aangegeven (art 2.1):</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen van wateroverlast of watertekorten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming/verbetering van de chemische en ecologische waterkwaliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervulling maatschappelijke functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vormt ook de basis voor het grondwaterbeheer. In feite mag de onttrekking/infiltratie niet tot overlast of ecologische schade leiden of de (duurzame) vervulling van de maatschappelijke functies beperken. Bij de vergunningverlening moeten deze algemene belangen in de afweging meegenomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Waterwet bouwt voor de regulering van de grondwateronttrekkingen voort op de Grondwaterwet (1986). Deze wet was vooral gericht op het voorkomen van ongewenste gevolgen (ook voor de omgeving) van grondwateronttrekkingen. Hierbij wordt een duidelijke verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer gelegd. Dit is ook doorgevoerd in de Waterwet. In artikel 7.14 wordt zowel het ondervangen van schade als gevolg van onttrekkingen en infiltraties aan onroerende zaken als het vergoeden van de schade bij de vergunninghouder gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de grondwateronttrekkingen (en -infiltraties) in de integrale Waterwet op te nemen, zullen de onttrekkingen/infiltraties meer vanuit het integrale waterbeheer worden benaderd. De verantwoordelijkheden van de initiatiefnemer blijven tegelijkertijd een belangrijk uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Beleid Rijnland De doelstellingen van Rijnland zoals opgenomen in het Waterbeheerplan geven een regionale invulling van bovengenoemde kaders en het provinciale waterplan. De pijlers zijn het in beeld (laten) brengen van effecten en het voorkomen van negatieve gevolgen en het borgen van duurzaam en doelmatige gebruik van grondwater. Maar tevens zullen de onttrek­king/in­filtratie en de gevolgen daarvan worden beschouwd vanuit het integrale watersysteem inclusief de doelen zoals de KRW-doelstellingen, verdrogingsbestrijding, beheer strategische zoetwaterreserves en het faciliteren van de maatschappelijke functies. Met name in het vooroverleg zal Rijnland actief inbrengen dat ook naar alternatieven moet worden gekeken waarbij (de gevolgen voor) het integrale watersysteem moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid ten aanzien van grondwateronttrekkingen maakt Rijnland onderscheid in meldingsplicht,meet- en registratieplicht en een vergunningplicht. In de keur van Rijnland staan de bij de verschillende categorieën behorende debieten genoemd. Voor de volledigheid wordt onderstaand een overzicht gegeven van deze categorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldingsplicht Op grond van de keur (artikel 3.3.1), voor zover er geen vergunningplicht geldt, doet degene die grondwater onttrekt of infiltreert, daarvan melding aan het bestuur, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater meer kan bedragen dan 1 mVoor grondwateronttrekkingen met een meldingsplicht kan de verplichting worden opgelegd de onttrokken waterhoeveelheden te meten, gegevens daarover te registreren en daarvan opgave te doen. Melding van een grondwateronttrekking dient minimaal zes weken voor aanvang van het werk te worden ingediend Meet- en registratieplicht Op grond van de keur (artikel 3.3.2, 3e lid) geldt voor onttrekkingen in een milieubeschermingsgebied of een kwetsbaar gebied zoals genoemd in artikel 3.3.3 (1e lid) van de keur en voor onttrekkingen van meer dan 10 m3/uur of 12.000 m3 per jaar een meet en registratieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstellilng vergunningplicht Geen vergunning krachtens artikel 3.3.3 1e lid van de keur is vereist voor de volgende categorieën onttrekkingen (en infiltraties): categorieën ontrekkingen waarvoor geen vergunning nodig isCategorie Hoeveelheid Duur Bron of bouwputbemaling &lt; 150 m3/uur en &lt; 50.000 m3/maand en &lt; 200.000 m3 totaal korter dan 6 maanden Grondwatersanering &lt; 15 m3/uur en &lt; 4000 m3/maand korter dan 4 jaa Beregening, veedrenking &lt; 60 m3/uur en &lt; 12.000 m3/jaar Minder dan 5 maanden per jaar Proefbemaling &lt; 150 m3/uur en &lt; 50.000 m3 totaal Korter dan 1 maand Overig &lt; 10 m3/uur en &lt; 12.000 m3/jaar Voor infiltratie van hemelwater met doel dit vervolgens te onttrekken worden de eisen voor monitoring en behandeling van de grondwaterkwaliteitsbeheerder gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Duurzaam en doelmatige onttrekking Grondwater is een belangrijke natuurlijke bron en randvoorwaarde voor natuur en functies. Vooral de zoete grondwaterlichamen hebben een strategisch belang. Het gebruik van grondwater moet daarom duurzaam en doelmatig zijn. In het beleid is een differentiatie aangebracht tussen onttrekkingen in strategische zoetwaterreserves en daarbuiten. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke en permanente onttrekkingen waarbij vooral bij de laatste categorie wordt afgewogen of sprake is van doelmatig, duurzaam en hoogwaardig gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke onttrekkingen Toepassen maatregelen om onttrekking te minimaliseren: damwanden, toepassen onderwaterbeton, beperken verlaging, benutten weerstand en verdeling onttrekking (dus liever meerdere kleine bronnen dan één grote);</p>\n<p class=\"lf-p\">Retourneren onttrokken grondwater waar mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente onttrekkingen Geen \"eeuwigdurende\" onttrekkingen voor kelders of civieltechnische werken (polderprincipe) tenzij wordt aangetoond dat sprake is van zeer grote kosteneffectiviteit, garanties over duurzaamheid en een klein onttrekkingsdebiet (&lt; 2 m3/uur);</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen onttrekkingen voor laagwaardige toepassing zoals koel- of proceswater tenzij alternatieven duidelijk minder kosteneffectief of duurzaam zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekking in strategische zoetwaterreserves De zoete grondwaterlichamen in het eerste watervoerende pakket zijn door de provincies aangewezen als strategische reserves. Dit betreft al het grondwater in de PMV-zones (duinpakket) en het grondwater in het eerste watervoerende pakket met chloride-concentraties van minder dan of gelijk aan 150 mg/l. De strategische reserves staan aangegeven in het provinciale waterplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de strategische reserves geldt een compensatieplicht waarbij het aan de reserve onttrokken zoete grondwater dient te worden geretourneerd. Buiten de PMV-zones (maar binnen de strategische reserve) kan een vergunningaanvrager eventueel een voorstel doen over de wijze waarop de compensatie wordt gerealiseerd. Bij de beoordeling van een dergelijk voorstel wordt de afweging gebaseerd op het beleidsdoel dat de reserves niet structureel of significant worden verminderd. De absolute 100%-compensatie-eis is dus niet noodzakelijkerwijs maatgevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligging zoetwater / zoutwatergrensvlak In het beheergebied van Rijnland is een groot deel van het grondwater zout of brak. De zoet/zout verdeling in het grondwatersysteem is (nog) niet in evenwicht. Vooral bij de diepe droogmakerijen treedt een proces van geleidelijke verzilting op. Dit proces leidt tot grote opgaven voor waterbeheer (extra watervraag voor doorspoelen) en ruimtelijke ordening (beperkingen voor de functies). Onttrek­kingen mogen niet leiden tot ontoelaatbare versnelling van dit proces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwateronttrekkingen mogen niet leiden tot structurele verplaatsing van het zoet/zoutgrensvlak zeker in de overgangszone van zoet (Cl = 150 mg/l) naar brak water (Cl = 1.000 mg/l). Bij aanvragen voor onttrekkingsvergunning dient, via modelberekeningen, te worden aangegeven wat het effect op het grensvlak is en hoe eventuele verplaatsing gemitigeerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelstellingen KRW (grondwaterrichtlijn) Basisprincipe van de KRW is het \"geen achteruitgangprincipe\". Onttrekkingen of infiltraties mogen niet leiden tot achteruitgang van de grondwater- en bodemkwaliteit of de ecologische omstandigheden in het bodemmilieu. De omvang, verspreidingsrisico of de humane risico's van verontreinigen mogen niet ontoelaatbaar toenemen door onttrekkingen of infiltratie. Infiltratie van hemelwater met als doel de onttrekking ervan mag alleen indien de grondwaterkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed. Dit betekent in praktijk dat afstromend hemelwater in kassen gebieden of andere verhardingen een behandeling (zandfilter) moet ondergaan of dat de \"first flush\" niet wordt geïnfiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de grondwaterrichtlijn van de KRW zijn doelstellingen opgenomen ten aanzien van de grondwaterkwantiteit. Dit betreft vooral de bestrijding van droogte in de Natura2000 gebieden. Deze doelstellingen zullen als een kader fungeren bij de vergunningverlening van onttrekkingen. Dit betreft zowel onttrekkingen in de betrokken gebieden als daarbuiten maar met effecten op deze gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwateronttrekkingen mogen niet leiden tot structurele verslechtering van de randvoorwaarden van de grondwatersituatie voor het ecologische potentieel. Het ecologisch potentieel kan ondermeer negatief worden beïnvloed door het verlagen van de grondwaterstanden, het beperken van de natuurlijke fluctuaties en het wijzigen van de kwelverdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze voorwaarden wordt verstaan onder: bron- of bouwputbemaling: het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van (bouw)activiteiten of ontgravingen; grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen; grondwateronttrekking: onttrekken van grondwater door middel van een winmiddel (het eenmalig leegpompen van een (bijvoorbeeld met onderwaterbeton) volledig gesloten bouwkuip wordt niet als een grondwateronttrekking gezien); grondwatersanering: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van het grondwater, inclusief beheersmaatregelen; beregening: het toevoeren van water in plaats van of in aanvulling op de natuurlijke regenval met grondwater om gewassen te laten groeien. Het is ook een methode om te voorkomen dat nachtvorst de bloesem van fruitbomen beschadigt. proefbemaling: in werking stelling van een bron- of bouwputbemaling gedurende één of meer dagen om de effecten van de bemaling in beeld te brengen. brandput: winmiddel met als doel het onttrekken van grondwater voor blusdoeleinden. bemalen drainage: systeem waarbij drainagebuizen op een put afwateren, waar door middel van een pomp een gewenst peil kan worden ingesteld. Bemalen drainage wordt als een grondwateronttrekking gezien. Dit in tegenstelling tot gewone drainage, waar water onder vrij verval afgevoerd wordt en er geen sprake is van een onttrekking infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater (voor infiltraties zonder samenhang met onttrekking van grondwater gelden regels vanuit de Wet Milieubeheer, Wet op de bodembescherming en de Waterwet); kwetsbare objecten: werken die gevoelig zijn voor daling of stijging van de grondwaterstand (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden); retourbemaling: onttrekkingen waarbij het onttrokken water in een gesloten systeem weer wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerend pakket als waaraan het is onttrokken; winmiddel: een middel bestemd tot het onttrekken van grondwater, door het, in afwijking van het natuurlijke stromingspatroon, in meer of mindere mate geforceerd te doen toestromen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Geen negatieve effecten op het grondwatersysteem en de van grondwater afhankelijke belangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een onttrekking of infiltratie van grondwater mag geen negatieve effecten hebben op het grondwatersysteem of de van grondwater afhankelijke belangen. De noodzaak en doelmatigheid ten opzichte van alternatieven van de grondwateronttrekking moet worden aangetoond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Compensatie grondwateronttrekking in strategische reserve</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor grondwateronttrekkingen vanuit de strategische reserves zoals aangegeven op de kaart milieubeschermingsgebieden geldt een compensatieplicht waarbij het aan de reserve onttrokken zoete grondwater dient te worden geretourneerd. Buiten de milieubeschermingsgebieden (maar binnen de strategische reserve) kan een vergunningaanvrager eventueel een voorstel doen over de wijze waarop de compensatie wordt gerealiseerd en is de absolute 100%-compensatie-eis niet noodzakelijkerwijs maatgevend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbrengen, het beheren en het buiten gebruik stellen van een onttrekkings- (of infiltratie)punt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor grondwateronttrekking en/of infiltratie worden zo aangebracht en beheerd dat geen ongewenste kortsluitstroming wordt veroorzaakt. Voorzieningen moeten na beëindigen van de onttrekking zodanig worden verwijderd of afgewerkt dat scheidende lagen niet worden verstoord of ongewenste kortsluitstroming kan worden veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Maximale verlaging grondwaterstand of -stijghoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor onttrekkingen ten behoeve van het droog houden van bouwputten geldt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Er moet een peilbuis of meetput worden geplaatst om de verlaging van de grondwaterstand / -stijghoogte te kunnen meten 2. De maximale verlaging van de grondwaterstand / -stijghoogte mag niet meer bedragen dan 0,5 m onder de ontgravingsdiepte of onder de benodigde stijghoogte verlaging (spanningsbemaling).</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Monitoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor onttrekkingen met een registratie en/of vergunningplicht moet, indien sprake is van kwetsbare objecten in de omgeving van het geplande werk, een meetplan met actiewaarden worden opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave start onttrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk vijf werkdagen voor ingebruikname dient de start van de onttrekking/infiltratie te worden gemeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Opgave overige gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor onttrekkingen met een meet- en registratie- en/of vergunningplicht geldt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Degene die grondwater onttrekt of water infiltreert, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van 5%. Daarbij wordt gebruik gemaakt van debietmeters, voorzien van een geldig KIWA-keurmerk vóór aanvang van de grondwateronttrekking, die jaarlijks worden geijkt, zodanig dat de nauwkeurigheid gewaarborgd blijft. Het keurmerk moet als bewijs overlegd kunnen worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Water dat wordt geïnfiltreerd met de intentie het vervolgens te onttrekken, dient te worden bemonsterd en onderzocht. Hierbij dient te worden voldaan aan de betreffende eisen uit de waterregeling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, wordt opgave gedaan aan het bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.