{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3 (beslistermijn, inhoud en bekendmaking) [artikelen 9 en 10 Erfgoedverordening] Voor de termijn waarbinnen het college een besluit neemt over de aanwijzing van een monument en een archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument is aangesloten bij de termijn in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. De ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 12, tweede en derde lid, Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van een aanwijzing dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing zelf. Voorts is in dit artikel bepaald dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-213-35\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2.5 tot en met 2.7 [artikel 18 Erfgoedverordening] Deze artikelen regelen de aanwijzing van dorpsgezichten door de gemeenteraad. Die aangewezen dorpsgezichten moeten vervolgens met het van toepassing zijnde bestemmingsplan worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.8 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 19 Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van de status als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of de provincie wordt aangewezen als beschermd dorpsgezicht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2.2 AFVALBEHEER</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.9 (aanwijzing inzamelplaats huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 5 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel wordt geregeld dat op ten minste een plaats, ook buiten kantooruren of in het weekend, gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur op grond van artikel 10.27 Wet milieubeheer verplicht in verband met de in artikel 3.36 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Op de inzamelplaats kunnen alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden achtergelaten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2.3 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.10 (vaste standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn zeven locaties voor vaste standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2019, de dagen waarop de standplaatsen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locatie Product Dagen Oppervlakte Voorzieningen De Kempenaerstraat, hoek Koninginnelaan (K1) Groente en fruit Vrijdag 25 m2 Elektra Kaas Zaterdag 24 m2 Elektra Noten, tapenade en olijven Donderdag 25 m2 Elektra Bloemen Dinsdag 25 m2 Elektra Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 1 Vis Vrijdag en zaterdag 37 m2 Elektra Brood en gebak Donderdag 32 m2 Elektra Groente en fruit Woensdag 12 m2 Electra Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 2 Kaas Donderdag 24 m2 Elektra Loempia’s Vrijdag en zaterdag 10 m2 Elektra Kip en Rib Woensdag 18 m2 Elektra Irislaan (winkelcentrum Lange Voort 3) Bloemen Donderdag, Zaterdag Donderdag 10 m2 Zaterdag 32 m2 Geen Landproducten Woensdag 10 m2 Geen Groente en fruit Vrijdag 10 m2 Geen Boerhaaveplein Snacks Woensdag tot en met zondag 25 m2 Elektra Klinkenbergerplas Snacks Elke dag voor de periode van 1 april tot 1 oktober. Buiten die periode: tijdelijke standplaats voor ten hoogste 30 dagen (ntb) Geen Nieuw-Rhijngeest Niet concurrerend met aanbod van het winkelcentrum Maandag t/m zondag 20 m2 Geen Gezien de kleinschaligheid van het winkelcentrum Nieuw-Rhijngeest en het belang van het behoud van een gevarieerd voorzieningenaanbod, is het wenselijk dat de branchering van de standplaats complementair is aan het aanbod van het winkelcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.11 (tijdelijke standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn drie locaties voor tijdelijke standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2019, de periode waarin deze standplaatsen kunnen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locatie Product Periode Oppervlakte Voorzieningen Parkeerplaats naast Lijtweg 4 (apotheek) Poffertjeskraam Ten hoogste zes weken 160 m2 Kerstbomenverkoop Ten hoogste zes weken 60 m2 Parkeerplaats Lijtweg (het markt en evenemententerrein) Onderzoekswagen Twee maanden aaneengesloten, een keer in de anderhalf jaar 90 m2 Elektra Klinkenbergerplas Producten uit alle branches zijn toegestaan Tussen oktober en april voor een periode van ten hoogste 30 dagen (ntb) Op de dagen dat een vaste standplaats niet wordt ingenomen door een standplaatshouder is het een tijdelijke standplaatshouder toegestaan deze in te nemen. Voor een tijdelijke standplaats geldt dat deze niet door een vaste standplaatshouder mag worden ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de genoemde locaties zijn er andere locaties die gedurende het jaar een als tijdelijke standplaats worden ingenomen, bijvoorbeeld voor pannenkoekenverkoop door de scouting, de fietsersbond Oegstgeest, kentekengraveerders, kerstbomenverkoop, oliebollenverkoop en demonstraties van (elektrische) fietsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke standplaats voor de verkoop van oliebollen mag worden ingenomen tussen 15 november en 15 januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelaatbaarheid standplaatsen volgens bestemmingsplan Er is een aantal locaties waar de bestemmingsplannen het mogelijk maken om na toestemming van het college een standplaats in te nemen. Met omgevingsvergunningen is bijvoorbeeld toestemming verleend om een standplaats in te nemen voor een koffiekar, een ijscokar en kleinschalige verkoop van bloemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de De Kempenaerstraat gaat het om twee locaties: de kruising De Kempenaerstraat met de Terweeweg; en de kruising De Kempenaerstraat met de Spaargarenstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor deze twee locaties wordt alleen verleend als: jaarlijks ten hoogste 13 dagen een standplaats wordt ingenomen; en de standplaats niet groter is dan 9 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerdere standplaatsen in de Kempenaerstraat zijn wenselijk omdat standplaatsen een bijdrage leveren aan een gevarieerd aanbod van detailhandelsgoederen. Echter vanwege de relatief beperkte ruimte in vergelijking met andere locaties voor standplaatsen binnen de gemeente, zijn deze twee verscherpte voorwaarden opgenomen. Voor 13 dagen is gekozen vanwege de gevoeligheden die spelen rondom deze standplaats. 13 dagen per jaar zorgt voor verlevendiging van de Kempenaerstraat en vormt geen onevenredig zware belasting voor de omgeving van de standplaatsen. Bovendien heeft de afgelopen jaren al een bloemenstalletje in de Kempenaerstraat gestaan. Vanwege de beperkte ruimte op beide standplaatsen is een maximum afmeting van 9 m2 opgenomen als voorwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende voorwaarden van het bestemmingsplan Oranje Nassau: de standplaatsen belemmeren het wegverkeer niet; ongehinderde toegang op het trottoir is aanwezig; als een standplaats leidt tot opheffing van een parkeerplaats, mag dat geen onevenredige afbreuk doen aan het voorzieningenniveau van de openbare parkeerplaatsen; het assortiment van een standplaats leidt niet tot geuroverlast voor de omliggende detailhandel; het gebruik past qua aard, milieubelasting en uitstraling in de woonomgeving; en de standplaats voldoet aan de bouwvoorschriften, bedoeld in artikel 12.2.2 van het bestemmingsplan Oranje Nassau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de standplaats op de kruising De Kempenaerstraat en de Terweeweg geldt dat een deel van de grond in particulier eigendom is. Voordat deze standplaats mag worden ingenomen dient de eigenaar van deze grond daar toestemming voor hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor de genoemde locaties niet alleen een omgevingsvergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan (conform de voorwaarden van het bestemmingsplan) maar ook een vergunning op grond van artikel 3.69 van deze verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2.4 HOUTOPSTANDEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.12 (groene kaart en bomenlijst) [artikel 2 Bomenverordening] Het vaststellen van de groene kaart en de bomenlijst is van belang voor de toepassing van de regels over het vellen van houtopstanden. Verwezen wordt naar de toelichting op de regels in paragraaf 3.6.2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.1 INLEIDENDE BEPALINGEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.1 (toepassingsbereik) [tweede lid: alle bepalingen in verordeningen met een uitzondering voor activiteiten in opdracht van bestuursorganen] In dit artikel is het toepassingsbereik geregeld van de regels in hoofdstuk 3. Die regels zijn alleen van toepassing op activiteiten die zijn aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6. Dat betekent bijvoorbeeld dat de inleidende bepalingen in afdeling 3.1 alleen gelden voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. De specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geldt dus niet voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving maar alleen voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn uitgezonderd de activiteiten die worden verricht door of vanwege de gemeente Oegstgeest voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. In deze verordening kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt. Dat wordt tot uitdrukking gebracht met de zinsnede ‘tenzij in deze verordening anders is bepaald’. Op dit moment is alleen in artikel 3.32, tweede lid, een uitzondering gemaakt voor het inzamelen van afvalstoffen. Die activiteit wordt namelijk verricht voor de uitoefening van de publiekrechtelijke taak die is geregeld in de Wet milieubeheer om afvalstoffen bij huishoudens in te zamelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.2 (normadressaat) [alle bepalingen in verordeningen die regelen wie aan de regels moet voldoen] Artikel 3.2 bepaalt tot wie de regels van hoofdstuk 3 zijn gericht. In de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. In artikel 3.2 wordt daarbij aangesloten. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze verordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.3 (specifieke zorgplicht) Degene die een activiteit verricht heeft een specifieke zorgplicht. Van degene die een activiteit verricht die is aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6, wordt een inspanning verwacht om zelf te beoordelen of het handelen nadelige gevolgen heeft en ook hoe die gevolgen redelijkerwijs kunnen worden voorkomen of beperkt. Onder handelen wordt uiteraard ook het nalaten om te handelen verstaan. De formulering van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan de bepalingen in hoofdstuk 3 waarin de oogmerken zijn opgenomen waarop de regels in hoofdstuk 3 zien. Die oogmerken zijn geregeld in de algemene paragrafen van de afdelingen 3.2 tot en met 3.6. De specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van die oogmerken en is daardoor specifieker dan de algemene wettelijke zorgplicht. Zo ziet de zorgplicht bijvoorbeeld niet op de kwaliteit van het zwemwater. Dat oogmerk valt wel onder de algemene zorgplicht in de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie toelichting op artikel 3.11) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het college degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving2Stb. 2018, 293, p. 526-527..