{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een buitendienststelling, als bedoeld in lid 1, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplicht geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 in te stellen geneeskundig onderzoek ter beantwoording van de vragen: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie wegens ziekte; in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt; of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geneeskundige die het onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, heeft verricht, deelt na het afsluiten van het onderzoek de uitkomst daarvan terstond schriftelijk mede aan de ambtenaar en zendt het dagelijks bestuur zo spoedig mogelijk een afschrift van die mededeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen en voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien daartoe naar het oordeel van de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1, lid 1 aanleiding bestaat, verzoekt het dagelijks bestuur het UWV de ambtenaar in aanmerking te brengen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. Van dit verzoek wordt de ambtenaar schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">re-integratie–inspanning en passende arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever zal zich, binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid, maximaal inspannen om de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, passende arbeid aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever zal daarbij trachten: de arbeidsplek en het werk zodanig aan te passen dat de ambtenaar zijn functie naar behoren kan blijven vervullen; en indien dit niet mogelijk is, passend werk in een andere functie aan te bieden, door wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval voor de ambtenaar uit het eerste lid, door het UWV een mate van arbeidsongeschiktheid van tussen de 35% en 80% wordt vastgesteld, zullen de inspanningen van de werkgever uit het tweede lid, er op gericht zijn om passende arbeid aan te bieden waardoor de ambtenaar minimaal 50% van zijn restverdiencapaciteit benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste en derde lid, in staat is passende arbeid te verrichten en hij door zijn werkgever of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de in dit artikel bedoelde passende arbeid wordt verstaan passende arbeid als bedoeld in artikel 658a van boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, zonder deugdelijke grond weigert de in het vorige lid bedoelde arbeid te verrichten, worden de inkomsten die hij uit deze arbeid zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel zou hebben verricht, geheel in mindering gebracht op zijn bezoldiging, als bedoeld in artikel 5.2.1, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 5.2.1a.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, geniet vanaf de eerste dag van die verhindering gedurende twaalf maanden de volle bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar geniet na afloop van de in sub a genoemde periode tot het einde van zijn dienstverband:</p>\n<p class=\"lf-p\">70% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij geen werkzaamheden noch re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">80% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij 1 tot en met 12 uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">90% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij meer dan 12 maar minder dan 26 uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij 26 of meer uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in sub b genoemde uren gelden voor deeltijders naar evenredigheid van het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode van zwangerschap– en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 4.4.2, schort de periode uit sub a en b op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode uit sub d, ziek is als gevolg van zwangerschap, schort de periode uit sub a en b op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar geniet ook na afloop van de in het eerste lid, sub a genoemde periode van twaalf maanden tot aan het einde van zijn dienstverband de volle bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij: elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken volledige werkhervatting opvolgen of; direct voorafgaan en aansluiten op een periode van zwangerschap– en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 4.4.2, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen vervullen indien het dagelijks bestuur, gelet op het advies van de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 of van het UWV, daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden. Deze toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste en tweede lid bedoelde doorbetaling van bezoldiging eindigt indien de ambtenaar wordt herplaatst in een andere functie, maar niet eerder dan 24 maanden na de eerste dag van verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling op de bezoldiging bij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt verklaard, en die wordt herplaatst tegen een lagere bezoldiging dan de bezoldiging voor de eerste ziektedag, heeft recht op een aanvulling op de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op de aanvulling vanaf het moment van herplaatsing en duurt tot het einde van zijn dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de aanvulling bedraagt 80% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief voor de eerste ziektedag, en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief zoals die geldt op het moment van herplaatsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met andere inkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar gedurende de periode uit artikel 5.2.1, eerste of tweede lid, recht heeft op een ZW, WAO, IVA-, WGA–, WW–uitkering, of bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement, wordt het bedrag van de uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge de in artikel 5.2.1, eerste en tweede lid bedoelde bezoldiging recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar gedurende de periode uit artikel 5.2.1a, tweede lid, recht heeft op verhoging van het inkomen en/of een werkloosheidsuitkering, wordt het bedrag van de verhoging en/of werkloosheidsuitkering, met uitzondering van periodieke verhogingen van het salaris en collectieve loonstijgingen, op de aanvulling uit artikel 5.2.1a, eerste lid, in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen recht heeft op een in het eerste of tweede lid genoemde uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van het eerste respectievelijk tweede lid, toegerekend aan de dienstbetrekkingen ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald, naar evenredigheid van de bezoldigingen uit de desbetreffende dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar de in het eerste of tweede lid genoemde uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing van het vierde lid wordt, in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid, uitgegaan van de uitkering waarop de ambtenaar recht zou hebben gehad in geval van volledige ziekte of arbeidsongeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de werkgever verleent de ambtenaar alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling laten komen van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de werkgever verstrekt de ambtenaar alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Korting bezoldiging bij re-integratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn functie, op grond van een aan het dagelijks bestuur door de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 of door het UWV uitgebracht advies, in het belang van zijn genezing of zijn re-integratie dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten in mindering gebracht op de bezoldiging, voor zover de inkomsten plus bezoldiging het niveau van de bezoldiging uit artikel 5.2.1, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 5.2.1a overstijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanspraak bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging bestaat: indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 5.1.7, eerste lid, er sprake is van een in dat lid, sub c, bedoelde omstandigheid, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt; indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2.1.3, tweede lid, bedoelde geneeskundige keuring en als dan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doorbetaling van bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang: blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 5.1.7, eerste lid, zich een van de omstandigheden, bedoeld in dat lid, onder d of e, voordoet; de ambtenaar weigert de in de artikelen 5.1.5, tweede lid, en 5.1.7, eerste lid, neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 in te stellen medisch onderzoek na te komen; de ambtenaar tijdens de verhindering om zijn functie te vervullen voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het dagelijks bestuur daartoe toestemming heeft verleend; de ambtenaar in gebreke blijft op het door de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate zijn functie weer te vervullen, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen – door deze geneeskundige dienst erkende – reden heeft opgegeven; de ambtenaar door zijn toedoen er de oorzaak van is dat controle bij ziekte niet kan plaats hebben; de ambtenaar weigert om – op verzoek van de werkgever – de noodzakelijke informatie te verstrekken, bedoeld in artikel 5.2.2, zevende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het in het vorige lid onder a en b bepaalde vindt doorbetaling van bezoldiging wel plaats indien een ambtenaar van het zich niet houden aan de voorschriften op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere omstandigheden bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen dat de op grond van artikel 5.2.4 niet uitbetaalde bezoldiging geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het dagelijks bestuur van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge artikel 5.2.4 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 32, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (wet SUWI), heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte ontstaan voor ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die: geen aanspraak kan ontlenen aan paragraaf 9.2 van de SAW; en wegens ziekte, ontstaan voor de datum van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet (ziekengeld) ontvangt; heeft recht op een aanvullende uitkering tot uiterlijk 52 weken na de aanvang van zijn ongeschiktheid. Deze aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering die de ambtenaar krachtens artikel 9.2.12 zou hebben genoten indien dit op hem van toepassing zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vindt geen toepassing op degene die op of na het tijdstip van zijn ontslag in verband met de aanvaarding van een functie van tenminste een gelijke omvang als die waaruit hij is ontslagen, aanspraak kan maken op loon of bezoldiging dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet of een daarmee gelijk te stellen wettelijke regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering bij ziekte ontstaan na ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die: geen aanspraak kan ontlenen aan paragraaf 9.2 van de SAW; en tenminste twee maanden zijn functie heeft vervuld, en die binnen een maand na de datum van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet (ziekengeld) ontvangt; heeft recht op een aanvullende uitkering tot uiterlijk 52 weken na de aanvang van zijn ongeschiktheid. Deze aanvullende uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die hij krachtens artikel 9.2.12 zou hebben genoten indien dit op hem van toepassing zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vindt geen toepassing in de gevallen genoemd in artikel 5.2.7, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens ongeschiktheid door dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WAO–uitkering wordt – indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten – een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WAO–uitkering vermeerderd met een hem toegekend invaliditeitspensioen ingevolge het pensioenreglement aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer 90,02% 65 tot 80% 65,27% 55 tot 65% 54,01% 45 tot 55% 45,01% 35 tot 45% 36,01% 25 tot 35% 27,00% 15 tot 25% 18,01% Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA– of IVA–uitkering wordt – indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten – een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit het eerste lid recht heeft op een IVA–uitkering, vult de aanvullende uitkering de IVA–uitkering plus bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement aan tot 90% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, waarop de ambtenaar recht had op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 5.