</div>\n<p class=\"lf-p\">5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 2: Geen negatieve effecten op het grondwatersysteem en de van grondwater afhankelijke belangen Bij een onttrekking of infiltratie moeten de gevolgen voor het watersysteem en de omgeving in beeld worden gebracht en waar nodig worden beperkt. Rijnland heeft de zorg om de gevolgen naar de burger toe inzichtelijk te maken, maar het daadwerkelijk in beeld brengen van de effecten ligt bij de vergunningaanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten worden gebracht verschillen per onttrekking. De volgende aspecten kúnnen een rol spelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaging/verhoging grondwaterstanden (freatische) en/of stijghoogten (watervoerend pakket). Van belang is de invloedsfeer van de onttrekking waarbij in de regel per relevante laag ten minste de contour van de verlaging/verhoging van de grondwaterstand en -stijghoogte van 5 cm in kaart wordt gebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geohydrologische bodemopbouw en eventueel geohydrologische schematisering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening zetting, klink of negatieve kleef evenals, indien relevant, gevolgen voor fundering. Hierbij vormt de NEN 6740 de leidraad voor constructieve schade;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid bodem- en grondwaterverontreiniging evenals de invloed van de onttrekking/infiltratie hierop;</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepteligging zoetwater/zoutwatergrensvlak en de gevolgen van de grondwateronttrekking en -infiltratie hierop (modelberekening);</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen voor landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur, zetting gevoelige gronden, bodem- en grondwaterverontreinigingen, onttrekkingen van derden, kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige waarden. Hierbij kunnen (tijdelijke) grondwaterstandsverlaging, grondwaterstandfluctuaties, kwel/infiltratieverdeling en kwaliteitsverandering aspecten zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij infiltratie van hemelwater kunnen de gevolgen voor de (grond-)waterkwaliteit in het (grond-) waterlichaam een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer wordt geacht de redelijkerwijs te verwachten maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. De invulling is sterk aan de initiatiefnemer maar moet zoveel mogelijk in de vergunningsaanvraag al worden uitgewerkt. Bij die maatregelen kan worden gedacht aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperken onttrekking door civieltechnische of geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken in den natte, toepassing onderwaterbeton etc.) Infiltratiemiddelen om (gevolgen) grondwaterpeilverlaging te beperken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geoptimaliseerd onttrekkingsregiem om effecten te minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil tijdens onderbrekingen in het werk, of uitstellen werkzaamheden tot na het groeiseizoen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Funderingsvervangende of ondersteunende constructies;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige maatregelen zoals beregening, isolatie bodemverontreiniging door schermen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaderegeling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij infiltratie van hemelwater met het doel om dit water vervolgens weer te onttrekken moet het water via een zandfilter of bodem passage worden geleid en mag de \"first flush\" (eerste 4 mm van een bui) niet worden geïnfiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting artikel 6: Monitoring Afhankelijk van de lokale omstandigheden en belangen kan de monitoring bestaan uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nulopname (grondwaterstanden, opname bebouwing, inmeten hoogtebouten);</p>\n<p class=\"lf-p\">Meetplan grondwaterstanden (met actie waarden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Meetplan maaiveldhoogten (zakbakens) en/of hoogtebouten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meetplan bodemvocht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meetplan waterkwaliteit (indien grondwaterverontreinigingen bekend zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 1 Beschoeiingen 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de algemene regel voor het vervangen en/of het aanbrengen beschoeiingen. Het geeft aan onder welke voorwaarden zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de algemene regel (paragraaf 4). Een aantal artikelen worden in paragraaf 6 kort toegelicht. In paragraaf 5 is aangegeven hoe met de meldingsplicht moet worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en werken aan te brengen of te hebben. Op grond van artikel 3.1.4 is het verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel is te verwachten en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en vervangen van beschoeiingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4.1 kan het bestuur van het hoogheemraadschap bij algemene regeling bepalen voor welke handelingen, werken of werkzaamheden, onder daarbij te stellen algemene voorschriften, de bovenstaande verboden niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kernzone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor http://www.rijnland.net/beleid/legger/item_137677).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 3 Beschoeiingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 9 Natuurvriendelijke Oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota waterkeringen \"Zicht op veilige keringen\", deel 2 beleidsregels (2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Een goede inrichting van het watersysteem is een randvoorwaarde om schoon en gezond water te realiseren. Van belang hierbij is de natuurlijke overgang van nat naar droog. Zo hebben vanuit ecologisch oogpunt sommige planten en dieren plaatsen nodig op de oever om te kunnen schuilen. Ook kunnen bijvoorbeeld kikkers en padden in ondiep water hun eitjes afzetten. Hoe meer de natuur zijn gang kan gaan, hoe beter de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt. Het resultaat is schoon en gezond oppervlaktewater. Het beleid van Rijnland is er dan ook op gericht het huidige areaal aan groene oevers uit te breiden. Om dit te stimuleren heeft Rijnland een subsidieregeling ingesteld. Om dezelfde redenen is Rijnland terughoudend met het toestaan van beschoeiingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch is het in een aantal gevallen noodzakelijk beschoeiing aan te leggen; om erosie van de oeverlijn door golfafslag te voorkomen of om de oever voldoende stabiel te laten zijn voor wegen en/of bebouwing pal langs deze oever. Daarnaast bestaat er in stedelijk gebied uit recreatief oogpunt vaak de wens om beschoeiingen aan te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de bovenstaande belangen te waarborgen, heeft Rijnland voor beschoeiingen regels opgesteld die aan de ene kant de natuur zo veel als mogelijk beschermen, en aan de andere kant ook rekening houden met de maatschappelijk belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden In afwijking van de Keur (artikel 3.1.1 en artikel 3.1.4) is voor het aanbrengen, vervangen en verwijderen van beschoeiingen geen vergunning op grond van de Keur vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. Voldoet u