{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In art 1.1. van de jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd, met een verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek Boek 1, Titel 3. In artikel 12 lid 1 staat: \"Een minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent [...]. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Participatiewet, IOAW en IOAZ is een inschrijving in het GBA nodig om als inwoner te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van deze verordening. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening kent in de verschillende wetten een ander begrip. In deze verordening is aansluiting gezocht bij de Wmo omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is. Een maatwerkvoorziening kan op individueel niveau en in groepsverband worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorziening wordt alleen toegekend op basis van een besluit. Voordat een maatwerkvoorziening wordt toegekend is het daarom nodig om de ondersteuningsvraag en oplossingen in beeld te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorg Mantelzorg is alle hulp of zorg voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende persoon uit iemands directe sociale omgeving die langdurig en onbetaald is. Dit kan zijn de zorg voor een partner, ouder of kind zijn, maar ook een ander familielid, vriend of kennis. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Als er sprake is van hulpverlening in het kader van een pgb is er dus geen sprake van mantelzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat de mantelzorg tijdelijk niet ingezet kan worden door bijvoorbeeld uitval van de mantelzorger kan er respijtzorg worden ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan een logeeropvang of tijdelijk extra dagdelen dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm Voor de normen wordt aansluiting gezocht bij de Participatiewet, De IOAW en de IOAZ. In de Participatiewet wordt gesproken over normen en die zijn als netto bedragen uitgedrukt. In de IOAW en de IOAZ wordt het begrip grondslag bedoeld en deze zijn in bruto bedragen uitgedrukt. Zowel de normen als de grondslagen worden als sociaal minimum inkomen gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuningsplan leerlingenvervoer Naast het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening, waarin de ondersteuningsvraag en oplossingen van de inwoner aan bod komen, kent de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs ook een ondersteuningsplan. Dit plan heeft niets te maken met de individuele ondersteuningsvraag, maar met het ondersteuningsprofiel van een school. Om deze reden wordt in deze verordening gesproken over een ondersteuningsplan onderwijs als deze vorm van het ondersteuningsplan wordt bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken, en dat leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en -voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of overplaatsing naar reguliere scholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient eerst op overeenstemming gericht overleg (hierna: OOGO) te hebben plaatsgevonden met het college van de gemeenten die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn gelegen (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstapplaats Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders Het begrip ouder kent in de jeugdwet de beperking dat het hier gaat om de gezaghebbende over de jeugdige, waarbij het niet kan gaan om de pleegouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van leerlingenvervoer is het begrip ouder breder toepasbaar en kan ook gaan om de verzorgende van de jeugdige. In hoofdstuk 7 is het begrip ouder dus breder dan in de andere hoofdstukken van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonsgebonden budget (pgb) Binnen de Wmo en Jeugdwet kan een maatwerkvoorziening zowel in de vorm van zorg in natura als een persoonsgebonden budget worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo en Jeugdwet worden drie voorwaarden beschreven waar een inwoner aan moet voldoen, om voor een pgb in aanmerking te komen. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, als: de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, door hem niet passend wordt geacht (Jeugdwet); de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen (Wmo), en; naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het pgb wordt niet aan de inwoner zelf uitbetaald, maar is beschikbaar via het zogeheten trekkingsrecht. Op basis van declaraties en/of facturen wordt het bedrag direct aan de zorgaanbieder overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Professionele aanbieder Als er sprake is van een pgb kan deze worden ingezet voor ondersteuning door een professionele aanbieder of voor inzet van iemand uit het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder. Een professionele aanbieder moet voldoen aan de drie vereisten. Een professionele aanbieder: heeft een opleiding voor het verrichten van de werkzaamheden. De opleiding is op het niveau van en direct gerelateerd aan de werkzaamheden, en; moet geregistreerd staan. Voor de jeugdwet houdt dit in dat er sprake is van een registratie bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd of in het BIG, en; voldoet aan de benodigde kwalificaties en vereisten. Hierbij moet worden gedacht aan specifiek aan de ondersteuningsvraag gekoppelde kwalificaties en vereisten, bijvoorbeeld het omgaan met een auditieve beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een aanbieder niet aan al deze criteria voldoet is er geen sprake van een professionele aanbieder. De vraag die bij de inzet van een pgb gesteld wordt is in hoeverre het voor de kwaliteit noodzakelijk is dat een professionele aanbieder wordt ingezet. In sommige gevallen is het noodzakelijk een professionele aanbieder in te zetten om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iemand die behoort tot het sociaal netwerk van een inwoner kan ook een professionele aanbieder zijn. Hierbij moet wel de professionaliteit gewaarborgd zijn als gekeken wordt naar de sociale relatie tussen inwoner en zorgaanbieder. Daarom geldt bijvoorbeeld dat in de regel individuele begeleiding niet in aanmerking komt voor een pgb door een niet professionele aanbieder, maar persoonlijke verzorging of hulp bij het huishouden wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkingsverband Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2°: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">School Speciaal onderwijs: In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WEC onderscheidt de volgende clusters:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijs: In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs (hierna: pro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stage Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal netwerk Het sociaal netwerk is een krachtige en efficiënte manier om (een deel van) de ondersteuningsvraag te beantwoorden. Het versterken en vergroten van het sociaal netwerk kan ook een mogelijkheid zijn om een ondersteuningsvraag op te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sociaal netwerk van een inwoner kan breder zijn dan het huishouden / gezin; het gaat om die personen waarmee een sociale relatie aanwezig is. Dit is van belang bij het bepalen van de gebruikelijke hulp omdat hiervoor het huishouden wel in aanmerking komt, maar het sociaal netwerk niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegankelijke school In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a lid 6 van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a lid 6 van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt voor het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend door het samenwerkingsverband beslist of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41 lid 2 van de WEC).