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit het eerste lid recht heeft op een WGA–uitkering, vult de aanvullende uitkering de WGA–uitkering plus bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de loongerelateerde WGA–uitkering, in geval de restverdiencapaciteit volledig wordt benut, tot 90% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 5.2.1 en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief tijdens de loongerelateerde WGA–uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de loongerelateerde WGA–uitkering, in geval de restverdiencapaciteit niet volledig wordt benut, tot 80% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 5.2.1 en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief tijdens de loongerelateerde WGA–uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de WGA Loonaanvulling, tot 90% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 5.2.1 en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief die de ambtenaar zou kunnen verdienen tijdens de WGA Loonaanvulling, indien hij zijn restverdiencapaciteit volledig zou benutten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de WGA vervolguitkering, maar maximaal 10 jaar, tot 75% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief maal het arbeidsongeschiktheidspercentage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste of derde lid genoemde voorwaarden en in ieder geval met ingang van de eerste van de maand, volgend op die waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene op het moment van overlijden recht heeft op een uitkering als bedoeld in het eerste of derde lid en zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het eerste of derde lid, wordt aan degenen die in verband met dit overlijden uit hoofde van dit dienstverband een nabestaandenpensioen genieten, een uitkering verleend ten bedrage van 18% van dit pensioen, zonder dat daarop de bepalingen inzake inbouw van AOW/AWW respectievelijk bepalingen inzake vermindering met de franchise zijn toegepast. De uitkering eindigt op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt dan wel – indien de weduwe of de weduwnaar aan wie een pensioen werd toegekend hertrouwt– met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die van het hertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar aan wie een uitkering als bedoeld in het eerste of het derde lid is toegekend, is verplicht gedurende de termijn van de uitkering het dagelijks bestuur op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, of zijn bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding bij ziekte in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten, worden hem vergoed de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan omtrent het bepaalde in lid 1 nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Berekeningsbasis bij bijzondere beloning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk worden de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1.19 de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning slechts geacht te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie kalendermaanden of in de dertien kalenderweken, voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen van de functie is ontstaan, gemiddeld per maand of per week is toegekend aan die vergoeding of die beloning, al naar gelang de bezoldiging van de ambtenaar per maand of per week wordt uitbetaald. Voor zover de ambtenaar op even bedoelde datum minder dan drie kalendermaanden of dertien kalenderweken zijn functie heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand of per week is toegekend over het tijdvak waarin hij vóór het ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Rechten, verplichtingen en gedragscodes 6.1 Rechten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Personeelsbeoordeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2009 maken ambtenaar en leidinggevende jaarlijks concrete afspraken over de te behalen resultaten en de (te ontwikkelen) competenties. Hiertoe vindt er elk jaar minimaal een planningsgesprek, voortgangsgesprek en beoordelingsgesprek plaats tussen ambtenaar en leidinggevende. Alle gesprekken hebben een tweezijdig karakter; ambtenaar en leidinggevende leveren samen de input voor de te maken afspraken, de voortgang en de beoordeling. In beginsel zal gestreefd worden naar overeenstemming. Het planningsgesprek is de basis voor het beoordelingsgesprek. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de in het planningsgesprek overeengekomen resultaten en competenties. In 2011 beschikt ieder waterschap over een met de ondernemingsraad overeengekomen competentiewoordenboek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">POP–gesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft ieder jaar recht op een gesprek met zijn leidinggevende over opleiding, ontwikkeling, carrière en mobiliteit zoals bedoeld in artikel 11.2.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet bestaat uit normale slijtage van de goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen die hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij: die schade bestaat uit de normale slijtage of er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur beslist op verzoeken om vergoeding van schade aan motorrijtuigen in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming gebruik eigen motorrijtuig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het dagelijks bestuur toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding bijzondere omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Extra verlof en beloning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de functie kan aan de ambtenaar extra verlof of een bijzondere beloning worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Niet–naleving van bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van niet–naleving van bepalingen die redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Borstvoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de vrouwelijke ambtenaar wordt gedurende ten hoogste een jaar na de geboorte van haar kind de gelegenheid gegeven borstvoeding te geven dan wel te kolven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Alternatieve samenlevingsvormen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de leden 2 tot en met 4 opgenomen bepalingen, die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar staat ‘echtgeno(o)t(e)’ moet tevens worden gelezen ‘levenspartner’.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van de SAW en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regelingen met betrekking tot: het verlof met behoud van bezoldiging en IKB collectief wegens persoonlijke of familieomstandigheden de uitkering bij overlijden van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van artikel 6.2.14 wordt de levenspartner als gezinslid aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van artikel 3.1.21 uitkering na overlijden ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van paragraaf 10.3 Verplaatsingskosten met betrekking tot de verhuiskosten–, de reiskosten– en de pensionkostenvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtelijke ethiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het dagelijks bestuur is voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk gebruik van goederen en diensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het dagelijks bestuur in bijzondere gevallen, ten eigen bate: diensten te laten verrichten door personen in waterschapsdienst; aan het waterschap toebehorende eigendommen te gebruiken; gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn functie ter kennis is gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aannemen van geschenken en gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden: in verband met zijn functie vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het dagelijks bestuur; steekpenningen aan te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verhindering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk met opgave van redenen mede te delen of te doen mededelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-625\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Nevenwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht aan het dagelijks bestuur op een door dit orgaan te bepalen wijze opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten, waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de secretaris-directeur en overige directeuren, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-626\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Melding financiële belangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor ambtenaren aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is, worden door het dagelijks bestuur voorschriften vastgesteld betreffende de melding van financiële belangen respectievelijk van het bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aannemingen van werken, leveringen en diensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen van werken, leveringen en diensten ten behoeve van de openbare dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Plicht aanvaarden of verrichten (andere) werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht een andere functie te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het – nadat hij is gehoord – belang van de dienst is aangewezen, indien deze functie hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dagelijks bestuur of de (algemeen) directeur dit in het dienstbelang nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; tijdelijke werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; zich buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden ter beschikking te houden voor wachtdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de ambtenaar meent dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in lid 2 bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van de (algemeen) directeur terstond kennis aan het dagelijks bestuur, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgestotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het dagelijks bestuur zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst van het waterschap noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van de toepassing van het bepaalde in lid 4 wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12.1, lid 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Oorlog en andere buitengewone omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het dagelijks bestuur wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die het waterschap in die tijden heeft of zal krijgen dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, op grond van lid 1 aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen die verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing als bedoeld in lid 1 geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Plicht tot schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door het waterschap geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanzuiveringsplicht rekenplichtige ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rekenplichtige ambtenaar wordt van de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Kleding en onderscheidingstekenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de door het dagelijks bestuur voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het dagelijks bestuur toestemming is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van waterschapswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het dagelijks bestuur vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afzonderlijke regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in lid 1 bedoelde kleding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstwoning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht, indien hem door het dagelijks bestuur een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt nadere regels inzake het gebruik van de woning en de daaraan voor de ambtenaar verbonden kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstwoning bij overlijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik der dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het dagelijks bestuur dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de ambtenaar voor het gebruik der dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van deze woning behouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Ontzegging toegang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar kan door of namens het dagelijks bestuur de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Besmettelijke ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekte–oorzaken bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, –lokalen en –terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het dagelijks bestuur. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het dagelijks bestuur gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar geniet over de tijd gedurende die het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Woongebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan worden verplicht te gaan wonen of te blijven wonen binnen een bepaald gebied, indien dit naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie of als de reisafstand te groot wordt geacht of de reistijd te lang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd om in het door het dagelijks bestuur aangewezen gebied te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Gedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-631\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbowetgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever is verantwoordelijk voor het naleven van de Arbowet en voert daartoe een Beleid om de arbeidsomstandigheden zo goed mogelijk in te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever zet hier de volgende drie instrumenten voor in:</p>\n<p class=\"lf-p\">De risico inventarisatie en evaluatie (RIE) Een plan van aanpak Preventiemedewerker</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-632\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren kunnen op het werk geconfronteerd worden met vormen van ongewenst gedrag, zoals pesten, seksuele intimidatie, discriminatie en agressie. De werkgever stelt een vertrouwenspersoon aan bij de organisatie waar de ambtenaar terecht kan met meldingen of klachten over ongewenst gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever benoemt een vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon is voor de uitvoering van de taken uitsluitend verantwoording schuldig aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de werkgever over de betreffende werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een door het dagelijks bestuur aangewezen interne vertrouwenspersoon wordt op geen enkele wijze benadeeld als gevolg van het uitoefenen van zijn taken als vertrouwenspersoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-633\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Het indienen van een klacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een klacht wordt in eerste instantie ingediend bij de door de werkgever benoemde vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het indienen van een klacht kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Van de schriftelijk ingediende klacht krijgt de klager binnen een week een bericht van ontvangst. Van de mondeling ingediende klacht wordt direct proces–verbaal opgemaakt. De klager en de vertrouwenspersoon ondertekenen het proces–verbaal. De klager krijgt binnen een week nadat het proces–verbaal is opgemaakt een afschrift daarvan toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anonieme klachten worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-634\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtenprocedure bij de vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon stelt de klager en de aangeklaagde in de gelegenheid te worden gehoord. Het horen wordt geacht plaats te vinden binnen twee weken nadat de klacht bij de vertrouwenspersoon is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klager en aangeklaagde kunnen zich ieder laten bijstaan door een derde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het horen bedoeld in lid 1 stelt de vertrouwenspersoon een verslag op dat door klager, aangeklaagde en vertrouwenspersoon voor gezien wordt ondertekend. Weigert een gehoorde ondertekening, dan wordt daarvan, onder vermelding van redenen, door de vertrouwenspersoon op het verslag melding gemaakt. Klager en aangeklaagde ontvangen binnen een week na het horen een afschrift van het verslag van de vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de klacht door de vertrouwenspersoon, na het horen van tenminste de klager en de aangeklaagde, niet kan worden afgehandeld, verwijst hij de klager naar de klachtencommissie. In dat geval worden de benodigde stukken door de vertrouwenspersoon direct naar de klachtencommissie verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien klager zich niet kan verenigen met de afhandeling door de vertrouwenspersoon, kan de klager zich – onder gelijktijdige kennisgeving aan de vertrouwenspersoon – rechtstreeks wenden tot de klachtencommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-635\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtencommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een klachtencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze commissie bestaat uit drie leden, waarvan er bij voorkeur één een vrouw is, te weten: één lid aan te wijzen door de leden van de Medezeggenschapscommissie, of bij het ontbreken daarvan, namens het personeel; één lid aan te wijzen door het dagelijks bestuur; en één lid aan te wijzen door de Medezeggenschapscommissie of het personeel en het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de klachtencommissie hebben zitting voor een periode van vier jaar. Zij treden na hun zittingsperiode af en zijn herbenoembaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie beraadslaagt in voltalligheid en in beslotenheid. Over haar bevindingen verstrekt de commissie noch haar leden, anders dan als bedoeld in artikel 7, lid 2, geen informatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-636\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverzameling en –bewaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon respectievelijk de commissie is bevoegd informatie in te winnen bij de klager en de aangeklaagde, evenals bij getuigen en anderen, voor zover de uitvoering van zijn taken daartoe noodzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij neemt daarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht ter bescherming van de privacy van de direct–betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon respectievelijk de commissie houdt van de door haar behandelde klachten een archief bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van gegevensverzameling en privacy–bescherming worden de bepalingen van de Wet persoonsregistratie in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-637\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtenprocedure bij de commissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie stelt de klager, de aangeklaagde, de vertrouwenspersoon en eventuele getuigen in de gelegenheid te worden gehoord. Het horen gebeurt binnen uiterlijk twee weken nadat de klacht bij de commissie is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van haar bevindingen brengt de commissie schriftelijk rapport uit aan het dagelijks bestuur, aan de klager en aan de aangeklaagde, uiterlijk drie weken nadat het horen van klager, aangeklaagde en eventueel getuigen is afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klachtencommissie geeft in het rapport een gemotiveerd oordeel over de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie brengt in haar rapport tevens advies uit betreffende de zo nodig te treffen maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-638\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Besluitvorming door werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen drie weken na ontvangst van het rapport van de klachtencommissie neemt het dagelijks bestuur een gemotiveerd besluit ter zake.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-639\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Rehabilitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een klacht ten onrechte bij de commissie blijkt te zijn gedeponeerd, voorziet het dagelijks bestuur op verzoek van en in overleg met de aangeklaagde in een deze passende rehabilitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Klokkenluidersregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Klokkenluider</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden uit volgens de procedure, bedoeld in deze paragraaf zal als gevolg van het uiten van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na het volgen van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interne procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Interne melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden, doet dit bij zijn direct leidinggevende of, indien hij melding aan zijn direct leidinggevende niet wenselijk acht, bij diens leidinggevende of bij de door het algemeen bestuur aangewezen vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende of de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor dat het dagelijks bestuur direct op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is. Indien de ambtenaar het vermoeden bij de vertrouwenspersoon heeft gemeld, brengt de vertrouwenspersoon tevens de leidinggevende van betrokkene op de hoogte. De ambtenaar kan de vertrouwenspersoon verzoeken zijn identiteit bij het dagelijks bestuur of de leidinggevende niet bekend te maken. De ambtenaar kan dit verzoek te allen tijde herroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand stelt het dagelijks bestuur direct een onderzoek in.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zendt aan de ambtenaar die een vermoeden van een misstand heeft gemeld, een ontvangstbevestiging. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een misstand en het moment waarop de ambtenaar het vermoeden aan de leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft gemeld. Indien de ambtenaar verzocht heeft zijn identiteit niet bekend te maken aan het dagelijks bestuur, zendt het dagelijks bestuur een ontvangstbevestiging aan de vertrouwenspersoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Standpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt de ambtenaar dan wel, indien de ambtenaar heeft verzocht zijn identiteit niet bekend te maken aan het dagelijks bestuur, de vertrouwenspersoon binnen zes weken schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt betreffende het gemelde vermoeden van een misstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het standpunt niet binnen zes weken kan worden gegeven, kan het dagelijks bestuur de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Het dagelijks bestuur stelt de ambtenaar dan wel de vertrouwenspersoon hiervan schriftelijk in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Externe procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-644\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur wijst een of meer personen aan die het Meldpunt vormt of vormen. Zij worden benoemd voor de werkingsduur van de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt heeft tot taak een door de ambtenaar gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en het dagelijks bestuur wat dat betreft te adviseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Meldpunt uit meerdere personen bestaat, is dit altijd een oneven aantal, inclusief de voorzitter. Tevens kunnen in dat geval een secretaris, een plaatsvervangend voorzitter en andere plaatsvervangende leden worden benoemd. Zij beslissen bij gewone meerderheid van stemmen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-645\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Melding bij het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan het vermoeden van een misstand binnen een redelijke termijn melden bij het Meldpunt, indien: hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel 3; hij geen standpunt ontvangen heeft binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan het Meldpunt verzoeken zijn identiteit niet bekend te maken. Hij kan dit verzoek te allen tijde herroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-646\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtstreekse melding bij het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het geval zwaarwegende belangen de toepassing van de interne procedure in de weg staan, kan de ambtenaar in afwijking van de artikelen 2, 3 en 5, eerste lid, het vermoeden van een misstand rechtstreeks melden bij het Meldpunt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-647\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Ontvangstbevestiging en onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een vermoeden van een misstand aan de ambtenaar die het vermoeden heeft gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Meldpunt dit voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk acht, stelt het een onderzoek in.