{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien de werkzaamheden aan kabels of leidingen plaatsvinden op initiatief van de gemeente, vindt de coördinatie met betrekking tot afstemming, planning en samenhang plaats door burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereiding en aanvraag instemmingsbesluit of vergunning De netbeheerder stemt zijn ontwerp af met derde belanghebbenden. De afstemming dient te worden voorgelegd aan burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder vraagt het instemmingsbesluit of de vergunning aan met inachtneming van de vereisten van artikel 5.14 en 5.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders sturen een ontvangstbevestiging van de aanvraag naar de netbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werkplan Afhankelijk van de mogelijke invloed die de werkzaamheden van de netbeheerder hebben op de omgeving, kan door burgemeester en wethouders een werkplan worden verlangd, waarin de onderwerpen opgesomd in bijlage 5.14, onder d beschreven dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werkplan behoort onlosmakelijk bij het instemmingsbesluit of de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werkplan dient te worden goedgekeurd door burgemeester en wethouders Voorschouw De netbeheerder kan burgemeester en wethouders vragen om een voorschouw vast te stellen, waarbij de bestaande toestand van de openbare ruimte wordt vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande toestand wordt in beginsel door de netbeheerder opgenomen in een rapport, voorzien van omschrijvingen en beeldmateriaal. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om de bestaande situatie zelf op te nemen in een rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rapportage als bedoeld in het vorige lid wordt door burgemeester en wethouders vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen voorschouw heeft plaatsgevonden, wordt schade aan de openbare ruimte geacht te zijn veroorzaakt door de werkzaamheden van de netbeheerder, tenzij deze het tegendeel kan aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Startmelding en inlichten belanghebbenden De netbeheerder maakt minimaal vijf werkdagen voorafgaande aan de start van zijn werkzaamheden langs elektronische weg een startmelding via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding voor kleine werkzaamheden geldt tevens als startmelding als bedoeld in sub a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de startmelding niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt de startmelding schriftelijk in enkelvoud ingediend bij burgemeester en wethouders. Een afschrift van de vergunning of het instemmingsbesluit moet bij de startmelding worden bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal vijf werkdagen voorafgaande aan de start van zijn werkzaamheden informeert de netbeheerder alle belanghebbenden, waarbij de volgende informatie wordt verstrekt: de contactgegevens van de netbeheerder; de contactgegevens van de uitvoerende partij; de start- en einddatum van de werkzaamheden; een omschrijving van de werkzaamheden; een omschrijving van de bereikbaarheid in verband met afzetting en omleiding; de contactgegevens van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder contactgegevens als bedoeld in sub d wordt in ieder geval verstaan een e-mailadres en telefoonnummer van degene die verantwoordelijk is voor de uit te voeren werkzaamheden of, waar het betreft de gemeente, is toegewezen als contactpersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afschrift van de in sub d aan belanghebbenden verstrekte informatie dient aan burgemeester en wethouders te worden gezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de netbeheerder niet op de aangegeven datum start, meldt hij dit aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een nieuwe startmelding noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de netbeheerder schade aan de openbare ruimte binnen zijn werkgebied aantreft, dan dient hij dat voor aanvang van de werkzaamheden aan de toezichthouder te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoering Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient een kopie van het instemmingsbesluit of de vergunning met alle bescheiden aanwezig te zijn op het werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder voert zijn werkzaamheden uit in overeenstemming met het instemmingsbesluit dan wel de vergunning en het eventuele werkplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient de toezichthouder van de gemeente te allen tijde een aanspreekpunt te hebben vanuit de uitvoerende partij die de verantwoordelijkheid draagt voor het naleven van de wet- en regelgeving en de door de gemeente gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder waarborgt de veiligheid op de werklocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder zorgt ervoor dat wegen en voetpaden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk schoon gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerpen, bouwstoffen en uitvoeringsmethoden dienen aantoonbaar te voldoen aan alle geldende wetten, normen en richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden in, op of in de nabijheid van bomen, bermen, gazons of groenvoorzieningen moet gehouden worden aan het gemeentelijk beleid op dit terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per dag mag er geen grotere sleuf worden gegraven dan op die dag kan worden hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herstel van de weg dient in beginsel direct na voltooiing van de fysieke werkzaamheden plaats te vinden. Totdat de weg is hersteld blijft de netbeheerder verantwoordelijk voor de instandhouding van de bereikbaarheid en verkeersmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de voorschriften als bedoeld in deze bijlage dient de uitvoering te geschieden conform de volgende voorschriften:</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn zorgvuldig graafproces (CROW-publicatie 250);</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen in verontreinigde bodem (CROW-publicatie 307);</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen rond wateren en waterkering (CROW-publicatie 308);</p>\n<p class=\"lf-p\">Combineren van onder- en bovengrondse infrastructuur met bomen (CROW-publicatie 280);</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen op niet-autosnelwegen (CROW-publicatie 96b);</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgaan met vrijkomend asfalt (CROW-publicatie 210);</p>\n<p class=\"lf-p\">Handleiding Wegenbouw, Ontwerp Onderbouw, Richtlijn Boortechnieken, (DWW-2003-047);</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaard RAW bepalingen 2015 (CROW publicatie 480).</p>\n<p class=\"lf-p\">Werktijden Werkzaamheden worden uitgevoerd op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, tussen 08:00 en 17:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen afwijkende werktijden voorschrijven in het instemmingsbesluit of de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graaf- en breekverbod Burgemeester en wethouders kunnen in de volgende situaties een graaf- en breekverbod instellen: bij extreme weersomstandigheden; bij een gesloten sneeuwdek en vorst; op de locatie waar een evenement plaatsvindt en in de directe omgeving daarvan; indien onvoorziene omstandigheden leiden tot gevaar voor de openbare orde of de veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een graaf- en breekverbod wordt ingesteld op het moment dat er reeds werkzaamheden worden verricht, dan: wordt op plaatsen waar de wegverharding is opgebroken tijdelijke bestrating aangebracht en dient losliggend puin en overtollig zand te worden afgevoerd door de netbeheerder; dient opslag van materialen achter deugdelijk afgesloten bouwhekken plaats te vinden door de netbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich tijdens een ingesteld graafverbod een calamiteit of ernstige belemmering of storing voordoet in de dienstverlening, als bedoeld in artikel 5.13 en 5.23, dient de procedure in bijlage 5.13 te worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid De netbeheerder dient de bereikbaarheid voor hulpdiensten doorlopend te waarborgen, waarbij de hulpdiensten de gebouwen en werken op tenminste 40 m moeten kunnen benaderen. De minimale doorrijdbreedte bedraagt 3,5 m en de doorrijdhoogte 4,5 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandkranen, aansluitingen voor droge blusleidingen dienen te allen tijde zichtbaar en bereikbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder is verantwoordelijk voor de bereikbaarheid van woningen, winkels, bedrijven en openbare gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle (nood)uitgangen dienen over de volle breedte toegankelijk gehouden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder waarborgt de toegang tot particuliere percelen tot aan de openbare weg gedurende de uitvoering van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid voor personen met een functiebeperking Voor personen met een functiebeperking dient ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw over een weg, pad of steiger te lopen met: een breedte van ten minste 1,10 m, en bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m, een hellingbaan als bedoeld in afdeling 2.6. van het Bouwbesluit 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gereedmelding of dreigende overschrijding De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen langs elektronische weg een gereedmelding bij burgemeester en wethouders via het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dreigende overschrijding van de toegestane uitvoeringsduur dient voor verlenging van de uitvoeringsduur een melding te worden gedaan in het door de gemeente gehanteerde meldsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de melding als bedoeld in sub b kunnen nadere voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gereedmelding niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt de gereedmelding schriftelijk in enkelvoud ingediend bij burgemeester en wethouders. Een afschrift van de vergunning of het instemmingsbesluit moet bij de gereedmelding worden bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opname eindsituatie De eindsituatie kan door de toezichthouder worden opgenomen en vastgelegd in een eindrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van het eindrapport als bedoeld in sub a levert de netbeheerder, indien de werkzaamheden niet conform de voorschriften zijn uitgevoerd, een aangepaste tracétekening aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport wordt akkoord bevonden door de toezichthouder als de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de gestelde voorschriften dan wel als de aangepaste tracétekening is geaccordeerd en als er overeenstemming is over het herstel in de oude staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5.15 - II Aanvullende technische bepalingen ten aanzien van de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van telecomkabels en kabels en leidingen Herkenbaarheid Zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen dienen te zijn voorzien van een kenmerk, waarop duidelijk te zien is wie de beheerder van de voorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tracébepaling algemeen In het gehele beheergebied van de gemeente geldt bij plaatsbepaling van kabels en leidingen als uitgangspunt het gemeentelijk normprofiel (Technische Voorwaarden Beverwijk, paragraaf 3.11)5). De netbeheerder stemt zijn werkzaamheden af conform het gestelde in de NPR 7171-2 en de CROW500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het normprofiel bij herontwikkeling dan wel nieuwbouw wordt in onderling overleg tussen burgemeester en wethouders, de projectontwikkelaar en de netbeheerder afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met aanwezige objecten zoals langs liggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende kabels en leidingen, bomen, gebouwen, en lijnafwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tracébepaling energietransitie en digitale connectiviteit Indien in het kader van de energietransitie en/of verzwaren van elektriciteitskabels in combinatie met de verwijdering van gasleidingen tracés van meer dan 1000m, of werkzaamheden worden uitgevoerd in gebieden waar gemeente werken aan de openbare ruimte uitvoert, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in lid 1 sub b van Bijlage 5.15-I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in het kader van de energietransitie het ruimtebeslag in de ondergrond door innovatieve elektriciteits- en/of warmtevoorzieningen afwijkt van het gemeentelijk normprofiel, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in lid 1 sub b van Bijlage 5.15-I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in het kader van digitale connectiviteit een interlokale telecomkabel of een nieuw (glasvezel)net wordt aangelegd in openbare gronden van de gemeente, wordt voorafgaande aan de tracébepaling overleg gevoerd als bedoeld in lid 1 sub