</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.4 (ontheffing en aanwijzing) [diverse artikelen in de APV 2020 en de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, Afvalstoffenverordening 2021] Als in hoofdstuk 3 een (absoluut) verbod is opgenomen voor het verrichten van een bepaalde activiteit of handeling, is het mogelijk om daarvoor een ontheffing te krijgen van het college. Het gaat daarbij niet om verboden in dit hoofdstuk om zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. In die gevallen is namelijk al geregeld dat een vergunning of aanwijzing mogelijk is en zijn veelal ook de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan om een vergunning of aanwijzing te verkrijgen (beoordelingsregels). Bij de aanwijzing gaat het om het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. In artikel 3.34 is bepaald dat het verbod om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen niet geldt voor de inzameldienst of andere inzamelaar die door het college is aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing op de aanwijzing. Dat betekent dat bij overschrijding van de termijn voor het geven van de beschikking (acht weken volgens artikel 3.5) de aanwijzing niet van rechtswege is verkregen. Het expliciet regelen van deze uitzondering is nodig omdat volgens artikel 28 van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een aanvraag om een vergunning, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Volgens de Dienstenwet, die geldt voor dienstverrichters, moet een aanwijzing worden beschouwd als een vergunning in de zin van die wet en de dienstenrichtlijn. Inzamelaars van afvalstoffen kunnen worden beschouwd als dienstverrichters. Zonder deze uitzondering zou paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht dus gelden voor de aanwijzing van inzamelaars en dat is ongewenst vanwege de publieke belangen die hiermee zijn gemoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is op grond van het derde lid ook niet van toepassing op ontheffingen en vergunningen. Volgens het vierde lid is die paragaaf wel van toepassing op de ontheffingen die worden verleend van de verboden in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid. Het gaat daarbij om het verbod om op de weg een voertuig te plaatsen die is voorzien van reclame en om het verbod om recreatieve of grote voertuigen te parkeren. Dat is een voortzetting van de regels in de Algemene plaatselijke verordening 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 ook van toepassing op vergunningen die worden verleend op grond van de artikelen 3.43 (gebruiken van de weg) en 3.54 (veranderen van de weg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.5 (bevoegd gezag en beslistermijn) [artikel 1:2 APV 2020] Het college van burgemeester en wethouders is in het eerste lid aangewezen als bevoegd gezag. Als in hoofdstuk 3 een melding verplicht is gesteld dan moet die melding worden gedaan aan het college. Daarnaast neemt het college de besluiten over het stellen van een maatwerkvoorschrift, de toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen, de aanvraag om een vergunning of ontheffing en het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid moet het college binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag een besluit nemen, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Die termijn kan op grond van het derde lid met ten hoogste acht weken worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissingstermijn van acht weken is een termijn van orde. Uit het overschrijden van die termijn vloeien derhalve geen rechtsgevolgen voort. Dat is alleen anders als het gaat om een aanvraag om een ontheffing van de verboden in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid. Daarop is namelijk volgens artikel 3.4, vierde lid, paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.6 (voorschriften en beperkingen) [artikel 1:4 APV 2020 en de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, Afvalstoffenverordening 2021] Volgens dit artikel kunnen aan een vergunning, ontheffing en aanwijzing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Volgens het tweede lid kunnen die voorschriften en beperkingen alleen strekken tot bescherming van de belangen met het oog waarop de vergunning, ontheffing of aanwijzing verplicht is gesteld. Deze belangen kunnen worden afgeleid van de artikelen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 waarin de oogmerken zijn opgesomd met het oog waarop de regels in die afdelingen zijn gesteld. Dat betekent bijvoorbeeld dat aan een vergunning voor het aanleggen van een weg (artikel 3.54, aanhef en onder a) alleen voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden die strekken ter bescherming van de belangen die in artikel 3.40 zijn opgesomd (bijvoorbeeld het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid). En het zal dan ook niet zijn toegestaan om voorschriften aan die vergunning te verbinden met het oog op de landschappelijke waarde. Dat is namelijk niet een in artikel 3.40 genoemd oogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking van een vergunning, ontheffing of aanwijzing. Als blijkt dat een voorschrift of beperking niet wordt nageleefd kan het college daartegen handhavend optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.7 (persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing) [artikel 1:5 APV 2020] Volgens dit artikel geldt een vergunning of ontheffing alleen voor degene aan wie zij is verleend. In deze verordening kan van die regel wel worden afgeweken. Afwijkingen zijn bijvoorbeeld opgenomen in de regels over het innemen van standplaatsen (paragraaf 3.4.6). Volgens artikel 3.74 kan de vergunning voor het innemen van een standplaats op naam worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend. In het tweede en derde lid van dat artikel zijn de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.8 (intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing) [artikel 1:6 APV 2020, artikel 11 Beleidsregels standplaatsen, artikelen 15 en 20, vierde lid, Erfgoedverordening, artikel 8 Bomenverordening] Onder bepaalde omstandigheden kan een vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd. De omstandigheden waarbij dat mogelijk is, zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met f. Het betreft hier een alternatieve opsomming dat tot uitdrukking wordt gebracht met het woordje ‘of’ aan het sloten van onderdeel e. Dat betekent dat slechts aan een voorwaarde hoeft te worden voldaan om de vergunning of ontheffing te kunnen intrekken of wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.9 (termijn vergunning en ontheffing) [artikel 1:7 APV 2020] In de regel geldt een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd. Dat is alleen anders als in deze verordening is geregeld dat een vergunning of ontheffing slechts geldt voor een bepaalde termijn. Een vergunning voor het innemen van een standplaats wordt bijvoorbeeld verleend voor een periode van vijf jaar en een vergunning voor het vellen van een houtopostand voor drie jaar. Daarnaast kan het zijn dat de aard van de vergunning of ontheffing zich verzet tegen een vergunning voor onbepaalde tijd. Daarvan is volgens het tweede lid in ieder geval sprake als het aantal vergunningen of ontheffingen dat wordt verleend is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.10 (algemene beoordelingsregels) [ artikel 1:8 APV 2020] In de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 is voor verschillende activiteiten een vergunning of ontheffing verplicht gesteld. Voor die activiteiten is vaak ook geregeld aan welke criteria moet worden voldaan om een vergunning te kunnen verkrijgen. Die criteria worden in de Omgevingswet beoordelingsregels genoemd. Dat zijn de regels die worden toegepast bij het beoordelen van vergunningaanvragen. In de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 staan veelal bijzondere beoordelingsregels die zijn toegespitst op de desbetreffende activiteit. Daarnaast zijn er algemene beoordelingsregels die bij het beoordelen van alle vergunningaanvragen worden toegepast. Die algemene beoordelingsregel is opgenomen in artikel 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met ‘de belangen’ worden bedoeld de belangen die zijn opgesomd in de artikelen met het opschrift ‘oogmerken’. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor het aanleggen van een uitrit naar de weg (artikel 3.57) zal het college dus bijvoorbeeld de belangen betrekken die zijn opgesomd in artikel 3.40. Die vergunning kan het college onder andere weigeren vanwege het belang van het behouden van de verkeersveiligheid (artikel 3.40, eerste lid, onder b) of de bescherming van het openbaar groen (artikel 3.40, tweede lid). Een ander voorbeeld is het vellen van een monumentale houtopstand. Die activiteit is vergunningplichtig op grond van artikel 3.100. Op grond van artikel 3.10 in samenhang met artikel 3.98, eerste lid, kan de vergunning voor het vellen worden geweigerd met het oog op de natuurbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid is bedoeld om te voorkomen dat het college in een zeer korte tijd een aanvraag moet beoordelen omdat het voornemen bestaat om binnen drie weken na het doen van de aanvraag te beginnen met de activiteit. Als de aanvraag minder dan drie weken voor de beoogde datum van het begin van de activiteit is ingediend, kan het college de vergunning of ontheffing dan ook weigeren als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.11 (maatwerkvoorschriften) Eerste en tweede lid Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de regels in hoofdstuk 3. De mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften wordt breed opengesteld voor alle artikelen in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschriften kunnen de algemene regels in hoofdstuk 3 niet alleen aanvullen, maar er ook van afwijken. De bevoegdheid om af te wijken van de algemene regels is gegeven in het tweede lid. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3 (artikelen 3.3, 3.33, 3.42, 3.53, 3.84 en 3.91). Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van dit hoofdstuk worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling worden gegeven aan de specifieke zorgplichten van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 en mag daar niet mee in strijd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Als op een activiteit zowel algemene regels van toepassing zijn als een vergunningplicht, wordt maatwerk op de algemene regels in de vergunning opgenomen in de vorm van een vergunningvoorschrift. Dit zorgt ervoor dat het maatwerk optimaal wordt afgestemd op de andere vergunningvoorschriften, zodat de activiteit als geheel integraal beoordeeld en geregeld wordt. Voor zover de vergunning ook ziet op algemeen geregelde activiteiten voorkomt dit een stapeling van de vergunning met losse maatwerkvoorschriften. De voorkeur voor integratie van maatwerk in de vergunning is geregeld in het vierde lid van dit artikel. Daarin is bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als het mogelijk is om over het onderwerp een voorschrift aan de vergunning te verbinden. Die mogelijkheid is er steeds voor zover er voor een activiteit een vergunningplicht geldt. Voorschriften kunnen immers niet alleen bij het verlenen van de vergunning worden gesteld, maar ook door wijziging van de vergunning. Een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over een (gedeelte van) een activiteit waarvoor al een vergunning is verleend, moet dus worden beschouwd als een aanvraag om de voorschriften van die vergunning te wijzigen. En het ambtshalve toepassen van de bevoegdheid van dit artikel leidt bij die activiteit tot het ambtshalve wijzigen van de verleende vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.12 (ongewoon voorval) Eerste lid Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het college direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Ongewoon voorval wordt in bijlage I bij deze verordening omschreven als een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Het gaat dus om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. Dat betekent dat de regels er niet toe verplichten om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving.3Stb. 2018, 293.