{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, kan een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie indienen met het oog op de verkleining van het areaal waarvoor de subsidie wordt verstrekt, als die verkleining het gevolg is van de realisatie van een werk van algemene nutte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie indienen, als hij als gevolg van omstandigheden als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 de subsidieverplichtingen niet langer kan nakomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Gedeputeerde Staten trekken de desbetreffende subsidie voor het betreffende deel in en stellen haar naar evenredigheid vast als voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer kan een aanvraag indienen tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie, als hij op het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt, maatregelen treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid intrekken vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, van start gaan, en de subsidie naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk vaststellen, als: de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het natuurbeheerplan is toegestaan; de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een versterkte bescherming van de natuur, én de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes jaar na afronding van de inrichtingsmaatregelen, bedoeld in artikel 11 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap provincie Utrecht, beheer gericht op de instandhouding van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige verordening heeft aangevraagd en ontvangt. De hiervóór bedoelde subsidieaanvraag wordt ingediend in de eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 14c van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap provincie Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een subsidieontvanger subsidie ontvangt op grond van een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, tweede volzin, en de beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken omdat de subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de in het tweede lid, onderdeel c, eerste volzin, bedoelde instandhoudingsplicht weer van toepassing tot de termijn van zes jaar na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, wijzigen als dit ingevolge artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, intrekken met ingang van het moment waarop zich de situatie als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 voordoet en de subsidie naar evenredigheid ambtshalve vaststellen als de subsidieontvanger een wijziging ingevolge het eerste lid niet aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontvanger van een subsidie organisatiekosten kan jaarlijks een aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk op 31 oktober voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de wijziging wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van: een onderbouwing van de wijziging; een gewijzigd activiteitenplan, én een gewijzigde begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve de minimale oppervlakte, bedoeld in de artikelen 4.1.2.3, onderdeel a, en 5.1.4.4, onderdeel a, verlagen. de in het eerste lid bedoelde verlaging gaat in met ingang van het beheerjaar waarin de subsidieontvanger niet langer voldoet aan de minimale oppervlakte, bedoeld in de artikelen 4.1.2.3, onderdeel a, en 5.1.4.4, onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten maken geen gebruik van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid indien de verlaging ertoe zou leiden dat de minimale oppervlakte kleiner wordt dan de minimumoppervlakte die behoort bij het agrarische beheerpakket onderscheidenlijk beheerpakket landschap met de kleinste omvang dat de subsidieontvanger in het betreffende beheerjaar behoorde uit te voeren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Certificering</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.1 Certificering</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot certificering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegdheid tot certificering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Wie kunnen worden gecertificeerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Voor een certificaat natuurbeheer komen in aanmerking begunstigden als bedoeld in de artikelen 3.1.3, eerste lid, onderdeel a, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onverminderd de verdere bepalingen in deze paragraaf komen begunstigden als bedoeld in het eerste lid slechts in aanmerking voor een certificaat natuurbeheer indien: zij in totaal ten minste 5 hectare natuurterrein of landschapselementen binnen natuurterrein beheren, óf de in artikel 8.1.2a bedoelde aanvraag vergezeld gaat van een kwaliteitshandboek volgens het model van de Federatie Particulier Grondbezit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer komen in aanmerking begunstigden als bedoeld in de artikelen 3.1.3, eerste lid, onderdeel b, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Onverminderd de verdere bepalingen in deze paragraaf komen begunstigden als bedoeld in het derde lid slechts in aanmerking voor een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer indien: de in de artikelen 3.1.3, eerste lid, onderdeel b, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen in totaal ten minste 5 hectare natuurterrein of landschapselementen binnen natuurterrein beheren, óf de in artikel 8.1.2a bedoelde aanvraag vergezeld gaat van een kwaliteitshandboek volgens het model van de Federatie Particulier Grondbezit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voor een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer komen in aanmerking rechtspersonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.2a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag certificering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag tot verlening van een certificaat als bedoeld in artikel 8.1.1 gaat vergezeld van: naam en adresgegevens van de aanvrager; een kwaliteitshandboek van de aanvrager, met daarin een beschrijving van de elementen uit de bedrijfsvoering, zoals beschreven in het Programma van Eisen Kwaliteitshandboek Natuurbeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-813\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Certificeringsvoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat afgeven als is voldaan aan de voorwaarden, opgenomen in het corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen Kwaliteitshandboek Natuurbeheer, zoals dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld en gepubliceerd in het Provinciaal Blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-814\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aan certificering verbonden verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een houder van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat: draagt er zorg voor dat hij blijft voldoen aan de certificeringsvoorwaarden die behoren bij het aan hem afgegeven certificaat; draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de certificeringsvoorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-815\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing en intrekking certificaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat voor een door hen te bepalen termijn schorsen als de houder van het certificaat niet voldoet aan één of meerdere certificeringsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat intrekken als: na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de houder van het certificaat nog steeds niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde; blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, de houder van het certificaat opnieuw niet voldoet aan de betreffende certificeringsvoorwaarde; de houder van het certificaat opzettelijk een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een subsidie, bedoeld in de artikelen 3.1.1, 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, of 6.1, of willens en wetens heeft meegewerkt aan het indienen van een onjuiste aanvraag ter verkrijging door een landbouwer van een in artikel 4.1.2.4 bedoelde toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De certificering wordt niet geschorst of ingetrokken als het niet voldoen aan de betreffende certificeringsvoorwaarde het gevolg is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-816\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtsgevolgen intrekken certificaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als Gedeputeerde Staten een certificaat natuurbeheer of een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer intrekken dat is afgegeven aan: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, respectievelijk een samenwerkingsverband dat, een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, ontvangt, wordt met ingang van de datum van intrekking van het certificaat de beschikking dan wel de beschikkingen tot verlening van die subsidie of subsidies ingetrokken, waarbij die subsidie of subsidies naar evenredigheid worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing als de voormalig gecertificeerde begunstigde binnen acht weken na de datum van intrekking van het certificaat verzoekt de betreffende subsidieverlening met ingang van die datum te wijzigen in een subsidieverlening op basis van de rechten en plichten zoals die voor niet-gecertificeerde begunstigden gelden, mits de subsidieverlening waarop het wijzigingsverzoek ziet een oppervlakte betreft van minder dan 75 hectare..</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als Gedeputeerde Staten een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer intrekken, draagt de voormalig gebiedscoördinator zijn werkzaamheden en de daarop betrekking hebbende stukken in goede orde over aan een door Gedeputeerde Staten aangewezen gebiedscoördinator of ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-817\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Mandaat Stichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Besluiten tot het afgeven, schorsen of intrekken van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat worden namens Gedeputeerde Staten genomen door het bestuur van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van artikel 11.1 wordt het toezicht op de naleving van de aan het betreffende certificaat verbonden certificeringsvoorwaarden namens Gedeputeerde Staten uitgeoefend door het bestuur van de Stichting Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.2 Vervalt</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Collectief beheerplan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vaststelling collectief beheerplan of wijziging daarvan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gebiedscoördinator kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen tot vaststelling van: een collectief beheerplan; een wijziging van een op grond van artikel 9.2 vastgesteld collectief beheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Goedkeuring collectief beheerplan of wijziging daarvan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen een collectief beheerplan dan wel een wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan vaststellen als: de aanvraag tot vaststelling is ingediend door een gebiedscoördinator die het beheer in het betreffende gebied coördineert; de aanvraag tot vaststelling uiterlijk op 15 december voorafgaand aan een beheerjaar is ingediend; het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan past binnen het natuurbeheerplan zoals dat zes weken vóór indiening van de in artikel 9.1 bedoelde aanvraag geldt, én het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een aanvraag als bedoeld in het eerste lid tot uiterlijk 1 februari van een beheerjaar worden aangepast, voor zover in die aangepaste aanvraag in vergelijking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag: geen nieuwe begunstigden zijn opgenomen, tenzij: het een geval van overdracht van een subsidie als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, betreft, én de overgedragen subsidie werd verstrekt in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer onderscheidenlijk collectief landschapsbeheer; geen vergrotingen van het areaal als bedoeld in artikel 7.5, derde lid, zijn opgenomen die de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a, overstijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid dient een aanpassing als bedoeld in dat lid in overeenstemming te zijn met de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor zover Gedeputeerde Staten de kaarten, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel B, goedkeuren, leggen zij dat vast door middel van een elektronische kaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen c en d, onderscheidenlijk het derde lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10 Verlaging jaarvergoeding en subsidies</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-naleving subsidieverplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie verbonden verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 3.1.7, tweede lid en 5.1.2.4, tweede lid, overeenkomstig de Beleidsregels verlagen subsidie POP2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie of toeslag verbonden verplichtingen, niet zijnde de in artikel 10.2 bedoelde verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten: de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede lid, en 5.1.3.4, tweede lid; de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid; . het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld, overeenkomstig: artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1975/2006, indien de omvang van het uitgevoerde agrarisch beheerpakket, het uitgevoerde beheerpakket landschap of de oppervlakte van de landbouwgrond waarop wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan een de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, of een probleemgebiedensubsidie, kleiner is dan de omvang waarvoor die subsidie of toeslag is verleend; artikel 18 van Verordening 1975/2006 en, voor zover ruimte resteert voor de toepassing daarvan, “de Beleidsregels verlagen subsidie POP2, indien de niet-naleving een andere verplichting betreft als bedoeld onder i. of in artikel 10.2, voor zover het een in de aanhef bedoelde subsidie betreft die gedeeltelijk wordt gefinancierd met Europese middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De in het tweede lid, onder i. en ii. genoemde artikelen en beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in de aanhef van het tweede lid die niet geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Niet naleving randvoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Gedeputeerde Staten verlagen: de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede lid, en 5.1.3.4, tweede lid; de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid; het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld, overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1975/2006 