b van Bijlage 5.15-I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horizontale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de horizontale indeling de volgende algemene uitgangspunten: in de berm langs de rijbaan wordt dezelfde afstand tussen de aan te leggen kabel of leiding en de berm gehanteerd als de diepteligging, met een minimum van 0,50 m. huisaansluitingen en tijdelijke aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het net aangelegd. bij het indelen van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met gemeentelijk beleid op dit terrein. bij het kruisen van (water)wegen worden kabels of leidingen zo veel mogelijk haaks aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verticale indeling Bij de tracébepaling gelden ten aanzien van de verticale indeling de volgende algemene uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt een minimale dekking van 0,60 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Distributieleidingen worden niet dieper aangelegd dan transportleidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingswerken, zoals mantelbuizen, dienen minimaal 0,50 m aan weerszijden van het te kruisen vlak door te lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij sleufloze technieken is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Watergangen worden gekruist volgens de regels van de keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Kabels, die een watergang kruisen, worden ommanteld dan wel op een gelijksoortige wijze van een beschermingsbuis te worden voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijkende voorschriften leidingstroken Door de gemeente kunnen afwijkende leidingstroken worden vastgesteld, waarin afwijkende voorschriften gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovengrondse voorzieningen De locatie van bovengrondse voorzieningen die verband houden met kabels en leidingen wordt vooraf afgestemd met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De netbeheerder is verantwoordelijk voor een goed beheer van de bovengrondse voorzieningen en dient op aanschrijven van burgemeester en wethouders bij beschadigingen, vervuiling en/of bekladding de bovengrondse voorzieningen binnen de door burgemeester en wethouders gestelde termijn te herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handholes De locatie van handholes wordt vooraf afgestemd met burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders kunnen alvorens in te stemmen met de locatie van de aanvrager een spitprofiel eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handholes worden altijd buiten het kabel of leiding tracé aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handholes worden niet geplaatst in de rijbanen het fietspad en niet binnen een afstand van 3 meter vanaf bomen en buiten de kroonprojectie van bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen van en naar de handhole dienen in beginsel de overige netten onderlangs te kruisen om verweving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handholes die maximaal 2 x per jaar geopend worden, worden aangebracht met een minimale dekking van 0,40 m onder het maaiveld en afgedekt met straatzand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handholes die meer dan 2 x per jaar geopend worden, worden voorzien van een geprofileerde putdekselconstructie conform verkeersklasse D400 NEN-EN 124. Na zetting dient de putdekselconstructie op dezelfde hoogte te liggen als het omringend maaiveld en/of (bovenkant) elementenverharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitnemen en terugplaatsen grond en groenvoorzieningen De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige kabels en leidingen en overige objecten wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan om wegbedekking te ondergraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de werkput de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat de uitkomende grond niet direct langs de sleuf opgeslagen kan worden dient opslag in overleg met burgemeester en wethouders op een andere locatie plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het terugplaatsen van de grond dient het bodemprofiel zoveel mogelijk te worden hersteld. De werkput hoeft niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond en dient om de 0,25m te worden verdicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond dient op zodanige wijze te zijn afgewerkt dat er na klink sprake is van een vlakke aansluiting op de ongeroerde grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het dichten van een sleuf moet de aangevulde grond mechanisch worden verdicht in twee of drie lagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wateroverlast wordt de verdichting van de ondergrond in een later stadium door de netbeheerder definitief hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevroren grond en sneeuw mag niet worden verwerkt in de aanvulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal dat vrijkomt en niet kan worden hergebruikt, dient door de netbeheerder voor eigen rekening te worden afgevoerd naar een erkend verwerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgenomen te handhaven groenvoorzieningen dienen ruim te worden uitgestoken, gescheiden van de te ontgraven grond en te worden beschermd tegen uitdroging en binnen 24 uur na het gereedkomen van de werkzaamheden te worden terug geplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementverharding Het opnemen en terugplaatsen van elementverharding dient zorgvuldig plaats te vinden, waarbij schade zo veel mogelijk wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitgenomen elementverharding dient altijd binnen de afzetting te worden opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herstel dient van dezelfde kwaliteit te zijn als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanvullen van de sleuf dient de aanvulling te bestaan uit tenminste 0,50m verdicht zand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgevoerd straatwerk dient te worden afgetrild en ingeveegd met brekerzand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om het herstel van de elementverharding in dezelfde kwaliteit uit te voeren als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd, dient de uitvoering en de daarbij behorende kostenverdeling van het herstel voorafgaande aan de werkzaamheden in overleg met burgemeester en wethouders te zijn overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesloten verharding Werkzaamheden aan kabels en leidingen onder gesloten verharding worden uitgevoerd met behulp van een sleufloze techniek en worden voorzien van een mantelbuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebruik van een mantelbuis moet de mantelbuis minimaal 0,50m buiten de fundering van de gesloten verharding uitsteken. De ruimten tussen de mantelbuis en kabel of leiding moeten aan de uiteinden volledig worden afgedicht conform de daarvoor geldende normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een sleufloze techniek niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat de gesloten verharding gedeeltelijk verwijderd mag worden door middel van zagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ingraven wordt, na verdichting van de sleuf en herstel van de funderingslaag de sleuf tijdelijk dicht geblokt met standaard betonstenen. De betonstenen dienen te worden gelegd met de vlakke kant boven. Er mogen alleen hele betonstenen verwerkt worden. De bovenzijde van de stenen dient gelijk te zijn met de omliggende verharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente stelt op aanvraag van de netbeheerder betonstenen ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere verharding Als uitgangspunt geldt dat kabels en leidingen niet worden gelegd onder bijzondere verharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen dat aanleg onder bijzondere verharding onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijnafwatering Als uitgangspunt geldt dat kabels en leidingen niet worden gelegd binnen 1,00 m afstand van lijnafwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen dat aanleg onder of nabij lijnafwatering onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen die hun functie verliezen Tijdelijke voorzieningen, waaronder damwanden en heipalen, dienen in beginsel te worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld en niet verwijderd kunnen worden, dienen deze te worden vol geschuimd en aan weerszijden te worden afgedicht ter voorkoming van indringend water, grond en vuil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het achterlaten van voorzieningen dient overeenstemming te zijn met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5.19 Aanvullende bepalingen voor de overdracht of de wijziging van de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels en leidingen Indien een instemmingsbesluit of vergunning wordt overgedragen aan een ander dan de aanvrager of de houder, meldt de aanvrager of houder dat ten minste een maand voordien aan burgemeester en wethouders, onder vermelding van de volgende gegevens: zijn naam en adres en contactgegevens; het nummer van het over te dragen instemmingsbesluit of vergunning; de naam en het adres van degene aan wie het instemmingsbesluit of de vergunning wordt overgedragen; een contactpersoon van degene voor wie het instemmingsbesluit of de vergunning zal gaan gelden; de beoogde datum van overdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in artikel 5.19 en 5.29 vermeldt de netbeheerder de volgende gegevens: zijn naam en adres; het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van de kabel(s) of leiding(en) waarop de verandering betrekking heeft; een omschrijving van de verandering in eigendom of exploitatie; wanneer het om een verandering in de eigendom gaat: de naam en het adres van de nieuwe eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) Algemene toelichting Naar verwachting treedt binnenkort de Omgevingswet in werking. Deze wet bundelt wetgeving uit 26 wetten over de fysieke leefomgeving. Onderdelen die onder de fysieke leefomgeving vallen, zijn in ieder geval: bouwwerken, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit blijkt uit artikel 1.2 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke doelen. Dit blijkt uit artikel 1.3 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. De gemeente heeft hiervoor tot eind 2029 de tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbereiding op de Omgevingswet is de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) gemaakt. Regels uit verschillende verordeningen zijn hierin samengebracht. De VFL is een tussenstap naar het definitieve omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de regels vanuit de VFL in fases verwerkt in het definitieve omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VFL is sinds 1 januari 2020 van kracht en is in tranches aangevuld met regels uit verschillende verordeningen. Bij het omzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet. Het gaat om redactionele wijzigingen, juridisch-technische wijzigingen en actualisatie van beleid. De VFL wordt elk jaar geactualiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad zijn de regels van een aantal verordeningen volledig opgegaan. Deze verordeningen zijn daarom ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwverordening Zaanstad 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017;</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandbeveiligingsverordening 2012;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rioolaansluitingsverordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad zijn van een aantal andere verordeningen een deel van de regels opgenomen. Deze verordeningen zijn voor het overige van kracht gebleven. Dit betreft:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Zaanstad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikelen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De meeste begrippen die gebruikt worden in deze verordening worden niet gedefinieerd. Dit is niet nodig wanneer begrippen worden gebruikt conform het normale, algemeen gangbare spraakgebruik. Voor de invulling kan worden aangesloten bij het \"Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse Taal\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal begrippen uit de Omgevingswet wordt opgenomen in deze verordening, omdat de Omgevingswet nog niet van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Dit is de definitie uit de voormalige Bouwverordening. Deze definitie is gebaseerd op jurisprudentie. De bestuursrechter heeft uitgemaakt dat het begrip bouwwerk in de Woningwet én in de Wabo zo moet worden uitgelegd. Deze wetten kennen zelf geen definitie van het begrip bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke leefomgeving Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk nieuw begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van ‘fysieke leefomgeving’ is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstand Het begrip houtopstand wordt niet altijd op dezelfde manier