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer i.h.k.v. leerlingenvervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggende voorziening Het begrip voorliggende voorziening komt niet als zodanig voor in de Wmo, Jeugdwet, IOAW, IOAZ of in de wetgeving rondom het leerlingenvervoer. De begripsbepaling in de Participatiewet komt, qua strekking, overeen met de begripsbepaling in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het begrip voorliggende voorziening wordt een voorziening bedoeld op grond van een andere regeling dan opgenomen in deze verordening, waarmee de inwoner de ondersteuningsvraag (deels) kan beantwoorden. Dit is in lijn met het uitgangspunt om eerst door middel van eigen kracht een ondersteuningsvraag op te lossen. Als er door de inwoner een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening zal het college geen (maatwerk) voorziening treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college wijst inwoners op voorliggende voorzieningen. Zo nodig kan hierbij vanuit cliëntondersteuning ook ondersteuning plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woning i.h.k.v. leerlingenvervoer Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2 Integrale benadering De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) te komen tot het verhelderen van de hulpvraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Melding hulpvraagIn dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan op verschillende manieren binnenkomen bij de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld mondeling, schriftelijk, telefonisch of elektronisch bij het college worden gedaan. Als de hulpvraag een uitkering om algemene bijstand (levensonderhoud) betreft van personen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, wordt de aanvraag ingediend via werk.nl In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens de cliënt’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan met toestemming van de cliënt bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 is opgenomen dat het college een melding schriftelijk bevestigd. Op deze manier is voor de melder duidelijk dat de melding in goede orde is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 geeft aan dat het college een afspraak maakt met de inwoner. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 sub a van de Wmo 2015). De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is in het derde lid benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner gratis is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 9 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij. Gelet op de integrale benadering bestaat ook binnen de andere wetgeving de mogelijkheid om een eigen plan op te stellen, hoewel hier geen wettelijk grondslag aan ten basis ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een melding wordt onderzoek gedaan dat in ieder geval bestaat uit een gesprek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Spoedeisende gevallenIn dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. Dit is bijvoorbeeld het geval als een spoedmachtiging afgegeven is door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er een melding is gedaan zoals bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet, de noodzakelijke inlichtingen zijn verstrekt kan een voorschot verleent worden als uiterlijk binnen 4 weken nog geen besluit op de aanvraag is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is er een mogelijkheid om aan een persoon die geen recht heeft op bijstand bij zeer dringende omstandigheden toch bijstand verlenen (artikel 16 Participatiewet). Uit jurisprudentie blijkt dat dit artikel slechts wordt toegepast in zeer uitzonderlijke situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een tijdelijke maatregel wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VooronderzoekDeze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) om de privacy van de inwoner te waarborgen Zoals opgenomen in lid 2 kan aan de inwoner worden verzocht een aantal stukken te overleggen. Daarnaast verstrekt de inwoner een identificatiedocument ter inzage om te waarborgen dat de inwoner bij de gemeente Waddinxveen terecht kan met zijn of haar hulpvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van lid 4 kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gesprekVoor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de inwoner wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de inwoner te krijgen Bij het gesprek zijn zo mogelijk en gewenst de betrokken personen aanwezig, zoals de mantelzorger, familieleden en personen uit het sociaal netwerk. Ook kan een cliëntondersteuner aanwezig zijn. Het gesprek vindt bij voorkeur bij de inwoner thuis plaats, of dit moet niet relevant zijn voor het in beeld krijgen van de ondersteuningsvraag. In een aantal gevallen is het nodig om meerdere gesprekken te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 staan een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Als de inwoner al bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komt een cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de inwoner en zijn situatie te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 is opgenomen dat de inwoner wordt geïnformeerd over het betalen van een eigen bijdrage in het kader van de Wmo. Hierbij geldt dat woningaanpassingen voor een jeugdige ook onder de Wmo vallen en dus ook sprake is van een te betalen eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen is het mogelijk om te kiezen voor een pgb. Hierover wordt de cliënt tijdens het gesprek geïnformeerd zodat de keuze voor een pgb onderdeel uitmaakt van het gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als bij het vooronderzoek kan het college besluiten om geen gesprek te voeren als de hulpvraag genoegzaam bekend is, zoals opgenomen is in artikel 5. Dit is immers daarmee een onnodige handeling. Het afzien van het gesprek vindt plaats in overleg tussen het college en de inwoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AdviseringHet college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 van de Awb geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt een persoon of college bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren over door een bestuursorgaan te nemen beslissingen en niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de Awb is niet geregeld dat een adviseur benoemd moet worden en in deze verordening is ook niet opgenomen wie de adviseur is. Omdat er wisselende situaties zijn, kunnen er ook verschillende adviseurs aangewezen worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteuningsplanHet doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Het plan is integraal, zoals opgenomen in lid 1 In lid 2 is verwoord dat het plan het verslag van de uitkomsten van het gesprek is en het vooronderzoek. Het geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het ondersteuningsplan een weergave is van de hulpvraag van de inwoners kan de inwoner op het plan ook aangeven als in zijn optiek zaken niet juist verwoord zijn. Dit is opgenomen in artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4, 5 en 6 is opgenomen dat een inwoner het op het plan kan aangeven indien hij van mening is dat de uitkomst van het ondersteuningsplan niet correct is. Hij tekent dan voor gezien en geeft aan wat er in zijn optiek gewijzigd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plan wordt door de inwoner en het college ondertekend zodat duidelijk is dat het onderzoek is afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag van een maatwerkvoorzieningIn de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid).In de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en aanvragen op grond van het leerlingenvervoer is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ondertekend ondersteuningsplan wordt gezien als een aanvraag. Dit is in lid 2 opgenomen. Er hoeft dan ook geen apart aanvraagformulier te worden ingevuld door de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de hulpvraag een uitkering om algemene bijstand (levensonderhoud) betreft van personen die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, wordt de aanvraag ingediend via werk.nl. Voor overige aanvragen waarmee een beroep wordt gedaan op voorzieningen zoals genoemd in hoofdstuk 5, 6 en 7 van deze verordening wordt gebruik gemaakt van een door het college beschikbaar gesteld formulier en voor zover nodig ook een inlichtingenformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verstrekken van een maatwerkvoorzieningIn dit artikel zijn de regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening In lid 1 is opgenomen welke andere oplossingsrichtingen voorafgaan aan het inzetten van een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 regelt dat het college een maatwerkvoorziening in een aantal gevallen niet kan toekennen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een inwoner uit eigen beweging verhuist van een gelijkvloerse woning naar een woning met een meerdere verdiepingen terwijl de inwoner niet zelfstandig trap kan lopen. Er wordt dan geen traplift toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 en 4 is opgenomen dat een voorziening in eerste instantie adequaat is en dat hierbij wordt gekeken naar de unieke situatie van de inwoner. Als blijkt dat meerdere voorzieningen adequaat zijn voor het beantwoorden van de hulpvraag, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en JeugdwetAls de cliënt een aanvraag bij het college indient stelt het college een beschikking op, waartegen de cliënt bezwaar en beroep op grond van de Awb kan indienen. In dit artikel zijn de criteria opgenomen waaraan een beschikking voor een maatwerkvoorziening Wmo en jeugdwet voldoet lid 4 dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt de hoogte van de bijdrage in de kosten niet in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorziening via een pgbIn dit artikel is opgenomen welke regels er gelden voor een pgb Wmo of Jeugdhulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 staan de eisen waaraan de inwoner moet voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb. Het kan hier ook gaan om de bewindvoerder, belangenbehartiger of wettelijk vertegenwoordiger van de inwoner, zoals aangegeven onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 is opgenomen dat uit een pgb alleen de zorgkosten betaald kunnen worden. Voor het pgb geldt dan ook dat er geen sprake is van een vrij besteedbaar budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een persoon die behoort tot het sociaal netwerk kan in een aantal gevallen ingezet worden in het kader van een pgb, zoals opgenomen in lid 5. Hierbij geldt dat deze persoon niet voor alle taken in aanmerking komt, zoals opgenomen onder b. De reden hiervoor is dat maatwerkvoorzienigen om een bepaalde professionele en kwalitatieve standaard vragen. Daarnaast moet ook bij inzet van een person uit het sociale netwerk worden voldaan aan kwaliteitscriteria, zoals opgenomen onder c en d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte pgbin dit artikel is opgenomen hoe de hoogte voor een pgb in het kader van de Wmo of jeugdwet wordt bepaald</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het tarief bedraagt in ieder geval nooit meer dan de goedkoopst adequate voorziening in natura, zoals opgenomen in lid 1 onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 is per categorie producten de hoogte van het pgb opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 Specifieke bepalingen JeugdArtikel 13. Algemene voorzieningen jeugdArtikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerk(individuele) voorzieningen en algemene (overige) voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 regelt de jeugdhulpvoorzieningen algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de)ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorzieningen jeugdDe maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen. Het gaat om situaties waarin sprake is van ernstige of complexe problemen en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het sociaal team voorzien kan Lid 2 geeft aan dat het college in nadere regels de maatwerkvoorzieningen jeugd nader kan specificeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdartsIn hoofdstuk 2 wordt beschreven hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp regelt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclasseringDit artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringHet college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Maatschappelijke ondersteuningArtikel 18. Aanvullende voorwaarden maatwerkvoorzieningen WmoIn artikel 18 zijn ten opzichte van hoofdstuk twee aanvullende bepalingen opgenomen voor maatwerkvoorzieningen Wmo, alsmede de weigeringsgronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derdenHet college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de Wmo zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (artikel 3, derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Regels voor bijdragen in de kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningenArtikel 20 geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wmo Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen is gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorzieningen (deze limitering volgt uit artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de Wmo). Een bijdrage ter hoogte van de kostprijs is verschuldigd als dat bedrag lager is dan het overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 berekende maximum. Als dat maximum echter lager is dan de kostprijs, dan is een bijdrage overeenkomstig het op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 berekende maximum verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemenDeze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking en meer in het bijzonder een subsidiebeschikking. De bepalingen in de Awb, onder andere over bezwaar en beroep en subsidies zijn hierop van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming kan een alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening. Hiervoor is wel vereist dat de cliënt zelf kiest voor een tegemoetkoming. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening en die tijdens het onderzoek naar de aanvraag de keuze krijgt om een tegemoetkoming te ontvangen voor de door hem gewenste voorziening. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee hij meer regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijkse waardering mantelzorgersDeze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening dan wel nadere regels wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuningDeze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Werk, re-integratie en tegenprestatieParagraaf 5.1 Werk en re-integratieArtikel 24. BudgetplafondsDe gemeenteraad kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college kan binnen deze verdeling een budgetplafond per voorziening vaststellen. Het ontbreken van financiële middelen, vanwege het budgetplafond, kan geen reden zijn om aanvragen om ondersteuning in het algemeen af te wijzen. In dat geval moet worden gekeken of andere voorzieningen mogelijk zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenwichtige verdeling en financiering Het college biedt voorzieningen en ondersteuning aan zoals bedoeld in deze verordening aan personen die behoren tot de doelgroep. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod van voorzieningen en ondersteuning en biedt maatwerk. Er moet een evenwichtige verdeling zijn over de klantgroep Rekening houden met omstandigheden en beperkingenOp grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen vastleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen over voorzieningenDe Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk) Lid 2: Beëindiging(sgronden)Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 26, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b , 35, vierde lid, onderdeel c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beëindiging van een voorziening heeft het college beoordelingsruimte als men onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of wanneer men niet naar behoren gebruik maakt van de geboden voorziening. De wijze waarop het college hieraan invulling geeft kan nader worden uitgewerkt in uitvoeringsvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering kan op grond van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WerkervaringsplaatsEen werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Een werkervaringsplaats is gericht op het uitbreiden kennis en ervaring. De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkervaringsplaatsen weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkervaringsplaats in de regel geen sprake van beloning, maar is werken met behoud van uitkering. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van vergoeding van gemaakte kosten Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2: Doel van de werkervaringsplaatsHet tweede lid geeft aan wat het doel is van de werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. In de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. In de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Er kan een persoonlijk ontwikkelplan worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: Opstellen schriftelijke overeenkomstIn het derde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin wordt in ieder geval expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkervaringsplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ProefplaatsingDe voorziening van proefplaatsing kan worden ingezet voor personen uit de doelgroep om te onderzoeken of de functie een geschikte functie is voor de kandidaat. De werkgever moet het voornemen de kandidaat een dienstbetrekking van tenminste zes maanden aan te bieden De proefplaatsing vindt plaats met behoud van uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening van proefplaatsing kan ook worden ingezet als een kortdurende periode waarin de loonwaarde van een persoon met een arbeidsbeperking - zoals bedoeld in artikel 41 van deze verordening - wordt vastgesteld, met als uiteindelijk doel in diensttreding bij de werkgever met loonkostensubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sociale activeringOp grond van de Participatiewet is sociale activering uiteindelijk gericht op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot (eind-)doel personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering. Voorzieningen op grond van de Wmo 2015 zijn dan aan de orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">DetacheringsbaanDe Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding naar en tijdens werkDit is een breed inzetbare voorziening, die ook onderdeel uitmaakt van het basispakket re-integratie-instrumenten dat onder regie van het Regionaal Werkbedrijf is ingericht om de ondersteuning van arbeidsbeperkten vorm te geven. Deze voorziening kan ook worden ingezet voor andere doelgroepen Doelgerichte werk- en re-integratietrajecten zijn onder andere: individuele (vakgerichte) opleidingstrajecten, arbeidsfittrainingen, sollicitatietrainingen, het begeleid verrichten van werkzaamheden, het ontwikkelen van een gezonde levensstijl door beweging of sport, vaardigheidstrainingen, personal coaching, taalles, speeddates. Diagnose-instrumenten omvatten onder andere: belastbaarheidsonderzoeken, indicaties banenafspraak (UWV), indicaties doelgroep beschut werken (UWV), advisering medisch urenbeperkten (UWV), algemeen arbeidsmedisch adviezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake te maken kosten kunnen bijvoorbeeld reiskosten zijn, of kosten voor kinderopvang. Hierbij geldt dat wanneer aanspraak kan worden gedaan op voorliggende voorzieningen, deze kosten niet worden vergoed. Daarnaast bestaan er raakvlakken met de bijzondere bijstand, waaruit dergelijke kosten in bepaalde situaties ook uit vergoed kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ScholingDeze voorziening voorziet in het (kunnen) behalen van een startkwalificatie en mogelijk aanvullende scholing, waardoor de kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). [Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.] Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet dat het college aan deze persoon scholing of opleiding dient aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook artikel 34 van deze verordening over de voorziening participatieplaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij leer-werktrajectPersonen kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is (artikel 10f van de Participatiewet) Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen: van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ParticipatieplaatsEen participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet). Het college kan dan ook alleen aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden Additionele werkzaamhedenOp een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet, dan wordt de participatieplaats beëindigd. Binnen 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">PremieDe persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. In uitvoeringsvoorschriften kan nadere duiding gegeven aan wanneer sprake is van voldoende meewerken aan het vergroten van kansen op de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Participatievoorziening Beschut WerkDe voorziening Beschut Werk is bedoeld voor mensen die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat ze (nog) niet in een reguliere baan kunnen werken, en voor wie van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt. Met (structurele) ondersteuning zijn deze mensen wel in staat om arbeid te verrichten (m.a.w. het gaat om mensen die niet voor de garantiebanen in aanmerking komen / (nog) niet bij een reguliere werkgever kunnen werken) Het gaat uitsluitend om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (d.w.z. redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt voor deelname aan de arbeidsmarkt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UWV heeft de wettelijke taak tot het stellen van de indicatie Beschut Werk. Gemeenten kunnen een voorselectie doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de participatievoorziening Beschut Werk voert het college een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor Beschut Werk, en op welk moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat het college uitsluitend personen selecteert met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die geen perspectief hebben om regulier te werken, zoals is gebleken doordat bij een voorafgaand traject vanwege in de persoon gelegen factoren geen doorstroom naar een dienstbetrekking bij een reguliere werkgever mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat het college gekozen heeft voor de inzet van de voorziening Beschut Werk, draagt het college deze persoon voor aan het UWV voor een beoordeling of de geselecteerde persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep Beschut Werk behoort. Het UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het advies van het UWV beslist het college of iemand tot de doelgroep 'Beschut Werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan het college besluiten het advies niet te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'Beschut Werk' behoort, zorgt het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van het college. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (vierde lid). Het college zorgt voor het beheer van een wachtlijst Beschut Werk die regelt in welke volgorde personen van de wachtlijst in aanmerking kunnen komen voor beschikbare plekken Beschut Werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassing werkplek en vervoersvoorzieningHet kan zijn dat er aanpassingen op de werkplek gedaan moeten worden om ervoor te zorgen dat een werknemer met een fysieke arbeidsbeperking kan functioneren op de werkplek. Denk aan een rolstoeloprit, een aangepast toilet, elektrische deuren, een extra leuning bij de trap of een video-intercom Voor werknemers met een fysieke arbeidsbeperking kan het reizen naar het werk lastig zijn vanwege de beperking. In dat geval kan er ondersteuning worden aangevraagd. Het is ook mogelijk dat er in de arbeidsmarktregio goede regionale afspraken zijn gemaakt over de uitvoering en er een eenduidig werkproces is gerealiseerd met gemeenten en UWV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitsplitsing van taken Bij functiecreatie gaat het om het afsplitsen of ‘opknippen’ van taken. Gekeken wordt of uit bestaande taken eenvoudige taken kunnen worden afgesplitst en deze als nieuwe functie wordt opgenomen in een werkproces. Nieuw ontstane functies zijn dan geschikt gemaakt werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke ondersteuningIn dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning op de werkplek nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zijnde een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">No-risk polisDe no-risk polis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-risk polis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de werknemer, die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt, in aanmerking komt voor de no-risk polis. De polis is gebonden aan de werknemer en aan het bedrijf en is dus niet overdraagbaar. Het gaat om personen uit het doelgroepenregister. De uitvoering van deze regeling ligt bij het UWV</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WerkgeverspremieGesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. Iedere werkgever komt onder de in het artikel vermelde voorwaarden in aanmerking voor een werkgeverspremie (ook de uitzendbureaus) Het doel van de werkgeverspremie is het bieden van financiële compensatie aan een werkgever voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever deze persoon (nog) niet ten volle kan inzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">LoonkostensubsidieHet college kan loonkostensubsidie inzetten voor mensen voor wie de gemeente verantwoordelijk is om hen te ondersteunen bij het vinden van werk en die niet het Wettelijk Minimumloon (WML) kunnen verdienen met een voltijdsdienstbetrekking. Dat kan dus gaan om mensen die bijstand ontvangen, mensen die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen, mensen die met behulp van een andere voorziening van de gemeente al aan het werk zijn, maar ook om zogenaamde niet-uitkeringsgerechtigden: mensen zonder uitkering: personen zoals bedoeld in artikel 7,eerste lid, onderdeel a Participatiewet die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het WML (artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet) Ook maakt de Participatiewet expliciet dat deze vorm van loonkostensubsidie een oneindige constructie betreft. De Participatiewet begrenst de hoogte van de loonkostensubsidie op maximaal 70% van het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten. Het is wettelijk niet toegestaan om naast deze maximale loonkostensubsidie een andersoortige subsidie ter dekking van de loonkosten te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loonkostensubsidie compenseert