en, voor zover ruimte resteert voor de toepassing daarvan, de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006, als de ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, in dat beheerjaar of kalenderjaar niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel b, de onderscheiden subonderdelen van bijlage 7, onderdeel C, artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie agrarisch natuurbeheer, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, die niet gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese middelen, voor zover niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Niet nalevingen en overdracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Als een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig artikel 7.3, eerste lid, is overgedragen aan een derde, wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als aan de verplichting niet is voldaan door de oorspronkelijke subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Als een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, overeenkomstig artikel 7.3, tweede lid, is overgedragen aan een derde, wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als aan de verplichting niet is voldaan door de oorspronkelijke subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Als een ontvanger van een probleemgebiedensubsidie de landbouwgrond waarvoor hij die subsidie ontvangt ná de peildatum overdraagt aan een derde, worden door die derde in dat kalenderjaar begane schendingen van de aan de probleemgebiedensubsidie verbonden verplichtingen toegerekend aan de subsidieontvanger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gevolgen niet-nalevingen voor de subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de subsidies, bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2, houden Gedeputeerde Staten rekening met verlagingen die ingevolge die artikelen zijn opgelegd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11  Controle</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht op naleving subsidieverplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de bij besluit van Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaren belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigingen door GS</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De bijlagen kunnen door Gedeputeerde Staten worden gewijzigd of ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Gedeputeerde Staten kunnen deze verordening wijzigen na overleg met de minister en de overige provinciebesturen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken PSN en PSAN</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007 en de hoofdstukken 5 en 6 van de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007 wordt, voor zover in het eerste lid niet anders is bepaald, ingetrokken open nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Uitdienen onder bestaande voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007 en de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007 blijven in stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de verordeningen, genoemd in het eerste lid, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste en het tweede lid zijn slechts van toepassing voor zover de beschikking tot subsidieverlening op grond van de in die leden genoemde regelingen niet overeenkomstig artikel 12.3 is gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van het onderhavige artikel respectievelijk artikel 34, tweede lid, van de Regeling inrichting landelijk gebied van de minister, is zijn artikel 1.12, tweede en vijfde lid, zoals dat artikel vanaf 1 januari 2010 luidt, van overeenkomstige toepassing voor zover subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van één of meerdere beheerspakketten zoals opgenomen in: de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007, respectievelijk de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister, voor zover de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen op grond van artikel 4 van de Regeling inrichting landelijk gebied van de minister door Gedeputeerde Staten zijn overgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijwillig overstappen mogelijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van een ontvanger van één of meerdere subsidies op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Provincie Utrecht of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, die subsidies omzetten in één subsidie op basis van de onderhavige verordening, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de aanvraag heeft betrekking op alle beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid genoemde regelingen; voor het beheers- of landschapspakket bestaat een equivalent natuurbeheertype onderscheidenlijk landschapselement als bedoeld in de onderhavige verordening; de omzetting is in overeenstemming met het natuurbeheerplan en de voorwaarden van de onderhavige verordening; de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode , én de omzetting geschiedt voor een geheel nieuwe periode als bedoeld in artikel 3.1.2 onderscheidenlijk artikel 5.1.1.2, waarbij die periode slechts kan ingaan op 1 januari.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of artikel 5 van de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007, kan de ontvanger van die subsidie slechts een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen voor zover: hij aangemerkt kan worden als een samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel b, of artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b; hij dit schriftelijk is overeengekomen met de betreffende beheerder, én in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag betrekking heeft op alle beheerseenheden van de in onderdeel b van het onderhavige lid bedoelde beheerder die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid genoemde regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een beheerder als bedoeld in het tweede lid kan voor de door hem beheerde beheerseenheden een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen, mits: hij dit schriftelijk is overeengekomen met de ontvanger van de betreffende subsidie, én onverminderd de verdere voorwaarden in het eerste lid, de aanvraag betrekking heeft op al zijn beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt verleend op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het eerste tot en met derde lid een in het eerste lid bedoelde aanvraag indient voor een in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007 opgenomen landschapselement dat wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 56 van die regelingen, dan dient dat raster eveneens in de in het eerste lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van een ontvanger van één of meerdere subsidies op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer Provincie Utrecht of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, die subsidies omzetten in één subsidie op basis van de onderhavige verordening, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. de aanvraag heeft betrekking op alle beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid genoemde regeling; voor het beheers- of landschapspakket bestaat een equivalent agrarisch beheerpakket onderscheidenlijk beheerpakket landschap overeenkomstig bijlage 8 van de onderhavige verordening; de omzetting is in overeenstemming met het natuurbeheerplan en de overige voorwaarden van de onderhavige regeling; de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode; de omzetting geschiedt voor een geheel nieuwe periode als bedoeld in artikel4.1.1.2 onderscheidenlijk artikel 5.1.1.2, waarbij die periode slechts kan ingaan op 1 januari 6 Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het vijfde lid een in dat lid bedoelde aanvraag indient voor een in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007 opgenomen landschapselement dat wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 46 van die regeling, dan dient dat raster eveneens in de in het vijfde lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 In afwijking van het eerste respectievelijk vijfde lid: kunnen beheerders als bedoeld in artikel 21 van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, artikel 18 van de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007 respectievelijk artikel 24 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007 geen aanvragen als bedoeld in het eerste respectievelijk vijfde lid indienen; kan, indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals bedoeld in artikel 5 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007, niet de ontvanger van de betreffende subsidie, maar de in die bepaling bedoelde beheerders, elk voor de door hem beheerde beheerseenheden, de in het vijfde lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag indienen, mits: zij dit schriftelijk overeenkomen met de ontvanger van de betreffende subsidie, én, onverminderd de verdere voorwaarden in het zevende lid, de aanvraag betrekking heeft op al zijn beheerseenheden die in hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt verleend op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Gedeputeerde Staten kunnen in een besluit als bedoeld in artikel 1.3 opnemen dat de omzetting danwel wijziging van de beschikking tot subsidieverlening zoals bedoeld in het onderhavige artikel voor bepaalde basis-, plus-, beheers- of landschapspakketten, categorieën van begunstigden of gebieden is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Een subsidieontvanger als bedoeld in het eerste lid die voor het begrotingsjaar 2011 een aanvraag als bedoeld in dat lid heeft ingediend welke slechts gedeeltelijk is goedgekeurd, kan voor het begrotingsjaar 2012 nogmaals een aanvraag indienen tot uitbreiding van de beschikking tot subsidieverlening op basis van de onderhavige verordening met die afgewezen beheerseenheden, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: de afwijzing was gebaseerd op het feit dat niet voldaan werd aan het eerste lid, onderdeel c, of het negende lid van het onderhavige artikel zoals dat lid vóór 1 september 2011 luidde, dan wel het gevolg van uitputting van het subsidieplafond voor het begrotingsjaar 2011; de aanvraag tot uitbreiding voldoet inmiddels wél aan de voorwaarden van het eerste lid, met dien verstande dat de omzetting, in afwijking van het eerste lid, onderdeel e, geschiedt voor de resterende duur van de in artikel 3..2 bedoelde periode, waarbij die uitbreiding slechts kan ingaan op 1 januari 2012.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Langere subsidieperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een begunstigde na de einddatum van een subsidie op grond van: de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer provincie Utrecht 2007; de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister; de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007; de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister; een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer wenst te ontvangen, kunnen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidie slechts verstrekken als: in afwijking van de artikelen 3.1.2, 4.1.1.2 en 5.1.1.2, de begunstigde zich ertoe verbindt de aan de subsidie natuurbeheer, de subsidie agrarisch natuurbeheer of de subsidie landschapsbeheer verbonden verplichtingen eveneens te zullen naleven gedurende de periode, gelegen tussen de einddatum van de subsidie op grond van de hiervoor genoemde regelingen en de datum waarop de subsidie natuurbeheer, de subsidie agrarisch natuurbeheer of de subsidie landschapsbeheer zou zijn ingegaan indien geen verlenging van die periode zou hebben plaatsgevonden; het beheer dat op grond van de onderhavige verordening gevoerd wordt een voortzetting is van het beheer dat gevoerd werd op grond van de hiervoor genoemde regelingen, tenzij die regelingen geen soortgelijkbeheer kennen, én de aanvraag zo spoedig als op grond van de onderhavige verordening mogelijk is, wordt ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet gecertificeerden tot 1 januari 2015</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een begunstigde als bedoeld in de artikelen 3.1.3, eerste lid, of 5.1.2.1, eerste lid, die een aanvraag indient voor een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt als ware hij gecertificeerd begunstigde, mits hij uiterlijk 15 november 2013 een aanvraag tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het aanmerken van de begunstigde als ware hij gecertificeerd begunstigde eindigt op de datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een rechtspersoon die een aanvraag indient tot vaststelling van een collectief beheerplan wordt aangemerkt als ware hij gebiedscoördinator, mits hij uiterlijk 1 januari 2011 een aanvraag tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het aanmerken van de rechtspersoon als ware hij gebiedscoördinator eindigt op de datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Artikel 8.1.6, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing indien Gedeputeerde Staten de in het eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen, met dien verstande dat het in het tweede lid van artikel 8.1.6 bedoelde verzoek, in afwijking van de tekst van dat onderdeel, uiterlijk binnen acht weken na de afwijzing van de aanvraag wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Artikel 8.1.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien Gedeputeerde Staten de in het tweede lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Als er in een gebied geen gebiedscoördinator of een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid beschikbaar is, kan tot en met 31 december 2013 een daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaar optreden als gebiedscoördinator.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.6a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsregime certificering SBB</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.7a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 september 2011 blijft artikel 1.1, onderdeel n, van toepassing zoals dat artikel vóór die datum luidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 september 2011 blijft de Index natuur en landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde, met uitzondering van de pakketten L01.02 en A01.02.01.