gebruikt. De Wet natuurbescherming schaart een enkele boom niet onder houtopstand. Maar in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) valt een vrijstaande boom wel onder het begrip houtopstand. Dit blijkt uit artikel 2.2 Wabo dat stelt dat voor het kappen van een boom een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand nodig is. In deze verordening wordt de begripsbepaling van de Wabo gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Infrastructuur Deze definitie is gebaseerd op de definitie die in de Omgevingswet is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting De Omgevingswet kent het begrip inrichting niet. In deze verordening werken wij vooralsnog met het begrip inrichting. Immers in huidige wetgeving wordt hiermee gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen Dit is een breed begrip. Het omvat kabels en leidingen én de daarbij behorende onderdelen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, zoals brandkranen, afsluiters, mantelbuizen, kasten en gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligplaats voor vaartuigen Deze definitie is opgenomen, omdat dan op deze manier de verordening en het aanwijzingsbesluit ligplaatsen voor vaartuigen beter op elkaar aansluiten. In dit aanwijzingsbesluit worden door burgemeester en wethouders diverse categorieën van ligplaatsen voor vaartuigen aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare grond Dit is een breed begrip. Het omvat de openbare weg en openbaar water en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoedeisende werkzaamheden Deze definitie is opgenomen om dat onder meer bij kabels en leidingen en bij bomen spoedeisende werkzaamheden nodig kunnen zijn waardoor een aangepast aanvraagprocedure noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telecomaanbieder Deze definitie verwijst naar de Telecommunicatiewet. Op deze telecomaanbieder zijn de rechten en plichten van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing. Paragraaf 5.3 A bevat bepalingen die slechts van toepassing zijn op telecomaanbieders en niet op andere netbeheerders zoals de nutsbedrijven. Dit zijn bepalingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telecomkabel In de Telecommunicatiewet is een specifiek regime opgenomen voor telecomkabels. Dit regime ziet er onder andere op dat deze kabels gedoogd moeten worden in ‘openbare gronden’ en dat deze verlegd moeten worden indien de gedoog-plichtige daarom verzoekt. Dit dient wel te geschieden op basis van de bij de wet aangegeven redenen. Dit regime ziet enkel op kabels die vallen onder de definitie van ‘kabel’ zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vellen In lijn met de Wabo en de Omgevingswet wordt in deze verordening het begrip vellen als overkoepelend begrip gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is nieuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste tranche van de VFL bevat (een deel van de) regels die voorheen waren opgenomen in de Bouwverordening Zaanstad 2008, Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad, Brandbeveiligingsverordening 2012, Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017 en een deel van de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt in tranches aangevuld met regels over andere onderwerpen, die gaan vallen onder de reikwijde van de Omgevingswet. Dit ter voorbereiding op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2021 van kracht wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels over de ruimtelijke ordening worden niet opgenomen in deze verordening, omdat deze verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening samen met de bestemmingsplannen opgenomen in het toekomstige omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen van de verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid geeft het doel van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede is gebaseerd op de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geeft het overkoepelende doel van de regels in deze verordening aan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.6 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel actoren worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving lopen sterk uiteen. De algemene zorgplicht houdt in dat een ieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functies van de zorgplicht zijn: bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen, bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verwachting dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook toelichting bij artikel 2.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook toelichting bij artikel 2.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 13.11 en 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 13 model Erfgoedverordening 2016 en is ter vervanging van een deel van de artikelen 10, 17 en 23 van de Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit verbod geldt ook voor een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument. Zie artikel 4.9. over de voorlopige aanwijzing van een gemeentelijk monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid en 3 Deze zorgplicht geldt voor al het onroerend cultureel erfgoed, te weten gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten, beschermd stads- en dorpsgezicht en archeologische monumenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel was opgenomen in artikel 3.3 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder of een telecomaanbieder primair verantwoordelijk is voor een goede staat en onderhoud van (telecom)kabels of leidingen. Wanneer (telecom)kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat en onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die paragraaf 5.3A en paragraaf 5.3B behartigen, biedt dit artikel aan de gemeenten een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer, de openbare verlichting, huisnummering en wijk-, buurt- of straatnaamgeving het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gedoogplicht is ook een zorgplicht opgenomen om er voor te zorgen dat de objecten ook daadwerkelijk zichtbaar blijven en hun functie kunnen uitoefenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Oplaten van ballonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter vervanging van artikel 4:9a APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk het oplaten van ballonnen te verbieden. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is opgenomen dat het alleen ballonnen betreft die zonder sturing wegdrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel stond in de VFL eerste tranche als artikel 5.20 maar is nu vernummerd naar artikel 2.11. Het is gebaseerd op het voormalige artikel 2:22 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van een hoogspanningslijn wordt veelal in het bestemmingsplan een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een vangnet voor het geval dat een bestemmingsplan ontbreekt. Het biedt een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod dumpen van stoffen of voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 15 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de natuur en het milieu te beschermen. Het geeft de gemeente een instrument om illegale dumpingen en het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Tweede lid Dit lid geeft aan wanneer dit artikel niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat de activiteit niet verboden en strafbaar is. Maar de handhaving gebeurt op basis van een andere gemeentelijke wet of hogere wet- of regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Deze bepaling zorgt ervoor dat de handhaving en de bewijslast makkelijker wordt, omdat niet altijd te achterhalen is wie de stoffen of voorwerpen heeft gedumpt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 16 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en aantrekkelijk te houden. Het legt aan alle gebruikers van de openbare ruimte een zorgplicht op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat vooral over afval dat onderweg in de openbare ruimte ontstaat. Er moet worden voorkomen dat afval als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om afval dat buiten een perceel ontstaan. Huishoudelijke afval, dat ontstaat op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen in de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB Ook het achterlaten van afval van grotere omvang en gewicht valt niet onder de reikwijdte van dit artikel. Dit wordt beschouwd als het dumpen van een voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving zwerfafval. Dit afval moet in alle gevallen via de daarvoor opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt de algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving specifieke gemaakt, omdat zwerfafval te vaak voor komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In de openbare ruimte zijn afvalbakken en andere algemene of specifieke inzamelvoorzieningen aanwezig. Denk aan voorzieningen voor het inzamelen van papier, plastic, glas en wijkcontainers voor meerdere huishoudens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het komt vaak voor dat materiaal wordt aangeboden. Naast de zorgplicht van degene die dat materiaal aanneemt, heeft ook degene die het aanbiedt de zorgplicht dat niets wordt achtergelaten in de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Ook dit lid heeft het doel om zwerfafval te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 17 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verkoop van eet- of drinkwaren ontstaat heel vaak afval. De verkoper is ervoor verantwoordelijk dat er geen zwerfafval ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is aanvullend op artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van hiervan geldt voor inrichtingen in de zin van het Activiteitenbesluit al een verplichting ten aanzien van het opruimen van zwerfafval. Bijvoorbeeld voor een horecagelegenheid, crematorium als sportaccommodatie geldt de verplichting om binnen een straal van 25 meter afval van o.a. etensresten op te ruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De verkoper van eet- en drinkwaren zorgt dat er middelen voor de inzameling van het afval en het verpakkingsmateriaal aanwezig zijn. Bijvoorbeeld afvalbakken of (verzamel)containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Uitpuilende afvalbakken veroorzaken zwerfafval. Daarom heeft de verkoper ook de plicht om de afvalbakken op tijd te legen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Ook deze zorgplicht draagt bij aan het voorkomen van zwerfafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit artikel is een aanvulling op artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het is toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten af van artikel 2.13.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod verontreinigen van de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 18 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen, veilig en aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het vervoeren, laden en lossen regelmatig verontreiniging optreedt geeft het de gemeente de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruimen te dwingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod opslaan afval in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 19 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het verbod gaat over het langdurige opslaan van afval, waardoor de fysieke leefomgeving wordt ontsierd en er (reuk)overlast kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat niet om het tijdelijk bewaren van afval voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit artikel is niet van toepassing op situaties die zijn geregeld in de Afvalstoffenverordening of de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het richt zich dus niet op bedrijven die handelen met een vergunning op basis van de genoemde wetgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod plaatsen van autowrakken in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het artikel 20 van de Afvalstoffenverordening. Maar artikel 20 blijft ook van kracht, want heeft ook andere motieven dan bescherming van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een aanvulling op de Afvalstoffenverordening en het Besluit beheer autowrakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel is om de fysieke leefomgeving aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om autowrakken in de openbare ruimte te plaatsen, omdat daardoor de fysieke leefomgeving wordt ontsierd en er overlast kan ontstaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Proces, procedure en adviescommissie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kent een aantal die op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als omgevingsvergunning moeten worden behandeld. Hiervoor gelden dan de regels uit de Wabo en daaruit voortvloeiende regelgeving. Een van de regels is dat burgemeester en wethouders niet altijd het bevoegd gezag zijn dat beslist over de aanvraag. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om in plaats van bevoegd gezag altijd burgemeester en wethouders op te nemen. Als er sprake is van een andere bevoegd gezag voor burgemeester en wethouders wordt gelezen het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als hiervan bij een vergunningplicht sprake kan zijn, dan is dit in de toelichting bij het artikel vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Zij zenden de aanvraag door aan het bevoegd gezag en stellen de aanvrager daarvan op de hoogte. De behandeling van de aanvraag wordt dan voortgezet door het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze doorzendplicht is geregeld in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.1 Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Indienen aanvraag en melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geeft de procedure voor de indiening van een aanvraag voor een beschikking of een melding van activiteiten en de indiening van plannen, verslagen of andere stukken daarover. Er wordt gebruik gemaakt van een door burgemeester en wethouders vastgestelde digitale procedure met formulieren. De indiening vindt plaats via www.zaanstad.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijn is genoemd in diverse verordeningen en staat eveneens in artikel 16.64 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager krijgt hiervan bericht van B&amp;W met het verzoek om de aanvraag aan te vullen. Dit is een uitnodiging in de zin van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het bericht bevat een termijn waarbinnen de gelegenheid is om de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geadviseerd wordt om een aanvraag tijdig in te dienen, bij voorkeur veertien weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd. Door het tijdig indienen van de aanvraag bereikt de aanvrager dat burgemeester en wethouders tijdig een besluit kunnen nemen over de benodigde vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing wordt verklaard, nemen burgemeester en wethouders binnen 6 maanden een besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften kunnen ook beperkingen inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 1:6 APV, artikel 5.40 Omgevingswet en artikel 15 model erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kennen de onderliggende wet en deze verordening ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo geeft artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat een vergelijkbare regeling voor het intrekken van omgevingsvergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de omgevingsvergunning wordt het besluit om te wijzigen of deels of geheel in te trekken van de vergunning of ontheffing op artikel 5.19 van de Wabo gebaseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige hoofdstuk 9 Welstand en bijlage 9 van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige bepalingen over de samenstelling, taakstelling en werkwijze van de adviescommissie zijn vastgelegd in het ‘Reglement van Orde te gebruiken voor de Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 13 februari 2014. Dit reglement blijft van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentelijk erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 2 en 12 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking tot de fysieke leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 5 en 6 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve concreet worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de over onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 9 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedrgister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 10 van de model Erfgoedverordening 2016 Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk monument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 11 van de model Erfgoedverordening 2016 Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen[, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van de model Erfgoedverordening 2016. Het derde lid is gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van aanwijzen van beschermde bomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het doel van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als beschermde boom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:11 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit lid wordt de bevoegdheid om een boom aan te wijzen als beschermde boom door de raad overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geeft dit lid de redenen (gronden) aan waarom een boom kan worden aangewezen als beschermde boom. Vanaf dat moment is het vellen van de boom alleen toegestaan wanneer daarvoor door de gemeente een omgevingsvergunning is afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing gebeurt op eigen initiatief of op verzoek. Het college zal dit verzoek beoordelen aan de hand van criteria zoals genoemd in het bomenbeleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De lijst van beschermde bomen geeft een overzicht van de door de raad en het college aangewezen bomen. Voor deze bomen is een omgevingsvergunning voor het vellen van één of meerdere bomen nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In dit lid wordt de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen door de raad gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. In de aangewezen gebieden zijn alle bomen beschermd. De gebieden worden opgenomen in de gebiedenkaart beschermde bomen. Het gevolg is dat voor bomen in die aangewezen gebieden een vergunningsplicht geldt voor het kappen van bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee wil de gemeente ook het kappen van bomen tegengaan op terreinen die niet of gedeeltelijk openbaar toegankelijk zijn, zoals op het Hembrugterrein of terreinen bij het spoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de gebiedenkaart is een balans gevonden tussen de wens om invloed te hebben op het grootschalig kappen van bomen in Zaanstad en de wens om administratieve lasten te beperken voor bewoners en bedrijven. De gebiedenkaart richt zich onder meer op: bermen en terreinen grenzend aan wegen en spoorwegen; natuurgebieden; bijzondere locaties met veel houtopstand, zoals het Hembrugterrein; schoolpleinen; sportcomplexen; volkstuinen; begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB de gebiedenkaart beschermde bomen wordt ook wel gebiedenkaart kapvergunning genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit is een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand zoals genoemd in artikel 2.2, eerste lid onder g van de Wabo. Soms zal naast deze omgevingsvergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. In de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Doel aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staat het doel van de regels in deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing van ligplaatsen voor vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:25 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit lid wordt bepaald dat de raad aan burgemeester en wethouders (B&amp;W) de bevoegdheid verleent om ligplaatsen aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid hadden B&amp;W ook onder de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben op basis van die bevoegdheid al ligplaatsen aangewezen. Deze aanwijzingsbesluiten zijn “omgehangen” naar de VFL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In dit lid wordt bepaald dat de raad aan burgemeester en wethouders (B&amp;W) de bevoegdheid verleent om nadere regels te stellen voor ligplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid hadden B&amp;W ook onder de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben op basis van die bevoegdheid al nadere regels gesteld. Deze zijn “omgehangen” naar de VFL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regels zijn aanvullende regels die nodig zijn vanuit de uitvoeringspraktijk. Ook nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus iedereen moet zich aan deze regels te houden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf bevat regels, die voorheen waren opgenomen in de Verordening bodemsanering en in de Bouwverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Deze paragraaf is niet van toepassing op waterbodems, omdat waterbodems niet onder de Wet bodembescherming vallen, maar onder de Waterwet. De Waterwet is van toepassing op het beheer van de bodem en oevers van oppervlaktewaterlichamen (de waterbodem). De Wet bodembescherming is van toepassing op de overige bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitvoering op basis van de Waterwet is het Waterschap het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 2.4.1 en 2.4.2 van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze benadering het onderscheidend criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is de verplichting opgenomen dat de aanvrager bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit een onderzoeksrapport verstrekt betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen Wat verstaan moet worden onder \"bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven\" werd in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij \"enige tijd\" moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2.1.5 van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen over het bodemonderzoek hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot de stukken die ook later kunnen worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Melden en aanvragen beschikking bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 3 van de verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin wordt verwezen naar de digitale meldingsformulieren op de website van de gemeente Zaanstad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Het Bodemsaneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4 verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is van toepassing op de in artikel 39, eerste lid, van de wet bedoelde saneringsplannen, die moeten worden ingediend indien sprake is van een voornemen tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging of tot het verrichten van handelingen waardoor die verontreiniging wordt verminderd of verplaatst. In dit saneringsplan dienen naast de wettelijke vereisten ook de in bijlage 5.6 bij deze verordening vermelde gegevens te worden opgenomen. Zowel bij de beoordeling van saneringsplannen van derden als bij het opstellen van eigen saneringsplannen zal de gemeente de in Bijlage 5.6 opgenomen eisen in acht nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie van het saneringsplan is dat B&amp;W zich een goed oordeel kunnen vormen over de aard en omvang van de verontreiniging, over de voorgenomen maatregelen en kan toetsen of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is te voldoen aan de eisen die in de wet en de gemeentelijke verordening ten aanzien van het saneringsplan worden gesteld. Tevens zijn de nadere eisen uit de verordening niet altijd relevant. Daarom is in het derde lid een bepaling opgenomen om indiening van de aanvullende gegevens achterwege mogen laten. Deze bepaling betreft alleen de gemeentelijke uitwerkingsbevoegdheid op basis van artikel 39, eerste lid, laatste volzin, van de Wet bodembescherming. Van de wettelijke eisen in artikel 39, eerste lid, kan niet worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in feite om een tweetal situaties. Ten eerste kunnen wettelijk gegevens vereist zijn, die in het geval in kwestie feitelijk irrelevant zijn of waarvan de gegevens eenvoudigweg niet aanwezig zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien geen grondontgraving plaatsvindt, maar alleen een grondwatersanering, of indien geen ontgraving plaatsvindt maar isolatie geschiedt door het plaatsen van een gebouw. In dergelijke situaties worden alleen die gegevens geleverd, waarvan in redelijkheid kan worden gesteld dat deze ook geleverd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede kan zich de situatie voordoen waarin de verstrekking van bepaalde gegevens de indiener van het saneringsplan niet zinvol voorkomt of het verzamelen van de gevraagde gegevens disproportioneel is in verhouding tot het belang dat met de sanering is gediend. In dergelijke gevallen kan de indiener een motivering opstellen waarom hij afwijkt van de eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontbreekt een motivering of is de motivering niet voldoende, dan kan een termijn worden gesteld (op grond van artikel 29, derde lid, van de wet, dan wel artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht) waarbinnen de ontbrekende gegevens alsnog moeten worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Melding wijziging bodemsaneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 5 van de verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de wet Bodembescherming gaat het bij bodemsaneringen om een “harde” melding, waarbij het expliciet verboden is een activiteit uit te voeren zonder dit tijdig te hebben gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming schrijft