{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel Een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.6: rookdichtheid brand- en rookvrije vluchtroute Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB) 7. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand Richtlijn 7.1: brandweerlift Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.3: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden Richtlijn 7.4: noodverlichting De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlak die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 aangegeven is, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bestrijden van brand Richtlijn 8.1: droge blusleiding Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 8.2: brandslanghaspels (geldt niet voor een lichte industriefunctie) Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt van de vloer van de gebruiksfunctie maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h. (art 2.191 lid 2, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 8.3: droge blusleiding lichte industriefunctie Voor de lichte industriefunctie is alleen richtlijn 8.1 van toepassing.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Brandbeveiligingsinstallaties Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie Indien de industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie) groter is dan 8000 m2 dan moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. bouwverordening art 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de bouwverordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie Een industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie) dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie indien : het oppervlak groter is dan 8000 m2 (een handbrandmeldinstallatie conform de NEN 2535) de hoogste verblijfsvloer hoger dan 13 meter gelegen is (een brandmeldinstallatie met gedeeltelijke bewaking conform de NEN 2535) (op basis van gemeentelijk beleid en artikel 2.6.1 van de bouwverordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de brandmeldinstallatie wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.3: ruimtebewaking/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (op basis van bouwverordening art 2.6.2 lid 2). Voor de verblijfsruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding Een industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie) dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (bouwverordening art 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (bouwverordening art 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de bouwverordening 10. Gebruik Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen Indien er geen brandslanghaspels zijn geeist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening) 11. Gelijkwaardigheid Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Wijziging regelgeving Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkpakket 5 Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een logiesfunctie BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw Logiesfunctie: gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Brandcompartimenten Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen (art 2.113 lid 2 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (art. 2.113 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouw niveau is) of 60 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art 2.106 lid 3 NB) Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art 2.105 lid 1, 4, 6, 7, en 8 NB en art 2.112 lid 1, 4, 5, 6 en 7 BB): één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute. (art 2.104 lid 1, 3 NB en art 2.111 lid 1 BB).; gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB); stookruimte (&gt;130 KW); technische ruimte &gt; 50m² of 100m²; een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.4: subbrandcomaprtimenten voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw Een niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een subbrandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt in een subbrandcompartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subbrandcompartiment ligt in een brandcompartiment (art. 2.116 1,2 en 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.5: omvang en WBDBO van het subbrandcompartiment voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw Een subbrandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan één brandcompartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, omvat in afwijking van artikel 2.105, tweede lid, uitsluitend niet gemeenschappelijke ruimten van niet meer dan één gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 500 m² (art. 2.117 lid 1,2 en 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een sub-brandcompartiment naar een ruimte in het brandcompartiment, een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw is niet lager dan de in tabel 2.115 aangegeven grenswaarde (art. 2.118 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan een 10 minuten reductie van de brandwerendheid van 30 minuten van het subbrandcompartiment worden gegeven indien er een brandmeldinstallatie met volledige bewaking aanwezig is in het gehele brandcompartiment waar de reductie gegeven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.6: zelfsluitendheid In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 en art. 2.119 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rookcompartimenten Richtlijn 2.1: rookcompartiment Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB). Een subbrandcompartiment is een rookcompartiment (art 2.136 lid 1 NB). Deze laatste richtlijn geldt alleen voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis van een gebouw, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter boven het meetniveau, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 en 3 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn geldt niet voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leidt tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsgebied, resp. verblijfsruimte, tot de dichtstbijzijnde uitgang van het rookcompartiment mag maximaal 20 resp. 30m zijn, waarbij geen groter hoogteverschil mag worden overbrugd dan 4m. (art. 2.136 lid 2, 3 en 4 NB). De richtlijn voor overbrugging van het hoogteverschil geldt ook voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlak van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering: bezettingsgraadklasse Niet alle bezettingsgraadklassen kunnen hier worden aangegeven. Voor een logiesfunctie is bezettingsgraadklasse B5 uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Vluchten binnen een rookcompartiment Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.146 lid 8 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art 2.146 lid 9 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art 2.146 lid 12 en richtlijn 3.6. De definitie voor de toegang zoals beschreven in het twaalfde lid geldt niet voor een verblijfsruimte die in een subbrandcompartiment ligt. Dit geldt alleen voor andere logiesfuncties (art 2.146 lid 13 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art 2.146 lid 11 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.4: loopafstanden gang De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.5: loopafstanden niet gemeenschappelijke verblijfsruimte De loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en tenminste één toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment is ten hoogste 15 m (art 2.146 lid 6 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.6: toegang van een verblijfsruimte Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146: is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt, is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid. (art. 2.146 lid 12 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 14 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar één toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.7: Toegangen van het subbrandcompartiment Een sub-brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft tenminste twee toegangen (art 2.147 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.8 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment De afstand tussen een stookplaats en de verticale projectie van een trap is tenminste 1,5 m (art 2.148 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art 2.148 lid 2 NB) Deze richtlijn geldt niet voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlak van minder dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art 2.148 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art 2.148 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art 2.148 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.9:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>vluchtroutes Richtlijn 4.1: loopsloten Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art 2.154 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (2.170 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.4: één vluchtroute Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB). Dit geldt alleen voor een logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw met een gebruiksoppervlak van minder dan 500 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het zesde lid (hierboven beschreven), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.5: Hoogteverschil samenvallende vluchtroutes Het hoogteverschil tussen een vloer van een verblijfsgebied dat is aangewezen op samenvallende vluchtroutes als bedoeld in het zesde lid van art. 2.156 en het meetniveau, is niet groter dan 12,5 meter (art. 2.156 lid 9 NB). Dit geldt alleen voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 of voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw met een gebruiksoppervalkte van minder dan 500 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.6: status trappenhuis Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.7: Inrichting van de rookvrije vluchtroute Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.8: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander beweegbaar constructie- onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.9: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.10: draairichting deur Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.11: Loopafstand rookvrije vluchtroute Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft tussen twee toegangen die in de rookvrije vluchtroute liggen, een loopafstand die niet groter is dan 30 m. Dit geldt niet voor een vluchttrappenhuis (art. 2.172 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.12: opvang- en doorstroomcapaciteit Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw in combinatie met een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Constructies * brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 30 minuten indien geen vloer van een logiesfunctie hoger ligt dan 5 meter boven het meetniveau (o.b.v. gemeentelijk beleid).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 5 meter en niet hoger dan 13 meter boven het meetniveau (o.b.v. gemeentelijk beleid).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter boven het meetniveau (o.b.v. gemeentelijk beleid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art 2.9 lid 6 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande richtlijnen gelden niet voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet gelegen in een logiesgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden * De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB) 6. Materialen Richtlijn 6.1: stookplaats Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.2: rookafvoer De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel Een constructieonderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht van het, een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen van een rookvrije vluchtroute voor een logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een logiesgebouw Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.7 rookdichtheid constructieonderdelen van een rookvrije vluchtroute voor een andere logiesfunctie Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een constructie-onderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructie-onderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.8: Uitzonderigen Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand Richtlijn 7.1: brandweerlift Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis en rookcompartiment De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.3: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden Richtlijn 7.4: noodverlichting De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlak die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 aangegeven is, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art 2.60 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art 2.49 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>bestrijden van brand Richtlijn 8.1: droge blusleiding Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 8.2: brandslanghaspels Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt van de vloer van de gebruiksfunctie maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h. (art 2.191 lid 2, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering brandslanghaspels Indien de logiesfunctie niet in een logiesgebouw is gelegen geldt het bovenstaande alleen indien het gebruiksoppervlak van de logiesfunctie groter is dan 500 m2.