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Op een niet-naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, die is geconstateerd vóór 1 januari 2011, blijft artikel 10.2, eerste lid, van toepassing zoals dat artikel vóór 1 april 2011 luidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Op aanvragen voor het uitvoeren van de agrarische beheerpakketten met de aanduiding A01.01.05b, A02.01.03, A01.04.01.Lb en A01.04.02.Lb die zijn ingediend vóór 1 september 2012 blijft de Index natuur en landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Op aanvragen voor een probleemgebiedenvergoeding die vóór 1 april 2013 zijn ingediend blijven artikel 1.8, tweede lid, en paragraaf 4.2 van toepassing zoals dat artikel, onderscheidenlijk die paragraaf, tot 1 september 2012 luidden 6 Op aanvragen voor subsidies natuurbeheer, subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer binnen of buiten natuurterreinen die zijn ingediend vóór 1 september 2013 blijven de bepalingen van onderscheidenlijk hoofdstuk 3, afdeling 4.1.1, afdeling 5.1.2 en afdeling 5.1.3 van toepassing zoals dezen tot die datum luidden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 In afwijking van het zesde lid dient een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer die in aanmerking wenst te komen voor de toeslag ruige stalmest, bedoeld in artikel 4.1.1.8, tweede lid, zoals die bepaling tot 1 september 2013 luidde, daartoe met ingang van 1 januari 2014 te voldoen aan de voorwaarden, opgenomen in bijlage 7, onderdeel c, subonderdeel 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Op aanvragen voor het uitvoeren van het agrarisch beheerpakket met de aanduiding A01.01.03 die zijn ingediend voor 1 september 2014 blijft de Index natuur en landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Op aanvragen voor het uitvoeren van de agrarische beheerpakketten met de aanduiding A01.02.01 en A01.02.02 die zijn ingediend voor 1 september 2014 blijft de Index natuur en landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Op aanvragen voor het uitvoeren van het landschapspakket L01.04 die zijn ingediend voor 1 september 2014 blijft de Index natuur en landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.8</span><span class=\"lf-art-t\">Goedkeuring Europese Commissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Subsidies of voorschotten daarop worden verstrekt onder het voorbehoud van goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De beslissing tot verstrekking van een subsidie of een voorschot daarop kan worden ingetrokken of gewijzigd ter verkrijging van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de onderhavige verordening, of wegens het uitblijven daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.9</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en vervalt met ingang van 1 januari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid treden de volgende onderdelen pas op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip in werking: de artikelen 1.9, tweede lid, 5.1.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 12.2 voor zover dat artikel verwijst naar de Subsidieregeling natuurbeheer provincie Utrecht 2007 of op grond van die regeling ingediende aanvragen, en 12.3; de hoofdstukken 3 en 6; afdeling 5.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.10</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de vergadering van provinciale staten van Utrecht van 20 april 2009. R.C. ROBBERTSEN, voorzitter. L.C.A.W. GRAAFHUIS, griffier. Uitgegeven 3 juli 2009 Gedeputeerde Staten van Utrecht, namens hen H.H. SIETSMA, secretaris Provinciaal Blad, 2407 van 2014 ToelichtingSubsidieverordening natuur- en landschapsbeheerBij de decentralisatie van Programma Beheer als onderdeel van het Investeringsbudget Landelijk Gebied ILG per 1 januari 2007 hebben de provincies twee subsidieregelingen vastgesteld: de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer (PSN) en de Provinciale Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (PSAN). Deze provinciale regelingen waren de opvolgers van de tot dat moment geldende nationale subsidieregelingen voor natuurbeheer (SN) en agrarisch natuurbeheer (SAN) en daar ook in belangrijke mate op gebaseerd. Omdat die regelingen werden ervaren als ingewikkeld, rigide en gedetailleerd met te weinig mogelijkheden voor regionaal maatwerk, is bij de overgang afgesproken dat de provincies zich zullen inspannen om een nieuw, vereenvoudigd stelsel voor natuurbeheer in te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het IPO heeft daartoe in oktober 2007 een strategische visie ontwikkeld. Op basis daarvan is in nauw overleg met alle betrokkenen (LNV, terreinbeherende organisaties, organisaties van particulier en agrarische natuurbeheer, DLG, DR) gewerkt aan de totstandkoming van een nieuw stelsel en een daarop gebaseerd model voor een nieuwe Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer, die in de plaats komt van de huidige PSN en PSAN. Het nieuwe stelsel gaat uit van een samenspel van alle bij het beheer van het landelijk gebied betrokken partijen die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de natuur(kwaliteit): • Agrarische natuurbeheerders (ondernemers en particulieren, die natuurbeheer uitoefenen op gronden met een landbouwkundig gebruik); • Terreinbeherende organisaties (TBO's: stichtingen en verenigingen, die professioneel natuurbeheer als hoofddoel hebben, zoals Natuurmonumenten, de Provinciale Landschappen en Staatsbosbeheer); • Natuurbeheerders niet zijnde TBO's (particulieren, stichtingen, gemeenten, etc. die natuurterreinen beheren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijke taal voor natuur en landschap: de Index voor natuur en landschap. In gemeenschappelijk overleg tussen beheerdersorganisaties en de overheid (IPO/LNV) is een nieuwe, uniforme en sterk vereenvoudigde “natuurtaal” tot stand gekomen, die van groot belang is voor goede afstemming tussen beheerders (onderling) en overheden. De Index natuur en landschap is het instrument voor de sturing op doelen, de financiering van het natuur- en landschapsbeheer en de monitoring. De Index bestaat uit de onderdelen natuur (N), agrarische natuur (A) en landschapselementen (L). Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in doelen (natuurtypen, agrarische natuurtypen en landschapselemententypen) en beheertypen (natuurbeheertypen, agrarische beheertypen en landschapsbeheertypen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsaanduidingen vinden plaats op het niveau van beheertypen. Deze beheertypen zijn een onlosmakelijk verbonden met de onderhavige verordening (bijlage1).Sturen op natuurdoelen via natuurbeheerplanCentraal in het nieuwe stelsel staat het natuurbeheerplan. Dat heeft ten opzichte van zijn voorgangers (natuurgebiedsplan, beheergebiedsplan en landschapsbeheerplan), een prominentere rol bij de sturing van doelen, de financiering van de maatregelen, de (procesmatige) voorwaarden voor subsidieverlening, monitoring en evaluatie. Aan de hand van de Index natuur en landschap (beheertypen) wordt per gebied concreet aangegeven welke rijks- en provinciale natuurdoelen worden nagestreefd en welke voorwaarden daarbij gelden om voor een beheervergoeding in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is het voor de subsidieaanvrager vooraf helder welke gebieden en doelen in aanmerking komen voor subsidie. Via de jaarlijkse openstellingsbesluiten geeft de provincie aan hoeveel budget er beschikbaar is. De provincie kan in het natuurbeheerplan via een contour gebieden aanwijzen waarin zij onderlinge afstemming en samenwerking tussen beheerders noodzakelijk acht. Dat doet zij bijvoorbeeld op basis van de problematiek en de opgaven in een bepaald gebied of vanwege de beoogde effectiviteit van het beheer. Bij beheervormen die een gebiedsgerichte aanpak vereisen (landschapselementen en bij dynamisch beheer van weidevogels, akkervogels en ganzen) kan een collectief beheerplan worden gevraagd van de betrokken beheerders in het gebied met een belangrijke rol voor een gecertificeerde ANV of Stichting Landschapsbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de eerste generatie natuurbeheerplannen (vanaf 1-1-2010) zullen in ieder geval de aanduidingen in de bestaande natuur- en beheergebiedsplannen ‘technisch’ omgezet worden naar de definities van de nieuwe typologie van de Index natuur en landschap. Vanaf 2010 zal worden gewerkt aan de tweede generatie natuurbeheerplannen, waarin meer aandacht zal worden geschonken aan de natuurkwaliteit.Onderscheid beheer en kwaliteitsimpulsenIn het nieuwe stelsel wordt een onderscheid gemaakt tussen beheer van bestaande (agrarische ) natuur en kwaliteitsimpulsen. De subsidie voor het beheer van de (agrarische) natuur wordt via deze verordening direct geregeld tussen beheerder en provincie. De kwaliteitsimpulsen (inrichting, zware kwaliteitsinvesteringen en functieverandering) verlopen via het gebiedsgerichte proces en worden volgens de ILG systematiek gefinancierd via de provinciale ILG Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen worden door de provincie getoetst aan het rede pMJP en de doelen in het natuurbeheerplan. Het budget voor inrichting en functie verandering uit het huidige Programma Beheer zal worden toegevoegd aan het integrale ILG-budget onder het pMJP. Daarvoor wordt de ILG-verordening aangepast via een IPO model wijziging.Kwaliteitsborging via certificering en controleEr wordt een onderscheid gemaakt tussen wel of niet gecertificeerde beheerders. Certificering biedt de overheid vertrouwen in de kwaliteit en professionaliteit van de beheerders om kwalitatief goed beheer uit te voeren en transparant te zijn over de werkwijze. Dit vertaalt zich ook in een reductie van controle- en administratieve lasten bij beheerder en overheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Certificering kan via een individueel certificaat (bijv: Natuurmonumenten, Provinciale Landschappen, particuliere beheerders) of via groepscertificering (bijv: Unie van Bosgroepen en ANV’s), waarbij een deel van het werkproces van de beheerder wordt overgenomen en er op wordt toe gezien dat de aangesloten beheerders het afgesproken beheer uitvoeren. In beginsel kunnen alle beheerders in aanmerking komen voor (groeps)certificering. De kwaliteit van het natuurbeheer wordt vervolgens gewaarborgd via een periodieke audit, waarbij de processen, beschreven in het certificaat, worden gecontroleerd. Voor agrarisch natuurbeheer zijn de voordelen van certificering beperkt, omdat agrarisch natuurbeheer deels wordt gefinancierd vanuit het Europese POP-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de Europese verordening 1975/2006 inzake de controles bij agrarisch natuur- en landschapsbeheer is het in principe niet mogelijk om door middel van certificering (“zelfcontrole”) de controledruk vanuit de overheid omlaag te brengen. Certificering is vooral relevant voor agrarische natuurverenigingen. Bij bepaalde natuur- of landschapsdoelen (akker- en weidevogelbeheer, ganzenbeheer, landschapsbeheer) is voor de effectieve inzet van beheerspakketten een actieve rol van een gecertificeerde ANV gewenst. Bij niet-gecertificeerde beheerders wordt de kwaliteit van het beheer gecontroleerd door de overheid. Naar aanleiding van de controles kunnen zo nodig adviezen en/of aanwijzingen aan de beheerder worden gegeven om het beheer te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevindingen uit de controles hebben geen gevolgen voor reeds verleende subsidies, tenzij sprake is van laakbaar gedrag. Omdat de overheid bij de niet-gecertificeerde beheerder hogere uitvoeringslasten heeft, worden bij natuurbeheer twee subsidietarieven gehanteerd: een standaard tarief voor niet gecertificeerde beheerders en een hoger tarief voor gecertificeerde beheerders.Afrekenen op uitgevoerd beheerBeheerders zijn verplicht de bestaande (agrarische) natuur in stand te houden en worden afgerekend op het uitgevoerde beheer. Door de verplichting van instandhouding is er sprake van minder controle (niet meer tellen etc). De controles in het veld zijn met name gericht op de feitelijke situatie van instandhouding en het naleven van voorwaarden in beschikking en verordening.De onderhavige verordening komt in de plaats van de huidige (P)SN en ()SAN.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen daarvan zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. De verordening moet voldoen aan artikel 11,3e lid van de WILG. Activiteiten, voorwaarden en bedragen moeten daarin worden genoemd; 2. Uniformiteit in twaalf provincies. Het gevolg van de ILG decentralisatie naar de provincies mag niet zijn dat met name landelijk werkende organisaties worden geconfronteerd met grote verschillen in provinciale regelingen. De uniformiteit vereist dat het hanteren van de verordening voor gaat op eigen provinciale beleidsintenties op het gebied van uniformiteit in subsidiekaders etc. 3. Zo simpel mogelijk, maar wel een gedegen juridische basis voor subsidieverlening. 4. Geen dubbelingen met de AWB, maar wel –waar nodig- met nadere uniforme invullingen van soms ruime AWB bepalingen. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheid beheerders van natuur en agrarische natuurbeheerders. Deze doelgroepbenadering bevordert de toegankelijkheid van de verordening en is ook om de volgende redenen nodig: • bij agrarisch natuurbeheer gelden andere, strengere eisen in het kader van de EU-staatsteunregels; • agrarisch natuurbeheer wordt voor een deel betaald uit POP-gelden; het overige natuurbeheer niet. Voor POP-subsidies geldt een aantal specifieke beleidsregels voor cross-compliance, toekenning, controle, handhaving en sanctionering. • bij agrarisch natuurbeheer gaat het om aanzienlijk meer beheerders en vaak kleine oppervlakten, met name bij het randenbeheer. • er zijn bijna geen mogelijkheden om via verzamelaanvragen subsidies toe te kennen aan ANV’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EU eist dat de subsidie geheel bij de eindbegunstigde terecht komt. • bij agrarisch natuurbeheer is een duurzaam natuurbeheer niet gegarandeerd. Er wordt geen wijziging van de bestemming naar natuur of duurzame vastlegging van de natuurfunctie in een kwalitatieve verbintenis gevraagd. Zou dit wel gevraagd worden dan daalt de grond in waarde en is per definitie sprake van particulier natuurbeheer. De functies natuurbeheer en agrarische productie moeten gecombineerd worden. 