niet aan deze voorwaarden, dan heeft u voor het aanbrengen, vervangen en verwijderen van beschoeiingen een watervergunning nodig, waarbij getoetst wordt aan de voorwaarden uit de beleidsregel 3 beschoeiingen. Mocht Rijnland in het kader van toezicht constateren dat werkzaamheden niet volgens de gestelde eisen zijn uitgevoerd, dan zal Rijnland hierop handhaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begrippenlijst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijving. In deze voorwaarden wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde contouren (of bebouwingscontouren): gebieden met bebouwing zoals omschreven in de structuurvisies van de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland en zoals gebruikt door Rijnland bij beleid voor bebouwing in de kustzone en in de beleidsregels voor waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingszone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschoeiing: Materiaal dat is aangebracht langs de oeverlijn om ofwel de oever tegen afkalving te beschermen, dan wel te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Insteek: De snijlijn van het schuine oevertalud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernzone: het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oeverlijn: De scheidingslijn tussen water en land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige oppervlaktewateren : Oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of welke een zekere een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Winterpeil: Het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1september - 1 april) geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zomerpeil: Het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de zomerperiode (globaal 1 april - 1 september) geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">vervangen van bestaande beschoeiing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het (deels) vervangen van een bestaande beschoeiing is zonder vergunning toegestaan, mits de nieuwe beschoeiing dezelfde vorm en afmetingen heeft, op of achter de bestaande beschoeiing wordt aangelegd en de te vervangen onderdelen in het geheel worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">aanbrengen nieuwe beschoeiing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van een nieuwe beschoeiing is zonder vergunning toegestaan: buiten natuurvriendelijke of waardevolle oevers (zie kaartenbijlage 1; gebieden met beschermde oevers) en buiten een kwelgevoelig gebied (zie kaartenbijlage 2; Zoute kwel polders) en binnen de bebouwde contouren (zoals aangegeven op kaartenbijlage 7) op een kadastraal aan water grenzend perceel met een maximale oeverlengte van 50 meter en als de beschoeiing wordt aangelegd op de oeverlijn of landwaarts daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">toe te passen materiaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beschoeiingmateriaal dient voor te komen op de lijst van bijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Meldingsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen of vervangen van een beschoeiing in de kernzone van een primair oppervlaktewater(hoofdwatergang) dient uiterlijk 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld. Voor het aanbrengen of vervangen van een beschoeiing in de kernzone van overig oppervlaktewater geldt geen meldingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het werk niet binnen 6 maanden na melding is uitgevoerd komt de melding te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gedaan en omvat in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Naam en adres van degene die het werk gaat uitvoeren of daartoe opdracht heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Het adres of de locatie waar het betreffende werk uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. De gegevens omtrent het aan te leggen werk, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachte start- en einddatum van de werkzaamheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van de activiteit of het werk ten opzichte van de omgeving is aangegeven, die voorzien is van een noordpijl en X en Y coördinaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Toelichting per artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begrippenlijst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 aanbrengen nieuwe beschoeiing Binnen bepaalde voorwaarden mogen nieuwe beschoeiingen zonder vergunning worden aangebracht. De voorwaarden zorgen ervoor dat deze nieuwe beschoeiingen geen significante negatieve gevolgen hebben voor de (ecologische) waterkwaliteit en het areaal aan waterbergend vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 sub a: natuurvriendelijke oevers Natuurvriendelijke oevers hebben een belangrijke functie voor de ecologische waterkwaliteit. Het is niet toegestaan natuurvriendelijk aangelegde oevers of van nature aanwezige waardevolle oevers, zoals aaneengesloten rietkragen, te beschadigen. Tevens geldt dat Rijnland in gebieden die onderdeel uitmaken van bijvoorbeeld de ecologische hoofdstructuur of de Kaderrichtlijn Water ook natuurvriendelijke oevers wil aanleggen. Met het weergegeven van betreffende gebieden op de kaart wil Rijnland voorkomen dat in betreffende gebieden er ontwikkelingen plaatsvinden die realisatie van natuurvriendelijke oevers belemmeren. Voor alle op de kaart in kaartenbijlage 1 aangegeven oevers/gebieden gelden dus de strengere voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 sub b: kwel gebieden In gebieden met een sterke (zilte) kwel kan het verwijderen (trekken) en plaatsen van beschoeiing tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel toeneemt waardoor de waterkwaliteit kan afnemen en/of een verstoring van de waterbalans optreedt. Betreffende gebieden zijn weergegeven op de kaart in kaartenbijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 sub c: binnen bebouwde contouren Omdat binnen de bebouwde contour vaker sprake zal zijn van de noodzaak tot oeverbescherming (vanwege noodzakelijke stabiliteit langs wegen en/of bebouwing) en de wens tot oeverbescherming (huizen met een tuin grenzend aan water) kan hier zonder vergunning een beschoeiing worden toegestaan zonder te hoeven compenseren voor het verlies aan bergend vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mag dan binnen deze bebouwde contour niet gaan om een vanuit ecologisch oogpunt beschermde oever of een kwelgevoelig gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de te beschoeien oeverlengte per perceel groter is dan 50 meter, dan moet wel gecompenseerd worden zoals in de beleidsregel 3 beschoeiingen aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat binnen de bebouwde contour geen compensatie meer vereist is voor het verlies aan bergend vermogen die het gevolg is van een verhoogde beschoeiing, zal Rijnland hier in de planvormingsfase van bouwplannen rekening mee houden. Bij de planvorming voor nieuwe woonwijken met veel water bijvoorbeeld zal Rijnland aangeven welk extra bergend vermogen noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">toe te passen materiaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het toe te passen materiaal mag op grond van waterkwaliteitsdoelstellingen niet uitlogend zijn. Bijlage 2 biedt een overzicht van welke materialen zijn toegestaan en welke niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor beschoeiingen in primaire wateren geldt een meldingsplicht. Deze wateren zijn aangegeven op de leggerkaarten die te vinden zijn op http://www.rijnland.net/. U kunt hiervoor ook contact opnemen met