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Brandbeveiligingsinstallaties Eis 9.1: ontruimingsalarminstallatie Indien de logiesfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie of een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of indien de totale gebruiksoppervlakte kleiner of gelijk is dan 500 m2 en de logiesfunctie gelegen is in een gebouw dat uit twee of meer bouwlagen bestaat, moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. bouwverordening art 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.7. van de bouwverordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Eis 9.2: brandmeldinstallatie Een logiesfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een volledige bewaking indien: het gebruiksoppervlak groter is dan 250 m2 of de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 5 meter (bouwverordening art 2.6.1 en bijlage 10).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van de brandmeldinstallatie wordt beschreven in artikel 2.6.4. van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eis 9.3: ruimtebewaking/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (o.b.v. bouwverordening art 2.6.2 lid 2). Voor de verblijfsruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. bouwverordening art 2.6.6 lid 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eis 9.4: vluchtrouteaanduiding Een logiesfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (bouwverordening art 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (bouwverordening art 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de bouwverordening 10. Gebruik Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen Indien er geen brandslanghaspels zijn geeist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening) 11. Gelijkwaardigheid Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Wijziging regelgeving Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkpakket 6 Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een onderwijsfunctie BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw onderwijsfunctie= gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs 1. Brandcompartimenten Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 3 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB): één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1); gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB); stookruimte (&gt;130 KW); technische ruimte &gt; 50m² of 100m²; een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rookcompartimenten Richtlijn 2.1: rookcompartiment Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde (art. 2.136 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer (zoals beschreven in richtlijn 9.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Vluchten binnen een rookcompartiment Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.146 lid 8 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art. 2.146 lid 9 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art. 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art. 2.146 lid 11 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.4: loopafstanden gang De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146: is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt, is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.148 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art. 2.148 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>vluchtroutes Richtlijn 4.1: loopsloten Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.4: één vluchtroute Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd dit zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.5: status trappenhuis Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.8: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.9: draairichting deur Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Constructies * brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie* De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden * De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Materialen Richtlijn 6.1: stookplaats Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.2: rookafvoer De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en 2.128 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand Richtlijn 7.1: brandweerlift Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis rookcompartiment De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.3: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden Richtlijn 7.4: noodverlichting De verblijfsruimten groter dan 60m², 150m² of 375m² (bij respectievelijk bezettingsklasse B1, B2 en B3), een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bestrijden van brand Richtlijn 8.1: droge blusleiding Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 8.2: brandslanghaspels Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Brandbeveiligingsinstallaties Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 500m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie Een onderwijsfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een niet automatische bewaking of een gedeeltelijke bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10) indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 20 en 50 meter resp. de 50 en 70 meter gelegen is. De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (Bouwverordening art. 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.6 lid 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding Een onderwijsfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (Bouwverordening art. 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (Bouwverordening art. 2.6.9.). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de Bouwverordening 10. Gebruik Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening) 11. Gelijkwaardigheid Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Wijziging regelgeving Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkpakket 7 Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een sportfunctie BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw sportfunctie= gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport 1. Brandcompartimenten Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 3 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB):één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1); gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB); stookruimte (&gt;130 KW); technische ruimte &gt; 50m² of 100m²; een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.3: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.4: zelfsluitendheid In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rookcompartimenten Richtlijn 2.1: rookcompartiment Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde (art. 2.136 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.4: ookwerendheid scheidingsconstructies De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Vluchten binnen een rookcompartiment Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.146 lid 8 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art. 2.146 lid 9 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art. 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art. 2.146 lid 11 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.4: loopafstanden gang De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146: is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt, is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.148 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art. 2.148 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>vluchtroutes Richtlijn 4.1: loopsloten Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.4: één vluchtroute Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd dit zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.5: status trappenhuis Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.8: Luchttoevoer en rookafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.9: draairichting deur Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Constructies * brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie* De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden * De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB). * brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Materialen Richtlijn 6.1: stookplaats Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.2: rookafvoer De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak Een constructie-onderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en art. 2.128 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand Richtlijn 7.1: brandweerlift Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis rookcompartiment De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.3: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden Richtlijn 7.4: noodverlichting De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervalkte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 is aangegeven, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bestrijden van brand Richtlijn 8.1: droge blusleiding Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient er een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 8.2: brandslanghaspels Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gebruiksoppervlak groter is dan 500 m2 dient er een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Brandbeveiligingsinstallaties Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1000m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie Een sportfunctie dient te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met een niet automatische bewaking, een gedeeltelijke bewaking of een volledige bewaking (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10) indien de hoogste verblijfsvloer resp. tussen de 5 en 13 meter, de 20 en 50 meter en de 50 en 70 meter gelegen is. De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes De samenvallende vluchtroutes en de ruimten van waaruit die vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd dienen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking (Bouwverordening art. 2.6.2 lid 2). Voor de ruimtes die afhankelijk zijn van de verkeersruimtes waarin de bedoelde vluchtroutes samenvallen is voorzien in een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in de NEN 2575, uitgave 2000 (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.6 lid 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.4: vluchtrouteaanduiding Een sportfunctie dient te zijn voorzien van vluchtrouteaanduiding (Bouwverordening art. 2.6.8 en bijlage 12). Indien het gebouw voorzien is van noodstroom moet de vluchtrouteaanduiding voorzien zijn van verlichting en op de noodstroomvoorziening zijn aangesloten (Bouwverordening art. 2.6.9). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in artikel 2.6.10. van de Bouwverordening 10. Gebruik Richtlijn 10.1: draagbare blustoestellen Indien er geen brandslanghaspels zijn geëist in het Bouwbesluit 2003 of als de situatie een ander blusmiddel vereist dan water dan moeten er geschikte kleine blusmiddelen worden aangebracht. (o.b.v. bouwverordening) 11. Gelijkwaardigheid Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift (BB art 1.5 NB en BB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Wijziging regelgeving Voor de in deze regels genoemde normen geldt dat indien er een nieuwere versie van de norm verschijnt, waarnaar ook in het Bouwbesluit en de Bouwverordening verwezen wordt, deze laatste van toepassing zal zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van de richtlijnen die volgend uit de Bouwverordening is de Bouwverordening 2003, inclusief de 9e wijzigingen, aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkpakket 8 Uitgangspunten voor gemeentelijk beleid voor een winkelfunctie BB= komt uit de regelgeving voor bestaande bouw NB= komt uit de regelgeving voor nieuwbouw winkelfunctie= gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Brandcompartimenten Richtlijn 1.1: brandscheiding naar het aangrenzende perceel Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen(art. 2.113 lid 2 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen het gebouw en een ander gebouw dat niet op hetzelfde perceel ligt (waarbij uitgegaan wordt van spiegelsymmetrie) moet minimaal 20 minuten bedragen (o.b.v. art.. 2.113 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.2: brandcompartimenten binnen het gebouw / perceel + WBDBO De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment of een gedeelte van een brandcompartiment, en een besloten ruimte waardoor een van rook en brand gevrijwaarde route voert, dient een WBDBO te bezitten van 30 minuten (indien de grootte van het brandcompartiment het nieuwbouwniveau is) of 60 minuten(indien de grootte van het brandcompartiment twee keer het