6. Onderscheid gecertificeerde en niet-gecertificeerde beheerders Voor gecertificeerde aanvragers geldt een reductie van de verplichtingen, die bij de aanvraag en gedurende de looptijd van de subsidie moeten worden nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de gecertificeerde natuurbeheerders is een aanzienlijke vereenvoudiging mogelijk door langjarige subsidiering van beheer van natuurterreinen (maximaal 6-jarige beschikkingen). Zij worden vrijgesteld van een aantal verplichtingen. Bij niet-gecertificeerde natuurbeheerders is meer controle vanuit de overheid noodzakelijk. Daarom krijgen zij een standaard-subsidiebedrag en de gecertificeerde natuurbeheerders een iets hoger bedrag. Agrarische natuurbeheerders met een certificaat zijn ook vrijgesteld van een aantal verplichtingen. Er is sprake van verschillende regiems bij: • Hoogdynamisch beheer (ganzen, weidevogels, etc.), waarbij jaarlijks wisseling plaats vindt van percelen (en daarmee ook van het aantal ha in beheer); • Laagdynamisch beheer (botanische natuur, landschapselementen), beheer van vaste percelen (vergelijkbaar met natuurbeheer).In de Index Natuur en landschap zijn beheertypen opgenomen voor het beheer van natuur en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regulier beheer van bestaande natuur is een structurele taak ter instandhouding van de bestaande natuurkwaliteit. Subsidieverzoeken worden getoetst aan de natuurbeheertypen in het natuurbeheerplan. In dat plan is aangegeven in welke gebieden voor welke natuurbeheertypen subsidie kan worden aangevraagd. De huidige subsidiering van bestaande natuur, ook buiten de EHS, wordt gecontinueerd. De provincies kunnen ervoor kiezen om in aanvulling op de rijksmiddelen voor beheer van natuur en landschapswaarden buiten de EHS ook eigen middelen in te zetten. Daarnaast hebben provincies de mogelijkheid om in bijzondere situaties (bijvoorbeeld voor extra bescherming van Natura-2000 gebieden of specifieke soorten) gebiedsspecifieke beheerpakketten toe te voegen, bij voorkeur via de maatregelen uit de Catalogus groenblauwe diensten.Wie mag aanvragenAanvragen kunnen worden ingediend door TBO’s, particuliere terreinbeheerders en gemeenten, die natuur en/of landschap in (bloot) eigendom, erfpacht (&gt;25 jaar), met beklemrecht hebben of in tijdelijk gebruik op grond van art 189 Landinrichtingswet en/of art. 45 Wilg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschappen, waterleidingbedrijven, rijksoverheid (Staatsbosbeheer, Defensie, BBL, Domeinen inclusief Kroondomein) en de provincies zijn uitgesloten. Gemeenten kunnen voor natuurterreinen waarvoor zij uit het huidige Programma Beheer in 2009 een subsidie ontvangen ook in het nieuwe stelsel beheersubsidie aanvragen. Voor terreinen waarvoor in 2009 geen subsidie wordt verstrekt kunnen zij geen subsidie meer aanvragen; deze uitsluiting geldt voor bestaande en nieuwe natuur. Alle gronden die vallen onder de definitie van een beheertype waarvan de aanvrager eigenaar of erfpachter is tellen mee, alsmede alle gronden waarover de aanvrager via volmacht beschikt. De aanvragen worden per provincie ingediend volgens een landelijk uniform aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgewenst kan door groepen van particulieren gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om één gezamenlijke aanvraag in te dienen (bijv. via koepels als de Unie van Bosgroepen, SBNL en via groepen van particulieren).De subsidieDe grondslag voor de subsidie natuurbeheer is gelegen in de standaardkostprijs van het betreffende natuurbeheertype in de Index. De hoogte van de subsidie is een vast, landelijk uniform percentage van die standaardkostprijzen. Daarbovenop kan de provincie, in bijzondere gevallen, een toeslag geven voor specifiek, gebiedsgerichte omstandigheden (vaarland, geaccidenteerd terrein) of een specifiek beheerpakket (bijvoorbeeld voor soortenbescherming).VoorwaardenIn dit onderdeel is uitsluitend ‘natuurgrond’ subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gronden zijn in principe opengesteld voor publiek, tenzij anders is overeengekomen met de provincie. Beheerders die hun terreinen hebben opengesteld komen in aanmerking voor recreatiesubsidie openstelling. Die subsidie kan alleen worden aangevraagd in combinatie met een beheersubsidie. Dit onderdeel wordt alleen voor staatssteun gemeld; er is dus geen sprake meer van EU- cofinanciering (en de daarbij behorende controle) voor landschapselementen. In de Index Natuur en landschap zijn agrarische beheertypen en agrarische beheerpakketten opgenomen voor natuur op landbouwgrond. In het natuurbeheerplan is aangegeven in welke gebieden voor welke agrarische beheertypen/beheerpakketten subsidie kan worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze pakketten zijn nodig in verband met de EU-regelgeving. De provincie kan ervoor kiezen om in aanvulling op de landelijk generieke pakketten voor agrarisch natuurbeheer voor bijzondere situaties eigen gebiedsspecifieke pakketten toe te voegen.Wie mag aanvragenEigenaren, erfpachters en pachters van agrarische natuur kunnen aanvragen. De beheerder verklaart dat hij gedurende de looptijd (6 jaar) van de beschikking het duurzaam gebruiksrecht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieIn het natuurbeheerplan staat aangegeven in welke gebieden welke agrarische beheertypen/ beheerpakketten van toepassing zijn. De aanvrager krijgt een subsidiebeschikking voor 6 jaar. Voor weidevogelgebieden kunnen alleen aanvragen worden gedaan via tussenkomst van (gecertificeerde) ANV’s, die moeten zorgen voor een goede onderliggende afstemming tussen aanvragers in een gebied. Wel is sprake van een individuele aanvraag, omdat de uitbetaling op grond van europese regels rechtstreeks aan de begunstigde moet plaatsvinden.VoorwaardenDe grond moet voldoen aan de definitie landbouwgrond. Een koppeling met de probleemgebiedensubsidie is mogelijk. Vanuit het POP zijn verplichte controles nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze worden uitgevoerd door één organisatie, de AID. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie landschapsbeheer verstrekken aan natuurbeheerders en een subsidie agrarisch landschapsbeheer aan agrariërs. Voor deze subsidie komen de hierboven bedoelde natuurbeheerders en agrarische natuurbeheerders in aanmerking. In het natuurbeheerplan is aangegeven binnen welke gebieden of op welke percelen voor welke beheertypen/beheerpakketten een subsidie (agrarisch) landschapsbeheer kan worden verstrekt. De aanvrager krijgt een subsidiebeschikking voor 6 jaar. Om het proces van aanvragen, beschikken en controleren eenvoudiger te maken zijn er zo min mogelijk eisen in de verordening opgenomen. De aanvraagprocedure is sterk vereenvoudigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede voorlichting over subsidiemogelijkheden (digitaal en op papier) zal de kwaliteit van de aanvragen verhogen. Door de aanvraag voor de indiening al te checken op het natuurbeheerplan krijgt de aanvrager direct duidelijkheid. Het digitaal aanvragen wordt zo veel mogelijk gestimuleerd via een op internet raadpleegbare kaart. Dit zal gelden als eis voor gecertificeerde beheerders. Door te werken met een ijkmoment, waarop grond aan bepaalde aanvragen wordt toegerekend, zal een groot aantal meldingen van wijzigingen (nu nog op grond van de SAN en de SN) worden voorkomen. In de huidige regeling Organisatiekosten Samenwerkingsverbanden SAN-OS (onderdeel van de (P)SAN) is de mogelijkheid voor ANV’s opgenomen om tot 2010 subsidie te krijgen voor organisatiekosten voor een periode van zes jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels is duidelijk geworden dat voor het bereiken van de doelstellingen voor agrarisch beheer van natuur en landschap continuering van de subsidie noodzakelijk is. De omvorming van Programma Beheer leidt tot een andere werkwijze bij het agrarisch natuurbeheer. De provincie geeft in het natuurbeheerplan aan in welke gebieden sprake is van subsidieverlening voor collectief agrarisch natuurbeheer op basis van een collectief beheerplan. Daar is samenwerking van individuele beheerders noodzakelijk vanwege een goed rendement van beheer en het begeleiden van subsidieaanvragen. De provincie kan na overleg in het gebied- aangeven welke instantie optreedt als gecertificeerd gebiedscoördinator. Dat zal in veel gevallen een ANV zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook andere gecertificeerde collectieven en organisaties, die een vergelijkbare rol spelen, kunnen die taak op zich nemen. Zo valt te denken aan een TBO met een natuurterrein als kerngebied voor weidevogels of een koepelorganisatie agrarisch natuurbeheer of een provinciale stichting landschapsbeheer. En in het uiterste geval, als andere mogelijkheden niet voorhanden zijn, kan een provinciale ambtenaar optreden als gebiedscoördinator. Het onderdeel waarbij de gebiedscoördinator subsidie kan krijgen voor de coördinatie van agrarisch natuurbeheer is nieuw. De hoogte van de subsidie is gekoppeld aan de aard van de beschreven en uitgevoerde activiteiten in het kader van een (maximaal) 6-jarig werkprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verdere professionalisering van de ANV’s (gecertificeerd of niet) bestaat in het verlengde van de huidige SAN-OS de mogelijkheid subsidie aan te vragen voor organisatiekosten. Ook bij de subsidie organisatiekosten ANV’s is een (maximaal) 6-jarig werkprogramma de basis voor subsidieverlening. De subsidie wordt verstrekt voor de organisatie van activiteiten in het gebied gericht op: 1. kennisbevordering, professionalisering en ecologische en/of landschappelijke sturing (toezicht); 2. draagvlak, promotie en samenwerking (intern en extern); 3. werving, aanvraagbegeleiding en administratie; 4. kwaliteitsborging (certificering), monitoring en rapportage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1.4 In het eerste lid is bepaald dat subsidies worden verleend via het principe ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’: subsidieaanvragen die het eerst binnen zijn, worden het hoogst gerangschikt. Subsidieaanvragen die op gelijke datum binnenkomen, worden gerangschikt via loting (eerste lid). Op grond van het tweede lid worden echter alle aanvragen in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer die onderdeel uitmaken van één collectief beheerplan en ingevolge artikel 4.1.2.1 gelijktijdig zijn ingediend, geacht één aanvraag te zijn. Op deze wijze worden alle aanvragen die onderdeel uitmaken van één collectief beheerplan altijd gelijk gerangschikt. Achtergrond hiervan is dat alle aanvragen die onderdeel uitmaken van één collectief beheerplan gelijktijdig en in samenhang met elkaar beoordeeld moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ongelijke rangschikking zou dit onmogelijk maken.Artikel 1.8 Ingevolge hoofdstuk 7 kunnen verleende subsidies onder voorwaarden worden gewijzigd. Een wijziging kan leiden tot verlaging van de subsidie. Gevolg daarvan kan zijn dat het jaarlijks uit te betalen voorschot aan de betreffende begunstigde minder bedraagt dan €200,-. Dit leidt niet tot intrekking van de subsidie. De minimale subsidiegrens van €200,- per jaar geldt in die gevallen dus niet.Artikel 2.1 Het natuurbeheerplan vormt de basis voor het subsidiestelsel: in het natuurbeheerplan wordt op vastgelegd welk soort subsidie waar kan worden verstrekt. Voor subsidies natuurbeheer en subsidies agrarisch natuurbeheer wordt op topografische kaarten aangegeven welke percelen voor subsidie in aanmerking komen en welk soort subsidie op de betreffende percelen kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent voor natuurbeheer dat van alle percelen waar Gedeputeerde Staten een subsidie natuurbeheer willen kunnen verstrekken, wordt bepaald tot welk natuurbeheertype dat perceel behoort. Op basis van het natuurbeheerplan kan zo exact worden bepaald waar welke subsidie kan worden verstrekt. Voor agrarisch natuurbeheer vindt de aanwijzing plaats op het niveau van agrarische beheertypen: voor ieder perceel waar Gedeputeerde Staten een subsidie agrarisch natuurbeheer willen kunnen verstrekken, wordt bepaald tot welk agrarisch beheertype dat perceel behoort. Er zijn momenteel vijf agrarische beheertypen. Onder deze agrarische beheertypen kunnen meerdere agrarische beheerpakketten vallen (zie bijlage 4, onderdeel B).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat in het natuurbeheerplan voor agrarisch natuurbeheer is vastgelegd welke scope van agrarische beheerpakketten op welke percelen kunnen worden verstrekt. Voor subsidies landschapsbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer wordt aangegeven binnen welke gebieden voor welke landschapsbeheertypen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. Er wordt dus niet op perceelsniveau, aangegeven voor welke landschapsbeheertypen subsidie kan worden verstrekt. Dit houdt verband met het gegeven dat het voor veel landschapselementen – zoals bijvoorbeeld knotwilgen - ondoenlijk is om exact aan te geven waar ze zijn gelegen. Voor probleemgebiedensubsidies wordt in het natuurbeheerplan alleen bepaald waar die subsidie kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen gebieden die op grond van het plattelandsontwikkelingsplan 2007-2013 zijn aangewezen als probleemgebied, mogen worden aangewezen. Op grond van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten enkele verfijningen in het natuurbeheerplan aanbrengen. Gedeputeerde Staten kunnen op basis van onderdeel a aangeven in welke gebieden de openstellingsverplichting die in beginsel is verbonden aan een subsidie natuurbeheer, in elk geval niet geldt. De reden van het niet openstellen moet zijn gelegen in een van de redenen, genoemd in artikel 3.6, vierde lid, onderdeel a. Deze aanwijzing neemt niet weg dat subsidieontvangers ook voor gebieden die niet zijn aangewezen, een beroep kunnen doen op de vrijstellingsgronden, opgenomen in artikel 3.6, vierde lid, onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de onderdelen b en c kunnen Gedeputeerde Staten aangeven voor welke percelen hogere tarieven dan de standaardtarieven kunnen gelden. Voor subsidies natuurbeheer en subsidies agrarisch natuurbeheer bestaat de mogelijkheid om hogere dan de reguliere tarieven toe te passen op percelen die alleen varend kunnen worden bereikt (zie artikel 3.8, tweede lid, onderdeel b en 4.1.1.8, tweede lid). Voor deze percelen geldt dat de beheerkosten hoger zijn dan voor percelen die per weg of pad bereikbaar zijn. Deze meerkosten kunnen via gebruikmaking van een hoger tarief worden vergoed. Voor subsidies natuurbeheer bestaat voorts de mogelijkheid om voor percelen die worden beheerd met gebruikmaking van schaapskuddes een hoger tarief vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheren met gebruikmaken van schaapskuddes is dermate kostbaar dat de reguliere tarieven onvoldoende kostendekkend zijn. Daarom kunnen Gedeputeerde Staten voor deze specifieke beheervorm hogere tarieven vaststellen. Gedeputeerde Staten kunnen alleen gebruik maken van de mogelijkheid om deze hogere tarieven toe te passen voor percelen die ze als zodanig in het natuurbeheerplan hebben aangewezen. Voor collectief agrarisch natuurbeheer kunnen in het natuurbeheerplan nadere bepalingen worden opgenomen op grond van het vierde lid van artikel 2.1. Collectief agrarisch natuurbeheer houdt het volgende in. Bepaalde soorten van agrarisch natuurbeheer zijn alleen doeltreffend als het beheer een zekere omvang heeft en verschillende soorten beheer binnen een gebied goed op elkaar zijn afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is het geval bij onder andere het weidevogelbeheer: zo heeft het geen nut om aan kuikenbeheer te doen als er binnen dat gebied geen uitgesteld maaien plaatsvindt. De randvoorwaarden voor het collectief agrarisch natuurbeheer zijn neergelegd in het natuurbeheerplan. Op basis van het vierde lid kan in het natuurbeheerplan worden vastgelegd wat de buitengrenzen en de minimale oppervlakte zijn voor het gebied waar collectief agrarisch natuurbeheer plaatsvindt. Tevens kan worden bepaald welke agrarische beheerpakketten moeten voorkomen en in welke verhouding. Deze beheerpakketten