Rijnland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is om de volgende redenen noodzakelijk melding te doen van het aanleggen van beschoeiing in primair oppervlaktewater:</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de melding kan door Rijnland toezicht worden gehouden op de uitvoering van de werkzaamheden en hierop zonodig worden gehandhaafd, omdat deze wateren een essentiële functie vervullen voor de wateraan- en afvoer;</p>\n<p class=\"lf-p\">De primaire oppervlaktewateren hebben een belangrijke functie voor de aan- en afvoer van water. Om die reden wil Rijnland voor deze wateren goed in beeld hebben welke voorzieningen daar worden gerealiseerd. Via de melding worden de werkzaamheden opgenomen in het beheerregister van Rijnland; dit is een document bestaande uit kaarten en databestanden. Hiermee heeft Rijnland zicht op alle werken die in of bij watergangen en waterkeringen zijn uitgevoerd. Dit is van belang bijv. bij calamiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanleggen van beschoeiingen in overige oppervlaktewateren geldt, wanneer voldaan wordt aan de eisen uit artikel 3, geen meldingsplicht omdat de mogelijke negatieve effecten van beschoeiingen in deze wateren zeer gering zijn. Als u aan de voorwaarden voldoet kunt u dus direct aan de slag. Rijnland kan echter uitgevoerde werken wel controleren en indien nodig handhavend optreden. Door geen meldingplicht op te nemen vermindert bovendien de regeldruk voor burgers, bedrijven en andere overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 2 Kabels en leidingen – kruising met oppervlaktewateren 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de algemene regel voor het vervangen en/of het aanbrengen van kabels en leidingen die oppervlaktewateren kruisen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de algemene regel (paragraaf 4). Een aantal artikelen worden in paragraaf 6 kort toegelicht. In paragraaf 5 is aangegeven hoe met de meldingsplicht moet worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/ 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en stoffen, voorwerpen te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4.1 kan het bestuur van het hoogheemraadschap bij algemene regeling bepalen voor welke handelingen, werken of werkzaamheden, onder daarbij te stellen algemene voorschriften, de bovenstaande verboden niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kern- en beschermingszone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd, zie http://www.rijnland.net/beleid/legger/item_137677. Deze algemene regel heeft alleen betrekking op oppervlaktewateren en niet op waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel ‘Kabels en leidingen - kruising met oppervlaktewateren'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota waterkeringen \"Zicht op veilige keringen\", deel 2 beleidsregels (2010) 3 Toelichting van de activiteit Oppervlaktewateren worden gekruist door vele kabels en leidingen. Vooral bij de uitvoering kunnen gevolgen optreden voor het watersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden Voor het aanbrengen van kabels en leidingen in, op of onder oppervlaktewateren is geen vergunning op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijving. In deze voorwaarden wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingszone: Zone binnen het gebied dat onder werking van de keur valt en die als zodanig in de legger is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingreepmaat: De minimaal vereiste waterdiepte. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Insteek: De snijlijn van het schuine oevertalud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernzone: De centrale gedeelten van waterstaatswerken die als zodanig in de legger zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of welke een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Talud: Glooiing, schuine, verhoogde kant van een berm, waterland, enz. Bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld, bij waterkeringen gelegen tussen de (min of meer) horizontale bovenzijde en de teen van het dijklichaam (helling tussen 1:1 en 1:10).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">uitzonderingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aan te leggen dan wel te vervangen kabels en leidingen mogen niet zonder vergunning worden aangelegd en/of verwijderd in kwel- en wegzijgingsgevoelige gebieden, zie hiervoor de kaartenbijlage 2 ‘Zoute kwel polders').</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">NEN-normen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanleg en vervanging van kabels en leidingen moet plaatsvinden volgens de vigerende NEN-normen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">maximale diameter mantelbuis</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aan te leggen leiding of mantelbuis mag een maximale diameter van 160 millimeter hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">boring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kruisen van een oppervlaktewater dient plaats te vinden met een horizontaal gestuurde boring, boogzinker of een zinkerconstructie. Het boorgat mag een maximale diameter van 250 millimeter hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">minimale diepteligging/gronddekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van kabels en leidingen onder oppervlaktewateren moeten de volgende minimale diepteliggingen/gronddekkingen worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimale diepteligging/ gronddekking Type oppervlaktewater minimale diepteligging kabels en leidingen t.o.v. ingreepmaat minimale diepteligging kabels en leidingen t.o.v. ingreepmaat minimale gronddekking indien werkelijke diepte &gt; ingreepmaat Zonder bescherming met bescherming Overige oppervlaktewateren 1.30 m 0.50 m 0.50 m Primaire oppervlaktewateren 2.00 m 0.50 m 0.50 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">aanleg parallel aan oppervlaktewater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kabels, leidingen en/of mantelbuizen parallel aan een oppervlaktewater dienen, horizontaal gemeten, minimaal op een afstand 1,0 meter van de insteek te worden gesitueerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">niet afdammen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanbrengen cq. vervangen van kabels en leiding mag het te kruisen oppervlaktewater niet worden afgedamd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">opslag verwijderde grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De grond die bij het graven van de sleuf wordt verwijderd, mag niet in het oppervlaktewater worden opgeslagen dan wel mag het water op een andere wijze worden verondiept (ondermeer als gevolg van een blow-out en het te hoog aanvullen van de sleuf).