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van het onderzoek betreffende een melding van een vermoeden van een misstand is het Meldpunt bevoegd bij het dagelijks bestuur alle inlichtingen in te winnen die het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het dagelijks bestuur verschaft het Meldpunt de gevraagde inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Meldpunt uit meerdere personen bestaat kan het onderzoek of gedeelten daarvan door het Meldpunt worden opdragen aan één van de leden of een deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de inhoud van bepaalde door het dagelijks bestuur verstrekte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van het Meldpunt dient te blijven, wordt dit aan het Meldpunt meegedeeld. Het Meldpunt beveiligt informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door onbevoegden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-648\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet ontvankelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt adviseert het dagelijks bestuur gemotiveerd de melding niet ontvankelijk te verklaren indien: de misstand niet van voldoende gewicht is; de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 2 niet heeft gevolgd en artikel 5a niet van toepassing is; of de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 2 wel heeft gevolgd, maar de termijnen bedoeld in artikel 3 nog niet zijn verstreken. de melding niet binnen een redelijke termijn is geschied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-649\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijk advies van het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gemelde vermoeden van een misstand ontvankelijk is, legt het Meldpunt binnen zes weken zijn bevindingen betreffende de melding van een vermoeden van een misstand neer in een advies aan het dagelijks bestuur. Het Meldpunt zendt een afschrift van het advies aan de ambtenaar met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het meldpunt verstrekte informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het advies niet binnen zes weken kan worden gegeven, wordt dit door het Meldpunt aan het dagelijks bestuur meegedeeld, en kan deze termijn met ten hoogste vier weken worden verlengd. Het Meldpunt stelt het dagelijks bestuur evenals de ambtenaar hiervan schriftelijk in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies wordt in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan het Meldpunt verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen openbaar gemaakt op een wijze die het Meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Kosten van de openbaarmaking komen ten laste van het waterschap. Het advies wordt niet eerder openbaar gemaakt dan nadat het dagelijks bestuur zijn nadere standpunt aan de ambtenaar die het vermoeden van een misstand heeft gemeld, heeft meegedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Nader standpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies bedoeld in artikel 8 de ambtenaar evenals het Meldpunt, schriftelijk op de hoogte van zijn nader standpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die het Meldpunt heeft verzocht zijn identiteit niet bekend te maken geschiedt de berichtgeving van het nader standpunt via het Meldpunt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks wordt door het Meldpunt een verslag opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen gemeld: het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een misstand; het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek heeft geleid; het aantal onderzoeken dat het Meldpunt heeft verricht; en het aantal adviezen en de aard van de adviezen die het Meldpunt heeft uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit jaarverslag wordt aan de het algemeen bestuur en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Disciplinaire maatregelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Plichtsverzuim</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel der Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Disciplinaire straffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De disciplinaire straffen die door het dagelijks bestuur kunnen worden toegepast zijn: schriftelijke berisping; arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uur met een maximum van drie uur per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen; vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft; geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar; niet–betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand; stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhoging als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaar; vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaar; plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief; schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief; ongevraagd ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straf wordt niet eerder opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich mondeling of schriftelijk te verantwoorden ten overstaan van het gezag dat bevoegd is tot oplegging van de straf of ten overstaan van een door dat bevoegd gezag aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het dagelijks bestuur of ten overstaan van een door het dagelijks bestuur aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan zes maal 24 uur en niet later dan twaalf maal 24 uur plaats nadat aan de ambtenaar is kennisgegeven van het voornemen de straf op te leggen. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces–verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces–verbaal, zo mogelijk met vermelding der redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces–verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt. Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Strafuitvoering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang de ambtenaar zich niet heeft kunnen verantwoorden zoals bedoeld in artikel 7.1.3, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Ontslag en schorsing 8.1 Ontslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid en ingangsdatum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de functie, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het besluit tot het verlenen van ontslag wordt de datum van ingang van het ontslag vermeld dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eigen verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ontslag wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar dit verzoekt, kan van het bepaalde in lid 2 worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf, kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-813\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderdomsontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt eervol ontslag verleend, met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het bepaalde in lid 1 kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Dit ter beoordeling van het bestuursorgaan dat bevoegd is het ontslag te verlenen. De ambtenaar moet hiermee instemmen. In deze gevallen wordt het dienstverband beëindigd door het verlenen van eervol ontslag met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de ambtenaar wordt het ouderdomsontslag vanaf de in artikel 7.4 van het pensioenreglement ABP genoemde leeftijd geheel of voor een gedeelte van de voor hem geldende werktijd verleend. De omvang van de overblijvende functie, c.q. werktijd bedraagt tenminste 10% van de oorspronkelijke aanstellingsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-814\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij reorganisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag op één van de in het vorige lid genoemde gronden kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 4, slechts plaatsvinden na afloop van de in artikel 2.3.2, lid 3 SAW benoemde herplaatsingtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dagelijks bestuur, op basis van artikel 2.3.2, lid 8 besluit dat de herplaatsing-termijn wordt verlengd, kan het ontslag met inachtneming van het bepaalde in lid 4, op grond van één van de in het eerste lid genoemde gronden slechts plaatsvinden na afloop van de verlengde herplaatsingtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan een ambtenaar op grond van dit artikel ontslag wordt verleend, wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van dit artikel, verkrijgt met ingang van de datum van ontslag aanspraak op een uitkering krachtens paragraaf 9.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-815\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Het ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontslag als bedoeld in lid 1 mag slechts plaatsvinden indien: er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden; herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten; het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van het waterschap andere arbeid op te dragen dan wel indien de ambtenaar zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen ontslag vindt plaats, indien de ambtenaar door het UWV, in het kader van de uitvoering van de WIA, minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, tenzij sprake is van een zwaarwegend dienstbelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een zwaarwegend dienstbelang is in ieder geval sprake indien: de huidige arbeidsplek en het werk, in alle redelijkheid en billijkheid, niet zodanig kan worden aangepast dat de arbeidsongeschikte zijn functie naar behoren kan blijven uitoefenen; én er geen andere passende arbeid bij het waterschap aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van het tijdvak van 24 maanden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte van de ambtenaar samen geteld: indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van de zwangerschap; indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, sub a, b en c het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en een door het bestuursorgaan of de ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel van het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA–beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van het door het bestuursorgaan of de ambtenaar bij het UWV aangevraagde deskundigenoordeel, komen ten laste van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar een WAO uitkering ontvangt, is dit artikel op gelijke wijze van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-816\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij onbekwaamheid en ongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ontslag op grond van dit artikel heeft betrokkene, indien er recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in paragraaf 9.2. In uitzonderlijke gevallen, gelegen binnen de werksfeer, kan besloten worden tot het verlenen van een aansluitende uitkering als bedoeld in paragraaf 9.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-817\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van: verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt; aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de functie zou uitsluiten; staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in het geval als bedoeld in lid 1, onder e, wordt een ontslag op grond van dit artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-818\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Onverenigbaarheid van karakters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op voordracht van het dagelijks bestuur kan het algemeen bestuur bepalen dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij zijn besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van deze paragraaf genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ontslag op grond van dit artikel treft het algemeen bestuur, op voordracht van het dagelijks bestuur, een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van het algemeen bestuur, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Deze uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die welke hij krachtens paragraaf 9.2 zou hebben genoten indien dit op hem van toepassing zou zijn geweest. Indien geen recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is artikel 9.2.8, lid 3 van overeenkomstige toepassing. Indien een uitkering krachtens de werkloosheidswet gedeeltelijk wordt geweigerd is artikel 9.2.8, lid 2 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond waarop het ontslag berust, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-819\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag na functie in publiekrechtelijk college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van FPU wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op evengenoemde uitkering ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de ambtenaar wordt het in het eerste lid genoemde ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende werktijd verleend, tenzij de omvang van de overblijvende functie zodanig beperkt is dat de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. De overblijvende werktijd bedraagt tenminste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte uit een dienstverhouding waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het eerste lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt tenminste 10% van de oorspronkelijke functieomvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 8.1.2 tweede tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Einde van rechtswege van de aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege op de datum waarop die tijd verstrijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor het verstrijken van de termijn ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na het einde van rechtswege het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd, zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht nogmaals voor dezelfde periode en dezelfde omvang te zijn aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling van de ambtenaar eindigt van rechtswege op de dag van overlijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Opzegtermijn bij tijdelijke aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, omdat de omstandigheid die tot die aanstelling leidde is vervallen, wordt een opzegtermijn in acht genomen: van drie maanden, indien de betrokkene bij het begin van de opzegtermijn laatstelijk twaalf maanden onafgebroken in dienst was; van twee maanden, indien de betrokkene bij het begin van de opzegtermijn laatstelijk zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst was; van één maand, indien de betrokkene bij het begin van de opzegtermijn laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de tijd die aan de in lid 1 bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling der bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslagbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzegging of ontslag als bedoeld in dit hoofdstuk kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar geplaatst is op de kandidatenlijst van de Ondernemingsraad, lid is van de Ondernemingsraad of van een commissie van de Ondernemingsraad of korter dan twee jaar geleden lid is geweest van de Ondernemingsraad of van een commissie van de Ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzegging of ontslag als bedoeld in dit hoofdstuk kan niet plaatsvinden wegens het feit dat de ambtenaar door een centrale als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Overleg-regeling of door een daarbij aangesloten vereniging, is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging, dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de voorgaande leden geldt tevens voor de plaatsvervangers van de genoemde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Schorsing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-821\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsingsgronden en –besluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 7.1.2 kan de ambtenaar door het dagelijks bestuur worden geschorst: wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; wanneer tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd; wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld; in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval: een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat; een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur der schorsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-822\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing en bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8.2.1, lid 1 onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de schorsing ingevolge 8.2.1, lid 1 onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in lid 3. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premie voor pensioen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevolge lid 1 niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevolge lid 2 niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Aanspraken tijdens herplaatsingtermijn en werkloosheid 9.1 Aanspraken tijdens herplaatsingtermijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomen tijdens herplaatsingtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de herplaatsingtermijn, zoals vastgelegd in artikel 2.3.2, lid 3 en lid 8 heeft de boventallig verklaarde ambtenaar recht op zijn salaris en het IKB-collectief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toelagen en vergoedingen tijdens herplaatsingtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de organisaties van overheidspersoneel maken in een sociaal plan, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, afspraken over toelagen en vergoedingen van de boventallig verklaarde ambtenaar gedurende de herplaatsingtermijn. Dit voor zover de SAW niet voorziet in een afbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afkoop rechten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar kan binnen een maand na aanvang van de herplaatsingtermijn ervoor kiezen om zijn rechten op basis van de SAW af te kopen tegen de helft van het aantal maandsalarissen van de herplaatsingtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe dient de boventallig verklaarde ambtenaar te verzoeken om zijn ontslag op grond van artikel 8.1.2. Het tweede lid van artikel 8.1.2 blijft voor deze gevallen buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar verliest indien hij gebruik maakt van de afkoop de rechten zoals neergelegd in paragrafen 2.3, 9.1 en 9.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Re-integratiepremie herplaatsingtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar die gedurende de herplaatsingtermijn een functie vindt, ontvangt een re-integratiepremie van één maandsalaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-915\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Salarisgarantie en perspectief</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanvaarding van een passende lagere functie, binnen de eigen organisatie of binnen de sector waterschappen, wordt het salaris aangevuld tot het niveau van het oude salaris op het moment van boventalligheid. Indien de boventallig verklaarde ambtenaar nog niet ingeschaald was op het maximum van de betreffende schaal, behoudt hij het recht op doorgroei op basis van de regeling gesprekscyclus (bijlage VII).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanvaarding van een functie tegen een lager salaris buiten de sector waterschappen, wordt het salaris aangevuld tot het niveau van het oude salaris op het moment van boventalligheid, gedurende de uitkeringsduur waarop de boventallig verklaarde ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij geen andere functie had gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Bovenwettelijke regeling bij werkloosheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-921\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor recht op aanvullende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op een aanvullende uitkering heeft de gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en is ontslagen op grond van: artikel 8.1.4 SAW; artikel 8.1.5 lid 3 SAW; artikel 8.1.6 SAW; artikel 8.1.7 lid 1 sub a of c; artikel 8.1.8 SAW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-922\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aanvullende uitkering: berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de gewezen ambtenaar recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de functie waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-923\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aanvullende uitkering: indexering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt telkens aangepast aan de indexering van de WW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-924\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aanvullende uitkering: bedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering bedragen samen een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in lid 1 genoemde percentage bedraagt: gedurende de eerste 6 maanden 90%; gedurende de daarop volgende 6 maanden 80%; daarna tot het einde van de WW-uitkering 70%.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-925\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-926\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Herleving van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering vastgelegd in de Werkloosheidswet zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-927\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verlenging van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering vastgelegd in de Werk-loosheidwet zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-928\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen en sancties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Werkloosheidwet is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gewezen ambtenaar ontslagen wordt op grond van artikel 8.1.4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het dagelijks bestuur een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering samen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gewezen ambtenaar ontslagen wordt op grond van artikel 8.1.4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het dagelijks bestuur een waterschapswerkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen. Deze waterschapswerkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 9.2.1 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze waterschapswerkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de waterschapswerkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-929\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Anticumulatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Scholing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten zoals beschreven in artikel 75 tot en met 78 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling op ziekengeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 9.2.1 van deze paragraaf als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen samen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 9.2.4 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling op uitkering Arbeid en zorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die: conform deze paragraaf een aanvulling op de werkloosheidsuitkering zou ontvangen als zij niet wegens zwangerschap– en bevallingsuitkering verhinderd zou zijn om arbeid te verrichten, en daarom een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg ontvangt heeft recht op een aanvulling van de Arbeid en zorg–uitkering als deze uitkering minder bedraagt dan de uitkering die zij op grond van artikel 9.2.4 zou hebben ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvulling bedraagt het verschil tussen de uitkering op grond van artikel 9.2.4 en het bedrag van de Arbeid en zorg–uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Wet arbeid en zorg is van toepassing op deze aanvulling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluitende uitkering: diensttijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aansluitende uitkering wordt verstaan onder diensttijd: de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de functie waaruit ontslag is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van even genoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijven buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar; diensttijd die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid; diensttijd die in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8.1.14 of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement; tijd in een aangehouden functie, dan wel in een functie welke de betrokkene had kunnen aanhouden, maar uit die hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor recht op aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recht op een aansluitende uitkering heeft de gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en ontslagen is op grond van: artikel 8.1.4 (reorganisatie); artikel 8.1.5 lid 3 (ontslag wegens een zwaarwegend dienstbelang bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%; artikel 8.1.8 (onverenigbaarheid karakters).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de gewezen ambtenaar die door het dagelijks bestuur op basis van artikel 9.2.8 derde lid een waterschapswerkeloosheidsuitkering is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de werkloosheid waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de uitkering krachtens de Werkloosheidwet en de aanvullende uitkering zijn geëindigd op grond van artikel 20, lid 1 onderdeel e van de Werkloosheidswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Duur van de aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de aansluitende uitkering is een aantal hele maanden. Dit aantal wordt berekend door het aantal dienstjaren te vermenigvuldigen met de correctiefactor.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De correctiefactor bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1,4 voor dienstjaren die voor de leeftijd van 40 jaar van betrokkene hebben plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 voor dienstjaren die vanaf de leeftijd van 40 jaar tot de leeftijd van 50 jaar van de gewezen ambtenaar hebben plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 voor dienstjaren die vanaf de leeftijd van 50 jaar van de gewezen ambtenaar hebben plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aansluitende uitkering: berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9.2.2 is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aansluitende uitkering: indexering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9.2.3 is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de uitkering: bedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitende uitkering bedraagt 70% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van het recht op aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op WW zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde geldt niet in geval het recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1 onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering berekend overeenkomstig artikel 9.2.