zijn die pakketten die behoren tot het agrarisch beheertype van het betreffende gebied. In het collectief beheerplan dat de gebiedscoördinator in samenspraak met de participerende landbouwers opstelt, zal vervolgens op perceelsniveau worden aangegeven welk agrarisch beheerpakket wordt uitgevoerd (zie hoofdstuk 9 en bijlage 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat in een bepaald gebied niet alleen agrarisch natuurbeheer, maar ook natuurbeheer plaatsvindt dat effectief is voor het doel van het collectieve agrarische natuurbeheer. Weidevogelbeheer kan immers zowel in het kader van agrarisch natuurbeheer als in het kader van natuurbeheer plaatsvinden. Daarom moet op grond van bijlage 6 bij deze verordening het relevante natuurbeheer dat binnen het gebied plaatsvindt, worden opgenomen in het collectief beheerplan.Artikel 3.3 Artikel 3.3 beschrijft wie in aanmerking kunnen komen voor een subsidie natuurbeheer. Dit zijn natuurlijke of rechtspersonen die bij aanvang van het eerste kalenderjaar zeggenschap hebben over het beheer krachtens een van de in het eerste lid genoemde rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat een eigenaar die de grond in erfpacht heeft gegeven, geen subsidie meer zal kunnen aanvragen omdat de eigenaar slechts het bloot eigendom heeft en geen zeggenschap meer heeft over het grondgebruik en het beheer. Pachters komen niet in aanmerking voor een subsidie natuurbeheer. Wel kunnen de genoemde gerechtigden die hun grond in pacht uitgeven, subsidie ontvangen, zolang ze de pacht zo hebben vorm gegeven dat de zeggenschap over het beheer nog bij hen ligt. Het begunstigdenbegrip is voorts ingekaderd via de peildatum. De subsidie wordt verleend voor een periode van zes kalenderjaren. De subsidieontvanger moet gedurende elk van de zes kalenderjaren waarvoor hij subsidie ontvangt, op 15 mei de zeggenschap hebben over het beheer van de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dat niet het geval is, wordt de subsidie ambtshalve ingetrokken tenzij de subsidie overeenkomstig artikel 7.3 is overgedragen. Gevolg van deze constructie is dat tijdelijke overdracht van een natuurterrein aan een derde geen gevolgen heeft voor de subsidie, zolang deze overdracht niet de datum van 15 mei omvat en de subsidieontvanger er zorg voor draagt dat de derde de subsidievoorschriften naleeft. Alleen overdracht van de zeggenschap van een natuurterrein waardoor ook op de datum van 15 mei de zeggenschap over het beheer krachtens een van de in dit artikel genoemde rechten bij een derde berust, heeft gevolgen voor de subsidie. In die gevallen zal de subsidie moeten worden overgedragen (zie artikel 7.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook samenwerkingsverbanden van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde begunstigden kunnen subsidie ontvangen. Gevolg van de peildatum zoals die in het eerste lid, onderdeel a, is opgenomen, is dat een samenwerkingsverband alleen dan subsidie kan ontvangen als de zeggenschap over het beheer van de natuurterreinen waarvoor subsidie wordt verleend, op 15 mei van elk van de zes kalenderjaren ligt bij degenen die onderdeel van dat samenwerkingsverband uitmaken.Artikel 3.4 Aanvragers van subsidies natuurbeheer moeten bij de aanvraag op een topografische kaart aangeven voor welke natuurterreinen welke subsidie wordt aangevraagd. De reden hiervan is dat het bestuursorgaan kan toetsen of de opgegeven oppervlakte de juiste is en of voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd, op basis van het natuurbeheerplan subsidie mag worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieontvangers die zijn gecertificeerd, hoeven niet op perceelniveau aan te geven voor welke terreinen voor welk beheertype een subsidie natuurbeheer wordt aangevraagd. Zij moeten op een topografische kaart de buitengrenzen aangeven en een lijst van oppervlaktetotalen waarvoor de subsidies natuurbeheer worden aangevraagd indienen, uitgesplitst naar onder andere de beheertypen. Op basis van de kaart met buitengrenzen kan worden bepaald voor welke terreinen subsidies worden aangevraagd. Dit betekent dat terreinen waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd en die liggen binnen een gebied waarvoor wel subsidies worden aangevraagd ook op de kaart moeten worden aangegeven. De certificering geldt als voldoende waarborg dat de begunstigde geen subsidie aanvraagt voor gebieden die niet zijn begrensd in het natuurbeheerplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.6 zijn de verplichtingen opgenomen die zijn verbonden aan het verkrijgen van de subsidie. In de onderdelen a tot en met f en i wordt gesproken van ‘zorg dragen voor’. De subsidieontvanger moet er zorg voor dragen dat beheer wordt gevoerd, dat het terrein is opengesteld enz. Deze formulering houdt verband met de peildatum. Gevolg van de peildatum is dat er gedurende een kalenderjaar, buiten de periode van 15 mei van dat jaar, anderen de zeggenschap over het beheer van het natuurterrein kunnen hebben, zonder dat dat gevolgen heeft voor de ontvanger van de subsidie. Degene die de grond 15 mei heeft, krijgt het betreffende kalenderjaar de jaarvergoeding en is tevens verantwoordelijk voor het naleven van de subsidieverplichtingen Als dus een derde de grond in gebruik heeft, moet de subsidieontvanger er zorg voor dragen dat die derde de subsidievoorschriften naleeft. Als dat niet het geval is, kan zijn subsidie worden verlaagd. In de onderdelen g en h is niet gekozen voor de formulering ‘draagt zorg voor’, omdat het in de onderdelen g en h gaat om meldingsplichten. De subsidieontvanger, en niet een eventuele derde-gebruiker, is gehouden de meldingen te doen. Samenwerkingsverbanden die subsidie ontvangen, moeten met degenen die onderdeel van dat samenwerkingsverband uitmaken en de natuurterreinen beheren, schriftelijke afspraken maken zodat wordt geborgd dat de subsidievoorschriften worden nageleefd en een vergoeding bij de feitelijke beheerder terecht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken hoeven alleen te worden gemaakt met beheerders die op de peildatum, 15 mei, de zeggenschap hebben over de natuurterreinen waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Dit is een logisch gevolg van het feit dat met een peildatum wordt gewerkt. In de leden vier tot en met zeven zijn de voorschriften opgenomen die gelden als een terrein waarvoor subsidie wordt verstrekt, niet kan worden opengesteld. In de provinciale Subsidieregeling natuurbeheer (PSN) was opgenomen dat een ontheffing moet worden aangevraagd als een (gedeelte van een) terrein niet kon worden opengesteld. In de onderhavige regeling is een versoepeling doorgevoerd: als een terrein om redenen, genoemd in het vierde lid, niet kan worden opengesteld is dat gedeelte vrijgesteld van openstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel een melding van het gebruik van deze sluiting is verplicht, tenzij de afsluiting van het terrein al in het natuurbeheerplan is aangegeven conform artikel 2.1, derde lid, onderdeel a. Als de vrijstellingsmogelijkheden niet voldoende ruimte bieden en om andere redenen een terrein moet worden afgesloten, moet alsnog een ontheffing worden aangevraagd.Artikelen 3.7 en 3.8Een subsidie natuurbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het beheertype waarvoor subsidie is verleend, en het aantal hectares waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van een natuurterrein gedurende de zes kalenderjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gedeelte wordt de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (3.7, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld (3.10, eerste lid). Als voor een natuurterrein subsidie wordt verleend, geldt gedurende de zes kalenderjaren waarvoor deze wordt verstrekt, voor ieder beheertype het tarief dat bij aanvraag van de subsidie gold. De tarieven worden dus niet jaarlijks geïndexeerd. Wel stellen Gedeputeerde Staten jaarlijks voor nieuw af te sluiten subsidies nieuwe tarieven vast. Gedeputeerde Staten kunnen voor gecertificeerde begunstigden een hoger tarief vaststellen dan voor niet gecertificeerde begunstigden. Dit verschil is gerechtvaardigd omdat gecertificeerde begunstigden en niet gecertificeerde begunstigden verschillende categorieën begunstigden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gecertificeerden hebben met hun certificering aangetoond te zijn geëquipeerd op het uitvoeren van natuurbeheer. Ze hebben in hun interne organisatie de kwaliteit van het beheer geborgd. Daarmee hebben ze aangetoond verantwoord invulling te kunnen geven aan de generieke verplichting om beheer te voeren ten behoeve van de instandhouding van het beheertype. Voor het krijgen en in stand houden van het certificaat maken zij kosten. Bij de niet-gecertificeerde natuurbeheerder heeft de overheid hogere uitvoeringslasten (o.a. controlelasten). Ook kunnen Gedeputeerde Staten hogere tarieven vaststellen voor percelen die alleen varend kunnen worden bereikt of voor percelen die worden beheerd met gebruikmaking van schaapskuddes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2.1. De jaarlijks vast te stellen tarieven vallen onder de reikwijdte van artikel 11, derde lid, van de Wet inrichting landelijk gebied. Ze zullen aan de minister ter goedkeuring worden voorgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt onder andere de basis gelegd voor Gedeputeerde Staten om bij twijfel over het gevoerde beheer aanwijzingen te geven ten aanzien van het beheer (zie het eerste lid, onderdeel c).Artikel 3.10Omdat de hoogte van de subsidie is vastgesteld met behulp van normbedragen en het aantal hectares waarvoor subsidie wordt verleend bij Gedeputeerde Staten bekend is, is het niet nodig aan het einde van de zes kalenderjaren rekening en verantwoording af te leggen en kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.Artikel 4.1.1.2 Een subsidie agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt voor zes beheerjaren. In de beheerpakketten staat opgenomen op welk moment van een kalenderjaar het beheerpakket aanvangt In de regel zal een beheerpakket per 1 januari van een jaar ingaan, waardoor de beheerjaren gelijk lopen met kalenderjaren. Voordeel hiervan is dat de randvoorwaarden – die van toepassing zijn voor subsidies agrarisch natuurbeheer – aan kalenderjaren zijn gebonden: het niet voldoen aan de randvoorwaarden in enig kalenderjaar leidt tot een korting van de jaarbetaling die dat kalenderjaar wordt gedaan. Voor enkele agrarische beheerpakketten is het echter niet mogelijk de systematiek van kalenderjaren te volgen. Zo loopt bijvoorbeeld voor het beheerpakket overwinterende ganzen de beheerperiode van oktober van het ene jaar tot maart van het volgende jaar.Artikel 4.1.1.3 Subsidies agrarisch natuurbeheer kunnen worden verleend aan een ieder die bij aanvang van een eerste beheerjaar een gebruiksrecht – zakelijk of persoonlijk – heeft voor de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus ook pachters kunnen – in tegenstelling tot wat geldt bij subsidies natuurbeheer - zelf een subsidie agrarisch natuurbeheer aanvragen. Hij moet voorts gedurende elk van de zes beheerjaren waarvoor hij subsidie ontvangt, op 15 mei de beheerder zijn van de grond. Wanneer dat niet het geval is, wordt de subsidie ambtshalve ingetrokken tenzij de subsidie overeenkomstig artikel 7.3 is overgedragen.Artikel 4.1.1.5 De weigeringsgrond in het eerste lid, onderdeel c, ziet ook op onregelmatigheden die zijn begaan inzake agrarisch natuurbeheer waarvoor subsidie is of wordt ontvangen op grond van een andere subsidieregeling dan onderhavige.Artikel 4.1.1.6In artikel 4.1.1.6 zijn de verplichtingen opgenomen die zijn verbonden aan het verkrijgen van de subsidie agrarisch natuurbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderdelen a tot en met c en f wordt gesproken van ‘zorg dragen voor’. Zo moet de subsidieontvanger er zorg voor dragen dat de voorschriften behorend bij het beheerpakket waarvoor hij subsidie ontvangt worden uitgevoerd. Deze formulering houdt verband met de peildatum. Gevolg van de peildatum is dat er gedurende een beheerjaar, buiten de datum van 15 mei van dat jaar, anderen de landbouwgrond in gebruik hebben, zonder dat dat gevolgen heeft voor de ontvanger van de subsidie. Degene die de grond 15 mei heeft, krijgt het betreffende beheerjaar de jaarvergoeding en is tevens verantwoordelijk voor dat eventuele derde-gebruikers zich aan de verplichtingen houden. Als dus een derde de grond in gebruik heeft, moet de subsidieontvanger er zorg voor dragen dat die derde de subsidievoorschriften naleeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet het geval is, kan zijn subsidie worden verlaagd. In de onderdelen d en e is niet gekozen voor de formulering ‘draagt zorg voor’, omdat het in de onderdelen d en e gaat om meldingsplichten. De subsidieontvanger, en niet een eventuele derde-gebruiker, is gehouden de meldingen te doen. In het eerste lid, onderdeel b, is de verplichting opgenomen dat op het bedrijf van de subsidieontvanger én op de landbouwgrond waarvoor hij subsidie ontvangt, de voorschriften, opgenomen in artikel 6 en bijlage I, van de Regeling GLB inkomenssteun 2006 (randvoorwaarden) worden nageleefd. In de meeste gevallen zal het perceel waarvoor subsidie wordt verleend, behoren tot het bedrijf van de subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van (tijdelijke) grondoverdracht hoeft dat echter niet het geval te zijn. Daarom is het nodig om expliciet te vermelden dat op het perceel waarvoor hij subsidie ontvangt, de randvoorwaarden moeten worden nageleefd. Op basis van het tweede lid moeten subsidieontvangers die hun subsidie in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma ontvangen (zie bijlage 4, onderdeel B.1) voldoen aan de zogenoemde aanvullende randvoorwaarden. Dit betreffen de voorschriften als bedoeld in artikel 51, eerste lid, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1698/2005). De exacte voorschriften waaraan moet worden voldaan, zijn opgenomen in bijlage 5. Ingevolge het derde lid moet een subsidieontvanger ieder jaar uiterlijk 15 mei een aanvraag indienen voor het verkrijgen van de jaarvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jaarvergoedingen worden dus niet – zoals dat bij subsidies natuurbeheer het geval is - ambtshalve als voorschot uitgekeerd. Voor subsidies agrarisch natuurbeheer die met Europese middelen worden gecofinancierd, is aanvragen van de jaarvergoeding met de verzamelaanvraag verplicht op grond van artikel 8 van verordening (EG) nr. 1975/2006. Voor subsidies die met nationale middelen worden betaald, is deze systematiek van overeenkomstige toepassing. In de aanvraag tot betaling van de jaarvergoeding geeft een subsidieontvanger aan voor welke percelen welke subsidie wordt aangevraagd. Gedeputeerde Staten stellen het formulier op waarmee de jaarbetalingen worden aangevraagd. De oorsprong van de aanvraag tot betaling van de jaarvergoeding ligt in de Europese regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanvraag is relevant voor agrarisch natuurbeheer, voor probleemgebieden maar ook voor subsidies in het kader van de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De Europese regelgeving (artikelen 7 en 8 van verordening (EG) nr. 1975/2006) schrijft voor dat voor het aanvragen van deze subsidies gebruik moet worden gemaakt van de zogenoemde verzamelaanvraag. Op deze wijze kunnen voor de verschillende subsidies zogenoemde kruiscontroles worden gedaan, waarbij de vraag of verschillende landbouwers subsidie voor éénzelfde perceel ontvangen centraal staat. Binnen Nederland worden de subsidies binnen de eerste pijler van het GLB door de minister van LNV verstrekt en de subsidies in het kader van het agrarisch natuurbeheer en voor probleemgebieden door de provincies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulieren voor de verzamelaanvraag worden dan ook opgesteld door verschillende bestuursorganen. Dit neemt niet weg dat de beide formulieren – voor zover het gaat om subsidies betaald met Europese middelen - moeten worden beschouwd als één verzamelaanvraag. In de uitvoering zullen de formulieren ook gezamenlijk aan de landbouwers worden verstrekt.Artikel 4.1.1.7 en 4.1.1.10 Een subsidie agrarisch natuurbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het agrarisch beheerpakket, en het aantal hectares waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van landbouwgrond gedurende de zes beheerjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald, voor zover een aanvraag tot betaling van de jaarvergoeding is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jaarvergoedingen worden de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (4.1.1.7, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld (4.1.1.10, eerste lid).Artikelen 4.1.1.8 en 4.1.1.9 Op grond van artikel 4.1.1.8, eerste lid, wordt de jaarvergoeding ieder jaar opnieuw vastgesteld, niet alleen voor nieuwe subsidies maar ook voor lopende subsidies. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat gedurende de zes beheerjaren zoveel als mogelijk marktconforme jaarvergoedingen worden verstrekt. De tarieven zullen voor de verschillende beheerpakketten ieder jaar overeenkomstig de uitgangpunten van artikel 39, vierde lid, van verordening (EG) nr. 1698/2005, worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven bestaan uit de volgende componenten: 1. de gederfde inkomsten als gevolg van de beheervoorschriften die onderdeel uitmaken van de subsidie, 2. de extra kosten die moeten worden gemaakt en 3. eventueel transactiekosten. Omdat ieder jaar nieuwe tarieven worden vastgesteld, kan in de beschikking tot subsidieverlening het bedrag waarop de subsidieontvanger over de zes beheerjaren recht heeft niet worden opgenomen Daarom zal in de beschikking worden opgenomen op welke wijze de tarieven worden berekend. Gedeputeerde Staten kunnen voor percelen die alleen varend kunnen worden bereikt hogere tarieven vaststellen. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2.1.Artikel 4.1.2.1Alle subsidieaanvragen van de landbouwers die onderdeel uitmaken van één collectief beheerplan worden tezamen ingediend door de gebiedscoördinator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond hiervan is het gegeven dat op grond van artikel 1.4 de subsidieaanvragen moeten worden gerangschikt naar volgorde van binnenkomst. Als de verschillende aanvragen van één collectief beheerplan niet gebundeld zouden worden ingediend, zouden de verschillende aanvragen verschillend worden gerangschikt. Omdat het collectieve agrarische natuurbeheer als geheel moet worden beoordeeld, moeten de aanvragen behorend tot één gebied gelijk worden gerangschikt. Dit wordt bewerkstelligd door ze tezamen in te dienen.Artikel 4.1.2.2 Artikel 4.1.2.2 bevat de eisen voor deelname aan een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer, die gelden in aanvulling op de in artikel 4.1.1.5 neergelegde voorwaarden voor subsidies agrarisch natuurbeheer.Artikel 4.2.3 en 4.2.4 Een probleemgebiedensubsidie is een jaarlijks te verstrekken subsidie die – anders dan de meerjarige subsidies natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer – wordt aangevraagd met gebruikmaking van de zogenoemde verzamelaanvraag die uiterlijk 15 mei moet zijn ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouwers die op 15 mei de grond in gebruik hebben, hebben recht op betaling van de subsidie. Deze systematiek is dezelfde als die van toepassing is voor de binnen de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de Minister van LNV te verstrekken bedrijfstoeslagen.Artikel 4.2.5 Onder het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2000-2007 werd de probleemgebiedensubsidie verstrekt voor een periode van zes jaar. Deze subsidies kunnen doorlopen tot uiterlijk 1 januari 2012. Het tweede lid voorkomt dat op eenzelfde perceel zowel een zesjarige subsidie als een éénjarige probleemgebiedensubsidie wordt verstrekt.Artikel 4.2.6 In onderdeel a is opgenomen dat de landbouwer er zorg voor draagt dat gedurende het kalenderjaar waar de subsidie betrekking op heeft, zowel op de landbouwgrond waarvoor hij subsidie ontvangt als op zijn gehele bedrijf, wordt voldaan aan de voorschriften, opgenomen in artikel 6 en bijlage I, van de Regeling GLB inkomenssteun 2006 (randvoorwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De achtergrond van deze bepaling is de volgende. Landbouwers die op de peildatum landbouwgrond in gebruik hebben op grond van een zakelijk of persoonlijk recht, komen in aanmerking voor een probleemgebiedensubsidie. Het kan voorkomen dat een landbouwer gedurende een gedeelte van het betreffende kalenderjaar de landbouwgrond aan een derde in gebruik geeft of heeft gegeven. Ook in dat geval moeten op het perceel waarvoor de probleemgebiedensubsidie wordt verstrekt, de randvoorwaarden worden nageleefd, ook al behoort dat perceel niet meer tot het bedrijf van de subsidieontvanger. Daarom is in de formulering van de subsidieverplichting gekozen voor de formulering ‘zorg dragen voor’ en wordt een onderscheid gemaakt tussen het voldoen aan de randvoorwaarden op het bedrijf van de subsidieontvanger en het voldoen aan de randvoorwaarden op het perceel.Artikel 5.1 Op grond van artikel 5.1 kunnen Gedeputeerde Staten twee subsidies verstrekken: een subsidie landschapsbeheer en subsidie agrarisch landschapsbeheer.Artikel 5.3Een subsidie landschapsbeheer kan worden verstrekt voor landschapselementen die zijn gelegen op terreinen die zijn aangewezen als natuurterrein waarvoor subsidies natuurbeheer kunnen worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begunstigden zijn dezelfde begunstigden als zij die in aanmerking komen voor een subsidie natuurbeheer. Een subsidie agrarisch landschapsbeheer kan worden verstrekt voor landschapselementen die worden beheerd door landbouwers krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voor beide subsidies geldt de systematiek van de peildatum: degene die op de peildatum de zeggenschap heeft over het beheer (natuurbeheer of samenwerkingsverbanden) of het beheer voert (agrarisch natuurbeheer), heeft recht op de jaarvergoeding.Artikel 5.6 Het eerste tot en met derde lid is van toepassing voor subsidies landschapsbeheer. Het vierde en vijfde lid is van toepassing voor subsidies agrarisch landschapsbeheer. Net als bij een subsidie natuurbeheer geldt voor een subsidie landschapsbeheer dat de subsidieontvanger als belangrijkste subsidieverplichting een algemene beheerverplichting heeft: hij draagt er zorg voor dat alle beheeractiviteiten worden verricht die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het op het natuurterrein aanwezige landschapselement en dat geen handelingen worden verricht of gedoogd die afbreuk doen aan de instandhouding van het landschapselement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ontvangers van subsidie agrarische landschapselementen gelden concrete beheervoorschriften, zoals dat ook bij subsidies agrarisch natuurbeheer het geval is. Wat betreft de achtergrond van het feit dat in het artikel gebruik wordt gemaakt van de formulering ‘draagt er zorg voor’ zij verwezen naar de toelichting bij de artikelen 3.6 en 4.1.1.6.Artikel 5.7 ,5.8 en 5.10 De subsidie landschapsbeheer en de subsidie agrarisch landschapsbeheer bestaat uit zes jaarvergoedingen, welke afhankelijk zijn van onder andere het landschapselement waarvoor subsidie is verleend, en het aantal landschapselementen waarvoor subsidie wordt verleend. Omdat de beheerder van een landschapselement gedurende de zes kalenderjaren beheer moet voeren en dus kosten maakt, wordt ieder jaar een gedeelte van de subsidie uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gedeelte wordt de eerste vijf jaren als voorschot uitbetaald (5.7, derde lid). Het zesde jaar wordt de laatste jaarvergoeding uitgekeerd en wordt de subsidie tevens vastgesteld(5.10, eerste lid). Als voor het beheer van een landschapselement subsidie wordt verleend, geldt gedurende de zes kalenderjaren waarvoor deze wordt verstrekt, voor ieder beheertype het tarief dat bij aanvraag van de subsidie gold. De tarieven worden dus niet jaarlijks opnieuw vastgesteld. Wel stellen Gedeputeerde Staten jaarlijks voor nieuw af te sluiten subsidies nieuwe tarieven vast (5.8).Artikel 6.1.2Een subsidie coördinatie agrarisch natuurbeheer kan worden verstrekt aan gebiedscoördinatoren. Gebiedscoördinatoren beschikken over een geldig certificaat coördinatie collectief agrarisch natuurbeheer (zie artikel 1.1, onderdeel j).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de gebiedscoördinator voldoende deskundigheid en kwaliteit bezit om de coördinatie van het collectief agrarisch natuurbeheer te volbrengen. Het certificaat moet zijn afgegeven door (of namens) GS. Alleen rechtspersonen kunnen in aanmerking komen voor een certificaat. Gebiedscoördinatoren zullen vaak agrarische natuurverenigingen zijn, maar ook grote terreinbeherende organisaties kunnen desgewenst als gebiedscoördinator functioneren.Artikel 6.1.3 en 6.1.4 Onderdeel van een aanvraag voor subsidie is een beschrijving van een plan waarin de activiteiten voor gebiedscoördinatie worden beschreven. Dit plan zal afhankelijk van het soort collectief agrarisch natuurbeheer meer dan wel minder omvangrijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij weidevogelbeheer of akkervogelbeheer zal het activiteitenplan veelal omvangrijker zijn omdat ieder jaar opnieuw moet worden bezien of het collectief beheerplan moet worden aangepast. Bij ganzenbeheer zal het plan minder omvangrijk zijn. Voor ganzenbeheer is het immers enkel zaak dat aan het begin van de zesjaarsperiode voldoende areaal beschikbaar is voor de ganzenopvang. Landbouwers zijn vervolgens vrij om perceelsroulatie toe te passen en daarbij binnen de hem toegestane ruimte het aantal hectares waarop hij ganzenopvang realiseert te vergroten of te verkleinen. Afhankelijk van het activiteitenplan en het daarin beschreven soort coördinatie zal de subsidie een langere (maximaal zes jaar) of een kortere periode bestrijken.Artikel 7.1 Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden kunnen een reden zijn om subsidie te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften inzake overmacht en uitzonderlijke omstandigheden zijn bij subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer iets soepeler dan bij subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies agrarisch landschapsbeheer en probleemgebiedensubsidies (zie het eerste en tweede lid). Voor subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer zijn de termen overmacht en onvoorziene omstandigheden niet nader ingevuld, voor subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies agrarisch landschapsbeheer en probleemgebiedensubsidies is dat wel het geval. De oorsprong van dit verschil is gelegen in het feit dat subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies agrarisch landschapsbeheer en probleemgebiedensubsidies, in elk geval gedeeltelijk, onderdeel vormen van het plattelandsontwikkelingsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Nederlands plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP) staat opgenomen dat Nederland als overmacht of uitzonderlijke omstandigheden beschouwd de in artikel 47, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006 bedoelde gevallen. Dit zijn: overlijden of arbeidsongeschiktheid van de subsidieontvanger, onvoorzienbare onteigening van een gedeelte van het bedrijf, ernstige natuurrampen, het door een ongeluk tenietgaan van een veehouderijbedrijf of een epizoötie die de veestapel van de landbouwer geheel of gedeeltelijk treft. Op grond van de Europese voorschriften mag in dergelijke gevallen de subsidie worden ingetrokken zonder dat het subsidiebedrag geheel of gedeeltelijk moet worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Europese voorschriften zijn op grond van het POP enkel van toepassing op subsidies die in het kader van het POP worden verstrekt. Dit betreft een gedeelte van de subsidies agrarisch natuurbeheer (niet zijnde regionaal maatwerk, zie bijlage 4, onderdeel B, onder 2), en een gedeelte van de subsidies landschapsbeheer (subsidies verstrekt aan begunstigden als bedoeld in artikel 5.3, onderdeel a of b). Omdat het niet gewenst is ontvangers van een zelfde subsidie verschillend te behandelen, afhankelijk van de herkomst van het subsidiegeld, worden de Europese voorschriften inzake overmacht en onvoorziene omstandigheden toegepast op alle subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden zullen leiden tot beëindiging van de subsidie. Op grond van het derde lid honoreren Gedeputeerde Staten het verzoek tot beëindiging als de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden van dien aard zijn dat het doel van de subsidie niet kan worden bereikt. Dit betekent dat gevallen van tijdelijke overmacht of tijdelijke onvoorziene omstandigheden niet per definitie leiden tot beëindiging van de subsidie. Gedeputeerde Staten zullen dus bij verzoeken op basis van het eerste of tweede lid steeds een afwezig moeten maken: heeft het – in het licht van de doelstelling van de subsidie – zin de subsidie voort te zetten of niet.Artikel 7.2 In geval van overlijden zullen de zesjarige subsidies natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer, subsidies agrarisch natuurbeheer of subsidies agrarisch landschapsbeheer in de regel worden vastgesteld met ingang van de datum van overlijden van de begunstigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, als de rechtsopvolger onder algemene titel de rechten en verplichtingen die behoren bij de subsidie voor de resterende looptijd wil overnemen, is dat onder voorwaarden mogelijk. Als een verzoek daartoe niet binnen zes maanden na het overlijden van de begunstigde bij Gedeputeerde Staten is ingediend, trekken Gedeputeerde Staten de subsidie in. Het kan voorkomen dat degene die de rechten en verplichtingen behorende bij de subsidie wil overnemen, al een zelfde subsidie ontvangt voor grond die grenst of landschapselementen die grenzen aan de over te nemen subsidie. Als deze beide subsidies identiek zijn, kunnen beide subsidies worden samengevoegd. De duur van de langstlopende subsidie prevaleert.Artikel 7.3 Artikel 7.3 gaat over de overdracht van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan subsidies natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer, subsidies agrarisch natuurbeheer of subsidies agrarisch landschapsbeheer in verband met overdracht van grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer geldt dat een verzoek tot overdracht van deze rechten en verplichtingen kan worden ingediend als de zeggenschap krachtens een van de in artikel 3.3, onderdeel a, of 5.3, eerste lid, genoemde rechten overgaat (eerste lid). Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer geldt dat een verzoek tot overdracht van deze rechten en verplichtingen kan worden ingediend als het beheer over de landbouwgrond of de landschapselementen wordt overgedragen (tweede lid). Subsidies behoeven niet te worden overgedragen als de zeggenschap over het beheer (natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer) tijdelijk overgaat en deze tijdelijke overgang valt buiten de peildatum van 15 mei.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de overdracht wel de peildatum van 15 mei van een van de kalender- of beheerjaren behelst, heeft de begunstigde geen recht meer op de jaarbetaling (zie begunstigdenbegrip art. 3.3, art 4.1.1.3, art 5.3). Hij is er dan dus bij gebaat de subsidie over te dragen aan degene die wel als begunstigde kan worden aangemerkt. Voor subsidies natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer moet de overdracht uiterlijk 1 juli worden aangevraagd (derde lid). Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en agrarisch landschapsbeheer moet de jaarbetaling via de verzamelaanvraag uiterlijk 15 mei van een beheerjaar worden aangevraagd. Om te kunnen toetsen of de verzamelaanvraag correct is gedaan, en degene die de jaarbetaling aanvraagt ook recht heeft op de jaarbetaling, moeten mutaties voor subsidies agrarisch natuurbeheer en agrarisch landschapsbeheer uiterlijk op de peildatum worden doorgegeven (zie vierde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moment dat de rechten en verplichtingen daadwerkelijk overgaan van de oorspronkelijke subsidieontvanger naar de nieuwe, is afhankelijk van het moment waarop de zeggenschap over het beheer of het beheer over wordt gedragen. Vindt de overdracht plaats na de peildatum maar nog binnen het kalenderjaar of beheerjaar, dan is de subsidieontvanger op grond van zijn subsidieverplichtingen (draagt zorg voor) gedurende dat kalenderjaar of beheerjaar nog verantwoordelijk voor de uitvoering van het beheer en de overige subsidieverplichtingen. Hij zal civielrechtelijk kunnen regelen dat de subsidieverplichtingen worden nageleefd. De subsidie gaat dan ook pas over vanaf aanvang van het nieuwe kalenderjaar of beheerjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt de overdracht plaats lopende het kalenderjaar of beheerjaar, maar nog voor de peildatum, dan gaat de subsidie over vanaf het moment van overdracht, namelijk het moment dat de nieuwe subsidieontvanger als begunstigde geldt: de nieuwe subsidieontvanger heeft immers op de peildatum van dat kalenderjaar de zeggenschap over het beheer van het natuurterrein of de landschapselementen of beheert op het peilmoment de landbouwgrond of de landschapselementen. De subsidieverplichtingen blijven dan dus tot het moment van overdracht liggen bij de oorspronkelijke begunstigde. Dit omdat de nieuwe begunstigde geen invloed heeft op de activiteiten die de oorspronkelijke subsidieontvanger uitvoert voor de overdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat alleen gecertificeerde begunstigden subsidie kunnen ontvangen voor monitoringswerkzaamheden, kan dit gedeelte van de subsidie niet worden overgedragen aan niet gecertificeerde begunstigden (zie het negende lid en artikel 3.3, tweede lid)Artikel 7.4 In artikel 44, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006 staat verwoord onder welke voorwaarden de agromilieuverbintenissen voortijdig mogen worden beëindigd zonder dat de inmiddels betaalde jaarvergoedingen moeten worden terugbetaald. Deze voorwaarden zijn van toepassing op subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer. Op grond van artikel 44, tweede lid, onderdeel a, is voortijdige beëindiging toegestaan als de begunstigde al een belangrijk gedeelte van de verbintenis heeft uitgevoerd en als zijn landbouwactiviteiten definitief beëindigd zijn en als overname van de subsidie niet haalbaar is.Artikel 7.5 Artikel 7.5 biedt de mogelijkheid om het natuurterrein, de landbouwgrond of de landschapselementen waarop een subsidie natuurbeheer, landschapsbeheer, agrarisch natuurbeheer of agrarisch landschapsbeheer, ziet, uit te breiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mogelijkheid is echter beperkt: de uitbreiding moet leiden tot een verhoging van jaarvergoeding van ten minste €50,-. Achtergrond van deze beperking is onder andere de beheersing van uitvoeringskosten. Voor agrarisch natuurbeheer en agrarisch landschapsbeheer is het tevens een uitvoering van artikel 45 van verordening (EG) nr. 1974/2006. Daar staat onder andere dat vergroting van het terrein alleen mag zijn toegestaan als dat gunstig is voor de betrokken maatregel, als het gerechtvaardigd is vanuit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de omvang van de oppervlakte. Tegen deze achtergrond is de maximale uitbreiding beperkt en is de uitbreiding slechts enmaal per jaar toegestaan.Artikel 7.6 Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer zijn de mogelijkheden voor verkleining van het areaal, waarvoor subsidie ontvangen wordt, beperkt overeenkomstig artikel 45, vierde lid, van verordening (EG) 1974/2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat artikel staat toe dat in geval van herverkaveling of ruilverkaveling van overheidswege of in geval van ruilverkaveling die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, de subsidie voortijdig wordt beëindigd zonder dat de reeds betaalde jaarvergoedingen worden terugbetaald.Artikel 7.8Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer mag onder voorwaarden overstappen van het ene beheerpakket naar een ander beheerpakket. De ene subsidie wordt voortijdig vastgesteld en een nieuwe subsidie wordt voor een nieuwe looptijd van zes jaar aangegaan. Dit is alleen toegestaan als is voldaan aan artikel 2, elfde lid van verordening (EG) 1974/2006. Daar staat dat de verbintenis aanzienlijk moet worden versterkt en dat de omzetting het milieu of het dierenwelzijn ten goede komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidies agrarisch natuurbeheer die onderdeel uitmaken van het POP geldt tevens dat de oude en de nieuwe verbintenis beide onderdeel moeten uitmaken van het POP.Artikel 7.9 Artikel 7.9 regelt een belangrijk onderdeel van het collectieve agrarische natuurbeheer. Landbouwers die een subsidie ontvangen in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer ontvangen een subsidiebeschikking voor zes jaar. Zolang de landbouwers op basis van de pakketvoorwaarden vrij zijn de beheeractiviteiten over verschillende percelen te rouleren, is bij roulatie geen wijziging van de beschikking nodig (zoals bij ganzenbeheer). Bij weidevogelbeheer en akkervogelbeheer is deze vrijheid er niet. In de beschikking is neergelegd op welke percelen welke beheerpakketten worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zal de gebieds coördinator ieder jaar bekijken of het goedgekeurd beheerplan nog adequaat is. Als dat niet het geval is, kan dat worden aangepast. Vervolgens zullen de subsidiebeschikkingen op het gewijzigde collectief beheerplan kunnen worden aangepast. Deze aanpassing kan de vorm aannemen van het uitvoeren van een ander beheerpakket in het kader van het ene beheertype weidevogelbeheer of het verplaatsen van hetzelfde beheer naar een ander perceel. Deze mogelijkheden worden geboden in artikel 7.9.Artikel 7.10 Op grond van de Europese voorschriften zijn agromilieuverbintenissen (subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer) subsidies met een bovenwettelijk karakter: er wordt geen subsidie gegeven voor zaken die wettelijk al verplicht zijn, maar er wordt subsidie gegeven ter stimulering van zaken die niet wettelijk verplicht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen voor bovenwettelijke activiteiten mag subsidie worden toegekend. Wijziging van het wettelijk kader kan gevolgen hebben voor de vergoedingsmarge: wat tot op heden bovenwettelijk was, kan met de introductie van nieuwe wettelijke bepalingen een wettelijk voorschrift worden. Als dat zich voordoet, moet de subsidie worden aangepast. Omdat een subsidieontvanger niet kan worden verplicht een subsidie onder minder gunstige voorwaarden te accepteren, biedt het tweede lid de ruimte om de subsidie te beëindigen zonder dat de reeds betaalde jaarvergoedingen worden teruggevorderd.Artikel 8.6Als Gedeputeerde Staten een certificaat van een subsidieontvanger intrekken, is de subsidieontvanger niet langer gerechtigd de subsidie te blijven ontvangen onder de voorwaarden die gelden voor gecertificeerde begunstigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom trekken Gedeputeerde Staten de subsidie in beginsel in, tenzij de begunstigde aangeeft de subsidie te willen blijven ontvangen onder de voorwaarden die gelden voor niet gecertificeerde begunstigden. Dit betekent onder andere dat dan de subsidie zal worden verlaagd (lagere tarief op grond van artikel 3.8) en de subsidieontvanger alsnog de gegevens moet verstrekken die zijn vereist op artikel 3.4, eerste en tweede lid.Artikel 10.1 Dit artikel geeft voor subsidies natuurbeheer, subsidies landschapsbeheer, subsidies agrarisch natuurbeheer, subsidies agrarisch landschapsbeheer en probleemgebiedensubsidies de kaders voor het verlagen van de jaarlijks uit te betalen voorschotten (jaarbetalingen) en het vast te stellen totale subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt zal zijn dat aan het einde van een kalenderjaar of beheerjaar zoveel mogelijk dat jaar wordt afgesloten. Dit betekent dus dat niet alleen aan het einde van de subsidieduur een besluit wordt genomen over het al dan niet verlagen van de subsidie, maar in beginsel aan het einde van ieder kalenderjaar of beheerjaar. Deze systematiek hangt samen met de Europese voorschriften die gelden voor agromilieuverbintenissen. Deze moeten jaarlijks worden uitbetaald (zie artikel 39, vierde lid, van ver ordening (EG) nr. 1698/2005 en punt 51 van de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013). Alleen in geval van zeer ernstige overtredingen zullen reeds betaalde voorschotten worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid ziet op de situatie waarin op grond van artikel 7.3, zevende lid, onderdeel b, de subsidie wordt overgedragen gedurende een beheerjaar of kalenderjaar maar vóór de peildatum. In dat geval gaat de subsidie over vanaf het moment dat de grond wordt overgedragen. Als de oorspronkelijk begunstigde gedurende de periode van het betreffende kalenderjaar of beheerjaar een overtreding van de subsidievoorschriften heeft begaan, wordt deze overtreding toegerekend aan de nieuwe begunstigde die op de peildatum van dat kalenderjaar of beheerjaar begunstigde is. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat overtredingen begaan in enig kalenderjaar of beheerjaar niet door de overdracht zonder gevolgen blijven.Artikel 10.2 Voor de subsidie agrarisch natuurbeheer, probleemgebiedensubsidie en subsidie agrarisch landschapsbeheer geldt als subsidievoorwaarde dat de randvoorwaarden gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Europese voorschriften inzake plattelandsontwikkelingssteun (verordening 1975/2006) volgt dat bij niet naleving van de randvoorwaarden in een kalenderjaar de betalingen (bij probleemgebiedensubsidie) of de jaarvergoedingen (bij subsidies agrarisch natuurbeheer of agrarisch landschapsbeheer) die in dat kalenderjaar worden gedaan of betaald, moet worden verlaagd. De uitgangspunten die gelden voor de hoogte van de verlaging zijn identiek aan de voorschriften die gelden voor subsidie verleend in het kader van de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB van de Minister van LNV. Omdat de Europese voorschriften uitgaan van één kortingensystematiek, zijn de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB van overeenkomstige toepassing verklaard op het niet naleven van de randvoorwaarden GLB in het kader van onder deze verordening vallende subsidies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook al worden niet alle subsidies agrarisch natuurbeheer, probleemgebiedensubsidies en subsidies agrarisch landschapsbeheer betaald met Europese middelen, toch zijn de randvoorwaarden van toepassing en wordt ook het kortingenkader zoals dat voor Europese subsidie geldt, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit omdat het niet wenselijk is om subsidieontvangers, die gelijke soorten subsidies ontvangen onder gelijke subsidievoorwaarden, verschillend te behandelen. Voor subsidies agrarisch natuurbeheer en subsidies agrarisch landschapsbeheer die onderdeel uitmaken van het plattelandsontwikkelingsprogramma (zie bijlage 4, onderdeel B, onder 1) gelden nog enkele aanvullende randvoorwaarden. De kortingensystematiek die voor overtredingen van deze aanvullende randvoorwaarden gelden, is neergelegd in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanvullende randvoorwaarden zijn in het tweede lid en in bijlage 5 de zaken neergelegd die van belang zijn om binnen de systematiek van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB te komen tot een korting. Zo is bepaald tot welk “randvoorwaardenterrein” de verschillende aanvullende randvoorwaarden behoren en is bepaald in welke mate op een schaal van 0 tot 3 een overtreding ernstig is, of de omvang van een overtreding groot dan wel minder groot is en of een overtreding van de verschillende voorschriften een al dan niet permanent karakter heeft. Voorts is de initiële korting bepaald en is vastgelegd of overtreding van de aanvullende randvoorwaarden geacht moet zijn te zijn begaan met opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid ziet op de situatie waarin op grond van artikel 7.3, zevende lid, onderdeel b, de subsidie wordt overgedragen gedurende een beheerjaar of kalenderjaar, maar vóór de peildatum. In dat geval gaat de subsidie over vanaf het moment dat de grond wordt overgedragen. Als de oorspronkelijk begunstigde gedurende de periode van het betreffende kalenderjaar of beheerjaar een overtreding van de randvoorwaarden heeft begaan, kan deze overtreding worden toegerekend aan de nieuwe begunstigde die op de peildatum van dat kalenderjaar of beheerjaar begunstigde is. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat overtredingen begaan in enig kalenderjaar of beheerjaar niet door de overdracht zonder gevolgen blijven.Artikelen 12.3 Subsidies verstrekt onder een provinciale Subsidieregeling natuurbeheer of een provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer kunnen onder voorwaarden worden omgezet naar een op grond van deze verordening te verstrekken subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omzettingsmogelijkheden zijn opgenomen in bijlage 8 en moeten op grond van het natuurbeheerplan zijn toegestaan. De looptijd van de subsidie kan op grond van artikel 12.3 worden verlengd zodat de subsidie in het jaarritme (kalenderjaar of beheerjaar) van de nieuwe subsidie wordt geplaatst.Artikel 12.4 Wanneer subsidies verstrekt onder een provinciale Subsidieregeling natuurbeheer, een provinciale Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de Minister van LNV of de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de Minister van LNV aflopen, kunnen begunstigden een subsidie aanvragen onder deze verordening. Nu kan het zo zijn dat het jaarritme van de oude subsidie en de nieuwe subsidie niet gelijk loopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan het voorkomen dat de ene subsidie in bijvoorbeeld oktober afloopt terwijl de nieuwe subsidie ingaat per 1 januari. Gedeputeerde Staten kunnen in die gevallen de nieuw aangevraagde subsidie verlenen voor zes jaar én de maanden die liggen tussen het einde van de oude subsidie en de ingang van de nieuwe subsidie.Artikelen 12.5 Als een rechtspersoon een aanvraag tot certificering gebiedscoördinator heeft ingediend maar er nog niet is besloten op deze aanvraag, kan hij tot 1 oktober 2010 toch een gebiedsplan ter goedkeuring bij Gedeputeerde Staten voorleggen. Als na indiening van zo’n collectief beheerplan het certificeringsverzoek wordt afgewezen, kunnen Gedeputeerde Staten het plan beoordelen op de inhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijzing van het certificeringsverzoek heeft geen gevolgen voor het reeds ingediende verzoek tot goedkeuring van het plan. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die het collectief beheerplan heeft ingediend, zal geen wijzigingen van het collectief beheerplan mogen indienen. Landbouwers die subsidie ontvangen conform het collectief beheerplan zullen eventuele wijzigingen van het collectief beheerplan door een gebiedscoördinator moeten laten opstellen die wel in het bezit is van een certificaat. Tot 31 december 2011 kunnen ook daartoe aangewezen ambtenaren optreden als gebiedscoördinator. Dit om te voorkomen dat binnen een gebied waar geen gebiedscoördinator aanwezig is, geen collectief agrarisch natuurbeheer plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een begunstigde nog niet is gecertificeerd maar wel een verzoek tot certificering heeft ingediend, kan hij een aanvraag tot subsidie indienen als was hij gecertificeerd. Mocht de certificering niet worden toegekend, dan vervalt in beginsel de subsidie, tenzij de begunstigde aangeeft ook subsidie te willen ontvangen onder de voorwaarden van niet-gecertificeerde. Dit betekent onder andere dat de hoogte van de subsidie wordt beperkt (zie art 3.8). Dit verzoek van de begunstigde is nodig omdat de subsidieaanvraag ziet op een subsidie onder de voorwaarden die gelden voor gecertificeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1: Beheertypen natuur Natuurtype Natuurbeheertype N01 Grootschalige, dynamische natuur N01.01 Zee en wad N01.02 Duin- en kwelderlandschap N01.03 Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en kalklandschap N02 Rivieren N02.01 Rivier N03 Beken en bronnen N03.01 Beek en Bron N04 Stilstaande wateren N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete Plas N04.03 Brak water N04.04 Afgesloten zeearm N05 Moerassen N05.01 moeras N05.02 Gemaaid rietland N06 Voedselarme venen en vochtige heiden N06.01 Veenmosrietland en moerasheide N06.02 Trilveen N06.03 Hoogveen N06.04 Vochtige heide N06.05 Zwakgebufferd ven N06.06 Zuur ven of hoogveenven N07 Droge heiden N07.01 Droge heide N07.02 Zandverstuiving N08 Open duinen N08.01 Strand en embryonaal duin N08.02 Open duin N08.03 Vochtige duinvallei N08.04 Duinheide N09 Schorren of kwelders N09.01 Schor of kwelder N10 Vochtige schraalgraslanden N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig schraalland N11 Droge schraalgraslanden N11.01 Droog schraalland N12 Rijke graslanden en akkers N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker N12.06 Ruigteveld N13 Vogelgraslanden N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N13.02 Wintergastenweide N14 Vochtige bossen N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en laagveenbos N14.03 Haagbeuken- en essenbos N15 Droge bossen N15.01 Duinbos N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos N16 Bossen met productiefunctie N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met productie N17 Cultuurhistorische bossen N17.01 Vochtig hakhout en middenbos N17.02 Droog hakhout N17.03 Park- en stinzenbos N17.04 Eendenkooi Bijlage 2: Recreatiepakket Voorschriften recreatiepakket (artikel 3.1.6, eerste lid, onderdeel b): 1. Het natuurterrein is niet ingevolge het natuurbeheerplan of artikel 3.1.6, derde lid, vrijgesteld van de openstellingsplicht. 2. Voor openstelling van het natuurterrein is geen ontheffing verkregen als bedoeld in artikel 3.1.6, vijfde lid. 3. Het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen, vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken. 4. De ontvanger van de subsidie onderhoudt de onder punt 3 genoemde wegen, vaarwegen en paden. 5. De ontvanger van de subsidie verleent – indien van toepassing – medewerking aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes voor wandelen en fietsen in het kader van de landelijke afstandswandelpaden (LAW’s) en lange fietsroutes (LF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3: Agrarisch natuurbeheer Onderdeel A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch natuurtype en bijbehorend agrarische beheertypen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch natuurtype Agrarisch Beheertype A01 Agrarische Faunagebieden A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfourageergebied A02 Agrarische floragebieden A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.02 Botanisch waardevol akkerland Onderdeel B:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel B.1. Agrarische beheertypen en bijbehorende agrarische beheerpakketten die zijn toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 in het kader van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 Agrarische beheertypen Agrarische beheerpakketten A01.01 Weidevogelgebied A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode A01.01.02 Weidevogelgrasland met voorweiden A01.01.03 Plas-dras A01.01.04 Landbouwgrond met legselbeheer A01.01.05 Kruidenrijk weidevogelgrasland A01.01.06 Extensief beweid weidevogelgrasland A01.02 Akkerfaunagebied A01.02.01 Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02 Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels A01.02.03 Bouwland voor hamsters A01.03 Ganzenfoerageergebied A01.03.01 Overwinterende ganzen A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.01.01 Botanisch weiland A02.01.02 Botanisch hooiland A02.01.03 Botanische weide- of hooilandrand A02.01.04 Botanisch bronbeheer A02.02 Botanisch waardevol akkerland A02.02.01 Akker met waardevolle flora A02.02.02 Chemie en kunstmestvrij land A02.02.03 Akkerflora randen Onderdeel B.2. Agrarische beheertypen en bijbehorende regionale agrarische beheerpakketten Agrarische beheertypen Agrarische beheerpakketten (regionaal) A01.01 Weidevogelgebied A01.01.04c.Ut Legselbeheer met hoge dichtheid weidevogels A01.02 Akkerfaunagebied A01.03 Ganzenfoerageergebied A01.03.02.Lb Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A01.04 Insectenrijke graslanden A01.04.01.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal A01.04.02.Lb Insectenrijke graslandranden Roerdal A01.05 Bever foerageergebied A01.05.01.Lb Foerageerrand bever A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.02 Botanisch waardevol akkerland Beschrijving regionale agrarische beheerpakketten Agrarisch beheerpakket A01.01.04c.Ut: Legselbeheer met hoge dichtheid weidevogels Instapeisen: 1. De beheereenheid is gelegen in een door Gedeputeerde Staten van Utrecht in het natuurbeheerplan aangewezen gebied. 2. De beheereenheid bestaat uit grasland. 3. De beheereenheid is ten minste 0,5 ha groot. 4. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd A01.03. Beheereisen: 1. De beheereenheid wordt tijdens het broedseizoen een of enkele malen afgezocht op aanwezige legsels, welke worden gemarkeerd. 2. De beheereenheid wordt niet beweid voordat het betreffende deel van de beheereenheid gemaaid is. 3. Indien een perceel grasland wordt gemaaid of anderszins bewerkt, wordt een enclave van tenminste 25m2 om de aanwezige nesten gevrijwaard van alle landbouwkundige werkzaamheden. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de totale oppervlakte van de beheereenheden waarop in een beheerjaar het onderhavige beheerpakket wordt uitgevoerd, wordt een getrapt maaibeheer uitgevoerd volgens onderstaande voorwaarden: a. de eerste maaibeurt vindt niet vóór 1 mei en niet later dan 6 mei plaats, waarbij ten minste 20% van die totale oppervlakte wordt gemaaid; b. de tweede maaibeurt vindt niet vóór 8 mei en niet later dan 15 mei plaats, waarbij maximaal 60% van die totale oppervlakte wordt gemaaid; c. de derde maaibeurt vindt niet vóór 17 mei en niet later dan 23 mei plaats, waarbij ten minste 20% van die totale oppervlakte wordt gemaaid. 5. Tussen elke maaibeurt zit een periode van ten minste één week. 6. Van de gevonden nesten wordt door de begunstigde een nestkaart bijgehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van het broedseizoen worden deze gegevens door de begunstigde digitaal ter beschikking gesteld aan Gedeputeerde Staten. Varianten: A01.01.04c1.Ut: Legselbeheer op grasland met 150 tot 200 broedparen per 100 hectare. A01.01.04c2.Ut: Legselbeheer op grasland met 200 tot 300 broedparen per 100 hectare. A01.01.04c3.Ut: Legselbeheer op grasland met meer dan 300 broedparen per 100 hectare. 3. De aanduidingen zoals opgenomen in de titel van de in onderdeel B.2 opgenomen agrarische beheerpakketten met de aanduidingen A01.03.02 en A01.05.01 wordt gewijzigd in A01.03.02.Lb respectievelijk A01.05.01.Lb. 4. De in onderdeel B.2 opgenomen agrarische beheerpakketten met de aanduiding A01.04.01.Lb en A01.04.02.Lb komen als volgt te luiden: Agrarisch beheerpakket A01.04.01.Lb: Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal Instapeisen: 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheereenheid bestaat uit een perceel grasland van minimaal 0,2 hectare groot. Beheereisen: 1. De graslanden worden gemaaid conform de beheereisen van de betreffende variant. Buiten de aangegeven periodes is maaien niet toegestaan. 2. Het grasland mag niet gescheurd, gefreesd, geploegd of heringezaaid worden. 3. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van jacobskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid. 4. Beweiding is toegestaan in de periode 15 september tot 1 januari met maximaal 2 GVE per hectare. Buiten deze periode is beweiding niet toegestaan. Varianten: A01.04.01a.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Basis 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehele beheereenheid wordt ieder jaar in de periode van 1 mei tot 1 juni gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. 2. Ieder jaar wordt 75 % van de beheereenheid in de periode van 15 september tot 1 januari gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. 3. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht. A01.04.01b.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Plus 1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode van 15 september tot 1 januari, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Het daaropvolgende jaar wordt de andere 50% van de beheereenheid gemaaid in de periode 15 september tot 1 januari, waarbij eveneens het maaisel wordt afgevoerd. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bemesting is niet toegestaan, met uitzondering van instandhoudingsbemesting met kalk of ruige mest, uitgezonderd kippenmest. Agrarisch beheerpakket A01.04.02.Lb: Insectenrijke graslandranden Roerdal Instapeisen: 1. De beheereenheid bestaat uit grasland en grenst aan een wegberm, een watergang of aan opgaande houtachtige begroeiing. 2. De beheereenheid is minimaal 50 meter lang en tussen de 5 en 10 meter breed. Beheereisen: 1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de periode van 15 september tot 1 januari, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Het daaropvolgende jaar wordt de andere 50% van de beheereenheid gemaaid in de periode 15 september tot 1 januari, waarbij eveneens het maaisel wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de aangegeven periode is maaien niet toegestaan. 2. Het grasland mag niet gescheurd, gefreesd, geploegd of heringezaaid worden. 3. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan met uitzondering van pleksgewijze bestrijding van jacobskruid, brandnetel, akkerdistel, ridderzuring, haagwinde of kleefkruid. 4. Beweiding is niet toegestaan. 5. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch beheerpakket A01.03.02: Opvang overzomerende Grauwe ganzen Maasplassen Instapeisen: 1. De beheereenheid is een perceel grond, welk minimaal 0,5 hectare groot is en gelegen binnen de begrenzing van de aangegeven zoekgebieden in het beheerplan voor de overzomerende Grauwe gans in Limburg. 2. De beheereenheid bestaat uit bemest grasland. 3. Er dient op de beheereenheid in het foerageerseizoen te allen tijde aantrekkelijk gras voor ganzen aanwezig te zijn. Onder aantrekkelijk gras wordt verstaan; gras met een lengte van 5 tot 15 cm. Er dient op geen enkele plaats binnen het foerageergebied gras met een lengte van meer dan 30 cm aanwezig te zijn, tenzij dit niet volgens de goede landbouwpraktijk voorkomen kan worden. 4. Op de beheereenheid mogen geen ganzen verjaagd worden. Overige dieren die schade veroorzaken mogen wel ver- en bejaagd worden, mits de ganzen niet verstoord worden. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk ganzen op de beheereenheid te krijgen en te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheereisen: 1. De beheereenheid dient 3 keer per jaar gemaaid of gebloot te worden. Dit dient niet volvelds te worden gedaan om altijd kwalitatief, voldoende gras aan te kunnen bieden. 2. Overige werkzaamheden die de graskwaliteit verbeteren, maar het foerageren op korte termijn belemmeren, dienen in gedeeltes uitgevoerd te worden. (vb: slepen van grasland, bemesten, bloten, oogsten). Onder normale weersomstandigheden dient te allen tijde geschikt gras aanwezig te zijn. 3. Indien de grasgroei het toelaat kan er geweid worden. Het vee mag niet langer dan 4 weken op een perceel lopen. Het totale perceel mag ingedeeld worden in kleinere percelen om de dieren te laten omweiden. Hierbij dient de beweiding in dienst van het beheerdoel te staan.</p></div>", "next": 239086}