nieuwbouwniveau is). (o.b.v. art. 2.106 lid 1, 5, 7 NB + art. 2.113 BB). Bij lage gebouwen en indien het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen kan er 30 minuten reductie van de WBDBO-eis van 60 minuten plaatsvinden (art. 2.106 lid 3 NB). Deze reductie geldt niet voor de WBDBO naar een veiligheidstrappenhuis en voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen (art. 2.106 lid 3 en 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een brandcompartiment wordt verstaan (art. 2.104, 2.105 en art. 2.112 NB + BB): één of meer met elkaar in verbinding staande, besloten ruimten, waardoor geen brand en rookvrije vluchtroute voert. De bad- en toiletruimten, de meterruimte en een opstelplaats voor een stooktoestel, niet gelegen in een stookruimte, liggen niet in een brandcompartiment en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute (art. 2.104 lid 1 en art. 2.111 lid 1); gezamenlijk gebruiksoppervlak van maximaal 1000m² of 2000m² van meerdere gebouwen op hetzelfde perceel (tabel 2.103 NB); stookruimte (&gt;130 KW); technische ruimte &gt; 50m² of 100m²; een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel: brandcompartimentering en gelijkwaardigheid brandcompartimentering in een winkelfunctie Grootte brandcompartiment WBDBO (2) Aanvullende eis Aanvullende eis 1000 m2 30 minuten 2000 m2 60 minuten 2000-2500 m2 60 minuten + BMI (3) 2500 – 4000 m2 60 minuten plus BMI (3) indien &lt; 5 meter Sprinkler indien er woningen boven gelegen zijn Sprinkler indien vloer van de hoogste verblijfsruimte &gt; 5 meter 4000 – 10.000 m2 BMI (3)+ RWA (4) (1 bouwlaag) Sprinkler indien er woningen boven gelegen zijn Sprinkler indien vloer van de hoogste verblijfsruimte &gt; 5 meter brandcompartiment weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag conform de NEN 6068 brandmeldinstallatie conform de NEN 2535 rook- en warmte afvoerinstallatie conform de NEN 6093 weerstand tegen rookdoorgang Richtlijn 1.3 brandcompartimentering tussen bestaande winkelfuncties en bestaande woonfuncties Indien de winkel gelegen is onder een woning of woongebouw en de eis van de bouwvergunning is lager dan 60 minuten dan moet er gekeken worden naar het relatieve oppervlak van de winkel en de woning of het woongebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlak winkel/2000 + oppervlak woning of woongebouw/1000 kleiner of gelijk aan 1 dan is 30 minuten WBDBO toegestaan tussen de winkel en de woning(en) groter dan 1 dan moet de WBDBO tussen woning en winkel 60 minuten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.4: brandscheiding met veiligheidstrappenhuis De scheidingsconstructie tussen een brandcompartiment en een niet besloten veiligheidstrappenhuis dient een WBDBO te bezitten van tenminste 60 minuten (art. 2.106 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1.5: zelfsluitendheid In een inwendige scheidingsconstructie van een (sub)brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.107 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rookcompartimenten Richtlijn 2.1: rookcompartiment Een brandcompartiment dient te zijn onderverdeeld in één of meer rookcompartimenten (art. 2.135 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.2: verblijfsruimte hoger dan 50 meter Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 50 meter, ligt een verkeersruimte met een lengte van 2 meter. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment (art. 2.135 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.3: loopafstanden in het rookcompartiment De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt en de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment wordt aangegeven in tabel 2.134 (art. 2.136 lid 2 NB). Indien de loopafstand bepaald wordt in het verblijfsgebied moet deze met 1,5 vermenigvuldigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.134 aangegeven grenswaarde (art. 2.136 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het veblijfsbied ligt, is niet groter dan 4 meter (art. 2.136 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze loopafstanden mogen 1,5 keer zo groot zijn indien er een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het gehele rookcompartiment aanwezig is. Deze brandmeldinstallatie hoeft niet door te melden naar de brandweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2.4: rookwerendheid scheidingsconstructies De scheidingsconstructie tussen een rookcompartiment en een andere besloten ruimte dient een WTRD (conform de NEN 6075) te bezitten van tenminste 30 minuten. In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructie-onderdeel anders dan een zelfsluitende deur (art. 2.137 en 2.138 lid 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Vluchten binnen een rookcompartiment Richtlijn 3.1: deurbreedte en draairichting in het verblijfsgebied en verblijfsruimte De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.146 lid 8 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde (art. 2.146 lid 9 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.2: loopafstanden verblijfsruimte De loopafstand vanaf ieder punt in een verblijfsruimte tot de toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde. Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 10 en 14 NB). Voor de definitie van de toegang zie art. 2.146 lid 12 en 13 en richtlijn 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.3: loopafstand in verblijfsruimte met brandbare stoffen De loopafstand tussen een punt in een ruimte, die bestemd is voor opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende, of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en tenminste een toegang van die ruimte is ten hoogste 20 meter (art. 2.146 lid 11 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.4: loopafstanden gang De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan één toegang heeft (art 2.146 lid 16 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.5: toegang van een verblijfsruimte Een toegang als bedoeld in het tiende lid van artikel 2.146: is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt, is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit leidt tot meerdere uitgangen, dienen deze uitgangen minimaal 5m. uit elkaar te liggen (art. 2.146 lid 12 en 14 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de laatstgenoemde situatie vanuit een ruimte door een andere ruimte moet worden gevlucht die maar een toegang heeft is dit toegestaan indien de ruimte waardoor gevlucht moet worden voorzien is van ruimtebewaking. Er mag dan niet geslapen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.6 