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitende uitkering eindigt uiterlijk met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Nawerking Ziektewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien op grond van artikel 46 van de Ziektewet na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, wordt deze uitkering krachtens de Ziektewet in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Herleving van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 43 en 50 van de Werkloosheidswet met betrekking tot verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.22</span><span class=\"lf-art-t\">Pensioenpremie bij reorganisatieontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die op grond van artikel 8.1.4 SAW (reorganisatie) is ontslagen, heeft recht op vergoeding van het werkgeversdeel van de pensioenpremie op basis van de doorsneepremie, voor de pensioenopbouw van 50% tot 100% bij het ABP, gedurende de WW-fase en aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.23</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen en sancties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens ziekte is het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.24</span><span class=\"lf-art-t\">Anticumulatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20 en 35 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.25</span><span class=\"lf-art-t\">Scholing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.26</span><span class=\"lf-art-t\">Re-integratiepremie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die tijdens de WW-fase of aansluitende uitkering een baan vindt ontvangt een re-integratiepremie van één maand uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.27</span><span class=\"lf-art-t\">Grensarbeiders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bovenwettelijke regeling als bedoeld in deze paragraaf wordt ook toegepast op de gewezen ambtenaar die in het buitenland woont en werkte in de sector waterschappen in Nederland. Hij heeft recht op een aanvullende uitkering, die de buitenlandse wettelijke werkloosheidsuitkering aanvult tot de in de SAW genoemde niveaus, en op een aansluitende uitkering na afloop van deze buitenlandse werkloosheidsuitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.28</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsregeling duur aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 9.2.16 wordt de duur van de aansluitende uitkering, voor de ambtenaar die op 1 januari 2008 een aanstelling heeft bij een organisatie in de sector waterschappen, en op die datum 20 of meer dienstjaren heeft, op de ontslagdatum als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">19,5% van de diensttijd plus vervolgens 1,5% van de diensttijd per leeftijdsjaar dat de ambtenaar ouder is dan 21 jaar, met in totaal een bovengrens van 78% van de diensttijd; verminderd met 1 jaar en 9 maanden en; verminderd met de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de dag van werkloosheid en; verminderd met het verschil tussen de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet zoals deze van kracht was op 31 september 2006 en de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet zoals deze van kracht was op 1 oktober 2006, zoals weergegeven in bijlage VI.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 58,5 jaar of ouder heeft bereikt en een aaneengesloten diensttijd van tenminste twintig jaren heeft, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.29</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien wettelijke wijzigingen leiden tot een neerwaartse wijziging in de hoogte en de duur van de uitkering zal in het LAWA worden overlegd over de wijze waarop deze wijziging invloed heeft op de bovenwettelijke aanspraken. Indien dit overleg zes maanden na publicatie in het Staatsblad van de wetswijziging niet tot overeenstemming heeft geleid zullen de wettelijke wijzigingen integraal gelden voor het wettelijke en bovenwettelijke deel van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Verplaatsingskosten 10.1 Vergoeding reiskosten woon/werkverkeer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht vergoeding woon–werkverkeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die geen opdracht heeft om te verhuizen (voorstel vervallen tekst), heeft recht op een vergoeding in verband met kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar een volledige kalendermaand, anders dan in verband met vakantie, niet reist tussen woning en standplaats worden er geen reiskosten vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding eigen vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor eigen vervoer is € 0,19 per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand tussen de woning en de standplaats wordt bepaald met de ’ANWB routeplanner’ waarbij het gebruikelijke vervoermiddel en de gebruikelijke route worden gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt toegekend over de hele kilometers van de woning naar de standplaats en van de standplaats naar de woning, met een maximum van in totaal 60 kilometer per reisdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in de regel vijf dagen per week de in artikel 10.1.1, lid 1 SAW bedoelde afstand reist, ontvangt een vergoeding, over het aantal, in de praktische regeling van belastingdienst vastgestelde, reisdagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die met enige regelmaat minder dan vijf dagen per week de in artikel 10.1.1, lid 1 SAW bedoelde afstand reist, ontvangt een vergoeding naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij naar het werk reist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding openbaar vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in de regel vijf dagen per week de in artikel 10.1.1, lid 1 SAW benoemde afstand per openbaarvervoer reist, ontvangt een vergoeding van de kosten van het openbaarvervoer tegen het laagste tarief op jaarbasis. Deze vergoeding geldt ongeacht het aantal kilometers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar ontvangt een vergoeding eigen vervoer conform artikel 10.1.2 SAW voor de kilometers naar het opstappunt openbaar vervoer en voor de kilometers van het uitstappunt openbaar vervoer tot de standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan voor zowel het opstappunt als het uitstappunt kiezen voor de optimale reisroute.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die met enige regelmaat minder dan vijf dagen per week de in artikel 10.1.1, lid 1 SAW benoemde afstand reist, ontvangt een vergoeding naar rato van het aantal dagen dat hij naar het werk reist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1014\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan, bij organisatiewijzigingen volgens artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden, een bijzondere regeling vergoeding woon-werkverkeer treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Vergoeding reis- en verblijfskosten dienstreizen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1021\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding reis– en verblijfskosten dienstreizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: dienstreis: een in opdracht van de dienst door de ambtenaar te maken reis buiten de standplaats. motorvoertuig: auto of motorfiets 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op een vergoeding in verband met reis– en verblijfkosten van dienstreizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstreizen worden in beginsel gemaakt per openbaar vervoer, zulks ter beoordeling door of namens het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van dienstreizen per openbaar vervoer worden volledig vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan, indien hiervoor de in artikel 6.1.4 SAW bedoelde toestemming is verkregen, zijn eigen motorvoertuig gebruiken voor dienstreizen. Indien de ambtenaar geen eigen motorvoertuig in kan– of wenst te zetten, zorgt het waterschap voor vervoer vanwege de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor kosten van dienstreizen per eigen motorvoertuig bedraagt € 0,33 per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor overige reis– en verblijfkosten voor dienstreizen wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de door het rijk vastgestelde regels (de reisregeling binnenland van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijk relaties).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1022\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop dienst– en woon–werkkilometers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt voor dit artikel is een vaste maandelijkse vergoeding volgens paragraaf 10.1.1 SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar door het maken van een dienstreis, minder kilometers van de woning naar de standplaats, en/of van de standplaats naar de woning reist, worden de minder gereden kilometers waarvoor hij een vergoeding ontvangt, in mindering gebracht op de te vergoeden dienstreiskilometers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 is niet van toepassing voor zover de ambtenaar voor de kilometers woon/werkverkeer gebruik maakt van een abonnement openbaar vervoer of voor de dienstreis het openbaar vervoer gebruikt en hiervoor een vervoersbewijs aanschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Vergoeding verhuiskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1031\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op tegemoetkoming in verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar wordt een tegemoetkoming verleend ter zake van uitgaven, gedaan in verband met een verhuizing zoals bedoeld in artikel 6.2.17 of ter zake van terugkeer naar de oude woonomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1032\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraken op tegemoetkoming in verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die in verband met een verplaatsing of indiensttreding in opdracht van het dagelijks bestuur is verhuisd en een woning in het woongebied heeft betrokken, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die in verband met een verplaatsing of indiensttreding in opdracht van het dagelijks bestuur is verhuisd en een woning buiten het woongebied heeft betrokken, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend, indien het dagelijks bestuur vooraf heeft vastgesteld dat met de verhuizing aan de opdracht om naar de nabijheid van het woongebied te verhuizen wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na de verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de aan hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de ambtenaar, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar als bedoeld in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1033\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verhuizing dienstwoning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar of de gewezen ambtenaar, die in opdracht van het dagelijks bestuur anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op gebruikmaking van de regeling FPU, of met een ontslag als gevolg van aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaar nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1034\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overige voorwaarden voor toekenning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts worden verleend bij een vrijwillige verandering van de woonplaats binnen Nederland, verband houdende met: een ontslag, ter zake waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar recht heeft op dadelijk ingaand pensioen dan wel op een pensioen in het kader van de regeling FPU; een ontslag dat de ambtenaar of de gewezen ambtenaar anders dan op eigen verzoek is verleend en niet het gevolg is van aan hem te wijten feiten of omstandigheden; het overlijden van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend, indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar in een periode van minder dan tien jaar voorafgaande aan het beëindigen van het dienstverband is verhuisd ten gevolge van een verplaatsing en het dagelijks bestuur een verhuizing van het gezin naar de oude woonomgeving noodzakelijk acht. Het dagelijks bestuur wint daarbij een bedrijfsmaatschappelijk advies in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1035\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Geen tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 10.3.2 en 10.3.4 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1036\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">De hoogte van de tegemoetkoming in verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit: een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in– en uitpakken van breekbare zaken; een bedrag voor dubbele woonkosten; een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in lid 1, onder