voor dat wijziging van door B&amp;W goedgekeurde saneringsplan dient te worden gemeld. Tevens opent de wet de mogelijkheid voor de raad om nadere gegevens te eisen bij deze melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W kunnen naar aanleiding van die melding aanwijzingen geven over de verdere uitvoering van de sanering. Indien B&amp;W van deze bevoegdheid gebruik wenst te maken, heeft het een goed inzicht nodig in de geplande wijzigingen en wat deze wijzigingen voor het resultaat van de sanering en daardoor voor de bodemkwaliteit betekenen. Daarom worden in dit artikel nadere gegevens vereist die het precieze inzicht voor B&amp;W kunnen verschaffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Melding start en einde bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 6 van de verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de wet Bodembescherming gaat het bij bodemsaneringen om een “harde” melding, waarbij het expliciet verboden is een activiteit uit te voeren zonder dit tijdig te hebben gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding voor aanvang sanering biedt de mogelijkheid om effectiever toezicht op de sanering te organiseren. Indien de datum van de aanvang van de saneringswerkzaamheden bekend is, zijn inspecteurs beter in staat om het juiste moment te kiezen voor het houden van inspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van Tweede lid strekt tevens ter vergemakkelijking van handhaving. Indien de datum van de beëindiging van de saneringswerkzaamheden bekend is, kan ook de termijn voor het indienen van het evaluatieverslag vastgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eindpunt van de beëindiging van de saneringswerkzaamheden wordt in de beschikking instemming saneringsplan opgenomen. Dit wordt bepaald op grond van het ingediende saneringsplan. De saneringswerkzaamheden worden in hoofdregel geacht beëindigd te zijn indien het grondwerk klaar is en het terrein geruimd is (de laatste vrachtwagen het terrein heeft verlaten) dan wel de leeflaag is aangebracht. In overige situaties waarop deze omschrijving niet van toepassing is (bij voorbeeld als een betonnen vloer wordt aangebracht of als er grondwatersanering plaats vindt) wordt het eindpunt van de sanering op grond van de omschrijving van de werkzaamheden in het saneringsplan bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Het bodemevaluatieverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7 van de verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het evaluatieverslag geeft B&amp;W inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van het verslag kunnen B&amp;W beslissen dat de sanering naar behoren is afgerond dan wel dat aanvullende saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De Wet bodembescherming stelt geen concrete termijn voor het indienen van het evaluatieverslag. Artikel 39c, eerste lid van de wet bepaalt alleen dat het verslag “zo spoedig mogelijk” na de uitvoering van de sanering ingediend wordt. Om meer duidelijkheid voor de saneerders en voor de toezichthouders te scheppen, is besloten de formulering te concretiseren. Daarom is een termijn van vijftien weken in de verordening opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij overschrijding van de termijn gehandhaafd wordt, moet de termijn in overeenstemming gebracht worden met de wettelijke bepaling van “zo spoedig mogelijk”. Dit betekent dat de inspecteurs na moeten gaan of de termijn van vijftien weken in redelijkheid voldoende was voor de saneerder om een verslag op te stellen. Indien het blijkt dat de saneerder in redelijkheid binnen vijftien weken het verslag had kunnen opstellen, kan gehandhaafd worden op overtreding van artikel 39c, Eerste lid van de wet. Hierbij wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de termijn in de verordening geen zelfstandige normstelling inhoudt; het dient alleen ter concretisering van de wettelijke bepaling. Daarom moet op schending van de Wet bodembescherming gehandhaafd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opname van een concrete indieningstermijn betekent ook dat niet gehandhaafd kan worden als de termijn nog niet is verstreken, ondanks dat naar het oordeel van het bevoegd gezag de saneerder al eerder zijn verslag had kunnen indienen. Dan brengt het rechtszekerheidsbeginsel met zich mee dat B&amp;W zich aan de termijn in de verordening houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Artikel 39c van de Wet bodembescherming houdt een opsomming in van gegevens die in het verslag in ieder geval vermeldt staan. In Derde lid van dat artikel is de bevoegdheid aan de raad gedelegeerd om nadere regels te stellen ten aanzien van het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ervaring leert dat de eisen van de wet te minimaal zijn en in de meeste gevallen onvoldoende beeld geven van de uitgevoerde sanering. Verdere gegevens, precies aangegeven op plattegronden en/of kaarten, zijn daarom onontbeerlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Voor toelichting over de toepassing van het derde lid, zie de uitleg bij het derde lid van artikel 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De benodigde informatie om te kunnen beoordelen of het aanbrengen van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen is uitgevoerd volgens de eisen van de ‘subsidieregeling Bodemonderzoek en – sanering Zaanstad 2017 - 2020 (particuliere woningeigenaren)’, is veel beperkter dan de informatie die nodig is om een volledige sanering te kunnen beoordelen. Daarom kan het verslag sneller worden ingediend dan aangegeven in Eerste lid en hoeft niet de informatie te worden aangeleverd zoals aangegeven in Tweede lid en 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Het bodemnazorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 1 en 8 verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin zijn enkele begrippen opgenomen die niet als zodanig in de wet zijn gedefinieerd, maar wel in de parlementaire stukken en in de literatuur zo worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag mag slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen voldoende zijn om er voor te zorgen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot kwaliteitsvermindering van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Net als bij het evaluatieverslag, stelt de Wet bodembescherming ook geen concrete indieningstermijn voor het nazorgplan. Artikel 39d, eerste lid van de wet bepaalt dat het plan tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van het evaluatieverslag ingediend moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het nazorgplan is een termijn van zes weken opgenomen. Voor toelichting op de handhaafbaarheid van deze bepaling zie de uitleg bij artikel 5.9, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Aangezien artikel 39d van de wet minimale eisen stelt aan het nazorgplan, is het nodig een nadere aanvulling te geven aan die wettelijke vereisten zodat het bevoegd gezag de bovenvermelde beoordeling op de juiste wijze kan maken. Om die reden zijn concrete (en praktische) gegevens in de verordening opgenomen die het bevoegd gezag een precies beeld kunnen geven over de aard en omvang van de restverontreiniging en over de manier waarop risico’s voor mens, plant of dier beperkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Voor toelichting over de toepassing van het derde lid, zie de uitleg bij het derde lid van artikel 5.6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 9 van de verordening Bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 48 van de wet houdt bijzondere bepalingen in voor saneringen in opdracht van de overheid (i.c. burgemeester en wethouders van Zaanstad). Het grootste verschil tussen saneringen door overheid en door particulieren - voor zover hier van belang - is dat de procedurele voorschriften met betrekking tot het saneringsplan, evaluatieverslag en nazorgplan, almede de bijhorende instemmingsbeschikkingen niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Zaanstad werd echter al onder het regime van de eerste verordening bodemsanering (uit 2001) besloten dat ook voor saneringen in eigen beheer de gewone procedure geldt. De achterliggende gedachte was dat de overheid als opdrachtgever gelijk behandeld dient te worden met de ‘gewone’ saneerder en geen voorrechten dient te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het gelijkheidsbeginsel en het recht van belanghebbenden op inspraak te handhaven wordt daarom de huidige praktijk voortgezet dat voor saneringen uitgevoerd door B&amp;W ook een saneringsplan opgesteld dient te worden en dat voorbereiding van het instemmingsbesluit via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure loopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting op paragraaf 5.3A en 5.3B Er is voor gekozen om de regels voor telecomkabels en de overige kabels en leidingen in twee aparte paragrafen op te nemen. Dit is gedaan om opname van de regels voor de overige kabels en leidingen in het omgevingsplan gemakkelijker te maken. Hierin mogen slechts regels worden opgenomen die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Op dit moment valt de Telecommunicatiewet daar buiten, zodat de regels over de telecomkabels niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. De overige kabels en leidingen vallen wel onder de reikwijdte en moeten uiteindelijk dus in het omgevingsplan worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.12 en 5.22 Aanleggen, instandhouden, opruimen van (telecom)kabels en leidingen Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.1, eerste tot en met derde lid van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Paragraaf 5.3A en paragraaf 5.3B zijn van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van (telecom)kabels of leidingen in of op openbare gronden. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing op alle openbare gronden, ongeacht wie deze beheert. Zo is de gemeente bijvoorbeeld voor gronden waar de provincie haar beheergebied heeft, toch het bevoegde gezag om voor werkzaamheden in die gronden een instemmingsbesluit af te geven. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Zoals gezegd gaat dit dus niet op voor werkzaamheden van andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.), zodat er buiten het beheergebied van de gemeente geen vergunningplicht op basis van de VFL geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing op kabels en leidingen waarvoor reeds een ander bestuursorgaan zoals het Rijk of de provincie op grond van haar beheertaak de vergunningverlenende instantie is. Dit vloeit voort uit het vierde lid van artikel 5.22. Hierbij dient wel bedacht te worden dat beheergebieden elkaar kunnen overlappen. Van belang is dus dat bij regelgeving van andere bestuursorganen voorzien wordt in hetzelfde onderwerp. De overlap van beheergebied bij de vergunningverlening van een waterschap en de gemeente ten aanzien van kabels en leidingen, raakt elkaar vaak. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een gemeentelijke openbare weg over een waterkering loopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval zal de netbeheerder zowel bij de gemeente als bij het waterschap een vergunning dan wel ontheffing aan dienen te vragen. De uit te voeren toets van het waterschap ziet namelijk op het belang van het waterstaatswerk, de toetsing van de gemeente op het belang van de weg. In dat kader wordt door beide bestuursorganen voorzien in een verschillend onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van deze artikelen ziet op kleine werkzaamheden. Het gaat hierbij om werkzaamheden van niet ingrijpende aard. Het definiëren van het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid van de Telecommunicatiewet, maar geldt ook voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen. Het betreffen werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar waarbij kan worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. Om welke categorieën van werkzaamheden het gaat, is in bijlage 5.12 nader uitgewerkt. Naast werkzaamheden aan huisaansluitingen worden andere kleine werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen, zolang de werkzaamheden voldoen aan de vastgestelde eisen en randvoorwaarden. Dit kan omdat deze werkzaamheden veelal slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht, en de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze kleine werkzaamheden geldt een verkorte meldingsprocedure. Burgemeester en wethouders kunnenbepalen dat voor werkzaamheden die vallen binnen een aangegeven categorie van kleine werkzaamheden, maar welke zijn gesitueerd binnen een bepaald aangewezen gebied, niet met een melding kan worden volstaan, maar altijd een vergunning of een instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Hierbij moet gedacht worden aan gebieden als de ‘oude’ binnenstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In het vijfde lid van artikel 5.22 wordt bepaald dat paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de zogenaamde lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen), niet