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid is bepaald welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het college moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt voor ongewone voorvallen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Die wet bevat namelijk zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.2 BOUWACTIVITEITEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-321-36\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.13 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over bouw-, aanleg-, en sloopactiviteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.13 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.13 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-322-37\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwen op verontreinigde bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.14 (aanwijzing activiteiten) [artikelen 2.1.5, tweede lid, en 2.4.1 Bouwverordening] Artikel 8, tweede lid, onder c, van de Woningwet geeft de gemeenteraad de opdracht om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In artikel 8, derde lid, van de Woningwet is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met paragraaf 3.2.2 wordt uitvoering gegeven aan deze opdracht van de Woningwet. Bij de uitwerking is zoveel mogelijk geanticipeerd op de bepalingen die met het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn toegevoegd aan de regels van de bruidsschat (omgevingsplan van rijkswege). Voor de inwerkingtreding van deze verordening was deze materie geregeld in de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De definities van bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie zijn gegeven in het tweede en derde lid (zie de toelichtingen hieronder). Het gaat hier alleen om de vergunningplichtige bouwwerken. Dat betekent bijvoorbeeld dat deze paragraaf niet van toepassing is op het bouwen van bijbehorende bouwwerken van ten hoogste 50 m2. De waarde van 50 m2 sluit aan bij de onderste afbakening die in het Besluit omgevingsrecht is opgenomen voor bijbehorende bouwwerken: iedereen met een tuin tot 100 m2 mag 50% hiervan vergunningvrij bebouwen en hoeft hiervoor geen bodemonderzoek te verrichten. Deze grens van 50m2 gaat niet over het bouwen van een hoofdgebouw, alleen om bijbehorende bouwwerken als onderdeel van of bij reeds bestaande hoofdgebouwen. Dat sluit niet uit dat het verstandig kan zijn om een bodemonderzoek te doen, zeker als er informatie is die aanleiding geeft tot een vermoeden dat er (historische) verontreiniging aanwezig kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te verrichten en maatregelen te treffen. Voor de realisatie van een bodemgevoelig gebouw is het nodig met een verkennend bodemonderzoek vast te stellen of de locatie geschikt is voor de nieuwbouw. Met het bodemonderzoek moet de hele bodemgevoelige locatie worden onderzocht Tot slot zijn uitgezonderd de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten, bedoeld in artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Deze uitzondering is in overeenstemming met artikel 8, derde lid, onder b, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Voor de definitie van ‘gebouw’ wordt in bijlage I verwezen naar de Woningwet. Die wet omschrijft ‘gebouw’ als bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Een bouwwerk is een constructie van enige omvang of een gedeelte daarvan, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren (zie bijlage I). Voorbeelden van gebouwen die buiten de reikwijdte van het begrip bodemgevoelig gebouw vallen, zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander element in de definitie van ‘bodemgevoelig gebouw’ is dat het gaat om een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de grond raakt. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico’s voor de gezondheid kunnen optreden. Het gaat bijvoorbeeld niet om een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel, omdat bij dergelijke bouwactiviteiten de gezondheidsrisico’s door de bodemkwaliteit niet toenemen. Blootstelling kan bij een woonschip of woonwagen plaatsvinden, voornamelijk door het direct aangrenzende terrein of de tuin, net als bij andere woningen met een tuin. Hoewel een woonschip strikt genomen niet de grond raakt, kunnen er wel vergelijkbare gezondheidsrisico’s optreden als bij grondgebonden woningen met een tuin en daarom zijn ze expliciet toegevoegd aan het begrip bodemgevoelig gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bepaalt wat in ieder geval onder een bodemgevoelige locatie moet worden verstaan. Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een bestemmingsplan, een beheersverordening of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de definitie van een bodemgevoelige locatie. De term ‘toelaten’ geeft aan dat hieronder ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dit betekent dat al wordt aangesloten bij het moment dat een woning is geprojecteerd, dat wil zeggen dat de functie wonen is toegedeeld aan de locatie. Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld als gevolg van functiewijziging al dan niet na sloop van bestaande bebouwing. Ook als een woning nog niet feitelijk aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelige locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tuin is bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging, bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen. Het bouwen van een gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt ook kortweg aangeduid als: bouwen van een bodemgevoelig gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.15 (aanvraagvereisten) [Artikel 2.1.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, Bouwverordening] De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zijn geregeld in de Regeling omgevingsrecht. Volgens artikel 2.4 van die regeling moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden verstrekt. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er op de locatie waar de bouwactiviteiten zullen worden verricht sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Als er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging moeten voor het in gebruik nemen van het gebouw sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen waarmee de gezondheidsrisico’s voor de gebruikers van het bouwwerk worden beperkt. Van een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval sprake bij een sanering overeenkomstig: het Besluit uniforme saneringen; of een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht hoeven de gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt niet bij de aanvraag te worden verstrekt. Met het derde lid, onder a, is die regel verbijzonderd door aan te geven dat de uitzondering alleen geldt als de resultaten van een verricht bodemonderzoek voldoende actueel en bruikbaar zijn. Bij een ‘te oud’ onderzoek met resultaten die naar verwachting geen representatief beeld meer geven van de verontreinigingssituatie, is deze uitzondering dus niet van toepassing en zal een nieuw bodemonderzoek moeten worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt verricht - ook wel historisch onderzoek genoemd - voor het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan op grond van het derde lid, onder b, worden afgeweken van de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid, onder b, richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van het vijfde lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing is gesloopt en eventueel door deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Het gevolg van het vijfde lid is dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden verstrekt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.16 (specifieke beoordelingsregel) [artikel 2.4.1 Bouwverordening] Wanneer er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging op de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht, kan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit alleen worden verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Van een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval sprake bij een sanering overeenkomstig: het Besluit uniforme saneringen; of een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.17 (vergunningvoorschriften) [artikel 2.4.2 Bouwverordening] In dit artikel is geregeld welke voorschriften in ieder geval aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden als er sprake is van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waar sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Op grond van onderdeel a wordt in een vergunningvoorschrift geregeld dat het gebouw of een gedeelte daarvan alleen in gebruik mag worden genomen als sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Het gaat daarbij om maatregelen ter bescherming van de gebruikers van het gebouw. Als verontreiniging in de bodem achterblijft kan worden gedacht aan een isolerende verhardingslaag waardoor contact met de aanwezige verontreiniging kan worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens moet aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat voor ingebruikname van het gebouw of een gedeelte daarvan, aan het college informatie wordt verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn getroffen. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. De Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen kennen een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het college informeert dat en hoe de sanering is uitgevoerd. Dit geeft het college de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-331-38\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.24 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.24 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.24 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-332-39\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder en lichthinder door festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.25 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het vieren van festiviteiten aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 3.26 en 3.27 [artikelen 4:2 en 4:3 APV 2020] In de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn de geluidwaarden opgenomen die door het verrichten van activiteiten niet mogen worden overschreden. Op grond van artikel 2.21van dat besluit kunnen in een gemeentelijke verordening festiviteiten worden aangewezen waarvoor de geluidwaarden niet gelden omdat naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Van die mogelijkheid is met artikel 3.26 gebruik gemaakt voor de zogenoemde collectieve festiviteiten. Dat zijn festiviteiten die niet aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen zijn verbonden en die door het college zijn aangewezen. Op grond van artikel 3.26 kan het college de dagen of dagdelen aanwijzen in verband met de viering van collectieve festiviteiten waarop de geluidwaarden niet van toepassing zijn. Een zelfde uitzondering kan het college maken voor de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen (artikel 3.148 Activiteitenbesluit milieubeheer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van een uitzondering op de geluidwaarden van de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en op de verplichting om de verlichting uit te schakelen van artikel 3.148 van dat besluit voor incidentele festiviteiten biedt artikel 3.27 een regeling. Op grond van dit artikel kan per kalenderjaar tijdens ten hoogste zes incidentele festiviteiten worden afgeweken van die geluidwaarden en de verplichting om de verlichting uit te schakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een incidentele festiviteit wordt verstaan een festiviteit die aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen is verbonden. Voordat een incidentele festiviteit plaatsvindt moet het college in kennis worden gesteld. Dat moet ten minste twee weken voor het begin ervan met een door het college vastgesteld formulier. Bovendien moeten de omwonenden binnen een straal van 50 m ten minste 48 uur voor het begin ervan in kennis worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingen op de geluidwaarden voor incidentele festiviteiten gelden op grond van artikel 3.27, vijfde lid, niet op zondag tot en met donderdag na 23.59 uur en op vrijdag en zaterdag na 01.00 uur. De uitzondering op de verplichting om de verlichting uit te schakelen geldt niet na 23.59 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid van artikel 3.27 zijn de geluidwaarden opgenomen die door de incidentele festiviteit niet mogen worden overschreden. In de leden 6 en 8 zijn aanvullende eisen gesteld om de geluidhinder te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.28 (wijze van geluidmeten) [artikel 4:4 APV 2020] In dit artikel is geregeld dat de metingen en berekeningen ter controle van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.27, moeten worden verricht volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van VROM, uitgave 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede tot en met het vijfde lid is een aantal van de handleiding afwijkende en daarop aanvullende eisen opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-333-40\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten en laden en lossen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.29 (aanwijzing activiteiten) In het eerste lid zijn het gebruiken van toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt en het laden en lossen aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid zondert de activiteiten in een inrichting uit van de reikwijdte van de regels in deze paragraaf. Bij een inrichting gaat het volgens bijlage I om een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.30 (geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten) [artikel 4:6 APV 2020] Op grond van dit artikel is het verboden om toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt te gebruiken. Van dit verbod kan het college ontheffing verlenen op grond van artikel 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.31 (geluidhinder door laden en lossen) [artikel 4:6 APV 2020] In dit artikel zijn regels gesteld over het laden en lossen. Het is niet toegestaan om tussen 23:00 uur en 07:00 uur te laden of te lossen. Een uitzondering geldt voor het laden en lossen op een markt op een dag waarop markt wordt gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-334-41\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Afvalbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.32 (aanwijzing activiteiten) In het eerste lid zijn het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, andere activiteiten met afvalstoffen en activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze paragraaf geven uitvoering aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, waarin de gemeenteraad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een uitzondering gemaakt op artikel 3.1, tweede lid, dat bepaalt dat de regels in hoofdstuk 3 niet van toepassing zijn op activiteiten die door of vanwege de gemeente Oegstgeest worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, is namelijk een publiekrechtelijke taak die in artikel 10.21 van de Wet milieubeheer is opgedragen aan het gemeentebestuur. Het is van belang om voor die activiteit regels te stellen over het inzamelen. Om die reden is in het tweede lid een uitzondering opgenomen op artikel 3.1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.33 (specifieke zorgplicht) [artikelen 14 tot en met 20 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wet milieubeheer kunnen gemeenten in hun afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. Met de specifieke zorgplicht wordt zwerfafval voorkomen en bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijke afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen f en g hebben als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk te voorkomen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan een van de maatregelen in de door de gemeenteraad van Oegstgeest vastgestelde ‘notitie voorgenomen maatregelen VANG’ van 19 december 2019. Inwoners hebben met de komst van de nieuwe JA - sticker de volgende mogelijkheden om hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huis bladen kenbaar te maken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht stickers Ongeadresseerd reclame-drukwerk gewenst Ongeadresseerde huis-aan-huisbladen JA/JA sticker Ja Ja Geen sticker Nee Ja NEE/JA sticker Nee Ja NEE/NEE sticker Nee Nee In bijlage I zijn de definities opgenomen van huis-aan-huisblad en ongeadresseerd reclamedrukwerk. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals ‘aan de bewoners van dit pand of gebouw’. Drukwerk van vrijwilligers- en niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen, valt niet onder de definitie van ‘ongeadresseerd drukwerk’. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat de huis- aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt hebben. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie van de ‘huis-aan-huisblad’ is een norm gehanteerd van 10% aan inhoudelijk buurtgericht nieuws. Hiermee sluit deze verordening aan op de norm die landelijk door de Stichting Reclamecode wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel f is bepaald dat bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk uitsluitend is toegestaan als de ontvanger onmiskenbaar met een JA/JA - sticker duidelijk heeft gemaakt het ongeadresseerde reclamedrukwerk te willen ontvangen. Daarbij gaat het niet alleen om de bezorging maar ook om het laten bezorgen. De adverteerders dienen zich ook aan de systematiek van de JA/JA-sticker te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel g is bepaald dat huis-aan-huisbladen mogen worden bezorgd, tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.34 (inzamelen huishoudelijke afvalstoffen) [artikelen 3 en 4 Afvalstoffenverordening 2021] In het eerste lid is een verbod opgenomen voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, geldt dit verbod niet voor de inzameldienst die door het college is aangewezen voor het inzamelen. De zorg voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen berust volgens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de gemeenteraad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het verbod ook niet voor een andere inzamelaar dan de inzameldienst: die door het college is aangewezen voor het inzamelen; die op grond van nadere regels van het college is vrijgesteld van het verbod; of die op grond van artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onder b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer verplicht is tot inname van de huishoudelijke afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om inzamelaars die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Inzamelen is op de eerste plaats toegestaan voor inzamelaars die daartoe zijn aangewezen door het college. Het gaat dan om een beschikking waaraan op grond van artikel 3.6 voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Dat is geregeld in artikel 3.4, vijfde lid. Op de tweede plaats kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het tweede lid, aanhef en onder b, is het mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Op de derde plaats zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wet milieubeheer verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.35 (aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 6 Afvalstoffenverordening 2021] Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag geschieden dan door afgifte aan de aangewezen inzameldienst of aan een andere inzamelaar als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, of door achterlating op een door het college aangewezen inzamelplaats. De inzamelplaatsen worden aangewezen op grond van artikel 2.9. Dit tot de gebruikers van percelen waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan gerichte verbod is het spiegelbeeld van de in die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.36 (gescheiden inzamelen en aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen)[artikelen 7 en 8 Afvalstoffenverordening 2021] Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.21 van de Wet milieubeheer schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. GFT-afval moet volgens dit artikel verplicht afzonderlijk wordt ingezameld. De gemeenteraad kan volgens artikel 10.21, derde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Deze vrijheid is ingeperkt door artikel 3 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Dat verplicht gemeenten ertoe om afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens gescheiden in te zamelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen dient het gemeentebestuur bovendien rekening te houden met het Landelijk afvalbeheersplan (hierna: LAP). In het LAP zijn bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen benoemd, die door de consument gescheiden dienen te worden. In het Landelijke afvalbeheerplan 3 (hierna: LAP-3) is gesteld dat ‘het gewenste beleid betekent voor burgers dat zij in ieder geval glas, gft-afval, textiel, papier en karton en gevaarlijke afvalstoffen zouden moeten scheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Oegstgeest stellen we dat de volgende afvalfracties gescheiden dienen te worden aangeleverd: groente-, fruit- en tuinafval; papier en karton; glas; textiel; elektrische of elektronische apparatuur; en klein chemisch afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het college anderen bestanddelen aanwijzen die afzonderlijk moeten worden ingezameld op grond van het eerste lid, onder g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid biedt de mogelijkheid om meer maatwerk te kunnen geven. Op grond van artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bepalen dat: huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel; huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat; in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regelen van de frequentie en de locatie van inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Tenzij het college in het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer, zoals een operationele nascheiding, bepaalde bestanddelen achterwege wenst te laten. Dit is onder meer van belang omdat dit artikel aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid regelt het spiegelbeeld van het eerste id. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kunnen door het college in de nadere regels op grond van het vierde lid worden gegeven om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden. Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid van het vijfde lid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.37 (plaats, dag en tijd van aanbiedenvan huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 9 Afvalstoffenverordening 2021] De plaatsen, dagen en tijden voor de inzameling worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking. Op grond van het tweede lid kunnen de plaatsen, dagen en tijden voor de verschillende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.38 (inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen)[artikel 10 Afvalstoffenverordening 2021] Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.39 (aanbieden, overdragen en achterlaten van bedrijfsafvalstoffen) [artikelen 11, 12 en 13 Afvalstoffenverordening 2021] De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen of bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval). Alleen de bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wet milieubeheer. De memorie van toelichting zegt hierover: ‘Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 Wet milieubeheer voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt.’ Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard gelden deze regels voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.4 ACTIVITEITEN IN DE OPENBARE RUIMTE</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-341-42\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.40 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten in de openbare ruimte in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.40 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.40 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-342-43\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiken van de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.41 (aanwijzing activiteiten) [ artikel 2:10 APV 2020] In dit artikel is het gebruiken van de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Het tweede lid regelt de afbakening van de regels in deze paragraaf met de regels over activiteiten die elders zijn geregeld en waarbij het ook kan gaan om het gebruiken van de weg. De evenementen zijn geregeld in de Algemene plaatselijke verordening 2020. Op grond van artikel 2:25 van die verordening is een vergunning van de burgemeester verplicht voor het organiseren van een evenement. De activiteiten die zijn genoemd in de onderdelen b tot en met d zijn geregeld in de paragrafen 3.4.5, 3.4.6 en 3.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.42 (specifieke zorgplicht) [artikelen 2.10 en 2:14 APV 2020 en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.43 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikelen 2.10 APV 2020 en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] Dit artikel wijst het gebruiken van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. De woorden ‘anders dan overeenkomstig de publieke functie van de weg’ betekenen dat deze paragraaf niet van toepassing is op het gebruik van de weg met bijvoorbeeld een auto of een fiets. Voor dat gebruik gelden de regels van de wegenverkeerswetgeving. Het gaat hier om het gebruiken van de weg voor bijvoorbeeld het plaatsen van voorwerpen of objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ‘wegen’ gaat het om de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden die in beheer zijn bij de gemeente Oegstgeest, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten (zie de definitie in bijlage I bij deze verordening). Onder ‘het gebruiken van de weg’ valt dus ook het gebruiken van de naast de weg gelegen berm. Ook geldt de vergunningplicht voor de plaatsing van borden voor het wijzen van de weg naar bedrijven op bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Behalve een vergunning van de gemeente voor de plaatsing van deze borden zullen hierover ook afspraken moeten worden gemaakt met de bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede en derde lid is een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, is de vergunningplicht niet van toepassing op voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is op grond van artikel 3.42 wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingen van het derde lid gelden alleen als wordt voldaan aan de algemene regels die in de artikelen 3.45 tot en met 3.51 zijn gesteld voor het plaatsen van de daarin geregeld objecten en voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.44 (beoordelingsregels vergunning) [par. 4.2 reclamenota] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen voor objecten met reclame of reclameborden. Het kan daarbij onder andere gaan om de zogenoemde A0 borden die worden vastgezet aan lichtmasten en bijvoorbeeld zijn bedoeld voor evenementen en promotie van politieke partijen in verkiezingstijd. Hiervoor heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met een bedrijf dat de borden plaatst. In die overeenkomst zijn allerlei zaken geregeld, bijvoorbeeld over het maximale aantal borden per politieke partij. Voor bijvoorbeeld organisatoren van evenementen en politieke partijen betekent dit dat zij met dat bedrijf afspraken maken over plaatsing. Het bedrijf dat de plaatsing regelt zorgt ook voor de vereiste vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.45 (algemene regels: plaatsen uitstallingen) [2.10 APV, nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 en par. 6.1 reclamenota] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van uitstallingen op de weg. Het gaat daarbij om het plaatsen van reclameborden, uitstallingsmaterialen, uitstallingsstellages, voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel, speelattracties en andere uitstallingen voor een pand waarin een onderneming is gevestigd. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.46 (algemene regels: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten)[2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van objecten voor bouwactiviteiten op de weg. Het gaat daarbij om het plaatsen van containers, bouwketen, mobiele toiletcabines, steigers, mobiele liften, pompen, hekwerken, reclameborden over werk in uitvoering en andere objecten voor het verrichten van bouwactiviteiten. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.47 (gegevens en bescheiden: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] Op grond van dit artikel geldt de verplichting om ten minste vijf werkdagen voor het plaatsen van objecten voor bouwactiviteiten aan het college gegevens te verstrekken over de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan. Op basis van de ontvangen informatie kan het college zo nodig maatregelen treffen ter bevordering van de verkeersveiligheid. Ook biedt het de mogelijkheid voor het college om aanvullende verplichtingen op te leggen met een maatwerkvoorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.48 (algemene regels: plaatsen spandoeken) [2.10 APV, nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 en par. 6.2 reclamenota] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van spandoeken op, bij of boven de weg. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van spandoeken is alleen toegestaan op de locaties die in het tweede lid zijn opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.49 (algemene regels: plaatsen objecten met reclame bij een rotonde) [2:10 APV, nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 en par. 5.3 reclamenota] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van objecten met reclame bij een rotonde. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemers hebben de mogelijkheid een rotonde te ‘adopteren’. Deze ondernemers mogen deze rotonde dan voorzien van reclame. Als tegenprestatie verzorgt de ondernemer het onderhoud van de betreffende rotonde. Het gaat om de volgende rotondes :</p>\n<p class=\"lf-p\">Laan van Oud-Poelgeest/ Oegstgeesterweg/ Hofdijck;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lange Voort/ Abtspoelweg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geversstraat/ Rijnzichtweg/ Rhijngeesterstraatweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.50 (algemene regels: plaatsen trotters en tekstkarren) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van trotters en tekstkarren op de weg. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een trotter is een tijdelijke communicatiedrager die kan worden ingezet in de openbare ruimte. Het is een billboard zonder vaste locatie. Meestal worden trotters gebruikt voor het maken van reclame, het geven van voorlichting en informatie of het verkondigen van politieke standpunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tekstkar is mobiele kar of aanhanger met een bord of scherm waarop boodschappen kunnen worden weergegeven. Vaak worden tekstkarren gebruikt bij wegwerkzaamheden om de weggebruikers te waarschuwen. Maar tekstkarren worden ook gebruikt voor het geven van informatie en voorlichting, het wijzen van de weg en het maken van reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.51 (algemene regels: plaatsen kerstbomen) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van kerstbomen op de weg. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder f.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-343-44\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Veranderen van de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.52 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel zijn het aanleggen, beschadigen en veranderen van de weg en het veranderen van de omgeving van de weg aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.53 (specifieke zorgplicht) [artikel 2:15 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 2:11 APV 2020] Dit artikel wijst een aantal activiteiten waarmee de weg wordt veranderd aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.55 (beoordelingsregel vergunning) Dit artikel bevat een specifieke regel voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regel geldt in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-344-45\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Uitrit aanleggen of veranderen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.56 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.57 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 2:12 , eerste lid, APV 2020] Dit artikel wijst het aanleggen of veranderen van een uitrit naar de weg aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.58 (beoordelingsregels vergunning) [artikel 2:12, tweede lid, APV 2020] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-345-46\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeerexcessen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.59 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het parkeren van voertuigen op de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.60 (bedrijfsmatig parkeren) [artikel 5:2 APV 2020] Dit artikel bevat het verbod om de weg te gebruiken als werkplaats voor voertuigen of voor het parkeren van meer dan twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 25 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verboden gelden alleen voor degenen die bedrijfsmatig rijlessen verzorgen, personen tegen betaling vervoeren of voertuigen stallen, verhuren, verhandelen, slopen, onderhouden of herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het derde lid geldt een aantal uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.61 (te koop aanbieden en voertuigen met reclame) [artikelen 5:3 en 5:7 APV 2020] In dit artikel zijn twee verboden geregeld. Op grond van het eerste lid is het verboden om een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Dit verbod geldt alleen op een door het college aangewezen weg. In het tweede lid is bepaald dat het plaatsen van een voertuig dat is voorzien van reclame te plaatsen op de weg. Het gaat daarbij om de zogenoemde reclamevoertuigen die als enig doel hebben om daarmee reclame te maken. Het gaat dus niet om bijvoorbeeld bedrijfswagens of auto’s met reclame die primair worden gebruikt als vervoermiddel waarbij het maken van reclame een bijzaak is Artikel 3.62 (voertuigen met gebreken of verlopen APK en wrakken) [artikelen 5:4 tot en met 5:5 APV 2020] Op grond van dit artikel is het niet toegestaan om een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Parkeren is ook niet toegestaan als: de Algemene Periodieke Keuring daarvoor ten minste een maand is verlopen; of het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.63 (parkeren recreatieve en grote voertuigen en overig) [artikelen 5:6 en 5:8 APV 2020] Dit artikel bevat twee verboden. Volgens het eerste lid is het verboden om recreatievoertuigen, zoals campers en caravans, langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren op een door het college aangewezen weg. Dit verbod geldt ook voor andere voertuigen die niet voor verkeersdoeleinden worden gebruikt, zoals grasmaaiers. Het tweede verbod staat in het tweede lid en gaat over grote voertuigen. Voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan 6 m of hoger dan 2,40 m mogen niet worden geparkeerd op een door het college aangewezen weg. Dit verbod voor grote voertuigen geldt niet voor recreatievoertuigen. Die vallen namelijk al onder het verbod van het eerste lid (maximum parkeerduur van drie achtereenvolgende dagen). Het verbod geldt ook niet op werkdagen van 08:00 tot 18:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wegen waar het is verboden om recreatievoertuigen en voertuigen die niet zijn bedoeld voor verkeersdoeleinden langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren, zijn aangewezen met het Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a. van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55338). Het college heeft met dat besluit alle wegen binnen de bebouwde kom van de gemeente aangewezen, met uitzondering van: het parkeerterrein aan de Almondeweg; en de Apollolaan: over een strook van 36 meter vanaf het Apolloplein aan de oostzijde van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55340) zijn dezelfde wegen aangewezen voor voertuigen die langer zijn dan 6 m of hoger dan 2,40 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.64 (hinderlijk parkeren) [artikel 5:9 APV 2020] Met dit artikel is het verboden om grote voertuigen (inclusief lading langer dan 6 m of hoger dan 2,40 m) zodanig te parkeren dat daarmee het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw onevenredig wordt belemmerd of voor hen op een andere manier hinder of overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat verbod geldt niet als het parkeren plaatsvindt voor werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.65 (voertuigen parkeren buiten rijbaan) [artikel 5:10 APV 2020] Dit artikel verbiedt het parkeren van voertuigen op een door het college aangewezen weggedeelte dat niet tot de rijbaan behoort. Met het besluit van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76431) heeft het college alle weggedeelten in de gemeente Oegstgeest aangewezen als weggedeelten waar het is verboden voertuigen te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.66 (verkeer in groenvoorzieningen) [artikel 5:11 APV 2020] Op grond van het eerste lid is het verboden een voertuig aanwezig te hebben in een park, plantsoen of groenstrook. Volgens het tweede lid geldt dit verbod niet voor een weg en voor een locatie waar een standplaats wordt. Op het innemen van standplaatsen is pararagraaf 3.4.6 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.67 (hinderlijke plaatsing van fietsen) [artikel 5:12 APV 2020] Fietsen, bromfietsen en scooters mogen op grond van dit artikel niet onbeheerd worden achtergelaten op de weg. Bovendien moeten deze rijwielen worden geplaatst op een daarvoor bedoelde plaats of in een daarvoor bedoelde ruimte of rek. Ook is het niet toegestaan om die rijwielen op de weg te plaatsen als ze rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-346-47\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.68 (aanwijzing activiteiten) [artikel 5:17 APV 2020 en standplaatsenbeleid] In dit artikel is het innemen van een standplaats aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onze gemeente zijn standplaatsen een bekend fenomeen. Gedurende het jaar worden goederen als vis, kaas, groenten, snacks, bloemen, oliebollen en kerstbomen vanaf een vaste of een tijdelijke standplaats in de openbare ruimte te koop aangeboden. Deze standplaatsen zijn belangrijk voor onze lokale economie. Een van de speerpunten van ons lokale economisch beleid is het ondersteunen van een hoogwaardig en gevarieerd aanbod van winkels en voorzieningen. Standplaatsen maken hier onderdeel van uit. Standplaatsen dragen bij aan een verlevendiging van het straatbeeld, voorzien in een behoefte en verschaffen werkgelegenheid. Andere speerpunten van het lokale economische beleid zijn versterking en ondersteuning van de lokale detailhandel. Omdat de meeste standplaatsen zich in en rond winkelcentra bevinden, dragen zij bij aan de lokale detailhandel. Standplaatsen zorgen voor diversiteit in het winkelgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels over het innemen van standplaatsen zijn gewenst omdat een overdaad aan standplaatsen kan leiden tot overlast, zoals geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval en ongewenst gebruik van de openbare ruimte. Ook zijn regels wenselijk om een gevarieerd aanbod te waarborgen. De regels over standplaatsen in de Algemene plaatselijke verordeningen, de Beleidsregels standplaatsen 2019 en het Standplaatsenbeleid, zijn samengebracht in paragraaf 3.4.6. De regels over ‘good housekeeping’ en de regels die geen toegevoegde waarde hebben omdat ze sowieso al gelden, bijvoorbeeld over aansprakelijkheid of handelingsbekwaamheid, zijn toegevoegd aan de specifieke zorgplicht of zijn vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze activiteit gaat het om het innemen van een standplaats. Dat is een vaste plaats in de openlucht waar goederen of diensten worden aangeboden of geleverd. Buiten de activiteit valt dus het venten waarbij geen vaste plaats maar steeds wisselende plaatsen worden ingenomen door de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de aanwijzing vallen het innemen van een standplaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en het innemen van een vaste plaats tijdens een evenement op een evenemententerrein. Evenementen zijn gereguleerd in de Algemene plaatselijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige activiteiten die vallen onder deze paragraaf zijn ook geregeld in andere wetgeving. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bakkramen en bakwagens waarvoor ook een aantal voorschriften gelden die zijn opgenomen in paragraaf 5.2 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.69 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5:18, eerste lid, en 5:19 APV 2020] Dit artikel wijst het innemen van een standplaats in de openlucht voor het te koop aanbieden of leveren van goederen of diensten aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.70 (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) [artikel 2 Beleidsregels standplaatsen] In dit artikel is bepaald welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het innemen van een standplaats moeten worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden heeft het college nodig om te kunnen beoordelen of de vergunning kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel g In artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn onder andere de volgende documenten aangewezen waarmee de identiteit van personen kan worden vastgesteld: een geldig reisdocument (paspoort en reisdocument voor vluchtelingen of vreemdelingen); een Nederlandse identiteitskaart; de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; en een geldig rijbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.71 (beoordelingsregels vergunning) [artikel 5:18, tweede en derde lid, en 5:20, tweede lid, APV 2020 en Standplaatsenbeleid] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, aanhef en onder a, en derde tot en met vijfde lid Bij de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het innemen van een standplaats, moet worden beoordeeld of het van toepassing zijnde bestemmingsplan dit toestaat. Standplaatsen mogen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, dan moet de vergunning in principe worden geweigerd. Als er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplanworden ingediend (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op grond van artikel 3:20 Algemene wet bestuursrecht is de gemeente verplicht de aanvrager op de mogelijkheid van het aanvragen van de omgevingsvergunning te wijzen. In een dergelijk geval zal de gemeente bovendien vermelden dat de vergunning voor het innemen van de standplaats wordt aangehouden totdat een besluit is genomen over de aanvraag om de omgevingsvergunning. Dit heeft tot gevolg dat de vergunning voor het innemen van de standplaats niet wordt geweigerd zolang nog niet over de aanvraag om de omgevingsvergunning is beslist. Als binnen acht weken nadat het college de aanvrager op de mogelijkheid heeft gewezen van de omgevingsvergunning, er geen aanvraag is ingediend, dan zal de vergunning voor het innemen van de standplaats alsnog worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, aanhef en onder b Een standplaatshouder mag ten hoogste één standplaats innemen. Dat betekent dat een aanvraag om een vergunning wordt geweigerd als de aanvrager al een vergunning voor het innemen van een standplaats heeft. Ook zal de vergunning worden geweigerd als al eerder een vergunning is aangevraagd en het college daarop nog geen besluit heeft genomen. Daarmee wordt voorkomen dat tegelijkertijd of kort na elkaar verschillende aanvragen worden ingediend. Bij de beoordeling zal het college vaststellen wie de aanvrager is. Als de aanvrager (natuurlijk persoon) een bedrijf heeft, zullen de natuurlijke personen die voor dat bedrijf werkzaam zijn of daar eigenaar van zijn, in totaal slechts één vergunning mogen hebben voor één standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor de situatie dat de aanvrager al een vergunning heeft en in het jaar voor het verstrijken van de geldigheidsduur van die vergunning een nieuwe vergunning aanvraagt. Het gaat dan om de situatie waarop artikel 3.72, vierde lid, ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, aanhef en onder c en d De vergunningaanvrager moet zijn vermeld in de basisregistratie personen. Dit is van belang omdat de gemeente een adres moet hebben van de aanvrager voor correspondentie over de aanvraag en andere zaken die van belang zijn. Daarnaast moet de aanvrager een handelingsbekwaam natuurlijk persoon zijn. Handelingsbekwaam wil bijvoorbeeld zeggen dat de aanvrager meerderjarig moet zijn en niet onder curatele mag zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder a De vergunning kan worden geweigerd als niet wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand. Dat kan aan de orde zijn als het gaat om het innemen van een standplaats op een locatie waardoor het straatbeeld ernstig wordt verstoord. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bijvoorbeeld de Monumentencommissie om advies te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder b Als blijkt dat binnen een verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een standplaatshouder ten onder dreigt te gaan, kan het verzorgingsniveau ter plaatse in gedrang komen. De winkelier kan dan bezwaar aantekenen tegen het verlenen van de vergunning maar zal wel aan de hand van een bedrijfseconomisch onderzoek moeten kunnen aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn bedrijf door de standplaats wordt bedreigd. De Europese dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verkopen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrije verkeer van diensten. Het blijft echter wel mogelijk deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.72 (wachtlijst voor vaste standplaatsen) [artikel 4, derde, zesde, zevende en achtste lid, Beleidsregels standplaatsen] Omdat de vraag naar standplaatsen het aanbod overtreft wordt gewerkt met een wachtlijst. Bij ontvangst van een aanvraag om een vergunning wordt de aanvrager op de wachtlijst geplaatst. Daarbij wordt de volgorde van ontvangst van de aanvraag toegepast. In die volgorde worden de ontvangen vergunningaanvragen ook afgehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn de gevallen opgesomd wanneer de plaatsing op de wachtlijst vervalt. Ieder jaar moet voor 1 januari een verzoek worden gedaan om verlenging van de plaatsing op de wachtlijst. Als dat verzoek niet tijdig is gedaan vervalt de plaatsing op de wachtlijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.73 (voorschriften en beperkingen) [artikelen 4, eerste lid, en 6 Beleidsregels standplaatsen en standplaatsenbeleid] In afwijking van artikel 3.9 wordt een vergunning voor het innemen van een standplaats voor een periode van vijf jaar verleend. Deze tijdelijkheid van nieuw te verlenen vergunningen is een voortzetting van het bestaande beleid en maakt geen inbreuk op bestaande rechten van vergunninghouders. Vergunningen die in het verleden voor onbepaalde tijd zijn verleend behouden dus hun geldigheid. Op grond van artikel 3.72, vierde lid, kan ten hoogste een jaar voor het verstrijken van die termijn voor de daarop volgende periode een vergunning worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt ook verleend voor een vaste dag in de week. Op elke dag van het jaar mag een vaste standplaats worden ingenomen door een standplaatshouder. Hierop geldt een uitzondering voor de dinsdag als er weekmarkt wordt gehouden. Op die dag is het niet toegestaan een standplaats in te nemen bij de Lange Voort/Lijtweg/Irislaan. De vergunning wordt verleend aan een natuurlijk persoon. De vergunning wordt dus niet op naam gesteld van een bedrijf. Dit houdt onder andere verband met de verplichting van artikel 3.75, eerste lid, om de standplaats persoonlijk in te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen vergunning verleend voor het innemen van meerdere standplaatsen of voor het innemen van een vaste standplaats op meerdere dagen in de week. Hierop gelden de volgende uitzonderingen: het is bestaande standplaatshouders wel toegestaan om zowel op vrijdag als zaterdag dezelfde standplaats in te nemen (geldt niet voor opvolgers); de standplaatshouder op het Boerhaaveplein heeft toestemming gekregen om dezelfde standplaats in te nemen gedurende meerdere opeenvolgende dagen; de standplaats Klinkenbergplas is voor meerdere dagen beschikbaar voor het bevorderen of verlengen van recreatief verblijf; en voor een standplaats op de Irislaan is het toegestaan om deze zowel op donderdag als zaterdag in te nemen (geldt alleen voor de huidige vergunninghouder en zal niet worden toegestaan voor nieuwe vergunninghouders).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verlenen van vergunningen voor vaste standplaatsen spelen concurrentieverhoudingen en het economisch ordenen van het aanbod geen rol. In het toedelen van standplaatsen streeft de gemeente wel naar een gevarieerd aanbod als er meerdere standplaatsen in een tijdsbestek van een week in de directe omgeving van elkaar worden ingenomen. Bij de vergunningverlening wordt er dan ook naar gestreefd om per locatie en per week een standplaats te laten innemen door een bepaalde branche. Om dit mogelijk te maken is het vijfde lid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning voor een tijdelijke standplaats wordt voor ten hoogste 30 aaneengesloten dagen verleend. Voor ieder jaar moet een nieuwe vergunning worden verleend. Een vergunning kan niet voor meerdere jaren worden verleend. Hierop maakt het college op grond van het vierde lid over het algemeen de volgende uitzonderingen: onderzoekwagens, zoals voor het borstkankeronderzoek, kunnen vanwege het maatschappelijke en medische belang, toestemming krijgen om een standplaats voor langere tijd in te nemen; de poffertjeskraam heeft toestemming om gedurende zes weken te staan van Pasen tot en met Koningsdag, vanwege de vele evenementen en feestdagen in die periode; en de verkoop van seizoensgebonden producten, zoals kerstbomen en oliebollen, is gedurende een langere periode toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.74 (wijziging vergunninghouder) [artikel 5 Beleidsregels standplaatsen] Volgens artikel 3.7 geldt een vergunning alleen voor degene aan wie zij is verleend. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken. Voor vergunningen voor het innemen van een standplaats is van die afwijkingsmogelijkheid gebruik gemaakt. In dit artikel is namelijk bepaald dat op aanvraag de vergunning op naam kan worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die aanvraag kan worden ingediend door de vergunninghouder, de erfgenaam van de vergunninghouder als de vergunninghouder is overleden of de curator van de vergunninghouder als de vergunninghouder onder curatele is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het derde lid kan de vergunning alleen op naam worden gesteld van de echtgenoot of geregistreerde partner van de vergunninghouder, een kind van de vergunninghouder, een werknemer van de vergunninghouder die ten minste drie jaren in loondienst is geweest bij de vergunninghouder en de onderneming van de vergunninghouder heeft overgenomen of degene die ten minste drie jaren mede-eigenaar is van het bedrijf van de vergunninghouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.75 (persoonsgebonden en tijdelijke vervanging) [artikel 10 Beleidsregels standplaatsen] De standplaats mag alleen door de vergunninghouder persoonlijk worden ingenomen. Dat betekent dat de vergunninghouder de standplaats niet aan een ander in gebruik mag geven. De houder van de standplaats kan zich wel tijdelijk laten vervangen door een ander. Voor tijdelijke vervanging is toestemming vereist van het college. Het college verleent alleen toestemming als de vergunninghouder door ziekte of vakantie niet in staat is de standplaats in te nemen. De toestemming wordt altijd voor een bepaalde periode verleend. Bij ziekte van de vergunninghouder gaat het om een periode van ten hoogste zes maanden en bij vakantie om maximaal zes weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.76 (intrekking of wijziging van vergunning) [artikel 11 Beleidsregels standplaatsen] In artikel 3.8 zijn de algemene gronden geregeld waarop een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd. In aanvulling op die bepaling is in dit artikel geregeld dat de vergunning ook kan worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning niet meer kan worden gebruikt door werkzaamheden aan de weg of in de openbare ruimte, als de vergunninghouder gedurende drie aaneengesloten maanden geen gebruik maakt van de vergunning en daarvoor geen toestemming is verleend door de gemeente of als de vergunninghouder de leges, precario of vergoeding voor stroomgebruik niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-347-48\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Exploiteren van een terras</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.77 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het exploiteren van een terras waar tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrassen kunnen een grote invloed hebben op de leefbaarheid en bepalen in grote mate de kwaliteit van het straatbeeld. Een terras kan een positieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid en de aantrekkelijkheid van het dorp. Het versterkt de attractiviteit van winkelgebieden en verlevendigt het straatbeeld. Uiteraard dient overlast van terrassen voor de omgeving zoveel mogelijk te worden beperkt. Het is dan ook van belang om regels te stellen over het exploiteren van terrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terras kan zowel zijn gelegen op de openbare weg als op een eigen terrein. Van belang is het criterium dat er tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd. Het gaat dus om het bedrijfsmatig exploiteren van een terras. Daarmee worden de terrassen bij particuliere huishoudens uitgesloten van het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de regels in deze paragraaf zijn op het exploiteren van een terras ook de regels van de Algemene plaatselijke verordening 2021 (hoofdstuk 2, afdeling 4 over toezicht op openbare inrichtingen) en de Alcoholwet van toepassing. Bij de Algemene plaatselijke verordening gaat het dan om de aspecten openbare orde en veiligheid. In die verordening zijn ook de sluitingstijden van de terrassen geregeld. De Alcoholwet (voorheen: Drank- en Horecawet) is van belang als er alcoholhoudende dranken worden geschonken. Het is alleen toegestaan om alcoholhoudende dranken op een terras te verstrekken, als dit terras expliciet vermeld staat op de vergunning die is verleend op grond van de Alcoholwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.78 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 2:28a , eerste lid, APV 2020] Dit artikel wijst het exploiteren van een terras aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. Over het algemeen zal de houder van de openbare inrichting waar het terras onderdeel van uitmaakt ook de exploitant zijn van het terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.78a (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) [Terrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007] In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een vergunning moeten worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden heeft het college nodig om te kunnen beoordelen of de vergunning kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.79 (beoordelingsregel vergunning) [artikel 2:28a, tweede lid, APV 2020 enTerrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een terras, moet worden beoordeeld of het van toepassing zijnde bestemmingsplan dit toestaat. Terrassen mogen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, dan moet de vergunning in principe worden geweigerd. Als er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden ingediend (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op grond van artikel 3:20 Algemene wet bestuursrecht is de gemeente verplicht de aanvrager op de mogelijkheid van het aanvragen van de omgevingsvergunning te wijzen. In een dergelijk geval zal de gemeente bovendien vermelden dat de vergunning voor het exploiteren van het terras wordt aangehouden totdat een besluit is genomen over de aanvraag om de omgevingsvergunning. Dit heeft tot gevolg dat de vergunning voor het exploiteren van het terras niet wordt geweigerd zolang nog niet over de aanvraag om de omgevingsvergunning is beslist. Als binnen acht weken nadat het college de aanvrager op de mogelijkheid heeft gewezen van de omgevingsvergunning, er geen aanvraag is ingediend, dan zal de vergunning voor het exploiteren van het terras alsnog worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning wordt ook geweigerd als het terras zich niet bevindt in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020. Volgens dat artikel wordt onder een openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van het exploiteren van een terras voor een beperkte tijdsduur kan een vergunning ook worden verstrekt als het terras zich niet in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.80 (vergunningvoorschriften) [artikel 2.28a, derde lid] In dit artikel is bepaald dat aan een vergunning in ieder geval voorschriften kunnen worden verbonden over de afmetingen en situering van het terras en de voorzieningen en objecten die aanwezig mogen zijn op het terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorschriften over de afmetingen en situering kan worden gedacht aan het voorkomen van hinder voor het verkeer en het waarborgen van de ongehinderde doorgang voor hulpdiensten. Ook zullen de voorschriften kunnen gaan over het waarborgen van vrije doorgang voor voetgangers en de onbelemmerde toegang van bijvoorbeeld brandkranen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften over de voorzieningen en objecten kunnen gaan over de overkappingen, afscheidingen, parasols, zonneschermen, windschermen en meubelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het exploiteren van een terras kunnen ook andere regels die elders in deze verordening zijn opgenomen relevant zijn. Gedacht kan worden aan de plicht van artikel 3.33 om het ontstaan van zwerfafval te voorkomen en het verbod van artikel 3.30 om geluidhinder te veroorzaken met toestellen of geluidsapparaten. Op grond van laatstgenoemde bepaling is het dus niet toegestaan om op het terras muziek ten gehore te brengen als daarmee geluidhinder wordt veroorzaakt voor bijvoorbeeld omwonenden. Tot slot is ook de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 relevant, die bijvoorbeeld betekent dat het terras moet worden onderhouden en netjes moet worden gehouden om het aanzien van de openbare ruimte te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-348-49\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Reclame plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.81 (aanwijzing activiteiten) [hoofdstuk 1 reclamenota] In dit artikel is het op of aan een onroerende zaak reclame maken of voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakter en sfeer in de straten van Oegstgeest worden medebepaald door reclame-uitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemers doen hun best om bij de consument in beeld te komen. Reclame aan gevels of vrijstaand in de openbare ruimte bepaalt het aanzien en de beleving van een gebied. Voor de ondernemer heeft reclame een belangrijke functie: het bereiken van groot publiek. Reclame kan mooi en toch functioneel zijn en kan bijdragen aan een gezellig en levendig dorp. Maar reclame is ook een belangrijk beeldbepalend element in de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame kan een positieve invloed hebben op de kwaliteit en de beleving van de openbare ruimte, mits op verantwoorde wijze en goed gedoseerd toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is alleen van toepassing op het op of aan een onroerende zaak reclame maken of voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. Deze paragraaf gaat dus niet over het plaatsen van objecten met reclame op of aan de weg en bij standplaatsen. Die activiteiten zijn geregeld in de paragrafen 3.4.2 en 3.4.6. Ook is deze paragraaf niet van toepassing op het plaatsen van een voertuig met reclame op de weg. Dat valt namelijk onder paragraaf 3.4.5 (parkeerexcessen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.82 (verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame) [artikel 4:15 APV en par. 3.1 reclamenota] Artikel 7 van de Grondwet regelt de vrijheid van meningsuiting: ‘niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit grondrecht is niet van toepassing op het maken van reclame. Jurisprudentie wijst uit dat ideële reclame niet mag worden verboden, maar dat er wel regels mogen worden gesteld ter bescherming van welstand, verkeersveiligheid en overlast voor derden. Ook kan inmenging gerechtvaardigd worden geacht in het belang van de openbare veiligheid. Het verbod dat is geregeld in artikel 3.82 is daarmee in overeenstemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel buitensportverenigingen hebben reclame op of aan het clubhuis, de tribune(s) of om hun (hoofd)veld. Reclame rond sportvelden is aanvaardbaar, mits deze niet is gericht op de weg. Er mag geen reclame worden aangebracht die er vooral op gericht is gezien te worden vanaf de weg, door situering of afmetingen. De reclame moet dus gericht zijn op de bezoekers van de sportaccommodatie zelf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-349-50\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiken en veranderen van openbaar water en waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.83 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatswerken aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.84 (specifieke zorgplicht) [artikelen 5:24, eerste lid, en 5:28 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten waarover in deze paragraaf regels zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.85 (melding plaatsen voorwerpen) [artikel 5:24, tweede en derde lid, APV 2020] Dit artikel bevat een meldingsplicht voor het op, in of boven openbaar water aanleggen of in stand houden van een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter. De melding moet ten minste vier weken voor het begin ervan worden gedaan. Bij de melding moeten de gegevens worden verstrekt die in het tweede lid zijn opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.86 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5:25, tweede en derde lid, APV 2020] Het eerste lid wijst het innemen van een ligplaats met een vaartuig of het beschikbaar stellen van een ligplaats aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is. Deze vergunningplicht geldt alleen voor de gedeelten van het openbaar water die door het college zijn aangewezen. Die aanwijzing is gedaan met het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76489).