b, bedoelde bedrag is gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met dien verstande, dat het bedrag maximaal € 275,- per maand bedraagt en over een termijn van maximaal vier maanden wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in lid 1, onder c, bedoelde bedrag is in geval van verplaatsing of indiensttreding gelijk aan 12 procent van de jaarbezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar op de dag waarop de nieuwe woning kan worden betrokken, met dien verstande, dat het bedrag niet meer bedraagt dan het in artikel 8 van de Verplaatsingskostenregeling 1989 door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgestelde maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten of levenspartners beiden de ambtenaar of de gewezen ambtenaar zijn in de zin van deze regeling en afzonderlijk de opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt de tegemoetkoming berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar of de gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 10.3.2, die geen eigen huishouding voert, bedraagt de tegemoetkoming als bedoeld in lid 1, sub c, de helft van de tegemoetkoming die op grond van dit artikel zou zijn toegekend. Onder eigen huishouding voeren wordt verstaan het zelfstandig bewonen van een woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1037\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">De tegemoetkoming in reis– en pensionkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar of de gewezen ambtenaar die opdracht van het dagelijks bestuur heeft gekregen naar het woongebied te verhuizen en daarin, ondanks alle pogingen daartoe niet slaagt, heeft aanspraak op een vergoeding in verband met de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de standplaats, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten, en de te reizen afstand in de door het dagelijks bestuur, op basis van paragraaf 10.1 vastgestelde regeling woon-werkverkeer, een aanspraak geeft op een vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar of en gewezen ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het dagelijks bestuur, niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van waterschapswege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in het woongebied. Daarnaast heeft de ambtenaar of de gewezen ambtenaar aanspraak op een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor reiskosten naar de plaats waar hij nog woonachtig is. Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar er niet in slaagt om een pension in het woongebied te betrekken en hij zich naar het oordeel van het dagelijks bestuur daartoe voldoende inspanningen heeft getroost, heeft hij tevens aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen het pension nabij het woongebied en de standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar als bedoeld in het eerste en tweede lid naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet alles wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor de tegemoetkoming als bedoeld in het eerste en tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar of de gewezen ambtenaar die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen, kan in afwijking van paragraaf 10.1 een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet dagelijks heen en weer kan reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar of de gewezen ambtenaar die, in verband met een verplaatsing, opdracht van het dagelijks bestuur heeft gekregen om naar het toekomstige woongebied te verhuizen en die voor de datum van verplaatsing verhuist, heeft tot een maximumtermijn van drie maanden aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het reizen tussen de nieuwe woning en de standplaats als bedoeld in het eerste lid dan wel op de tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkomingen, bedoeld in dit artikel, worden vastgesteld volgens nader door het dagelijks bestuur te stellen regelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1038\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschottoekenning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan ter zake van de in of krachtens deze regeling bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1039\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere verplaatsingskostenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens deze regeling gestelde regelen beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Opleiding en ontwikkeling 11.1 Opleidingsplan en opleidingsbudget</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Opleidingsplan en opleidingsbudget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt een opleidingsplan en een opleidingsbudget vast van een bedrag dat minimaal gelijk is aan 2,5% van de loonsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleidingsplan wordt met de OR besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Studiefaciliteitenregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk OntwikkelingsPerspectief</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft ieder jaar, in aanvulling op de ontwikkelingsafspraken uit de reguliere gesprekscyclus, recht op een gesprek met de leidinggevende over opleiding, ontwikkeling, carrière en mobiliteit. Het gesprek en de afspraken, het Persoonlijk OntwikkelingsPerspectief (POP) worden vastgelegd in het personeelsdossier. Met het oog op de toekomstige ontwikkeling van de ambtenaar kan indien gewenst een loopbaan- of employabilityscan zoals bedoeld in artikel 11.2.2 deel uit maken van het POP.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het POP worden in ieder geval afspraken gemaakt over: de ontwikkelingsdoelstellingen van de ambtenaar en hoe die passen binnen de doelstellingen van het waterschapsorganisatie; de te volgen opleiding(en); de duur van de te volgen opleiding(en); wie welk deel van de studiekosten voor zijn rekening neemt; een eventuele terugbetalingsregeling; hoe om te gaan met de tijd die gemoeid is met de te volgen opleiding(en); de te verwachten voortgang en resultaten; de wijze waarop het waterschap medewerking verleent om de afspraken na te kunnen komen; de consequenties bij onderbreking of afbreking van de opleiding; de omstandigheden waaronder een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Individuele employabilityscan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een individuele employabilityscan vindt plaats: op verzoek van de ambtenaar; op basis van een employabilityplan als bedoeld in artikel 2.3.1, lid 4 SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De individuele employabilityscan kan leiden tot maatregelen om de employability van de ambtenaar te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken over in het vorige lid bedoelde maatregelen worden opgenomen in het POP, waarbij de direct leidinggevende en de ambtenaar wederzijds zijn verplicht om zich maximaal in te spannen om uitvoering te geven aan het POP.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig wordt een coach of mentor voor de ambtenaar aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">‘Tweede loopbaan’</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan voor de zogenoemde tweede loopbaan, eenmalig aanspraak maken op de faciliteiten van het loopbaanbudget van maximaal € 2.500,-. Het loopbaanbudget kan in gezet worden om eenmalig de loopbaan een nieuwe wending te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet van het loopbaanbudget kan uitsluitend nadat in overleg met de leidinggevende een POP is opgesteld. In dit POP dienen in ieder geval de volgende zaken vastgelegd te worden: de ontwikkelingsdoelstellingen van de ambtenaar; de te volgen opleiding(en), dan wel te gebruiken loopbaanfaciliteiten; de duur van de te volgen opleiding(en)/loopbaanfaciliteiten; hoe om te gaan met de tijd die gemoeid is met de te volgen opleiding(en)/loopbaanfaciliteiten; de te verwachten voortgang en resultaten; de wijze waarop het waterschap medewerking verleent om de afspraken na te kunnen komen; de consequenties voor de betrokkene bij onderbreking of afbreking van de opleiding; de omstandigheden waaronder een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding en verlof bij verplichte opleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uit de gesprekken van de gesprekscyclus of het POP-gesprek volgt dat de ambtenaar verplicht is een opleiding te volgen, waarmee direct of indirect het belang van een goede uitoefening van de huidige of toekomstige functie wordt gediend, worden de opleiding en de daaraan verbonden kosten volledig door het waterschap vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder opleiding wordt ook verstaan het doorlopen van een procedure bij een erkende EVC-aanbieder om te meten in welke mate getoonde competenties, respectievelijk bewijzen daarvan, voldoen aan de (opleidings)standaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor opleidingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaald verlof wordt toegekend voor het bijwonen van lessen of het afleggen van examens tijdens diensttijd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra verlof wordt toegekend voor het bijwonen van de lessen of het afleggen van examens buiten diensttijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is bevoegd te beslissen in gevallen waarin deze regeling naar zijn oordeel niet of niet in redelijkheid voorziet. Dat geldt tevens voor niet voorziene gevolgen voor de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Studiefaciliteiten voor 1 januari 2008</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande regeling geldt, voor nieuwe studieafspraken, vanaf 1 januari 2008. Voor afspraken over opleiding die zijn gemaakt vóór deze datum blijft de regeling zoals deze gold op 31 december 2007 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Loopbaanfaciliteitenregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar als bedoeld in art. 2.1.8 komt in aanmerking voor de loopbaanfaciliteiten-regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de ambtenaar als bedoeld in lid 1 wordt een loopbaangesprek gevoerd en de ambtenaar krijgt een individueel loopbaanbudget toegewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het loopbaangesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de ambtenaar als bedoel in art. 2.1.8 wordt jaarlijks een loopbaangesprek gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het loopbaangesprek worden naast de ontwikkeling van de ambtenaar tevens de mogelijkheden (functies), inspanningen (functioneren, inzet loopbaanfaciliteiten) en condities (van de aanstelling/benoeming) besproken in relatie tot: de ambities van de ambtenaar; de behoefte van de organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het loopbaangesprek heeft tot doel de competenties van de ambtenaar verder te ontwikkelen en in te zetten waar dat in verband met de bedrijfsvoering en de loopbaanontwikkeling van de ambtenaar belangrijk is. Het loopbaangesprek is gericht op het bevorderen van de mobiliteit van de ambtenaar. Daarnaast is het loopbaangesprek bedoeld om meer beweeglijkheid in organisatie te krijgen waardoor de flexibiliteit wordt vergroot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Loopbaanbudget en loopbaanfaciliteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het loopbaanbudget bedraagt € 2.500,-. Het budget kan in de plaatsingsperiode zoals bedoeld in artikel 2.1.8 lid 3 één keer in gezet worden voor loopbaanfaciliteiten om zicht te krijgen op de kwaliteiten, ontwikkeling, ambities, mogelijkheden etc. en vorm en sturing te geven aan de eigen loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder loopbaanfaciliteiten wordt o.a. verstaan: loopbaanadvies; assessment; coaching; opleidingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">EVC meting bij een erkende EVC aanbieder; cursussen en trainingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de in te zetten loopbaanfaciliteiten worden tussen de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken gemaakt in het loopbaangesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faciliteit loopbaanbudget is gekoppeld aan de plaatsingsduur in één functie. Er is opnieuw recht op het loopbaanbudget bij een volgende plaatsing in een andere functie op basis van artikel 2.1.8 lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Overleg en A&amp;O Fonds 12.1 Overleg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Commissie voor georganiseerd overleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur kan een commissie voor georganiseerd overleg instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, kunnen in de commissie voor georganiseerd overleg afspraken worden gemaakt, voor zover daarin niet is voorzien door het LAWA.