van toepassing is. Dat betekent dat bij het verstrijken van de beslistermijnen de vergunning niet van rechtswege wordt geacht te zijn verleend. Gelet op de grote publieke belangen die in het geding kunnen zijn, zoals het waarborgen van bereikbaarheid voor politie, brandweer en ambulance en de veiligheid voor het publiek, is het niet verantwoord dat zonder meer met de werkzaamheden mag worden begonnen als de gemeente verzuimd zou hebben binnen de gestelde termijn te beslissen. Dat laat natuurlijk onverlet dat, indien de gemeente in gebreke is, daartegen rechtsmiddelen openstaan. Hierbij moet gedacht worden aan de beroepsmogelijkheden die de Awb in artikel 6:12 biedt bij het niet tijdig nemen van een besluit door een overheidsinstantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.13 en 5.23 Spoedeisende werkzaamheden Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.1, vierde lid van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoedeisende werkzaamheden vallen uiteen in twee verschillende onderdelen, namelijk de calamiteit en de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening. Hiervoor is gekozen vanwege de (potentiële) gevolgen die aan de gebeurtenis kleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term calamiteit is overgenomen uit het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten, artikel 7. Daar worden bepaalde verplichtingen uit de wet (WIBON) buiten toepassing verklaard op het moment dat er sprake is van graafwerkzaamheden die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen. Het belang van het expliciet opnemen van de calamiteit is gelegen in de wijze waarop door een netbeheerder melding gedaan dient te worden en bij wie. De termen 'ernstige belemmering' en 'storing', die volgen uit de Telecommunicatiewet maar door opname in de VFL voor elke netbeheerder geldt, staan niet specifiek omschreven in de wet, maar gedacht moet worden aan een kabelbreuk (Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, p.55). Verder zal het gemeentebestuur moeten beoordelen of een ernstige belemmering of storing in de communicatie voldoende reden is om als spoedeisend te worden aangemerkt. Bij spoedeisend dient vanwege opname van de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening dus niet alleen gedacht te worden aan calamiteiten waarbij de openbare orde en veiligheid in het gedrang zijn. Ook storingen die financiële of economische consequenties tot gevolg hebben, kunnen een storing spoedeisendheid geven. Het is van belang dat de netbeheerder het gemeentebestuur adequaat inlicht over de (potentiële) gevolgen van een storing, zodat het gemeentebestuur zich een beeld kan vormen van de omvang en spoedeisendheid ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In geval van calamiteiten, ernstige belemmeringen of storingen waarbij reparatie geen uitstel kan lijden, kan uiteraard vooraf geen vergunnings- of meldingsprocedure gelden. Deze dienen wel onmiddellijk te worden gemeld. Zo is het voor het gemeentebestuur mogelijk om de melding te toetsen op spoedeisendheid. Werkzaamheden die door een netbeheerder zijn ingepland leveren in ieder geval geen spoedeisendheid op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De burgemeester kan om redenen van openbare orde en veiligheid besluiten dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.14 en 5.24 Aanvraag en melding Deze artikelen waren opgenomen in de artikelen 2.2 en 2.3 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van voorgenomen werkzaamheden moet de melding of aanvraag bij de gemeente plaatsvinden. In afwijking van artikel 3.2 wordt een aanvraag voor een instemmingsbesluit of een vergunning ingediend bij burgemeester en wethouders via het daarvoor bestemde digitale systeemop de website ‘Meldpunt Openbrekingen Openbare Ruimte’. Op het verlenen van een vergunning of instemmingsbesluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zoals het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Een uitvoerende partij, de (onder)aannemer, vraagt in voorkomende gevallen namens de netbeheerder, de initiatiefnemer van werkzaamheden voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van kabels en leidingen, een vergunning of een instemmingsbesluit aan. Hoewel de uitvoerende partij feitelijk de aanvraag indient, is het de netbeheerder of de telecomaanbieder die als aanvrager van de vergunning of het instemmingsbesluit moet worden beschouwd. De netbeheerder of de telecomaanbieder is ook de partij op wiens naam de beschikking is gesteld en die aangesproken dient te worden bij besluiten over het wijzigingen of intrekken van een eerder afgegeven beschikking. Meldingen voor kleine werkzaamheden, dus van niet ingrijpende aard, dienen minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.15, 5.25 en 5.26 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.5 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De artikelen 5.15 en 5.25 bieden de basis om aan respectievelijk een instemmingsbesluit en een vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden. Daarnaast biedt artikel 5.26 de grondslag om een vergunning te weigeren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de voorschriften en beperkingen slechts mogen strekken tot bescherming van die belangen die paragraaf 5.3A en 5.3B beogen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meestal kan door het verbinden van voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit of de vergunning worden bereikt dat aan hetgeen in paragraaf 5.3A en 5.3B is gesteld kan worden voldaan en de belangen waartoe deze paragrafen strekken voldoende worden beschermd. Als ook door het stellen van voorschriften en beperkingen de genoemde belangen niet voldoende kunnen worden beschermd dan moet een vergunningaanvraag op basis van artikel 5.26 worden geweigerd. Een instemmingsbesluit kan vanwege de uit de Telecommunicatiewet voortvloeiende gedoogplicht formeel niet worden geweigerd. Aan een instemmingsbesluit kunnen wel voorschriften en beperkingen worden verbonden. Daarnaast geldt dat een telecomaanbieder, ondanks het ontbreken van een vergunningplicht, ingevolge artikel 5.2, elfde lid van de Telecommunicatiewet gebonden is aan voorschriften die gelden bij of krachtens andere wetten zoals de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 5.15 en artikel 5.25 beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit of de vergunning om uitvoering geruime tijd na afgifte te voorkomen. Een gewijzigd gebruik van gronden kan de werkzaamheden inmiddels onwenselijk maken. Zo nodig kan in het instemmingsbesluit of de vergunning de werkingsduur van het besluit worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid van artikel 5.15 en artikel 5.25 biedt de basis voor de uitwerking van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan (telecom)kabels en leidingen. De werkzaamheden moeten overeenkomstig de in bijlage 5.15-I en 5.15-II beschreven bepalingen worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.16 en 5.27 Wijziging en intrekking Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.6 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Artikel 5.16 en artikel 5.27 geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een vergunning of instemmingsbesluit in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het eerste lid genoemde situaties. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor een vergunning vier gronden zijn benoemd en voor een instemmingsbesluit enkel twee gronden zijn benoemd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Daardoor kan een instemmingsbesluit alleen worden gewijzigd of ingetrokken voor of gedurende de werkzaamheden. De gronden in artikel 5.27 eerste lid onder c en d zien op situaties na de uitvoering van de werkzaamheden en hebben daarom geen betrekking op een instemmingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel a en b van het eerste lid wordt aangegeven dat een vergunning of een instemmingsbesluit kan worden ingetrokken of gewijzigd indien de netbeheerder niet binnen zes maanden, of binnen een eventueel in de vergunning of instemmingsbesluit opgenomen afwijkende termijn, is begonnen met het werk en in de situatie waarin de werkzaamheden langer dan een periode van zes maanden stilliggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer kabels of leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. Dit is verwoord onder c van het eerste lid. Dit geldt niet voor telecomkabels, omdat het instemmingsbesluit vervalt na de werkzaamheden. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d van het eerste lid is van toepassing wanneer de gemeente vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak van oordeel is dat aanpassing van kabels of leidingen noodzakelijk is. Dit is het geval wanneer de gemeente werken uitvoert die het algemeen belang dienen, waardoor deze kabels of leidingen niet kunnen blijven liggen of moeten worden aangepast. In de meeste gevallen zal hierbij sprake zijn van een gedeeltelijke verlegging van de bestaande kabel of leiding. Per situatie zal door burgemeester en wethouders worden beoordeeld of met het wijzigen van de bestaande vergunning kan worden volstaan, of dat er een nieuwe vergunning afgegeven wordt. Bij deze keuze houden burgemeester en wethouders rekening met de gerechtvaardigde belangen van de vergunninghouder. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor wijzigingen in kabels of leidingen die in het verleden zijn gelegd en waarvoor geen expliciete vergunning is verleend, een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om aan het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning de verplichting te koppelen om de betreffende kabel of leiding te verleggen/verplaatsen of deze zelfs in zijn geheel te verwijderen. Indien dit voortvloeit uit een intrekking van de vergunning vanwege de rechtmatige uitoefening van de publiekrechtelijke taak van de gemeente (onderdeel d van het eerste lid van artikel 5.27) dan geeft dit de netbeheerder vervolgens de mogelijkheid om een beroep te doen op de nadeelcompensatieregeling, waarin de procedure en voorwaarden voor tegemoetkoming in de schade die de netbeheerder door de opgelegde verplichting lijdt, is geregeld. Een telecomaanbieder kan geen beroep doen op de nadeelcompensatieregeling. Voor deze partijen geldt de vergoedingssystematiek van de Telecommunicatiewet. Overigens zal per geval ook altijd worden bezien of verwijdering van leidingdelen wel wenselijk is en ook technisch mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente puur handelt als private/commerciële partij is geen sprake van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Uit jurisprudentie blijkt echter wel dat een zeker commercieel belang niet in de weg staat aan de toepassing van de verordening (ABRvS 5 december 2012, 201108899/1/A3, rechtsoverweging 6.1). Het is echter op een dergelijk moment ter beoordeling aan burgemeester en wethouders hoe wordt omgegaan met het al dan niet toekennen van nadeelcompensatie, althans vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.17 en 5.28 Overleg en afstemming tijdens planvorming Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.5 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen benadrukken de regisserende rol die de gemeente kan hebben bij projecten. De gemeente zal als beheerder van de openbare ruimte de belangen van diverse gebruikers van die openbare ruimte trachten te behartigen en voor zover mogelijk ook proberen samen te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zal periodiek een strategisch overleg initiëren tussen alle betrokken partijen over alle uit te voeren projecten in de gemeente. Daarnaast nemen burgemeester en wethouders het initiatief tot overleg met alle betrokken partijen in de planfase dan wel voorafgaand aan de start van een specifiek door of vanwege de gemeente uit te voeren werk met mogelijke gevolgen voor de ondergrondse infrastructuur. Deze uitwisseling van informatie voorafgaand aan uit te voeren werkzaamheden moet leiden tot een betere afstemming tussen het boven- en ondergrondse werk en tussen netbeheerders onderling. Alle partijen hebben hier belang bij en kunnen profiteren van deze informatie-uitwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op initiatief van de gemeente wisselen alle betrokken partijen tevens voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. De gemeente zoekt met de netbeheerder naar geschikte tracés, maar is hierin niet leidend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Medegebruik van voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel was opgenomen in artikel 3.1 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De in dit artikel neergelegde bepalingen over medegebruik zijn met name ontleend aan artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet en de WIBON. Omdat het artikel gebaseerd is op de Telecommunicatiewet is er van dit artikel geen equivalent opgenomen in paragraaf 5.4 van deze verordening. Medegebruik van bestaande voorzieningen beperkt het graven in de openbare gronden. Zodoende wordt een