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">afwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na het leggen van een zinker moet de sleuf worden aangevuld maximaal tot de­zelfde hoog­te als de door­gaan­de bodem van het water. De oevers, aan beide kanten van de zinker, moeten in de oorspronkelijke staat worden hersteld. De oeverbescherming die voor het uitvoeren van de werken is verwijderd, moet weer worden hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">afwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er moeten maatregelen genomen worden om uitspoeling van het talud te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">buitenwerkingstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kabels, leidingen en mantelbuizen die buiten werking worden gesteld moeten worden ver­wij­derd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">leidingbreuk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er moet voor worden zorg gedragen dat er geen leidingbreuk kan optreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">maatregelen bij lekkage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van breuk of een ernstige lekkage moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat verdergaande lekkage wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">ongewenste waterstromen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werken moeten zodanig worden uitgevoerd dat geen water vanuit een hoog peilgebied af kan stromen naar een laag peilgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Meldingsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van kabels en leidingen in de kernzone van een oppervlaktewater dient uiterlijk 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het werk niet binnen 6 maanden na melding is uitgevoerd komt de melding te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gedaan via het daartoe bestemde formulier en omvat in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Naam en adres van degene die het werk gaat uitvoeren of daartoe opdracht heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Het adres of de locatie waar het betreffende werk uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. De gegevens omtrent het aan te leggen werk, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachte start- en einddatum van de werkzaamheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te gebruiken materieel Een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van de activiteit of het werk ten opzichte van de omgeving is aangegeven, die voorzien is van een noordpijl en X en Y coördinaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Toelichting per artikel Toelichting artikel 6: minimale diepteligging/gronddekking Doel van deze voorwaarde is de instandhouding (rekening houdend met mogelijke toekomstige verdiepingen) van het oppervlaktewater (inclusief het talud) en dat bij het onderhoud aan het oppervlaktewater geen belemmering wordt ondervonden van de aanwezige kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheid wordt gemaakt naar \"beschermde\" en \"onbeschermde\" kabels en leidingen. Indien de kabels en leidingen niet beschermd worden door speciale voorzieningen zoals stelconplaten, gobimatten etc. is meer gronddekking noodzakelijk dan in het geval wel een beschermde voorziening aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen waarbij de werkelijke waterdiepte groter is dan de ingreepmaat dient uit oogpunt van beheer en onderhoud een minimale gronddekking van 0,50 m aanwezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreffende maatvoeringen zijn ook van toepassing voor de in de betreffende oppervlaktewateren gelegen kunstwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 3 Kabels en leidingen – Huisaansluitingen in de kern- en beschermingszones van regionale waterkeringen 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor de zorg voor de waterkeringen in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Om veiligheid te bieden tegen overstromingen heeft het hoogheemraadschap van Rijnland de mogelijkheid om de waterkeringen te beschermen. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de algemene regel voor het vervangen en/of het aanbrengen van kabels en leidingen voor huisaansluitingen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de algemene regel (paragraaf 4). Een aantal artikelen worden in paragraaf 6 kort toegelicht. In paragraaf 5 is aangegeven hoe met de meldingsplicht moet worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur (artikel 3.1.1, lid 1a en 1c) is het zonder vergunning van het bestuur verboden in, op, onder en/of boven waterstaatswerken en hun beschermingszone werkzaamheden te verrichten en vaste stoffen, voorwerpen te brengen of te hebben of te houden op andere dan daarvoor kennelijk bestemde plaatsen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4.1 kan het bestuur van het hoogheemraadschap bij algemene regeling bepalen voor welke handelingen, werken of werkzaamheden, onder daarbij te stellen algemene voorschriften, de bovenstaande verboden niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kern- en beschermingszone van primaire en regionale waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 6 Kabels en leidingen - kruising met oppervlaktewateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota waterkeringen \"Zicht op veilige keringen\", deel 2 beleidsregels (2010) 3 Toelichting op de activiteit Gebouwen zoals woningen en kantoren zijn aangesloten op diverse netwerken zoals gas, elektra, water, warmte, kabel en telecommunicatie door middel van huisaansluitingen. In een aantal gevallen liggen de aansluitingen tussen het gebouw en de netwerken, de zogenaamde huisaansluitingen, in de kern- en beschermingszones van waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maken van nieuwe en/of het vervangen van oude huisaansluitingen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen vormen slechts een beperkt risico voor het waterkerend vermogen van een waterkering, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden Voor het aanbrengen van huisaansluitingen van kabels en leidingen in de kern- en beschermingszones van waterkeringen is geen vergunning op grond van de Keur (artikel 3.1.1, lid 1a en 1c) vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijving. In deze voorwaarden wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingszone: Aan een waterstaatwerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisaansluiting: Een kabel of leiding waarmee een woning of woongebouw is aangesloten op het elektriciteit-, gas-, drinkwater-, warmte-, of media/(tele)communicatienetwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernzone: Het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidszone: een in NEN 3650 en NEN 3651 gedefinieerde zone ter weerszijden van een waterkering waarbinnen een leidingbreuk van een leiding de stabiliteit van de waterkering tot gevolg kan hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkering: kunstmatige hoogten, waterscheidingen en die (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden, met inbegrip van de daarin of daaraan aangebrachte werken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze algemene regel is van toepassing op het aanleggen, verleggen, herstellen, vernieuwen of opruimen van kabels, leidingen, kunststof mantelbuizen en handholes voor huisaansluitingen voor woningen van individuele huishoudens en woongebouwen voor maximaal 10 huishoudens waarbij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tracé van de huisaansluiting binnen de kern- en beschermingszones van de regionale waterkering korter is dan 40 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterkering een kruinbreedte heeft van minimaal 4 meter. Met kruinbreedte wordt bedoeld de breedte, haaks gemeten op de waterkering van de kruin van de dijk. De kruin is het hoge, vlakke gedeelte van de waterkering. c. De huisaansluiting voor een of meerdere van de volgende netwerken is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Laagspanningelektriciteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lage druk gas (Overdruk &lt; 50 mbar);</p>\n<p class=\"lf-p\">Water tot een capaciteit van 3 m³/uur per huishouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cai;</p>\n<p class=\"lf-p\">Glasvezel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke riolering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Telecommunicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huisaansluiting door middel van een van de volgende methoden wordt aangelegd: een open ontgraving; ondiepe, tot maximaal 3,0 meter boven de basis van het basisveen uitgevoerde, gestuurde boring met in- en uittredepunten buiten de veiligheidszones van de waterkering;| persen zonder voorspuiten door ongeroerde grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werken redelijkerwijs in één dag uitgevoerd en afgerond kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Diameter kabels, leiding en of mantelbuizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij huisaansluitingen moeten de volgende diameters in acht worden genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Diameters bij huisaansluitingenKruizend met waterkering Niet kruizend met waterkering Kabel ≤ 40mm ≤ 40mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leiding Drukloos: ≤ 110 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet drukloos: ≤ 63 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drukloos: ≤ 150 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet drukloos: ≤ 125 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelbuis ≤ 110 mm. ≤ 250mm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Handholes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De handholes voor afsluiters in de kernzone van waterkeringen zijn niet groter dan 0,80 x 0,80 meter (l x b) en maximaal 1,0 meter diep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">NEN-normen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werken moeten plaatsvinden volgens de vigerende NEN3650 en 3651.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Eenmaal kruisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Per huisaansluiting mag de kernzone van de waterkering slechts eenmaal worden gekruist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Bundeling van kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle huisaansluitingen moeten gebundeld, met in achtneming van de onderlinge veiligheidsafstanden, de kernzone van een waterkering kruisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Materiaalgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leidingen ten behoeve van huisaansluitingen bestaan minimaal uit HDP PE 100, SDR 11 of staal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Buitenwerkingstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kabels, leidingen en mantelbuizen die buiten werking worden gesteld moeten worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen bij lekkage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van breuk of een ernstige lekkage moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat verdergaande lekkage wordt voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Ongewenste waterstromen algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werken moeten zodanig worden uitgevoerd dat geen water vanuit een hoog peilgebied af kan stromen naar een laag peilgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Ongewenste waterstromen bij mantelbuizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Mantelbuizen kruisend met de kernzone van waterkeringen moeten aan beide zijden, over een lengte van minimaal 2 meter, met een hiervoor geschikt materiaal worden afgedicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Sleufafmetingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De sleuven voor de huisaansluitingen zijn niet dieper dan 0,80 meter en niet breder dan 0,30 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Dichten sleuf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Direct na het leggen van de huisaansluitingen moet de sleuf worden gesloten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het einde van de werkdag moet de sleuf gesloten zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond in de aanvulling moet dezelfde samenstelling, opbouw, dichtheid en draagkracht hebben als voor de aanleg het geval was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Kleikist en kwelscherm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een huisaansluiting die een regionale waterkering kruist op een niveau lager dan het zomerpeil van het te keren oppervlaktewater moet worden voorzien van kwelbeperkende maatregelen bestaande uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kleikist in de kruin van de waterkering van 1 meter lengte (langs de leiding) en 1 meter breedte. De diepte van de kleikist reikt van maaiveld tot 0,50 meter onder de aanlegdiepte van de leiding. De gebruikte klei heeft een zandgehalte van minder dan 40% en is voldoende plastisch en kneedbaar om zonder grote luchtinsluitingen te verwerken. De klei is in lagen van maximaal 0,20 meter aangebracht en mechanisch verdicht; en Een kunststof kwelscherm van 1 bij 1 meter, door middel van een knelband waterdicht bevestigd om de huisaansluiting, geplaatst in het midden van de kleikist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Afwerking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een sleuf wordt gegraven in een met gras begroeide waterkering moet de graszode verwijderd en opzij gezet worden. Na het sluiten van de sleuf moeten de zoden sluitend worden teruggeplaatst en aangedrukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Meldingsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van kabels en leidingen in de kernzone van een oppervlaktewater dient uiterlijk 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het werk niet binnen 6 maanden na melding is uitgevoerd komt de melding te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gedaan en omvat in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Naam en adres van degene die het werk gaat uitvoeren of daartoe opdracht heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Het adres of de locatie waar het betreffende werk uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens over het aan te leggen werk, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachte start- en einddatum van de werkzaamheden De aard van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van de activiteit of het werk ten opzichte van de omgeving is aangegeven, en die voorzien is van een noordpijl en van X en Y coördinaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Toelichting per artikel Toelichting bij art 6 Het doel van dit artikel is te voorkomen dat één huisaansluiting (bijv. bij kering met een hoek) dezelfde kering twee of meer keer kruist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 4 Geotechnisch en milieukundig bodemonderzoek 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de algemene regel voor het uitvoeren van milieukundig- en geotechnisch bodemonderzoek en hierbij plaatsen van handboringen, sonderingen en peilbuizen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de algemene regel (paragraaf 4). In paragraaf 5 is aangegeven hoe met de meldingsplicht moet worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op www.marenko.net 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en werken aan te brengen of te hebben. Hieronder is ook begrepen het uitvoeren van geotechnisch en milieukundig bodemonderzoek in de kern- en beschermingszone van waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is het op grond van de Keur (artikel 3.1.4 lid 1) verboden in door het bestuur op kaart aan te geven gebieden werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater zal ontstaan. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van sonderingen en peilbuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4.1 kan het bestuur van het hoogheemraadschap bij algemene regeling bepalen voor welke handelingen, werken of werkzaamheden, onder daarbij te stellen algemene voorschriften, de bovenstaande verboden niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Deze algemene regel is van toepassing op: de op de kaartenbijlage 2 (‘Zoute kwel polders) aangegeven gebieden; de kern- en beschermingszone van primaire en regionale waterkeringen binnen het beheersgebied van Rijnland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3. Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 10 Werkzaamheden in de bodem Nota waterkeringen \"Zicht op veilige keringen\", deel 2 beleidsregels (2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem in gebieden met sterke (zilte)kwel of wegzijging van het grondwater, kan tot gevolg hebben dat de (zilte)kwel of wegzijging ongewenste vormen aanneemt waardoor de waterkwaliteit afneemt en/of een verstoring van de waterbalans optreedt. Het betreft hier onder andere de diepe polders zoals de Haarlemmermeerpolder, Polder Nieuwkoop, Polder de Noordplas en polder Tempel Middelburg. Om die reden is voor het uitvoeren van sonderingen en peilbuizen een melding noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast vormen de kern- en beschermingszone van waterkeringen kwetsbare gebieden. In deze zones is het uitvoeren van eenvoudig milieutechnisch- en/of geotechnisch onderzoek en hierbij plaatsen van handboringen, sonderingen en peilbuizen toegestaan met een melding indien kan worden voldaan aan de onderstaande voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorwaarden Voor het aanbrengen van handboringen, sonderingen en peilbuizen is geen vergunning op grond van de Keur (artikel 12, lid 1 en 3 en artikel 3.1.4 lid 1) nodig indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het toe te passen materieel binnen de kernzone van de waterkering mag (inclusief belading) niet zwaarder zijn dan 8 ton. Bij de kans op het ontstaan van rijsporen moet gebruik worden gemaakt van draglineschotten. Indien ook bij het gebruik van draglineschotten verzakkingen ontstaan, moeten de werkzaamheden worden gestaakt en worden overgegaan op lichter materieel of handmatig sonderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">wijze van uitvoering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In kwel- en wegzijgingsgevoelige gebieden mogen te maken boringen en te plaatsen filters, meetbuizen, detectiebuizen en peilbuizen met een maximale diameter van 10 centimeter alleen door middel van het boren, sondering of handpulsen worden aangebracht, het (voor)spuiten is niet toege­staan. Het sondeermaterieel mag niet worden verankerd in de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kern- en beschermingszone van waterkeringen mogen te maken boringen en te plaatsen filters, meetbuizen, detectiebuizen en peilbuizen met een maximale diameter van 10 centimeter alleen door middel van het boren, sondering of handpulsen worden aangebracht, het (voor)spuiten is niet toege­staan. Het sondeermaterieel mag niet worden verankerd in de grond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">voorkomen van kwel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kwel door het aanbrengen van peilbuizen, spanningsbemaling inclusief de retourbemaling moet worden voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">herstel van ondoorlatende lagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorboring c.q. perforatie van ondoorlatende lagen moet onmiddellijk worden hersteld door het aanbrengen van zwelklei (bentoniet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">schadeherstel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel ontstane schade aan de waterkering dient direct te worden gemeld aan het hoofd van afdeling Handhaving van het hoogheemraadschap van Rijnland en direct op kosten van de vergunninghouder te worden hersteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">controle na afloop werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van de werkzaamheden moeten alle gemaakte boorgaten en/ of locaties gecontroleerd worden op eventuele kwel. De resultaten van deze controle moeten samen met tekeningen waarop de locaties van de sonderingen, boringen en meetbuizen (volgens de coördinaten van de Rijksdriehoekmeting of op \"as built\" tekeningen) zijn weergegeven binnen 1 maand na afloop van de werkzaamheden aan het hoofd van de afdeling handhaving worden overlegd. Bij de jaarlijkse schouw zullen de locaties worden gecontroleerd op kwel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">dichten of opheffen ontstane wellen/kwel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden (of binnen vijf jaar na uitvoering) wellen ontstaan dan wel een toename van de kwel geconstateerd wordt, moet de degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werken de ontstane wellen dichten en ontstane kwel opheffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Meldingsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het uitvoeren van milieukundig- en geotechnisch bodemonderzoek dient 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het werk niet binnen 6 maanden na melding is uitgevoerd komt de melding te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gedaan en omvat in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Naam en adres van degene die het werk gaat uitvoeren of daartoe opdracht heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Het adres of de locatie waar het betreffende werk uitgevoerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">III. De gegevens over het aan te leggen werk, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachte Start- en einddatum van de werkzaamheden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Te gebruiken materieel Een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van de activiteit of het werk ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die voorzien is van een noordpijl X en Y coördinaten van de peilbuis, sondering of boring De toe te passen materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel 5 (Dam met) duiker en brug 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze notitie betreft de algemene regel voor het vervangen en/of het aanbrengen van een dam met duiker of een brug. Het geeft aan onder welke voorwaarden zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de algemene regel (paragraaf 4). In paragraaf 5 is aangegeven hoe met de meldingsplicht moet worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/ 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en werken aan te brengen of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van een dam met duiker of een brug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4.1 kan het bestuur van het hoogheemraadschap bij algemene regeling bepalen voor welke handelingen, werken of werkzaamheden, onder daarbij te stellen algemene voorschriften, de bovenstaande verboden niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied is de kernzone van overige oppervlaktewateren met een maximale breedte van 8 meter op de oeverlijn. Deze algemene regel is niet van toepassing op de primaire oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd (zie http://www.rijnland.net/beleid/legger/item_137677).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3. Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 7 Kunstwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toelichting van de activiteit Het aanleggen van een dam met duiker of een brug kan noodzakelijk zijn om een perceel te ontsluiten.</p></div>", "next": 239555}