de werkgever voor het verlies aan productiviteit. Wanneer iemand bijvoorbeeld 40% loonwaarde heeft, is hij in staat om 40% van het voor hem geldende loon te verdienen, afgezet tegen dat van iemand die zonder beperking diezelfde functie verricht: de normfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loonkostensubsidie is inclusief de werkgeverslasten en de door een werkgever aan de werknemer verschuldigde vakantiebijslag. Werkgeverslasten zijn per sector CAO verschillend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ministerie van SZW heeft hiervoor een gemiddeld percentage werkgeverslasten vastgesteld op 23% (ministeriele regeling van 5 december 2014) Om in aanmerking te kunnen komen voor loonkostensubsidie moeten colleges vaststellen dat deze mensen niet het WML kunnen verdienen als zij voltijds zouden werken) maar dat zij wel mogelijkheden hebben om te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet koppelt de loonkostensubsidie verplicht aan een loonwaardemeting, én de financiering aan het I-deel (BUIG-budget). Bij een loonwaarde hoger dan 100% WML is financiering van de loonkostensubsidie uit het I-deel niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet stelt dat, om de hoogte van de loonkostensubsidie te bepalen, de loonwaarde van de betreffende persoon bepalend is. Om deze vast te stellen moet de loonwaarde gemeten te worden. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Methode van loonwaardebepalingDe Participatiewet bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling waarvoor wordt gekozen in de gemeentelijke verordening wordt vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor de methodiek van Dariuz. Dariuz adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. In de bijlage bij deze verordening wordt de methode die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stapeling van subsidies is niet mogelijk. Kabinet en sociale partners zijn overeengekomen dat de compensatie aan de werkgever via één instrument verloopt, namelijk via loonkostensubsidie, en dat de werkgever bijvoorbeeld niet ook deels via de mobiliteitsbonus wordt gecompenseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">UitstroompremieHet verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die algemene bijstand ontving, uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid De premie is bedoeld voor financiering van allerlei onkosten als iemand aan het werk gaat (reiskosten, kinderopvang, eerste kosten kleding, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5.2 TegenprestatieArtikel 43. Tegenprestatie naar vermogen Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Dit artikel stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opdragen van een tegenprestatie Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend Belanghebbende met een grote afstand tot arbeidsmarktDe gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen. De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt zich volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarktHet derde lid van dit artikel bepaalt dat het college een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen tegenprestatie Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 37a, eerste lid, van de IOAW en artikel 37a, eerste lid, van de IOAZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">MantelzorgHet tweede lid van dit artikel bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan redelijkerwijs noodzakelijk vindt. Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Duur en omvang van een tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span><span class=\"lf-art-t\">Geen werkzaamheden voorhanden Geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen InkomenArtikel 47. Individuele inkomenstoeslag Algemeen Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Peildatum De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom (eveneens) artikel 44 van de Wet werk en bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laag inkomen Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gehuwden Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Individuele StudietoeslagAlgemeen Met de Individuele studietoeslag heeft het college de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de ru nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk hoger omdat de kans op een baan later kleiner is. Een studieregeling stimuleert mensen om tot de stap te zetten om naar school te gaan en/of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De individuele studietoeslag is een vorm van bijzondere bijstand. De individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen met voltijdse arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden individuele studietoeslagEen persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag. Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek -gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel verdienen wettelijk minimumloon en mogelijkheden tot arbeidsparticipatieIndien voor belanghebbende eerder onderzoek door het UWV is uitgevoerd, en is hieruit gebleken dat belanghebbende niet in staat is het minimumloon te verdienen, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (positieve indicatie), dan wordt de individuele studietoeslag toegekend, mits belanghebbende aan de voorwaarden voldoet als genoemd in artikel 36b van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende deze bescheiden niet kan overleggen wordt er een arbeidskundig onderzoek verricht. Indien hieruit blijkt dat belanghebbende met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, dan wordt de individuele studietoeslag toegekend, mits belanghebbende aan de voorwaarden voldoet als genoemd in artikel 36b van de Participatiewet. De kosten voor dit onderzoek worden gedragen door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op individuele basis wordt getoetst voor welke termijn de positieve indicatie op grond van de beschikbare arbeidskundige informatie geldig is, hiervoor worden werkinstructies opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-491-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming kosten maatschappelijke participatieEen laag inkomen mag geen belemmering zijn voor maatschappelijke participatie. In artikel 49.1 benoemd wie en onder welke voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming in de kosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-492-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het recht op tegemoetkomingDit artikel behoeft geen toelichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49.3 De inkomensgrensDit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49.4 De vermogensgrensDit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49.5 De aanvraagDit artikel behoeft geen toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-496-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming maatschappelijke activiteitenIn dit artikel is benoemd voor welke maatschappelijke activiteiten een tegemoetkoming kan worden toegekend. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 100,- per persoon per kalenderjaar. Belangrijk is dat alleen de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van dit bedrag vergoedt kunnen worden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-497-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming schoolkostenIn artikel 49.7 is benoemd onder welke voorwaarden en aan wie een tegemoetkoming in de schoolkosten verleend kan worden. Ook hier is van belang dat het om de werkelijk gemaakte kosten gaat</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-498-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49.8</span><span class=\"lf-art-t\">Collectieve ziektekostenverzekeringDit artikel behoeft geen toelichting</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-499-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 49.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand aan chronisch zieken en gehandicaptenOok de bijstand vanwege meerkosten die verband houden met chronische ziekte of handicap, kunnen slecht vergoed worden op basis van werkelijke kosten tot een maximum bedrag van € 150,- per jaar Hoofdstuk 7 LeerlingenvervoerParagraaf 7.1 Algemene bepalingenAlgemeenIeder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke plichtGemeenten zijn verplicht een regeling vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen -onder bepaalde voorwaarden- aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerskosten van en naar school. Het gaat om leerlingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Leerlingen van het regulier voortgezet onderwijs die gehandicapt zijn kunnen ook in aanmerking komen voor bekostiging van het vervoer. Het gaat om scholen die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke basis voor het leerlingenvervoer vinden we in artikel 4 van de Wet primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het uitgangspunt is het vervoer van gehandicapte leerlingen naar school, maar ook het zogenoemd signatuurvervoer waarbij een godsdienstige richting of levensbeschouwing bepalend is voor de schoolkeuze behoort tot het leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersvoorziening leerlingenvervoerIn deze verordening hanteren we het begrip ‘vervoersvoorziening leerlingenvervoer’. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling aan de ouders, maar dat een voorziening ook mogelijk is in de vorm van aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van de regeling is bekostiging (op basis) van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren en hiervoor en vergoeding willen ontvangen, moeten ze hiervoor toestemming vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden toekenning leerlingenvervoerZie het ‘Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer’ in bijlage 2 zoals dat bij de modelverordening van de VNG is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-50-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De door het college noodzakelijk te achten voorziening leerlingenvervoerOok als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het vervoer van hun leerlingen (artikel 50 lid 2) De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school (zie artikelen 60 en 61). Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke schoolIn de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. In de verordening zijn deze bepalingen verankerd in artikel 51 Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken, als vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente busjes laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">RICHTING Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van bezwaarOp grond van artikel 51 lid 2 dienen ouders van een leerling die een school bezoekt die op grote afstand is gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling passende scholen bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening schriftelijk te verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen bijzondere scholen. Deze verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs, en niet tegen de onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toekenning vervoersvoorzieningOm enige beleidsruimte te creëren is in artikel 52 bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 52 geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen Aanvragen en termijn van de vervoersvoorzieningVanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de inwoner is het wenselijk dat het aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. Uitvoeringspraktijk in de gemeente Waddinxveen is dat, indien dit mogelijk is, de vervoersvoorziening voor meerdere jaren of de gehele schoolperiode wordt vastgesteld. Als er in de situatie van de leerling echter verandering valt te verwachten, bijvoorbeeld een verbetering in de lichamelijke of geestelijke toestand, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn van één schooljaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de vervoersvoorziening voor een langere periode verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">IngangsdatumEen toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders, óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 52 lid 2 a). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Peildatum leeftijd leerlingIn artikel 53 is het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de – wettelijk toegestane – volumebeperkende middelen opgenomen om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de verordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij een school volstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Andere vergoedingenAls kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 7.2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijsArtikel 55. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijsParagraaf 7.2 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband Het derde lid van artikel 55 is een aanvulling op artikel 51. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 51, eerste lid: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4 lid 5 van de WPO moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband worden bekostigd. Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn. Het is mogelijk dat er een speciale school voor basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a lid 6 aanhef en onder c van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40 lid 8 van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid van artikel 55 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 51 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. In dat geval is artikel 55 van toepassing. Daarnaast geldt, als gevolg van de verwijzing naar artikel 51, bij toepassing van artikel 55, derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fietsIn artikel 56 zijn de voorwaarden vastgelegd waaronder ouders van leerlingen die scholen bezoeken die onder paragraaf 7.2 vallen, aanspraak kunnen maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleiderIn een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen Leerling is jonger dan negen jaarIn artikel 56 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer is. Als daarbij de leerling jonger dan negen jaar is, en de ouders aan het college kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties: de leerling moet een of meerdere malen overstappen; de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Structurele handicapOuders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van drie maanden worden aangehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoerEen vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 58 vastgelegd Eerste lid, onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur en kan met aangepast vervoer tot 50% of minder worden teruggebrachtBij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel, zo oordeelde de ABRvS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op artikel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Zo oordeelde ook de ABRvS (5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: Kosten van de begeleidingSoms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed vanuit het leerlingenvervoer. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed vanuit het leerlingenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59-159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoerArtikel 59 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.), of wanneer een leerling gebruikmaakt van de fiets Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al rijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in deze verordening voor in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60-160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Drempelbedrag De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de vastgestelde kilometergrens van 6 kilometer, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de draagkracht en wordt per gezin geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte drempelbedragAls een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De kosten van het openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Financiële draagkrachtArtikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 7.3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs Artikel 62. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijsParagraaf 7.3 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die voortgezet onderwijs volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 4 lid 4 van de WEC en artikel 4 lid 1 van de WVO komen leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoerEen vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 64 vastgelegd Artikel 64 is identiek aan artikel 58, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span><span class=\"lf-art-t\">Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoerArtikel 65 is identiek aan artikel 59, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 7.4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer Artikel 66. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende oudersEen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantieArtikel 67 bepaalt dat een vervoersvoorziening kan worden toegekend voor de reizen van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in het weekeinde en in de vakanties. Het college van de gemeente waar de ouders wonen bepaalt welke vervoersvoorziening wordt toegekend Artikel 67 lid 3 geeft aan dat de bepalingen van paragraaf 7.2 en 7.3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, op enkele uitzonderingen na.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit houdt in dat alleen leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 8 Wijzigingen, handhaving en maatregelen Paragraaf 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvorderingArtikel 68. Nieuwe feiten en omstandighedenOp grond van de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet worden regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een (maatwerk)voorziening of PGB, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wetten. Onder een (maatwerk)voorziening wordt nadrukkelijk ook verstaan bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toekenning van een (maatwerk)voorziening wordt uitgegaan van feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Als er wijzigingen zijn die van invloed kunnen zijn op de toegekende (maatwerk)voorziening (de aard, hoogte, duur) is het van belang dat de inwoner het college hierover op verzoek of onverwijld uit eigen beweging informeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe feiten en omstandigheden kunnen een wijziging in de toegekende (maatwerk)voorziening tot gevolg hebben, of kan er toe leiden dat de aanspraak op een voorziening vervalt. Het college kan ook in andere stadia dan alleen bij de aanvraag om informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een inwoner de inlichtingen niet verstrekt, maar het college stelt vast dat er sprake is van een wijziging die van invloed is op de verstrekte (maatwerk)voorziening vervalt de aanspraak of wordt al dan niet opnieuw een voorziening toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een situatie als in het derde lid beschreven zich voordoet bij een voorziening die op grond van de Participatiewet is verstrekt, is ook artikel 18a van die wet van toepassing (bestuurlijke boete bij schending inlichtingenverplichting artikel 17 lid 1 Participatiewet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering en intrekkenTerugvordering is een bevoegdheid van de gemeente. Door dit artikel op te nemen spreekt de gemeenteraad uit dat van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. Opgemerkt wordt dat terugvordering van teveel betaalde bijstand (Participatiewet) als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een verplichting van het college is Ook in de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn specifieke bepalingen opgenomen verhaal van kosten en terugvorderen van ten onrechte verstrekte maatwerkvoorzieningen of pgb’s. In het eerste lid is benoemd wanneer een voorziening kan worden ingetrokken of teruggevorderd. lid 1 onder e: een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen drie maanden na het besluit tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om het besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid twee is bepaald dat naast de mogelijkheid om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen.’ In het derde is dan ook de bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van het pgb, in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden 4 tot en met 7 behoeven geen nadere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 8.2 Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZArtikel 70. Het besluit tot opleggen van een verlagingAlgemeenArtikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening wordt de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen. genoemd in artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</p></div>", "next": 239766}