aanbieder verplicht zoveel als mogelijk medegebruik te maken van bestaande voorzieningen van een andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van de gemeente aangelegde voorzieningen. Als de telecomaanbieder echter aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is, geldt de in dit lid opgenomen verplichting niet. Voorschriften bij het instemmingsbesluit kunnen het medegebruik van voorzieningen bevorderen. Het medegebruik kan aan de orde komen in het vooroverleg over het af te geven instemmingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.19 en 5.29 Verplichtingen telecomaanbieder en netbeheerder Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.2 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De verplichtingen in deze artikelen zijn er op gericht dat de gemeente over de actuele informatie beschikt die zij nodig heeft om de doelstellingen van de verordening te kunnen behartigen. Het in of uit gebruik nemen van telecomkabels is van belang in verband met artikel 5.2, negende lid van de Telecommunicatiewet, waarin is bepaald dat een aanbieder verplicht is om aangelegde kabels, die gedurende periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, op te ruimen wanneer de gedoogplichtige (de gemeente) de aanbieder daartoe een redelijk verzoek doet. De gedoogplicht vervalt dan op het moment dat een redelijk verzoek is gedaan. Om die reden is het van belang dat de gedoogplichtige de gemeente in kennis stelt van het in- of uit gebruik stellen van telecomkabels om bij overschrijding van die termijn over te kunnen gaan tot een verzoek tot verwijdering van de kabel. Dit geldt ook voor overige kabels en leidingen. Als blijkt dat deze niet meer in bedrijf zijn kunnen burgemeester en wethouders besluiten deze te laten verwijderen op basis van artikel 5.27. Daarnaast is het van belang welke partij verantwoordelijk is voor welke (telecom)kabel of leiding. Het is daarom essentieel dat burgemeester en wethouders in kennis worden gesteld bij wijzigingen van eigendom of exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het tweede lid informatie over specifieke kabels of leidingen bij de netbeheerder en de telecomaanbieder opvragen. Dit gebeurt echter alleen als dit noodzakelijk wordt geacht. Burgemeester en wethouders kunnen vragen om informatie over het al dan niet in gebruik zijn, de diameter, het materiaal, of de leeftijd van kabels of leidingen. Deze informatie is doorgaans niet bij het Kadaster geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.20 en 5.30 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.4 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze artikelen hebben betrekking op het voorkomen of bestrijden van verontreiniging, gevaar, schade of hinder die veroorzaakt wordt door kabels en leidingen. De kosten voor deze maatregelen komen in beginsel ten laste van de netbeheerder of de telecomaanbieder. In situaties waarbij het niet redelijk is om alle kosten bij de netbeheerder of de telecomaanbieder te leggen, kan worden afgeweken van dit uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Vanzelfsprekend is het noodzakelijk dat de telecomaanbieder storingen waarbij verontreiniging, gevaar, schade of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Van de bevoegdheid van het derde lid zal de gemeente slechts gebruik maken wanneer de belangen die de verordening behartigt in het gedrang (dreigen te) komen. Deze bepaling is aanvullend ten opzichte van sectorale wetgeving, zoals de Wet bodembescherming of de Erfgoedwet. Als sluitstuk kunnen burgemeester en wethouders opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met deze verordening het beoordelingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.21 en 5.32 Herstraat- en degeneratiekosten Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.7 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde (graaf)werkzaamheden worden bij de netbeheerder of de telecomaanbieder in rekening gebracht. De herstraat- en degeneratiekosten voor elementverhardingen en bermen worden berekend op basis van de “Richtlijn tarieven (graaf-) werkzaamheden” van de VNG. De herstraat- en degeneratiekosten voor gesloten verharding worden berekend op basis van ‘Straatwerktarieven Noord-Holland’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen zullen de netbeheerder en burgemeester en wethouders vooraf vaststellen wat er wordt verstaan onder ‘de oude staat’. Dit zal zeker in die gevallen moeten gelden waar de gemeente streeft naar een vorm van graafrust. Dit kan het geval zijn indien binnen een termijn van bijvoorbeeld vijf jaar na oplevering van een project wederom werkzaamheden in de ondergrond zullen gaan plaatsvinden. Dit wordt niet wenselijk geacht, zodat de term ‘de oude staat’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Een gestelde termijn kan als ‘richtgetal’ fungeren, maar ‘de oude staat’ moet altijd per geval worden bekeken. Hetgeen wat onder ‘de oude staat’ wordt verstaan, kan dan als bijzondere voorwaarde bij een instemmingsbesluit of vergunning worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Nadeelcompensatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel was opgenomen in artikel 3.6 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding voor rechtmatig overheidshandelen) voor aanpassingen aan kabels en leidingen geregeld. Hierbij is zoveel mogelijk geanticipeerd op de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb, waarin nadeelcompensatie in het algemeen is gecodificeerd. Het artikel 5.31 vormt tot de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb de invulling van de ongeschreven verplichting om onevenredige – boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende – schade te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van aanpassingen aan kabels en leidingen zijn er twee situaties waarin een netbeheerder in aanmerking komt voor nadeelcompensatie: de intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 5.27 eerste lid onder d; de rechtmatige uitoefening door burgemeester en wethouders van de publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, waarbij geen vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de aan te passen kabel of leiding niet in openbare gronden van de gemeente ligt, de zogenaamde buitenleidingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In algemene termen bestaat nadeelcompensatie uit schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en die een netbeheerder in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De concrete toepassing en procedure van nadeelcompensatie voor aanpassingen aan kabels en leidingen wordt uitgewerkt in de Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen die door burgemeester en wethouders worden vastgesteld. Voor kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen is geen sprake van nadeelcompensatie, maar van het regime van de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van een project is niet afhankelijk van een verzoek tot nadeelcompensatie. Een project kan derhalve van start gaan en de uitvoering van een werk hoeft niet uitgesteld te worden tot het moment dat een dergelijk verzoek tot nadeelcompensatie is afgehandeld. Sterker nog; bij burgemeester en wethouders kunnen een aanvraag tot nadeelcompensatie pas na de melding dat het plangebied functievrij is en de kabels of leidingen op de definitieve plek liggen, ingediend worden. Wel is het verstandig om tijdens de planvorming een risicoanalyse van de eventueel te verwachten nadeelcompensatie op te stellen. De hoogte van het te verwachten bedrag kan dan opgenomen worden in het projectbudget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting op paragraaf 5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering Gemeenten hebben op grond van de Wet milieubeheer een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater en op grond van de Waterwet een zorgplicht voor hemelwater en grondwater. De wijze waarop een gemeente invulling geeft aan de zorgplichten wordt weergegeven in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10.33 Wet Milieubeheer staat de zorgplicht ten aanzien van de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Onder stedelijk afvalwater wordt afvalwater verstaan dat bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Deze zorgplicht dient mede ter implementatie van de EU-richtlijn stedelijk afvalwater en sluit aan bij de zorgplicht van de waterschappen voor het zuiveren van stedelijk afvalwater zoals vastgelegd in artikel 3.4 van de Waterwet. In de praktijk wordt hier invulling aan gegeven door de aanleg en beheer van een openbaar vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Zaanstad houdt de aansluiting op het gemeentelijke vuilwaterriool in eigen beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bouwbesluit 2012, met name artikel 6.18, geeft technische eisen voor de op het eigen perceel gelegen riolering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regels in deze paragraaf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Goede voorzieningen voor de opvang en het beheer van stedelijk afvalwater zijn een voorziening waarmee grote gezondheidswinst behaald wordt. De financiële investeringen van de gemeente in het rioolstelstel zijn enorm. Daarom is het van groot belang dat de voorziening beschermd wordt. In de lijn van de Omgevingswet wordt zoveel als mogelijk het doel van de regels belicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rioolaansluiting op de gemeentelijke riolering bestaat voor een deel uit een rioolleiding in de openbare ruimte en voor een deel uit een leiding op het perceel dat wordt aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rioolaansluiting tot aan de perceelgrens wordt door of in opdracht van de gemeente aangelegd. Deze aanleg gebeurt op kosten van de rechthebbende op het perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Eigendom rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 5:20 lid 2 BW ligt de eigendom van een net bij de bevoegde aanlegger van dat net of zijn rechtsopvolger. Op grond hiervan is de gemeente, als bevoegd aanlegger van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater, eigenaar van het gehele rioolstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per leidingnetwerk verschilt wat er toe behoort (hoe het net is begrensd). Dit is met name van belang voor de grens tussen het leidingnetwerk en de aansluiting van degene die op dat leidingnetwerk is aangesloten. In de toelichting bij de wijziging van het Burgerlijk Wetboek is aangegeven dat de begrenzing van een leidingnetwerk bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald. In dit artikel wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt, door te bepalen wat tot de gemeentelijke riolering behoort en waar de particuliere rioolaansluiting, die eigendom is van de huiseigenaar, begint (zie Kamerstukken II 2005-2006, 29 834, nr. 9, Tweede nota van wijziging, p. 7). Die grens wordt in principe gelegd bij het ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting. Dit ontstoppingsstuk is vereist op grond van artikel 6.16 en 6.17 van het Bouwbesluit 2012. In die artikelen is bepaald dat de leidingen voor huishoudelijk afvalwater en voor hemelwater moeten voldoen aan NEN 3215. In die NEN - norm staat dat in de aansluitleiding een inspectie- of ontstoppingsmogelijkheid aanwezig moet zijn. Deze inspectie- of ontstoppingsmogelijkheid moet nabij de perceelgrens zijn gesitueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er niet via leidingen onder vrij verval wordt aangesloten, maar via een rioolwaterpomp, dan is de uitstroomopening van de rioolwaterpomp de grens tussen de gemeentelijke riolering en de particuliere huisaansluiting. De rioolwaterpomp is dus geheel in particulier eigendom. Rioolwaterpompen zijn nodig als de lozingstoestellen in een gebouw lager zijn gelegen dan 150 mm boven straatpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen is de grens tussen het gemeentelijke deel van de aansluiting en het particuliere deel van de aansluiting het punt in de rioolaansluiting dat 0,5 m buiten de perceelgrens ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het vastleggen van de eigendomssituatie is duidelijk wie er verantwoordelijk is voor het verhelpen van verstoppingen en het herstellen van lekkages of andere beschadigingen aan de rioolaansluiting. De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor het particuliere deel van de rioolaansluiting en de gemeente is verantwoordelijk voor het deel dat behoort tot de gemeentelijke riolering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat de aanwezige septic tanks na de rioolaansluiting op de gemeentelijke riolering worden verwijderd door en op kosten van de perceeleigenaar. Deze verplichting sluit aan op de rijksregelgeving: in artikel 6.18, derde lid, onder e, van het Bouwbesluit 2012 is geregeld dat een terreinleiding, waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid, geen beer- of rottingput bevat. Een septic tank valt ook onder een beer- of rottingput.