Toegangen en draairichting van een rookcompartiment Een rookcompartiment heeft één of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 gegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 2.145.2 aangegeven waarde, met een minimum van 600 mm voor elke toegang (art. 2.148 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 2.145.2 aangegeven grenswaarde (art. 2.148 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 2.146, negende lid (art. 2.148 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 3.7: Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bezettingsgraad van een bouwwerk, een rookcompartiment, een verblijfsgebied of een verblijfsruimte hoger is dan B1 dan moet bijlage G van het brandbeveiligingsconcept voor bijeenkomstgebouwen worden gehanteerd voor de berekening van opvang- en doorsstroomcapaciteiten en voor de berekening van de uitgangsbreedten van deuren. Ook andere oplossingen die een gelijkwaardige veiligheid bieden kunnen worden toegestaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>vluchtroutes Richtlijn 4.1: loopsloten Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitend terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren moeten worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend (art. 2.154 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.2: rookvrije vluchtroute rookcompartiment Ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment beginnen tenminste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Dit geldt niet voor een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt (art. 2.156 lid 1 NB) Richtlijn 4.3: samenvallende vluchtroutes in een veiligheidstrappenhuis Delen van twee vluchtroutes, zoals hierboven bedoeld, kunnen samenvallen in een veiligheidstrappenhuis (art. 2.156 lid 3 NB). Dit veiligheidstrappenhuis mag per bouwlaag een permanente vuurbelasting bezitten van maximaal 3500 MJ (art. 2.170 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.4: één vluchtroute Een rookcompartiment met meer dan één toegang mag over 1 rookvrije vluchtroute beschikken indien tenminste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen (art. 2.156 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de toegang van een rookcompartiment kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen als het totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartimenten die hierop is aangewezen niet groter is dan de in de tabel 2.153 aangegeven grenswaarde (art. 2.156 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid (richtlijn 4.2), kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153 (art. 2.156 lid 6 NB). Onverminderd dit zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 2.153. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten (art. 2.156 lid 7 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.5: status trappenhuis Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 12,5m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert (art. 2.165 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.6: Inrichting van de rookvrije vluchtroute Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,6 m en een hoogte van tenminste 1,9m (art. 2.167 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.7: onafhankelijkheid vluchtmogelijkheden De WBDBO tussen twee rookvrije vluchtroutes bedraagt tenminste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelte en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 2.156 eerste lid en 2.157 eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander constructie-onderdeel dan een zelfsluitende deur (art. 2.168 lid 1 en 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.8: Luchttoevoer en rookafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten (art. 2.169 NB). Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.9: draairichting deur Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 2.166 aangegeven grenswaarde (art. 2.171 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 2.148, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in (art. 2.171 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.10: opvang- en doorstroomcapaciteit Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvang- en doorstroomcapaciteit die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften (art. 2.173 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijkwaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestaand gebouw niet voldoet aan de richtlijnen met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit moet gekeken worden of er een gelijkwaardige veiligheid gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld het gefaseerd ontruimen van het gebouw. Als uitgangspunt geldt hierbij dat het bouwwerk binnen 15 minuten ontruimd moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 4.11 vluchten door een winkel vanuit een woning Er mag niet door een winkel worden gevlucht vanuit een woning. Een woning moet beschikken over een van brand- een rookvrije vluchtroute met een WBDBO van 30 minuten. Indien het echt onmogelijk is om aan voorstaande eis te voldoen kan worden volstaan met een brandmeldinstallatie met totaalbeveiliging in het brandcompartiment waardoor gevlucht moet worden. Deze brandmeldinstallatie moet een ontruimingsalarminstallatie aansturen in de woning(en). Het geluid hiervan moet in alle woningen goed hoorbaar zijn (o.b.v. van gemeentelijk beleid).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Constructies * brandwerendheidseisen die voortvloeien uit brandcompartimentering kunnen hier tot zwaardere eisen leiden. De zwaarste eis is dan maatgevend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.1: hoofddraagconstructie* De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 60 minuten indien de hoogste verblijfsvloer tussen de 5 en 13 meter is gelegen. De hoofddraagconstructie dient een brandwerendheid op bezwijken te bezitten van 90 minuten indien de hoogste verblijfsvloer hoger is gelegen dan 13 meter (o.b.v. gemeentelijk beleid). Er kan 30 minuten reductie plaatsvinden van deze richtlijn indien de permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 Mj/m2 (art. 2.9 lid 6 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 5.2: vluchtmogelijkheden * De uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute wordt gedurende 30 minuten niet overschreden (NEN 6702) (art. 2.9 lid 1 NB) 6. Materialen Richtlijn 6.1: stookplaats Materialen ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats dienen onbrandbaar te zijn afhankelijk van de warmtestraling en/of de temperatuur in het materiaal (art. 2.89 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.2: rookafvoer De voorziening voor de afvoer van rook dient luchtdicht en onbrandbaar te zijn. De afstand van de uitmonding tot een naastgelegen brandgevaarlijk dak dient minimaal 15m. te zijn (2.90 BB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.3: brandvoortplanting constructieonderdelen binnenoppervlak 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91 (art. 2.92 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.4: brandvoortplanting constructieonderdelen buitenoppervlak Een constructie-onderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 2.91. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel voldoet aan klasse 4 (art. 2.93 lid 1NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedeelte van een constructie-onderdeel dat hoger ligt dan 13 meter boven het meetniveau, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan klasse 2 (art. 2.93 lid 2 NB). Dit is alleen vereist indien dit in het kader van brandcompartimentering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn 6.4 geldt niet voor een deur, een raam, een kozijn en een hiermee gelijk te stellen constructie-onderdeel (art. 2.93 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen 6.3 en 6.4 (art. 2.92 en 2.93) gelden niet voor de bovenzijde van een vloer, hellingbaan, trap en dak (art. 2.94 NB). Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de richtlijnen 6.3 en 6.4 een eis geldt, is de eis niet van toepassing (art. 2.95 lid 1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.5: rookdichtheid ieder constructieonderdeel Een constructieonderdeel aan de binnenzijde van het gebouw dient tenminste te voldoen aan een rookdichtheid van 10 m-¹. Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.126 lid 1 en art. 2.128 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 6.6: rookdichtheid constructieonderdelen brand- en rookvrije vluchtroute Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 2, maar niet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 2,2 m-1 (art. 2.126 lid 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting heeft die voldoet aan klasse 1, heeft dat constructieonderdeel aan die zijde, in afwijking van het eerste lid, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1 (art. 2.126 lid 5 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet voor de bovenzijde van een vloer, een hellingbaan en een trap (art. 2.127 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5% van deze constructieonderdelen hoeft niet te voldoen aan deze richtlijn (art. 2.128 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand Richtlijn 7.1: brandweerlift Indien een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20m boven het meetniveau moet er een brandweerlift aanwezig zijn (art. 2.184 lid 1 NB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.2: maximale loopafstand vluchttrappenhuis rookcompartiment De loopafstand tussen de toegang van een vluchttrappenhuis en de toegang tot een rookcompartiment mag maximaal 30 m. bedragen (art. 2.185 lid 3 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 7.3: Luchtafvoer Een niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte bij brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden (2.186.1 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen prestatie-eis geformuleerd voor de ventilatie. De toelichting op dit artikel geeft aan hoe hiermee omgegaan kan worden Richtlijn 7.4: noodverlichting De verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervalkte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 2.56 is aangegeven, een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert en de kooi van een lift moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid (art. 2.59 lid 1, 3 en 4 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 2.59, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux (art. 2.60 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken (art. 2.49 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bestrijden van brand Richtlijn 8.1: droge blusleiding Indien een verblijfsgebied hoger dan 20m. boven het aansluitende terrein ligt, dient er een zodanig aantal droge blusleidingen aanwezig te zijn, dat de afstand van een aansluiting van een droge blusleiding tot de toegang van een rookcompartiment maximaal 70m. is. De inrichting van de droge blusleiding moet aan een aantal punten van de NEN 1594 voldoen. Deze punten staan beschreven in artikel 2.199 (art. 2.197, 2.198 en 2.199 BB).</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 8.2: brandslanghaspels Een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlak die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 2.190, heeft tenminste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel (art 2.191 lid 2 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gebruiksoppervlak groter is dan 500 m2 dient er een zodanig aantal brandslanghaspels aanwezig te zijn, dat de loopafstand van een brandslanghaspel tot ieder punt in het gebouw maximaal de slanglengte vermeerderd met 5 m is. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand gelegen in een verblijfsgebied moet met 1,5 vermenigvuldigd worden. De brandslanghaspel is aangesloten op de voorziening voor drinkwater, mag niet in het trappenhuis liggen, mag geen grotere lengte hebben dan 30m. en bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels is de druk minimaal 100 kPa en de capaciteit 1,3 m³/h (art. 2.191 lid 3, 2.192 lid 3, 4 en 5 en 2.193 lid 2 en 3 NB).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Brandbeveiligingsinstallaties Richtlijn 9.1: ontruimingsalarminstallatie Indien de gebruiksfunctie op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, een gebruiksoppervlak heeft van meer dan 1000m² of in een gebouw is gelegen dat uit twee of meer bouwlagen bestaat moet het gebouw zijn voorzien van een ontruimingsalarminstallatie (o.b.v. Bouwverordening art. 2.6.5 en 2.6.6 lid 1). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 11 en artikel 2.6.7. van de Bouwverordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.2: brandmeldinstallatie Een winkelfunctie dient in een aantal gevallen te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie. Dit wordt beschreven in bijlage 10 van de Bouwverordening (Bouwverordening art. 2.6.1 en bijlage 10). De kwaliteit hiervan wordt beschreven in bijlage 10 en artikel 2.6.4. van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 9.3: rookdetectie/ontruimingsalarm bij samenvallende vluchtroutes</p></div>", "next": 239437}