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenstelling, bevoegdheid en werkwijze van de commissie, bedoeld in het eerste lid, worden bij afzonderlijke regeling geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen commissie als bedoeld in het eerste lid is ingesteld, moeten de vakorganisaties worden gehoord conform bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 A&amp;O-fonds</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.2</span><span class=\"lf-art-t\">A&amp;O-fonds Waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 januari 2008 is de Stichting Arbeidsmarkt- en Ontwikkelingsfonds Waterschappen (afgekort A&amp;O-fonds Waterschappen) opgericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stichting heeft ten doel het initiëren, stimuleren en bevorderen van (vernieuwende) activiteiten in de sector Waterschappen op het gebied van arbeidsmarkt en HRM-beleid en het uitvoeren van andere activiteiten op verzoek van het LAWA die rechtstreeks verband houden met de SAW, de werkgelegenheid en van een adequate scholing en opleiding voor de sector waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het A&amp;O-fonds Waterschappen wordt gefinancierd door middel van een bijdrage van 0,12% van de loonsom per jaar van de waterschappen en van de aan de waterschappen gelieerde organisaties die de SAW volgen. Onder loonsom wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: Loon voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen (kolom 14 van de modelloonstaat van de Belastingdienst).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks doet de in lid drie bedoelde organisatie aan het A&amp;O-fonds Waterschappen opgaaf van de loonsom per 1 januari van het betreffende jaar. Een kopie van de loonstaat waaruit dit bedrag kan worden afgeleid dient te worden bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage I Salaristabel Bijlage II Vervangend artikel 12.1 (voor waterschappen zonder GO.) Met de organisaties, waarbij de ambtenaren zijn aangesloten, vindt overleg plaats over de aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien door het centraal arbeidsvoorwaardenoverleg in het Landelijk Arbeidsvoorwaardenoverleg Waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het centraal arbeidsvoorwaardenoverleg in het vorige lid bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen een daarbij te stellen termijn, die niet korter dan veertien dagen zal zijn, het dagelijks bestuur schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken. Indien de organisatie dit verlangt, wordt zij tot mondelinge toelichting toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht een der deelnemers aan dit overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, dan kan een beroep worden gedaan op de Advies– en Arbitragecommissie voor de lagere overheden. De voorzitter van de Advies– en Arbitragecommissie bepaalt als dan de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de bepaling van lid 1 wordt geacht te zijn voldaan, indien de organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoort het nemen van het in lid 3 bedoelde besluit tot de bevoegdheid van het algemeen bestuur, dan vermeldt het dagelijks bestuur bij het ontwerp van het besluit tevens het gevoelen van de organisaties ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zendt een afschrift van zijn besluiten en van de besluiten van het algemeen bestuur, binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen, aan de organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze hoorbepaling wordt opgenomen, zullen nog de volgende wijzigingen in de SAW als volgt moeten worden gelezen: in artikel 6.2.8, lid 5 en artikel 2.3.2 lid 1 van de SAW zullen de woorden ‘in de commissie volgens 12.1’ moeten worden gelezen als ‘met de organisaties’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage III Transponeringstabel SAW Transponeringstabel SAW (oud) naar SAW (nieuw) SAW 2012 SAW 1 januari 2013 1.1 1.2.1 1.2 1.1.2 1.3 1.1.3 1.4 1.1.4 1.5 1.1.5 1.6 1.1.6 3.2.5 3.2.6 3.2.6 3.2.7 3.2.7 3.2.8 3.2.8 3.2.9 3.2.9 3.2.10 3.2.10 3.2.11 3.2.11 3.2.12 6.1.11 6.1.9 13 1.1.7 1.1.8 Deel 2 bijlage 7 6.3 Deel 2 bijlage 8 6.4 Bijlage IV Procedure FuWater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder: ambtenaar: degene zoals bedoeld in artikel 1.2.1, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW); bezwarencommissie: de commissie bedoeld in artikel 7 van deze regeling; conversietabel: de tabel in bijlage V die de resultaten van het waarderingsproces vertaald naar functieschalen; functiebeschrijving: een generieke of specifieke taakomschrijving van een organieke functie; functieboek: een weergave van alle functies binnen (een samenhangend deel van) de organisatie; functiefamilie: dit is een verzameling van functies die een grote verwantschap met elkaar hebben en vergelijkbare eisen stellen aan de competenties van de functiehouders; functiewaardering: het proces van het waarderen van functies volgens de in artikel 3.1.4 SAW genoemde methodiek FuWater; functiewaarderingsdeskundige: een FuWater gecertificeerde adviseur;</p>\n<p class=\"lf-p\">FuWater: het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 3.1.4 van de SAW; generieke functiebeschrijving: een beschrijving van taken die een weergave is van aard, karakter, niveau en complexiteit: logisch voortvloeiend uit de organisatiestructuur en verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het waterschap; management: de ambtena(a)r(en) die verantwoordelijk is/zijn voor het organisatie- en personeelsbeleid van het waterschap; organieke functie: een taak of groep van taken, logisch voortvloeiend uit de organisatiestructuur en verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het waterschap, die door of namens het dagelijks bestuur is vastgesteld om door een ambtenaar te worden vervuld; plaatsingsbesluit: het besluit waarin vastgelegd wordt welke functiebeschrijving voor de ambtenaar geldt; specifieke functiebeschrijving: een expliciete beschrijving van taken die de organisatie van een bepaalde medewerker verwacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het opmaken van nieuwe functiebeschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Functiebeschrijvingen worden opgemaakt: voor alle organieke functies: die bij de invoering van FuWater bij het waterschap bestaan; bij het ontstaan van nieuwe functies; bij een niveaubepalende wijziging van de taakinhoud van één of meer functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het management is verantwoordelijk voor de actualiteit van de functiebeschrijvingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure functiebeschrijving is opgenomen in de artikelen 2.1 en 3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Waarderen en conversie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder de verantwoordelijkheid van het management wordt de beschreven functie met behulp van FuWater, door de functiewaarderingsdeskundige gewaardeerd en wordt, aan de hand van de door het LAWA vastgestelde conversietabel de daarbij behorende functieschaal toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt de waardering en de functieschaal op basis van het bepaalde in het vorige lid vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Schriftelijke mededeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur deelt tegelijkertijd schriftelijk aan de ambtenaar het volgende mede: de functiebeschrijving; de waardering van de functie en de bijbehorende functieschaal; de ingangsdatum van de functiebeschrijving en de waardering.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Specifieke functiebeschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure specifiek functiebeschrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van iedere specifieke functie wordt door een functiewaarderingsdeskundige, onder verantwoordelijkheid van het management, een functiebeschrijving opgesteld op basis van FuWater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiebeschrijving wordt ter beschikking gesteld aan de ambtenaar die de betreffende functie vervult. De ambtenaar kan zijn opmerkingen over de functiebeschrijving schriftelijk, of indien hij dit wenst mondeling, kenbaar maken. De opmerkingen worden schriftelijk vastgelegd. De ambtenaar ontvangt hiervan een kopie. De opmerkingen van de ambtenaar maken onderdeel uit van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het management beoordeelt of de gemaakte opmerkingen al dan niet worden verwerkt in de functiebeschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar tekent de functiebeschrijving daarna voor gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiebeschrijvingen worden door het dagelijks bestuur vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie van de secretaris–directeur wordt beschreven onder de verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bezwaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen de functiebeschrijving en/of waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures en termijnen inzake bezwarenprocedures zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zes weken na de schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 1.4, kan de ambtenaar een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft bij het indienen van het bezwaarschrift recht op inzage in de onderliggende stukken die hebben geleid tot de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar conform het bepaalde in het tweede lid bezwaar heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur vraagt het dagelijks bestuur onverwijld na ontvangst van het bezwaar daaromtrent advies aan de in artikel 4.1 bedoelde commissie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Generieke functiebeschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure generiek functie beschrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van iedere generieke functie wordt door een functiewaarderingsdeskundige, onder verantwoordelijkheid van de secretaris directeur van het waterschap een generieke functiebeschrijving opgesteld. De secretaris directeur stelt deze beschrijving voorlopig vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorlopig vastgestelde generieke functiebeschrijving wordt als voorgenomen besluit ter advisering (artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden) aan de OR voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de OR heeft geadviseerd stelt het dagelijks bestuur de generieke functiebeschrijving vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie van de secretaris–directeur wordt beschreven onder de verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het functieboek wordt gewijzigd voor nieuwe functiefamilies en/of bandbreedtes bij wijziging of aanpassing van de organisatiestructuur, taken of doelstellingen van de organisatie die duurzaam moeten worden vervuld en die niet op basis van het vigerende functieboek kunnen worden vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verantwoordelijkheid van de directie zal door het managementoverleg jaarlijks worden bezien in hoeverre de noodzaak tot herbeschrijven aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot herbeschrijven kan ook worden ingediend door de Ondernemingsraad. Het verzoek wordt tenminste eenmaal besproken in een overlegvergadering. De WOR bestuurder beslist binnen acht weken na ontvangst van een verzoek tot herbeschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar geplaatst op een generieke functie kan verzoeken tot herziening van het eigen plaatsingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bezwaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen de functiebeschrijving en/of waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures en termijnen inzake bezwarenprocedures zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zes weken na de schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 1.4, kan de ambtenaar een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft bij het indienen van het bezwaarschrift recht op inzage in de onderliggende stukken die hebben geleid tot de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar conform het bepaalde in het tweede lid bezwaar heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur vraagt het dagelijks bestuur onverwijld na ontvangst van het bezwaar daaromtrent advies aan de in artikel 4.1 bedoelde commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een generieke functiebeschrijving kan de ambtenaar gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen het plaatsingsbesluit. Met dit bezwaar dient de ambtenaar zich te richten tot de eigen personele bezwarencommissie van het Waterschap.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Bezwaarprocedure</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezwarencommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een door het LAWA ingestelde landelijke bezwarencommissies gebaseerd op artikel 7.13 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezwarencommissie uit lid 1 brengt aan het dagelijks bestuur van het waterschap dat het bezwaar bij de commissie heeft aangebracht advies uit over de haar voorgelegde bezwaren van een ambtenaar tegen de functiebeschrijving en/of –waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De taak van de bezwarencommissie met betrekking tot functiewaardering bestaat uit: vaststellen van de ontvankelijkheid van het bezwaar;</p></div>", "next": 239873}