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikelen is overgenomen uit de voormalige Rioolaansluitingsverordening en regelt dat de kosten die de gemeente maakt voor het aanleggen van een rioolaansluiting moeten worden vergoed door de eigenaar van het perceel dat wordt aangesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijderen septic tanks</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijk afvalwater mag niet ongezuiverd geloosd worden. In principe wordt huishoudelijk afvalwater opgevangen in de openbare vuilwaterriolering en gezuiverd in een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Er zijn plekken waar geen gemeentelijke riolering aanwezig is en dan moet de perceeleigenaar het huishoudelijke afvalwater zelf verwerken. Hiervoor wordt vaak een septic tank gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">(Aanwijzing) collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:2 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB Dit is geen aanwijzing in de fysieke leefomgeving, dus geen onderdeel van hoofdstuk 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De uitvoering van de regeling is neergelegd bij B&amp;W.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben collectieve feestdagen aangewezen. Zie ook artikel 8.3, derde lid Derde lid Het maximum aantal aan te wijzen collectieve festiviteiten is door de raad vastgelegd in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W is zeer terughoudend met het gebruik van de mogelijkheid om de collectieve festiviteit terstond aan te wijzen als de festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:3 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De raad heeft de bevoegdheid om in dit artikel het aantal te verlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. De raad heeft ook hier voor Zaanstad het maximum op 9 keer per jaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zevende lid B&amp;W hebben nadere regels gesteld voor incidentele festiviteiten op het Hembrugterrein. Zie artikel 8.3, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span><span class=\"lf-art-t\">Het ten gehore brengen van onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:5 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn maatwerkvoorschriften vastgesteld voor on-versterkte muziek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten hebben op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en artikel 2.18 vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer de bevoegdheid om voor onversterkte muziek regels op te nemen in een gemeentelijke verordening. Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit lid is een maatwerkvoorschrift opgenomen Tweede lid Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen de mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In dit lid wordt gesproken over oefenen. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Wanneer onversterkte muziek wordt gecombineerd met versterkte muziek dan is dit artikel niet van toepassing. Dan gelden de regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor versterkte muziek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:6 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van divers geluid producerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 5.43 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Vooral voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder. En welke maatregelen vervolgens kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. B&amp;W kunnen ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegonderhoudswerkzaamheden en onderhoud aan spoorwegen zijn van het verbod uitgezonderd. Deze werkzaamheden mogen dan niet langer dan 5 dagen duren. De uitzondering geldt dus niet voor grotere projecten waarbij binnen het project meerdere keren de geluidsnormen door dit soort werkzaamheden worden overschreden. Daarvoor dient wel een ontheffing te worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op de hoogte brengen van omwonenden over de mogelijke geluidhinder is een belangrijke voorwaarde. Dit betreffen in ieder geval de omwonenden die zich binnen een afstand van 50 m afstand van de geluidsbron bevinden. Wat als tijdig informeren gezien wordt, is afhankelijk van de omstandigheden. Het informeren korter dan een week voor de start van de uit te voeren werkzaamheden is in ieder geval niet tijdig. De omwonende dienen volledig te worden geïnformeerd over de uit te voeren werkzaamheden en maatregelen die worden genomen om ernstige hinder en/of overlast zoveel mogelijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.50</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:10 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting op artikel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de gemeenteraad is voor het plaatsen van gedenktekens ‘Beleidskader plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad’ vastgesteld. In dit beleidskader zijn 10 randvoorwaarden gesteld voor de plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad, die bij haar in beheer en onderhoud zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft B&amp;W de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijk is met dit artikel voor burgers en bedrijven een zorgplicht vastgelegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan. De burger dient dat zelf af te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Door het gebruik van het begrip openbare plaats kan het artikel ook worden toegepast bij de aanpak van het illegaal in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond door burgers. Dit artikel geeft een rechtsgrond om op te treden tegen de in gebruik neming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen door B&amp;W nadere regels worden vastgesteld. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn door B&amp;W nadere regels gesteld voor de plaatsing van voorwerpen zoals tijdelijke bouwobjecten, uitstallingen en plantenbakken en banken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 8.3 tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een te plaatsen object voldoet aan de criteria uit de nadere regels, kan volstaan worden met een melding. Deze melding kan via een digitaal formulier op de website van Zaanstad worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen B&amp;W gebieden aanwijzen waar het verboden is om alle of bepaalde voorwerpen te plaatsen. Als voorbeelden worden in het artikel genoemd: uitstallingen, bouwobjecten, plantenbakken of banken. Het kan dus ook om andere voorwerpen of objecten gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben op basis van deze bevoegdheid al diverse gebieden aangewezen als gebied waarin bepaalde voorwerpen niet geplaatst mogen worden. Bijvoorbeeld Inverdan en de straten rondom de Bloemkorf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb bepaald dat de LSP enkel van toepassing is als dit in een wettelijk voorschrift is bepaald.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Dit is voor omgevingsvergunningen al geregeld in artikel 3.9 van de Wabo. De Wabo regelt dat de LSP geldt voor bijna alle aanvragen om een omgevingsvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.51</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:11 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan dit artikel ligt als motief ten grondslag om de bruikbaarheid van die weg te borgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor alle wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogeheten “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor hulpdiensten voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is het geregeld in de Telecommunicatiewet en de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Hiermee is aangesloten bij de Wabo. In deze wet is bepaald dat op de omgevingsvergunning paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.52</span><span class=\"lf-art-t\">Maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:12 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders (zie verder toelichting artikel 3.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan of dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen of de schaarse parkeerruimte in Zaanstad, is een vergunningplicht opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben vastgesteld ‘Beleidsregels Uitwegen Gemeente Zaanstad 2008.’ Deze beleidsnotitie geeft een uitwerking van criteria voor vergunningverlening van uitwegvergunningen. Deze beleidsnotitie heeft als doel een eenduidig beleidskader te hebben bij het beoordelen van aanvragen voor vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. B&amp;W kunnen in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming nodig heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.53</span><span class=\"lf-art-t\">Maken en onderhouden geveltuintjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moedigt het aanleggen van geveltuintjes aan, omdat geveltuintjes bijdragen een aantrekkelijke woonomgeving en ook helpen dat water bij regenbuien sneller wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente maakt als kan worden voldaan aan de algemene regels op verzoek ruimte vrij in het trottoir. Daarbij wordt wel van verwacht dat de bewoner van het pand de beplanting aanlegt en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de algemene regels gegeven voor de gemeente en de bewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke reden om niet aan het verzoek te kunnen voldoen is dat het trottoir al erg smal is en daarom de bruikbaarheid van het trottoir een geveltuintje niet toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting op paragraaf 5.7 Activiteiten bij of op openbaar water Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan verschillende overheden opgedragen. De centrale overheid beheert de belangrijkste rivieren en rijkskanalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincies, gemeenten en waterschappen beheren de overige openbare wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan op grond van artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen over het openbaar water in haar beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving en is daarom vanaf 1 januari 2021 opgenomen in deze verordening. Daarvoor had de gemeente vergelijkbare regels opgenomen in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening gaat niet over de scheepvaart. De scheepvaart wordt gereguleerd door de Scheepvaartverkeerswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening is niet van toepassing op het Noordzeekanaalgebied. Hier geldt de Regionale Havenverordening met het bijbehorende reglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.60</span><span class=\"lf-art-t\">Doel en reikwijdte van regels over openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit artikellid staat het doel van de regels in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Ook de Algemeen plaatselijke verordening van Zaanstad (APV) kent regels over openbaar regels. De regels in de APV hebben een ander motief. Zij beogen vooral de openbare orde te beschermen. De regels in de APV zijn onverkort van toepassing op openbaar water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.61</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:24 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit artikel verbiedt objecten die het gebruik, het onderhoud of het beheer van openbaar water nadelig kunnen beïnvloeden, die hinder kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het artikel is in aanvulling op diverse andere wetten en regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veiligheid op het water is volledig geregeld in de artikelen 162, 163 en 427, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 1.15 van het Binnenvaartpolitiereglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De vergunning wordt bij niet tijdig beslissen niet van rechtswege verleend, omdat het hinder, gevaar of schade kan opleveren voor de (fysieke) leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.62</span><span class=\"lf-art-t\">Innemen ligplaats voor vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 5:25 en 5:25a van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Door de gemeente worden ligplaatsen en pleisterplaatsen aangewezen, die bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik door vaartuigen. Deze worden zo gekozen dat de scheepsvaart er geen hinder van ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen ligplaatsen zijn opgenomen in het geldende Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Pleisterplaatsen bieden voor recreatievaartuigen een tijdelijke ligplaats. Bijvoorbeeld om de Zaanstreek te bekijken. Om dit gebruik voor iedereen te borgen is de maximale aanleg duur per pleisterplaats 3 x 24 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Om het recreatieve gebruik voor iedereen te borgen is het maximale gebruik per pleisterplaats in Zaanstad beperkt tot 9 dagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Deze ligplaatsen voor vaartuigen zijn niet bedoeld voor woonschepen en woonarken.</p></div>", "next": 239928}