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. Geen vergunning is vereist voor het innemen of beschikbaar stellen van een ligplaats (op de door het college aangewezen gedeelten van het openbaar water): buiten de periode vanaf Goede Vrijdag tot en met de herfstvakantie voor de regio Midden zoals geadviseerd door de rijksoverheid; als de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder is van het perceel waaraan de ligplaats grenst en het gaat om ten hoogste twee vaartuigen; of de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder van de ligplaats is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze paragraaf in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10 geen specifieke regels gesteld voor het beoordelen van vergunningaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.87 (ligplaatsen vaartuigen) [artikel 5:25, eerste en vierde lid, APV 2020] In het eerste lid is bepaald dat met een vaartuig alleen ligplaats mag worden ingenomen of ter beschikking mag worden gesteld in een door het college aangewezen gedeelte van het openbaar water. Die aanwijzing is gedaan met het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76489). Volgens het tweede lid gelden voor die regel dezelfde uitzonderingen als voor de vergunningplicht van artikel 3.86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het derde lid kan het college over het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats nadere regels en beperkingen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.88 (nakoming aanwijzingen) [artikel 5.25, zesde en zevende lid, APV 2020] Op grond van dit artikel is de rechthebbende op een vaartuig verplicht om de aanwijzingen op te volgen die door of namens het college worden gegeven bij het innemen van een ligplaats of bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT CULTUREEL ERFGOED</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-351-51\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.89 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.89 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.89 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels van artikel 3.93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. In dit artikel zijn de oogmerken opgenomen van de regels in deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-352-52\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.90 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel zijn het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument en het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.91 (specifieke zorgplicht) [artikel 13 Erfgoedverordening] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten waarover in deze paragraaf regels zijn gesteld. De formulering sluit aan bij artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat is gewijzigd met de Erfgoedwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.92 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 14 Erfgoedverordening] Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de Erfgoedverordening en de voorganger van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze paragraaf in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10 geen specifieke regels gesteld voor het beoordelen van vergunningaanvragen. Op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt zal rekening moeten worden gehouden met het gebruik van het monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.93 (overeenstemming over kerkelijke monumenten) [artikel 16 Erfgoedverordening] In dit artikel is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-353-53\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.94 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel zijn het slopen van bouwwerken of delen van bouwwerken in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.95 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 20, eerste, tweede en vijfde lid, Erfgoedverordening] In dit artikel is het slopen van een bouwwerk in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht aangewezen als vergunningplichtige activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht heeft als oogmerk om het straatbeeld te beschermen. Het sloopverbod is op de eerste plaats gericht op het voorkomen dat er open plekken ontstaan, waar eerst bebouwing stond, die bepalend was voor het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning voor een sloopactiviteit is niet vereist als het gaat om het slopen van een bouwwerk waarvoor ingevolge artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist. Daarbij gaat het om de categorieën van gevallen die zijn aangewezen in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Gedacht kan worden aan het slopen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn gesteld in artikel 2, derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. In de gevallen waarvoor een uitzondering geldt op de vergunningplicht verandert er niets aan het straatbeeld. Een andere uitzondering in die bijlage is gemaakt voor werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.96 (beoordelingsregels) [artikel 20, derde en vierde lid, Erfgoedverordening] Dit artikel bevat een specifieke regel voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regel geldt in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-354-54\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vangnet archeologie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.97 (vangnet archeologie) [artikel 23 Erfgoedverordening] Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming van archeologische waarden in beginsel ruimtelijk gewaarborgd. Voor nagenoeg het gehele grondgebied van Oegstgeest gelden nu bestemmingsplannen, waarin een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” rekenschap geeft aan aanwezige of mogelijk aanwezige archeologische waarden. Er is nog een enkele locatie waar dit niet voor geldt. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij eventuele nadere regels van het college op grond van het derde lid over het verrichten van archeologisch onderzoek kan gedacht worden aan regels met betrekking tot een programma van eisen of een plan van aanpak.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3.6 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT FLORA EN FAUNA</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-361-55\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.98 (oogmerken) [artikel 6, tweede lid, Bomenverordening] Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten met betrekking tot flora en fauna in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.98 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.98 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. In dit artikel zijn de oogmerken opgenomen van de regels in deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-362-56\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.99 (aanwijzing activiteiten) [artikelen 3, derde en vierde lid, en 5, vierde en vijfde lid, Bomenverordening] In dit artikel is het vellen van houtopstanden aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afbakening met de rijksregels over het vellen van houtopstanden is geregeld in artikel 1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.100 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen,monumentale of waardevolle houtopstand) [artikel 3, eerste en tweede lid, Bomenverordening] Dit artikel wijst het vellen van een monumentale of waardevolle houtopstand aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is. Het gaat daarbij om houtopstanden die als monumentaal of waardevol zijn opgenomen op de bomenlijst die op grond van artikel 2.12 is vastgesteld door het college (zie de begripsomschrijvingen van monumentale houtopstand en waardevolle houtopstand i bijlage I en artikel 2.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘vellen’ wordt volgens bijlage I verstaan rooien, kappen, verplanten, snoeien van meer dan 20 procent van de boomkroon of het wortelgestel, met inbegrip van de eerste maal kandelaberen of knotten, of het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van een houtopstand kunnen veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. Geen vergunning is verplicht voor bijvoorbeeld het vellen van houtopstand dat is vereist op grond van de Plantenziektenwet of velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.101 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen,overige houtopstand) [artikel 5 Bomenverordening] Het eerste lid wijst het vellen van een andere dan een monumentale of waardevolle houtopstand aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. Het moet dan wel gaan om: een boom met een stamdiameter van ten minste 15 cm in een boomgebied; hakhout dat deel uitmaakt van een boomgebied; houtopstand aangeplant op grond van de artikelen 3.105 en 3.106; of houtopstand aangelegd op grond van een anterieure overeenkomst die de gemeente heeft gesloten met een andere partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een anterieure overeenkomst leggen de gemeente en een particuliere partij afspraken vast over het ontwikkelen (bebouwen) van een bepaald perceel. Het perceel is in eigendom bij de private partij en die wil voor eigen rekening en risico ontwikkelen. Een anterieure overeenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst waarmee de private partij zich verplicht tot het betalen van een bijdrage in de kosten die de gemeente moet maken om de grondexploitatie mogelijk te maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen en openbare voorzieningen en aanpassing van het bestemmingsplan. Daarnaast wordt in een anterieure overeenkomst vaak vastgelegd dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het uit te betalen bedrag aan planschade. In een dergelijke overeenkomst worden soms ook afspraken gemaakt over het aanleggen van houtopstanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze waarop de stamdiameter moet worden gemeten is geregeld in artikel 3.112.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. De uitzonderingen die gelden op de vergunningplicht van artikel 4.100, eerste lid, zijn ook hier van toepassing. Daarnaast gelden bijvoorbeeld ook uitzonderingen voor velling op basis van een goedgekeurd vervangingsplan van houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente en voor het vellen van houtopstanden die eigendom zijn van de Stichting ‘Het Zuid-Hollands Landschap’ of waarvan die stichting de zakelijk gerechtigde is, in opdracht van die stichting en op basis van een door het college goedgekeurd beheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingen in het tweede lid onder d, zijn hetzelfde als de uitzonderingen die zijn gemaakt in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving en die zullen gelden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.102 (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) [artikel 7 Bomenverordening (uitgebreid met gegevens en bescheiden van artikel 11.127 Bal] In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een vergunning moeten worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden heeft het college nodig om te kunnen beoordelen of de vergunning kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.103 (beoordelingsregels) [artikelen 4 en 6 Bomenverordening] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid Bij vaststelling van de bomenlijst is voor de monumentale en waardevolle houtopstanden getoetst aan de waarden, bedoeld in artikel 3.98. In het eerste en tweede lid staan daarom geen criteria voor vaststelling van nieuwe waarden waarop de omgevingsvergunning kan worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de reden van velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand op grond van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, dan kan dit een grondslag voor het bevoegd gezag zijn om de omgevingsvergunning te verlenen. Het gaat dan om de vordering tot verwijdering van een houtopstand die te dicht bij de erfgrens staat. De minimale afstand tot de erfgrens is in artikel 3.111 vastgesteld op 0,5 m voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Voor houtopstanden die voor 20 juni 2020 (inwerkingtreding van de Bomenverordening Oegstgeest 2019) zijn aangeplant en die tevens vermeld staan op de groene kaart of de bomenlijst of waarvoor het verbod geldt van artikel 3.101, is deze afstand ook nihil. In artikel 3.112, tweede lid, is bepaald dat de afstand tot de erfgrens wordt gemeten vanaf het hart van de stam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Anders dan bij de monumentale en waardevolle houtopstanden is niet eerder getoetst aan de waarden, bedoeld in artikel 3.98. Dat zal dan ook moeten worden gedaan voordat een vergunning kan worden verleend. De waarden van de houtopstand worden afgewogen tegen de belangen die zijn gediend bij het vellen. Die belangen zijn niet specifiek omschreven in het derde lid. Het zou bijvoorbeeld kunnen gaan om noodkap, ernstige schade of slechte toekomstverwachtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.104 (termijn vergunning) [artikel 9 Bomenverordening] Artikel 3.9 bepaalt dat een vergunning geldt voor onbepaalde tijd. In dit artikel is in afwijking daarvan geregeld dat een vergunning voor het vellen van een houtopstand voor een periode van drie jaar geldt. Als die termijn is verstreken is het niet meer toegestaan om de vergunde activiteit te verrichten of voort te zetten. Uiteraard kan inmiddels wel een nieuwe vergunning zijn verleend zodat met het vellen kan worden begonnen of kan worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.105 (vergunningvoorschriften) [artikel 10 Bomenverordening] In dit artikel is geregeld welke typen aan voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 3.106 tot en met 3.109 [artikelen 11, tweede tot en met zevende lid, 13, eerste en tweede lid, en 14 Bomenverordening]</p></div>", "next": 239573}